Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2094(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0374/2012

Ingediende teksten :

A7-0374/2012

Debatten :

PV 10/12/2012 - 24
CRE 10/12/2012 - 24

Stemmingen :

PV 11/12/2012 - 8.5
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0470

Aangenomen teksten
PDF 160kWORD 38k
Dinsdag 11 december 2012 - Straatsburg Definitieve uitgave
Een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU
P7_TA(2012)0470A7-0374/2012

Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU (2012/2094(INI))

Het Europees Parlement ,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 5 juli 2012 met als titel „The promotion, protection and enjoyment of human rights on the Internet”, waarin het belang van de bescherming van de mensenrechten en de vrije informatiestroom op het internet wordt erkend(1) ,

–  gezien de verslagen van de bijzondere rapporteur van de VN Frank La Rue van 16 mei 2011 (A/HRC/17/27) en 10 augustus 2011 (A/66/290) over het bevorderen en beschermen van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, waarin de toepasselijkheid van internationale normen en voorschriften voor mensenrechten betreffende het recht van vrijheid van mening en meningsuiting op het internet als communicatiemiddel wordt benadrukt,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 28 maart 2008 (7/36) tot instelling van het mandaat van de speciale rapporteur voor het bevorderen en beschermen van het recht op vrijheid van mening en van meningsuiting,

–  gezien het verslag van de VN van 16 juni 2011 met als titel „Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations ”Protect, Respect and Remedy’ Framework„ (vrucht van de werkzaamheden van speciale vertegenwoordiger van de VN John Ruggie),

–  gezien de door de raad van bestuur van de Interparlementaire Unie op 19 oktober 2011 aangenomen resolutie(2) ,

–  gezien het strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie, aangenomen door de Raad op 25 juni 2012(3) ,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 juni 2012 betreffende de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten(4) ,

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2012 met als titel „Bescherming van kritieke informatie-infrastructuur - Bereikte resultaten en volgende stappen: naar mondiale cyberveiligheid”(5) ,

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 met als titel „Een concurrerende digitale interne markt - e-overheid als speerpunt”(6) ,

–  gezien zijn resolutie van 18 april 2012 over het jaarverslag over de mensenrechten in de wereld en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie, waaronder de implicaties voor het strategische mensenrechtenbeleid van de EU(7) ,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2012 over de toegang van blinden tot boeken en ander drukwerk(8) ,

–  gezien de algemene begroting 2012 van 29 februari 2012, en met name de oproep tot oprichting van een Fonds voor wereldwijde internetvrijheid(9) ,

–  gezien de mededeling van 12 december 2011 van de Commissaris voor Digitale agenda over de „No Disconnect Strategy”,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2011 met als titel „Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU - Voor een meer doeltreffende aanpak” (COM(2011)0886),

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over het open internet en netneutraliteit in Europa(10) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober inzake een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (COM(2011)0681),

–  gezien de VN-richtsnoeren betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over een doeltreffende grondstoffenstrategie voor Europa(11) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(12) ,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 25 mei 2011 met als titel „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden” (COM(2011)0303),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over de culturele dimensies van het externe optreden van de EU(13) ,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(14) ,

–  gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 getiteld „Internetgovernance: de volgende stappen”(15) ,

–  gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over het internet van de dingen(16) ,

–  gezien zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en de democratieclausule in door de Europese Unie gesloten overeenkomsten(17) ,

–  gezien zijn spoedresoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtstaat waarin kwesties met betrekking tot digitale vrijheden worden aangekaart,

–  gezien zijn standpunt van 27 september 2011 inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1334/2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik(18) ,

–  gezien Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 442/2011, tot invoering van invoerbeperkingen op informatie- en communicatietechnologieën en van toezichtinstrumenten(19) ,

–  gezien Verordening (EU) nr. 264/2012 van de Raad van 23 maart 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran, en tot invoering van uitvoerbeperkingen op informatie- en communicatietechnologieën en van toezichtinstrumenten(20) ,

–  gezien artikel 3 en artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de mensenrechtenrichtsnoeren van de Europese Unie,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en alle relevante internationale instrumenten voor de mensenrechten, met inbegrip van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het Unesco-Verdrag inzake de bescherming van immaterieel cultureel erfgoed van 17 april 2003(21) ,

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de lopende onderhandelingen over de toetreding van de EU tot dat verdrag,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A7-0374/2012),

