Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Aangenomen teksten
PDF 162kWORD 89k
Dinsdag 8 maart 2011 - Straatsburg Definitieve uitgave
Gelijkheid van vrouwen en mannen − 2010
P7_TA(2011)0085A7-0029/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2011 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie − 2010 (2010/2138(INI))

Het Europees Parlement ,

–  gelet op artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gelet op artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gelet op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien het programma van Stockholm(1) ,

–  gelet op Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(2) , Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(3) en Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(4) ,

–  gezien de jaarlijkse verslagen van de Commissie over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie van 2000, 2001, 2002, 2004, 2005, 2006, 2007 en 2008 (respectievelijk COM(2001)0179, COM(2002)0258, COM(2003)0098, COM(2004)0115, COM(2005)0044, COM(2006)0071, COM(2007)0049 en COM(2008)0010),

–  gezien het verslag van de Commissie van 18 december 2009 over de gelijkheid van vrouwen en mannen – 2010 (COM(2009)0694),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(5) ,

–  gezien Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad(6) ,

–  gezien Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG(7) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2008 „Een beter evenwicht tussen werk en privéleven: meer steun voor het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven” (COM(2008)0635),

–  gezien Richtlijn 89/552/EEG „Televisie zonder grenzen”,

–  gezien het verslag van de Commissie van 3 oktober 2008 met als titel „Realisatie van de doelstellingen van Barcelona wat de opvangfaciliteiten voor kinderen onder de leerplichtige leeftijd betreft” (COM(2008)0638),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 met als titel „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015” (COM(2010)0491),

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en het Beijing-actieplatform van de Verenigde Naties,

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid, dat door de Europese Raad van 23 en 24 maart 2006 is goedgekeurd,

–  gezien het advies inzake beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen van het Raadgevend Comité van de Commissie voor gelijke kansen van mannen en vrouwen van de Europese Commissie, aangenomen op 22 maart 2007,

–  gezien de nota van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over mensenrechten en genderidentiteit („Issue Paper on Human rights and gender identity”) van 2009,

–  gezien het verslag van het Bureau voor de grondrechten over homofobie, transfobie en discriminatie op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit van 2010,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 mei 2009 over de actieve opname en betrokkenheid van personen die van de arbeidsmarkt uitgesloten zijn(8) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 februari 2010 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie - 2009(9) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 juni 2010 over de genderaspecten van de economische neergang en de financiële crisis(10) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 juni 2010 over de evaluatie van de resultaten van de routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010 en aanbevelingen voor de toekomst(11) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2007 over een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010(12) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 3 september 2008 over gelijkheid tussen mannen en vrouwen – 2008(13) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 november 2008 met aanbevelingen aan de Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor man en vrouw(14) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 december 2010 over de gevolgen van adverteren voor het consumentengedrag(15) ,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0029/2011),

A.  overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een basisprincipe is van de Europese Unie dat wordt erkend in het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat tussen vrouwen en mannen talrijke ongelijkheden blijven bestaan,

B.  overwegende dat de Europese Unie niet gespaard gebleven is door de economische en financiële crisis, die desastreus gebleken is voor zowel de banen van vrouwen als van mannen, vooral de economische situatie van vrouwen, en die op lange termijn vooral vrouwen dreigt te treffen,

C.  overwegende dat de gelijkheid van mannen en vrouwen een positief effect op de productiviteit en de economische groei heeft en leidt tot een grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, hetgeen weer tal van sociale en economische voordelen met zich meebrengt,

D.  overwegende dat statistische gegevens opgesplitst naar geslacht nodig zijn om de impact van de crisis op vrouwen en mannen te vergelijken; overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid in dit opzicht een waardevolle bijdrage kan leveren; overwegende dat statistische gegevens nodig zijn over de impact van armoede op de gezondheid van vrouwen, vooral op oudere vrouwen, daar het van belang is de gezondheid van vrouwen te verzekeren,

E.  overwegende dat het werkloosheidscijfer voor vrouwen vaak wordt onderschat aangezien er geen rekening wordt gehouden met het niveau van inactiviteit bij vrouwen (2/3 van de 63 miljoen niet-actieven van 25 tot en met 64 jaar) en de nochtans hoge deeltijdse werkloosheid,

F.  overwegende dat de arbeidsparticipatie lager is in plattelandsgebieden en bovendien een groot aantal vrouwen niet actief is op de officiële arbeidsmarkt en daardoor noch als werkloos staat geregistreerd, noch in de werkloosheidsstatistieken wordt opgenomen, hetgeen zorgt voor financiële en juridische problemen met betrekking tot het recht op moederschaps- en ziekteverlof, de opbouw van pensioenrechten en de toegang tot sociale zekerheid, alsook voor problemen bij echtscheiding; overwegende dat in plattelandsgebieden een tekort bestaat aan kwalitatief hoogwaardige banen,

G.  overwegende dat vrouwen een ongunstige positie op de arbeidsmarkt hebben door ongewilde deeltijdse arbeidsovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en met name door lonen die lager liggen dan bij mannen; overwegende dat deze kloof blijkt uit de pensioenniveaus, wat ervoor zorgt dat vrouwen te maken hebben met een hoger risico op armoede dan mannen,

H.  overwegende dat het verschil tussen de salarissen van mannen en vrouwen in de Europese Unie nog steeds gemiddeld 18% bedraagt, en in bepaalde landen hoger ligt dan 25% en dat, ondanks de geleverde inspanningen en de geboekte vooruitgang, het salarisverschil slechts heel langzaam kleiner wordt,

