Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2078(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0051/2014

Ingediende teksten :

A7-0051/2014

Debatten :

PV 26/02/2014 - 16
CRE 26/02/2014 - 16

Stemmingen :

PV 27/02/2014 - 10.10

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0173

Aangenomen teksten
PDF 422kWORD 158k
Donderdag 27 februari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Grondrechtensituatie in de Europese Unie - 2012
P7_TA(2014)0173A7-0051/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de grondrechtensituatie in de Europese Unie - 2012 (2013/2078(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna het "EU-Verdrag"), en met name het tweede en het vierde tot en met zevende streepje daarvan,

–  gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en de artikelen met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU, zowel in het VEU als in het VWEU,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna "het Handvest"), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–  gezien het Europees Sociaal Handvest, als gewijzigd in 1996, en de jurisprudentie van het Europees Comité voor Sociale Rechten,

–  gezien de VN-verdragen tot bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden,

–  gezien het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de EU partij is, net als bijna al haar lidstaten,

–  gezien de op 27 oktober 2012 aangenomen basisbeginselen van de VN-Mensenrechtenraad inzake extreme armoede en mensenrechten (A/HRC/21/39),

–  gezien de mededelingen van de Commissie getiteld "Artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest" (COM(2003)0606), "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie" (COM(2010)0573), en "Operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen" (SEC(2011)0567),

–  gezien de op 23 mei 2011 door de Raad aangenomen conclusies over de acties en initiatieven van de Raad voor de uitvoering van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsmede de richtsnoeren van de Raad over methodologische stappen om de verenigbaarheid met de grondrechten in de voorbereidende instanties van de Raad te controleren(1) ,

–  gezien het verslag-2013 van de Commissie over de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten in 2012 (COM(2013)0271) en de bijbehorende werkdocumenten,

–  gezien het verslag EU-burgerschap 2013 met als titel "EU-burgers: uw rechten, uw toekomst" (COM(2013)0269),

–  gezien het programma van Stockholm met als titel "Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger"(2) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011)0173) en de conclusies van de Europese Raad van 24 juni 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Verdere stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2013)0454) en het voorstel voor een aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (COM(2013)0460),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(3) ,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(4) , Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(5) en het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426),

–  gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(6) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(7) ,

–  gezien de besluiten en uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de jurisprudentie van nationale constitutionele hoven, waarin het Handvest als een van de referenties voor de interpretatie van het nationaal recht wordt gebruikt,

–  gezien de toespraak die de heer Barroso op 11 september 2013 in het Europees Parlement heeft gehouden over de staat van de Unie en de toespraak over de Europese Unie en de rechtsstaat die mevrouw Reding op 4 september 2013 heeft gegeven in het Centrum voor Europese Beleidsstudies (CEPS) te Brussel,

–  gezien de brief van 6 maart 2013 van de ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Denemarken, Finland en Nederland aan de voorzitter van de Commissie, de heer Barroso, waarin zij oproepen tot instelling van een mechanisme om de eerbiediging van de fundamentele waarden in de lidstaten te bevorderen,

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 en 7 juni 2013 over de grondrechten en de rechtsstaat en over het verslag-2012 van de Commissie over de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de conferentie over "Een Europa van gelijke burgers: gelijkheid, grondrechten en rechtsstaat", die op 9 en 10 mei 2013 door het Ierse voorzitterschap van de Raad is georganiseerd,

–  gezien het vierde jaarlijkse symposium van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA), dat op 7 juni 2013 heeft plaatsgevonden onder de titel "Bevordering van de rechtsstaat in de EU",

–  gezien de ontwerpconclusies van de Raad inzake de evaluatie van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie van 13 september 2013,

–  gezien de activiteiten, de jaarverslagen, de studies en de adviezen van het FRA, in het bijzonder het jaarverslag over de grondrechtensituatie in de EU in 2012,

–  gezien het gezamenlijk verslag van het FRA, het UNDP, de Wereldbank en de Commissie getiteld "The situation of Roma in 11 EU Member States - Survey results at a glance" van mei 2012,

–  gezien het verslag van april 2013 van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten over het beheer van de buitengrenzen van de EU en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van migranten,

–  gezien de verslagen en studies van ngo's met betrekking tot de mensenrechten en de desbetreffende studies die op verzoek van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op dit terrein zijn uitgevoerd, met name de studie getiteld "The triangular relationship between fundamental rights, democracy and the Rule of Law in the EU - towards an EU Copenhagen mechanism",

–  gezien zijn resoluties over de grondrechten en de rechten van de mens, met name zijn resolutie van 15 december 2010 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2009) - effectieve tenuitvoerlegging na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon(8) en zijn resolutie van 12 december 2012 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2010-2011)(9) ,

–  gezien zijn resolutie van 22 april 2004 over de risico's van schending in de EU en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten)(10) ,

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2005 over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa(11) ,

–  gezien zijn resolutie van 10 juli 2008 over de telling van Roma op grond van etniciteit in Italië(12) ,

–  gezien zijn resolutie van 17 september 2009 over de Litouwse wet betreffende de bescherming van minderjarigen tegen de schadelijke gevolgen van openbare informatie(13) ,

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2010 over de situatie van de Roma en het vrije verkeer in de Europese Unie(14) ,

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2011 over de schending van de vrijheid van meningsuiting en discriminatie op grond van seksuele geaardheid in Litouwen(15) ,

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(16) ,

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2011 over de Hongaarse mediawet(17) ,

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over het EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU(18) ,

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 over de bestrijding van homofobie in Europa(19) ,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over de opvoering van de strijd tegen racisme, vreemdelingenhaat en haatmisdrijven(20) ,

–  gezien zijn resolutie van 15 september 2011 over de inspanningen van de EU ter bestrijding van corruptie(21) ,

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (eindverslag)(22) ,

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (naar aanleiding van zijn resolutie van 16 februari 2012)(23) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA: follow-up bij het verslag van de TDIP-commissie van het Europees Parlement(24) en zijn follow-upresolutie van 10 oktober 2013(25) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(26) ,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Raad werd aangenomen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 met als titel "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 7 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(27) en van 6 februari 2013 over de 57ste zitting van de VN-Commissie inzake de positie van de vrouw: Uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes(28) ,

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(29) ,

–  gezien de werkdocumenten I en II over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2012, rapporteur: Louis Michel,

–  gezien de openbare hoorzitting van 5 november 2013 van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken met als thema "The situation of fundamental rights in the European Union: how to strengthen fundamental rights, democracy and the rule of law in the EU",

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0051/2014),

A.  overwegende dat de Europese integratie een politiek project is dat is ontstaan naar aanleiding van de Tweede Wereldoorlog en de vervolging en de onderdrukking van mensen door totalitaire regimes, dat tot doel heeft de democratie en de rechtsstaat te verankeren in de Europese landen, teneinde de mensenrechten, de grondrechten, gelijkheid en de bescherming van minderheden te eerbiedigen en te bevorderen op basis van de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM), het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en andere instrumenten inzake mensenrechten en grondrechten, en om de terugkeer naar om het even welk autoritair regime te voorkomen;

B.  overwegende dat de mensen, of het nu onderdanen of ingezetenen zijn, centraal moeten staan in de Europese Unie, en overwegende dat de grondrechten hen bescherming bieden tegen mogelijke inmenging en mogelijk misbruik en geweld door overheden -op alle niveaus- met betrekking tot hun persoonlijke levenssfeer, hun rechten en vrijheden; overwegende dat de eerbiediging en de bevordering van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, democratie en de in de EU-Verdragen en internationale instrumenten (UVRM, EVRM, IVBPR, ICESCR) verankerde waarden en beginselen het middelpunt moeten vormen van de Europese integratie;

C.  overwegende dat de Europese Unie een fundamenteel acquis heeft ontwikkeld om de eerbieding, de bescherming en de bevordering van de grondrechten te waarborgen, onder meer middels de ontwikkeling van de "criteria van Kopenhagen", de integratie van de artikelen 2, 6 en 7 in het EU-Verdrag, het Handvest van de grondrechten, de verplichting om toe te treden tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de overeenkomstige bepalingen in de nationale wetgeving van de lidstaten;

D.  overwegende dat het Handvest met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de waarden en beginselen heeft omgezet in concrete en afdwingbare rechten en dat het, omdat het dezelfde waarde toekomt als het Verdrag van Lissabon, in rechte bindend is geworden voor de instellingen, organen en agentschappen van de EU, alsook voor de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving;

E.  overwegende dat er een ware cultuur van grondrechten moet worden ontwikkeld, bevorderd en versterkt binnen de instellingen van de Unie maar ook binnen de lidstaten, met name wanneer deze zowel op intern vlak als in het kader van hun betrekkingen met derde landen het recht van de Unie toepassen en ten uitvoer leggen; overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze waarden en beginselen moet berusten op een effectieve toetsing van de naleving van de in het Handvest gewaarborgde rechten, onder meer bij de uitwerking van wetsvoorstellen; overwegende dat geen enkele andere overweging de overhand mag hebben boven de eerbiediging en de waarborging van de grondrechten, om te voorkomen dat de geloofwaardigheid van de rol en het imago van de Europese Unie op het gebied van de mensenrechten wordt aangetast, met name voor wat haar betrekkingen met derde landen betreft;

F.  overwegende dat de Europese Unie uitgaat van de veronderstelling en het wederzijds vertrouwen dat de EU-lidstaten zich schikken naar democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het EVRM en het Handvest van de grondrechten, met name wat betreft de ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning;

G.  overwegende dat het beginsel van wederzijdse erkenning leidt tot situaties waarin mensen van één jurisdictie naar een andere kunnen worden overgebracht zonder voorafgaande controle op het gebied van de mensenrechten van de respectieve besluiten;

H.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10 heeft benadrukt dat een dergelijke veronderstelling van naleving van de grondrechten weerlegbaar moet zijn en dat rechters derhalve moeten controleren of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat het rechtsstelsel van de andere lidstaten systemische tekortkomingen bevat;

I.  overwegende dat derhalve moet worden gewaarborgd dat de nationale overheden over voldoende bewijsmateriaal beschikken om met kennis van zaken te kunnen beslissen of het rechtsstelsel van andere lidstaten wel of geen systemische tekortkomingen bevat;

J.  overwegende dat corruptie tot maatschappelijke schade en schendingen van de grondrechten leidt, omdat misdaadorganisaties corruptie gebruiken om andere ernstige misdrijven te kunnen plegen, zoals mensenhandel; overwegende dat een doeltreffend, onafhankelijk en onpartijdig rechtsstelsel van essentieel belang is voor de rechtsstaat en om erop toe te zien dat de grondrechten en burgerlijke vrijheden van de Europese burgers worden beschermd;

K.  overwegende dat de Europese Unie momenteel een periode van economische en financiële, maar ook van democratische en grondwettelijke crisis doormaakt, zoals wordt aangetoond door de recente gebeurtenissen in een aantal lidstaten, en dat uit deze spanningen blijkt dat er een gebrek is aan geschikte instrumenten om deze crisis het hoofd te bieden, alsook aan politieke wil, en dat er zich problemen voordoen met de toepassing van de toezichts-, evaluatie- en sanctiemechanismen van de bestaande Verdragen, met name van de vereisten als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van het EU-Verdrag;

L.  overwegende dat het Europees Parlement zich herhaaldelijk heeft uitgesproken voor de versterking van de mechanismen ter waarborging van de eerbiediging, de bescherming en de bevordering van de waarden van de Unie overeenkomstig artikel 2 van het EU-Verdrag en om het hoofd te kunnen bieden aan crisissituaties binnen de Unie en de lidstaten, en overwegende dat er een discussie gaande is over de instelling van een "nieuw mechanisme", waardoor de Commissie, de Raad en de lidstaten zich aansluiten bij het desbetreffende standpunt van het Europees Parlement en de ngo's;

M.  overwegende dat het FRA in het centrale gedeelte van zijn verslag voor 2012 getiteld "The European Union as a Community of values: safeguarding fundamental rights in times of crisis" heeft benadrukt dat een consensus over de waarden in artikel 2 en de daaruit voortvloeiende juridische verplichtingen een ambitie is die het opzetten van een regelmatige dialoog binnen de EU wenselijk maakt;

N.  overwegende dat de Commissie heeft aangegeven dat zij de rechtsstaat in de Europese Unie wil versterken en dat zij overweegt eventueel op grond van artikel 7, lid 1, van het EU-Verdrag aanmaningsbrieven te doen uitgaan; overwegende dat zij tevens heeft gewezen op de noodzaak de Verdragen te wijzigen en heeft aangekondigd dat zij vóór eind 2013, begin 2014 wijzigingen zou kunnen voorstellen om tijdens de verkiezingen een debat (over onder meer artikel 7) op gang te brengen en een consensus te bewerkstelligen over deze voorstellen, die tot doel moeten hebben te waarborgen dat het EU-beleid inzake de grondrechten in de EU stoelt op duidelijke regels en mechanismen en op objectieve indicatoren, gegevens en bewijzen die transparant, billijk en voorspelbaar zijn, alsmede hoge bescherming biedt aan de individuele rechten, de democratie en de rechtsstaat;

