Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2212(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0352/2011

Ingediende teksten :

A7-0352/2011

Debatten :

PV 23/05/2012 - 6
CRE 23/05/2012 - 6

Stemmingen :

PV 23/05/2012 - 8.6
CRE 23/05/2012 - 8.6
Stemverklaringen
Stemverklaringen
PV 16/04/2014 - 7.34

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0219
P7_TA(2014)0429

Aangenomen teksten
PDF 152kWORD 87k
Woensdag 23 mei 2012 - Straatsburg Definitieve uitgave
Enquêterecht van het Europees Parlement
P7_TA(2012)0219A7-0352/2011
Tekst
 Geconsolideerde tekst

Voorstel aangenomen door het Europees Parlement op 23 mei 2012 voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement en tot intrekking van Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (2009/2212(INI)) (1)

-----------------------

(1) Het Parlement heeft besloten om de stemming over de ontwerpresolutie uit te stellen, krachtens artikel 41, derde alinea (A7-0352/2011).


VOORSTEL VOOR EEN VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT
tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement en tot intrekking van Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

HET EUROPEES PARLEMENT,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 226, derde alinea,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de goedkeuring van de Raad(1) ,

Gezien de goedkeuring van de Commissie(2) ,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Verdrag van Lissabon heeft de voorwaarden geschapen voor een nieuw en sterker institutioneel evenwicht in de Unie, zodat haar instellingen efficiënter, democratischer en met meer openheid kunnen functioneren. In dit kader is het optreden van het Europees Parlement op het vlak van het politiek toezicht versterkt en uitgebreid. Derhalve dienen de enquêtecommissies van het Europees Parlement, overeenkomstig zowel de nationale parlementaire praktijk als de vereisten uit hoofde van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna „de Verdragen”), te worden versterkt en specifieke, werkelijke en duidelijk omschreven zeggenschap te krijgen die meer in overeenstemming is met hun politieke gewicht en bevoegdheden, met inachtneming van het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vervatte evenredigheidsbeginsel. De zeggenschap van de enquêtecommissies, die uitzonderlijke instrumenten van politiek toezicht zijn, dient de verantwoordelijkheden van andere instellingen onverlet te laten;

(2)  Op 19 april 1995 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hun goedkeuring gehecht aan Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS(3) , waarin de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement werd vastgesteld. Dat besluit zinspeelde op de mogelijkheid dat de wijze van uitoefening van het enquêterecht in het licht van de opgedane ervaring kon worden herzien.

(3)  Met het oog op het nieuwe institutionele evenwicht dat het Verdrag van Lissabon heeft geschapen alsook de ervaring die is opgedaan bij de werkzaamheden van de enquêtecommissies van het Europees Parlement, dient Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS te worden herroepen en vervangen door een nieuwe verordening.

(4)  Overeenkomstig het bruikbaarheidsbeginsel, zoals erkend door de jurisprudentie van het Hof van Justitie(4) , moeten de bevoegdheden die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van de taken die voortvloeien uit het enquêterecht worden toegekend aan het Europees Parlement en zijn enquêtecommissies. Daartoe is het tevens nodig dat de lidstaten en de instellingen en organen van de Unie de nodige maatregelen treffen om de vervulling van die taken te vergemakkelijken.

(5)  Er dient geen enquêtecommissie te worden ingesteld wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken en zolang deze procedure nog niet is voltooid. Teneinde tegenstrijdigheden tussen enquêtes van politieke aard en die van gerechtelijke aard te voorkomen, moet het Europees Parlement evenwel kunnen onderzoeken of het noodzakelijk is het onderzoek door een enquêtecommissie op te schorten als er, nadat de commissie is ingesteld, gerechtelijke procedures worden ingesteld die verband houden met de vermeende feiten.

(6)  Uit de beginselen van openheid, goed bestuur en democratische verantwoordingsplicht vloeit voort dat de zittingen van enquêtecommissies, en in het bijzonder hoorzittingen, in het openbaar gehouden dienen te worden. Aan de andere kant dient te worden voorzien in de mogelijkheid van zittingen met gesloten deuren en gepaste geheimhoudingsregels, teneinde ervoor te zorgen dat de enquêtes doeltreffendheid verlopen, ter bescherming van de vitale belangen van de lidstaten, ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de wetgeving van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens, of ter bescherming van de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon.

