Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2340(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0205/2016

Ingediende teksten :

A8-0205/2016

Debatten :

PV 04/07/2016 - 18
CRE 04/07/2016 - 18

Stemmingen :

PV 05/07/2016 - 4.6

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0300

Aangenomen teksten
PDF 255kWORD 137k
Dinsdag 5 juli 2016 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU
P8_TA(2016)0300A8-0205/2016

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2016 over de bestrijding van mensenhandel in de externe betrekkingen van de EU (2015/2340(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens en alle relevante internationale mensenrechtenverdragen,

–  gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (2000) en de bijbehorende protocollen, met name het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel (2000) en het Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht (2000),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden (1990),

–  gezien het werk van internationale mensenrechteninstanties, zoals de speciale VN-rapporteur inzake de handel in mensen, met name vrouwen en kinderen, en andere speciale VN-rapporteurs, de universele periodieke doorlichting en het werk van de organen van het VN-mensenrechtenverdrag,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN-mensenrechtenraad inzake de handel in mensen, met name vrouwen en kinderen (2014),

–  gezien het algemeen verslag van het Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding van de VN over mensenhandel (2014),

–  gezien de modelwet van de VN tegen de handel in mensen, die landen moet bijstaan bij de herziening en wijziging van bestaande wetgeving en de vaststelling van nieuwe wetgeving ter bestrijding van mensenhandel (2009),

–  gezien de aanbevolen beginselen en richtsnoeren inzake mensenrechten en mensenhandel, als addendum toegevoegd aan het verslag van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten (UNHCHR) aan de Economische en Sociale Raad (E/2002/68Add. 1),

–  gezien de leidende beginselen van de VN inzake het bedrijfsleven en mensenrechten, tot uitvoering van het VN-kader "Protect, Respect and Remedy",

–  gezien het door de VN erkende grondbeginsel van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor slachtoffers van mensenhandel,

–  gezien de richtsnoeren van UNICEF inzake de bescherming van kinderen die het slachtoffer zijn van mensenhandel,

–  gezien het IAO-Verdrag betreffende de gedwongen arbeid (1930, nr. 29), het Protocol van 2014 daarbij, het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid (1957, nr. 105) en de Aanbeveling betreffende gedwongen arbeid (aanvullende maatregelen) (2014, nr. 203),

–  gezien het Verdrag betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces (1073, nr. 138) en het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid (1999, nr. 182),

–  gezien het IAO-Verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel (2011, nr. 189),

–  gezien het IAO-verslag getiteld "Profits and Poverty: The Economics of Forced Labour (2014),

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 5,

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers hiervan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten,

–  gezien Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen,

–  gezien het actiegericht document over het versterken van de externe dimensie van de EU met betrekking tot de bestrijding van de mensenhandel (2009) en de twee desbetreffende uitvoeringsverslagen (2011 en 2012),

–  gezien de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (2012-2016),

–  gezien het tussentijds verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (COM(2014)0635),

–  gezien het werk van de EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(1) ,

–  gezien het kader voor de EU-activiteiten inzake gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in de externe betrekkingen van de EU 2016-2020,

–  gezien het situatieverslag van Europol van februari 2016, getiteld "Trafficking in human beings in the EU",

–  gezien de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (TAMM),

–  gezien de Europese migratieagenda van 13 mei 2015,

–  gezien het actieplan van de top van La Valletta van november 2015,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel (2005),

–  gezien het laatste algemeen verslag van 2014 over de werkzaamheden van de Groep van deskundigen inzake actie tegen mensenhandel (GRETA), waarin richtsnoeren worden vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa tegen de handel in menselijke organen, dat sinds maart 2015 voor ondertekening openstaat,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van het menselijk wezen met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde,

–  gezien de Verklaring van Istanbul inzake orgaanhandel en transplantatietoerisme (2008),

–  gezien de OVSE-richtsnoeren inzake de mensenrechten bij de terugkeer van slachtoffers van mensenhandel (2014),

–  gezien het verslag van de intergouvernementele Financiële-actiegroep (FATF) (2011),

–  gezien het Verdrag van Den Haag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie,

–  gezien het activiteitenverslag van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) over de preventie van mensenhandel en de hulp aan kwetsbare migranten (2012),

–  gezien het verslag van de IOM over de aanpak van mensenhandel en uitbuiting in tijden van crisis (2015),

–  gezien het Verdrag van de ASEAN inzake de voorkoming van handel in mensen, met name vrouwen en kinderen (2015),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0205/2016),

A.  overwegende dat mensenhandel, een praktijk die deel uitmaakt van de georganiseerde misdaad, een van de ergste mensenrechtenschendingen is, omdat het mensen tot koopwaar reduceert, de waardigheid, de integriteit en de rechten van het slachtoffer verregaand en blijvend aantast en hele families en gemeenschappen ontwricht, en omdat opzettelijk misbruik wordt gemaakt van de kwetsbaarheid van mensen die geïsoleerd zijn geraakt of gebukt gaan onder armoede;

B.  overwegende dat mensenhandel door de Verenigde Naties (Protocol van Palermo) wordt gedefinieerd als werving, vervoer, overbrenging, huisvesting en opneming van personen met gebruikmaking van bedreiging, geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, fraude, misleiding, misbruik van machtspositie of van een situatie van kwetsbaarheid, het geven of ontvangen van geld of voordelen om de instemming te verkrijgen van een persoon die controle heeft over een ander persoon, teneinde deze persoon uit te buiten; overwegende dat uitbuiting in ieder geval gedwongen prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting omvat, alsook gedwongen arbeid of diensten, slavernij of soortgelijke praktijken, met inbegrip van kinderslavernij met het doel kinderen als soldaat in te zetten, evenals het verwijderen van organen; overwegende dat dit verfoeilijke praktijken zijn, in het bijzonder wanneer kinderen ten prooi vallen aan de ergste vorm van uitbuiting;

C.  overwegende dat "handel in kinderen" in artikel 2, lid a, van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, over de handel in kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie, wordt gedefinieerd als "iedere handeling of transactie waarbij een kind wordt overgedragen door een persoon of groep personen aan een andere persoon of groep personen tegen betaling of een andere vorm van vergoeding";

D.  overwegende dat volgens het algemeen verslag van het Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding van de Verenigde Naties (UNODC) over mensenhandel 70 % van alle gesignaleerde slachtoffers vrouwen en meisjes zijn; overwegende dat 79 % van de gesignaleerde slachtoffers van seksuele uitbuiting vrouwen zijn, wat neerkomt op 53 % van alle gesignaleerde gevallen van vormen van uitbuiting wereldwijd, terwijl 83 % van de gesignaleerde slachtoffers van gedwongen arbeid mannen zijn, wat neerkomt op 40 % van alle gesignaleerde gevallen van vormen van uitbuiting wereldwijd;

E.  overwegende dat complexe en onderling samenhangende factoren, zoals systematische en structurele discriminatie, mensenrechtenschendingen, armoede, ongelijkheid, corruptie, gewelddadige conflicten, landonteigening, gebrek aan opleiding, werkloosheid en slecht functionerende regelingen inzake arbeidsmigratie, de kwetsbaarheid van mensen voor uitbuiting en misbruik vergroten, omdat er voor hen maar beperkte keuzes en middelen overblijven; overwegende dat geweld tegen vrouwen in de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (2012-2016) als een onderliggende oorzaak van mensenhandel wordt aangemerkt;

F.  overwegende dat mensenhandel een gendergerelateerde misdaad is; overwegende dat vrouwen en meisjes ook een groot percentage uitmaken van de slachtoffers van andere vormen van mensenhandel, zoals gedwongen uitbuiting in de sectoren van huishoudelijk en verzorgend werk, productiewerk, de voedselsector, schoonmaakdiensten en andere sectoren;

G.  overwegende dat mensenhandel naast illegale drugs- en wapenhandel een van de meest winstgevende georganiseerde misdaadactiviteiten ter wereld is; overwegende dat de jaarlijks illegale winst uit gedwongen arbeid – witgewassen geld inbegrepen – volgens de meest recente ramingen van de IAO rond de 150 miljard USD bedraagt, waarbij naar schatting 90 % van de slachtoffers in de particuliere sector wordt uitgebuit en twee derde van de winst afkomstig is uit commerciële seksuele uitbuiting, waardoor dit de meest lucratieve vorm van uitbuiting is;

H.  overwegende dat mensenhandel moet worden bezien in het kader van de vraag en de opbrengsten, aangezien met name de uitbuiting van vrouwen voor seksuele diensten wordt aangewakkerd door de vraag naar dergelijke diensten en de gegenereerde opbrengsten;

I.  overwegende dat de tekortschietende toepassing van het wettelijk kader ter bestrijding van mensenhandel in de lidstaten en het ontbreken van een vergelijkbaar wettelijk kader in derde landen tot de belangrijkste obstakels voor het bestrijden van de mensenhandel behoren;