I.  overwegende dat moederschap de loopbaan van vrouwen niet mag afremmen en dat statistieken duidelijk aantonen dat vrouwen die kinderen hebben minder uren aan werk besteden dan vrouwen zonder kinderen, in tegenstelling tot vaders, die meer werken dan mannen zonder kinderen,

J.  overwegende dat de lidstaten tijdens de Europese Raad van Barcelona van maart 2002 zijn uitgenodigd om vóór 2010 te voorzien in kinderopvang voor ten minste 90% van de kinderen tussen 3 jaar en de leerplichtige leeftijd en voor ten minste 33% van de kinderen onder 3 jaar, maar dat er in meerdere landen nog steeds een tekort is aan door de overheid gesubsidieerde voorzieningen, wat bijzonder nadelig is voor achtergestelde gezinnen,

K.  overwegende dat de arbeidsdeelname van vrouwen correleert met hun gezinstaken; overwegende dat meer dan 20 miljoen Europeanen (waarvan twee derde vrouwen) de taak op zich nemen te zorgen voor niet-zelfstandige volwassenen, wat hen belet voltijds een beroep uit te oefenen; overwegende dat de kans bestaat dat deze situatie steeds vaker zal voorkomen met de vergrijzing van de bevolkingen,

L.  overwegende dat de toegang tot kinderopvang en zorgdiensten voor ouderen en andere afhankelijke personen essentieel is voor het verwezenlijken van een gelijke arbeids-, onderwijs- en scholingsparticipatie van vrouwen en mannen,

M.  overwegende dat de takenlast van vrouwen, die het huishouden voeren, meermaals hoger ligt dan die van mannen, dat dit financieel met geen enkele waardering uitgedrukt wordt noch op zijn waarde wordt geschat, en dat de thuisverzorging van kinderen, zieke en oudere mensen zware en onbetaalde arbeid is,

N.  overwegende dat het nodig is genderstereotypen in het onderwijs te bestrijden die kinderen er vaak toe aanzetten voor school- of academische vakken te kiezen die traditioneel als vrouwelijk of mannelijk wordt beschouwd; overwegende dat het belangrijk is de school- en beroepskeuzen te diversifiëren,

O.  overwegende dat nog steeds heel weinig meisjes voor de wetenschap kiezen en zij met name in de wiskunde en IT-sector ondervertegenwoordigd zijn, wat zorgt voor een sterke sectorale segregatie,

P.  overwegende dat de mogelijkheid bestaat dat de gendersegregatie in sectoren en beroepen door de crisis nog groter wordt, een segregatie die niet alleen niet is afgenomen, maar in sommige landen zelfs toeneemt,

Q.  overwegende dat de EU 2020-strategie de nadruk legt op ecologische transformatie, de sector hernieuwbare energie en groene banen in sterk op wetenschap en technologie leunende sectoren voor een nieuwe, duurzame economie; overwegende dat de actieve inclusie en herintegratie van vrouwen op de arbeidsmarkt van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van de werkgelegenheidsdoelstelling van 75% voor vrouwen en mannen,

R.  overwegende dat algemeen genomen meer vrouwen een universitaire opleiding hebben genoten dan mannen (58,9% van de diploma's wordt aan vrouwen uitgereikt), maar dat hun salarissen gemiddeld nog altijd 18% lager liggen dan die van mannen en dat ze minder vertegenwoordigd zijn in leidinggevende functies in ondernemingen, overheidsdiensten en politieke organen,

S.  overwegende dat het in juni 2008 opgerichte Europees netwerk van vrouwen in leidinggevende posities in de economie en de politiek een bijdrage kan leveren aan de verbetering van het evenwicht tussen mannen en vrouwen in leidinggevende functies,

T.  overwegende dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen in onze samenlevingen enkel kan worden bereikt door middel van een betere politieke vertegenwoordiging van vrouwen op zowel Europees, nationaal, regionaal als plaatselijk niveau; overwegende dat het percentage vrouwen in de nationale parlementen in bepaalde lidstaten lager ligt dan 15%,

U.  overwegende dat positieve discriminatie van essentieel belang is gebleken voor de volledige integratie van vrouwen in de arbeidsmarkt en in de maatschappij in het algemeen,

V.  overwegende dat vrouwen meer worden bedreigd door armoede dan mannen door onderbroken loopbanen en lagere salarisniveaus en pensioenuitkeringen; overwegende dat er in het kader van het Europees Jaar voor de bestrijding van de armoede onvoldoende aandacht is besteed aan de onderliggende oorzaken van armoede van vrouwen,

W.  overwegende dat het jaar 2011 is uitgeroepen tot jaar van het vrijwilligerswerk, en dat de bevordering van het beginsel van gelijke kansen voor mannen en vrouwen een positieve rol kan spelen in vrijwilligersprogramma's,

X.  overwegende dat vrouwen die behoren tot een minderheid, en met name Roma-vrouwen, regelmatig het slachtoffer zijn van meervoudige en intersectionele discriminatie en niet alleen zijn achtergesteld ten opzichte van vrouwen van de bevolkingsmeerderheid, maar ook ten opzichte van tot etnische minderheden behorende mannen, en dat het risico op uitsluiting voor hen bijzonder hoog ligt,