O.  overwegende dat bij iedere beslissing die op dit gebied wordt genomen, moet worden gewaarborgd dat de artikelen 2, 6 en 7 van het EU-Verdrag zo spoedig mogelijk op correcte wijze worden toegepast en dat elk besluit wordt genomen op basis van objectieve criteria en een objectieve evaluatie, teneinde de kritiek te ondervangen betreffende het gebrek aan indicatoren en evaluatiecriteria, het aanleggen van dubbele standaarden en politieke vooringenomenheid;

P.  overwegende dat er binnen de Europese Unie en de lidstaten nog steeds tal van schendingen van de grondrechten voorkomen, zoals blijkt uit de (jaarlijkse en speciale) verslagen van de Commissie, het FRA, de Raad van Europa (jaarverslagen en uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, documenten en verslagen van de Commissaris voor de rechten van de mens, documenten van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa), VN-documenten (met inbegrip van de documenten en verslagen van de VN-Mensenrechtenraad, van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, van de speciale rapporteurs, enz.), documenten van ngo's (zoals Human Rights Watch, Amnesty International, Open Society Institute, ILGA-Europe, ECRE, Verslaggevers zonder Grenzen, Freedom House, FIDH, enz.), enz.; overwegende dat de Commissie, de Raad en de lidstaten dergelijke schendingen op passende wijze moeten aanpakken, gezien de ernst en de frequentie ervan;

Q.  overwegende dat deze instanties officieel hun bezorgdheid hebben geuit, met name over de situatie van Roma, migranten, asielzoekers en vluchtelingen, minderheden, LGBT'ers, media en journalisten, alsook over het optreden van veiligheidstroepen, politie en de geheime dienst, het onderzoek dat nodig is om degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten te kunnen berechten en veroordelen, de betrokkenheid van landen bij foltering en mishandeling in derde landen, de aanwending van aldus verkregen bewijsmateriaal, detentieomstandigheden en de mishandeling van gedetineerden;

R.  overwegende dat zowel de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 8, 9, 10, 19 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Unie als de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie het belang van de sociale grondrechten hebben erkend door deze hun beslag te doen vinden in transversale beginselen van het communautair recht, waardoor onderstreept wordt dat de EU verplicht is de grondrechten en fundamentele vrijheden te waarborgen, zoals de vakbondsrechten, het recht op staking, het recht op vereniging, vergadering, enz., zoals vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest, en overwegende dat artikel 151 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een expliciete verwijzing bevat naar de fundamentele sociale rechten zoals vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest;

S.  overwegende dat de artikelen 2 en 3 van het Handvest van de grondrechten het recht op leven en het recht op menselijke integriteit erkennen;

T.  overwegende dat er in de Europese Unie ongeveer 100 miljoen kinderen zijn en ongeveer 80 miljoen Europeanen met een handicap; overwegende dat personen met een handicap, met name kinderen, nog steeds te maken hebben met een gebrek aan bijstand en ondersteuning bij hun integratie op school, moeilijkheden bij het bereiken van gebouwen of diensten en problemen om gehoord te worden en inspraak te krijgen in beslissingen die van invloed zijn op hun leven; overwegende dat de EU, als partij bij het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, verplicht is de rechten van personen met een handicap -zoals vastgelegd in dat verdrag- te bevorderen, te beschermen en te eerbiedigen, een strategie aan te nemen voor de tenuitvoerlegging van dit verdrag, en erop toe te zien dat beleidsmaatregelen en bestaande en toekomstige primaire en secundaire wetgeving voldoen aan de bepalingen van dit verdrag;

U.  overwegende dat vrouwen en meisjes het vaakst slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, aangezien volgens schattingen 20 tot 25 procent van de vrouwen in de EU ten minste eenmaal in hun leven lichamelijk geweld heeft ondervonden; overwegende dat honderdduizenden in Europa wonende vrouwen het slachtoffer zijn van genitale verminking en duizenden meisjes gevaar lopen hiervan nog het slachtoffer te worden;

V.  overwegende dat vrouwen in de EU per uur ongeveer 16 % minder verdienen dan mannen;

W.  overwegende dat extreme armoede, genderongelijkheid en genderstereotypen leiden tot een hoger risico op geweld en andere vormen van exploitatie, zoals vrouwenhandel en prostitutie, en de volledige participatie van vrouwen op alle terreinen van het maatschappelijk leven belemmeren;

X.  overwegende dat grondrechten, mensenrechten en gelijke kansen gegarandeerd moeten worden voor alle burgers van de Europese Unie; overwegende dat de bescherming van nationale minderheden en regionale en minderheidstalen binnen een uitgebreide EU echter een belangrijk vraagstuk vormt dat niet kan worden opgelost door eenvoudigweg xenofobie en discriminatie te bestrijden, maar dat er specifieke juridische, taalkundige, culturele, sociale, enz. regelingen en behandelingen moeten worden ingevoerd;

1.  wijst er nadrukkelijk op dat het politieke, historische en ethische project dat Europese Unie heet, beoogt een verbond tot stand te brengen tussen de landen die de gemeenschappelijke Europese waarden onderschrijven, zoals die zijn neergelegd in artikel 2 VEU, het Handvest van de grondrechten en het EVRM, waaronder de eerbiediging van de menselijke waardigheid, democratie, de rechtsstaat, de grondrechten, gelijkheid, vrijheid, bescherming van minderheden en bestrijding van elke vorm van discriminatie, die onderling nauw met elkaar zijn verbonden en als noodzakelijke wederzijdse voorwaarden gelden, en is derhalve van mening dat de naleving en interne en externe bevordering van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de democratie een essentiële pijler van de Europese identiteit is en moet zijn;

2.  adviseert dat het Parlement, de Commissie en de Raad erkennen dat er sprake is van positieve verplichtingen om de mensenrechten te beschermen en te bevorderen; benadrukt dat voor de eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele vrijheden maatregelen op diverse niveaus vereist zijn; benadrukt de rol die op dit vlak is weggelegd voor regionale en lokale overheden, ngo's en het maatschappelijk middenveld en verzoekt de Commissie en de Raad nauwer met hen samen te werken;

3.  herinnert de instellingen van de Unie en de lidstaten eraan dat zij moeten voldoen aan hun verplichting tot eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de grondrechten; merkt op dat deelname aan internationale verdragen voor de bescherming en bevordering van mensenrechten enkel kan dienen om de bescherming van de grondrechten binnen de EU te versterken;

4.  veroordeelt de zorgwekkende tendensen die zich voordoen met betrekking tot schendingen van de grondrechten binnen de Europese Unie, met name op het gebied van immigratie en asiel, discriminatie van en intolerantie jegens -met name- bepaalde bevolkingsgroepen (minderheden en migranten), veiligheid en terrorisme, persvrijheid, vrij verkeer binnen de Unie en sociale en vakbondsrechten; stelt vast dat steeds meer lidstaten de hakken in het zand zetten als het gaat om de eerbiediging van deze fundamentele vrijheden en grondrechten, in het bijzonder met betrekking tot Roma, vrouwen, LGBT'ers, asielzoekers, migranten en andere kwetsbare bevolkingsgroepen;

Institutionele aangelegenheden

5.  wijst erop dat het voor de EU, haar instellingen en de lidstaten van fundamenteel belang is om de naleving van gemeenschappelijke Europese waarden als omschreven in artikel 2 VEU te waarborgen en dat zo snel mogelijk moet worden overgegaan tot de toepassing en tenuitvoerlegging van alle instrumenten waarin de Verdragen momenteel in dit verband voorzien en tot de voorbereiding van de op de nodige plaatsen in de Verdragen aan te brengen wijzigingen; benadrukt dat de verplichting om aan de Kopenhagen-criteria te voldoen na de toetreding niet is verjaard, maar ook tegenwoordig van toepassing is op de lidstaten, dat de grondrechten deel uitmaken van het primaire recht van de Unie en dat deze bij de toepassing van het Unierecht door iedere rechter of autoriteit moeten worden geëerbiedigd, zowel op Unie- als op nationaal niveau; betreurt in dit verband met name dat de onderhandelingen over toetreding tot het EVRM zo lang aanslepen en het feit dat de toetreding van de EU tot het EVRM nog altijd niet is voltooid;

6.  herinnert de Europese instellingen en de lidstaten eraan dat alle beleidsmaatregelen met betrekking tot de grondrechten allereerst gericht moeten zijn op het voorkomen van schendingen, met name met behulp van procedures voor preventie en verhaalmogelijkheden die kunnen worden ingezet voordat er definitieve beslissingen of maatregelen worden genomen, teneinde het mogelijk te maken dat individuele gevallen zo snel mogelijk en op doeltreffende, rechtvaardige, billijke en niet-discriminerende wijze kunnen worden onderzocht en beoordeeld;

7.  is van mening dat het algemene publiek steeds meer belang hecht aan de eerbiediging, bescherming en bevordering van de grondrechten, zoals blijkt uit het feit dat steeds meer mensen in het geweer komen tegen en aandacht schenken aan gevallen van rechtenschendingen, misbruik of ongelijkheid, zowel in het dagelijks leven als in bekende gevallen of gevallen met symboolwaarde, mede dankzij de betere informatievoorziening via de nieuwe technologieën, sociale netwerken en de media; herinnert eraan dat elke schending en elke vorm van misbruik of ongelijkheid de democratie en rechtsstaat schaadt en dat hierdoor het vertrouwen van de burgers in de instellingen en hun vertegenwoordigers, met name de politieke verantwoordelijken, wordt ondermijnd; benadrukt dat de instellingen en politieke besluitvormers zich bewust moeten worden van en steun moeten bieden aan deze democratische tendens door nieuwe mechanismen van dialoog met de burgers in het leven te roepen en te zorgen voor verscherpt burgerlijk, parlementair, justitieel en mediatoezicht op de overheden, en dat die overheden opener en transparanter te werk moeten gaan om de belangen van de burgers beter te dienen;

8.  is van mening dat het, om de mogelijkheden van de Verdragen ten volle te kunnen benutten, noodzakelijk is:

