Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2064(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0014/2014

Ingediende teksten :

A7-0014/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 04/02/2014 - 6.14
CRE 04/02/2014 - 6.14

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0060

Aangenomen teksten
PDF 153kWORD 77k
Dinsdag 4 februari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Rekenkamer
P7_TA(2014)0060A7-0014/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2014 over de toekomstige rol van de Rekenkamer: de procedure voor de benoeming van leden van de Rekenkamer: raadpleging van het Europees Parlement (2012/2064(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 286,

–  gezien artikel 108 van zijn Reglement,

–  gezien advies nr. 2/2004 van de Europese Rekenkamer over het model "single audit" (en een voorstel voor een communautair internecontrolekader)(1) ,

–  gezien zijn resolutie van 17 november 1992 over de procedure van raadpleging van het Europees Parlement met het oog op de benoeming van de leden van de Rekenkamer(2) ,

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 1995 over de te volgen procedure bij de raadpleging van het Parlement inzake de benoeming van de leden van de Rekenkamer(3) ,

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over een geïntegreerd internecontrolekader(4) ,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7‑0014/2014),

I.De toekomstige rol van de Rekenkamer

A.  overwegende dat in de verklaringen van Lima en Mexico van de International Organisation of Supreme Audit Institutions de belangrijkste elementen worden omschreven van een onafhankelijke controle-instantie en wordt bevestigd dat nationale rekenkamers (SAI's) een aanzienlijke vrijheid hebben bij het interpreteren van de beginselen van deze verklaringen;

B.  overwegende dat de Europese Rekenkamer, als professionele controle-instantie, onder meer de internationale auditnormen voor de overheidssector moet toepassen;

C.  overwegende dat de Europese Rekenkamer bij het Begrotingsverdrag van 1975 is ingesteld om de financiën van de EU te controleren en overwegende dat deze instelling, als extern controleur van de EU, bijdraagt aan het verbeteren van het financieel beheer van de Unie, waarbij zij tegelijkertijd optreedt als onafhankelijke bewaker van de financiële belangen van de EU-burgers;

D.  overwegende dat de huidige snel veranderende financiële en economische situatie een doeltreffend micro- en macroprudentieel toezicht noodzakelijk maakt, in overeenstemming met de beginselen van spaarzaamheid, efficiëntie en doelmatigheid, in een moderne en uitdagende Europese Unie;

E.  overwegende dat openbare financiële controleurs, zoals de Rekenkamer en de SAI's van de lidstaten, een belangrijke rol spelen bij het herstel van het vertrouwen in en de verbetering van de openbare verantwoordingsplicht van de EU; overwegende dat het daarom belangrijk is om een discussie over mogelijke hervormingen van de Rekenkamer te voeren in de bredere context van het streven om de openbare verantwoordingsplicht van de EU te versterken;

F.  overwegende dat in het Verdrag van Lissabon het juridisch kader voor de Rekenkamer wordt bevestigd, met als taken het bevorderen van de openbare verantwoordingsplicht en het bijstaan van het Parlement en de Raad bij het houden van toezicht op de uitvoering van de EU-begroting, om zo bij te dragen aan de verbetering van het financieel beheer van de EU en de bescherming van de belangen van de burgers;

II.De procedure voor de benoeming van leden van de Rekenkamer: raadpleging van het Europees Parlement

G.  overwegende dat krachtens artikel 286 VWEU de leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen land behoren of behoord hebben tot de externe controle-instanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn en wier onafhankelijkheid boven alle twijfel verheven is;

H.  overwegende dat het van essentieel belang is dat de Rekenkamer bestaat uit leden die qua beroepsbekwaamheid en onafhankelijkheid voldoen aan de hoogste normen, zoals vereist door het Verdrag, en dat voorkomen moet worden dat de reputatie van de Rekenkamer op enige wijze wordt aangetast;

I.  overwegende dat sommige benoemingen hebben geleid tot meningsverschillen tussen het Parlement en de Raad, die indien ze lang voortduren de goede samenwerking van de Rekenkamer met deze instellingen in het geding brengen, en mogelijkerwijs ernstige negatieve gevolgen hebben voor de geloofwaardigheid en bijgevolg ook voor de effectiviteit van de Rekenkamer;

