Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2082(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0318/2011

Ingediende teksten :

A7-0318/2011

Debatten :

PV 13/10/2011 - 3
CRE 13/10/2011 - 3

Stemmingen :

PV 13/10/2011 - 6.3
CRE 13/10/2011 - 6.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0436

Aangenomen teksten
PDF 134kWORD 62k
Donderdag 13 oktober 2011 - Brussel Definitieve uitgave
Toekomst van de btw
P7_TA(2011)0436A7-0318/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw (2011/2082(INI))

Het Europees Parlement ,

–  gezien het Groenboek van de Commissie over de toekomst van de btw (COM(2010)0695),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2010)1455),

   gezien de „Small Business Act voor Europa” (COM(2008)0394),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Een digitale agenda voor Europa” (COM(2010)0245),

–  gezien de studie van PWC over de haalbaarheid van alternatieve methoden voor verbetering en vereenvoudiging van de inning van de btw via moderne technologieën en/of financiële tussenpersonen,

–  gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde(1) ,

–  gezien de richtlijnen van de OESO inzake de neutraliteit van het btw-stelsel,

–  gezien de publicatie van de Commissie „Taxation Trends in the EU” (uitgave 2010),

–  gezien de'Consumption Tax Trends 2010' van de OESO,

–  gezien het verslag van het Europees Parlement over een gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude vanaf 2008,

–  gezien speciaal verslag nr. 8/2007 van de Europese Rekenkamer over de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde, vergezeld van de antwoorden van de Commissie(2) ,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie vervoer en toerisme (A7–0318/2011),

A.  overwegende dat het huidige, 17 jaar oude btw-stelsel in de EU als voorlopig werd omschreven, in afwachting van de overgang t.z.t. naar een nieuw stelsel; overwegende dat het nieuwe initiatief in de vorm van het Groenboek van de Commissie slechts het begin is van een waarschijnlijk lange, moeilijke en ingewikkelde procedure waarvan het welslagen zal afhangen van de vraag of de lidstaten werkelijk vastbesloten zijn om een „eenvoudiger, solider en efficiënter” stelsel te ontwikkelen dat transparanter is en gebaseerd op een nauwe samenwerking en uitwisseling van beproefde methoden tussen lidstaten, waarbij het subsidiariteitsbeginsel in acht wordt genomen,

B.  overwegende dat een gemeenschappelijk btw-stelsel tot doel heeft de efficiënte werking van de interne markt verder te verbeteren, een essentieel instrument voor de EU om concurrerend te blijven,

C.  overwegende dat 99% van de bedrijven in de Europese Unie kleine en middelgrote ondernemingen zijn (kmo's),

D.  overwegende dat de Europese Unie met de „Small Business Act” groei van kmo's wil stimuleren door de mogelijkheden en voordelen van de interne markt te benutten,

E.  overwegende dat in de lidstaten verschillende drempels gelden voor btw-vrijstelling voor kmo's en dat deze drempels alleen gelden voor nationale bedrijfsactiviteiten,

F.  overwegende dat de OESO onderkent dat sprake is van een algemene trend die wijst op een verschuiving van directe naar indirecte belastingheffing waarbij btw-stelsels een steeds grotere rol spelen; overwegende dat het parlement deze trend ook onderkent maar tegelijkertijd wijst op het belang van directe belastingen ten behoeve van een progressieve belastingheffing; overwegende dat de OESO tevens vaststelt dat de efficiëntie op het gebied van de btw in de OESO-landen aanzienlijk uiteenloopt, wat erop wijst dat er veel ruimte is om de efficiëntie op dit punt te vergroten; overwegende dat maatregelen ter verhoging van de efficiëntie op het gebied van de btw echter gepaard moeten gaan met maatregelen om btw-fraude aan te pakken en dat tegelijk beëindiging van de btw-vrijstelling voor financiële transacties moet worden over overwogen na een analyse van de implicaties hiervan, waarbij rekening wordt gehouden met het voorstel voor een Richtlijn van de Raad (2007/0267(CNS)),

Algemene opmerkingen

1.  is verheugd over het Groenboek van de Commissie om het huidige btw-stelsel te herzien en te hervormen en deelt de mening dat een alomvattend btw-stelsel de operationele kosten voor de gebruikers en de administratieve lasten voor de autoriteiten moet beperken, terwijl tegelijkertijd kan worden opgetreden tegen fraude, welke een aanzienlijke last betekent voor de overheidsfinanciën en de consument;

