Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/2125(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0025/2018

Ingediende teksten :

A8-0025/2018

Debatten :

PV 28/02/2018 - 22
CRE 28/02/2018 - 22

Stemmingen :

PV 01/03/2018 - 8.14

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0056

Aangenomen teksten
PDF 218kWORD 62k
Donderdag 1 maart 2018 - Brussel Definitieve uitgave
Situatie van de grondrechten in de EU in 2016
P8_TA(2018)0056A8-0025/2018

Resolutie van het Europees Parlement van 1 maart 2018 over de situatie van de grondrechten in de EU in 2016 (2017/2125(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de verwijzingen in eerdere verslagen naar de situatie van de grondrechten in de Europese Unie,

–  gezien zijn eerdere resoluties en eerdere resoluties van andere Europese en internationale instellingen en organen,

–  gezien de verslagen van nationale, Europese en internationale ngo's,

–  gezien de werkzaamheden van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), de Raad van Europa en de Commissie van Venetië,

–  gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM),

–  gezien de werkzaamheden van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie verzoekschriften,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Afrikaanse en Europese leiders over de situatie van migranten in Libië van 1 december 2017 na de top van de Afrikaanse Unie en de Europese Unie (AU-EU) in Abidjan,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0025/2018),

A.  overwegende dat de eerbiediging en bevordering van de mensenrechten, de grondrechten, de democratie, de beginselen van de rechtsstaat en de waarden en beginselen die zijn neergelegd in de verdragen van de Unie, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de internationale mensenrechteninstrumenten de basis van de Europese integratie vormen;

B.  overwegende dat in artikel 2 VEU is bepaald dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust, dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben, en dat deze waarden door de EU en door elke lidstaat afzonderlijk in alle interne en externe beleidsmaatregelen consequent moeten worden geëerbiedigd en actief moeten worden bevorderd; overwegende dat in artikel 17 VEU is bepaald dat de Commissie toeziet op de toepassing van de Verdragen;

C.  overwegende dat de eerbiediging van de rechtstaat een essentiële voorwaarde is voor de bescherming van de grondrechten, en overwegende dat de lidstaten de eindverantwoordelijkheid dragen voor het waarborgen van de mensenrechten van alle burgers door middel van het vaststellen en ten uitvoer leggen van internationale mensenrechtenverdragen; overwegende dat de rechtsstaat en de grondrechten voortdurend geconsolideerd moeten worden; overwegende dat elke poging om deze beginselen te ondermijnen niet alleen schadelijk is voor de betrokken lidstaat, maar ook voor de Unie in haar geheel;

D.  overwegende de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overeenkomstig artikel 6, lid 2, VEU een verdragsverplichting is;

E.  overwegende dat de bescherming van de mensenrechten van de kwetsbaarste groepen speciale aandacht verdient;

F.  overwegende dat de afwijkende bestuurspraktijken van sommige lidstaten getuigen van een selectieve benadering ten aanzien van de lusten en lasten van het EU-lidmaatschap, en dat de weigering van deze lidstaten om het Europees recht, de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de voorspelbaarheid van het overheidsoptreden ten volle te eerbiedigen, de geloofwaardigheid van de EU als ruimte van recht aantast;

G.  overwegende Europa ook in 2016 te maken heeft gehad met een toestroom van migranten en asielzoekers(1) ; overwegende dat veel van deze migranten via uiterst gevaarlijke routes reizen, ten prooi vallen aan smokkelaars en criminelen en een grote kans hebben het slachtoffer te worden van geweld, misbruik en uitbuiting; overwegende dat volgens cijfers van de UNHCR 27 % van de migranten die via de Middellandse Zee Europa bereiken, kinderen zijn; overwegende dat volgens rapporten van Unicef-IOM (Internationale Organisatie voor Migratie) ongeveer een kwart van de langs de centrale Middellandse Zeeroute ondervraagde jongeren nooit naar school is geweest;

H.  overwegende dat vluchtelingen, asielzoekers en migranten in 2016 op grote schaal te maken hebben gehad met racisme en xenofobie, en overwegende dat kwetsbare bevolkingsgroepen nog altijd verhoudingsgewijs vaak het slachtoffer zijn van discriminatie en geweld en een grote kans hebben om nieuwe trauma's op te lopen;

I.  overwegende dat de hoge migratiedruk waarmee bepaalde lidstaten al een aantal jaren te maken hebben noopt tot daadwerkelijke Europese solidariteit, zodat er passende opvangvoorzieningen worden gerealiseerd voor de meest behoeftige en kwetsbaarste personen; overwegende dat veel migranten ten prooi vallen aan smokkelaars en criminelen en een grote kans hebben om het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen, onder meer in de vorm van geweld, misbruik en uitbuiting;

J.  overwegende dat vrouwen en kinderen een groter risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel, uitbuiting en seksueel misbruik door mensensmokkelaars en dat er daarom systemen in het leven geroepen moeten worden voor de bescherming van kinderen en dat de bestaande systemen versterkt moeten worden, ter voorkoming van en als reactie op tegen kinderen gerichte vormen van geweld, misbruik, verwaarlozing en uitbuiting, zoals toegezegd in het actieplan van Valletta;

K.  overwegende dat de aanhoudende terroristische aanvallen in de hele EU op grote schaal hebben geleid tot wantrouwen tegenover moslims (zowel EU-burgers als migranten) en dat bepaalde politieke partijen dit gevoel van wantrouwen gebruiken om cultureel isolationisme te prediken en de haat tegen personen met een andere achtergrond aan te wakkeren;