(7)  Het enquêterecht beoogt, als belangrijk onderdeel van de parlementaire controlebevoegdheden, te bepalen hoe de bestaande wetgeving in het verleden is toegepast. Het is dus van groot belang dat een commissie zich kan baseren op het feitelijke bewijs dat zij gaandeweg het onderzoek heeft verzameld. Te dien einde moet een enquêtecommissie leden van instellingen van de Unie en van regeringen van de lidstaten kunnen horen, bewijsmateriaal kunnen verkrijgen van ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie of van de lidstaten, bewijsmateriaal kunnen verkrijgen van iedere andere in de Unie verblijvende persoon, deskundigenverslagen kunnen opvragen, documenten kunnen opvragen en onderzoek ter plaatse kunnen verrichten.

(8)  Onderzoeken moeten worden verricht met volledige eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, in het bijzonder het billijkheidsbeginsel, en het recht van de betrokkene om zich over de hem betreffende feiten uit te spreken.

(9)  Enquêtecommissies dienen de rechten van de door hen als getuige opgeroepen personen volledig te eerbiedigen overeenkomstig het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(10)  Bij de onderzoeken dient tevens het beginsel in aanmerking te worden genomen dat de bevindingen van een enquête alleen mogen berusten op elementen die bewijskracht hebben. Daartoe dient een enquêtecommissie in het bijzonder toegang te kunnen hebben tot alle relevante documenten die in het bezit zijn van de instellingen of organen van de Unie, van de lidstaten of, als het document relevant wordt geacht voor het welslagen van de enquête, van enige andere natuurlijke of rechtspersoon.

(11)  Overeenkomstig het beginsel van oprechte samenwerking en op basis van de verbintenis bij te dragen aan de instandhouding van de rechtsorde van de Unie, dienen de instellingen en organen van de Unie of de lidstaten de ambtenaren of de andere personeelsleden aan te wijzen die zij machtigen om te verschijnen voor een enquêtecommissie als de commissie hen daartoe uitnodigt. Voorts moet een enquêtecommissie de leden van de Commissie kunnen horen onder wier verantwoordelijkheid de aangelegenheid in kwestie valt, indien hun getuigenis van wezenlijk belang en noodzakelijk wordt geacht voor een grondige beoordeling van de onderzochte aangelegenheid.

(12)  Opdat een enquêtecommissie er zeker van kan zijn dat haar bevindingen berusten op elementen die bewijskracht hebben, moet zij echter ook het recht hebben om te verzoeken dat enige persoon die in de Europese Unie verblijft, wordt gehoord als getuige die de plicht heeft om vragen bereidwillig, volledig en naar waarheid te beantwoorden. Bovendien, indien ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie niet krachtens de artikelen 17 en 19 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, opgenomen in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad(5) , en artikel 11 van de regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden van de Europese Unie, eveneens opgenomen in deze verordening, gemachtigd worden om gevolg te geven aan de oproeping door de commissie om als getuige ter zitting te verschijnen en om persoonlijk verklaringen af te leggen en te worden gehoord, dient de ambtenaar of autoriteit die verantwoordelijk is voor het weigeren van de machtiging voor de enquêtecommissie te verschijnen en de redenen voor de weigering toe te lichten.

(13)  Door het ratificeren van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben de lidstaten er tevens mee ingestemd dat het Europees Parlement het recht wordt toegekend om vermeende inbreuken op het recht van de Unie of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van dit recht te onderzoeken. Bijgevolg dienen zij zich ertoe te verbinden dat hun nationale autoriteiten, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht, de enquêtecommissies de nodige bijstand verlenen bij de uitvoering van hun taak.

(14)  Met het oog op een versterkte democratische controle op het niveau van de Unie, kennen de bepalingen van deze verordening meer bevoegdheden toe aan de enquêtecommissies. Om uitvoering te geven aan deze bepalingen, de doelmatigheid van de onderzoeken te vergroten en deze meer in overeenstemming te brengen met de nationale parlementaire praktijk, moet deze verordening voorzien in de mogelijkheid van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties in duidelijk omschreven gevallen. De lidstaten dienen er zelf voor te zorgen dat bepaalde inbreuken zijn onderworpen aan passende sancties krachtens het nationale recht en dat zij passende procedures instellen tegen de plegers van dergelijke inbreuken.

(15)  In deze verordening dient de scheiding der machten te worden geëerbiedigd. Volgens deze leer moeten de wetgevende macht (parlement), de uitvoerende macht (regering) en de rechterlijke macht (justitie) van elkaar gescheiden zijn om machtsmisbruik te voorkomen.