Y.  overwegende dat geweld tegen vrouwen een aanslag op hun grondrechten is, geen geografische, economische, culturele of sociale grenzen kent en een enorme belemmering vormt voor gelijkheid; overwegende dat volgens schattingen 20 tot 25% van de vrouwen in Europa in de loop van hun leven slachtoffer wordt van fysiek geweld; overwegende dat psychisch geweld even schadelijk kan zijn als fysiek geweld,

Z.  Overwegende dat het Europees Parlement zich bij tal van gelegenheden heeft uitgesproken voor het instellen van een Europees Jaar voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen,

AA.  overwegende dat vrouwen geconfronteerd worden met allerlei vormen van discriminatie en kwetsbaarder zijn voor sociale uitsluiting, armoede en extreme schendingen van mensenrechten, zoals mensenhandel, met name wanneer zij niet tot de meerderheid van de samenleving behoren,

1.  herhaalt dat in de eerste plaats overwegend mannelijke sectoren werden getroffen door de crisis, zoals de bouw- en de industriesector, maar dat de crisis zich heeft uitgebreid tot andere meer gemengde sectoren, wat gezorgd heeft voor meer werkloosheid bij vrouwen; benadrukt dat de salarissen het meest gedaald zijn in vrouwvriendelijke dienstensectoren, in door de staat gefinancierde sectoren, waar het meest vrouwen werkzaam zijn, waardoor ze later een lager pensioen krijgen, wat de armoede bij oudere vrouwen nog meer beïnvloedt;

2.  wijst erop dat geslaagde gelijke behandeling van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt een aantoonbaar positieve uitwerking heeft op de sociaaleconomische ontwikkeling van een land en dat het beleid inzake gelijke behandeling in tijden van crisis dus niet mag worden opgegeven, maar dat het ondanks de door lidstaten en Commissie beleden bereidwilligheid tot dusverre niet is gelukt gelijke voorwaarden tot stand te brengen; onderstreept dat de recessie een in de afgelopen tien jaar constante tendens heeft geaccentueerd, waarbij vrouwen in vergelijking met mannen veel meer getroffen worden door armoede en verlies van werk, en moeten werken onder slechte omstandigheden, waardoor de armoede in de EU in steeds grotere mate vrouwen treft;

3.  benadrukt dat in de Lissabon-strategie de doelstelling is verwoord om de arbeidsparticipatie onder vrouwen te verhogen tot 60% van de potentiële vrouwelijke beroepsbevolking, terwijl op demografisch gebied de inspanningen gericht moeten zijn op verbetering van het geboortecijfer om de uitdagingen van de toekomst het hoofd te kunnen bieden;

4.  benadrukt dat de arbeidsparticipatie van vrouwen een positief element vormt op het vlak van economische groei; wijst erop dat volgens gegevens van de OVSE vrouwen zelfs verantwoordelijk zijn voor een kwart van de jaarlijkse groei tussen 1995 en 2008;

5.  benadrukt dat van de mensen die werkloos raken, vrouwen een groter risico lopen om geen baan te vinden;

6.  dringt erop aan doelstellingen vast te leggen voor de participatie van vrouwen op werkterreinen, in sectoren en op niveaus waarvan zij tot dusver zijn uitgesloten en waar zij nog steeds ondervertegenwoordigd zijn, door werkgevers voor te lichten en aan te moedigen vrouwen in dienst te nemen en te bevorderen, met name in de genoemde sectoren en functiegroepen;

7.  merkt op dat aanzienlijk meer aandacht moet worden besteed aan de gelijkstelling van de pensioenen voor vrouwen, daar vrouwen vaker dan mannen hun loopbaan onderbreken om voor de kinderen, zieke of oudere gezinsleden te kunnen zorgen, en ze wegens hun gezinstaken vaker dan mannen geneigd zijn niet voltijds of in onzeker dienstverband te werken;

8.  vraagt dat de impact van de crisis op vrouwen wordt gekwantificeerd en gemeten door middel van de uitwerking van precieze statistieken, met op basis van gender opgesplitste indicatoren die regelmatig worden bijgewerkt en opnieuw geëvalueerd; merkt bovendien op dat deze statistieken het mogelijk moeten maken de conjunctuurproblemen maar ook de structurele problemen gerichter aan te pakken, om zo makkelijker uit de crisis te raken en de verspreiding van goede praktijken te bevorderen;

9.  betreurt dat de projecten voor economisch herstel vooral zijn gericht op sectoren van de arbeidsmarkt waar mannen in de meerderheid zijn; onderstreept dat deze voorkeur voor het ondersteunen van de arbeidstoekomst van mannen boven het ondersteunen van de arbeidstoekomst van vrouwen, de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen niet kleiner maar groter maakt onderstreept de noodzaak van integratie van het gendergelijkheidsbeleid in de Europese, nationale en internationale herstelplannen voor bestrijding van de crisis;

10.  wijst erop dat de arbeidsparticipatie voor zowel mannen als vrouwen lager is in plattelandsgebieden en dat dit inhoudt dat er in plattelandsgebieden een tekort bestaat aan kwalitatief hoogwaardige banen; wijst er bovendien op dat veel vrouwen niet op de officiële arbeidsmarkt tewerk zijn gesteld, waardoor zij niet als werkloos staan geregistreerd, hetgeen zorgt voor financiële en juridische problemen met betrekking tot het recht op zwangerschaps- en ziekteverlof en de opbouw van pensioenrechten;