J.  overwegende dat besluiten van de Raad om leden van de Rekenkamer te benoemen die door het Parlement waren gehoord en ongeschikt waren bevonden onbegrijpelijk zijn en getuigen van een gebrek aan respect voor het Parlement;

K.  overwegende dat de mening van het Parlement intensief wordt belicht in de media; overwegende dat het aantreden als lid van de Rekenkamer van personen van wie de kandidatuur eerder in het openbaar en formeel door het Parlement werd afgewezen het vertrouwen in de betrokken instellingen zou schaden;

L.  overwegende dat de doeltreffendheid van de beoordelingen en de werking van de Rekenkamer zullen toenemen door leden te benoemen die beschikken over professionele kennis van controles en een bredere en meer diverse professionele achtergrond en daarmee over een diversere kijk en deskundigheid; overwegende dat een scheve verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen tegenwoordig onaanvaardbaar is;

M.  overwegende dat de samenwerking tussen de Rekenkamer en het Parlement, die van cruciaal belang is voor het systeem van begrotingscontrole van de EU, wordt ondermijnd wanneer sommige leden van de Rekenkamer niet door het Parlement zijn goedgekeurd;

N.  overwegende dat in de Peer Review 2013 wordt opgeroepen tot kortere interne procedures in de Rekenkamer en een verduidelijking van de rol en het mandaat tegenover externe belanghebbenden en wordt benadrukt dat de gecontroleerden te veel invloed uitoefenen op de bevindingen en auditadviezen van de Rekenkamer;

O.  overwegende dat het Parlement zich vooral richt op voorstellen die geen verdragswijziging vereisen;

P.  overwegende dat de Raad de aanbeveling van het comité dat is opgericht krachtens artikel 255 VWEU om een advies te verstrekken over de geschiktheid van kandidaten voor de functie van advocaat-generaal van het Europees Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg altijd heeft geëerbiedigd, ondanks het feit dat het Verdrag geen duidelijke verplichting daartoe inhoudt;

I.De visie van het Parlement op de Europese Rekenkamer: de toekomstige rol van de Rekenkamer

1.  is niet alleen van mening dat de Europese Rekenkamer als externe controle-instantie voor de instellingen van de Europese Unie de wetgevers een verklaring mag voorleggen waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen in een bepaald begrotingsjaar worden bevestigd, maar ook dat de Rekenkamer uitstekend geplaatst is om de wetgever en de begrotingsautoriteit, met name de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, waardevolle adviezen te verstrekken over de resultaten van het EU-beleid, om zo de prestaties en de doeltreffendheid van door de EU gefinancierde activiteiten te verbeteren, schaal- en toepassingsvoordelen te vinden en eventuele overloopeffecten van het nationale beleid van de lidstaten vast te stellen en een externe beoordeling van de evaluatie van de overheidsfinanciën in de lidstaten door de Commissie te verrichten voor het Parlement;

2.  is van mening dat in het kader van het proces van publieke verantwoording van de EU-instellingen de onafhankelijkheid, integriteit, onpartijdigheid en professionaliteit van de Rekenkamer gewaarborgd moeten blijven, en dat de Rekenkamer moet streven naar nauwe samenwerking met zijn partners, met name het Europees Parlement, en meer in het bijzonder de Commissie begrotingscontrole, maar ook de overige gespecialiseerde commissies;

Het traditionele model van de betrouwbaarheidsverklaring (DAS)

3.  merkt op dat de Rekenkamer uit hoofde van het Verdrag (artikel 287 I, lid 2, VWEU) ertoe gehouden is een betrouwbaarheidsverklaring (DAS(5) ) voor te leggen aan het Parlement en de Raad met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen, nadat hij de regelmatigheid, de wettigheid en de resultaten van de begroting van de Unie heeft onderzocht, en dat de Rekenkamer eveneens volgens het Verdrag speciale verslagen en adviezen dient af te geven; merkt op dat een groot deel van de personele middelen van de Rekenkamer wordt ingezet voor de jaarlijkse DAS-exercitie;