L.  overwegende dat de systematische toepassing van noodmaatregelen en bijzondere gerechtelijke en administratieve maatregelen en de invoering van grenscontroles vrijwel geen afschrikkend effect hebben op terroristen, die in veel gevallen langdurig ingezetenen of zelfs onderdanen van de EU-lidstaten zijn;

M.  overwegende dat diverse lidstaten in reactie op de komst van asielzoekers en migranten politieke maatregelen hebben genomen, zoals de herinvoering van controles aan de binnengrenzen van het Schengengebied, en dat het hierbij lijkt te gaan om permanente en niet slechts tijdelijke maatregelen;

N.  overwegende dat onder haatdragende uitingen moet worden verstaan het verspreiden, aanmoedigen, bevorderen of rechtvaardigen op welke wijze dan ook, zowel online als offline, van rassenhaat, vreemdelingenhaat, vooroordelen tegen het geslacht van personen of hun ras, huidskleur, etnische of sociale herkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, hun eigendom, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, of andere vormen van haat die op onverdraagzaamheid zijn gebaseerd, waaronder het bevorderen van racistische en xenofobe ideeën, beleidsmaatregelen en praktijken, het houden van racistische en xenofobe toespraken en het verspreiden van nepnieuws; overwegende dat de ontwikkeling van nieuwe soorten media onlinehaattaal bevordert; overwegende dat de Raad van Europa heeft verklaard dat het fenomeen haattaal op internet nader bestudeerd moet worden en dat er stappen genomen moeten worden om dit fenomeen te reguleren en dat er gezocht moet worden naar nieuwe manieren om deze vorm van retoriek te bestrijden;

O.  overwegende dat het gevaar bestaat dat de toename van rassenhaat, raciaal geweld, haat en geweld op basis van gender en vreemdelingenhaat, in de vorm van haatmisdrijven, nepnieuws, de anonieme verspreiding van berichten via sociale netwerken of andere onlineplatformen, protesten of politieke propaganda in de lidstaten normaal gaat worden gevonden;

P.  overwegende dat moderne maatschappijen niet kunnen functioneren en zich niet kunnen ontwikkelen zonder vrije, onafhankelijke, professionele en betrouwbare massamedia, die feiten natrekken, bereid zijn verschillende meningen onder het voetlicht te brengen, hun bronnen beschermen, de veiligheid van journalisten waarborgen en tevens de vrijheid van meningsuiting waarborgen en nepnieuws tot een minimum beperken; overwegende dat de publieke media een belangrijke rol spelen bij het waarborgen van de onafhankelijkheid van de media;

Q.  overwegende dat uit alle recente rapporten van internationale en Europese agentschappen en organisaties en maatschappelijke organisaties, waaronder ngo's, blijkt dat er op veel gebieden vooruitgang is geboekt; overwegende dat er desondanks in een aantal lidstaten nog altijd sprake is van mensenrechtenschendingen, zoals discriminatie van minderheden, corruptie, het tolereren van haatdragende uitingen, slechte detentieomstandigheden en slechte leefomstandigheden van migranten;

R.  overwegende dat uit het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, getiteld "Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête", van maart 2014 blijkt dat één op de drie vrouwen in Europa als volwassene minstens één keer met fysiek of seksueel geweld te maken heeft gekregen en dat één op de vijf vrouwen te maken heeft gehad met intimidatie via internet; overwegende dat geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, zowel fysiek als psychologisch, in de EU op grote schaal voorkomen en beschouwd moeten worden als een extreme vorm van discriminatie die voorkomt in alle lagen van de bevolking; overwegende dat er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om vrouwen die het slachtoffer zijn geweest van geweld aan te sporen hiervan melding te doen en hulp te zoeken;

S.  overwegende dat de eerbiediging van de rechten van personen die tot een minderheid behoren en de eerbiediging van het recht op gelijke behandeling tot de grondbeginselen van de EU behoren; overwegende dat ongeveer 8 % van alle EU-burgers tot een nationale minderheid behoort en dat ongeveer 10 % een regionale of minderheidstaal spreekt; overwegende dat de EU momenteel, afgezien van inbreukprocedures, slechts over instrumenten met een beperkte doeltreffendheid beschikt om te reageren op systematische en institutionele uitingen van discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat tegen minderheden; overwegende dat er tussen de lidstaten verschillen bestaan waar het de erkenning van minderheden en de eerbiediging van hun rechten betreft; overwegende dat er ondanks talrijke verzoeken aan de Commissie slechts in beperkte mate stappen zijn gezet om een effectieve bescherming van minderheden te garanderen;

T.  overwegende dat digitale media kinderen zeer veel kansen bieden, maar kinderen tegelijkertijd aan nieuwe gevaren blootstellen; overwegende dat kinderen les moeten krijgen over hun grondrechten in de digitale wereld, om hun veiligheid daarin te vergroten; overwegende dat kinderhulplijnen onmisbare instrumenten zijn in gevallen van schending van de rechten van kinderen; overwegende dat de ontwikkeling van digitale geletterdheid, waaronder media- en informatievaardigheden, bevorderd moet worden en onderdeel moet zijn van het curriculum van het basisonderwijs vanaf de allereerste schooljaren; overwegende dat de grondrechten in de digitale wereld op dezelfde wijze en in dezelfde omvang moeten worden bevorderd en beschermd als in de werkelijke wereld;