(16)  In deze verordening worden de grondrechten en de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend, in acht genomen.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Deel 1

Onderwerp en algemene voorschriften inzake de oprichting van enquêtecommissies

Artikel 1

Onderwerp

1.  Deze verordening bevat nadere bepalingen over de wijze van uitoefening van het recht van het Europees Parlement om in het kader van de vervulling van zijn taken, onverminderd de bevoegdheden die de Verdragen aan andere instellingen en organen toekennen, vermeende inbreuken op het Unierecht of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van dit recht door een instelling of orgaan van de Unie, door een overheidsorgaan van een lidstaat of door enig persoon die krachtens Unierecht bevoegd is tot uitvoering van dat recht, te onderzoeken.

2.  Bepalingen inzake de interne structuur van de enquêtecommissies worden in het Reglement van het Europees Parlement vastgelegd.

Artikel 2

Instelling en mandaat van enquêtecommissies

1.  Onder de voorwaarden en beperkingen die zijn vastgesteld in de Verdragen kan het Europees Parlement tijdelijke enquêtecommissies instellen.

2.  Het Europees Parlement kan deze enquêtecommissies instellen op verzoek van een vierde van zijn leden.

3.  Het besluit tot instelling van een enquêtecommissie omschrijft het mandaat van deze commissie, in het bijzonder:

   (a) het onderwerp en het doel van het onderzoek, onder verwijzing naar de desbetreffende bepalingen in het recht van de Unie;
   (b) de samenstelling van de commissie op basis van een evenwichtige vertegenwoordiging van politieke krachten;
   (c) de termijn voor de indiening van haar verslag, die ten hoogste 12 maanden bedraagt vanaf de datum waarop de commissie voor het eerst bijeen komt en bij een met redenen omkleed besluit van het Parlement tweemaal met ten hoogste drie maanden kan worden verlengd.

Artikel 3

Opheffing van enquêtecommissies

De enquêtecommissie houdt op te bestaan:

   (a) zodra zij haar verslag heeft ingediend; of
   (b) bij het verstrijken van de termijn voor de indiening van haar verslag; en tevens
   (c) in ieder geval, bij het einde van de zittingsperiode.

Artikel 4

Nieuwe enquête

Een enquêtecommissie kan niet worden ingesteld of opnieuw worden ingesteld met betrekking tot feiten die reeds door een enquêtecommissie zijn onderzocht, totdat er twaalf maanden zijn verlopen sinds de vorige enquêtecommissie ingevolge artikel 3, onder a) of b), ophield te bestaan, tenzij er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen. Een enquêtecommissie kan in elk geval worden ingesteld als er zich nieuwe, ernstige feiten hebben voorgedaan die kunnen worden aangemerkt als basis voor een wijziging van belangrijke conclusies.

Deel 2

Algemene procedurele regels

Artikel 5

Onverenigbaarheid

1.  Een enquêtecommissie kan geen vermeende feiten onderzoeken die het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken zolang deze procedure nog niet is voltooid.

2.  Als er na de instelling van een enquêtecommissie gerechtelijke procedures met betrekking tot de vermeende feiten worden ingesteld, gaat het Europees Parlement na of het nodig is dat het onderzoek van de commissie voor de duur van die procedures wordt opgeschort, overeenkomstig artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

De periode van de opschorting wordt niet meegerekend in de termijn als bedoeld in artikel 2, lid 3, letter c).

3.  Binnen twee maanden hetzij na de instelling van een enquêtecommissie, hetzij nadat de Commissie kennis heeft genomen van een voor een enquêtecommissie afgelegde verklaring betreffende een vermeende inbreuk op het Unierecht door een lidstaat, kan de Commissie het Europees Parlement ervan in kennis stellen dat een bij een enquêtecommissie voorliggend feit het voorwerp uitmaakt van een precontentieuze procedure van de Unie. In dat geval treft de tijdelijke enquêtecommissie de nodige maatregelen opdat de Commissie haar bevoegdheden uit hoofde van de Verdragen onverkort kan uitoefenen.

Artikel 6

Openbaarheid van de zittingen

1.  De zittingen van de enquêtecommissie, en in het bijzonder de hoorzittingen van deze commissie, geschieden in het openbaar.