2.  onderstreept dat een fraudebestendig btw-stelsel een eerste prioriteit moet zijn, gezien de kolossale verliezen die de lidstaten lijden, die misschien wel 100 miljard euro belopen, en dat de aandacht in het bijzonder moet uitgaan naar de zogenoemde „carrousel”-fraude; wijst op de gedetailleerde suggesties in zijn verslag van 2 september 2008 over een gecoördineerde strategie ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude(3) , die nog steeds gelden en zo spoedig mogelijk ten uitvoer moeten worden gelegd;

3.  merkt op dat termen als „sociaal welzijn” of „beginselen van redenen van maatschappelijk belang”, waarmee diensten worden omschreven die in aanmerking komen voor vrijstelling van btw of een verlaagd btw-tarief, zeer vaag zijn vanwege het feit dat ze door nationale rechtbanken worden bepaald in het licht van de wetgeving van de lidstaten, en derhalve het gevaar in zich bergen van een definitieve concurrentieverstoring;

4.  is van mening dat de lidstaten in het huidige btw-stelsel voor een groot dilemma staan, aangezien voor de fiscale grenscontroles die in 1993 zijn afgeschaft, niet voldoende samenwerking tussen de lidstaten in de plaats is gekomen; wijst erop dat zij als gevolg daarvan een aanzienlijk bedrag aan potentiële inkomsten uit btw en andere belastinginkomsten zijn misgelopen, aangezien sommige bonafide bedrijven er wellicht van afzien op de interne markt te gaan opereren en omdat fraudeurs het bestaande versnipperde btw-stelsel misbruiken;

5.  verzoekt de lidstaten derhalve door te gaan met het opbouwen van een relatie die is gebaseerd op vertrouwen, transparantie en samenwerking tussen de nationale belastingdiensten en „belastingpartnerschappen” aan te gaan met bedrijven die als „onbetaalde belastingontvangers” voor de belastingautoriteiten fungeren;

6.  dringt er bij de Commissie op aan een gecoördineerde strategie te ontwikkelen ter verbetering van de bestrijding van belastingfraude, aangezien btw-fraude de financiële belangen van de Gemeenschap schaadt;

Opzet van het btw-stelsel, vrijstellingen en verlaagde btw-tarieven

7.  verzoekt de lidstaten over te schakelen op een btw-stelsel op bredere grondslag; benadrukt tevens dat het huidige financiële klimaat grote uitdagingen inhoudt en dat een verschuiving van directe naar indirecte belastingheffing op zich niet voldoende is om economische stabiliteit te verzekeren; pleit daarom ook voor het zoeken naar meer faire, alternatieve inkomstenbronnen;

8.  onderstreept het belang van een nauwkeurig onderzoek naar de gevolgen voor de regionale autonomie binnen de lidstaten bij de besprekingen over een verschuiving van directe naar indirecte belastingheffing;

9.  herinnert eraan dat het neutraliteitsbeginsel een van de belangrijkste kenmerken van het btw-stelsel is en dat bedrijven zo min mogelijk belast moeten worden met de inning van de btw; wijst erop dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat in beginsel alle handelstransacties zoveel mogelijk worden belast, dat sprake is van zeer beperkte vrijstellingen en dat soortgelijke goederen en diensten dezelfde btw-behandeling krijgen; onderstreept bijvoorbeeld dat alle boeken, kranten en tijdschriften, ongeacht de opmaak, op precies dezelfde wijze moeten worden behandeld, wat betekent dat downloadbare en gestreamde boeken, kranten en tijdschriften dezelfde btw-behandeling moeten krijgen als boeken, kranten en tijdschriften op een fysieke gegevensdrager en dat verschillende grensoverschrijdende transportdiensten een identieke btw-behandeling moeten krijgen ongeacht de gebruikte transportvorm; merkt op dat de lidstaten, in geval vrijstellingen geen obstakel zijn voor het adequate functioneren van de interne markt, het recht moeten houden vrijstellingen te verlenen op basis van nauw omschreven sociale en culturele criteria;

10.  dringt aan op een geharmoniseerd standaard- of verlaagd btw-tarief voor alle grensoverschrijdend vervoer binnen de EU, ongeacht het type vervoer, alsmede op geharmoniseerde regels inzake btw-aftrekbaarheid;