U.  overwegende dat e-overheidsdiensten in de EU in 2016 nog toegankelijker zijn geworden; overwegende dat het Europese e-justitieportaal burgers en beoefenaars van juridische beroepen informatie biedt over Europese en nationale juridische procedures en de werking van het justitieel systeem;

Rechtsstaat

1.  is van oordeel dat dat noch de nationale soevereiniteit, noch de subsidiariteit een rechtvaardiging of legitimering kan vormen voor het feit dat een lidstaat zich systematisch onttrekt aan de fundamentele waarden van de Europese Unie die als leidraad hebben gediend bij de opstelling van de inleidende artikelen van de Europese verdragen waarbij alle lidstaten zich vrijwillig hebben aangesloten met de belofte zich hieraan te zullen houden;

2.  merkt op dat de naleving van de criteria van Kopenhagen, waartoe de lidstaten gehouden zijn vanaf het moment dat zij tot de EU toetreden, voortdurend bewaakt moet worden en het onderwerp moet zijn van een voortdurende dialoog tussen het Parlement, de Commissie en de Raad;

3.  herinnert eraan dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, VEU als hoedster van de Verdragen gerechtigd en bevoegd is erop toe te zien dat de lidstaten de beginselen van de rechtsstaat en de andere waarden van artikel 2 VEU eerbiedigen; is derhalve van oordeel dat de maatregelen die de Commissie neemt om deze taak uit te voeren en om erop toe te zien dat er nog altijd wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die waren voordat de lidstaten tot de Unie toetraden, geen schending van de soevereiniteit van de lidstaten vormen; herinnert aan de verantwoordelijkheid van de Raad om zich eveneens in te zetten voor de rechtsstaat en behoorlijk bestuur; is ingenomen met het plan om in het kader van de Raad Algemene Zaken een regelmatige dialoog te houden over de rechtsstaat en verzoekt de Raad door te gaan op de ingeslagen weg en alle lidstaten regelmatig te evalueren;

4.  neemt kennis van de inspanningen van de Commissie om bepaalde lidstaten ertoe te brengen de rechtstaat opnieuw volledig te eerbiedigen, maar wijst er tevens op dat de instrumenten die daar nu voor worden ingezet niet volstaan; is van mening dat alle mogelijkheden voor het voeren van dialogen moeten worden onderzocht, maar vindt dat dergelijke dialogen niet oneindig hoeven te worden voortgezet als zij niet tot meetbare resultaten leiden; vindt het belangrijk dat artikel 7 VEU niet slechts als theoretisch instrument wordt beschouwd, maar daadwerkelijk wordt toegepast als alle andere middelen falen; herinnert er in dit kader aan dat toepassing van artikel 7 niet automatisch leidt tot oplegging van sancties aan de betrokken lidstaat;

5.  benadrukt dat de EU behoefte heeft aan een gemeenschappelijke benadering ten aanzien van het bestuur in een democratie en de toepassing van fundamentele waarden, en dat een dergelijke benadering, die er nog niet is, tot stand gebracht moet worden door middel van democratische besluitvorming en het bundelen van ervaringen op het gebied van Europees bestuur; is van oordeel dat er bij een dergelijke gemeenschappelijke benadering in ieder geval sprake moet zijn van een en dezelfde opvatting ten aanzien van de rol van de meerderheid in een democratie, om te voorkomen dat ontsporingen leiden tot een tirannie van de meerderheid;

6.  wijst op het intrinsieke verband tussen de rechtsstaat en de grondrechten; wijst op de massale protesten van EU-burgers, waarmee zij laten zien hoezeer zij gehecht zijn aan hun grondrechten en aan de Europese waarden; benadrukt in dit verband dat het noodzakelijk is om de gemeenschappelijke waarden van de EU en het Handvest onder de aandacht van alle Europeanen te brengen;

7.  is van mening dat de verschillende uitleg die de lidstaten geven aan en de niet-naleving van de waarden van artikel 2 VEU de cohesie van het Europese project verzwakken, afbreuk doen aan de rechten van alle Europeanen en het noodzakelijke wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten doen verminderen;

8.  herinnert aan de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2016(2) , waarin het Parlement pleit voor de instelling van een Europees mechanisme voor democratie, de rechtstaat en grondrechten; meent dat een dergelijk mechanisme centraal moet staan in een gecoördineerde Europese aanpak op het gebied van governance, die momenteel ontbreekt; verzoekt de Commissie een voorstel tot instelling van een dergelijk mechanisme in te dienen, dat in overeenstemming is met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

9.  benadrukt dat een breder kader voor de monitoring van de rechtsstaat zal leiden tot meer cohesie tussen de bestaande instrumenten, een betere doeltreffendheid en tot jaarlijkse kostenbesparingen; benadrukt dat het belangrijk is dat er in het hele monitoringproces uiteenlopende en onafhankelijke bronnen worden gebruikt; wijst erop dat het belangrijk is dat schendingen van de grondrechten worden voorkomen en dat er niet pas wordt gereageerd als dergelijke schendingen zich herhaald voordoen;

10.  veroordeelt ten sterkste dat er steeds vaker beperkingen van de vrijheid van vergadering worden opgelegd, en dat er in sommige gevallen sprake is van gewelddadig optreden door de overheid tegen demonstranten; wijst er nogmaals op dat deze fundamentele vrijheden een zeer belangrijke rol spelen als het gaat om het functioneren van democratische maatschappijen en verzoekt de Commissie zich actief in te zetten voor de bevordering van deze rechten, overeenkomstig de internationale normen op het gebied van de mensenrechten;