J.  overwegende dat toegang tot de rechter voor slachtoffers van mensenhandel varieert van simpelweg problematisch tot onmogelijk; overwegende dat corruptie en een gebrek aan capaciteit één van de grote problemen vormen waarmee politie en justitie in veel landen kampen;

K.  overwegende dat de wereldwijde verbreiding van internettoegang mensenhandelnetwerken volgens Europol in staat stelt zich steeds meer online te ontwikkelen; overwegende dat dit nieuwe vormen van rekrutering en uitbuiting van slachtoffers in de hand werkt;

L.  overwegende dat er een verband bestaat tussen migrantensmokkel en mensenhandel; overwegende dat smokkelaars onder meer gebruikmaken van internet om hun diensten bij potentiële migranten onder de aandacht te brengen;

M.  overwegende dat mensenhandel en mensensmokkel helaas geen fenomenen van voorbijgaande aard zijn en de volgende jaren wellicht nog in omvang zullen toenemen omdat conflicthaarden, repressieve regimes en economische situaties waar ook ter wereld voedingsbodems zijn voor de criminele activiteiten van mensenhandelaars en mensensmokkelaars;

N.  overwegende dat het risico op mensenhandel toeneemt door de irreguliere migratiestromen, aangezien irreguliere migranten, vanwege hun kwetsbaarheid en illegale status, een verhoogd risico lopen het slachtoffer van mensenhandel te worden; overwegende dat niet-begeleide minderjarige migranten – die een aanzienlijk deel uitmaken van de migranten die in Europa aankomen – een doelgroep vormen voor mensenhandelnetwerken;

O.  overwegende dat mensenhandel zowel een regionaal als een mondiaal probleem is, dat niet altijd alleen op het niveau van de lidstaten kan worden aangepakt;

P.  overwegende dat volgens de Global Slavery Index wereldwijd naar schatting 35,8 miljoen mensen vastzitten in een situatie van moderne slavernij en dat mensenhandel dus een endemisch karakter heeft en in alle delen van de wereld voorkomt;

Q.  overwegende dat voorbije en opkomende tendensen op het gebied van mensenhandel uiteenlopende vormen aannemen en dat er grote verschillen bestaan tussen regio's en binnen subregio's;

R.  overwegende dat mensenhandel zich niet enkel beperkt tot landen die als minder ontwikkeld worden beschouwd, maar eveneens, in meer bedekte vormen, voorkomt in ontwikkelde landen;

S.  overwegende dat volgens de IAO 56 % van het geschatte aantal slachtoffers van gedwongen arbeid in de wereld, met inbegrip van slachtoffers van seksuele uitbuiting, uit de regio Azië-Stille Oceaan afkomstig is, hetgeen wereldwijd veruit het grootste aandeel is;

T.  overwegende dat wereldwijd naar schatting 300 000 kinderen bij gewapende conflicten zijn betrokken; overwegende dat kinderhandel, voor het ronselen van kindsoldaten, in Afrika meer voorkomt dan elders in de wereld;

U.  overwegende dat in Noord-Afrika en het Midden-Oosten 95 % van de slachtoffers volwassenen zijn; overwegende dat met name de landen in het Midden-Oosten bestemmingslanden zijn voor migrerende werknemers en dat in deze landen het zogenaamde Kafalasysteem werknemers via sponsorschap bindt aan een specifieke werkgever, hetgeen aanleiding geeft tot misbruik en arbeidsuitbuiting, soms neerkomend op gedwongen arbeid;

V.  overwegende dat seksuele uitbuiting in de landen van het Oostelijk Nabuurschap van de EU de belangrijkste beweegreden voor gerapporteerde mensenhandel is; overwegende dat stelselmatige discriminatie en racisme ertoe hebben geleid dat de Roma-gemeenschappen – zowel mannen als vrouwen – bijzonder kwetsbaar zijn voor mensenhandel voor verschillende doeleinden;

W.  overwegende dat de samenwerking tussen de lidstaten, Europol en de landen van herkomst en doorreis van de slachtoffers van mensenhandel een essentieel instrument is in de strijd tegen mensenhandelnetwerken;

X.  overwegende dat de EU een aantal prioritaire landen en regio's heeft vastgesteld om de samenwerking in de strijd tegen mensenhandel verder te versterken en te stroomlijnen;

Y.  overwegende dat de Commissie in 2010 een EU-coördinator voor de bestrijding van mensenhandel heeft benoemd om de coördinatie en de samenhang tussen de EU-instellingen, -agentschappen, lidstaten, niet-EU-landen en internationale actoren te verbeteren;

Mondiale tendensen op het gebied van mensenhandel

1.  hekelt en veroordeelt expressis verbis de mensenhandel, een groeiende industrie van menselijk lijden die alle maatschappijen en economieën verregaand en blijvend treft;

2.  benadrukt dat mensenhandel een moderne vorm van slavernij is, en een ernstige misdaad die een van de ergste schendingen van de mensenrechten vormt, welke in een maatschappij die gebaseerd is op de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder gendergelijkheid, niet kan worden geaccepteerd; is voorts van oordeel dat mensenhandel een holistische aanpak vergt, waarbij de aandacht niet alleen moet uitgaan naar seksuele uitbuiting, maar tevens naar dwangarbeid, orgaanhandel, gedwongen bedelarij, gedwongen huwelijken, kindsoldaten en de handel in baby's;

3.  herinnert eraan dat mensenhandel een misdaad is die grensoverschrijdend van aard is en over de hele wereld voorkomt en dat maatregelen ter bestrijding van mensenhandel de dieperliggende oorzaken en mondiale tendensen in aanmerking moeten nemen; onderstreept in dit verband het belang van een consistente aanpak van de interne en externe aspecten van het EU-beleid ter bestrijding van mensenhandel;

4.  erkent dat mensenhandel als georganiseerde misdaad zowel grensoverschrijdend plaatsvindt als binnen landen zelf en dat daarom niet alleen robuuste nationale wetgeving tegen mensenhandel nodig is maar ook samenwerking tussen landen;

5.  betreurt dat in veel landen in de wereld nog steeds geen adequate wetgeving bestaat om mensenhandel strafbaar te stellen en op doeltreffende wijze te bestrijden;

6.  betreurt tevens de grote kloof tussen de bestaande wetgeving en de toepassing daarvan, met inbegrip van de beperkte of niet-bestaande toegang tot de rechter voor slachtoffers enerzijds en het gebrek aan vervolging van daders anderzijds;

7.  betreurt met name dat er veel minder slachtoffers van mensenhandel worden opgespoord dan er volgens de schattingen zouden moeten zijn en dat de vervolgingscijfers bijzonder laag zijn; vindt het uiterst zorgwekkend dat veel slachtoffers van mensenhandel verstoken blijven van passende ondersteuning en bescherming, en betreurt dat er geen maatregelen bestaan om schendingen van hun grondrechten recht te zetten;

8.  herinnert eraan dat slachtoffers van mensenhandel vaak als het ware onzichtbaar zijn in het land waar ze worden uitgebuit, dat ze te maken hebben met problemen doordat de taal en de cultuur anders zijn, en dat dit het voor hen nog moeilijker maakt om aangifte te doen van de misdaden waarvan ze het slachtoffer zijn; hekelt het feit dat deze problemen voor bepaalde categorieën bijzonder kwetsbare slachtoffers, zoals vrouwen en kinderen, nog groter zijn;

9.  benadrukt dat de vraag naar seksuele diensten in ontwikkelde landen het verhandelen van mensen vanuit ontwikkelingslanden in de hand werkt en vooral vrouwen en meisjes in een kwetsbare positie plaatst; verzoekt de lidstaten het opzettelijk gebruikmaken van de diensten van slachtoffers van mensenhandel strafbaar te stellen;

10.  herinnert eraan dat internationaal opgezette groepen slachtoffers clandestien of met hun instemming, verkregen door middel van valse beloften, vervoeren naar rijkere regio's, met name voor de sekshandel, en dat Europese landen, waar rijkere klanten te vinden zijn, boven aan deze lijst met rijkere regio's staan;

11.  hekelt het feit dat volgens de persverklaring van de stafchef van Europol meer dan 10 000 niet-begeleide vluchtelingen- en migrantenkinderen zijn verdwenen in Europa; wijst de EU en de lidstaten erop dat veel van deze kinderen in netwerken voor sekshandel, de bedelarij, de illegale en lucratieve markt voor orgaantransplantatie of in de slavenhandel terecht zijn gekomen;

12.  onderstreept dat er een wezenlijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de concepten "mensenhandel" en "migrantensmokkel"; merkt daarbij op dat mensensmokkel tot het actieterrein behoort van criminele netwerken en georganiseerde misdaad en tot mensenhandel kan leiden, hoewel beide concepten een verschillende wettelijke en praktische aanpak vereisen en verschillende verplichtingen voor staten inhouden; spoort de EU en haar lidstaten aan het personeel dat belast is met de opvang en identificatie van migranten en asielzoekers een opleiding te bieden, met inbegrip van specifieke bewustmakingsprogramma's die gericht zijn op het kunnen onderscheiden tussen mensensmokkel en mensenhandel, in het bijzonder als het gaat om de signalering en bescherming van kinderen die het slachtoffer van mensenhandel zijn geworden alsmede niet-begeleide kinderen die het risico lopen eraan ten prooi te vallen;