2.  Op verzoek van een kwart van de leden van de enquêtecommissie, op verzoek van een instelling of orgaan van de Unie of op verzoek van de betrokken nationale autoriteiten, wordt de zitting bij wijze van uitzondering met gesloten deuren gehouden. Wanneer iemand die een getuigenverklaring moet afleggen of een deskundige verlangt met gesloten deuren te worden gehoord, worden dat verzoek en de daarvoor aangevoerde gronden door de enquêtecommissie met gesloten deuren behandeld.

Vertrouwelijke informatie als bedoeld in artikel 8, wordt met gesloten deuren behandeld.

Artikel 7

Personen die in de loop van een onderzoek worden genoemd

Wanneer een persoon in het kader van een enquête nadeel kan ondervinden van het feit dat hij in de zaak wordt genoemd stelt de tijdelijke enquêtecommissie hem daarvan in kennis. Zij hoort deze persoon op diens verzoek.

Artikel 8

Vertrouwelijkheid

1.  De door een enquêtecommissie verzamelde inlichtingen zijn enkel bestemd voor de vervulling van haar taken. Zij mogen niet openbaar worden gemaakt wanneer zij gegevens bevatten die vertrouwelijk zijn. Het Europees Parlement verwerkt en beschermt de vertrouwelijke informatie overeenkomstig zijn interne regels die voor „gerubriceerde EU-gegevens” en „niet-gerubriceerde andere vertrouwelijke informatie” gelden.

2.  Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op informatie waarvan openbaarmaking:

   (a) zou leiden tot ondermijning van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de wetgeving van de Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens, of
   (b) zou leiden tot ondermijning van de commerciële belangen van een natuurlijke of een rechtspersoon, met inbegrip van de intellectuele eigendom, of
   (c) aanzienlijk nadeel zou opleveren voor de belangen van de Unie of die van een of meer lidstaten.

3.  De leden van de enquêtecommissie en alle andere personen die uit hoofde van hun taak bekend zijn geworden met feiten, informatie, wetenschap, documenten of voorwerpen ten aanzien waarvan ingevolge door een lidstaat of een instelling van de Unie uitgevaardigde voorschriften geheimhouding moet worden betracht, zijn ook na beëindiging van hun taak gehouden tot geheimhouding daarvan voor ongeautoriseerde personen en voor het publiek.

Artikel 9

Samenwerking

De instellingen en organen van de Unie en de nationale autoriteiten van de lidstaten, handelend overeenkomstig de bepalingen van het recht de Unie en het nationale recht, staan de enquêtecommissie bij in de uitvoering van haar taken conform het beginsel van oprechte samenwerking.

Artikel 10

Mededelingen

Elke mededeling aan de nationale autoriteiten van de lidstaten ter fine van de toepassing van deze verordening, verloopt via hun permanente vertegenwoordigingen bij de Unie.

Artikel 11

Onderzoeksresultaten

1.  Het eindverslag van de enquêtecommissie wordt ingediend bij het Europees Parlement.

2.  In het eindverslag van de commissie kan een minderheidsstandpunt zijn opgenomen, voor zover dit minderheidsstandpunt wordt gesteund door een kwart van de leden van de commissie.

3.  Het Europees Parlement kan aanbevelingen die het eventueel op basis van het eindverslag heeft aangenomen, doen geworden aan de instellingen of organen van de Unie of aan de lidstaten voor doorzending aan de bevoegde autoriteiten.

Deel 3

Onderzoek

Artikel 12

Verrichten van onderzoek

1.  Teneinde binnen de grenzen van haar mandaat en met inachtneming van de artikelen 14 tot en met 18 onderzoek uit te voeren kan de enquêtecommissie:

   leden van instellingen van de Unie en van regeringen van lidstaten horen;
   bewijsmateriaal verkrijgen van ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie of van de lidstaten;
   bewijsmateriaal verkrijgen van elke andere persoon die in de Unie verblijft;
   deskundigenverslagen opvragen;
   documenten opvragen;
   onderzoek ter plaatse verrichten.

2.  De enquêtecommissie kan de nationale autoriteiten om bijstand vragen in het kader van haar onderzoek.

3.  Wanneer bij vermeende inbreuken op het recht van de Unie of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van dit recht mogelijk sprake is van verantwoordelijkheid van een orgaan of autoriteit van een lidstaat, kan de enquêtecommissie het parlement van de betreffende lidstaat verzoeken aan het onderzoek mee te werken.

Het Europees Parlement kan daartoe interparlementaire akkoorden sluiten met de parlementen van de lidstaten.