11.  brengt in herinnering dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte van groot belang is voor de bescherming van alle grondrechten, de democratie en de rechtsstaat;

12.  wijst erop dat het Parlement in zijn resolutie van 25 oktober 2016 de Commissie heeft verzocht om in samenwerking met het maatschappelijk middenveld een bewustmakingscampagne op te zetten en uit te voeren om de burgers en inwoners van de Unie de kans te bieden helemaal vertrouwd te raken met de rechten die zij hebben op grond van de Verdragen en het Handvest (zoals het recht op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering en stemrecht) en in deze campagne informatie te verstrekken over het recht van burgers op een voorziening in rechte bij inbreuken op democratie, de rechtsstaat en grondrechten door nationale regeringen of instellingen van de Unie en de daartoe te volgen procedures;

13.  verzoekt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, om in samenwerking met het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) geactualiseerde databanken bij te houden over de situatie van de mensenrechten in de afzonderlijke lidstaten;

14.  herinnert eraan dat corruptie de rechtstaat, de democratie, de mensenrechten en de gelijke behandeling van alle burgers in gevaar brengt; benadrukt dat corruptie een bedreiging vormt voor deugdelijk bestuur en voor een eerlijk en sociaal rechtssysteem, en economische groei afremt; verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen om zich actiever in te zetten voor de bestrijding van corruptie, door regelmatig te controleren hoe de publieke (Europese en nationale) middelen worden ingezet;

15.  benadrukt dat getuigen en informanten een belangrijke rol spelen bij de vervolging en bestraffing van criminele organisaties die zich bezighouden met criminele activiteiten en van degenen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van de rechtsstaat;

16.  verzoekt de lidstaten om zich in te zetten voor de spoedige instelling van het Europees Openbaar Ministerie;

Migratie en integratie

17.  merkt op dat gewelddadige conflicten, vervolging, ongelijkheid, terrorisme, repressieve regimes, natuurrampen, door mensen veroorzaakte crises en chronische armoede in derde landen de belangrijkste factoren zijn die migratie in de hand werken;

18.  herinnert eraan dat er nog steeds veel asielzoekers en migranten zijn die op irreguliere wijze de buitengrenzen van de EU willen overschrijden en daarbij het leven verliezen of te maken krijgen met diverse andere gevaren;

19.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat diverse lidstaten hun beleid op het gebied van migratie en asiel hebben aangescherpt en dat bepaalde lidstaten hun verplichtingen op deze gebieden niet ten volle nakomen;

20.  verzoekt de EU en haar lidstaten om solidariteit en eerbiediging van de grondrechten van migranten en asielzoekers centraal te plaatsen in het EU-migratiebeleid;

21.  verzoekt de lidstaten het aangenomen gemeenschappelijke Europese asielpakket en de gemeenschappelijke migratiewetgeving te eerbiedigen en volledig ten uitvoer te leggen, met name om asielzoekers te beschermen tegen geweld, discriminatie en verdere trauma's tijdens de asielprocedure, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan kwetsbare groepen; wijst erop dat één op de drie asielzoekers een kind is en dat deze groep bijzonder kwetsbaar is; roept de Unie en de lidstaten op meer te doen om te voorkomen dat niet-begeleide minderjarigen vermist raken;

22.  is ingenomen met de samenwerking tussen het FRA en Frontex bij het opstellen van een handboek voor de behandeling van kinderen aan landsgrenzen;

23.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de opvangvoorzieningen in de lidstaten zeer verschillend zijn en dat personen die om internationale bescherming verzoeken in sommige lidstaten niet verzekerd zijn van een passende en waardige behandeling;

24.  veroordeelt krachtig de sterke toename van mensenhandel en is van oordeel dat degenen die zich hieraan schuldig maken, waaronder ambtenaren en andere overheidsfunctionarissen, hiervoor ter verantwoording moeten worden geroepen en voor de rechter moeten worden gebracht, en verzoekt de lidstaten om hun samenwerking te versterken en hun inspanningen op het gebied van de bestrijding van georganiseerde misdaad, waaronder mensenhandel en -smokkel, uitbuiting, dwangarbeid, seksueel misbruik en foltering, te intensiveren en de slachtoffers ervan beter te beschermen;

25.  wijst erop dat vrouwen en kinderen een groter risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel, uitbuiting en seksueel misbruik door mensenhandelaren;

26.  vindt dat er veilige en legale manieren voor migratie gecreëerd moeten worden en dat de rechten van personen die Europa niet op legale wijze kunnen binnenkomen het beste beschermd kunnen worden door de onderliggende oorzaken van migratiestromen aan te pakken, te werken aan duurzame oplossingen voor conflicten en samenwerkingsverbanden en partnerschappen op te zetten; denkt dat op deze wijze bijgedragen wordt aan een snelle en krachtige ontwikkeling van landen van herkomst en doorreis, doordat daardoor de plaatselijke economieën ontwikkeld worden en ter plaatse nieuwe kansen worden geboden, en tevens geïnvesteerd wordt in de ontwikkeling van asielstelsels van landen van doorreis die het internationale recht en de grondrechten ten volle eerbiedigen;

27.  dringt er bij de Unie en de lidstaten op aan veilige en de legale routes voor vluchtelingen te realiseren en, in het bijzonder, het aantal hervestigingsplaatsen voor de kwetsbaarste groepen vluchtelingen te verhogen;