11.  benadrukt dat de huidige economische crisis negatieve gevolgen heeft gehad voor werknemers; wijst op het feit dat hoewel het opleidingsniveau van vrouwen de voorbije jaren sterk is gestegen en er nu meer vrouwen dan mannen afstuderen, vrouwen nog steeds vaak noodgedwongen secundaire posities bekleden en zij minder betaald krijgen;

12.  benadrukt dat vrouwen vaker dan mannen te maken hebben met onzekere arbeidsverhoudingen, onvrijwillig deeltijdwerk en armoede, en verzoekt de lidstaten derhalve ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen ter verwezenlijking van de EU-2020-doelstellingen inzake armoedebestrijding en sociale integratie in een mate op vrouwen worden afgestemd die evenredig is aan hun aandeel in de bevolkingsgroep dat armoede ondervindt;

13.  herinnert eraan dat er ongelijkheden tussen vrouwen en mannen blijven bestaan, ondanks de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen; benadrukt dat de economische en financiële crisis moet worden beschouwd als een kans om nieuwe en vernieuwende voorstellen in te dienen op het gebied van arbeidsparticipatie, salarisniveaus, arbeidstijd en de bezetting van leidinggevende functies;

14.  onderstreept het positieve effect dat de gelijkheid van mannen en vrouwen op economische groei heeft; wijst op diverse studies waaruit blijkt dat wanneer de arbeidsparticipatie, het percentage deeltijdwerkers en de productiviteitscijfers voor vrouwen net zo hoog zouden zijn als voor mannen, het bbp 30% hoger zou zijn;

15.  herhaalt dat bij de uitwerking van het werkgelegenheidsbeleid rekening moet worden gehouden met de opkomst van nieuwe sectoren met een potentieel om veel banen te creëren, zoals de ecologische sector, de milieusector en de sector van nieuwe technologieën; benadrukt dat vrouwen een belangrijke rol te spelen hebben in deze sectoren; nodigt de lidstaten uit meisjes aan te sporen dergelijke studierichtingen niet links te laten liggen; spoort de Commissie aan te zorgen voor een onafgebroken communicatie over deze nieuwe perspectieven;

16.  roept de lidstaten op om, met medewerking van de Commissie en via de intensivering van de reeds bestaande activiteiten, de deelneming van vrouwen aan beroepsonderwijs aan te moedigen in het kader van een leven lang leren, gelet op de ommezwaai naar een duurzame economie waarin de klemtoon ligt op het mkb, en aldus de inzetbaarheid van vrouwelijke werknemers te verbeteren;

17.  dringt erop de kansen van vrouwen in het onderwijs, in de beroepsopleiding en op het werk te verbeteren en de toegang van vrouwen tot niet-traditionele sectoren en functies op hogere verantwoordelijkheidsniveaus te bevorderen;

18.  verzoekt de Commissie om er naar toe te werken dat in de dialoog met de sociale partners aandacht wordt besteed aan kwesties als loontransparantie, arbeidsvoorwaarden voor vrouwen met een deeltijdcontract of een arbeidscontract voor bepaalde tijd en het stimuleren van de arbeidsparticipatie van vrouwen in „groene” en innovatieve sectoren;

19.  herhaalt dat de ondernemingen van de sociale economie (stichtingen, onderlinge waarborgmaatschappijen, coöperatieve verenigingen) een centrale rol kunnen spelen bij het herstel van de economie en dat hun werknemers voornamelijk vrouwen zijn; verzoekt de lidstaten ernstig rekening te houden met dit soort activiteiten bij de uitwerking van herstelmaatregelen;

20.  onderstreept het belang van het ontwikkelen van het juridische concept van gezamenlijk eigendomsrecht, zodat de rechten van vrouwen in de landbouwsector volledig worden geëerbiedigd, vrouwen een adequate sociale bescherming genieten en hun werk wordt erkend, en benadrukt de noodzaak van aanpassing van de verordening inzake het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) zodat, net als bij het Europees Sociaal Fonds (ESF), in het kader van de komende programmeringsperiode 2014-2020 proactieve maatregelen ten behoeve van vrouwen kunnen worden genomen, hetgeen in de voorgaande perioden mogelijk was maar in de huidige niet, die een zeer gunstig effect op de werkgelegenheid voor vrouwen op het platteland zullen hebben;

21.  benadrukt dat de bestrijding van loonverschillen een prioriteit is en betreurt derhalve dat de Commissie het debat op Europees niveau onvoldoende opnieuw op gang heeft gebracht, wat met name had kunnen gebeuren door middel van een herziening van de bestaande regelgeving met betrekking tot de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen, zoals het Europees Parlement had gevraagd in zijn resolutie van 18 november 2009;

22.  verzoekt de lidstaten krachtiger maatregelen te nemen om te voorkomen dat de arbeidsmarkten worden opgedeeld naar geslacht en ter bestrijding van het verschijnsel dat vrouwen vaak werkzaam zijn in slechter betaalde beroepen, door jongens en meisjes reeds op school belangstelling bij te brengen voor het geheel van beroepsactiviteiten en de opleidingsmogelijkheden voor vrouwen te verbreden opdat zij in staat zijn zich tijdens hun loopbaan aan te passen aan veranderingen op de arbeidsmarkt; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de oneerlijke situatie dat, na meer dan een halve eeuw sinds het opnemen van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid, een vrouw in de EU gemiddeld 418 dagen moet werken om net zoveel te verdienen als een man in een kalenderjaar;