13.  wijst erop dat het belangrijkste verschil is dat migranten hebben ingestemd met de smokkel, die eindigt op het moment dat zij op hun bestemming aankomen, terwijl de slachtoffers van mensenhandel tegen hun wil worden uitgebuit door middel van dwang, misleiding of misbruik; benadrukt dat de twee fenomenen ook raakvlakken kunnen hebben, in die zin dat het gevaar bestaat dat vluchtelingen en migranten, en met name niet-begeleide minderjarigen en alleen reizende vrouwen, die door criminele groepen naar de EU worden gesmokkeld, in een situatie van uitbuiting worden gedwongen en het slachtoffer worden van mensenhandel; dringt er bij de bevoegde autoriteiten in de lidstaten op aan om zowel bij hun werkzaamheden op het gebied van politiële en justitiële samenwerking als bij hun rechtshandhavingsactiviteiten aandacht te besteden aan deze overlap;

14.  stelt vast dat internet en sociale netwerken in toenemende mate door criminele netwerken worden ingezet voor het ronselen en uitbuiten van slachtoffers; roept de EU en de lidstaten daarom op in hun strijd tegen de mensenhandel voldoende te investeren in technologie en expertise om het misbruik van internet door criminele netwerken, zowel voor het ronselen van slachtoffers als voor het aanbieden van diensten die de uitbuiting van slachtoffers tot doel hebben, te identificeren, op te sporen en te bestrijden;

15.  erkent het belang en de rol van informatie- en communicatietechnologieën op het gebied van mensenhandel en erkent dat deze technologieën, hoewel zij worden gebruikt om het ronselen en uitbuiten van de slachtoffers te faciliteren, ook kunnen worden benut als instrument om mensenhandel te voorkomen; is van mening dat er meer onderzoek moet worden gedaan naar de rol van informatie- en communicatietechnologieën in relatie tot mensenhandel;

16.  verzoekt de Commissie zich te buigen over het gebruik van internet in het kader van mensenhandel en met name wat betreft seksuele uitbuiting op internet; wenst dat Europol de strijd tegen mensenhandel opvoert in het kader van de eenheid voor de melding van internetuitingen (EU IRU), met het oog op de opsporing, identificatie en verwijdering van onlinemateriaal dat verband houdt met mensenhandel;

17.  vraagt de Commissie in haar samenwerking met derde landen rekening te houden met de nieuwe ontwikkelingen omtrent de uitbreiding van mensenhandel via internet; roept de Commissie en Europol ertoe op zich te buigen over de mogelijkheden voor samenwerking tussen Europese organen voor de bestrijding van cybercriminaliteit (met name in het kader van Europol) en die van derde landen; wenst dat de Commissie tevens alle nuttige vormen van samenwerking met internetserviceproviders overweegt met het oog op het opsporen en tegengaan van onlinemateriaal dat verband houdt met mensenhandel; vraagt de Commissie om het Parlement naar behoren op de hoogte te houden;

De economie van de mensenhandel

18.  hekelt het feit dat mensenhandel een zeer lucratieve business is en dat de opbrengsten van deze criminele activiteiten grotendeels terechtkomen in de mondiale economie en het financieel stelsel; hekelt het feit dat de meest georganiseerde en machtige internationale misdaadorganisaties betrokken zijn bij mensenhandel en een werkelijk internationaal en wijdvertakt crimineel netwerk hebben gecreëerd; roept alle landen en relevante actoren op dit gebied op om ernaar te streven dat mensenhandel van een handel met weinig risico en grote winst verandert in een handel met groot risico en geringe winst;

19.  is de mening toegedaan dat financiële recherche, waarbij winsten uit criminele activiteiten worden getraceerd, inbeslaggenomen en teruggevorderd, en maatregelen tegen het witwassen van geld een cruciale rol spelen in de strijd tegen mensenhandel; herinnert eraan dat er behoefte is aan meer informatie en aandacht voor activiteiten met betrekking tot het witwassen van geld; betreurt dat er weinig gebruik wordt gemaakt van maatregelen om financiële informatie te verzamelen, te analyseren en te delen ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel, en dat het vaak problematisch is om onderzoek naar financiële aspecten volledig te integreren in onderzoeken naar mensenhandel; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de samenwerking, de coördinatie en het delen van informatie met derde landen te bevorderen teneinde de opbrengsten van die criminele activiteiten op te sporen en in beslag te nemen; dringt erop aan dat in beslag genomen opbrengsten gebruikt worden om slachtoffers van mensenhandel te steunen en een schadevergoeding te geven;

20.  verzoekt de regeringen de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen bij de bestrijding van corruptie, die mensenhandel in de hand werkt, en betrokkenheid of medewerking van overheidsinstanties bij mensenhandel te identificeren en uit te bannen, onder meer door te waarborgen dat degenen die in de publieke sector werken, ertoe worden opgeleid dergelijke gevallen te herkennen en interne richtsnoeren ter beschikking hebben om hen te helpen met verdachte gevallen om te gaan;

21.  herinnert eraan dat misbruik bij aanwerving in alle landen en regio's van de wereld voorkomt en nauw samenhangt met mensenhandel, ongeacht in welk land het voorkomt, en hetzij gebeurt doordat instanties die rechtstreeks betrokken zijn bij aanwerving gebruik maken van misleiding of dwang, hetzij doordat er hoge bedragen voor aanwerving worden gevraagd, waardoor mensen kwetsbaar worden gemaakt voor arbeidsuitbuiting en vooral migranten en laaggeschoolde werknemers financieel kwetsbaar of afhankelijk worden;

22.  verzoekt de EU en de lidstaten nauwer samen te werken met derde landen om alle facetten van mensenhandel, ook in de aanwervingsfase, te onderzoeken, de uitwisseling van informatie te verbeteren, en proactieve maatregelen, (financiële) onderzoeken en vervolgingen in te stellen; vraagt alle landen om het toezicht op en de regelgeving inzake wervingsbureaus te verbeteren;

23.  is van mening dat van geldige toestemming geen sprake kan zijn wanneer een onderdaan van een derde land uit zijn eigen land wordt weggevoerd naar de EU (of wanneer een onderdaan van een EU-lidstaat naar een andere lidstaat wordt gebracht) met het oog op prostitutie, een andere vorm van seksuele uitbuiting of dwangarbeid;

24.  is van mening dat regeringen de dialoog en partnerschappen tussen de verschillende belanghebbenden moeten aanmoedigen, met als doel om bedrijven, deskundigen op het gebied van bestrijding van mensenhandel en ngo's bijeen te brengen, gezamenlijk op te treden tegen mensenhandel en ervoor te zorgen dat de rechten van werknemers worden geëerbiedigd, met inbegrip van fundamentele arbeidsrechten; verzoekt de regeringen voorts wettelijke maatregelen te nemen om de transparantie en traceerbaarheid van producten in de toeleveringsketen te garanderen en om bedrijven te verplichten beter verslag te doen van hun inspanningen om mensenhandel uit hun toeleveringsketen te weren; verzoekt de EU en de lidstaten actief samen te werken met nationale en internationale bedrijven om ervoor te zorgen dat hun producten over de volledige toeleveringsketen vrij van uitbuiting zijn en dat zij zelf aansprakelijk worden gesteld wanneer ergens in hun toeleveringsketen – die ook de activiteiten van gelieerde ondernemingen en onderaannemers omvat – sprake is van mensenhandel;

25.  verzoekt de EU en de lidstaten een constructieve bijdrage te leveren aan de onderhandelingen van de intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor het uitwerken van een internationaal juridisch bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens, en roept hen op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten ten uitvoer te leggen;

Verschillende vormen van uitbuiting

26.  wenst dat de EU en de lidstaten de nodige inspanningen leveren om gedwongen arbeid te bestrijden in Europese industriële activiteiten in het buitenland, en in het algemeen met betrekking tot derde landen, door strengere arbeidsnormen te hanteren en te handhaven en regeringen te ondersteunen bij de vaststelling van arbeidswetgeving waarbij een minimale bescherming van werknemers, inclusief buitenlandse werknemers, wordt gegarandeerd en ervoor te zorgen dat Europese bedrijven die in derde landen actief zijn, aan deze normen voldoen; verzoekt de regeringen de arbeidswetgeving te handhaven en alle werknemers gelijk te behandelen en te verzekeren van dezelfde rechten, ongeacht hun nationaliteit of afkomst, en corruptie uit te bannen; dringt aan op verdere internationale samenwerking om het beleid inzake arbeidsmigratie aan te scherpen en betere regelgeving voor particuliere aanwervers uit te werken en te handhaven;