28.  wijst erop dat in het kader van het terugkeerbeleid de grondrechten van migranten ten volle moeten worden geëerbiedigd, waaronder het recht op non-refoulement; is van mening dat ervoor gezorgd moet worden dat de waardigheid van terugkeerders wordt beschermd en dringt er daarom op aan dat vrijwillige terugkeer gestimuleerd wordt en dat er meer hulp geboden wordt bij de re-integratie in de landen van herkomst;

29.  benadrukt dat de Unie de totstandbrenging van opvang- en integratiebeleid in alle lidstaten moet stimuleren en vindt het onaanvaardbaar dat bepaalde lidstaten stellen dat het migratieprobleem niet hun verantwoordelijkheid is; benadrukt dat de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie in alle beleidsmaatregelen op het gebied van migratie en integratie geëerbiedigd moeten worden; is ingenomen met de oprichting van het Europees integratienetwerk en pleit voor een betere uitwisseling van beste praktijken op het gebied van integratie tussen de lidstaten;

30.  wijst erop dat migranten, zowel kinderen als volwassenen, met oog op hun integratie in het gastland onderwijs geboden moeten krijgen; wijst op de speciale behoeften van migranten in dit verband, met name taalonderwijs; benadrukt dat in elke lidstaat maatregelen moeten worden genomen om migranten toegang te geven tot gezondheidszorg en goede opvangvoorzieningen en dat mogelijkheden geboden moeten worden voor gezinshereniging;

31.  benadrukt dat het belangrijk is dat er aan de bevolking als geheel leermiddelen beschikbaar worden gesteld ter bevordering van de interculturele dialoog;

32.  benadrukt dat er in alle lidstaten bij voorrang maatregelen moeten worden genomen om alle migrantenkinderen passende en waardige opvangvoorzieningen, taallessen, scholing in het kader van de interculturele dialoog, onderwijs en beroepsonderwijs te bieden;

33.  roept de lidstaten op hun voorzieningen ten behoeve van de bescherming van kinderen te verbeteren, met inbegrip van voorzieningen voor minderjarige asielzoekers, vluchtelingen en migranten; dringt er bij de Commissie op aan een samenhangend concept voor voogdijstelsels te formuleren, teneinde de belangen van niet-begeleide minderjarigen optimaal te kunnen behartigen; pleit voor de ontwikkeling en invoering van specifieke procedures ter bescherming van alle kinderen, in overeenstemming met het Verdrag van de VN inzake de rechten van het kind;

34.  vindt het absoluut noodzakelijk dat personen met verschillende religieuze achtergronden, ook personen die al heel lang in de Europese Unie wonen, zo goed mogelijk in de Europese samenleving integreren;

35.  benadrukt dat door de ontwikkeling van strategieën voor sociale inclusie en onderwijs en beleid ter bestrijding van discriminatie en uitsluiting voorkomen kan worden dat kwetsbare personen zich aansluiten bij gewelddadige extremistische organisaties;

36.  pleit ervoor dat veiligheidsmaatregelen die erop gericht zijn alle vormen van radicalisering en terrorisme te bestrijden, met name in de justitiële sfeer aangevuld worden met langetermijnbeleid dat radicalisering en aanwerving van burgers van de Unie door gewelddadige extremistische organisaties moet voorkomen;

37.  maakt zich zorgen over de zorgwekkende toename van uitingen van haat, haatdragende taal en nepnieuws; veroordeelt door racisme, vreemdelingenhaat, religieuze onverdraagzaamheid of vooroordelen tegen personen met een handicap, seksuele geaardheid of genderidentiteit ingegeven haatmisdrijven en haatpropaganda, die dagelijks in de EU plaatsvinden; wijst erop dat het gedogen van de verspreiding van haattaal en nepnieuws een voedingsbodem vormt voor populisme en extremisme; is van mening dat deze ontwikkeling een halt toe geroepen kan worden door systematische civielrechtelijke of strafrechtelijke maatregelen;

38.  onderstreept dat de moedwillige verspreiding van onjuiste informatie over welke categorie in de EU levende personen dan ook, de rechtsstaat en de grondrechten een enorme bedreiging vormt voor de democratische waarden en de eenheid van de EU;

39.  wijst erop dat sociale netwerken en de anonimiteit die geboden wordt door een grote verscheidenheid aan mediaplatforms allerlei vormen van haatdragende taal, waaronder extreemrechtse en jihadistische uitlatingen, in de hand werken en is van oordeel dat het internet geen omgeving mag zijn waar geen wetten en regels gelden;

40.  wijst erop dat de vrijheid van meningsuiting, informatievrijheid en vrijheid van de media van wezenlijk belang zijn voor de democratie en de rechtsstaat; is fel tegenstander van geweld tegen en het onder druk zetten of bedreigen van journalisten en de media, onder meer in verband met de openbaarmaking van informatie over schendingen van de grondrechten;

41.  vindt het volstrekt onjuist dat haatdragende taal, op aansporing van of gesteund door overheden, politieke partijken of politieke leiders en verspreid via sociale media, steeds vaker geaccepteerd wordt;

42.  herinnert eraan dat onderwijs en bewustmaking van de bevolking de sleutel vormen tot de bestrijding van deze fenomenen; verzoekt de lidstaten om bewustmakingscampagnes op te zetten in scholen en dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te steunen bij hun inspanningen op dit gebied door met name richtsnoeren uit te werken voor dergelijke activiteiten;