   a) het toetredingsproces tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens af te ronden en reeds te voorzien in de instrumenten die nodig zijn om deze in de Verdragen neergelegde verplichting ten volle te kunnen nakomen, aangezien op deze manier wordt voorzien in een extra mechanisme voor het afdwingen van de mensenrechten van de burgers, onder meer om ervoor te zorgen dat de lidstaten de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder de principe-uitspraken ("arrêts pilote"), ten uitvoer leggen; zich aan te sluiten bij het Europees Sociaal Handvest dat op 18 oktober 1961 in Turijn is ondertekend en op 3 mei 1996 in Straatsburg is herzien, zoals de Raad van Europa heeft bepleit; en dat de lidstaten zich aansluiten bij de mensenrechtenverdragen van de Raad van Europa en deze ratificeren, de reeds bestaande instrumenten van het acquis communautaire ten uitvoer leggen en de niet-deelnemingsclausules, die de rechten van hun burgers dreigen te beïnvloeden, opnieuw overwegen;
   b) ervoor te zorgen dat wetgevingsvoorstellen en beleidsmaatregelen in overeenstemming zijn met het Handvest en de grondrechten, door concrete actie te ondernemen om te waarborgen dat deze getoetst worden aan het Handvest in alle ontwerpfasen van de wetgeving en dat de gevolgen van de EU-wetgeving en de tenuitvoerlegging ervan door de lidstaten voor de grondrechten stelselmatig worden beoordeeld in de evaluatieverslagen over de tenuitvoerlegging van dergelijke wetgeving, alsmede in het jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht;
   c) te waarborgen dat de Commissie -en de Raad wanneer deze het initiatief neemt tot wetgeving- in voorkomend geval gebruikmaakt van de externe onafhankelijke deskundigheid van het FRA;
   d) de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten, alsmede met het Europees Parlement en de nationale parlementen, te intensiveren, teneinde de tenuitvoerlegging van de bestaande Europese wetgeving op het gebied van de mensenrechten te verbeteren;
   e) erop toe te zien dat de vormgeving en omzetting van het EU-recht dat van invloed is op de grondrechten en de ontwikkeling daarvan, worden versterkt en op een correcte manier gestalte krijgen, door een rigoureus evaluatie- en toezichtbeleid te voeren en schendingen voor het Hof van Justitie te brengen, met name op gebieden die onder de bevoegdheid van de EU vallen, zoals non-discriminatie, gelijkheid, gender, handicap, gegevensbescherming, asiel en immigratie;
   f) erop toe te zien dat een grondige op de rechtsstaat georiënteerde aanpak wordt bevorderd, met inachtneming van de manier waarop de grondrechten in de praktijk worden beschermd;
   g) te erkennen dat een sterke politieke wil noodzakelijk is om deze kwesties aan te pakken, met name in tijden van economische en financiële crisis;
   h) de transparantie te verbeteren en te waarborgen in het kader van de interinstitutionele dialoog inzake de grondrechten of wanneer de belangen van Europese burgers in het geding zijn;
   i) ervoor te zorgen dat de Commissie de bestaande mechanismen ten volle benut en objectieve evaluaties en onderzoeken instelt en inbreukprocedures inleidt indien hiertoe voldoende redenen bestaan, om zo het hanteren van een dubbele standaard te vermijden, telkens wanneer een lidstaat bij de tenuitvoerlegging van het EU-recht de in het Handvest vervatte rechten schendt;
   j) ambitieuze, doeltreffende en verstrekkende beleidsmaatregelen en actieprogramma's uit te werken met betrekking tot de grondrechten en de gemeenschappelijke Europese waarden, met name om op proactieve en systematische wijze te voldoen aan de verplichtingen van de EU op het vlak van de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gelijkheid, zoals bedoeld in de artikelen 8 en 10 VWEU en in artikel 21 van het Handvest;
   k) op een stelselmatiger en gecoördineerde manier samen te werken met de Raad van Europa en andere internationale instellingen, overeenkomstig hun specifieke expertise, teneinde dubbel werk te voorkomen;
   l) de talrijke reeds beschikbare mechanismen ter voorkoming van schendingen van de grondrechten in de EU te stroomlijnen, schendingen van de grondrechten aan te pakken en "forum-shopping" te voorkomen, en de rol te versterken die de regionale en lokale overheden kunnen vervullen, tezamen met mensenrechtenorganisaties;
   m) vergelijkende en samenvattende tabellen per land op te stellen, op basis waarvan de Commissie landspecifieke aanbevelingen betreffende het grondrechtenbeleid dient uit te vaardigen, zoals zij dat ook doet voor het economische beleid van de EU-27; de Raad kan deze aanbevelingen en de voorstellen van de Commissie inzake flagrante schendingen van de grondrechten vóór de volgende top van de Europese Raad goedkeuren of wijzigen;
   n) een mechanisme van collegiale toetsing te ontwikkelen, in samenwerking met nationale instanties voor de mensenrechten, vergelijkbaar met de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO: iedere lidstaat wordt om de drie of vier jaar door andere lidstaten beoordeeld, met als belangrijkste doelstellingen het land in kwestie helpen inzien op welke manieren het zijn strategieën en structuren op het gebied van de grondrechten zou kunnen verbeteren; en goede praktijken voor beleid en strategieën inzake de mensenrechten binnen de EU vast te stellen en uit te wisselen;
   o) een "nieuw Kopenhagen-mechanisme" tot stand te brengen om de eerbiediging, bescherming en bevordering van de in artikel 2 van het EU-Verdrag en in het Handvest van de grondrechten bedoelde grondrechten en waarden van de Unie te waarborgen;

9.  benadrukt dat dit "nieuwe Kopenhagen-mechanisme", dat gericht is op een doeltreffende en verplichte controle van de naleving van de Kopenhagen-criteria door iedere lidstaat, onmiddellijk in werking kan worden gesteld op basis van een besluit van de Commissie en met volledige betrokkenheid van het Parlement, en moet beogen:

   a) indicatoren vast te stellen -op basis van bestaande of reeds ontwikkelde en erkende normen op het gebied van de grondrechten- die bijvoorbeeld binnen de VN of de Raad van Europa zijn ontwikkeld, waarbij rekening wordt gehouden met het advies van ngo's die actief zijn op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden (ten behoeve van het FRA en de Commissie);
   b) gebaseerd te zijn op objectieve en betrouwbare gegevens en informatie gestoeld op dergelijke indicatoren, die middels een transparant en geloofwaardig proces verder moeten worden uitgewerkt (ten behoeve van het FRA en de Commissie);
   c) toezicht te houden op de situatie in de EU en in de individuele lidstaten middels een regelmatig, objectief proces (ten behoeve van het FRA, de Commissie, de Raad, het Europees Parlement en de nationale parlementen);
   d) objectieve, vergelijkende en regelmatige evaluaties uit te voeren voor elk van de grondrechten en/of themagebieden en voor elke instelling en lidstaat afzonderlijk – waarbij gestreefd wordt naar zoveel mogelijk vergelijkbare factoren –, tevens op basis van bevindingen en aanbevelingen die zijn uitgevaardigd door bestaande controlemechanismen van de Raad van Europa, de VN en de EU-instellingen en -organen, ter aanvulling van door organisaties van het maatschappelijk middenveld ingediende informatie (rapporten van het FRA, jaarverslagen van de Commissie, jaarverslagen van het Parlement, jaarverslagen van de Raad) en op basis hiervan aanbevelingen te doen;
   e) een Europese beleidscyclus vast te stellen voor de toepassing van artikel 2 van het EU-Verdrag (democratie, rechtsstaat, grondrechten, gelijkheid), waarbij de respectieve fasen op jaar- en meerjarenbasis moeten worden gedefinieerd en er een jaarlijks open interinstitutioneel forum over deze Europese waarden moet worden georganiseerd, in het bijzonder met betrekking tot de bescherming van de grondrechten;
   f) alle bestaande gegevens en analyses van nationale, Europese en internationale instanties bijeen te brengen om ervoor te zorgen dat de bestaande informatie die relevant is voor de bescherming van de grondrechten, de rechtsstaat, democratie en gelijkheid, toegankelijker en beter zichtbaar wordt;
   g) erop toe te zien dat DG Justitie en de Werkgroep FREMP met de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Parlement samenwerken om een regelmatige, gestructureerde dialoog over grondrechtenkwesties in de EU tot stand te brengen tussen deze instellingen en organisaties van het maatschappelijk middenveld;
   h) een reeks aanbevelingen, alsmede doeltreffende en evenredige sancties met een afschrikkende werking (bijv. tijdelijke opschorting van de verplichtingen van het Fonds, toepassing van bepaalde besluiten, enz.) uit te werken en vast te stellen om inbreuken op de artikelen 2 en 7 van het EU-Verdrag aan te pakken en de handhaving van de hierin vastgelegde rechten op succesvolle wijze te waarborgen;
   i) te voorzien in een vroegtijdig waarschuwingssysteem, een politieke en technische dialoog, schriftelijke aanmaningen en een "bevriezingsprocedure", waarvoor het Parlement reeds pleitte, om erop toe te zien dat de lidstaten, op verzoek van de EU-instellingen, de invoering opschorten van wetgeving die mogelijk de grondrechten of het EU-recht veronachtzaamt of schendt; de Commissie moet vergaderingen beleggen op technisch niveau met de diensten van de betreffende lidstaat, zonder evenwel onderhandelingen af te ronden op andere beleidsterreinen dan die verband houden met artikel 2 VEU, totdat de volledige naleving van artikel 2 VEU is gewaarborgd;

10.  verzoekt de Commissie om in samenwerking met het FRA een besluit te nemen tot instelling van dit "nieuwe Kopenhagen-mechanisme", zoals zij ook heeft gedaan voor het toezicht op de corruptie in de EU en de lidstaten, en over te gaan tot herziening van het reglement van het FRA, zodat het meer bevoegdheden krijgt en zijn competenties kan uitbreiden;

11.   pleit voor de oprichting, bij voorkeur in het kader van een interinstitutionele overeenkomst, van een "commissie-Kopenhagen" bestaande uit onafhankelijke deskundigen op hoog niveau inzake de grondrechten die worden aangewezen door o.a. het Parlement, die erop moet toezien dat alle lidstaten de in artikel 2 VEU vervatte gemeenschappelijke waarden naleven en voortdurend voldoen aan de "Kopenhagen-criteria", en die adviezen en verslagen moet uitbrengen over grondrechtenkwesties, in afwachting van de wijziging van de FRA-verordening op grond waarvan het agentschap op herhaaldelijk verzoek van het Parlement grotere bevoegdheden en een verruimd mandaat zal krijgen, ook met betrekking tot de controle van de afzonderlijke lidstaten op het gebied van de grondrechten;

12.  pleit voor het aangaan van een dialoog tussen de EU-instellingen en een lidstaat wanneer er een risico bestaat op ernstige schending van de waarden van de Unie, alsook voor het bieden van de mogelijkheid aan de Europese instellingen om aanbevelingen te formuleren, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, van het EU-Verdrag; staat volledig achter het voorstel van de Commissie om in deze context gebruik te maken van schriftelijke aanmaningen;

13.  verzoekt de Commissie en de Raad om samen met het Parlement een contactgroep op te richten die de effectieve tenuitvoerlegging van de waarden van de Unie volgt en die meer bepaald gezamenlijke beoordelingen van de grondrechtensituatie verricht in specifieke gevallen waarover een van deze drie EU-instellingen bezorgdheid heeft geuit; verzoekt deze instellingen ook rekening te houden met de resoluties van de Raad van Europa en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

14.  is ingenomen met de verklaringen van de voorzitter van de Commissie en vicevoorzitter Reding waarin een mededeling wordt aangekondigd betreffende mogelijke wijzigingen in de Verdragen ter aanvulling van de krachtens de huidige Verdragen beschikbare mogelijkheden, en verzoekt de bevoegde commissies de volgende voorstellen grondig te bestuderen met het oog op een betere bescherming van de grondrechten in de EU-Verdragen:

   herziening van artikel 7 van het EU-Verdrag, in de zin dat er een fase voor de "toepassing van artikel 2 van het EU-Verdrag" aan wordt toegevoegd en dat de "risicofase" wordt losgekoppeld van de "inbreukfase", waarbij voor de respectieve meerderheden verschillende drempels gelden, dat de technische en objectieve (en niet alleen maar politieke) analyses worden verscherpt en er een intensievere dialoog wordt gevoerd met de instellingen van de lidstaten, en dat er een breder scala van gedetailleerde en voorspelbare sancties wordt ingevoerd die gelden voor de gehele duur van de procedure;
   vaststelling van een sterker en uitvoeriger mechanisme voor coördinatie en toezicht op de grondrechten, uitgaande van artikel 121 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
   uitbreiding van beroepsmogelijkheden en de bevoegdheden van de Commissie en het Hof van Justitie;
   een verwijzing naar het FRA in de Verdragen, waaronder een rechtsgrondslag die het mogelijk maakt dat de oprichtingsverordening van het Bureau kan worden gewijzigd via de gewone wetgevingsprocedure en niet bij eenparigheid van stemmen zoals nu het geval is;
   schrapping van artikel 51 van het Handvest van de grondrechten;
   het Parlement in staat stellen om op gelijke voet met de Commissie en de Raad procedures inzake de schending van artikel 2 VEU op gang te brengen, en het FRA toestaan bij deze procedure de nodige gespecialiseerde ondersteuning te bieden;
   herziening van de eenparigheidsvereiste op terreinen in verband met de eerbiediging, bescherming en bevordering van de grondrechten, zoals gelijkheid en non-discriminatie (bijv. artikel 19 VWEU);

verzoekt zijn bevoegde commissie bovendien om de toepassing en eventuele herziening van de procedure in het kader waarvan het Parlement artikel 7 VEU kan activeren, te verduidelijken;

15.  verzoekt het FRA een openbare website op te zetten voor het verzamelen en bundelen van informatie en documenten met betrekking tot kwesties inzake de grondrechten die zijn opgesteld door de VN, de Raad van Europa, de OVSE, ngo's, het FRA, het Europees Parlement, rechtbanken, comités van nationale parlementen, ombudsmannen, enz.; is van mening dat dergelijke informatie opvraagbaar moet zijn op datum, land, auteur en soort recht, teneinde te voorzien in bronnen en informatie over de grondrechtensituatie in de EU en haar lidstaten;

Specifieke rechten op basis van het Handvest van de grondrechten

Waardigheid

16.  is hevig verontrust over het feit dat er zich nog steeds gevallen van schending van de menselijke waardigheid in de Unie en haar lidstaten voordoen, waarvan minderheden, in het bijzonder de Roma, asielzoekers, migranten, mensen die verdacht worden van banden met het terrorisme, en personen wier vrijheid is ontnomen, alsmede kwetsbare bevolkingsgroepen en arme mensen, het slachtoffer zijn; wijst er nadrukkelijk op dat de overheden een absoluut verbod op foltering en wrede, onmenselijke of vernederende behandeling in acht moeten nemen en elke schending daarvan grondig en op snelle, effectieve en onafhankelijke wijze moeten onderzoeken, en dat zij de daders moeten berechten;