4.  is van mening dat onafhankelijkheid, integriteit, onpartijdigheid en professionalisme van de Rekenkamer van essentieel belang zijn voor de geloofwaardigheid van de Rekenkamer bij het ondersteunen van het Parlement en de Raad bij het controleren en verbeteren van het financieel beheer van de EU en voor het beschermen van de financiële belangen van de Unie, vanaf de programmeringsfase tot de afsluiting van de rekeningen;

5.  betreurt dat de Rekenkamer op basis van de resultaten van zijn controle – voor de achttiende maal op rij – geen positieve betrouwbaarheidsverklaring (DAS) heeft kunnen afgeven met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen; onderstreept het feit dat een foutenpercentage op zich slechts een gedeeltelijk beeld geeft van de doeltreffendheid van het beleid van de Unie;

6.  herinnert eraan dat artikel 287 VWEU bepaalt dat de Rekenkamer aan het Europees Parlement en aan de Raad een verklaring voorlegt waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd; herinnert eraan dat de Rekenkamer in 2012 in plaats van één verklaring over de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, vier adviezen heeft uitgebracht; één over de betrouwbaarheid van de rekeningen en drie over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen (één over de inkomsten, één over de vastleggingen en één over de betalingen); is van mening dat deze wijze van advies uitbrengen het moeilijker maakt om de uitvoering van de begroting door de Commissie te beoordelen;

7.  wijst erop dat de DAS een jaarlijkse indicatie is binnen een meerjarig uitgavenpatroon, waardoor het moeilijker wordt om rekening te houden met de cyclische aard en de gevolgen van meerjarige regelingen, en dat de totale gevolgen en doeltreffendheid van het beheer en de controlesystemen slechts deels gemeten kunnen worden aan het einde van een uitgavenperiode; is daarom van mening dat de Rekenkamer bij de kwijtingsautoriteit een tussentijdse evaluatie en aan het eind van een programmeringsperiode naast de jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring een samenvattend verslag zou moeten indienen;

8.  verwelkomt het feit dat de Rekenkamer sinds 2009 aanzienlijke inspanningen heeft verricht voor de ontwikkeling van zijn producten en diensten en van zijn jaarverslag; is echter van mening dat nog meer kan worden gedaan en meer middelen ingezet kunnen worden om de kwaliteit verder te verhogen, vooral op het gebied van de doelmatigheidscontroles, die informatie opleveren over de effectiviteit van de EU-begroting; is van mening dat de Rekenkamer het DAS-model kan gebruiken als basis om vast te stellen of en op welke wijze resultaten zijn geboekt, teneinde hier lering uit te trekken ten behoeve van andere terreinen;

De nieuwe taken en uitdagingen van de Rekenkamer

9.  wijst op de historische, constructieve rol van de DAS-procedure waarbij wettigheid en regelmatigheid nuttige indicatoren zijn voor goede financiële praktijken en beheersprestaties op alle niveaus van de EU-uitgaven en wordt aangetoond op welke manier EU-middelen zijn gebruikt overeenkomstig de beslissingen van het Parlement, dat optreedt als wetgever en begrotingsautoriteit; benadrukt echter dat de Rekenkamer momenteel en in de toekomst meer middelen moet besteden aan het onderzoeken van de vraag of de Commissie de aan haar toevertrouwde middelen op zuinige, doeltreffende en efficiënte wijze heeft besteed; wijst erop dat de bevindingen in de speciale verslagen moeten leiden tot dienovereenkomstige aanpassingen van de EU-programma's;

10.  onderstreept het feit dat het mandaat van de Rekenkamer, zoals vastgelegd in het Verdrag, het referentiekader vormt waarbinnen de Rekenkamer zijn rol moet vervullen als onafhankelijke externe auditinstantie van de Unie; wijst erop dat het mandaat een aanzienlijke mate van flexibiliteit biedt, zodat de Rekenkamer zich bij de uitvoering van zijn taken niet hoeft te beperken tot de DAS; herinnert eraan dat het mandaat de Rekenkamer de mogelijkheid biedt de resultaten van zijn doelmatigheidscontroles te presenteren in speciale verslagen, wat de mogelijkheid biedt een waardevolle bijdrage te leveren door de aandacht te richten op onderzoek te doen naar terreinen met hoog risico; wijst er bovendien op dat deze verslagen de Europese burgers informatie verstrekken over de werking van de Unie en de besteding van Europese middelen in verschillende domeinen, teneinde Europa nader bij de burger te brengen en transparanter en bevattelijker te maken;