43.  is van oordeel dat politie en justitie in de lidstaten op systematische wijze moeten worden geschoold op het gebied van haatmisdrijven en dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven moeten worden gestimuleerd om aangifte te doen; pleit voor het opzetten van een EU-breed opleidingsprogramma voor rechtshandhavingsambtenaren in de EU, gericht op een doeltreffende bestrijding van haatmisdrijven en haatdragende taal; benadrukt dat een dergelijke opleiding verzorgd zou moeten worden door het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), op basis van beste praktijken op nationaal niveau en de activiteiten van het FRA;

44.  is ingenomen met het feit dat de Commissie een groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid heeft opgericht;

45.  roept deze door de Commissie opgerichte groep op hoog niveau op om met name te werken aan de harmonisatie van de definities van "haatmisdrijf" en "haatdragende taal" in heel Europa; is van mening dat deze groep zich tevens moet buigen over haattaal en het oproepen tot geweld door politici;

46.  dringt erop aan dat deze tendensen worden tegengegaan door het toezicht op, het onderzoek naar en de vervolging van personen die uitlatingen doen of teksten verspreiden die onverenigbaar zijn met het Europees recht door de bevoegde justitiële instanties te verbeteren, maar daarbij wel het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer te beschermen, een en ander in samenwerking met het maatschappelijk middenveld en IT-bedrijven;

47.  verzoekt de Commissie in dit kader een voorstel in te dienen tot herschikking van het Kaderbesluit van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht;

Discriminatie

48.  veroordeelt alle vormen van discriminatie, onder meer op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, zoals neergelegd in artikel 21 van het Handvest, en tevens elke vorm van onverdraagzaamheid of vreemdelingenhaat, en herinnert aan artikel 2 VEU;

49.  is van oordeel dat secularisme, in die zin dat kerk en staat strikt gescheiden zijn, en de neutraliteit van de staat van het allergrootste belang zijn om de vrijheid van godsdienst of overtuiging te beschermen, de gelijke behandeling van alle godsdiensten en overtuigingen te waarborgen en discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging te bestrijden;

50.  merkt op dat het voorstel van 2008 voor een richtlijn inzake gelijke behandeling nog altijd door de Raad moet worden goedgekeurd; herhaalt zijn oproep aan de Raad zo snel mogelijk zijn standpunt over dit voorstel te bepalen;

51.  wijst nogmaals op de verplichting van de lidstaten om Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden volledig om te zetten;

52.  herinnert eraan dat de mensenrechten een universeel karakter hebben en dat geen enkele minderheid mag worden gediscrimineerd; benadrukt dat de rechten van minderheden onlosmakelijk verbonden zijn met het beginsel van de rechtsstaat; merkt op dat er een hoger risico is dat de rechten van minderheden worden geschonden wanneer de rechtsstaat niet wordt geëerbiedigd;

53.  veroordeelt de discriminatie, segregatie, haattaal, door haat ingegeven misdrijven en sociale uitsluiting waarvan de Roma het slachtoffer zijn; veroordeelt de voortdurende discriminatie van de Roma bij de toegang tot huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en de arbeidsmarkt; herinnert eraan dat alle Europese burgers evenveel bijstand en bescherming moeten krijgen, ongeacht hun etnische afkomst;

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in samenspraak met vertegenwoordigers van minderheden betrouwbare en vergelijkbare gegevens over gelijkheid te verzamelen teneinde ongelijkheden en discriminatie in kaart te brengen;

55.  roept de lidstaten op goede praktijken uit te wisselen en beproefde oplossingen toe te passen bij het aanpakken van de problemen van minderheden in de gehele Europese Unie;

56.  benadrukt het belang van gelijkheidsbeleid dat alle etnische, culturele en religieuze minderheden in staat stelt ongehinderd hun grondrechten uit te oefenen;

57.  spoort de lidstaten die dat nog niet hebben gedaan aan het Kaderverdrag voor de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden te ratificeren; herinnert voorts aan de noodzaak om de beginselen die in het kader van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) zijn ontwikkeld, ten uitvoer te leggen;

58.  dringt er bij de lidstaten op aan naar behoren aandacht te besteden aan de rechten van minderheden, het recht op het gebruiken van een minderheidstaal te waarborgen en de taaldiversiteit in de Unie te beschermen; verzoekt de Commissie om versterking van haar plan om het lesgeven in en gebruiken van regionale talen te bevorderen als mogelijke manier om taaldiscriminatie in de EU aan te pakken;

59.  benadrukt dat lessen over de waarde van tolerantie deel moeten uitmaken van het lesprogramma van scholen, om kinderen te leren hoe zij vormen van discriminatie, bijvoorbeeld discriminatie van moslims, joden Afrikanen, Roma, LGBTI's of andere minderheden, kunnen herkennen;

60.  verzoekt de Commissie de beste praktijken van de lidstaten op het gebied van de aanpak van genderstereotypen op school te delen;

61.  betreurt dat LGBTI's te maken hebben met intimidatie en pesterijen en dat zij in hun dagelijks leven op diverse gebieden gediscrimineerd worden;

62.  veroordeelt alle vormen van discriminatie van LGBTI's; spoort de lidstaten aan om wetgeving en beleidsmaatregelen ter bestrijding van homo- en transfobie vast te stellen;

63.  spoort de Commissie aan om te komen met een agenda voor gelijke rechten en kansen voor alle burgers, rekening houdend met de bevoegdheden van de lidstaten, en toe te zien op een goede omzetting en tenuitvoerlegging van EU-wetgeving met betrekking tot de rechten van LGBTI's; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om nauw samen te werken met maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de rechten van LGBTI's;