27.  dringt erop aan dat de fundamentele arbeids- en milieunormen van de IAO wereldwijd op alle niveaus beter worden nageleefd, onder meer ook door een betere sociale zekerheid en arbeidsinspecties; dringt tevens aan op de ratificatie en tenuitvoerlegging van het IAO-Verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huishoudelijk personeel (2011, nr. 189) en de omzetting van de bepalingen ervan in nationale wetgeving, ook wat betreft huishoudelijk personeel in huishoudens van diplomaten;

28.  wijst erop dat het duidelijke verband tussen mensenhandel voor seksuele doeleinden en prostitutie noopt tot maatregelen die een einde maken aan de vraag naar prostitutie;

29.  wijst erop dat slachtoffers van gedwongen prostitutie in de meeste lidstaten moeilijk toegang kunnen krijgen tot psychologische begeleiding en dat ze daarom bijna uitsluitend op de hulp van liefdadigheidsorganisaties zijn aangewezen; pleit om die reden voor betere ondersteuning van deze organisaties en roept de lidstaten op de hindernissen voor de toegang tot psychologische begeleiding uit de weg te ruimen;

30.  benadrukt dat gedwongen huwelijken kunnen worden beschouwd als een vorm van mensenhandel indien het slachtoffer daarbij op enige wijze wordt uitgebuit, en verzoekt alle lidstaten dit aspect op te nemen in hun definitie van mensenhandel; benadrukt dat uitbuiting seksueel (verkrachting binnen het huwelijk, gedwongen prostitutie en pornografie) of economisch (gedwongen huishoudelijk werk en bedelarij) van aard kan zijn en dat een gedwongen huwelijk het uiteindelijke doel kan zijn van de handel (om een slachtoffer als echtgenote te verkopen of het huwelijk onder dwang te voltrekken); brengt in herinnering dat gedwongen huwelijken een grensoverschrijdend karakter kunnen hebben; verzoekt de lidstaten daarom erop toe te zien dat de nationale migratieautoriteiten goed zijn opgeleid op het gebied van de problematiek van gedwongen huwelijken in de context van mensenhandel; verzoekt de Commissie voorts de uitwisseling van beste praktijken op dit gebied te versterken;

31.  veroordeelt de praktijk van mensenhandel voor gedwongen draagmoederschap als een schending van de rechten van de vrouw en het kind; merkt op dat de vraag wordt gestimuleerd door ontwikkelde landen en ten koste gaat van kwetsbare en arme mensen, meestal in ontwikkelingslanden, en vraagt de lidstaten de gevolgen van hun eigen beperkende beleid op het gebied van reproductieve gezondheid onder ogen te zien;

32.  staat erop dat kinderen die het slachtoffer zijn van mensenhandel als dusdanig worden erkend en dat hun belangen, rechten en behoeften te allen tijde als absolute prioriteit worden beschouwd; roept op tot rechtsbijstand en fysieke, emotionele en psychologische ondersteuning en bescherming, zowel op korte als op lange termijn, en wenst dat er maatregelen worden genomen om, met inachtneming van de waardigheid en de rechten van het kind, gezinshereniging te faciliteren waar dit aangewezen is en in het belang van het kind is, of te voorzien in passende zorgregelingen;

33.  herinnert eraan dat de handel in kinderen vaak leidt tot seksueel misbruik, prostitutie, dwangarbeid of orgaanroof en -handel en benadrukt dat nooit sprake kan zijn van geldige toestemming als een kind dat het slachtoffer is geworden van mensenhandel, heeft ingestemd met het verrichten van arbeid of het verlenen van diensten; betreurt het feit dat kinderen die gevaar lopen, door rechtshandhavingsfunctionarissen vaak als daders of als irreguliere migranten worden behandeld, omdat er niet systematisch gekeken wordt naar indicatoren van mensenhandel, aan de hand waarvan slachtoffers kunnen worden gesignaleerd;

34.  is met betrekking tot niet-begeleide minderjarigen van oordeel dat het belangrijk is dat de signalering van minderjarige slachtoffers van mensenhandel sneller en op proactievere wijze verloopt, met name bij grensovergangen en in opvangcentra, en dat de multidisciplinaire samenwerking wordt geïntensiveerd, om ervoor te zorgen dat de belangen van kinderen doeltreffend worden beschermd; acht het noodzakelijk de voogdijstelsels in de lidstaten te versterken om te voorkomen dat niet-begeleide en van hun familie gescheiden kinderen in handen van georganiseerde mensenhandelnetwerken vallen;

35.  dringt aan op verbetering van de nationale voogdijsystemen voor kinderen in Europa, als onderdeel van de EU-strategie ter bestrijding van mensenhandel, waarin de essentiële rol van voogden om kinderen voor kwaad te behoeden, erkend wordt;

36.  vraagt de EU zich te blijven inzetten voor de strijd tegen het fenomeen van kindsoldaten, met name door steun te verlenen aan regeringen die deze kwestie aanpakken en aan maatschappelijke organisaties die ter plaatse actief zijn, om maatregelen in te voeren ter voorkoming van het ronselen en inzetten van kindsoldaten, om de ontwikkeling van wetgeving ter bescherming van kinderen te ondersteunen, met inbegrip van de strafbaarstelling van het ronselen van kindsoldaten, en om middelen te mobiliseren waarmee veerkracht kan worden opgebouwd en kinderen een beschermende omgeving kan worden geboden; roept de EU op er bij derde landen op aan te dringen de desbetreffende internationale normen te ratificeren en toe te passen, waaronder het Facultatieve Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten;

37.  benadrukt dat kinderen en personen met een handicap een verhoogd risico lopen om het slachtoffer te worden van mensenhandel; wijst erop dat slachtoffers van mensenhandel gehandicapt kunnen raken ten gevolge van het misbruik door de mensenhandelaar, en dat personen met een handicap andersom juist vanwege hun kwetsbaarheid het slachtoffer kunnen worden van mensenhandel;

38.  is verheugd dat gedwongen bedelarij in Richtlijn 2011/36/EU is opgenomen als vorm van mensenhandel; dringt er bij de lidstaten op aan hun nationale wetgeving te harmoniseren en de regeringen van derde landen in dit verband te verzoeken wettelijke bepalingen vast te stellen en ten uitvoer te leggen; veroordeelt iedere vorm van strafbaarstelling van slachtoffers van gedwongen bedelarij en dringt aan op toegang tot werkgelegenheid en huisvesting; dringt erop aan dat er cursussen over gedegen signalering en doorverwijzing worden gegeven aan politie- en andere functionarissen, teneinde slachtoffers van gedwongen bedelarij te verzekeren van passende hulp; onderstreept dat veel van de slachtoffers afkomstig zijn uit arme milieus en randgroepen; dringt erop aan dat preventieve maatregelen gericht moeten zijn op het minder kwetsbaar maken van risicogroepen, beginnend met basisstructuren zoals integratie in het onderwijs en de arbeidsmarkt, en op vergroting van het aantal opvangplaatsen en beschermende omgevingen om kwetsbare personen te helpen;

39.  benadrukt dat het VN-Protocol van Palermo vereist dat schuldarbeid strafbaar wordt gesteld als een vorm van mensenhandel; dringt er bij de regeringen op aan de wet te handhaven, en te waarborgen dat degenen die van schuldarbeid profiteren, worden bestraft;

40.  wijst erop dat er een nieuwe vorm van mensenhandel in opkomst is, waarbij personen worden verhandeld voor losgeld en ernstig worden gemarteld; merkt op dat bij deze nieuwe vorm van commoditisering gebruikt wordt gemaakt van afpersing, mishandeling en verkrachting om gezins- en familieleden die binnen of buiten de EU verblijven ertoe te bewegen losgeld te betalen;

41.  veroordeelt de handel in menselijke organen, weefsels en cellen, met inbegrip van de onwettige handel in geslachtscellen (eicellen, sperma), foetale weefsels en cellen en stamcellen van volwassenen en embryo's;

42.  benadrukt dat mensenhandel volgens een verslag van Global Financial Integrity een van de tien illegale activiteiten is waar wereldwijd het meeste geld mee wordt verdiend en dat met mensenhandel op jaarbasis door vele landen tezamen een winst wordt geboekt die schommelt tussen 600 miljoen en 1,2 miljard USD; wijst er verder op dat volgens de Verenigde Naties mensen van alle leeftijden het doelwit kunnen zijn, maar dat migranten, daklozen en analfabeten het meest kwetsbaar zijn;

43.  benadrukt dat de economische stagnatie, de leemten in de wetgeving en tekortkomingen in de wetshandhaving in ontwikkelingslanden in combinatie met de toegenomen globalisering en de verbeterde communicatietechnologieën het perfecte scenario creëren voor criminele, illegale orgaanhandel; wijst erop dat een gebrek aan economische kansen mensen dwingt om opties te overwegen die ze anders gevaarlijk of verwerpelijk zouden vinden, en dat inadequate wetshandhaving handelaren in staat stelt te opereren zonder dat ze bang hoeven zijn om te worden vervolgd;