11.  herinnert eraan dat een kwijting waarover gestemd wordt voor 31 december van het jaar volgend op het begrotingsjaar één van de beste manieren is om de controle van de jaarrekeningen van de Europese Unie en zowel de prestaties als de doeltreffendheid van de EU-uitgaven te verbeteren; onderstreept dat dit de Rekenkamer zou dwingen om zijn jaarverslag op 30 juni te presenteren;

12.  stelt voor dat de Europese Rekenkamer, zonder haar onafhankelijkheid in het gedrang te brengen, haar advies opstelt op grond van de materialiteitsdrempel en niet alleen op grond van het toelaatbare foutenpercentage, hetgeen meer in overeenstemming lijkt te zijn met de internationale auditnormen;

13.  stelt voor dat het Europees Parlement een bijzondere sectie van zijn jaarlijks kwijtingsverslag wijdt aan de follow-up van de aanbevelingen die de Rekenkamer in zijn verschillende prestatiecontroles heeft gedaan, om de Commissie en de lidstaten ertoe aan te sporen om deze aanbevelingen in de praktijk te brengen; het Parlement dient voorts aan te geven aan welke belangrijke follow-upmaatregelen de Rekenkamer bijzondere aandacht kan besteden in zijn jaarverslag, zonder afbreuk te doen aan zijn onafhankelijkheid;

14.  wijst erop dat de Rekenkamer de planning van zijn werkprogramma vaststelt op meerjarige en jaarlijkse grondslag; wijst erop dat het meerjarige plan dient om de strategie van de Rekenkamer te formuleren en te actualiseren, terwijl het jaarlijkse plan de specifieke taken vaststelt die in het betreffende jaar moeten worden uitgevoerd; verwelkomt het feit dat de Rekenkamer elk jaar het jaarlijkse werkprogramma presenteert aan de Commissie begrotingscontrole en daarbij de prioritaire controletaken uiteenzet, alsmede de middelen die aan de uitvoering ervan zijn toegewezen;

15.  is van mening dat de huidige vorm van de bijeenkomsten van de Rekenkamer met het Parlement en de Raad waardevol advies oplevert voor de vaststelling van het jaarlijks werkprogramma van de Rekenkamer; benadrukt dat deze gestructureerde voorbereidende dialogen in hoge mate bijdragen aan het waarborgen van een doeltreffende en democratische verantwoording aan de burgers inzake de besteding van openbare middelen voor het verwezenlijken van de EU-doelstellingen; benadrukt dat de Rekenkamer, ondanks een nauwere raadgevende samenwerking met het Parlement en de Raad, vrij van politieke of nationale inmenging over zijn jaarlijks werkprogramma dient te beslissen;

16.  merkt op dat kwesties die van bijzonder belang zijn voor externe belanghebbenden, zoals het Europees Parlement, en daarmee verband houdende controleverzoeken, niet op een gestructureerde manier worden verzameld en ook geen echte voorkeursbehandeling krijgen; vindt dit nadelig voor de relevantie en de impact van de resultaten van de controles door de Rekenkamer; wijst er daarnaast op dat de toegevoegde waarde van de Rekenkamer rechtstreeks verband houdt met de wijze waarop het Parlement en andere belanghebbenden tijdens het verantwoordingsproces gebruik maken van de werkzaamheden van de Rekenkamer; verzoekt de Rekenkamer derhalve om in zijn jaarlijkse werkprogramma rekening te houden met de politieke prioriteiten van de wetgevers en kwesties die van groot belang zijn voor de EU-burgers en die worden meegedeeld door de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, zodat aandacht wordt besteed aan de zorgen van de EU-burgers;

Samenwerking met nationale hoge controle-instanties (SAI's)