17.  is verontrust over de vele gevallen van mishandeling door de politie- en ordediensten, met name wat betreft het onevenredig gebruik van geweld tegen vreedzame deelnemers en journalisten tijdens manifestaties, en het buitensporig gebruik van niet-dodelijke wapens, zoals knuppels, rubberkogels en tasers; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de leden van veiligheidstroepen identificatie-elementen op hun uniform dragen en altijd verantwoordelijk worden gehouden voor hun daden; eist dat politiecontroles op basis van etnische en raciale profilering een halt worden toegeroepen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de vrijheid van vergadering en vreedzame betoging steeds meer aan banden wordt gelegd en wijst erop dat het recht van vergadering, vereniging en de vrijheid van meningsuiting de basis vormen voor het recht van betoging; verzoekt de lidstaten geen maatregelen te treffen waarmee de uitoefening van de fundamentele vrijheden en de grondrechten zou worden ondermijnd of zelfs strafbaar gesteld, en dringt er bij hen op aan maatregelen te nemen om te waarborgen dat slechts in uitzonderlijke en door een reële en ernstige bedreiging van de openbare orde gerechtvaardigde gevallen gebruik wordt gemaakt van geweld, en benadrukt opnieuw dat de politie in de eerste plaats moet zorgen voor de veiligheid en de bescherming van mensen;

18.  wijst opnieuw op zijn steun voor een Europees initiatief dat tot doel heeft de grondrechten te waarborgen van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, en in het kader waarvan gevangenen na hun vrijlating kunnen re-integreren in de maatschappij; is bezorgd over de ernstige overbevolking van gevangenissen in een groot aantal lidstaten, alsook over de slechte detentie-omstandigheden en de slechte behandeling van gevangenen, en verzoekt om de totstandbrenging van een Europees initiatief dat erop gericht is de toepassing van de aanbevelingen van het Comité tegen foltering en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te waarborgen, onder meer op politiebureaus en in integratiecentra en psychiatrische ziekenhuizen; beveelt aan maatregelen te treffen om de overbevolking van gevangenissen te verminderen, bijvoorbeeld door buitensporig gebruik van preventieve detentie te voorkomen, alternatieve straffen op te leggen in plaats van gevangenisstraf, decriminalisering van bepaalde daden te overwegen en/of de duur van de perioden waarin mensen zonder aanklacht kunnen worden vastgehouden, te beperken;

19.  verzoekt eens te meer om de uitvoering van een volledig onderzoek naar de medewerking die Europese staten hebben verleend aan het buitengewoon uitleveringsprogramma van de Verenigde Staten en de CIA, alsook aan de vluchten en geheime gevangenissen op het grondgebied van de Unie, en dringt er bij de lidstaten op aan doeltreffende, onpartijdige, grondige, onafhankelijke en transparante onderzoeken in te stellen en daarbij geen straffeloosheid te dulden; herinnert de lidstaten eraan dat het verbod op foltering absoluut is en dat er derhalve geen beroep op het staatsgeheim kan worden gedaan om de verplichting van staten tot het instellen van een onderzoek naar ernstige schendingen van de mensenrechten te beperken; benadrukt dat, wanneer de lidstaten zich hier niet aan houden, hun reputatie alsook het vertrouwen in hun verbintenissen ten aanzien van de bescherming van de grondrechten op het spel komen te staan;

20.  wijst erop dat het klimaat van straffeloosheid rond het CIA-programma ervoor heeft gezorgd dat in het kader van het antiterrorismebeleid van de EU en de Verenigde Staten nog meer schendingen van de grondrechten hebben kunnen plaatsvinden, zoals onder meer is gebleken uit de onthullingen over de massale spionageactiviteiten in het kader van het toezichtsprogramma van de Amerikaanse veiligheidsdienst NSA en door de inlichtingendiensten van diverse lidstaten, een thema waar het Parlement zich momenteel over buigt; verzoekt om de herziening van de wetgeving inzake veiligheids- en inlichtingendiensten in de EU en de lidstaten, met bijzondere aandacht voor voorafgaande gerechtelijke en parlementaire controle, alsook voor het recht op beroep en het rectificeren van de door deze diensten verzamelde, bewaarde of verwerkte gegevens;

21.  verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan om Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan volledig om te zetten en ten uitvoer te leggen en passende maatregelen te nemen om erop toe te zien dat de slachtoffers van mensenhandel op adequate wijze worden bijgestaan en beschermd, dat mensenhandelaars worden vervolgd en doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties opgelegd krijgen, en dat er tevens preventieve maatregelen worden ingesteld;

22.  verzoekt de lidstaten Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten volledig om te zetten en daarbij passende maatregelen in te voeren om adequate bijstand en bescherming voor de slachtoffers van strafbare feiten te waarborgen;

23.  verzoekt om eerbiediging van de waardigheid aan het einde van het leven, met name door ervoor te zorgen dat in levenstestamenten vastgelegde beslissingen worden erkend en gerespecteerd;

24.  erkent dat de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten een essentieel onderdeel vormen van de menselijke waardigheid, die binnen de bredere context van structurele discriminatie en genderongelijkheden dienen te worden aangepakt; verzoekt de lidstaten de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten veilig te stellen via het FRA en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), niet in de laatste plaats middels het aanbieden van programma's en diensten inzake reproductieve gezondheid, met inbegrip van de zorg en de geneesmiddelen die van essentieel belang zijn voor vrijwillige gezinsplanning en een goede gezondheid voor moeders en pasgeborenen, en door waakzaam te blijven voor beleidsmaatregelen en/of wetgeving die een inbreuk kunnen vormen op de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

Vrijheden

25.  onderstreept dat de democratie en de rechtsstaat gebaseerd zijn op de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en rechten, en dat geen enkele actie of maatregel dan wel vorm van internationale samenwerking ter bestrijding van terrorisme of georganiseerde misdaad ten koste mag gaan van de Europese grondrechtelijke normen en dat zij deze strikt moeten eerbiedigen, met name met betrekking tot het vermoeden van onschuld, een eerlijk proces, het recht van verdediging, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, enz.); onderstreept dat er behoefte is aan strengere democratische controle en bescherming en eerbiediging van de grondrechten in de context van grensoverschrijdende samenwerking op deze terreinen, in het bijzonder gezien het feit dat de autoriteiten steeds meer persoonsgegevens verzamelen en gebruiken; verzoekt derhalve om het treffen van maatregelen om de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens op dit gebied te waarborgen;

26.  betreurt het feit dat de interneveiligheidsstrategie zo sterk gericht is op veiligheid dat dit ten koste gaat van de burgerlijke vrijheden, de grondrechten en de vaststelling van preventieve maatregelen; betreurt dat de kloof tussen afgekondigde doelstellingen en de wijze waarop beleid daadwerkelijk wordt uitgevoerd, steeds groter wordt; is van mening dat het Europees Parlement een doorslaggevende rol moet spelen bij de beoordeling en vaststelling van het binnenlands veiligheidsbeleid, aangezien dit beleid ernstige gevolgen heeft voor de fundamentele vrijheden en grondrechten van alle ingezetenen van de Unie, teneinde te zorgen voor democratisch toezicht en controle op het veiligheidsbeleid, inclusief inlichtingenactiviteiten, en in voorkomend geval voor de herziening van dit beleid om de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te waarborgen;

27.  is bezorgd over de onthullingen omtrent de flagrante schending van het recht op een privéleven en de bescherming van persoonsgegevens als gevolg van de door Europese en niet-Europese landen opgezette geheime programma's voor grootschalige observatie van Europese burgers, zonder dat daarvoor individuele rechterlijke toestemming is gegeven en zonder adequate parlementaire controle; veroordeelt dergelijke praktijken en verzoekt deze staten onmiddellijk een einde te maken aan deze schendingen; verzoekt om volledige opheldering met betrekking tot de inhoud van deze programma's en de eventuele internationale betrokkenheid, alsook om onmiddellijke herziening ervan; benadrukt dat de EU en haar lidstaten krachtig moeten optreden tegen de landen die het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer schenden door te spioneren op de communicatie van EU-burgers en institutionele, politieke en economische vertegenwoordigers en actoren in Europa; is bezorgd over het feit dat inlichtingendiensten zich hebben onttrokken aan democratische, parlementaire en rechterlijke controle door zonder politieke toestemming geheime programma's en operaties uit te voeren; verzoekt derhalve om een spoedige herziening van de mechanismen voor gerechtelijk en parlementair toezicht op geheime diensten, om ervoor te zorgen dat inlichtingendiensten worden verankerd in de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, zoals vereist in artikel 2 VEU; veroordeelt de geheime betrokkenheid van particuliere ondernemingen bij grootschalige toezichtactiviteiten; benadrukt dat de EU krachtiger moet reageren en moet verzoeken om internationale maatregelen om te waarborgen dat de Europese privacywetgeving en regelgeving inzake gegevensbescherming worden gehandhaafd, en technologieën moet bevorderen waarmee de vertrouwelijkheid van communicatie in Europa kan worden gegarandeerd;

28.  betreurt het feit dat de besprekingen over de goedkeuring van een ontwerpverordening en richtlijn inzake de bescherming van persoonsgegevens stagneren in de Raad, ondanks het feit dat het Parlement een sterk pleidooi voor een strengere regelgeving heeft gehouden; betreurt het besluit dat de Europese Raad heeft genomen tijdens zijn vergadering van 24 en 25 oktober 2013 om de digitale interne markt pas tegen 2015 te voltooien, waardoor de goedkeuring van het gegevensbeschermingspakket vertraging oploopt, en verzoekt de Raad vooruitgang te boeken bij de onderhandelingen over de richtlijn en verordening gegevensbescherming, zodat het gegevensbeschermingspakket vóór het einde van deze zittingsperiode kan worden goedgekeurd;

29.  is van mening dat de EU en haar lidstaten een regeling voor de bescherming van klokkenluiders in het leven moeten roepen voor personen die ernstige schendingen van de grondrechten door inlichtingendiensten, waarop niet de minste democratische, parlementaire en gerechtelijke controle werd uitgeoefend, aan het licht hebben gebracht;

30.  benadrukt dat persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, gezien de snelle ontwikkeling van digitale technologieën (toenemend gebruik van internet, internettoepassingen en sociale netwerken), beter beschermd moeten worden teneinde vertrouwelijkheid te waarborgen;

31.  is verheugd over het feit dat steeds meer lidstaten het recht op het stichten van een gezin door huwelijk, een samenlevingscontract of geregistreerd partnerschap en adoptie eerbiedigen zonder daarbij te discrimineren op grond van seksuele geaardheid, en verzoekt de overige lidstaten soortgelijke regelingen te treffen; is ingenomen met de recente uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Vallianatos en anderen tegen Griekenland, op grond waarvan paren van hetzelfde geslacht niet van sluiting van een samenlevingscontract mogen worden uitgesloten; verzoekt de Commissie en alle lidstaten wetgevings- en beleidsmaatregelen voor te stellen en goed te keuren ter bestrijding van homofobie, transfobie en haatmisdrijven, en is ingenomen met de publicatie van advies nr. 2/2013 van het FRA over het kaderbesluit inzake racisme en vreemdelingenhaat, waarin bijzondere aandacht wordt geschonken aan de rechten van slachtoffers van misdrijven; verzoekt de Commissie en alle lidstaten de richtlijn betreffende het vrije verkeer te handhaven zonder discriminatie op grond van seksuele geaardheid; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een ambitieuze verordening betreffende de wederzijdse erkenning van de rechtsgevolgen van akten van de burgerlijke stand voor te stellen;

32.  is uitermate bezorgd over het aantal zelfmoorden onder jongeren die het slachtoffer zijn van homofobie; wijst opnieuw op de bevindingen van het door het FRA verrichte LGBT-onderzoek in de EU, waaruit bleek dat 26 % van alle respondenten thuis of elders was aangevallen of bedreigd met geweld, een percentage dat voor de transgenderrespondenten zelfs 35 % bedroeg, en dat 19 % van alle respondenten zich, ondanks de juridische bescherming krachtens het EU-recht, op het werk of tijdens het zoeken naar werk gediscrimineerd voelde; verzoekt de Commissie bijgevolg om deze bevindingen te gebruiken als basis voor een alomvattende Europese aanpak van de problemen die de LGBT-gemeenschap ondervindt op het gebied van de grondrechten, in de vorm van een EU-stappenplan voor gelijkheid op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit, zoals het Parlement en ngo's reeds herhaaldelijk hebben verzocht;