11.  is van mening dat de btw-tarieven voor culturele goederen even hoog moeten zijn, ongeacht de manier waarop zij worden verkocht (online dan wel offline); meent dat een dergelijke aanpassing de ontwikkeling van de e-handel ten goede zou komen en de consument dezelfde culturele en educatieve waarde zou bieden, door de ontwikkeling van de bloeiende digitale sector te bevorderen;

12.  merkt op dat de vervoerssector marktverstoringen ondervindt, aangezien voor sommige vervoersmiddelen, zoals de bus en de trein, btw verschuldigd is, terwijl andere van btw zijn vrijgesteld; merkt op dat dit zorgt voor ongelijke concurrentieverhoudingen, aangezien alle transportwijzen met elkaar om dezelfde grensoverschrijdende vervoersdiensten concurreren;

13.  dringt aan op de uitwerking van een groene btw-strategie, gericht op verlaagde tarieven voor energie-efficiënte en milieuvriendelijke producten en diensten, als tegenwicht voor de oneerlijke mededinging die voortvloeit uit externe kosten die niet in de prijs van bepaalde goederen of diensten zijn verrekend;

14.  benadrukt dat met het oog op de neutraliteit van de btw, de btw op goederen en diensten die voor belaste economische activiteiten worden aangewend, aftrekbaar moet zijn; wijst erop dat de bestaande regels voor aftrek van voorbelasting ingewikkeld zijn en problemen opleveren voor bedrijven als gevolg van kwesties in verband met het soort activiteiten (toepassingsgebied), het soort dienst (vrijstellingen) of de aard van de diensten (aftrekbaarheid);

15.  stelt met betrekking tot grensoverschrijdende intracommunautaire transacties vast dat het huidige btw-stelsel zich heeft verwijderd van de oorspronkelijke toezegging van de lidstaten het beginsel van het land van oorsprong in te voeren, wat toe te schrijven is aan het ontbreken van politieke steun van de lidstaten in het kader van de samenwerking om dit beginsel toe te passen;

16.  is het derhalve met de Commissie eens om de status quo te erkennen en in de richting te gaan van een bestemmingsbeginsel; is van mening dat een btw-stelsel dat is gebaseerd op de plaats van verbruik zowel voor goederen als voor diensten een veelbelovende weg lijkt die verder moet worden verkend, hetgeen gepaard dient te gaan met de invoering van goed functionerende één-loketdiensten door de lidstaten; benadrukt dat de invoering van centrale btw-loketten voor 1 januari 2015 topprioriteit voor de EU moet blijven;

17.  verzoekt de lidstaten de bandbreedte van het normale tarief te verlagen om aan te sluiten bij de trend naar convergentie van de normale btw-tarieven; erkent dat de lidstaten de flexibiliteit moeten hebben om hun eigen btw-tarieven vast te stellen gezien het belang van de btw als begrotingsinstrument;

18.  dringt er bij de Commissie op aan eind december 2012 met een voorstel te komen voor de vereenvoudiging van de grensoverschrijdende belastingheffing;

19.  onderstreept dat organisaties zonder winstoogmerk een essentiële en zeer positieve rol spelen in de bevordering van democratie, groei en welvaart in Europa; dringt er bij de Commissie op aan een mechanisme voor te stellen waardoor lidstaten die het maatschappelijk middenveld willen versterken een algemene vrijstelling van btw kunnen verlenen voor alle of de meeste activiteiten en transacties die door deze organisaties worden verricht; benadrukt dat ten minste de kleinere organisaties zonder winstoogmerk onder een dergelijk mechanisme moeten vallen;

20.  verzoekt de lidstaten voor januari 2012 een besluit te nemen over een lijst van gemeenschappelijke goederen en diensten die in aanmerking komen voor belastingvrijstellingen of een verlaagd btw-tarief;

21.  verzoekt de lidstaten nauw samen te werken met het btw-comité om tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijke interpretatie van de juridische voorschriften die in dit verband relevant zijn, wat anderzijds zou betekenen dat alle andere goederen en diensten op Europees niveau worden uitgesloten van dergelijke rechten;

22.  dringt er bij de Commissie op aan voor eind 2013 het Europees Parlement een verslag voor te leggen met een bindende lijst van gemeenschappelijke goederen en diensten, op basis van de gezamenlijke bevindingen van de lidstaat en het btw-comité, die in aanmerking komen voor een verlaagd btw-tarief of een vrijstelling uit hoofde van de btw-richtlijn;