17.  verwacht dat er een nauwere samenwerking tussen de Rekenkamer en de SAI's van de lidstaten tot stand wordt gebracht met concrete resultaten voor het delen van het werk dat de Rekenkamer jaarlijks verricht; verwacht voorts concrete methodologische stappen en afspraken over de auditkalenders; verwacht dat de Commissie aan de hand van een juridisch onderzoek voorstellen doet om het auditwerk van de SAI's van de lidstaten op te nemen in de audits van de Rekenkamer met betrekking tot het gedeeld beheer in de respectieve lidstaat;

18.  benadrukt dat de Rekenkamer het voortouw moet nemen bij het vormgeven van een werkmethode met als doel dat nationale SAI's en de Rekenkamer nauwer samenwerken bij de controle van de uitgaven en resultaten van de EU-begroting, om dubbele controlewerkzaamheden te voorkomen en controlegegevens uit te wisselen, risicogebieden te identificeren, gezamenlijke controles uit te voeren of de SAI's nauwer te betrekken bij de auditopdrachten van de Rekenkamer leidend tot de ontwikkeling van gezamenlijke werkmethodes en een grotere doelmatigheid op elke niveau van controle; wijst erop dat de uitwisseling van audit- en controlegegevens en beste praktijken tussen de Rekenkamer en de SAI's van wezenlijk belang is voor het verbeteren van de gerichtheid van de audits en controles; wijst erop dat er te veel controlelagen bestaan en dat dubbel werk moet worden vermeden om de druk op de beheersautoriteiten en begunstigden te verlichten;

19.  roept daarom op tot nauwere samenwerking tussen de nationale controle-instanties en de Rekenkamer met betrekking tot de controle van het gedeeld beheer, overeenkomstig artikel 287, lid 3, VWEU;

20.  stelt voor te onderzoeken of de nationale controle-instanties in hun hoedanigheid van onafhankelijke externe controleurs en met inachtneming van de internationale controlenormen, nationale controlecertificaten betreffende het beheer van de middelen van de Unie kunnen afleveren die vervolgens bij de regeringen van de lidstaten worden ingediend om tijdens het kwijtingsproces te worden overgelegd volgens een passende interinstitutionele procedure;

21.  benadrukt hoe belangrijk het is Europese programma's op te nemen in de planning van de controles van de SAI's en met name programma's onder gedeeld beheer, waarbij de nationale parlementen een cruciale rol moeten spelen daar zij hun respectieve SAI's kunnen verzoeken controles uit te voeren van de Europese middelen en programma's; door deze controles te institutionaliseren en te regelen, kunnen de resultaten ervan jaarlijks voorgelegd worden aan de nationale parlementen;

De nieuwe operationele omgeving van de Rekenkamer

22.  wijst erop dat de verordeningen die de belangrijkste terreinen van uitgaven voor de periode 2014‑2020 dekken hebben geleid tot aanzienlijke wijzigingen van de financiële en juridische kaders voor de uitvoering van de EU-begroting; wijst erop dat deze hervormingen aanzienlijke veranderingen inhouden die de omgeving van de risico's met betrekking van het financieel beheer zullen beïnvloeden door de financieringsregels te vereenvoudigen, de voorwaarden uit te breiden en de hefboomwerking van de EU-begroting te vergroten; dringt er daarom op aan dat de Rekenkamer zich meer richt op resultaten door middel van passende verslaglegging over de risico's en de prestaties van dergelijke nieuwe instrumenten;

23.  stelt voor dat de Rekenkamer zijn meerjarig werkprogramma in overeenstemming brengt met het MFK en daarin zowel een tussentijdse als een uitgebreide evaluatie van de afsluiting van de rekeningen van de Commissie ten aanzien van het respectieve MFK opneemt;

24.  wijst erop dat het in doelmatigheidscontroles vaak ontbreekt aan een duidelijke analyse van de oorzaken van de auditbevindingen; wijst er voorts op dat er geen systeem is om te waarborgen dat de voor de uitvoering van een specifieke audit benoemde controleur over de technische kennis en methodologische vaardigheden beschikt om de audit te verrichten zonder voor welke kwestie ook van nul af aan te moeten beginnen; is van mening dat deze omstandigheden de ineffectiviteit en inefficiëntie van de bevindingen van de Rekenkamer in doelmatigheidscontroles vergroten;