Artikel 13

Onderzoek ter plaatse

De enquêtecommissie kan onderzoek ter plaatse verrichten. Dit onderzoek wordt waar nodig verricht in samenwerking met de nationale autoriteiten, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht.

Artikel 14

Opvragen van documenten

1.  Op verzoek van de enquêtecommissie stellen de instellingen en organen van de Unie alle relevante documenten die in hun bezit zijn ter beschikking aan de commissie.

2.  Op verzoek van de enquêtecommissie stellen de autoriteiten van de lidstaten alle relevante documenten die in hun bezit zijn ter beschikking aan de commissie overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht en de regels die zijn vastgelegd in artikel 346, lid 1, onder a) en b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3.  De enquêtecommissie kan iedere andere betrokken natuurlijke of rechtspersoon verzoeken de documenten beschikbaar te stellen die zij relevant acht voor het welslagen van haar enquête. Deze personen voldoen aan het verzoek van de commissie, onverminderd hun verplichtingen uit hoofde van het recht van de Unie en het nationale recht. Zij kunnen zich beroepen op de rechten die hun krachtens het nationale recht toekomen in het geval van inbeslagneming van voorwerpen door de nationale rechtshandhavingsinstanties.

4.  Verzoeken om documenten vermelden de rechtsgrondslag en het doel van het verzoek, omschrijven welke documenten vereist zijn en stellen een termijn vast waarbinnen de documenten moeten worden verstrekt. Zij geven ook aan wat de eventuele gevolgen zijn van een weigering zonder grond om de gevraagde documenten te verstrekken.

Artikel 15

Getuigen

1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „individu” verstaan: een natuurlijke persoon die overeenkomstig de bepalingen van dit artikel tijdens een hoorzitting van een enquêtecommissie een verklaring aflegt.

De enquêtecommissie kan iedere persoon die in de Europese Unie verblijft, verzoeken aan een hoorzitting met haar deel te nemen wanneer dit nodig is voor de uitvoering van haar taken.

Elk verzoek bevat de naam, de voornamen en het adres van het betrokken individu en geeft precies aan over welk onderwerp en om welke redenen de enquêtecommissie dit individu wenst te horen. De commissie stuurt het verzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 naar de bevoegde nationale autoriteit van de lidstaat waar het individu woonachtig is. In overeenstemming met het beginsel van loyale samenwerking en de desbetreffende wettelijke bepalingen roept deze autoriteit het individu op om voor de enquêtecommissie te verschijnen.

2.  De individuen geven bereidwillig, volledig en naar waarheid antwoord op de vragen die de leden van de enquêtecommissie hen stellen. Zij kunnen zich beroepen op het recht om te weigeren een verklaring af te leggen dat hun zou toekomen als zij in hun lidstaat van verblijf zouden worden verzocht voor een parlementaire enquêtecommissie of een soortgelijk orgaan te verschijnen, dan wel, bij ontstentenis van zulk een commissie of orgaan, in de lidstaat waar de hoorzitting plaatsvindt.

De individuen worden vooraf ingelicht over hun rechten en plichten, over de eventuele gevolgen van een weigering zonder grond om aan het verzoek om voor de commissie te verschijnen gevolg te geven, alsmede over de gevolgen van het afleggen van een valse verklaring en het omkopen van individuen.

Artikel 16

Getuigenis van leden van instellingen van de Unie en van regeringen van lidstaten

De enquêtecommissie kan de instellingen van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie, of regeringen van lidstaten verzoeken één of meer van hun leden aan te wijzen om deel te nemen aan haar werkzaamheden, indien hun getuigenis van wezenlijke betekenis en noodzakelijk wordt geacht voor een grondige beoordeling van de onderzochte aangelegenheid.

Naar aanleiding van een verzoek overeenkomstig lid 1, wijst de Commissie één of meer leden van de Commissie aan die verantwoordelijk is/zijn voor de onderzochte aangelegenheid, om voor de enquêtecommissie te verschijnen.

Artikel 17

Ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie en van de lidstaten

1.  De enquêtecommissie kan de instellingen of organen van de Unie verzoeken een of meer van hun ambtenaren of andere personeelsleden aan te wijzen voor deelneming aan de werkzaamheden van de enquêtecommissie.

De instellingen of organen van de Unie wijzen de ambtenaren of andere personeelsleden aan die zij machtigen om te verschijnen voor de enquêtecommissie.