A.  overwegende dat technologische ontwikkelingen individuen in de hele wereld in staat stellen nieuwe informatie- en communicatietechnologieën (ITC's) te gebruiken en een verbinding met internet tot stand te brengen, wat revolutionaire veranderingen in de hand werkt op het vlak van samenlevingen, de werking van democratie, bestuur, de economie, het bedrijfsleven, de media, ontwikkeling en handel;

B.  overwegende dat het internet een belangrijke factor is in het mogelijk maken van toegang tot informatie, vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, vrijheid van vereniging en economische, sociale, politieke en culturele ontwikkeling;

C.   overwegende dat er een wereldwijde consensus bestaat, die eveneens weerspiegeld is in het internationaal recht, dat beperkingen van de grondrechten bij wet moeten worden geregeld;

D.  overwegende dat de mensenrechten dienen te worden beschermd en bevorderd in de EU, zowel online als offline;

E.  overwegende dat insluiting, de bevordering van e-vaardigheden en het overbruggen van de digitale kloof belangrijke factoren zijn om het ontplooiingspotentieel van het internet en ICT's te kunnen benutten;

F.  overwegende dat ICT's weliswaar een centrale rol hebben gespeeld bij de organisatie van sociale bewegingen en protestacties in verschillende landen, met name in het kader van de Arabische lente, maar eveneens worden aangewend als onderdrukkingsinstrumenten, aangezien ze kunnen worden gebruikt voor (massale) censuur, toezicht, en voor het traceren en opsporen van informatie en personen;

G.  overwegende dat ICT's eveneens een bruikbaar hulpmiddel kunnen zijn voor terroristische organisaties om aanvallen voor te bereiden en uit te voeren;

H.  overwegende dat de context waarbinnen technologieën worden gebruikt voor een groot deel de impact bepaalt die ze kunnen hebben als drijvende kracht achter positieve ontwikkelingen enerzijds, of repressie anderzijds;

I.   overwegende dat deze veranderingen zorgen voor nieuwe contexten die een aangepaste toepassing van bestaande wetten behoeven, op basis van een strategie om internet en ICT's op te nemen in al het externe optreden van de EU;

J.   overwegende dat internet een grote bloei heeft gekend en zich op een organische manier heeft ontwikkeld als platform met een enorme publieke waarde; overwegende dat het verkeerd gebruik van de nieuwe mogelijkheden en instrumenten die het internet beschikbaar heeft gesteld echter eveneens nieuwe risico's en gevaren met zich meebrengt;

K.   overwegende dat internet eveneens een factor is geworden bij de ontwikkeling van de internationale handel die voortdurende waakzaamheid vereist, met name met betrekking tot de bescherming van de consumenten;

L.   overwegende dat het gebruik van internet enkel zou mogen worden beperkt ingeval van illegale activiteiten, zoals aanzetting tot haat, geweld en racisme, totalitaire propaganda en de toegang van kinderen tot pornografie of de seksuele uitbuiting van kinderen;

M.  overwegende dat het globale en grenzenloze karakter van het internet nieuwe vormen van internationale samenwerking en governance met meerdere belanghebbenden vereist;

N.   overwegende dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat „de Unie toeziet op de samenhang tussen de diverse onderdelen van haar externe optreden en tussen het externe optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen. De Raad en de Commissie, hierin bijgestaan door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, dragen zorg voor deze samenhang en werken daartoe samen”;

O.  overwegende dat netneutraliteit een grondbeginsel is van het open internet, en zorgt voor concurrentie en transparantie;

P.  overwegende dat zowel digitale veiligheid als digitale vrijheid essentieel zijn en dat ze elkaars plaats niet kunnen innemen;

Q.  overwegende dat de EU enkel een voorbeeldfunctie kan vervullen op het vlak van digitale vrijheden indien deze vrijheden worden gevrijwaard in de EU;

Mensenrechten en ontwikkeling

1.  erkent dat ongecensureerde toegang tot het open internet, mobiele telefoons en ICT's een invloed heeft gehad op de mensenrechten en fundamentele vrijheden en een faciliterend effect heeft gehad door te zorgen voor een verruiming van de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting, de toegang tot informatie, het recht op privacy en de vrijheid van vereniging in de hele wereld;

2.  erkent het ruime potentieel dat het open internet en ICT's hebben om gemeenschapsopbouw, het maatschappelijk middenveld en globale economische, sociale, wetenschappelijke, culturele en politieke ontwikkelingen mogelijk te maken, in de hand te werken en te katalyseren, waardoor eveneens wordt bijgedragen tot de algehele vooruitgang van de mensheid; is zich echter bewust van de nieuwe risico's en gevaren voor de mensenrechten die het verkeerd gebruik van ICT's met zich meebrengt;