33.  betreurt het feit dat in 14 lidstaten verplichte sterilisatie nog steeds onderdeel uitmaakt van de juridische geslachtserkenningsprocedures voor transgenders; verzoekt de lidstaten deze procedures te herzien, opdat zij het recht van transgenders op waardigheid en lichamelijke integriteit volledig eerbiedigen; complimenteert de Commissie met haar verbintenis om er binnen de Wereldgezondheidsorganisatie voor te pleiten geslachtelijke identiteitsstoornissen van de lijst van geestelijke en gedragsstoornissen te schrappen en ervoor te zorgen dat deze in het kader van de onderhandelingen over de elfde versie van de Internationale Classificatie van Ziekten (ICD-11) niet langer als een ziekte worden aangemerkt;

34.  erkent de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de vrijheid om te geloven of niet te geloven, om een zelf gekozen godsdienst te belijden en om van godsdienst te veranderen; veroordeelt elke vorm van discriminatie of intolerantie, en is van mening dat secularisme -dat volgens de definitie een strikte scheiding tussen niet-confessionele politieke autoriteiten en religieuze autoriteiten inhoudt- alsook de onpartijdigheid van de staat de beste manieren zijn om gelijkheid te waarborgen en te voorkomen dat gediscrimineerd wordt tussen verschillende godsdiensten en tussen gelovigen en niet-gelovigen; verzoekt de lidstaten de vrijheid van godsdienst of overtuiging te beschermen en er tevens voor te zorgen dat ook mensen zonder godsdienst niet hoeven te lijden onder discriminatie als gevolg van overdreven veel vrijstellingen voor godsdiensten in wetgeving op het gebied van gelijkheid en non-discriminatie;

35.  wijst er opnieuw op dat nationale wetten waarin godslastering als strafbaar feit is opgenomen, beperkingen opleggen aan uitingen op basis van een religieuze of andersoortige overtuiging, dat zij vaak worden toegepast om personen die tot religieuze of andere minderheden behoren te vervolgen, te mishandelen of te intimideren, en dat zij een ernstige belemmering kunnen vormen voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en overtuiging; raadt de lidstaten aan dergelijke strafbare feiten te decriminaliseren;

36.  betreurt het feit dat jongeren in bepaalde lidstaten nog steeds worden vervolgd en tot gevangenisstraffen worden veroordeeld omdat het recht om de militaire dienst op grond van gewetensbezwaren te weigeren nog steeds niet voldoende wordt erkend, en verzoekt de lidstaten een einde te maken aan de vervolging en discriminatie van gewetensbezwaarden;

37.  wijst er eens te meer op dat de vrijheid van meningsuiting, informatie en media van fundamenteel belang is voor het waarborgen van de democratie en de rechtsstaat, en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de richtlijn inzake audiovisuele mediadiensten te herzien en te wijzigen conform de door het Parlement in zijn verslag over dit onderwerp vermelde richtsnoeren; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de gewelddaden, de ingezette pressiemiddelen of bedreigingen tegen journalisten en de media, ook met betrekking tot de openbaarmaking van hun bronnen en van informatie over schendingen van de grondrechten door overheden en staten; verzoekt de instellingen van de Unie en de lidstaten het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting en van informatie te eerbiedigen, waarborgen, beschermen en bevorderen, en dus geen mechanismen op te leggen of te ontwikkelen die een belemmering vormen voor deze vrijheden;

38.  is bezorgd over de gevolgen van de economische crisis in Europa voor de eigendom van mediabedrijven en de toekomstige privatisering van openbare mediadiensten in sommige lidstaten; verzoekt de lidstaten de onafhankelijkheid van openbare mediadiensten te waarborgen en hun institutionele verplichtingen na te komen, teneinde het pluralisme in de media te garanderen en hoogwaardige, gediversifieerde, nauwkeurige en betrouwbare informatie te verstrekken; is van mening dat media-eigendom en mediabeheer altijd transparant en niet geconcentreerd moeten zijn; wijst erop dat transparantie van media-eigendom van cruciaal belang is voor de controle op media-investeringen binnen de EU, en op niet-Europese investeerders die in toenemende mate invloed uitoefenen op informatie die in de lidstaten wordt verstrekt;

39.  wijst op het belang van de eerbiediging en bescherming van de rechten van vluchtelingen en migranten, en onderstreept het feit dat er speciale aandacht moet worden besteed aan vrouwen en kinderen onder migranten; is bezorgd over de talrijke schendingen van het asielrecht en van de beschermingsverplichting in geval van verwijdering, uitzetting of uitlevering van migranten; wijst op de verplichting tot naleving van de internationale mensenrechtenverdragen, met name het VN-Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en het beginsel van non-refoulement, de verplichting om mensen op zee te redden die hun leven op het spel zetten om landen van de EU te bereiken, om ervoor te zorgen dat er behoorlijke opvangvoorzieningen voorhanden zijn en dat de opvangprocedures in overeenstemming zijn met de grondrechten; dringt bij de EU en de lidstaten aan op wijziging of herziening van alle wetgeving die personen die hulp verlenen aan migranten in nood op zee strafbaar stelt; vraagt de Europese Commissie Richtlijn 2002/90/EG van de Raad te herzien, waarin de sancties zijn vastgelegd voor hulp bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf, teneinde te verduidelijken dat het verstrekken van humanitaire bijstand aan migranten in nood op zee een goede zaak is en niet een daad die ooit tot enige vorm van sanctie zou kunnen leiden;

40.  is ingenomen met de voltooiing van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) en verzoekt de lidstaten de nodige wetgeving en administratieve herzieningen door te voeren om het op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen, teneinde ervoor te zorgen dat het CEAS volledig volgens plan wordt opgezet, personen die bescherming zoeken een betere toegang tot de asielprocedure biedt, leidt tot eerlijkere, snellere en kwalitatief betere asielbesluiten, en waardige en fatsoenlijke omstandigheden verschaft aan asielaanvragers en aan personen die in de EU internationale bescherming krijgen; betreurt evenwel dat kinderen nog steeds in hechtenis kunnen worden gehouden en dringt erop aan dat zij stelselmatig worden uitgesloten van de toepassing van versnelde procedures; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op basis van beste praktijken strategische richtsnoeren op te stellen met het oog op het vaststellen van gemeenschappelijke minimumnormen voor de opvang en de bescherming van niet-begeleide kinderen; onderstreept het feit dat procedurele waarborgen adequaat en passend moeten zijn; verzoekt om de toepassing van de recente uitspraak van het Europees Hof van Justitie dat LGBT-personen die asiel aanvragen als een specifieke maatschappelijke groep kunnen worden beschouwd die vanwege hun seksuele geaardheid kunnen worden vervolgd, en dat het bestaan van een gevangenisstraf voor homoseksuele handelingen in hun land van oorsprong op zich als een daad van vervolging kan worden gezien;

41.  veroordeelt het feit dat nog altijd vele migranten die de EU proberen te bereiken, op zee omkomen, ondanks het grote aantal uiteenlopende technische middelen die door de lidstaten en de EU ter beschikking zijn gesteld voor de bewaking en controle van de buitengrenzen; eist dat de EU en haar lidstaten de aanbevelingen uit de resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa getiteld "Drama op de Middellandse Zee - wie is verantwoordelijk?"(30) van 24 april 2012 ten uitvoer leggen; is ingenomen met het arrest van het Hof van Justitie tot nietigverklaring van Besluit 2010/252/EU van de Raad;

42.  benadrukt de kwetsbare positie van personen die de zuidelijke zeegrenzen van Europa oversteken, verzoekt om een werkbare oplossing voor het algemene immigratievraagstuk in het Middellandse Zeegebied, waarbij het beginsel van non-refoulement volledig wordt geëerbiedigd, en eist, als een absoluut minimum, dat de lidstaten en de EU-instellingen de recente adviezen van het FRA in aanmerking nemen bij het bedenken van methoden om de grondrechten van migranten in het kader van maritiem toezicht zo goed mogelijk te beschermen;

43.  is ingenomen met het door het FRA samen met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens opgestelde handboek over Europees recht inzake asiel, grenzen en immigratie en beschouwt dit als een concrete bijdrage om beoefenaars van juridische beroepen in Europa bij te staan bij het handhaven van de grondrechten en de mensenrechten;

44.  verzoekt de lidstaten en de Raad om de werkzaamheden voor de taskforce voor het Middellandse Zeegebied versneld uit te voeren om een forse uitbreiding van de reddingscapaciteit op zee te waarborgen, en een uitgebreid plan voor migratie en asiel op te stellen, gebaseerd op solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid en toegespitst op alle relevante aspecten, zoals de herziening van wetgeving van de EU en de lidstaten waarin het verlenen van humanitaire bijstand aan personen in nood strafbaar wordt gesteld, het ontwikkelen van veilige en legale routes voor vluchtelingen en migranten naar Europa, alsook de ontwikkeling van samenwerking met derde landen om de democratie, de grondrechten en de rechtsstaat te versterken teneinde ervoor te zorgen dat een drama zoals bij Lampedusa nooit meer zal plaatsvinden;

45.  veroordeelt de toenemende schendingen van de grondrechten van migranten, met name van de migranten die worden uitgewezen naar derde landen, zoals ook reeds naar voren is gebracht door de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten in zijn verslag van 24 april 2013(31) en door het FRA in zijn verslag van maart 2013(32) ; onderstreept in dit verband dat de Terugkeerrichtlijn, de overnameovereenkomsten alsook het optreden van FRONTEX grondig moeten worden geëvalueerd om na te gaan of hierin de grondrechten worden geëerbiedigd; verzoekt de Commissie concreet gevolg te geven aan haar kritische verslag van 2011 over overnameovereenkomsten en overnamemaatregelen met derde landen; veroordeelt het restrictieve beleid van de lidstaten inzake visumverlening aan ingezetenen van bepaalde derde landen;

46.  verzoekt de lidstaten beleid vast te stellen om legale migratie aan te moedigen, alsook het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren;

Gelijkheid

47.  benadrukt dat de beginselen van menselijke waardigheid, gelijkheid voor de wet en het verbod op discriminatie op welke grond dan ook, grondslagen van de democratische samenleving vormen; is van mening dat de Unie en de lidstaten zich krachtiger moeten inzetten voor gelijkheid en de bestrijding van discriminatie, de bescherming van de culturele, godsdienstige en taalkundige diversiteit, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de rechten van het kind, de rechten van ouderen en de rechten van personen met een handicap, de rechten van de LGBT-gemeenschap en de rechten van personen die tot een nationale minderheid behoren;

48.   verzoekt de lidstaten een nationaal wetgevingskader vast te stellen voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie en om effectieve toepassing van het bestaande EU-rechtskader te waarborgen, onder meer door inbreukprocedures op te starten; betreurt de impasse in de onderhandelingen van de Raad over het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid en verzoekt de Raad opnieuw het voorstel goed te keuren; is ingenomen met het standpunt van het Litouwse voorzitterschap van de Raad om het voorstel te steunen en verzoekt de andere lidstaten dit voorbeeld te volgen; is in dit verband ingenomen met FRA-advies 1/2013 over de stand van de gelijkheid in de Europese Unie 10 jaar na de eerste tenuitvoerlegging van de gelijkheidsrichtlijnen; is van mening dat taalkundige discriminatie ook moet worden aangepakt;

49.  herinnert aan zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en inclusie van mensen met een handicap en de Europese strategie voor mensen met een handicap 2010-2020(33) waarin erop aan wordt gedrongen dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt nageleefd;

50.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat personen met een handicap nog steeds met discriminatie en uitsluiting te maken hebben, hetgeen voor hen een belemmering vormt om op voet van gelijkheid met anderen hun grondrechten te genieten; verzoekt de EU-instellingen en de EU-lidstaten door te gaan met de tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap binnen hun respectieve bevoegdheden; benadrukt dat de verdere ontwikkeling van EU-wetgeving en -beleid op het gebied van non-discriminatie een rol kan spelen bij de harmonisering van de wetgeving in de hele EU met het Gehandicaptenverdrag van de VN, bijvoorbeeld met betrekking tot gelijkheid voor de wet; moedigt de lidstaten aan beleidsmaatregelen te ontwikkelen die van voldoende middelen zijn voorzien om personen met een handicap beter te integreren, hun toegang tot huisvesting, onderwijs, de arbeidsmarkt, openbaar vervoer en openbare voorzieningen te vergemakkelijken en hun deelname aan het politieke proces te versterken, met name door wettelijke en praktische discriminatie alsook beperkingen op hun stemrecht en verkiesbaarheid af te schaffen; betreurt het feit dat bepaalde personen met een handicap zich door een gebrek aan alternatieven binnen de lokale gemeenschap gedwongen zien in gespecialiseerde instellingen te leven en roept de lidstaten op alles in het werk te stellen om personen met een handicap meer mogelijkheden voor een autonoom leven te bieden;