23.  is van mening dat er dringend maatregelen moeten worden genomen tegen loondiscriminatie, hetzij door herziening van de bestaande richtlijn, hetzij door vaststelling van sectorgerichte stapsgewijze plannen met nauwkeurig omschreven doelstellingen – zoals het terugdringen van de salariskloof tot 0,5% vóór 2020 – om directe en indirecte discriminatie uit te roeien, dan wel door stimulering van collectieve arbeidsovereenkomsten, scholing van adviseurs voor gendergelijkheid, maatregelen tegen de oneerlijke verdeling van onbetaald werk tussen mannen en vrouwen, en opstelling van plannen voor gendergelijkheid voor ondernemingen en andere werkplekken; is van mening dat transparantie van salarisstructuren standaardpraktijk moet zijn om de onderhandelingspositie van vrouwelijke werknemers te versterken;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om maatregelen in te stellen die erop zijn gericht een einde te maken aan de huidige paradox dat vrouwen, hoewel hoger opgeleid, nog altijd slechter worden betaald dan mannen; wijst er nadrukkelijk op dat voor een betere economische groei en reële duurzame ontwikkeling, het potentieel van vrouwelijke carrières volledig moet worden benut;

25.  onderstreept dat een eigen inkomen en betaald werk van goede kwaliteit voor vrouwen, enerzijds essentieel zijn voor de economische zelfstandigheid van vrouwen en anderzijds de sleutel vormen voor een grotere gelijkheid van mannen en vrouwen in de maatschappij als geheel;

26.  verzoekt de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen toe te passen op de nationale pensioenstelsels, zowel wat leeftijd als wat beloning betreft;

27.  roept de lidstaten van de EU op de wetgeving inzake gelijke beloning voor gelijk werk naar behoren ten uitvoer te leggen en verzoekt de Commissie sancties op te leggen aan lidstaten die deze wetgeving niet naleven;

28.  benadrukt dat gendergelijkheid niet alleen een kwestie van diversiteit en sociale rechtvaardigheid is, maar tevens een voorwaarde om doelstellingen als duurzame groei, werkgelegenheid, concurrentiekracht en sociale samenhang te kunnen verwezenlijken, zoals op grond van de EU-2020-strategie is overeengekomen; verzoekt de Commissie de genderdimensie te versterken in alle onderdelen van de EU-2020-strategie, waaronder een meer doeltreffende toepassing van gendermainstreaming, en specifieke acties en doelstellingen voor gendergelijkheid te ontwikkelen in alle maatregelen gericht op het verbeteren van de Europese werkgelegenheidsstrategie;

29.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om op het gebied van gendergelijkheid de voorkeur te geven aan bindende voorstellen boven niet-bindende strategieën en beleidsdocumenten;

30.  meent dat de Commissie en de lidstaten opleidings- en uitvoeringsinstrumenten moeten ontwikkelen die alle belanghebbenden in staat stellen om op hun respectieve bevoegdheidsterreinen het gelijkekansenperspectief te integreren, en dit ook toe te passen bij de evaluatie van het gendereffect van beleidsmaatregelen;

31.  wijst op het belang van kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en genderstatistieken die betrouwbaar, vergelijkbaar en tijdig beschikbaar zijn, en die moeten worden gebruikt bij het bewaken van de toepassing van gendermainstreaming in alle beleidssectoren;

32.  geeft prioriteit aan de bestrijding van armoede via een herziening van het macro-economisch, monetair, sociaal en werkgelegenheidsbeleid, die daarvan de oorzaak zijn, ten einde voor vrouwen economische en sociale gerechtigheid te waarborgen; de methoden voor het bepalen van het armoedepercentage moeten worden herzien en er moeten strategieën worden opgezet die een eerlijke inkomensverdeling bevorderen, een minimuminkomen en fatsoenlijke lonen en pensioenen garanderen, meer hoogwaardige banen met rechten voor vrouwen scheppen, de toegang voor vrouwen en meisjes tot goede openbare diensten verzekeren, en de sociale bescherming en dienstverlening in de buurt, met name crèches, kinderopvang, dagcentra, gemeenschappelijk buurthuizen en diensten voor gezinshulp, verbeteren;

33.  is verheugd dat de Commissie een Europese campagne is gestart om de genderkloof op het gebied van beloning te helpen verkleinen; wijst er evenwel op dat er nog steeds sprake is van loonverschillen tussen mannen en vrouwen, en verlangt derhalve dat op Europees niveau een reflectieproces wordt opgestart om stereotypen die samenhangen met de rollen van mannen en vrouwen te bestrijden; onderstreept in dit verband het belang van bewustmakingscampagnes in scholen, op werkplekken en in de media voor het bestrijden van hardnekkige genderstereotypen en met name van vernederende beelden; wijst erop dat in deze campagnes de nadruk moet worden gelegd op de rol van mannen bij een eerlijke verdeling van gezinstaken en een goed evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven;

34.  is van oordeel dat demografische verandering ons dwingt gebruik te maken van het potentieel van vrouwen en hun arbeidsparticipatie te vergroten om de in de EU-2020-strategie opgenomen doelstelling, d.w.z. een arbeidsparticipatie van 75% onder vrouwen en mannen in de leeftijdscategorie 20 tot 64 jaar, te verwezenlijken; meent tegelijkertijd dat mensen de vrije keuze moeten hebben al dan niet kinderen te willen en dat een goed evenwicht tussen werk en privéleven een belangrijke voorwaarde is voor het optrekken van de arbeidsparticipatie van vrouwen;

35.  vraagt dat concrete voorstellen worden ingediend met het oog op een betere combinatie van werk en privéleven, met name op het gebied van bijstand voor hulpbehoevenden en kinderopvang;