Minder bureaucratische rompslomp

23.  verzoekt de lidstaten hun administratieve praktijken met behulp van beproefde methoden beter te coördineren en op elkaar af te stemmen, en de maatregelen in te voeren die in 2009 door de Commissie zijn voorgesteld om de administratieve lasten die voortvloeien uit de EU-wetgeving op btw-gebied te beperken, met name vermindering van de aangiftefrequentie, vereenvoudiging van het bewijs voor btw-vrijstelling bij uitvoer, afschaffing van de intra-EU „nul”-verkooplijsten, uitbreiding van elektronische administratieve diensten, in overeenstemming met de aanwijzingen in de digitale agenda voor Europa, – met name voor de elektronische transmissie van btw-verklaringen en -lijsten – , afschaffing van rente- en boetebetalingen over de btw in verband met vormfouten indien de betreffende rechtspersoon geen verlies van btw-inkomsten in de lidstaat in kwestie heeft veroorzaakt, en door invoering van een enkelvoudige btw-teruggave en een enkelvoudig btw-identificatienummer en een elektrisch opslagsysteem voor btw-teruggave voor de hele EU;

24.  verwelkomt de studie over de digitale interne markt; verzoekt de Commissie de interoperabiliteit van elektronische handtekeningen te verbeteren, teneinde een rechtskader tot stand te brengen voor erkenning van veilige elektronische certificatiesystemen, en een herziening en uitbreiding van de Richtlijn elektronische handtekeningen te overwegen om de administratieve lasten voor met name de KMO te verlichten; onderstreept de noodzaak van wederzijdse erkenning van elektronische identificatie en authenticatie in de hele EU;

25.  acht het een positieve ontwikkeling dat in de EU sinds 2010 een nieuw elektronisch systeem voor teruggave van btw in gebruik is; verzoekt de Commissie om het Parlement uiterlijk in juli 2012 verslag uit te brengen over de resultaten, de sterke en de zwakke punten van het nieuwe stelsel; onderstreept dat de nieuwe regels steeds moeten worden geëvalueerd om zeker te zijn dat zij voldoende bescherming bieden tegen fraudepogingen;

26.  verzoekt de Commissie binnen redelijke termijn een voorstel voor een gestandaardiseerde Europese elektronische factuur (elektronisch en op papier) voor te leggen die gebaseerd is op een taalkundig neutraal model, dat gegevens kan omvatten als volledige naam en adres, datum van registratie en afsluiting van een btw-nummer en btw-informatie van de groep, om grensoverschrijdende transacties te vergemakkelijken;

27.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om in samenwerking met bedrijven een kritische blik te werpen op het actieplan van de Commissie om ervoor te zorgen dat dit aansluit bij de voornaamste doelstelling van de agenda voor betere regelgeving, namelijk om de administratieve lasten tegen 2012 met 25% te verminderen; meent dat het duidelijk is dat de potentieel meest ingrijpende maatregelen uit het door de Commissie opgestelde actieplan voor btw al door de Raad zijn aangenomen of momenteel worden besproken; is van mening dat de overige maatregelen sommige administratieve lasten in de EU voor het bedrijfsleven kunnen verminderen, maar dat de voordelen misschien niet in de gehele EU overal even groot zijn;

28.  onderstreept hoe belangrijk het is het gebruik van e-overheidsoplossingen uit te breiden en te ondersteunen, met name voor de elektronische indiening van btw-aangiften en -lijsten;

29.  verzoekt de lidstaten op korte of middellange termijn op EU-niveau overeenstemming te bereiken over een maximale reeks gestandaardiseerde btw-verplichtingen die de lidstaten bedrijven kunnen opleggen; verzoekt de lidstaten om, in samenwerking met bedrijven, btw-verplichtingen en administratieve praktijken te onderzoeken en te bepalen welke lasten door het bedrijfsleven in het huidige btw-stelsel als het meest hinderlijk worden ervaren en ideeën en optimale werkwijzen uit te wisselen om het systeem te vereenvoudigen, de duidelijkheid te vergroten en de administratieve lasten en handelsbelemmeringen te verminderen;

30.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de instelling van één drempel van btw-vrijstelling voor kmo's voor de hele EU te overwegen, ten einde bureaucratische rompslomp en kosten te verminderen en bredere toegang te bieden tot de interne markt;