2.  De enquêtecommissie kan een bepaalde ambtenaar of ander personeelslid van de Unie oproepen om te getuigen in een zaak die verband houdt met zijn of haar beroep wanneer zij het horen van deze persoon nodig acht voor de uitvoering van haar taak. Indien de betrokken ambtenaar of ander personeelslid niet krachtens de artikelen 17 en 19 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en artikel 11 van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie gemachtigd wordt om gevolg te geven aan de oproeping door de commissie om als getuige ter zitting te verschijnen en om persoonlijk verklaringen af te leggen en te worden gehoord, verschijnt de ambtenaar of autoriteit die geweigerd heeft machtiging te verlenen, voor de enquêtecommissie om de redenen daarvoor uiteen te zetten.

3.  De enquêtecommissie kan de lidstaten verzoeken een of meer van hun ambtenaren aan te wijzen voor deelneming aan de werkzaamheden van de enquêtecommissie.

4.  De betrokken lidstaat wijst de ambtenaren aan die zij machtigt voor de enquêtecommissie te verschijnen, met inachtneming van het recht van die lidstaat.

De betrokken ambtenaren spreken namens en volgens de instructies van hun regering. Zij blijven gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit het rechtsstelsel waar zij onder vallen.

Indien een van de betrokken ambtenaren niet wordt gemachtigd om voor de enquêtecommissie een verklaring af te leggen, verschijnt een vertegenwoordiger die gemachtigd is om de regering van de betrokken lidstaat te binden, voor de commissie om de redenen daarvoor uiteen te zetten.

Artikel 18

Deskundigen

1.  De enquêtecommissie kan besluiten de verslagen van een of meer deskundigen op te vragen. In haar desbetreffende besluit omschrijft de commissie de taken van de deskundige en stelt zij de termijn vast waarbinnen het verslag moet worden opgesteld.

2.  De deskundige mag zijn oordeel slechts geven over de punten die hem uitdrukkelijk zijn voorgelegd.

3.  De enquêtecommissie kan op verzoek van de deskundige elke in de Unie verblijvende persoon verzoeken voor de commissie te verschijnen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 15 tot en met 17.

4.  Nadat de deskundige een verslag heeft opgesteld, kan hij worden gehoord door de enquêtecommissie.

Artikel 19

Sancties

1.  Er wordt akte genomen van alle gevallen waarin de verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet worden nageleefd of waarin dit wordt geweigerd.

De Voorzitter van het Europees Parlement kan geheel of gedeeltelijk kennis geven van de punten waarvan akte is genomen en hij draagt er zorg voor dat deze aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt gepubliceerd.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de volgende inbreuken op deze verordening onderworpen zijn aan passende sancties krachtens hun nationale recht:

   een weigering zonder grond om de gevraagde documenten te verstrekken;
   een weigering zonder grond van een individu om gevolg te geven aan een verzoek om voor een enquêtecommissie te verschijnen;
   het afleggen van een valse verklaring; en tevens
   het omkopen van individuen.

Deze sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en stroken met de sancties voor soortgelijke inbreuken in het kader van de werkzaamheden van enquêtecommissie in de nationale parlementen.

3.  Wanneer een redelijk vermoeden bestaat dat een persoon een inbreuk heeft gepleegd als bedoeld in lid 2, stelt de lidstaat waarin deze persoon verblijft krachtens het nationale recht passende gerechtelijke procedures tegen hem in.

Artikel 20

Kosten

De reis- en verblijfkosten van de leden en ambtenaren of andere personeelsleden van de instellingen en organen van de Unie komen ten laste van deze instellingen en organen. De reis- en verblijfkosten van andere personen die voor een enquêtecommissie getuigenis afleggen, worden volgens de maxima die zijn bepaald voor het horen van deskundigen door het Europees Parlement vergoed.

Deel 4

Slotbepalingen

Artikel 21

Intrekking

Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS wordt ingetrokken.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Zij is van toepassing met ingang van…(6) .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

(1) PB ...
(2) PB ...
(3) PB L 78 van 6.4.1995, blz. 1.
(4) Arrest gevoegde zaken 281, 283, 284, 285 en 287/85 Duitsland, Frankrijk, Nederland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk tegen Commissie – Jurispr. 1987, blz. 3203, paragraaf 28.
(5) PB L 56 van 4.3.1968, blz.1.
(6)* PB: gelieve de datum in te vullen: twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening.

Laatst bijgewerkt op: 1 augustus 2013Juridische mededeling