36.  onderstreept het feit dat de Commissie en de lidstaten de rol van vrouwen in de sociale economie absoluut moeten waarderen, ondersteunen en vergroten, gelet op het hoge percentage vrouwen dat in deze sector werkt en de hoeveelheid diensten die deze aanbiedt om de combinatie van beroeps- en gezinsleven te bevorderen;

37.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de verschillende Europese rechtsinstrumenten op het vlak van het combineren van werk en privéleven door de lidstaten correct worden omgezet door voor gelijke arbeidsvoorwaarden voor mannen en vrouwen te zorgen;

38.  stelt vast dat deeltijdwerk negatieve persoonlijke gevolgen kan hebben, zoals carrièrebelemmeringen of armoede op oudere leeftijd, of vanwege het lagere inkomen een bijstandsuitkering voor het levensonderhoud, bij ziekte of bij werkloosheid noodzakelijk kan maken;

39.  onderstreept het belang van voorlichtingscampagnes die een einde moeten maken aan het onderscheid tussen traditioneel mannelijke en vrouwelijke beroepen of activiteiten; verzoekt, in het verlengde hiervan, lidstaten zich te bezinnen op de rol van taal in de handhaving van stereotypen, vooral ten aanzien van benamingen van beroepen waarvoor een vrouwelijke dan wel een mannelijke uitgang gebruikelijk is;

40.  verzoekt overheids- en particuliere instellingen actieplannen voor gendergelijkheid in hun interne regelgeving te verwerken, daaraan specifieke doelstellingen op korte, middellange en lange termijn te verbinden en jaarlijks de balans op te maken van de mate waarin hun doelstellingen effectief zijn verwezenlijkt;

41.  vraagt dat concrete voorstellen worden ingediend om een beter evenwicht tussen beroeps-, gezins- en privéleven te bereiken door de bevordering van een betere verdeling van beroeps- en gezinstaken en sociale verantwoordelijkheden tussen man en vrouw, met name op het gebied van bijstand voor hulpbehoevenden en kinderopvang;

42.  verzoekt de lidstaten steun te verlenen aan het streven naar werk voor de achtergestelde groep van zwangere vrouwen en moeders die de lasten van hun gezin alleen moeten dragen, door voor deze groep fatsoenlijk en vast werk te bevorderen dat verenigbaar is met het gezinsleven;

43.  is stellig van mening dat het voor een betere verenigbaarheid van werk en zorg noodzakelijk is om verlofregelingen in verband met zorg voor kinderen te verbeteren;verzoekt de Raad derhalve op korte termijn een gemeenschappelijk standpunt goed te keuren inzake het standpunt van het Parlement van 20 oktober 2010(16) over de herziening van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad;

44.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor (betere) opvangfaciliteiten voor kinderen, zoals crèches en kinderdagverblijven, voor ouderen en voor andere afhankelijke personen, tegen betaalbare prijzen, van goede kwaliteit, met openingsuren die verenigbaar zijn met een volledige werkdag en zo toegankelijk mogelijk; is van oordeel dat deze faciliteiten steun betekenen voor ouders en hen de toegang tot de arbeidsmarkt vergemakkelijken;

45.  wijst erop dat het gezin de hoeksteen van de samenleving vormt en onlosmakelijk verbonden is met het overbrengen van waarden en het solidair samenleven; wijst erop dat de invoering van flexibele werktijden en van de mogelijkheid van telewerk naast de uitbreiding van de kinderopvang en professionalisering van de thuisverzorging van ouderen een belangrijke maatregel is om beroep en gezinsleven te kunnen combineren en om de gelijke participatie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt, alsmede in onderwijs en opleiding te bevorderen; betreurt dat een gebrek aan passende verlofregelingen, ouderschapsverlofregelingen en flexibele werkregelingen voor beide ouders vrouwen vaak belet om actief deel te nemen aan de arbeidsmarkt en fulltime te werken; is van mening dat hiervoor ook een verandering van de ondernemingscultuur nodig is wat betreft de aanwerving en aanstelling van vrouwen; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten derhalve ervoor te zorgen dat de economische en financiële crisis niet leidt tot kortingen op sociale uitkeringen en bezuinigingen op sociale voorzieningen op het gebied van de zorg voor kinderen, ouderen en kwetsbare groepen;

46.  herinnert de Commissie en de lidstaten eraan dat het noodzakelijk is positieve actie te ondernemen ten gunste van vrouwen en mannen om hun terugkeer op de arbeidsmarkt na een periode van zorg voor het gezin (opvoeding van kinderen en/of zorg voor een zieke of gehandicapte ouder) te vergemakkelijken, door stimulering van beleidsmaatregelen die gericht zijn op integratie of herintegratie in de arbeidsmarkt, zodat zij weer financieel onafhankelijk kunnen zijn;

47.  benadrukt het feit dat onderwijs van groot belang is en een sleutelrol speelt als het erom gaat kinderen vanaf zeer jonge leeftijd het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen en begrip voor andere culturen en voor de gevolgen van discriminatie en vooroordelen bij te brengen; verzoekt de lidstaten te zorgen voor onderwijs-, maar ook voor voorlichtings- en bewustmakingsprogramma's tijdens de hele schoolgang om de waarden die zijn opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te bevorderen, en met name artikel 23 ervan;