51.  verzoekt de Commissie een volledig overzicht op te stellen van de EU-wetgeving en -beleidsmaatregelen, teneinde te beoordelen in hoeverre deze in overeenstemming zijn met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; is van mening dat de wetgevingsprocedures en de beleidsvorming van de EU moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat zij in overeenstemming zijn met en uitvoering geven aan het Gehandicaptenverdrag; verzoekt de Commissie hiertoe specifieke richtsnoeren voor effectbeoordeling vast te stellen en het ontwerp van een EU-voortgangsverslag over de tenuitvoerlegging van het Gehandicaptenverdrag in de EU in te dienen bij het Parlement; is van mening dat het Parlement regelmatig debatten moet organiseren en aanbevelingen moet opstellen middels een resolutie inzake de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de mate waarin personen met een handicap de in het Gehandicaptenverdrag vervatte rechten genieten, onder meer op basis van het verslag van de Commissie; steunt de lopende initiatieven om in het Parlement een commissieoverschrijdende taskforce op te zetten voor de tenuitvoerlegging van het Gehandicaptenverdrag, om ervoor te zorgen dat de maatregelen van het Parlement met betrekking tot het toezicht op en de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van dit verdrag alomvattend en samenhangend zijn;

52.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de rechten van het kind in alle interne en externe acties en beleidsmaatregelen die van invloed op kinderen zijn, te beschermen, te bevorderen en te handhaven; uit zijn bezorgdheid over kinderen die geweld en seksuele uitbuiting ondervinden en verzoekt de lidstaten de omzetting van Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie te voltooien; verzoekt de lidstaten, de Commissie en het FRA hun inspanningen voort te zetten om te beoordelen hoe kinderen tijdens gerechtelijke procedures worden behandeld; is van mening dat het hoger belang van het kind bij een scheiding van de ouders te allen tijde in acht moet worden genomen en dat kinderen regelmatige, rechtstreekse contacten met hun ouders moeten kunnen onderhouden;

53.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de situatie van de Roma in de EU en de talrijke gevallen van vervolging, geweld, stigmatisering, discriminatie, uitzetting, herhuisvesting en onrechtmatige gedwongen uitzetting, onrechtmatige registratie en etnische profilering door rechtshandhavingsinstanties, die in strijd zijn met de grondrechten en het recht van de Europese Unie; wijst opnieuw op zijn standpunt zoals bedoeld in zijn resolutie van 12 december 2013 over de geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de nationale strategieën voor de integratie van de Roma(34) , en dringt nogmaals aan op een doeltreffende tenuitvoerlegging van strategieën ter bevordering van daadwerkelijke integratie, en op versterkte en doelgerichte integratiemaatregelen, met name op het gebied van de grondrechten, onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg, alsook op de bestrijding van geweld, haattaal en discriminatie jegens de Roma; verlangt dat er een einde komt aan de onrechtmatige gedwongen uitzettingen, de ontmanteling van nederzettingen zonder te voorzien in alternatieve huisvesting, en de afzondering van Roma-kinderen op scholen en hun onrechtmatige plaatsing op speciale scholen; verzoekt de lidstaten meer gebruik te maken van de hun ter beschikking staande EU-fondsen voor de uitvoering van integratieprojecten en daarbij samen te werken met lokale overheden, die de eerste linie vormen in het dagelijkse beheer van nieuwkomers op hun grondgebied;

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om doeltreffend te reageren op de uitsluiting van de Roma door in samenwerking met vertegenwoordigers van de Roma-bevolking een geïntegreerd beleid te ontwikkelen en de in de strategieën vastgelegde maatregelen ten uitvoer te leggen, waarbij de aandacht uitgaat naar non-discriminatiemaatregelen en maatregelen ter verbetering van hun kansen op werk en toegang tot de arbeidsmarkt, terwijl tevens wordt gewaarborgd dat zij volledig deelnemen aan het beheer, de controle en de beoordeling van projecten die betrekking hebben op hun gemeenschappen, en om daarvoor voldoende begrotingsmiddelen uit te trekken en deze doeltreffend te besteden; verzoekt de Commissie en het FRA voorts om gemeenschappelijke, vergelijkbare en betrouwbare indicatoren op te stellen om toezicht te houden op de voortgang in de lidstaten;

55.  is van mening dat de Commissie strenge maatregelen moet nemen tegen schendingen van de grondrechten van de Roma in de lidstaten, met name door inbreukprocedures in te leiden wanneer zij geen toegang krijgen tot hun economische en sociale rechten, het recht op vrij verkeer en verblijf, het recht op gelijkheid en non-discriminatie en het recht op de bescherming van persoonsgegevens, of wanneer zij deze rechten niet kunnen uitoefenen; verzoekt de Commissie een toezichtmechanisme op te zetten voor haatmisdrijven tegen Roma, en verzoekt de Commissie en de lidstaten het ontbreken van geboorteregistraties en -akten van in de EU wonende Roma aan te pakken; herhaalt zijn oproep tot een doelgerichte aanpak van de sociale integratie van Roma-vrouwen om meervoudige discriminatie te voorkomen; verlangt dat het Europese kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma verder wordt ontwikkeld tot een volwaardige Europese strategie;

56.   benadrukt dat het van essentieel belang is dat de grondrechten en de fundamentele vrijheden van personen die behoren tot een nationale, etnische, religieuze of taalkundige minderheid worden geëerbiedigd; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de mensen die tot deze minderheidsgemeenschappen behoren in het dagelijks leven belemmeringen ondervinden op het gebied van rechtspraak, gezondheidszorg en sociale voorzieningen, alsook onderwijs en cultuur, en dat hierdoor hun rechten en menselijke waardigheid als EU-burger worden ondermijnd en situaties ontstaan waarin zij door de nationale autoriteiten van hun eigen lidstaten als tweederangsburgers worden behandeld; is van mening dat dergelijke minderheden specifieke behoeften hebben die verschillen van die van andere minderheidsgroepen, dat het overheidsbeleid daar meer op moet worden toegespitst en dat de Unie zelf deze behoeften op een passender manier dient aan te pakken;

57.  is van mening dat er geen eenduidige oplossing bestaat om de situatie van dergelijke minderheden in alle lidstaten te verbeteren, maar dat er bepaalde gemeenschappelijke minimumdoelstellingen voor de overheidsinstanties in de EU moeten worden ontwikkeld, waarbij rekening wordt gehouden met de toepasselijke internationale wetgeving en bestaande goede praktijken; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun rechtsstelsels waarborgen dat er geen discriminatie plaatsvindt tegen personen die tot een erkende nationale minderheid behoren, en passende maatregelen te nemen om effectieve gelijkheid te bevorderen op basis van de relevante internationale normen en goede praktijken, zoals het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden; verzoekt de Commissie een beleidsmaatstaf vast te stellen voor de bescherming van nationale minderheden, met inbegrip van inheemse, traditionele etnische en taalkundige minderheidsgemeenschappen, waarbij in acht wordt genomen dat deze bevolkingsgroepen meer dan 10 % van de totale bevolking van de EU vertegenwoordigen, teneinde te voorkomen dat er dubbele standaarden worden gehanteerd die onderscheid maken tussen de kandidaat-lidstaten en de lidstaten; wijst op de behoefte aan een omvattend EU-stelsel voor de bescherming van traditionele nationale minderheden, regionale taalkundige groepen en constitutionele regio's, in combinatie met een functionerend toezichtsmechanisme, naar het voorbeeld van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma; verzoekt de lidstaten omvattende gegevens inzake schendingen van de grondrechten van minderheden te verstrekken, zodat het FRA en de EU kunnen zorgen voor gegevensverzameling en verslaglegging;

58.  wijst erop dat positieve maatregelen die worden toegepast om tot minderheden behorende personen en groepen te beschermen, hun passende ontwikkeling te bevorderen en te waarborgen dat zij ten opzichte van de rest van de bevolking op administratief, politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied gelijke rechten en een gelijke behandeling krijgen, niet als discriminatie mogen worden gezien;

59.  veroordeelt uitingen van racistisch geweld en van antisemitisch, homofoob/transfoob, xenofoob en tegen migranten, religieuze minderheden en etnische groepen gericht geweld, die een alarmerend niveau hebben bereikt, in het bijzonder op het internet, bij gebrek aan een gedecideerd optreden van de zijde van de autoriteiten om dit soort geweld te bestrijden; verzoekt de lidstaten Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht ten uitvoer te leggen, discriminatie aan te pakken, ervoor te zorgen dat er onderzoeken worden ingesteld in geval van haatuitingen en haatmisdrijven, dat er strafwetten worden aangenomen die het aanzetten tot haat op elke grond, ook op grond van seksuele geaardheid, verbieden en dat er effectieve bescherming bestaat tegen racisme, antisemitisme, zigeunerhaat, vreemdelingenhaat en homofobie en dat de slachtoffers passende bijstand krijgen; verzoekt de Commissie inbreukprocedures in te leiden tegen de lidstaten die dit kaderbesluit op 1 december 2014 nog niet correct ten uitvoer hebben gelegd; verzoekt om herziening van het kaderbesluit, opdat het ook van toepassing wordt op haatuitingen en handelingen die zijn ingegeven door antisemitisme, moslimhaat en religieuze intolerantie, zigeunerhaat, homofobie en transfobie, en om de toepassing ervan te versterken; geeft zijn volledige steun aan het onder het Ierse voorzitterschap van de Raad opgezette initiatief om de strijd tegen intolerantie te versterken en verzoekt de Raad die constructieve werkzaamheden voort te zetten;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten gecoördineerde en omvattende maatregelen te nemen om haatmisdrijven in de EU stelselmatig te bestrijden en te voorkomen en haatmisdrijven beter zichtbaar te maken aan de hand van gegevens, waarbij moet worden gewaarborgd dat dergelijke gegevens vergelijkbaar zijn om een overzicht op EU-niveau mogelijk te maken, door samen te werken met het FRA met het oog op een betere verzameling en harmonisatie van de gegevens over haatmisdrijven; veroordeelt haatdragende uitingen waarmee groepen mensen op grond van hun sociale, culturele, religieuze of buitenlandse afkomst worden gestigmatiseerd, alsook het aanzetten tot rassenhaat, in het bijzonder wanneer prominenten zich hier schuldig aan maken; wijst op FRA-advies 2/2013 inzake het Kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat en benadrukt dat de rechten van de slachtoffers van misdrijven, en met name haatmisdrijven, moeten worden gewaarborgd;

61.  verzoekt de lidstaten, in het besef dat onderwijs van vitaal belang is in de strijd tegen discriminatie, erop toe te zien dat hun integratiestrategieën zich toespitsen op een hervorming van het nationale onderwijsprogramma, teneinde xenofobie, racisme en zigeunerhaat in de leerstof op te nemen en kinderen van jongs af aan te leren dat dit in het publieke debat vormen van discriminatie zijn;