44.  benadrukt dat het illegaal is om menselijke organen, weefsels en cellen te kopen; merkt op dat mensen die verhandeld worden voor het wegnemen van organen geconfronteerd worden met specifieke problemen, en dat de slachtoffers zich vaak niet bewust zijn van de langdurige en slopende medische gevolgen van het wegnemen van organen en het gebrek aan postoperatieve behandeling, en evenmin van de psychologische gevolgen van de operatie; roept op tot gerichtere bewustmakingsinitiatieven om beter duidelijk te maken welke schade de verkoop van organen aanricht, met name onder de armste en meest kwetsbare personen, die mogelijk bereid zijn om een orgaan te verkopen als ze op die manier hun economische situatie kunnen verbeteren;

45.  spoort de Commissie aan alle vormen van mensenhandel te veroordelen die orgaanverwijdering tot doel hebben, en een duidelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de illegale handel in organen, weefsels en cellen; wenst dat de EU de medische en transplantatie-organisaties ertoe aanspoort een ethische gedragscode op te stellen voor gezondheidswerkers en transplantatiecentra en daarin aandacht te besteden aan de manier waarop transplantatie-organen in het buitenland worden verkregen, alsmede aan de procedure voor medische zorg na een transplantatie; wijst erop dat burgers die tot de armste gemeenschappen ter wereld behoren, in het bijzonder risico lopen het slachtoffer te worden van illegale orgaanhandel;

46.  dringt aan op de ratificatie en tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Raad van Europa tegen de handel in menselijke organen; verzoekt de EU om er bij de regeringen van derde landen op aan te dringen gerechtelijke stappen te ondernemen tegen medisch personeel, ziekenhuizen en particuliere klinieken die actief zijn op de illegale en lucratieve markt van orgaantransplantaties;

47.  wenst dat de lidstaten, door de problemen omtrent mensenhandel meer onder de aandacht te brengen en verplichte scholing aan te bieden, aansturen op meer inspanningen om de medische gemeenschap te betrekken bij het opvoeren van de strijd tegen deze vorm van mensenhandel;

48.  benadrukt dat preventie en een sectoroverschrijdende, multidisciplinaire benadering belangrijk zijn voor het aanpakken van de illegale aanschaf van menselijke organen, inclusief de mensenhandel voor het wegnemen van organen, die zich heeft ontwikkeld tot een wereldwijd probleem; roept op tot gerichtere bewustmakingsinitiatieven om beter duidelijk te maken welke schade de verkoop van organen aanricht, teneinde slachtoffers en potentiële slachtoffers beter te informeren over de fysieke en psychologische risico's, met name de armsten en personen die het kwetsbaarst zijn wat ongelijkheid en armoede betreft, omdat zij de verkoop van een orgaan kunnen beschouwen als de prijs die ze moeten betalen om hun economische situatie te verbeteren; onderstreept dat de bewustmakingscampagnes een verplicht onderdeel moeten vormen van zowel het Europese nabuurschapsbeleid als van de ontwikkelingssamenwerking van de EU;

49.  wijst op de cruciale rol van dokters, verpleegkundigen, maatschappelijk werkers en ander medisch personeel, die als enigen van beroepswege contact hebben met de slachtoffers terwijl deze zich in gevangenschap bevinden, en die een sleutelrol spelen bij de voorkoming van mensenhandel; vindt het zorgwekkend dat deze kansen om te interveniëren momenteel niet worden benut; merkt op dat de medische gemeenschap erin moet worden getraind om de alarmsignalen van mensenhandel te herkennen en moet worden geschoold op het gebied van rapportageprocedures zodat zij slachtoffers beter kunnen helpen, en stelt dat er strenge straffen moeten worden ingevoerd voor elke betrokkenheid bij illegale orgaanhandel;

50.  spoort ertoe aan dat in verschillende landen en binnen verschillende regelingen programma's van veronderstelde toestemming worden ingevoerd, waarbij burgers bij het uitvoeren van bepaalde administratieve procedures de optie wordt geboden zich direct in te schrijven in een donorregister, zodat patiënten minder afhankelijk worden van de zwarte markt en er tegelijkertijd meer organen beschikbaar komen, waardoor de kosten van transplantaties worden teruggebracht en de aantrekkelijkheid van medisch toerisme afneemt;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen om "transplantatietoerisme" te voorkomen, door maatregelen aan te nemen die de beschikbaarheid van wettig verkregen organen vergroten, om illegale orgaanaanschaf beter te voorkomen, en een transparant systeem op te zetten voor de traceerbaarheid van getransplanteerde organen, met anonimiteitsgarantie voor de donors; verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen om EU-lidstaten aan te moedigen deel te nemen aan samenwerkingspartnerschappen als Eurotransplant en Scandiatransplant;

52.  benadrukt dat er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie slechts beperkte wetenschappelijke gegevens voorhanden zijn over mensenhandel en gezondheid, vooral wat mentale en psychische gezondheid betreft; benadrukt eveneens dat de behoeften van slachtoffers en overlevenden vaak worden onderschat; roept de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten derhalve op om dit op te volgen en informatie te verstrekken over de gevolgen van mensenhandel en de behoeften van de slachtoffers op het gebied van fysieke en psychische gezondheid;

Rechten van slachtoffers, inclusief het recht op verhaal

53.  verzoekt de EU en de lidstaten te kiezen voor een op mensenrechten gebaseerde en op het slachtoffer gerichte benadering, en slachtoffers en kwetsbare bevolkingsgroepen centraal te stellen bij alle inspanningen ter bestrijding en preventie van mensenhandel en ter bescherming van de slachtoffers;

54.  laakt de zorgwekkende kloof tussen de verplichtingen van de overheid en de mate waarin deze in de praktijk worden nagekomen wanneer het om de rechten van slachtoffers gaat; is ingenomen met Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten; hoopt dat deze richtlijn correct door de lidstaten is omgezet, aangezien de uiterste datum voor de tenuitvoerlegging ervan 16 november 2015 was; vraagt de lidstaten, met inbegrip van de landen van herkomst, de transitlanden en de landen van bestemming, om op hun grondgebied en binnen hun rechtsgebied aan alle personen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, met inbegrip van onderdanen van derde landen, toegang te verlenen tot rechtvaardige, adequate en passende rechtsmiddelen of de toegang tot deze rechtsmiddelen te faciliteren;

55.  herinnert eraan dat snelle en accurate signalering van slachtoffers van essentieel belang is om de rechten waarop zij wettelijk aanspraak kunnen maken te garanderen; staat erop dat in verband met de signalering van slachtoffers van mensenhandel met name door diensten die verantwoordelijk zijn voor migratie, veiligheid en grenscontrole maatregelen worden genomen voor capaciteitsopbouw;

56.  dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op aan met derde landen optimale werkwijzen uit te wisselen op het gebied van, ten eerste, de scholing van politiediensten en hulpverleners om inzicht te verkrijgen in de wijze waarop slachtoffers het best benaderd kunnen worden en, ten tweede, toepassing van het beginsel van individuele beoordeling van slachtoffers, om te bepalen wat hun specifieke behoeften zijn en welke hulp en bescherming zij nodig hebben;

57.  wijst op het belang van het beginsel van wederzijdse erkenning, zoals verankerd in artikel 82, lid 1, VWEU; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de EU-agentschappen de positie van slachtoffers van mensenhandel te verbeteren door middel van volledige wederzijdse erkenning van gerechtelijke en administratieve besluiten, waaronder die met betrekking tot maatregelen ter bescherming van de slachtoffers van mensenhandel, zodat de status van slachtoffer, toegekend door een lidstaat, geldig is in de hele Europese Unie en slachtoffers (of organisaties die hen vertegenwoordigen) moeten worden geholpen en bijgestaan ingeval hun status tijdens reizen binnen de Unie niet wordt erkend;

58.  staat erop dat de strafrechtelijke respons slachtoffers verzekert van gelijke en doeltreffende toegang tot de rechter en hen informeert over hun wettelijke rechten; verzoekt alle staten hun internationale verplichting na te komen om de rechten van slachtoffers die onder hun rechtsmacht vallen te beschermen, en slachtoffers ten volle te ondersteunen, onder meer door middel van psychologische bijstand, ongeacht hun bereidheid om mee te werken aan strafprocedures;

59.  bevestigt dat slachtoffers van mensenhandel het recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte, inclusief toegang tot de rechtspraak, erkenning van hun wettelijke identiteit en burgerschap, teruggave van eigendom, passende schadeloosstelling alsook medische en psychologische zorg, wettelijke en maatschappelijke dienstverlening, en ondersteuning voor hun (re-)integratie op lange termijn, onder meer in de vorm van economische steun;

60.  merkt op dat universele toegang tot gezondheidszorg en seksuele en reproductieve gezondheid belangrijk is, vooral voor slachtoffers van mensenhandel, die als direct gevolg van hun uitbuiting veel fysieke en psychische problemen kunnen ondervinden; vraagt de lidstaten om te voorzien in gemakkelijk toegankelijke gezondheidsdiensten en nazorg voor slachtoffers van mensenhandel;