48.  benadrukt dat het belangrijk is dat jongeren zelf kunnen beslissen over hun beroepskeuzen; herhaalt in dit opzicht dat het belangrijk is dat leerkrachten hun leerlingen niet automatisch in de richting van een bepaalde carrière duwen op basis van genderstereotypen en dat zij het enorme banenpotentieel uitgebreid aan bod laten komen;

49.  nodigt de lidstaten uit er middels bewustmakingsprogramma's in het onderwijs voor te zorgen dat meisjes niet automatisch opteren voor een sector of loopbaan die traditioneel als vrouwelijk wordt beschouwd;

50.  benadrukt dat de op Europees niveau geleverde inspanningen om de vertegenwoordiging van vrouwen in de politiek te verhogen moeten worden opgevoerd; moedigt in dit opzicht de deelname van vrouwen in alle Europese instellingen aan, met name in leidinggevende functies; benadrukt dat bijkomende inspanningen nodig zijn op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau; dringt aan op de vaststelling van bindende doelstellingen om voor de gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen te zorgen; wijst er in dit verband op dat de toepassing van quota bevorderlijk is voor de vertegenwoordiging van vrouwen; wijst er in dit verband op dat het gebruik van verkiezingsquota een positief effect op de vertegenwoordiging van vrouwen heeft;

51.  herinnert eraan dat in slechts 3% van de grote ondernemingen een vrouw aan het hoofd staat van het hoogste besluitvormingsorgaan; benadrukt wat dat betreft het voorbeeld van Noorwegen, dat sinds 2003 met succes een beleid van quota voert dat erop gericht is gelijkheid te bewerkstellingen in de directies van ondernemingen, een voorbeeld dat nu door Spanje en Frankrijk wordt gevolgd; verzoekt de lidstaten effectieve maatregelen te nemen, zoals de invoering van quota, om te zorgen voor een betere vertegenwoordiging van vrouwen in beursgenoteerde grote ondernemingen en in de raden van bestuur van bedrijven in het algemeen, met bijzondere aandacht voor ondernemingen in de publieke sector;

52.  benadrukt dat ter bestrijding van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt in de lidstaten ondernemings- en sectorspecifieke, wettelijk verankerde gelijkheidsplannen dienen te worden opgesteld die door de sociale partners worden omlijnd en gecontroleerd;

53.  dringt er bij de lidstaten op aan maatregelen te nemen, in het bijzonder wetgevingsmaatregelen, waarmee door het vaststellen van dwingende doelstellingen een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in leidinggevende functies in ondernemingen, overheidsinstellingen en politieke organen wordt gewaarborgd;

54.  verzoekt de lidstaten bedrijven te identificeren die de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het combineren van werk, gezins- en privéleven bevorderen en op grote schaal beste praktijken te verspreiden, met name via kamers van koophandel en industrie;

55.  juicht het algemene debat over de verhoging van het percentage vrouwen in leidinggevende functies in het bedrijfsleven toe en stelt voor om hiertoe in ondernemingen een vrijwillige quotumregeling in te voeren die op de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke personeelsleden is gebaseerd;

56.  verzoekt om maatregelen op nationaal en Europees niveau voor het bevorderen van de ondernemersgeest van vrouwen door te voorzien in scholingsmogelijkheden en professioneel en juridisch advies en door toegang te verschaffen tot private en overheidsfinanciering;

57.  moedigt de regelmatige uitwisseling van informatie en ervaringen aan tussen de actoren die zich bezighouden met de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen, met het oog op de toepassing van beste praktijken op alle niveaus: Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk, en in de particuliere en de openbare sector;

58.  verzoekt de lidstaten en de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan kwetsbare groepen vrouwen: gehandicapte vrouwen, oudere vrouwen, vrouwelijke migranten, lesbische, biseksuele en transseksuele vrouwen en vrouwen die behoren tot een minderheid met weinig of geen opleiding, met personen ten laste, vormen de specifieke groepen waarvoor maatregelen nodig zijn die afgestemd zijn op hun situatie; verzoekt de Commissie te zorgen voor continuïteit door erop toe te zien dat in het kader van het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk 2011 eveneens de bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen wordt aangemoedigd;

59.  verzoekt de Commissie de lidstaten te steunen bij de verbetering van de beroepsmatige vooruitzichten van achtergestelde vrouwen, zoals vrouwelijke migranten, vrouwen uit etnische minderheden, vrouwen met een handicap en alleenstaande moeders, en hun daardoor meer kans op een financieel-economisch autonoom leven te bieden door verbetering van de toegang tot onderwijs en beroepsopleidingen; wijst op de meervoudige discriminatie van vrouwelijke migranten, op grond van geslacht, etnische achtergrond en vaak ook leeftijd;

60.  verzoekt de nationale, regionale en lokale instanties die met gelijkheidskwesties zijn belast, een geïntegreerde aanpak te volgen om beter te kunnen reageren op gevallen van meervoudige discriminatie en zulke gevallen beter te kunnen afhandelen; dringt er bovendien op aan dat genoemde instanties opleidingen organiseren voor rechters, juristen en personeel, om deze te leren hoe ze gevallen van meervoudige discriminatie kunnen herkennen, voorkomen en afhandelen;

61.  herhaalt dat vrouwen met een handicap vaak worden gediscrimineerd in het sociale, culturele, politieke en beroepsleven; verzoekt de Commissie en de lidstaten concrete voorstellen in te dienen met het oog op de verbetering van hun situatie;

62.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan Roma-vrouwen bij de toepassing van de Europese strategie voor de integratie van de Roma;