64.  roept de lidstaten die wetgeving betreffende partnerschappen en/of huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht hebben vastgesteld, op tot erkenning van door andere lidstaten vastgestelde bepalingen met soortgelijke rechtsgevolgen; wijst nogmaals op de verplichting van de lidstaten om Richtlijn 2004/38/EG volledig ten uitvoer te leggen, ook ten aanzien van koppels van hetzelfde geslacht en hun kinderen; is ingenomen met het feit dat steeds meer lidstaten wetten inzake samenwoning, samenlevingscontracten en het huwelijk aannemen en/of hun bestaande wetgeving ter zake aanpassen om een einde te maken aan discriminatie op grond van de seksuele geaardheid van personen in een relatie met een persoon van hetzelfde geslacht en hun kinderen, en verzoekt de andere lidstaten soortgelijke wetten aan te nemen; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor de volledige wederzijdse erkenning in de hele EU van de rechtskracht van alle documenten van de burgerlijke stand, met inbegrip van wettelijke erkenning van de genderidentiteit, huwelijken en geregistreerde partnerschappen, om de discriminerende wettelijke en administratieve belemmeringen weg te nemen waar burgers mee kampen wanneer ze hun recht op vrij verkeer uitoefenen;

65.  is ingenomen met de initiatieven om conversietherapie bij LGBTI-personen en pathologisering van transidentiteiten te verbieden, en dringt er bij alle lidstaten op aan vergelijkbare maatregelen te treffen die het recht op genderidentiteit en genderexpressie eerbiedigen en steunen;

66.  betreurt dat transgenders in de meeste lidstaten nog steeds als personen met een psychische aandoening worden beschouwd en roept deze lidstaten op hun nationale classificatiesystemen voor psychische aandoeningen te herzien, alternatieve niet-stigmatiserende toegangsmodellen te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat medisch noodzakelijke behandelingen beschikbaar blijven voor alle transgenders; betreurt dat diverse lidstaten voorafgaand aan de erkenning van het geslacht van transgenders (bijvoorbeeld in een paspoort of officieel identiteitsdocument) nog steeds verlangen dat er aan bepaalde eisen is voldaan, zoals het hebben ondergaan van bepaalde medische ingrepen, of voorafgaand aan de erkenning van de genderidentiteit verlangen dat transgenders zich laten steriliseren; merkt op dat het stellen van dergelijke eisen duidelijk een schendingen van de mensenrechten inhoudt; verzoekt de Commissie om de lidstaten richtsnoeren te bieden over de wijze waarop de wettelijke erkenning van de genderidentiteit in Europa het best kan worden geregeld; roept de lidstaten op geslachtsverandering te erkennen en toegang te bieden tot snelle, toegankelijke en transparante procedures voor de erkenning van de genderidentiteit, zonder medische vereisten zoals operaties of sterilisatie of toestemming van een psychiater;

67.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om zich ervoor in te zetten dat bij de herziening van de internationale classificatie van ziekten (ICD) van de Wereldgezondheidsorganisatie transgenderidentiteiten uit de pathologische sfeer worden getrokken; verzoekt de Commissie meer inspanningen te verrichten om te voorkomen dat gendervariatie bij kinderen een nieuwe diagnose in de ICD wordt;

68.  dringt er bij de Commissie op aan om gegevens te verzamelen over schendingen van de mensenrechten waar interseksuele personen in alle aspecten van hun leven mee te maken krijgen, en om de lidstaten richtsnoeren te verschaffen met beste praktijken om de grondrechten van interseksuele personen te beschermen; betreurt dat in de EU-lidstaten nog steeds interseksuele kinderen worden geopereerd om ze te "normaliseren", terwijl dat medisch niet nodig is en medische ingrepen bij kinderen vaak leiden tot langdurige psychologische schade;

69.  roept de lidstaten op de slachtofferrichtlijn(3) volledig om te zetten en de leemten in hun systemen ter bescherming van de rechten van slachtoffers op te sporen en te verhelpen, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de rechten van kwetsbare groepen, zoals kinderen, minderheden en slachtoffers van haatmisdrijven;

70.  verzoekt de EU en de lidstaten dringend om alle vormen van geweld tegen en discriminatie van vrouwen te bestrijden en de personen die zich daaraan schuldig maken te vervolgen; verzoekt de lidstaten met name om elke vorm van huiselijk geweld en seksuele uitbuiting, onder meer bij minderjarige vluchtelingen en migranten, alsmede vroegtijdige of gedwongen huwelijken doeltreffend te bestrijden;

71.  verzoekt de lidstaten beste praktijken uit te wisselen en regelmatige opleidingen aan te bieden voor personeel van politie en justitie over nieuwe vormen van geweld tegen vrouwen;

72.  is verheugd dat alle lidstaten het Verdrag van Istanbul hebben ondertekend en dat de Europese Unie het ondertekend heeft; verzoekt de lidstaten die het verdrag nog niet hebben geratificeerd dat alsnog te doen;

73.  verzoekt de lidstaten hun inspanningen in de strijd tegen seksuele intimidatie en seksueel geweld op te voeren;

74.  herinnert eraan dat armoede op hoge leeftijd een probleem is dat met name bij vrouwen speelt, aangezien de loonkloof tussen mannen en vrouwen een pensioenkloof tot gevolg heeft;

75.  roept de lidstaten op om passende beleidsmaatregelen op te stellen om gepensioneerde vrouwen te ondersteunen en de structurele oorzaken van verschillen in salaris tussen mannen en vrouwen weg te werken;