3.  erkent dat het internet en sociale media regeringen in staat stellen rechtstreekse diplomatie uit te oefenen en toegenomen contacten tussen mensen in de hele wereld te faciliteren; benadrukt dat open debatten over ideeën extremisme in de kiem kunnen smoren en intercultureel contact en begrip kunnen verbeteren;

4.   beschouwt cultuur als katalysator voor toegang en contact wanneer politieke betrekkingen in het slop zitten of moeizaam verlopen; erkent dat vrijheid en cultuur nauw met elkaar verweven zijn en dat digitale culturele diplomatie van strategisch belang is voor de EU;

5.   erkent dat artistieke vrijheid, en de vrijheid om te imiteren en te hergebruiken, hoekstenen zijn voor creativiteit en vrijheid van meningsuiting en ideeën; is er zich bewust van dat er duidelijke uitzonderingen en beperkingen bestaan in het systeem van auteursrechtelijke bescherming, met name met betrekking tot journalistiek, citaten, satire, archivering, bibliotheken en het verzekeren van toegang tot en de bruikbaarheid van cultureel erfgoed;

6.  verzoekt de Commissie een passend antwoord te bieden op het feit dat er landen zijn die repressie van en toezicht op burgers, maatschappelijke organisaties en activisten uitoefenen, terwijl de handel in bepaalde landen een groeiende technologische component omvat, door het blokkeren van inhoud en het controleren en identificeren van mensenrechtenverdedigers, journalisten, activisten en dissidenten; roept de Commissie bovendien op op te treden tegen de strafbaarstelling van legitieme expressie op het internet en de goedkeuring van restrictieve wetgeving om dergelijke maatregelen te rechtvaardigen; wijst er daarom nogmaals op dat dergelijke praktijken in strijd zijn met de criteria van Kopenhagen;

7.   benadrukt dat de erkenning en de toepassing van de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen door onder meer aanbieders van internetdiensten, softwareontwikkelaars, producenten van hardware, socialenetwerkdiensten en sociale media nodig zijn om de vrijheid van handelen en de veiligheid van mensenrechtenverdedigers te waarborgen, alsook de vrijheid van meningsuiting;

8.  benadrukt dat de bevordering en de bescherming van digitale vrijheden dienen te worden opgenomen in alle externe maatregelen van de EU en in alle beleid en instrumenten met betrekking tot financiering en steunverlening en jaarlijks dienen te worden beoordeeld, om zo te zorgen voor verantwoording en continuïteit, onder het leiderschap van de hoge vertegenwoordiger en de EDEO; roept op in dit opzicht te opteren voor een proactieve aanpak en maatregelen te nemen om te zorgen voor horizontale samenwerking en coördinatie tussen en binnen de relevante EU-instellingen en –agentschappen;

9.  steunt de Commissie in haar erkenning dat veilige toegang tot internet deel uitmaakt van de criteria van Kopenhagen en dat beperkingen van de vrijheid van meningsuiting, eveneens op internet, gerechtvaardigd dienen te zijn door een dwingende maatschappelijke behoefte en met name evenredig dienen te zijn met het nagestreefde legitieme doel;

10.  is er zich bewust van dat er in alle landen bezorgdheid bestaat over de bescherming en de bevordering van de mensenrechten en vrijheden op het internet, maar erkent dat er belangrijke verschillen bestaan die een invloed hebben op de context waarbinnen ICT's worden gebruikt, zoals het bestaan van de rechtsstaat en het recht op verhaal;

11.  roept de Commissie op te zorgen voor samenhang tussen het externe optreden van de EU en haar eigen interne strategieën bij de verdediging van strikt noodzakelijke en evenredige beperkingen van de grondrechten, met name wanneer ze basisbeginselen uit het internationaal recht verdedigt, zoals het feit dat beperkingen gebaseerd moeten zijn op wetgeving en niet op een ad-hocmanier door de industrie mogen worden ingevoerd;

12.  moedigt de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten aan om digitale vrijheden en de „No Disconnect Strategy” aan te merken als hoofdprioriteiten;

13.  benadrukt dat er voor een effectief EU-beleid inzake ontwikkeling en mensenrechten nood is aan de mainstreaming van ICT's en het overbruggen van de digitale kloof, door te zorgen voor technologische basisinfrastructuur, door de toegang tot kennis en informatie te vereenvoudigen en door digitale geletterdheid in de hele wereld te bevorderen;