61.  verzoekt de lidstaten waar de uitbuiting van de slachtoffers van mensenhandel heeft plaatsgevonden de nodige adequate genderbewuste medische zorg te bieden op basis van individuele behoeften, met bijzondere aandacht voor slachtoffers van mensenhandel en seksuele uitbuiting;

62.  merkt op dat personen die handicaps hebben of deze oplopen terwijl ze worden verhandeld, extra bescherming tegen uitbuiting nodig hebben en roept de EU en de lidstaten op te waarborgen dat de hulp die aan deze slachtoffers wordt geboden, ook werkelijk specifiek op hun behoeften is toegesneden;

63.  onderstreept de noodzaak om slachtoffers van mensenhandel in de samenleving te re-integreren en hun recht op bescherming te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten netwerken van opvangcentra op te zetten, bestaande netwerken te versterken, te zorgen voor dienstverlening in een taal die het slachtoffer begrijpt en slachtoffers toegang te bieden tot onderwijs; dringt erop aan dat ngo's, internationale organisaties, overheidsorganen en agentschappen in de landen van herkomst en bestemming gezamenlijke inspanningen leveren met het oog op sociale inclusie en het verlenen van bijstand, met name wanneer slachtoffers terugkeren naar hun thuisland;

64.  onderstreept hoe belangrijk het is de veiligheid te waarborgen van slachtoffers van mensenhandel die voor de rechter getuigen tegen mensenhandelaars;

65.  dringt erop aan dat bij strafrechtelijke procedures meer aandacht uitgaat naar de slachtoffers; verzoekt de bevoegde autoriteiten slachtoffers van mensenhandel niet vast te houden en ervoor te zorgen dat ze niet kunnen worden gestraft voor strafbare feiten waartoe ze werden gedwongen in de context van hun situatie als slachtoffer van mensenhandel, met name in het geval van prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting of dwangarbeid; roept de lidstaten op het beginsel van niet-strafbaarstelling te respecteren;

66.  verzoekt de lidstaten rechtsinstrumenten te ontwikkelen die slachtoffers van mensenhandel in staat stellen gemakkelijker contact op te nemen met de autoriteiten zonder hun eigen veiligheid en rechten als slachtoffer op het spel te zetten;

67.  verzoekt de lidstaten Richtlijn 2011/36/EU, met name artikel 8, onverwijld ten uitvoer te leggen, ter aanvulling van alle relevante juridische kaders inzake mensenhandel; dringt er bij de Commissie op aan gerechtelijke stappen te ondernemen tegen lidstaten die de richtlijn niet ten uitvoer leggen en zo snel mogelijk het uitvoeringsverslag te publiceren dat in april 2015 gepubliceerd had moeten worden;

68.  roept de regeringen op een strikte scheiding aan te brengen tussen immigratieautoriteiten en arbeidsinspecties, teneinde slachtoffers aan te moedigen om klachten in te dienen, en te waarborgen dat er, indien er gevallen van mensenhandel worden ontdekt, geen maatregelen getroffen worden tegen de slachtoffers;

69.  verzoekt de lidstaten ieder gebruik van de diensten van een slachtoffer van mensenhandel door hun burgers – waaronder prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid of gedwongen dienstverlening, met inbegrip van bedelarij, slavernij of met slavernij te vergelijken praktijken, lijfeigendom of uitbuiting van criminele activiteiten of orgaanverwijdering – strafbaar te stellen, zelfs indien zij zich hier buiten de lidstaat en/of buiten de EU schuldig aan maken;

70.  is van oordeel dat het risico om slachtoffer van mensenhandel te worden groter is voor vluchtelingen, asielzoekers, houders van een humanitair visum of personen die om internationale bescherming verzoeken; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat rechtshandhavings- en asielinstanties samenwerken om slachtoffers van mensenhandel die internationale bescherming behoeven te helpen bij het indienen van een asielverzoek; wijst er nogmaals op dat maatregelen ter bestrijding van mensenhandel geen afbreuk mogen doen aan de rechten van slachtoffers van mensenhandel, migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming behoeven;

71.  verzoekt de lidstaten gendergevoelige maatregelen te treffen teneinde slachtoffers van mensenhandel beter op te sporen in asiel- en terugkeerprocedures, meer gedetailleerde en naar gender uitgesplitste gegevens te bewaren en ervoor te zorgen dat deze slachtoffers ook worden doorverwezen naar gepaste steunmogelijkheden;

72.  herinnert de lidstaten eraan dat Richtlijn 2011/36/EU het beginsel van non-refoulement onverlet laat, overeenkomstig het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951;

73.  moedigt de lidstaten aan asielzoekers die het slachtoffer zijn van mensenhandel dezelfde rechten toe te kennen als die welke voor andere slachtoffers van mensenhandel gelden;

74.  merkt op dat de terugkeer van migranten en vluchtelingen volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) inherente veiligheidsrisico's met zich meebrengt, omdat het gevaar dat deze personen opnieuw door hun uitbuiters worden verhandeld vaak toeneemt als zij erin geslaagd zijn te ontsnappen, als zij contact hebben gehad met rechtshandhavingsfunctionarissen of als zij een getuigenis hebben afgelegd voor de rechter, en dat deze risico's in kaart gebracht, onderzocht en beperkt moeten worden(2) ;

75.  vraagt de EU en de lidstaten de strijd tegen mensenhandel zichtbaarder te maken voor de bevolking, met name op luchthavens, trein- en busstations, scholen, universiteiten en relevante werkplekken; roept de EU en de lidstaten op de aandacht van hun overheidsfunctionarissen te vestigen op de EU-richtsnoeren inzake de signalering van slachtoffers van mensenhandel en op de publicatie van de Commissie over de EU-rechten van slachtoffers van mensenhandel, en moedigt actief gebruik hiervan aan;

76.  pleit voor gerichte EU-financiering voor lokale ngo's met het oog op de signalering en ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel en voor bewustmaking onder bevolkingsgroepen die kwetsbaar zijn voor uitbuiting en mensenhandel; wijst in dit verband op de rol van de media, die voor bewustmaking kunnen zorgen en informatie kunnen verstrekken over risico's;

Regionale en internationale samenwerking in de strijd tegen mensenhandel

77.  vindt het zorgwekkend dat de huidige mate van internationale samenwerking op het gebied van mensenhandel tekortschiet, met name wat landen van herkomst en transitlanden betreft, en dat dit een groot struikelblok is met het oog op doeltreffende bestrijding van mensenhandel; dringt aan op betere coördinatie en samenwerking en op de systematische uitwisseling van gegevens om grensoverschrijdende mensenhandel te onderzoeken en te bestrijden, door ruimere financiële en technische bijstand en betere communicatie over de grenzen heen, samenwerking en capaciteitsopbouw op gouvernementeel en politioneel niveau, inclusief grenswachten, personeel van immigratie- en asieldiensten, opsporingsambtenaren en diensten voor slachtofferhulp, maatschappelijke organisaties en VN-agentschappen, onder meer om na te gaan hoe slachtoffers kunnen worden herkend en beschermd en om te overleggen hoe moet worden omgegaan met de landen van herkomst, doorreis en bestemming die het VN-Protocol van Palermo niet hebben geratificeerd; verzoekt de EU een regionale aanpak te ontwikkelen die voornamelijk gericht is op routes voor mensenhandel en in oplossingen voorziet die zijn toegesneden op de vormen van uitbuiting in de verschillende regio's; onderstreept voorts het nut van internationale uitwisselingsprogramma's voor beroepsbeoefenaars die zich bezighouden met de bestrijding van mensenhandel;

78.  vraagt de Commissie, de bevoegde EU-agentschappen en de lidstaten genderspecifieke scholing te ontwikkelen voor personeel van rechtshandhavings- en grensinstanties om potentiële slachtoffers van mensenhandel, in het bijzonder van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, beter te leren herkennen en bij te staan;

79.  wijst erop dat de EU de politiële en justitiële samenwerking tussen de lidstaten en met derde landen – met name met landen van herkomst en doorreis van slachtoffers van mensenhandel – gericht op het voorkomen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten die verband houden met mensenhandel, moet intensiveren, met name via Europol en Eurojust, onder meer op het gebied van de uitwisseling van informatie, met name over bekende routes voor mensenhandel, deelname aan gemeenschappelijke onderzoeksteams en de bestrijding van rekrutering van mensen met het oog op mensenhandel via internet of andere digitale middelen; onderstreept hoe belangrijk het is dat gegevens systematisch worden uitgewisseld en dat de lidstaten de Europoldatabanken Focal Point Phoenix en Focal Point Twins bijhouden; pleit voor meer samenwerking tussen Europol en Interpol op het gebied van de bestrijding van mensenhandel en herinnert eraan dat bij de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten en met derde landen de EU-normen op het gebied van gegevensbescherming volledig moeten worden geëerbiedigd; verzoekt de lidstaten meer vergelijkbare gegevens over de bestrijding van mensenhandel te verzamelen en de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten onderling en met derde landen te verbeteren;