76.  benadrukt de noodzaak om discriminatie van personen met een handicap een halt toe te roepen en hun gelijke sociale en politieke rechten toe te kennen, waaronder het stemrecht, zoals vastgelegd in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

77.  wijst erop dat de seksuele en reproductieve gezondheid van vrouwen verband houdt met meerdere mensenrechten, waaronder het recht op leven, het recht om niet te worden blootgesteld aan foltering, het recht op gezondheid, het recht op privacy, het recht op onderwijs en het verbod op discriminatie; benadrukt in dit verband dat personen met een handicap evenveel recht hebben als anderen om hun grondrechten uit te oefenen;

78.  verzoekt de EU en de lidstaten het grondrecht van toegang tot preventieve gezondheidszorg te erkennen; beklemtoont dat de Unie, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, een belangrijke rol moet spelen bij het vergroten van de kennis en het bevorderen van beproefde praktijken op dit gebied, ook in de context van de gezondheidsstrategie van de EU, aangezien gezondheid een fundamenteel mensenrecht is dat van essentieel belang is voor de uitoefening van andere mensenrechten; herinnert er in dit verband aan dat samenhang en consistentie tussen het interne en het externe mensenrechtenbeleid van de EU van groot belang zijn;

79.  benadrukt dat elk systeem voor grootschalige en willekeurige observatie door inlichtingendiensten een ernstige inbreuk op de grondrechten van de burgers vormt; benadrukt dat elk wetgevingsvoorstel in de lidstaten dat betrekking heeft op de toezichtcapaciteiten van inlichtingendiensten in overeenstemming moet zijn met het Handvest en met de beginselen van noodzakelijkheid, evenredigheid en wettigheid;

80.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het alarmnummer voor het melden van vermiste kinderen (116 000) en het nummer van de hulplijn voor kinderen (116 111) onder de aandacht te brengen bij de burgers in het algemeen en bij de nationale actoren die actief zijn op het gebied van kinderbescherming in het bijzonder; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat burgers toegang hebben tot passende en kindvriendelijke diensten, die in de hele EU 24 uur per dag, 7 dagen per week toegankelijk zijn; verzoekt de lidstaten en de Commissie daarvoor, indien nodig, voldoende middelen toe te wijzen;

81.  vraagt de EU-instellingen en de lidstaten met klem de handen ineen te slaan in de strijd tegen schendingen van de rechten van kinderen via internet; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, de richtlijn ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie(4) om te zetten en op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen; verzoekt de lidstaten om de wettelijke mogelijkheden, technische vaardigheden en financiële middelen van rechtshandhavingsinstanties te versterken, zodat er meer kan worden samengewerkt, onder meer met Europol, om dit fenomeen aan te pakken; wijst erop dat personen die werken met kinderen een belangrijke rol spelen als het gaat om het herkennen van de tekenen van fysiek of psychisch geweld bij kinderen, waaronder cyberpesten; verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat personen die met kinderen werken voorlichting krijgen en geschoold worden in het herkennen van dergelijke signalen;

82.  wijst op de positieve trend die in een aantal lidstaten zichtbaar is wat betreft de rechten van slachtoffers; merkt echter op dat er nog altijd merkbare lacunes zijn in de dienstverlening op het gebied van slachtofferhulp;

83.  is ingenomen met het EU-actieplan inzake e-overheid 2016-2020 en met het actieplan voor Europese e-justitie 2014-2018;

84.  spoort de Commissie aan om EU-coördinatoren aan te wijzen voor afrofobie en zigeunerhaat en deze coördinatoren te belasten met de taak om de coördinatie en samenwerking tussen EU-instellingen, EU-agentschappen, lidstaten en internationale actoren te verbeteren, bestaand EU-beleid aan te scherpen en nieuw EU-beleid te ontwikkelen om afrofobie en zigeunerhaat aan te pakken; benadrukt in het bijzonder dat de EU-coördinator voor zigeunerhaat tot taak moet krijgen de werkzaamheden van de "Non-discrimination and Roma Coordination Unit" van de Commissie te versterken en aan te vullen, door het team te versterken, toereikende middelen toe te wijzen en meer personeel aan te trekken, zodat er voldoende capaciteit is om zigeunerhaat te bestrijden, de kennis over de zigeunervervolging te vergroten en ervoor te zorgen dat deze holocaust niet in de vergetelheid raakt; pleit voor de vaststelling van Europese kaders voor nationale strategieën ter bestrijding van afrofobie, antisemitisme en islamofobie;

85.  veroordeelt de stappen van regeringen van lidstaten om het maatschappelijk middenveld en ngo's te ondermijnen en zwart te maken; dringt er bij de lidstaten op aan maatschappelijke organisaties te steunen, aangezien deze vaak belangrijk werk verrichten in aanvulling op de door de staat geleverde maatschappelijke diensten of zelfs leemten opvullen die door de staat niet worden verholpen;

86.  stelt voor een Europese coördinator voor de burgerruimte en democratie aan te wijzen, die belast is met het coördineren van de werkzaamheden van de EU en de lidstaten op dit gebied, die de rol van toezichthouder vervult en die fungeert als aanspreekpunt voor ngo's, waar ngo's gevallen van intimidatie waardoor zij hun werkzaamheden niet of minder goed kunnen uitvoeren kunnen melden;

87.  verzoekt de Commissie richtsnoeren vast te stellen voor de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, evenals indicatoren voor de burgerruimte;

o
o   o

88.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) http://migration.iom.int/docs/2016_Flows_to_Europe_Overview.pdf
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.
(3) Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad.
(4) Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 6 november 2018Juridische mededeling