14.  is van mening dat ICT's transparantie en goed bestuur, alfabetisering, onderwijs, seksuele en reproductieve gezondheidszorg, doeltreffend verkiezingstoezicht en hulpverlening, in het bijzonder bij rampen in afgelegen gebieden en zich ontwikkelende gebieden, mogelijk maken;

15.  benadrukt dat EU-programma's op het vlak van ontwikkeling en mensenrechten steunprogramma's moeten omvatten die digitale vrijheden bevorderen, met name in samenlevingen in niet-democratische landen, alsook in landen die een conflict hebben doorstaan of waar politieke veranderingen aan de gang zijn; is van mening dat EU-regelgevingsdeskundigen wezenlijke gesprekspartners zijn en hun tegenhangers kunnen opleiden om zo fundamentele rechten en beginselen op te nemen in nieuwe (media)regelingen en wetgeving in derde landen; benadrukt dat steunverlening in de vorm van de bouw van ICT-infrastructuur afhankelijk moet worden gesteld van de toepassing en het behoud van open toegang tot internet en online informatie, alsook van digitale vrijheid in ruimere zin;

16.  vestigt de aandacht op het belang van de ontwikkeling van ICT's in conflictgebieden om vredesopbouwactiviteiten op het niveau van het maatschappelijk middenveld te bevorderen, met als doel te zorgen voor zekere communicatie tussen de partijen die betrokken zijn bij de vredevolle oplossing van conflicten, door op een actieve manier fysieke obstakels en risico's die van invloed zijn op bilaterale contacten voor personen en organisaties in dergelijke gebieden te overwinnen;

17.  hoopt dat het juiste gebruik van nieuwe communicatietechnologieën, en met name van sociale media, zal bijdragen tot de versterking van de rechtstreekse democratie voor de burgers van de EU en van derde landen, door sociale fora te creëren om wetgeving op te stellen;

18.  benadrukt dat de digitale verzameling en verspreiding van bewijsmateriaal van schendingen van de mensenrechten kan helpen om straffeloosheid te bestrijden; is van mening dat dit materiaal ontvankelijk moet zijn als bewijsmateriaal in rechtszaken in het kader van het internationaal (straf)recht;

19.  benadrukt dat het nodig is ervoor te zorgen dat bij de ontginning van zeldzame aardmaterialen die worden gebruikt voor de productie van ICT's de mensenrechten, arbeidsrechten en milieurechten worden geëerbiedigd, en dat er geen sprake is van monopolistische praktijken of handelsbeperkingen die enkel omwille van politieke redenen zijn ingevoerd; is van mening dat een multilaterale aanpak om de toegang tot zeldzame aardmaterialen in menswaardige omstandigheden te waarborgen nodig is om deze doelstellingen te bereiken;

Handel

20.  erkent dat het internet een onderdeel van de openbare ruimte is geworden waar nieuwe vormen van grensoverschrijdende handel en innovatieve marktontwikkeling en sociale en culturele interactie tot stand worden gebracht; is van mening dat digitale vrijheden en grensoverschrijdende handel hand in hand moeten gaan teneinde zakelijke kansen voor Europese bedrijven in de mondiale digitale economie te creëren en te optimaliseren;

21.  is zich ervan bewust dat er bezorgdheid bestaat over het feit dat sommige mensen steeds vaker het woord auteursrecht horen en een hekel hebben aan wat er achter steekt; erkent de belangrijke rol die het buitenlandse handelsbeleid heeft gespeeld in het vormgeven van mechanismen voor de handhaving van het auteursrecht;

22.  betreurt het feit dat in de EU ontwikkelde technologieën en diensten soms worden gebruikt in derde landen om de mensenrechten te schenden door informatie te censureren, grootschalig toezicht, controles, en het traceren en opsporen van burgers en hun activiteiten op (mobiele) telefoonnetwerken en het internet; dringt er bij de Commissie op aan alle nodige stappen te ondernemen om deze „digitale wapenhandel” een halt toe te roepen;

23.  vraagt een verbod op de uitvoer van voor repressie gebruikte technologieën en diensten naar autoritaire regimes; is van mening dat dergelijk verbod een precedent moet vormen voor structurele restrictieve maatregelen; is echter van mening dat het verstandig zou zijn te verduidelijken dat over dergelijke verboden geval per geval moeten worden besloten, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van conflictgebieden of autoritaire regimes;