63.  wijst erop dat transseksuelen nog steeds een sterk gemarginaliseerde en gediscrimineerde groep vormen die volgens het verslag van het Bureau voor de grondrechten met een grote mate van stigmatisering, uitsluiting en geweld wordt geconfronteerd; dringt er met klem bij de Commissie en de lidstaten op aan de aanbevelingen van dit bureau met het oog op een sterkere en meer uitgesproken bescherming tegen discriminatie op grond van genderidentiteit op te volgen;

64.  pleit voor de toegang van vrouwen en mannen tot informatie over reproductieve gezondheidszorg en benadrukt dat vrouwen dezelfde rechten en kansen als mannen moeten hebben om toegang tot dergelijke diensten te krijgen; wijst er met nadruk op dat vrouwen zeggenschap moeten hebben over hun seksuele en reproductieve rechten, met name door gemakkelijke toegang tot contraceptie en abortus; verzoekt de lidstaten en de Commissie om maatregelen en acties uit te voeren die ertoe moeten leiden dat mannen zich meer bewust worden van hun verantwoordelijkheid ten aanzien van seksuele en reproductieve kwesties;

65.  herhaalt dat geweld tegen vrouwen een belangrijk obstakel vormt voor de verwezenlijking van gelijkheid tussen vrouwen en mannen; verzoekt de Commissie te beginnen met de opstelling van een voorstel voor een algemene richtlijn betreffende de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen, of het nu gaat om fysiek, seksueel of psychisch geweld, en met name van vrouwenhandel;

66.  is verheugd over de inspanningen die op Europees en nationaal niveau werden geleverd om geweld tegen vrouwen te bestrijden, maar benadrukt dat dit fenomeen een ernstig onopgelost probleem blijft, en dringt er bij de lidstaten op aan maatregelen te nemen om de toegang te verzekeren tot ondersteunende diensten voor preventie van of bescherming van vrouwen tegen gendergerelateerd geweld, ongeacht hun verblijfsstatus, ras, leeftijd, seksuele geaardheid, hun etnische afkomst of religie; is verheugd over het opnieuw opstarten van het debat over dit soort geweld, met name door de invoering van het Europees beschermingsbevel en het voorstel voor een richtlijn ter voorkoming en bestrijding van mensenhandel; verzoekt de toekomstige voorzitterschappen van de Unie verder te gaan op deze weg; onderstreept dat het noodzakelijk is dat de Raad en de Commissie het in het Europees Parlement bereikte akkoord over het Europees beschermingsbevel aanvaarden, zodat de richtlijn zo spoedig mogelijk in werking kan treden;

67.  vraagt de Commissie opnieuw om in de komende vier jaar een Europees jaar tegen het geweld jegens vrouwen in te stellen; herinnert er wat dat betreft aan dat met deze maatregel bewustwording onder Europese burgers kan worden bewerkstelligd en overheden tegen het geweld jegens vrouwen in stelling kunnen worden gebracht;

68.  onderstreept de noodzaak van een brede enquête die alle EU-landen bestrijkt en waarbij gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijke methodiek om zicht te krijgen op de daadwerkelijke omvang van het probleem; vestigt de aandacht op het belangrijke werk dat op dit terrein zal worden verricht door het Europees Waarnemingscentrum voor gendergerelateerd geweld, dat hoogwaardige statistische gegevens zal aandragen ter onderbouwing van beleidsmaatregelen om dit maatschappelijk kwaad aan te pakken;

69.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor een betere opleiding van en samenwerking tussen personeel uit de gezondheids-, sociale, politiële en justitiële sector en te voorzien in structuren waarmee alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van ernstige en zeldzame gewelddaden, zoals aanvallen met zuur, kunnen worden aangepakt;

70.  benadrukt dat het belangrijk is dat de centrale, regionale en lokale overheden maatregelen nemen voor de re-integratie op de arbeidsmarkt van vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van seksegerelateerd geweld, via instrumenten als het Europees Sociaal Fonds en het programma Progress;

71.  merkt op dat de systemen voor medewerking en deelname van vrouwenorganisaties en het maatschappelijk middenveld in het algemeen aan processen voor de integratie van het genderperspectief, verbeterd moeten worden;

72.  onderstreept dat het noodzakelijk is het genderperspectief en de bestrijding van gendergerelateerd geweld te integreren in het buitenlands en ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie;

73.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen het beeld van de vrouw in de media in het algemeen en in advertenties en reclames in het bijzonder te bevorderen en respect te hebben voor de waardigheid en de uiteenlopende rollen en identiteiten van vrouwen;

74.  verzoekt de Commissie en de begrotingsautoriteit zich bij de opstelling van begrotingen en van het nieuwe meerjarige financiële kader van de EU te houden aan de normen van gendergevoelig budgetteren; spoort de lidstaten aan dit voorbeeld bij de opstelling van hun nationale begrotingen te volgen;

75.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen van de lidstaten.

(1) Document nr. 5731/10 van de Raad van de Europese Unie van 3 maart 2010.
(2) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(3) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(4) PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.
(5) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(6) PB L 180 van 15.7.2010, blz. 1.
(7) PB L 68 van 18.3.2010, blz. 13.
(8) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.
(9) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 35.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0231.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0232.
(12) PB C 301 E van 13.12.2007, blz. 56.
(13) PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 35.
(14) PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 21.
(15) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0484.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0373.

Laatst bijgewerkt op: 6 juni 2012Juridische mededeling