31.  dringt er bij de Commissie op aan een verdere vermindering van de bureaucratische rompslomp voor organisaties zonder winstoogmerk nauwkeurig te onderzoeken; onderstreept dat het btw-stelsel over een hogere mate van flexibiliteit moet beschikken voor lidstaten die ambitieuze maatregelen willen nemen om de administratieve lasten op het gebied van de btw voor deze organisaties te verlichten;

Efficiënte inning van btw

32.  is met de Commissie van mening dat de efficiëntie van de inning van btw moet worden verbeterd om de btw-kloof te verkleinen en de mogelijkheid van fraude te beperken alsook bonafide bedrijven tegen btw-fraude te beschermen; benadrukt dat de bestrijding van belastingfraude op EU-niveau prioriteit moet krijgen en roept op tot nauwere samenwerking op dit gebied tussen de lidstaten, de Commissie, Europol, Eurojust en OLAF; dringt tevens aan op verduidelijking van termen en definities, zoals „land van verbruik” en „land van vestiging”;

33.  benadrukt dat de grensoverschrijdende vervolging van intracommunautaire btw-fraude in de lidstaten verbeterd moet worden en dat de verantwoordingsplicht en het risicobewustzijn op dit gebied moeten worden vergroot;

34.  benadrukt het belang van een omvattende en uniforme definitie binnen het EU-recht van frauduleuze handelingen met btw of btw-carrouselfraude, de meest voorkomende vorm van btw-fraude, alsmede van geharmoniseerde administratieve sancties, met het oog op doeltreffend grensoverschrijdend onderzoek naar en juridische vervolging van deze vorm van fraude;

35.  wijst erop dat er geen precieze schattingen van de omvang van btw-carrouselfraude beschikbaar zijn; dringt aan op de ontwikkeling van een accuraat evaluatie-instrument voor btw-fraude dat op dit gebied ook relevante vergelijkingen tussen de EU-lidstaten mogelijk maakt;

36.  benadrukt het belang van een intensievere en snellere samenwerking tussen lidstaten, een beter toezicht op de uitwisseling van informatie en directere contacten tussen plaatselijke belastingkantoren met behulp van een gezamenlijk informatief internetportaal, om te waarborgen dat lidstaten elkaar op doeltreffende wijze assistentie verlenen; dringt aan op betere samenwerking tussen de gerechtelijke instanties van de lidstaten, Eurojust, Europol en OLAF;

37.  verzoekt de Commissie voorstellen te doen voor het vereenvoudigen en consolideren van de fraudebestrijdingswetgeving van de EU, en in het kader van dit proces de zwakke plekken aan te pakken op het gebied van de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten;

38.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat het onlangs (november 2010) ingestelde EUROFISC een praktische toegevoegde waarde levert voor de lidstaten bij hun onderzoeken naar grensoverschrijdende btw-fraude, en geregeld verslag aan het Parlement uit te brengen over de werking van dit netwerk en deze verslagen openbaar te maken;

39.  benadrukt dat dankzij het toegenomen gebruik van nieuwe technologieën en innovatieve oplossingen de mogelijkheden om btw-fraude te plegen aanzienlijk kunnen worden verkleind; dringt er bij de Commissie op aan het systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (VIES) te versterken door de termijn voor het verzamelen en vastleggen van gegevens te verkorten en door een bredere directe toegang tot gegevens toe te staan;

40.  is echter van mening dat de discussie over de methoden voor de inning van de btw op de tweede plaats komt en dat eerst een oplossing moet worden gevonden voor de onderliggende tekortkomingen en problemen die inherent zijn aan de huidige regels en procedures, en dat in dit stadium de hoogste prioriteit moet worden gegeven aan een oplossing voor het gebrek aan harmonisatie, de noodzaak om procedures te standaardiseren en de taalbarrières te verkleinen, en tegelijk de fraudegevoeligheid van het stelsel te verminderen;

41.  benadrukt dat er een duidelijk Europees orgaan voor interpretatie moet komen waar lidstaten bindende antwoorden kunnen krijgen, met het oog op gemeenschappelijke belastingmethoden en een gelijke toepassing van de btw-voorschriften;

42.  wijst er nogmaals op dat, hoewel internationale exploitanten vaak zijn toegerust om met problemen die zich voordoen bij de mondiale handel om te gaan, belastingdiensten vaak niet hetzelfde niveau van deskundigheid hebben; benadrukt derhalve dat de samenwerking op zodanige manier moet worden vormgegeven dat eerlijke ondernemers gemakkelijker onderscheiden kunnen worden van fraudeurs en dat het systeem voor beide partijen begrijpelijk wordt gemaakt;