24.  is van mening dat bepaalde producten en diensten die gebaseerd zijn op technologieën voor verstoring, toezicht, controle en interceptie als „wegwerpproducten” kunnen worden geclassificeerd, en verzoekt bijgevolg om de opstelling van een regelmatig bijgewerkte lijst van landen die in de context van de mensenrechten het recht op vrije meningsuiting schenden, en waarnaar de uitvoer van wegwerpproducten dient te worden verboden;

25.  benadrukt dat het nodig is op het niveau van de EU toezicht te houden op en te zorgen voor de toepassing van EU-sancties met betrekking tot technologieën, om ervoor te zorgen dat de lidstaten deze op dezelfde manier naleven en om een gelijk speelveld te behouden;

26.  benadrukt dat de Commissie bedrijven die erover twijfelen of ze een uitvoervergunning moeten aanvragen realtime-informatie moet kunnen aanbieden over de wettigheid of de mogelijke schadelijke gevolgen van handelsovereenkomsten; hetzelfde dient te gelden voor EU-bedrijven of bedrijven die in de EU gevestigd zijn die contractuele betrekkingen aangaan met regeringen van derde landen, ofwel om exploitatievergunningen te bekomen of om te onderhandelen over standstillbepalingen, ofwel door publieke betrokkenheid bij zakelijke transacties of openbaar gebruik van hun netwerken en diensten te aanvaarden;

27.  benadrukt het belang van de bescherming van de rechten van de consument in het kader van internationale overeenkomsten inzake ICT's;

28.  dringt er bij de Commissie op aan ten laatste in de loop van 2013 voorstellen in te dienen in het kader waarvan meer transparantie en verantwoordingsplicht wordt vereist van in de EU gevestigde bedrijven, alsook de openbaarmaking van het beleid inzake effectbeoordelingen op het vlak van mensenrechten, om het toezicht te verbeteren op de uitvoer van ICT's, producten en diensten met als doel websites te blokkeren, grootschalig toezicht te houden, individuen op te sporen en te controleren, in te breken in privéconversaties (via email) of zoekresultaten te filteren;

29.  verzoekt de Commissie voorstellen in te dienen voor de creatie van een EU-rechtskader dat bedrijven die zich inschrijven voor overheidsopdrachten in de lidstaten zou verplichten effectbeoordelingen op het vlak van mensenrechten met betrekking tot ICT's uit te voeren, beginnend in de O&O-fase, en ervoor te zorgen dat zij niet medeplichtig zijn aan mogelijke mensenrechtenschendingen in derde landen;

30.  is van mening dat bedrijven bedrijfspraktijken moeten ontwerpen en uitvoeren die gericht zijn op het controleren van de mogelijke impact van nieuwe ICT-producten op de mensenrechten, ook in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, en op het garanderen dat zij niet medeplichtig zijn aan mogelijke mensenrechtenschendingen in derde landen; verzoekt de Commissie bedrijven uit de EU te voorzien van een breed scala aan informatie om te zorgen voor het juiste evenwicht tussen zakelijke belangen en de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven;

31.  betreurt in deze context de actieve betrokkenheid van Europese bedrijven en internationale bedrijven die werkzaam zijn in de EU bij de toepassing van het beleid van repressieve regeringen dat gericht is tegen mensenrechtenactivisten en politieke dissidenten met betrekking tot digitale rechten, toegang tot internet en ICT's; roept de Commissie op bedrijven die betrokken zijn bij dergelijke activiteiten uit te sluiten van deelname aan EU-overheidsopdrachten en -aanbestedingen;

32.  verzoekt de Commissie bedrijven uit de EU te voorzien van een breed scala aan informatie en richtsnoeren, op basis van de „Ruggie-beginselen” van de VN, om ervoor te zorgen dat kan worden voldaan aan de zakelijke belangen en de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven;

33.  benadrukt dat het nodig is rekening te houden met de gevolgen van de vaststelling van technologische normen voor ICT's en telecommunicatieproducten en -diensten in de EU, wanneer dergelijke goederen en diensten worden uitgevoerd naar derde landen waar concepten als „legale interceptie” andere implicaties hebben, bijvoorbeeld indien de rechtsstaat niet bestaat;