80.  wenst dat de EU en de lidstaten ervoor zorgen dat hun rechtshandhandhavingsinstanties en politiediensten over voldoende personeel en middelen beschikken om ook informatie van familieleden of andere bronnen te kunnen ontvangen, deze informatie met de bevoegde Europese en nationale autoriteiten te kunnen uitwisselen en op passende wijze te kunnen behandelen en analyseren;

81.  beklemtoont dat de landen van doorreis van cruciaal belang zijn in de strijd tegen de mensenhandel, aangezien de uitbuiting van de slachtoffers in dat stadium nog niet is begonnen; beklemtoont dat het belangrijk is de grenspolitie extra scholing te bieden, teneinde hun signaleringsvaardigheden te verbeteren;

82.  wijst op de talrijke uitdagingen in verband met grensoverschrijdende arbeidsmigratie, met name het risico dat migranten in de illegaliteit terechtkomen en hun meest fundamentele rechten verliezen; pleit voor de instelling van mechanismen voor grensoverschrijdende arbeidsmigratie in de EU en op internationaal niveau om reguliere arbeidsmigratie te bevorderen en te formaliseren;

83.  erkent dat de EU zich inspant om geformaliseerde kanalen voor grensoverschrijdende arbeidsmigratie te creëren, waar meer aandacht naar zou moeten uitgaan, en wenst dat in dit verband grotere en meer samenhangende inspanningen worden geleverd; wijst erop dat geformaliseerde arbeidsmigratie een middel kan zijn om mensenhandel te voorkomen en levens te redden;

84.  verzoekt de EU nauwer samen te werken met ngo's en andere betrokken internationale organisaties, onder meer door te zorgen voor toereikende financiering en gecoördineerde steun, om zo de uitwisseling van optimale werkwijzen en de ontwikkeling en uitvoering van beleidsmaatregelen te bevorderen en het onderzoek op te voeren, en daarbij ook lokale actoren te betrekken, en de aandacht in het bijzonder te richten op toegang tot de rechter voor slachtoffers en op vervolging van daders;

85.  herinnert eraan dat de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 2011/36/EU organisaties uit het maatschappelijk middenveld moeten stimuleren en nauw met deze organisaties moeten samenwerken, meer bepaald in het kader van beleidsinitiatieven, voorlichtings- en bewustwordingscampagnes, onderzoeks- en onderwijsprogramma's en opleiding, alsook bij het monitoren en evalueren van de impact van maatregelen ter bestrijding van mensenhandel; wijst er voorts op dat ngo's ook een bijdrage moeten leveren als het aankomt op vroegtijdige signalering van en het bieden van bijstand en ondersteuning aan slachtoffers; dringt erop aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat ngo's beschermd worden tegen wraakacties, bedreiging en intimidatie en niet strafrechtelijk worden vervolgd als zij steun verlenen aan slachtoffers van mensenhandel in een irreguliere situatie;

86.  roept de EU, de lidstaten en de internationale gemeenschap op bijzondere aandacht te besteden aan het voorkomen en bestrijden van mensenhandel in gebieden die door een humanitaire crisis zijn getroffen, zoals natuurrampen en gewapende conflicten, teneinde de kwetsbaarheid van slachtoffers voor mensenhandelaars en andere criminele netwerken te verminderen; benadrukt dat bescherming moet worden geboden aan alle personen die daar overeenkomstig de internationale en regionale afspraken recht op hebben;

87.  wijst erop dat mensen die worden gedwongen hun woonplaats te verlaten door plotselinge of progressieve veranderingen die verband houden met het klimaat en hun leven of levensomstandigheden negatief beïnvloeden, een groot risico lopen om slachtoffer te worden van mensenhandel; benadrukt dat dit soort menselijke mobiliteit als gevolg van klimaatverandering een sterke economische dimensie heeft – klimaatverandering kan onder andere leiden tot een verlies van middelen van bestaan en tot een lager inkomen – en dat deze personen daarom het directe risico lopen om slachtoffer te worden van dwangarbeid of slavernij;

Bestrijding van mensenhandel in het externe optreden van de EU

88.  erkent en steunt de activiteiten van de EU-coördinator tegen mensenhandel die is benoemd om de coördinatie en de coherentie tussen de EU-instellingen, de EU-agentschappen en de lidstaten met derde landen en internationale actoren te verbeteren, en dringt er bij de coördinator op aan de gezamenlijke concrete acties en maatregelen van de EU, de lidstaten, derde landen en internationale actoren verder uit te bouwen, niet alleen met het oog op coherentere en efficiëntere samenwerking bij het opzetten van systemen voor signalering, bescherming en ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel, maar ook om de preventie van mensenhandel te verbeteren, naar betere vervolging van mensenhandelaren te streven en een netwerk te creëren waarmee op nieuwe problemen kan worden gereageerd;

89.  dringt er bij de EU op aan op internationaal niveau het nodige te doen om slavenhandel te voorkomen en te bestrijden en alle vormen van slavernij stap voor stap en zo snel mogelijk volledig uit te roeien;

90.  acht het van essentieel belang dat met strategieën ter bestrijding van mensenhandel ook de factoren worden aangepakt die mensenhandel faciliteren, evenals de achterliggende oorzaken van het fenomeen, en dat de strategieën een geïntegreerde benadering aanhouden die de verschillende actoren bijeenbrengen en de verschillende mandaten en perspectieven combineren, zowel op nationaal als op internationaal niveau; meent dat preventiestrategieën maatregelen moeten omvatten ter bestrijding van armoede, onderdrukking, gebrek aan eerbiediging van de mensenrechten, gewapende conflicten en economische en sociale ongelijkheden, en erop gericht moeten zijn om potentiële slachtoffers minder kwetsbaar te maken, de vraag naar diensten van verhandelde personen te ontmoedigen (deze vraag kan ook worden beschouwd als een onderliggende oorzaak van mensenhandel), de bevolking beter voor te lichten en corruptie onder overheidsfunctionarissen uit te bannen; roept alle landen tevens op hun verplichtingen uit het hoofde van het Protocol van Palermo daadwerkelijk na te komen;

91.  verzoekt de lidstaten alle relevante internationale instrumenten, overeenkomsten en juridische verplichtingen te ratificeren, met inbegrip van het Verdrag van Istanbul, en de inspanningen op te voeren om de effectiviteit, coördinatie en samenhang van de strijd tegen mensenhandel te verbeteren; wenst dat de EU aandringt op de ratificatie van alle relevante internationale instrumenten;

92.  vraagt de vertegenwoordigers van de EU om bijzondere aandacht te besteden aan mensenhandel, niet alleen tijdens politieke dialogen met derde landen, maar ook door middel van de samenwerkingsprogramma's van de EU en in multilaterale en regionale fora, onder meer via openbare verklaringen;

93.  verzoekt de EU haar steunprogramma's met betrekking tot mensenhandel te herzien, te zorgen voor gerichtere financiering en van mensenhandel een volwaardig samenwerkingsgebied te maken; moedigt in dit verband aan meer middelen beschikbaar te stellen voor diensten die binnen de EU-instellingen actief zijn op het gebied van mensenhandel; vraagt de Commissie haar lijst van prioritaire landen regelmatig bij te stellen, met inbegrip van de selectiecriteria, om ervoor te zorgen dat deze lijst de realiteit weerspiegelt en gemakkelijker kan worden aangepast aan veranderende omstandigheden en nieuwe tendensen;

94.  verzoekt de Commissie en de lidstaten niet alleen de wetgevende maatregelen tegen mensenhandel te versterken maar ook de definitie van mensenhandel uit te breiden, door er verwijzingen in op te nemen naar nieuwe vormen van mensenhandel;

95.  roept de EU en de lidstaten op alle maatregelen met betrekking tot de bestrijding van mensenhandel ten uitvoer te leggen die zijn voorzien in het huidige EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie en aansluiten bij de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel;

96.  verzoekt de Commissie te beoordelen of het mandaat van het toekomstige Europees Openbaar Ministerie eventueel moet worden herzien om de strijd tegen mensenhandel op te nemen in zijn bevoegdheden;

97.  wenst dat het EU-beleid tegen mensenhandel doeltreffender wordt gemaakt door het beter te integreren in de bredere strategieën van de EU op het gebied van veiligheid, gelijkheid van vrouwen en mannen, economische groei, cyberveiligheid, migratie en externe betrekkingen;

98.  roept alle EU-instellingen en de lidstaten ertoe op zowel intern als extern een coherent beleid te voeren door de mensenrechten, overeenkomstig de fundamentele waarden van de Unie, centraal te stellen in de betrekkingen van de EU met alle derde landen, en met name economische en handelsbetrekkingen te gebruiken als hefboom;

99.  vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat mensenrechten, gendergelijkheid en de bestrijding van mensenhandel de kern blijven uitmaken van het EU-ontwikkelingsbeleid en de EU-partnerschappen met derde landen; verzoekt de Commissie bij het uitstippelen van nieuw ontwikkelingsbeleid en het herzien van bestaand beleid genderbewuste maatregelen in te voeren;