25.  verwacht van de Rekenkamer volledige openheid over de tijd die de Rekenkamer voor zijn producten nodig heeft en verzoekt de Rekenkamer om binnen elke respectieve doelmatigheidscontrole het tijdschema te publiceren, alsmede de verschillende fasen die het respectieve product heeft ondergaan, m.a.w. de benodigde tijd om elk van de onderstaande huidige fasen te doorlopen:

   Voorbereidende studie
   Zaakanalyse
   Audit Planning Memorandum (controleplan)
   Verklaring(en) inzake voorlopige bevindingen
   Trekken van conclusies
   Ontwerpverslag
   Contradictoire procedure;

26.  wijst erop dat doelmatigheidscontroles van de Rekenkamer, inclusief een voorbereidend onderzoek, twee jaar in beslag nemen waardoor de auditbevindingen in veel gevallen achterhaald zijn en er onmogelijk passende maatregelen kunnen worden genomen; verwacht dat de Rekenkamer de opstelling van de doelmatigheidscontroles stroomlijnt en daarbij overbodige procedurele stappen schrapt;

27.  wenst dat de Rekenkamer in de toekomst niet alleen de opmerkingen van de Commissie op de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer publiceert, maar waar nodig ook een duidelijke eindrepliek formuleert;

28.  is van mening dat de Rekenkamer regelmatig statistieken over de aanwezigheid van leden in zijn zetel in Luxemburg aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement moet doen toekomen; verwacht in dit opzicht volledige openheid van de Rekenkamer ten aanzien van het Parlement; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar is een deel van de bezoldiging van de leden van de Rekenkamer te vervangen door een dagvergoeding;

29.  benadrukt dat in het desbetreffende verslag eerlijkheid geboden is en er naar de argumenten van de gecontroleerde moet worden verwezen, maar dat er met de gecontroleerde geen consensus hoeft te worden bereikt;

30.  wijst erop dat de parlementaire beraadslagingen over in speciale verslagen aangekaarte zaken in sommige gevallen al gesloten waren, waardoor het onmogelijk was om effectief gebruik te maken van de resultaten van de audit van de Rekenkamer; wijst er verder op dat de belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer in sommige gevallen al door de Commissie waren uitgevoerd zodra de Rekenkamer zijn verslag had voorgelegd; verwacht dat de Rekenkamer bij de uitvoering van zijn audits rekening houdt met alle externe termijnen en ontwikkelingen;

31.  verwacht dat de Rekenkamer in zijn verslagen duidelijk ingaat op de zwakke punten en beste praktijken van de autoriteiten van de lidstaten door ze consequent kenbaar te maken;

32.  is ervan overtuigd dat schaal- en toepassingsvoordelen kunnen worden verwezenlijkt door een grondige analyse van de behoeften aan middelen van de leden van de Rekenkamer; verwacht dat de Rekenkamer deze voordelen bekijkt, o.a. met betrekking tot een gemeenschappelijke chauffeursdienst voor leden en gedeelde kabinetten en personeelsleden;

33.  betreurt het feit dat intergouvernementele acties buiten het kader van de EU-verdragen, bijvoorbeeld ter vaststelling van de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM), eveneens een grote uitdaging vormen voor de publieke verantwoording en controle en tegelijkertijd de cruciale rol van de Rekenkamer ondermijnen;

34.  betreurt dat er voor de EFSF tot dusver geen enkele regeling is getroffen voor een onafhankelijke publieke externe controle en betreurt dat zelfs nadat de Rekenkamer een lid van de controlecommissie van de ESM heeft benoemd, het jaarlijks controleverslag van deze commissie noch aan het Parlement, noch aan het brede publiek beschikbaar wordt gesteld; verzoekt de Rekenkamer om het Parlement regelmatig het jaarlijkse controleverslag van de commissie te doen toekomen, alsmede alle andere nodige informatie over de activiteiten van de Rekenkamer in deze context, zodat het Parlement tijdens de kwijtingsprocedure het werk van de Rekenkamer aan een kritisch onderzoek kan onderwerpen;

