Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

Parlementaire vragen
10 mei 2007
E-2455/07
SCHRIFTELIJKE VRAAG van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie

 Betreft: Aandacht voor vliegtuigsporen die niet langer alleen water bevatten maar mogelijk door barium, aluminium en ijzer langdurig melkachtige sluiers veroorzaken
 Antwoord(en) 

1. Is het de Commissie bekend dat sinds 1999 in de Verenigde Staten en Canada burgers klagen over een toenemende mate van in de lucht aanwezige vliegtuigsporen die behoren tot een nieuw type dat soms uren blijft hangen en dat veel meer uitwaaiert waardoor melkachtige sluiers ontstaan die daar worden aangeduid als „aerial obscuration”, en dat dit nieuwe type vooral opvalt door de sterke afwijking ten opzichte van de sinds de komst van straalmotoren als „contrails” bekende penseeldunne korte witte lijnen in de lucht die maximaal 20 minuten zichtbaar blijven en alleen kunnen ontstaan indien waterdamp condenseert op stofdeeltjes als gevolg van lage temperaturen en een hoge luchtvochtigheidsgraad?

2. Is het de Commissie bekend dat onderzoeken door deze klagers, waarnemingen door piloten en mededelingen vanuit overheidsinstanties steeds meer leiden tot de veronderstelling dat het in dit geval gaat om het per vliegtuig in droge lucht verspreiden van kleine deeltjes die bestaan uit barium, aluminium en ijzer, iets dat in de Amerikaanse discussie inmiddels wordt aangeduid als „chemtrails”?

3. Is het, gezien het feit dat „chemtrails” anders dan „contrails” geen onvermijdelijk bijproduct zijn van het hedendaagse luchtverkeer, de Commissie bekend wat het doel is van het kunstmatig in het luchtruim rondom de aarde brengen van deze van de aarde afkomstige stoffen? Heeft het gunstige effecten op de opwekking van regen, op de telecommunicatie of op het tegengaan van de opwarming van de aarde?

4. In welke mate worden „aerial obscuration” en „chemtrails” nu ook toegepast in het luchtruim boven Europa, gezien het feit dat inmiddels ook hier veel mensen overtuigd zijn van de toenemende aanwezigheid ervan en verontrust raken omdat over dit verschijnsel nog weinig bekend is en publieksvoorlichting ontbreekt? Wie neemt het initiatief tot dit sproeien en hoe vindt de bekostiging daarvan plaats?

5. Kent de Commissie naast de beoogde positieve gevolgen van het verspreiden van stoffen in de lucht ook mogelijke nadelen ervan voor het milieu, de volksgezondheid, het luchtverkeer en TV-ontvangst?

6. Hoe wordt voorkomen dat afzonderlijke Europese staten of bedrijven eenzijdig maatregelen nemen waarvan de grensoverschrijdende gevolgen door andere staten of door organisaties van burgers kunnen worden beoordeeld als ongunstig? Vindt met betrekking daartoe nu al coördinatie plaats? Speelt de EU daarin een rol of verwacht u een toekomstige rol, en door welke doelstellingen laat u zich daarbij leiden?

 PB C 45 van 16/02/2008
Laatst bijgewerkt op: 23 mei 2007Juridische mededeling