43.  is van mening dat het beperkte „data warehouse model” (met een standard „audit file”(4) ), in combinatie met het „certified taxable person model”, het meest veelbelovend zijn van de modellen voor de inning van de btw die momenteel in de studie van de Commissie worden onderzocht, aangezien deze in sommige lidstaten al met succes zijn ingevoerd en de efficiency bij de inning van de btw aantoonbaar heeft vergroot;

Juridische aspecten

44.  is van mening dat het bedrijfsleven duidelijke btw-voorschriften nodig heeft die de rechtszekerheid vergroten en een uniforme interpretatie door de lidstaten waarschijnlijker maken; is eveneens van mening dat de bestaande richtlijnen van de Raad de lidstaten onduidelijke bepalingen bevatten die de kans op uiteenlopende interpretaties vergroten, het hieruit voortvloeiende ingewikkelde btw-stelsel grensoverschrijdende activiteiten belemmert en onnodige administratieve lasten tot gevolg heeft; is van mening dat btw-voorschriften niet het EU-beleid op andere terreinen, zoals duurzaamheid, mogen belemmeren;

45.  verzoekt de lidstaten derhalve de harmonisatie te vergroten door:

   zoveel mogelijk gebruik te maken van verordeningen in plaats van richtlijnen, aangezien laatstgenoemde onmiddellijk leiden tot harmonisatie en rechtszekerheid;
   de Commissie als alternatief toe te staan een gemeenschappelijk „EU VAT Rulebook” uit te geven in de vorm van uitvoeringsvoorschriften met instemming van de meerderheid van de lidstaten(5) , met een andere rol voor het btw-comité;
   een proces van stroomlijning en coördinatie van de nationale omzettingsprocedure op EU-niveau op gang te brengen waarbij de Commissie een grotere rol wordt toebedeeld;
   in het algemeen belanghebbenden en bedrijven op zowel EU- als nationaal niveau te betrekken bij de opstelling en uitvoering van de btw-wetgeving en met name externe deskundigen op EU-niveau te betrekken bij de werkzaamheden van het btw-comité;

46.  is van mening dat bedrijven duidelijke en ondubbelzinnige btw-voorschriften in de EU nodig hebben om grensoverschrijdende activiteiten te ondersteunen en administratieve lasten, en daarmee de kosten voor bedrijven, tot een minimum te beperken; roept de lidstaten en de Commissie ertoe op de kwaliteit te verhogen en de duidelijkheid te vergroten door:

   uitgebreide en goede effectbeoordelingen te overleggen, waarbij EU-bedrijven als deel van dat proces worden betrokken, om de wetgevingsvoorstellen te ondersteunen;
   gedurende de onderhandelingen en in de uitvoeringsfase contacten te onderhouden met bedrijven op nationaal niveau;
   gebruik te maken van de verordeningen van de Raad ter ondersteuning van de richtlijnen van de Raad op gebieden waar dit extra duidelijkheid zou verschaffen;
   uitstekende, tijdige en toegankelijke informatie en richtsnoeren over nationale voorschriften te verstrekken, ook op EU-niveau, met name op gebieden waar de behandeling niet uniform is;
   te kijken naar mogelijkheden voor het gebruik van technologie voor het verspreiden van informatie in de hele EU; beproefde methoden uit te wisselen in het EU-forum of het btw-comité;
   het bedrijfsleven bij het proces te betrekken, mogelijk in de rol van externe deskundigen, ter ondersteuning van bepaalde aspecten van de werkzaamheden van het btw-comité op EU-niveau;
   in het algemeen door de betrokkenheid van bedrijven in de processen waardoor de kennis wordt ingebracht van bedrijven die als onbetaalde belastingontvangers fungeren en die dagelijks te maken hebben met intracommunautaire transacties;

o
o   o

47.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

(1) PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.
(2) PB C 20 van 25.1.2008, blz. 1.
(3) PB C 295 E van 4.12.2009, blz. 13.
(4) Zoals gedefinieerd/aanbevolen in de richtlijnen van de OESO.
(5) Zoals voorgesteld door de Commissie in COM(1997)0325 van 25.6.1997.

Laatst bijgewerkt op: 7 maart 2013Juridische mededeling