62.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan:

   een gelijke behandeling van vrouwen en mannen te waarborgen en alle vormen van geweld tegen vrouwen te voorkomen, bestrijden en vervolgen als een schending van de grondrechten, en ervoor te zorgen dat de slachtoffers steun en bescherming wordt geboden;
   het Verdrag van de Raad van Europa inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) te ondertekenen en te ratificeren en een systeem voor gegevensverzameling op te zetten om de partijen bij het Verdrag te ondersteunen bij de verstrekking van nauwkeurige en vergelijkbare gegevens over de omvang, vormen en gevolgen van geweld tegen vrouwen;
   hun inspanningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) op te voeren en passende maatregelen te nemen om alle vormen van directe en indirecte discriminatie van vrouwen, met name de loonkloof tussen mannen en vrouwen, beroepssegregatie, het hanteren van stereotypen en alle vormen van geweld tegen vrouwen aan te pakken, aangezien vrouwen nog steeds meervoudig gediscrimineerd worden op diverse terreinen van het dagelijks leven, ondanks alle geldende wetten ter bestrijding van discriminatie;
   onderwijs op het gebied van gendergelijkheid, gendermainstreaming en voldoende toezichtsmechanismen voor de tenuitvoerlegging van het EU-genderbeleid te bevorderen;
   sterker op te treden tegen mensenhandel, om een einde te maken aan seksuele uitbuiting waardoor voornamelijk vrouwen worden getroffen, alsook dwangarbeid;
   een behoorlijke uitvoering van de bestaande gendergelijkheidsrichtlijnen te waarborgen, onder meer door inbreukprocedures in te leiden;
   een voorstel te doen voor een Europese strategie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, die gevolg geeft aan haar eerdere toezeggingen op dit vlak en voldoet aan de vele verzoeken van het Parlement; is in dit verband ingenomen met de "nultolerantie voor geweld tegen vrouwen" van de Commissie; verzoekt echter om meer maatregelen, waaronder een EU-brede strategie voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen, zoals aangekondigd in de conclusies van de Raad van maart 2010, inclusief juridisch bindende instrumenten en bewustmakingsacties;
   de kwestie van geweld tegen vrouwen -waaronder geweld binnen persoonlijke relaties, seksueel geweld (verkrachting, aanranding en seksuele intimidatie), seksuele uitbuiting en schadelijke traditionele praktijken, zoals gedwongen huwelijken en "eerwraak"- hoog op de agenda te houden, omdat gendergerelateerd geweld niet alleen een gevolg van de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen maar ook een belemmering voor gelijkheid is en derhalve niet mag worden getolereerd;
   een nultolerantiebeleid voor de genitale verminking van vrouwen te voeren;
   maatregelen te nemen en projecten op te zetten om voor alle generaties vrouwen een betere combinatie van werk en gezin tot stand te brengen, en juicht het besluit toe om 2014 uit te roepen tot het Europees Jaar van het evenwicht tussen werk en gezin;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij het opstellen van wetgeving en het analyseren van de stand van zaken met betrekking tot de grondrechten in de EU rekening te houden met de behoeften en zorgen van vrouwen door onder meer samen te werken met het maatschappelijk middenveld en op vrouwen gerichte ngo's; benadrukt dat het belangrijk is om de tenuitvoerlegging van Europese wetgeving inzake gendergelijkheid in de lidstaten nauwlettend te volgen en te evalueren;

64.  verzoekt de lidstaten billijke lonen en pensioenen te garanderen, de loonkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen, meer hoogwaardige banen voor vrouwen te scheppen, vrouwen in staat te stellen gebruik te maken van kwalitatief goede overheidsdiensten en de voorzieningen voor het welzijn van vrouwen te verbeteren;

65.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om de economische en sociale oorzaken van geweld tegen vrouwen te bestrijden, zoals werkloosheid, lage lonen en pensioenen, het gebrek aan huisvesting, armoede en niet-bestaande of inadequate overheidsdiensten, met name op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en sociale zekerheid;

66.  verzoekt de Commissie zich nog meer in te spannen om schendingen van de grondrechten van jonge meisjes tegen te gaan en zich in het bijzonder te richten op de industrie die jonge meisjes als seksobject beschouwt en die een stijgende handel in jonge meisjes voor seksuele doeleinden in de EU in de hand werkt;

67.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de nationale strategieën ter eerbiediging en waarborging van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van de vrouw worden uitgevoerd; beklemtoont dat de Unie een belangrijke rol speelt bij het vergroten van het bewustzijn en het bevorderen van beste praktijken op dit gebied, aangezien gezondheid een fundamenteel mensenrecht is dat van essentieel belang is voor de uitoefening van andere mensenrechten;

68.  verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een rechtskader voor de aanpak van meervoudige en intersectionele discriminatie;

69.  is van oordeel dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het besluitvormingsproces in de politiek en het bedrijfsleven een tekortkoming is; verzoekt de lidstaten derhalve positieve discriminatiemaatregelen in te voeren, zoals wettelijk vastgelegde pariteitssystemen en genderquota;

70.  benadrukt dat het verkleinen van de loonkloof buitengewoon langzaam verloopt; wijst erop dat de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid essentieel is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid; dringt er bij de Commissie op aan Richtlijn 2006/54/EG zo spoedig mogelijk te herzien en wijzigingen voor te stellen overeenkomstig artikel 32 van deze richtlijn en op basis van artikel 157 VWEU, met inachtneming van de gedetailleerde aanbevelingen in de bijlage bij de resolutie van het Parlement van 24 mei 2012;

71.  benadrukt het feit dat bezuinigingen op openbare diensten voor kinderopvang rechtstreeks van invloed zijn op de economische onafhankelijkheid van vrouwen; wijst erop dat in 2010 het gebrek aan kinderopvang de oorzaak was van het feit dat 28,3 % van de vrouwen niet werkte of in deeltijd werkte, terwijl dit in 2009 gold voor 27,9 % van de vrouwen; wijst er tevens op dat de arbeidsparticipatie van vrouwen met kleine kinderen in de EU in 2010 12,7 % lager was dan die van vrouwen zonder kinderen, en in 2008 11,5 % lager;

72.  betreurt het feit dat de grondrechten van oudere vrouwen te vaak worden geschonden, gezien het hoge aantal gevallen van geweld, fysieke en emotionele mishandeling en financieel misbruik in diverse lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer maatregelen te treffen met het oog op de bescherming van oudere vrouwen tegen elke vorm van mishandeling, waaronder een slechte behandeling in zorginstellingen voor ouderen;

73.  is van mening dat vrouwen met een handicap dubbel gediscrimineerd worden, op grond van zowel hun geslacht als hun handicap; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom maatregelen te nemen om de grondrechten van vrouwen met een handicap in de EU te waarborgen en te beschermen;

74.  verzoekt de Commissie en de lidstaten krachtigere inspanningen te leveren om een einde te maken aan de seksistische stereotypen waarvoor de media en in het bijzonder reclame een belangrijk voertuig zijn, daar deze een doorslaggevende rol kunnen vervullen bij het veranderen van het collectieve beeld ten aanzien van de rol van mannen en vrouwen;

75.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de burgers het bewustzijn en de kennis van al hun in het Handvest vervatte rechten te vergroten en een participerende democratie aan te moedigen door een permanente dialoog met het maatschappelijk middenveld, relevante ngo's en vrouwenorganisaties te onderhouden; verzoekt met name vrouwenorganisaties hun onschatbare deskundigheid op het gebied van hardnekkige stereotypen en discriminatie te delen, aangezien vrouwen altijd de meest kwetsbare slachtoffers zijn geweest;

76.  verzoekt, met betrekking tot de uitdagingen waarmee ouderen te maken hebben bij de volledige toepassing van hun mensenrechten, om meer betrokkenheid van de EU-instellingen en een verbetering van de dialoog tussen de verschillende betrokkenen;

Solidariteit

77.  benadrukt dat de financiële en economische crisis en de maatregelen die zijn genomen om deze te bestrijden ingrijpendere en vaak zeer ernstige gevolgen hebben gehad voor de armste en meest achtergestelde groepen in de samenleving, zoals blijkt uit nota van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa getiteld "Safeguarding human rights in times of economic crisis", waarin wordt verwezen naar groepen die met sociale marginalisering worden bedreigd, zoals migranten, asielzoekers, Roma, vrouwen en kinderen; wijst erop dat in 2012 een kwart van de bevolking in de EU-28 met armoede of sociale uitsluiting werd bedreigd; verlangt dat hieraan bijzondere aandacht wordt besteed en dat er passende, verdergaande en doeltreffende maatregelen worden genomen om deze situatie op te lossen en ongelijkheden en armoede te bestrijden; veroordeelt de uitlatingen van politici die tot doel hebben deze bevolkingsgroepen tot zondebok te maken; is bezorgd over het feit dat de grondrechten, de rechtsstaat en de democratische waarden door economische en sociale crises onder druk komen te staan, op zowel nationaal als supranationaal niveau;

78.  benadrukt het feit dat sociale rechten grondrechten zijn, zoals erkend door internationale verdragen, het EVRM, het EU-Handvest van de grondrechten en het Europees Sociaal Handvest; wijst erop dat deze rechten zowel bij wet als in de praktijk moeten worden beschermd om sociale rechtvaardigheid te waarborgen, vooral in tijden van economische crisis en bezuinigingsmaatregelen; onderstreept het belang van het recht op waardigheid, de vrijheid van beroep en het recht om te werken, het recht op non-discriminatie, onder meer op basis van nationaliteit, bescherming in geval van onredelijk ontslag, het recht op gezondheid en veiligheid op het werk, sociale zekerheid en sociale bijstand, het recht op gezondheidszorg, het recht op vrij verkeer en verblijf, het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting door doeltreffende toegang te verschaffen tot werkgelegenheid, passende huisvesting, opleiding, onderwijs, cultuur en sociale en medische bijstand, en, op het vlak van bezoldiging en sociale uitkeringen, het waarborgen van een fatsoenlijke levensstandaard voor werknemers en hun gezin, alsmede behoorlijke andere arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, de autonomie van de sociale partners, en de vrijheid om zich aan te sluiten bij nationale en internationale verenigingen ter bescherming van de economische en sociale belangen van werknemers en om collectief te onderhandelen;

79.  onderstreept dat wanneer mensen werkloos zijn, in armoede leven of maatschappelijk zijn gemarginaliseerd, dat aanzienlijke of zelfs rampzalige gevolgen heeft voor de uitoefening van de rechten en vrijheden die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de meest bedreigde rechten en vrijheden, met name: het recht op menselijke waardigheid (artikel 1), de vrijheid van beroep en het recht om te werken (artikel 15), het recht op non-discriminatie (artikel 21), bescherming in geval van onredelijk ontslag (artikel 30), het recht op sociale zekerheid en sociale bijstand (artikel 34), het recht op gezondheidszorg (artikel 35) en het recht op vrij verkeer en vrij verblijf (artikel 45); stelt bovendien vast dat wanneer mensen werkloos zijn, in armoede leven of maatschappelijk zijn gemarginaliseerd, zij de gevolgen daarvan ondergaan bij hun toegang tot basisvoorzieningen, sociale dienstverlening, financiële dienstverlening, enzovoort;

80.  herinnert eraan dat stelsels die het beginsel van sociale rechtvaardigheid erkennen en met degelijke wetgeving ten uitvoer leggen, de beste bescherming bieden tegen de sociale gevolgen van de economische en financiële crisis;

81.  adviseert alle lidstaten zo snel mogelijk ieder resterend voorbehoud ten opzichte van het Europees Sociaal Handvest in te trekken; is van mening dat het Parlement een permanente dialoog over de voortgang in deze kwestie moet stimuleren; is van mening dat de verwijzing naar het ESH in artikel 151 VWEU doeltreffender dient te worden benut, bijvoorbeeld door een test inzake sociale rechten op te nemen in de effectbeoordelingen van de Commissie en het Parlement;

82.  roept op tot krachtiger maatregelen om daklozen te helpen en onderdak en bijstand te bieden; veroordeelt -juist nu er als gevolg van de aanslepende economische en financiële crisis steeds meer mensen in kwetsbare situaties terechtkomen en op straat eindigen- wetgeving en beleidsmaatregelen op nationaal en lokaal niveau die deze mensen, die hulpbehoevend zijn, strafbaar stellen daar dit een frappante en onmenselijke schending van de grondrechten is;

83.  onderstreept dat de maatregelen die de crisis moeten oplossen verenigbaar moeten zijn met de waarden en doelstellingen van de Unie, en met name dat in de landen die het zwaarst getroffen zijn door de crisis in de eurozone de rechtsstaat moet worden gewaarborgd door de maatregelen van de Unie;

84.  herhaalt met klem zijn verzoek aan de Raad om het thema "toegang tot alle grondrechten voor de armsten" op te nemen onder de thema's van het volgende meerjarige kader van het FRA;

85.  betreurt het feit dat in sommige lidstaten nog steeds overgangsregelingen inzake het vrije verkeer van werknemers bestaan; benadrukt dat de angst voor negatieve gevolgen van arbeidsmigratie niet gegrond is; wijst erop dat ramingen een toename op de lange termijn van bijna 1 % van het bbp van de EU-15-landen laten zien, als gevolg van mobiliteit na de uitbreiding (in 2004-2009)(35) ;

86.  merkt op dat recente uitlatingen waarin vrij verkeer wordt bestempeld als migratie om te profiteren van socialezekerheidsstelsels niet op feiten zijn gebaseerd(36) ; onderstreept dat discriminatie een zeer grote belemmering vormt voor Europese burgers om gebruik te maken van hun grondrechten; benadrukt dat EU-burgers die permanent in een andere lidstaat verblijven recht hebben op gelijke behandeling ten aanzien van sociale zekerheid, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004;

87.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten hun werkzaamheden ten aanzien van de ontwikkeling en garantie van arbeidsrechten en fundamentele sociale rechten moeten intensiveren, als een cruciale stap om ervoor te zorgen dat gelijke behandeling, fatsoenlijk werk en salarissen om in het levensonderhoud te kunnen voorzien in de Europese Unie worden bewerkstelligd;