100.  benadrukt dat de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes en het risico dat zij lopen om slachtoffer te worden, zouden verminderen als hun economische en maatschappelijke positie wordt versterkt, en vraagt de Commissie haar gerichte actie op het vlak van gendergelijkheid in alle ontwikkelingsoperaties voort te zetten en ervoor te zorgen dat gendergelijkheid samen met vrouwenrechten tijdens politieke dialogen met derde landen een agendapunt blijft;

101.  wijst op het belang van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en met name doelstelling 5.2, die gericht is op de uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes in de publieke en in de private sfeer, waaronder mensenhandel en seksuele en andere vormen van uitbuiting;

102.  verzoekt de EU derde landen bij te staan in hun inspanningen om de signalering, ondersteuning en re-integratie van slachtoffers en de vervolging van mensenhandel te verbeteren, door passende wetgeving aan te nemen en ten uitvoer te leggen en hun juridische definities, procedures en samenwerking beter af te stemmen op de internationale normen;

103.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te waarborgen dat rechtshandhavingspersoneel, onder meer bij agentschappen zoals Frontex, Europol en het EASO, en andere functionarissen die in contact kunnen komen met slachtoffers of potentiële slachtoffers van mensenhandel, degelijk worden opgeleid om gevallen van mensenhandel te kunnen aanpakken, aan de hand van een geïntegreerde intersectionele benadering, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de behoeften van vrouwen, kinderen en andere groepen in kwetsbare situaties, zoals Roma en vluchtelingen, die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel, en aan manieren om de slachtoffers van mensenhandel volledige bescherming te bieden en slachtoffers en anderen ertoe te bewegen mensenhandelaars aan te geven;

104.  is van oordeel dat uit derde landen afkomstige slachtoffers van mensenhandel in een zo vroeg mogelijk stadium van de handelsketen moeten worden opgespoord en dat daarom aan de grenzen meer inspanningen moeten worden geleverd om slachtoffers direct bij binnenkomst van de Unie als zodanig te herkennen; verzoekt de lidstaten samen met derde landen te werken aan de verbetering van bestaande richtsnoeren die consulaire diensten en grenswachters kunnen helpen bij de signalering van slachtoffers van mensenhandel en onderstreept in dit verband het belang van de uitwisseling van optimale werkwijzen, met name wat betreft de verhoren aan de grens; benadrukt eveneens dat de grens- en kustwacht toegang moet hebben tot de databanken van Europol;

105.  roept de lidstaten ertoe op de samenwerking met derde landen te verbeteren teneinde alle vormen van mensenhandel te bestrijden, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de genderdimensie van mensenhandel om kinderhuwelijken, seksuele uitbuiting van vrouwen en meisjes en sekstoerisme gericht tegen te gaan; spoort de Commissie en de EDEO ertoe aan het proces van Khartoem te intensiveren door het aantal concrete, te realiseren projecten op te voeren en de actieve deelname uit te breiden tot een groter aantal landen;

106.  wenst dat de Commissie, de Raad en de EDEO tijdens hun onderhandelingen met derde landen over internationale overeenkomsten, overnameovereenkomsten en samenwerkingsovereenkomsten benadrukken dat derde landen mensenhandel doeltreffend moeten bestrijden, de daders vaker moeten vervolgen en de bescherming van slachtoffers moeten verbeteren;

107.  wenst dat de EU zich effectief inzet voor de bestrijding van mensenhandel en mensensmokkel; verzoekt de EU en de lidstaten te investeren in de signalering van slachtoffers van mensenhandel onder vluchtelingen en migranten en onder slachtoffers van schendingen en misbruik in het kader van smokkelactiviteiten die worden geleid door criminele netwerken;

108.  onderstreept de noodzaak van voorbereiding en training voor internationale civiele politiemissies alsmede training voor diplomaten, verbindingsfunctionarissen, consulaire medewerkers en ontwikkelingswerkers, teneinde de signalering van slachtoffers van mensenhandel te verbeteren; acht training voor deze groepen noodzakelijk, daar zij vaak het eerste contact zijn voor slachtoffers van mensenhandel, en vindt dat er maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze functionarissen toegang hebben tot adequaat materiaal om mensen die het risico lopen om een prooi van mensenhandel te worden, te informeren;

109.  wijst erop dat de tweede fase van EUNAVFOR MED oftewel operatie Sophia, die op 7 oktober 2015 is ingegaan, het mogelijk maakt mensenhandel concreet te bestrijden, doordat het aan boord gaan, doorzoeken, in beslag nemen en afleiden in volle zee van vaartuigen waarvan men vermoedt dat ze voor mensensmokkel of mensenhandel worden gebruikt nu is toegestaan; herinnert eraan dat tot op heden 48 personen zijn aangehouden op verdenking van mensensmokkel en mensenhandel en dat hun zaken in handen zijn van de Italiaanse justitie; vraagt de EU haar operaties in het Middellandse Zeegebied voort te zetten en te intensiveren;

110.  vraagt de EU concrete oplossingen te vinden als het gaat om legale, reguliere, niet-uitbuitende en veilige manieren voor migranten en vluchtelingen om de EU binnen te komen; herinnert de lidstaten en de EU eraan dat zij het internationaal recht – met inbegrip van het beginsel van non-refoulement – in al hun beleid, en met name in hun migratiebeleid, moeten eerbiedigen; herinnert eraan dat ontvangende landen en de landen van herkomst moeten zorgen voor veilige vrijwillige terugkeer van slachtoffers van mensenhandel, en dat er wettelijke alternatieven moeten worden geboden indien repatriëring een risico inhoudt voor de veiligheid van de betrokkenen en/of hun familie; stelt dat de ontvangende landen en de landen van herkomst bij de terugkeer van slachtoffers van mensenhandel naar hun thuisland de noodzakelijke voorwaarden voor veiligheid en re-integratie moeten waarborgen;

111.  spoort de Commissie en de lidstaten aan het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van de asielwetgeving te eerbiedigen;

112.  roept de EU op steun te verlenen aan programma's ter ondersteuning van de inclusie van migranten en vluchtelingen waarbij belangrijke actoren in derde landen alsmede culturele mediators worden betrokken, met het doel het besef van mensenhandel in gemeenschappen te vergroten en deze beter bestand te maken tegen infiltratie door de georganiseerde misdaad;

113.  roept de Commissie en de lidstaten ertoe op zich in te zetten voor de bescherming en opsporing van alle vluchtelingen en migranten, met name kinderen, die na aankomst in Europa vermist zijn geraakt;

114.  is ingenomen met de inspanningen van Europol, met name in het kader van Focal Point Twins, om personen op te sporen die naar derde landen afreizen om kinderen te misbruiken; roept de lidstaten ertoe op met Europol samen te werken en toe te zien op een snelle en systematische uitwisseling van gegevens;

115.  brengt in herinnering dat de Commissie vóór het sluiten van een visumversoepelingsovereenkomst een evaluatie moet uitvoeren van de risico's die het desbetreffende derde land met zich meebrengt op het vlak van irreguliere immigratie; benadrukt dat mensenhandelnetwerken ook gebruik kunnen maken van reguliere migratiekanalen; verzoekt de Commissie daarom de effectieve medewerking van de desbetreffende derde landen op het gebied van mensenhandel op te nemen als een van de criteria waaraan moet worden voldaan om een visumversoepelingsovereenkomst te mogen sluiten;

116.  wijst erop dat de EU behoefte heeft aan een bindende en dwingende wetgevende aanpak met betrekking tot hervestiging, zoals uiteengezet in de migratieagenda van de Commissie; wijst erop dat toelating op humanitaire gronden gebruikt kan worden als aanvulling op hervestiging om, indien nodig en meestal op tijdelijke basis, te kunnen voldoen aan een dringende behoefte aan bescherming bij zeer kwetsbare personen, zoals niet-begeleide minderjarigen of vluchtelingen met een handicap of personen die dringend medisch geëvacueerd moeten worden;

117.  roept de EU op samen met derde landen een gestandaardiseerd systeem voor het verzamelen van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens en analyses over mensenhandel op te zetten, zodat in de EU en in derde landen een gemeenschappelijk of ten minste vergelijkbaar model wordt ingevoerd voor het verzamelen en analyseren van gegevens over alle aspecten van mensenhandel; dringt aan op de toewijzing van voldoende middelen voor het verzamelen van gegevens en het verrichten van onderzoek naar mensenhandel;

118.  moedigt de EU aan om een nieuwe strategie tegen mensenhandel voor de periode na 2016 uit te tekenen, met een sterkere en gerichtere externe dimensie, die meer voorrang geeft aan de ontwikkeling van partnerschappen met lokale maatschappelijke organisaties in niet-EU landen van herkomst, doorreis en bestemming, met regeringen en met de particuliere sector, alsook aan de aanpak van de financiële en economische aspecten van mensenhandel;

o
o   o

119.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de EU-delegaties.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.
(2)Zie blz. 23 van "Counter Trafficking and Assistance to Vulnerable Migrants Annual Report of Activities 2011" van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2018Juridische mededeling