Hervorming van de structuur van de Rekenkamer

35.  wijst erop dat de samenstelling en benoemingsprocedure van de Rekenkamer zijn vastgelegd in artikel 285 en artikel 286 VWEU; benadrukt echter de noodzaak van een verdragswijziging zodat de Raad en het Parlement voortaan op gelijke voet staan bij de benoeming van de leden van de Rekenkamer om zo de democratische legitimiteit, openheid en volledige onafhankelijkheid van de leden van de Rekenkamer te waarborgen;

36.  betreurt het feit dat sommige benoemingsprocedures hebben geleid tot een conflict tussen het Parlement en de Raad over de kandidaten, hoewel het Verdrag niet in een dergelijk conflict voorziet; onderstreept dat het, zoals vastgesteld in het Verdrag, de taak van het Parlement is om de kandidaten te controleren; is van mening dat de Raad in de geest van goede samenwerking tussen de Europese instellingen respect moet tonen voor de beslissingen die het Parlement na de hoorzitting heeft genomen;

37.  verzoekt erom dat na de volgende wijziging van het EU-Verdrag de leden van de Europese Rekenkamer worden gekozen door het Europees Parlement op voorstel van de Raad; benadrukt dat een dergelijke procedure zorgt voor meer onafhankelijkheid van de leden van de Rekenkamer ten opzichte van de lidstaten;

38.  verwelkomt het feit dat de Rekenkamer in 2010 een nieuw reglement heeft aangenomen waarmee het besluitvormingsproces gestroomlijnd kon worden binnen het huidige juridische kader, zodat controleverslagen en adviezen nu worden goedgekeurd door kamers van 5 tot 6 leden in plaats van door het volledige college van 28 leden;

39.  is van mening dat de huidige regel van geografische vertegenwoordiging voor het topmanagement, wat inhoudt dat er slechts één lid per lidstaat kan zijn, op dit moment al lang achterhaald en niet meer geloofwaardig is en vervangen kan worden door een lichtere managementstructuur die is toegesneden op een breder mandaat van verantwoording, met passende regels om de onafhankelijkheid bij alle activiteiten van de Rekenkamer te waarborgen;

40.  stelt daarom voor om de Rekenkamer uit evenveel leden te laten bestaan als de Commissie; leden moeten in ieder geval professionele ervaring hebben op het gebied van controle en management; de leden van de Rekenkamer moeten hooggekwalificeerd zijn voor hun functie, en hun onafhankelijkheid moet boven alle twijfel verheven zijn;

41.  stelt voor om de wijze van bezoldiging van de leden van de Rekenkamer te herzien, alsmede de rechtstreeks en persoonlijk aan elk lid toegewezen middelen, zodat ze in overeenstemming zijn met de nationale en internationale praktijken voor soortgelijke functies en de leden van de Rekenkamer hun verantwoordelijkheden onafhankelijk kunnen vervullen;

II.De procedure voor de benoeming van leden van de Rekenkamer: raadpleging van het Europees Parlement

42.  stelt de volgende beginselen, selectiecriteria en procedures vast voor het geven van een advies over de kandidaten voor het lidmaatschap van de Rekenkamer:

   (a) het Parlement moet over een redelijke termijn beschikken om de kandidaten te kunnen laten horen door de Commissie begrotingscontrole en deze commissie te laten stemmen op een vergadering na de hoorzitting;
   (b) indien een besluit moet worden genomen, waarbij politieke criteria buiten beschouwing worden gelaten, wordt door de Commissie begrotingscontrole en op de plenaire vergadering gestemd bij geheime stemming;
   (c) de hoorzittingen van de Commissie begrotingscontrole zijn openbaar en worden door middel van een videoverbinding uitgezonden;
   (d) het Parlement neemt een besluit op basis van een meerderheid van de uitgebrachte stemmen op de plenaire vergadering, en zijn advies moet door de Raad worden gerespecteerd; kandidaten zijn tijdens de stemming aanwezig en de voorzitter van het EP vraagt na een negatieve stemming aan de kandidaat in kwestie of deze zich als kandidaat terugtrekt;