88.  roept de Commissie en de lidstaten op het recht van werknemers op veilige en gezonde arbeidsomstandigheden, zoals vermeld in artikel 3 van het Europees Sociaal Handvest, te erkennen als een essentieel recht voor werknemers om een fatsoenlijk leven te kunnen leiden en om de eerbiediging van hun grondrechten te waarborgen;

89.  wijst op het belang van de rol van de sociale partners in collectieve onderhandelingen om de grondrechten en de gelijke behandeling van werknemers veilig te stellen, met name wat betreft jongeren, vrouwen, personen met een handicap en andere sociaal achtergestelde groepen op de arbeidsmarkt;

Burgerschap

90.  wijst erop dat de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en van het Handvest van de grondrechten, evenals de toenemende verwachtingen van de burgers en het maatschappelijk middenveld – zoals is aangetoond met het mislukken van ACTA en de spionageschandalen – nopen tot versterking en uitbreiding van de democratische en institutionele transparantie en openheid in de EU, met name in haar instellingen, organen, bureaus, agentschappen en in haar lidstaten; is van oordeel dat transparantie en openheid hoofdbeginselen zijn die verder moeten worden versterkt en bevorderd teneinde te zorgen voor goed bestuur en volledige deelname van het maatschappelijk middenveld aan het besluitvormingsproces van de EU;

91.  betreurt dat de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 betreffende het recht op toegang tot documenten en informatie interinstitutioneel is vastgelopen; verzoekt de Raad en de Commissie de herziening van deze verordening te hervatten op basis van de voorstellen van het Parlement om te zorgen voor meer transparantie in het besluitvormingsproces van de EU en een betere toegang tot documenten voor EU-burgers; verzoekt alle instellingen, bureaus, organen en agentschappen van de EU om Verordening (EG) nr. 1049/2001 volledig ten uitvoer te leggen, zoals vereist is krachtens het Verdrag van Lissabon, en merkt in het licht van de rechtspraak van het HvJ en klachten aan de Ombudsman op dat zij dit niet hebben gedaan; verzoekt de Raad en de Commissie tegelijkertijd de nodige maatregelen te treffen om transparantie te waarborgen bij het informeren van het algemene publiek over de manier waarop de financiering uit de EU-begroting in de lidstaten wordt benut;

92.  benadrukt dat het recht op goed bestuur ook inhoudt dat overheden de plicht hebben hun burgers te informeren over hun grondrechten en de meest hulpbehoevenden te helpen bij het verkrijgen van uitleg over hun rechten en bij het waarborgen van de eerbiediging ervan;

93.  herinnert eraan dat burgerschap overeenkomstig artikel 21 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens inhoudt dat eenieder het recht heeft deel te nemen aan het openbare leven van het land van verblijf; herinnert eraan dat Europees burgerschap niet beperkt is tot actief en passief stemrecht bij de Europese en gemeenteraadsverkiezingen, en evenmin tot de uitoefening van de rechten op het gebied van vrij verkeer en verblijf, hoe wezenlijk die ook zijn; onderstreept dan ook dat Europees burgerschap inhoudt dat eenieder die op het grondgebied van de Unie verblijft, actief en zonder gediscrimineerd te worden kan deelnemen aan het democratische, politieke, sociale en culturele leven van de lidstaat waarin hij of zij verblijft en al zijn of haar door de Europese Unie erkende politieke, burgerlijke, economische, culturele en sociale grondrechten en vrijheden kan uitoefenen;

94.  wijst op de noodzaak bewustmakings- en voorlichtingscampagnes te organiseren ter bevordering van de waarden en doelstellingen van de Unie onder de burgers, en verzoekt met name om een zo breed mogelijke verspreiding van de teksten van de relevante artikelen van het VEU en het Handvest van de grondrechten;

95.  is ingenomen met het besluit om 2013 uit te roepen tot het Europees Jaar van de burger; verzoekt de Commissie echter om tezamen met de lidstaten de EU-burgers in kennis te blijven stellen van hun rechten, opdat zij hun EU-burgerschap volledig kunnen benutten;

96.  verzoekt de lidstaten voorlichtingscampagnes op touw te zetten om de EU-burgers te informeren over hun recht om te stemmen en om zich verkiesbaar te stellen; verzoekt in alle lidstaten de nodige hervorming van de Europese verkiezingsprocedures uit te voeren teneinde het actief EU-burgerschap te bevorderen; wenst dat de lidstaten aanmoedigen tot actieve participatie van burgers door middel van burgerinitiatieven en door gebruik te maken van het petitierecht en het recht om klachten in te dienen bij de Europese Ombudsman;

97.  herinnert aan het belang van de werkzaamheden van de Europese Ombudsman voor de rechten van personen; onderstreept dat de onafhankelijkheid van de Ombudsman belangrijk is om zijn geloofwaardigheid te kunnen waarborgen en verzoekt daarom om een wijziging van zijn statuut, teneinde formeel uit te sluiten dat hij wordt gekozen uit een kring van personen die zijn kiezers waren of zijn;

98.  onderstreept dat het in de Verdragen neergelegde en door de richtlijn inzake vrij verkeer gewaarborgde recht op vrij verkeer, werk en verblijf van Europese burgers en hun gezinnen, alsmede de vrijheid van beroep en het recht om te werken, fundamentele rechten van de Europese burgers zijn, en een belangrijk economisch voordeel vormen voor gastlanden dat bijdraagt aan de aanpak van een ongelijke verdeling van vaardigheden en werkgelegenheid en aan compensatie van het demografische tekort in de Europese Unie; onderstreept het feit dat de richtlijn reeds voorziet in uitzonderingen en beperkingen op het recht op vrij verkeer; wijst elke poging om aan dit verworven recht te tornen van de hand en dringt erop aan dat iedere inbreuk bij het Hof van Justitie aanhangig wordt gemaakt;

Justitie

99.  onderstreept dat een onafhankelijke, billijke, doeltreffende, onpartijdige en eerlijke rechtsbedeling binnen redelijke termijnen van essentieel belang is voor de democratie en de rechtsstaat en voor de geloofwaardigheid daarvan; is bezorgd over de talrijke inbreuken die hierop worden geconstateerd, zoals ook blijkt uit het aantal veroordelingen die zijn uitgesproken voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; verzoekt de lidstaten de uitspraken van het Hof volledig ten uitvoer te leggen; benadrukt dat het ongestraft plegen van dergelijke inbreuken vanuit een positie van gezag, macht of invloed op personen, justitiële of politieke autoriteiten in de EU niet mag worden getolereerd;

100.  erkent – naast het belang van rechtbanken – het belang van niet-rechterlijke en semirechterlijke instellingen voor de toegang tot de rechter, zoals nationale instellingen voor de rechten van de mens, organisaties voor gelijke kansen, ombudsmaninstellingen, en autoriteiten voor gegevensbescherming, alsook andere instellingen van dien aard gericht op de rechten van de mens; benadrukt in dit verband dat er in alle lidstaten nationale instellingen voor de rechten van de mens moeten worden aangewezen of opgezet, met het oog op het verkrijgen van hun volledige accreditatie overeenkomstig de zogeheten beginselen van Parijs (beginselen betreffende de status en werking van nationale instellingen ter bescherming en bevordering van de rechten van de mens, resolutie 48/134 van de Algemene Vergadering van de VN van 20 december 1993); benadrukt dat een vereiste van volledige onafhankelijkheid ook nuttig kan zijn voor andere instellingen gericht op de rechten van de mens;

101.   verzoekt het FRA om in samenwerking met de betrokken speciale rapporteur van de VN onderzoek te doen naar de buitengewone wetten en procedures die zijn ingevoerd om terrorisme te bestrijden en na te gaan of deze verenigbaar zijn met de grondrechten; verwerpt elke uitzonderlijke procedure waarmee het evenwicht tussen vervolging en verdediging in gerechtelijke procedures zichtbaar wordt aangetast, zoals geheime hoorzittingen of geheime uitspraken, of waarmee overheden bijzondere bevoegdheden worden verleend met betrekking tot mediacensuur of geheim toezicht op de bevolking; stelt vast en betreurt dat het antiterreurbeleid geleidelijk wordt uitgebreid tot een steeds groter aantal misdrijven en delicten, met als gevolg een toename van het aantal snelrechtprocedures, onsamendrukbare minimumstraffen en een steeds grotere opslag van persoonsgegevens van de bevolking;

102.  verzoekt de Commissie haar werkzaamheden op het gebied van het strafrecht alsook de tenuitvoerlegging van de routekaart voor de procedurele waarborgen voort te zetten, en verzoekt de lidstaten zich ter zake ambitieuzer op te stellen;

103.  is ingenomen met het FRA-verslag over de toegang tot de rechter in gevallen van discriminatie binnen de EU en benadrukt dat de toegang tot de rechter vaak ingewikkeld en omslachtig is; is van mening dat dit onder meer kan worden verbeterd met behulp van vereenvoudigde procedures en uitgebreidere steun voor mensen die toegang tot de rechter wensen;

104.  neemt kennis van het door de Commissie gepresenteerde scorebord voor justitie, dat helaas alleen betrekking heeft op kwesties inzake civiel, administratief en handelsrecht, hoewel het Parlement verlangde dat het ook het strafrecht, de grondrechten en de rechtsstaat zou beslaan; dringt derhalve aan op een uitbreiding van het scorebord tot deze terreinen; onderstreept dat het moet worden geïntegreerd in het nieuwe Kopenhagen-mechanisme en de Europese beleidscyclus voor de toepassing van artikel 2 VEU; benadrukt tevens dat het verbeteren van de werking van de rechtspraak niet uitsluitend tot doel mag hebben een land aantrekkelijker te maken voor investeerders en ondernemers, waarbij vooral de efficiëntie van gerechtelijke procedures wordt beoogd, maar dat het tevens gericht moet zijn op het waarborgen van het recht op een eerlijk proces en de eerbiediging van de grondrechten;

105.  dringt er bij de Commissie op aan de doeltreffende tenuitvoerlegging in de EU van het recht op toegang tot de rechter te evalueren in het licht van het recht van alle mensen, zowel de huidige als de komende generaties, om te leven in een voor hun gezondheid en welzijn passende omgeving;

106.  uit zijn bezorgdheid over de politisering van het grondwettelijk hof in bepaalde lidstaten en wijst er opnieuw op dat een onafhankelijk rechtsstelsel van het grootste belang is;

o
o   o

107.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de Raad van Europa en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa.

(1) Raadsdocument 10140/11 van 18 mei 2011.
(2) PB C 115 van 4.5.10, blz. 1.
(3) PB L 328 van 6.12.08, blz. 55
(4) PB L 180 van 19.07.00, blz. 22.
(5) PB L 303 van 02.12.00, blz. 16.
(6) PB L 281 van 23.11.95, blz. 31.
(7) PB L 145 van 31.05.01, blz. 43.
(8) PB C 169 E van 15.6.12, blz. 49.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0500.
(10) PB C 104 E van 30.4.04, blz. 1026.
(11) PB C 124 E van 25.05.06, blz. 405.
(12) PB C 294 E van 03.12.09, blz. 54.
(13) PB C 224 E van 19.08.10, blz. 18.
(14) PB C 308 E van 20.10.11, blz. 73.
(15) PB C 136 E van 11.05.12, blz. 50.
(16) PB C 199 E van 07.07.12, blz. 112.
(17) PB C 199 E van 07.07.12, blz. 154.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0203.
(19) PB C 264 E van 13.09.13, blz. 54.
(20) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0090.
(21) PB C 51 E van 22.02.13, blz. 121.
(22) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444.
(23) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.
(24) PB C 353 E van 03.12.13, blz. 1.
(25) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0418.
(26) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0350.
(27) PB C 296 E van 02.10.12, blz. 26.
(28) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0045.
(29) PB C 264 E van 13.09.13, blz. 75.
(30) Resolutie 1872(2012) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 24 april 2012.
(31) Regionale studie: beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie en de impact ervan op de mensenrechten van migranten, verslag van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten, de heer François Crépeau, 24 april 2013, A/HRC/23/46.
(32) Verslag van het FRA over de grondrechten aan de zuidelijke zeegrenzen van de EU, maart 2013.
(33) PB C 131 E van 8.5.13, blz. 9.
(34) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0594.
(35) Employment and social developments in Europe 2011, hoofdstuk 6: Intra-EU labour mobility and the impact of enlargement, blz. 274.
(36) Zie de onderzoeksanalyse van de impact op de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten van het recht van niet-actieve intra-EU-migranten op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen en gezondheidszorg die op basis van woonplaats worden toegekend, DG Werkgelegenheid, eindverslag ingediend door ICF GHK in samenwerking met Milieu Ltd., 14 oktober 2013.

Laatst bijgewerkt op: 30 mei 2017Juridische mededeling