43.  is van oordeel dat de criteria voor de benoeming van leden van de Rekenkamer verder moeten worden gespecificeerd op basis van artikel 286 VWEU en benadrukt dat voor de beoordeling van het Parlement met name de volgende criteria gelden:

   (a) beroepservaring op hoog niveau op het gebied van overheidsfinanciën, auditing en management, alsmede een grondige kennis van het bestuur van de Europese instellingen;
   (b) een goede staat van dienst op het gebied van auditing en bewijs van zeer goede kennis van minstens een van de werktalen van de Europese Unie;
   (c) indien nodig, bewijs van beëindiging van eerder uitgevoerde managementtaken door de kandidaat;
   (d) kandidaten mogen op het moment van benoeming geen gekozen ambt bekleden, noch verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van een politieke partij;
   (e) erkende hoge normen van integriteit en ethiek van de kandidaat;
   (f) gezien de aard van de te verrichten werkzaamheden wordt ook rekening gehouden met de leeftijd van de kandidaten, waarbij het redelijk wordt geacht om bijvoorbeeld te bepalen dat leden niet ouder dan 67 jaar mogen zijn op het moment van hun benoeming;
   (g) leden zullen niet meer dan twee ambtstermijnen vervullen;
   (h) tot slot zal het Parlement de kwestie van genderevenwicht onder de leden van de Rekenkamer zeer ernstig nemen;

44.  verzoekt de Raad om:

   (a) het Parlement uit elke lidstaat minstens twee kandidaten voor te stellen, een man en een vrouw;
   (b) zijn voorstellen zodanig te formuleren dat volledig wordt voldaan aan de criteria uiteengezet in de resoluties van het Parlement, waarbij het Parlement van zijn kant toezegt deze criteria nauwgezet te zullen toepassen;
   (c) relevante details te leveren over de kandidaten, alsmede alle informatie en adviezen die zijn ontvangen tijdens de interne besluitvormingsprocedures in de lidstaten;
   (d) informatie door te geven die van de lidstaten is ontvangen, met dien verstande dat indien informatie wordt achtergehouden, het Parlement zich genoodzaakt zal zien zelf onderzoek te doen, wat de benoemingsprocedure onvermijdelijk zal vertragen;
   (e) de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te benaderen voor het voorstellen van kandidaten voor het lidmaatschap van de Rekenkamer, en deze autoriteiten te wijzen op de criteria en procedures die door het Parlement zijn vastgelegd;
   (f) af te zien van het intrekken van kandidaten en het aanwijzen van nieuwe kandidaten naar aanleiding van nieuwe politiek gemotiveerde voorstellen van lidstaten;
   (g) in bovengenoemde gevallen een negatief advies van het Parlement met betrekking tot de situatie te respecteren en een nieuwe kandidaat of kandidaten voor te stellen;

45.  bepaalt het volgende met betrekking tot de procedures van de Commissie begrotingscontrole en de plenaire vergadering:

   (a) elke aanbeveling over elke benoeming wordt ingediend in de vorm van een verslag, aan te nemen met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, waarbij het verslag alleen betrekking heeft op de desbetreffende benoeming;
   (b) het verslag omvat:
   (i) visa waarin de procedure van voorlegging aan het Parlement wordt samengevat;
   (ii) overwegingen waarin de procedure van de bevoegde commissie wordt uiteengezet;
   (iii) paragrafen, uitsluitend bestaande uit:
   een positief advies, of
   een negatief advies;
   (c) over de visa en overwegingen wordt niet gestemd;
   (d) het curriculum vitae en de antwoorden op de vragenlijst worden bij het verslag gevoegd;
   (e) de Commissie begrotingscontrole en de plenaire vergadering stemmen over de benoeming van de desbetreffende kandidaat;

o
o   o

46.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Rekenkamer en, ter informatie, aan de overige instellingen van de Europese Unie en de parlementen en controle-instellingen van de lidstaten.

(1) PB C 107 van 30.4.2004, blz. 1.
(2) PB C 337 van 21.12.1992, blz. 51.
(3) PB C 43 van 20.2.1995, blz. 75.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0319.
(5) Afkorting van Franse term "Déclaration d'assurance".

Laatst bijgewerkt op: 30 mei 2017Juridische mededeling