34.  erkent dat internet zowel een openbare ruimte is geworden als een marktplaats, waarvoor een vrije informatiestroom en de toegang tot ICT's onmisbaar zijn; is bijgevolg van mening dat digitale vrijheden en vrije handel gelijktijdig dienen te worden bevorderd en beschermd om de vrije uitwisseling van ideeën aan te moedigen en te ondersteunen, evenals een toename van de zakenkansen voor EU-burgers in een steeds digitalere mondiale economie;

35.  verzoekt om de opname van voorwaardelijkheidsclausules in de vrijhandelsovereenkomsten van de EU, die transparante beschermingsmaatregelen vaststellen om de onbeperkte toegang tot het internet te bewaren en de vrije informatiestroom te waarborgen;

36.  verzoekt de Commissie en de Raad ervoor te zorgen dat mandaten voor multilaterale en bilaterale handelsbesprekingen alsmede het verloop van de besprekingen zelf op doelmatige wijze het behalen van belangrijke doelstellingen van de EU bevorderen, met name de bevordering van haar waarden van democratie en de rechtsstaat, de voltooiing van een ware digitale interne markt, en de eerbiediging van haar ontwikkelingssamenwerkingsbeleid;

37.  verzoekt de EU om Europese bedrijven politiek te ondersteunen die zich geconfronteerd zien met een verzoek om door gebruikers gegenereerde inhoud te verwijderen of persoonlijke informatie te verstrekken op een manier die in strijd is met fundamentele rechten en die de vrijheid van ondernemerschap inperkt;

38.  roept de EU op de extraterritoriale impact van rechtsregels van derde landen op EU-burgers en bedrijven online aan te vechten en te minimaliseren;

39.  merkt op dat de elektronische handel zich buiten de traditionele regelgevende kaders voor de handel heeft ontwikkeld; benadrukt het belang van een uitbreiding van de internationale samenwerking in de WTO en de WIPO, teneinde de ontwikkeling van de mondiale digitale markt te beschermen en te waarborgen; dringt aan op een herziening en actualisering van de huidige Informatietechnologieovereenkomst (ITO) in de WTO en op het verkennen van de mogelijkheden ten aanzien van een internationale digitale economische overeenkomst (IDEA);

40.  roept de Commissie op in toekomstige handelsovereenkomsten de rechtshandhaving en auteursrechtelijke claims niet over te dragen aan de economische operatoren, en er eveneens voor te zorgen dat maatregelen die in tegenspraak zijn met de wetgeving inzake internetvrijheid enkel mogen worden uitgevoerd volgens de rechtsstaat, met rechterlijke autoriteit;

41.  is van mening dat beperkingen van de toegang voor EU-bedrijven en online consumenten tot (digitale) markten door middel van grootschalige censuur in derde landen dienen te worden beschouwd als protectionistische maatregelen en handelsbarrières; verzoekt de Commissie een strategie te presenteren om maatregelen van derde landen aan te vechten die de toegang tot hun online markten voor bedrijven uit de EU beperken;

42.  roept de EU op ernaar te streven te waarborgen dat de regulering van het internet en ICT's beperkt blijft tot een gerechtvaardigd en passend niveau en enkel gebeurt wanneer de EU van mening is dat dit noodzakelijk is;

43.  vraagt dat gerichte repressietechnologieën worden opgenomen in de overeenkomst van Wassenaar;

44.  verzoekt de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om EU-bedrijven politiek te ondersteunen die in derde landen opereren en worden geconfronteerd met verzoeken om door gebruikers gegenereerde inhoud te verwijderen, de vrije dienstverrichting te beperken of persoonlijke informatie te verstrekken op een manier die in strijd is met fundamentele rechten; merkt op dat bedrijven op de digitale markt vaak zonder grenzen opereren en dat de wetgeving van derde landen negatieve gevolgen kan hebben voor Europese gebruikers en consumenten; roept de Raad en de Commissie daarom eveneens op ervoor te zorgen dat de impact van de wetgeving van derde landen op natuurlijke of rechtspersonen in de EU wordt geminimaliseerd;

45.  merkt op dat de toenemende inmenging van overheden en de toenemende regulering de open en onbeperkte aard van het internet belemmeren, waardoor het potentieel van een toenemende elektronische handel en het opereren van bedrijven uit de EU in de digitale economie worden beperkt; is van mening dat een benadering met meerdere belanghebbenden de beste manier is om ervoor te zorgen dat een evenwicht tussen publieke en private belangen op het internet en op de globale markt wordt gevonden; dringt aan op een internationale inspanning om de benodigde infrastructuren, met inbegrip van liberale regelgevingsstelsels, op te zetten die de uitbreiding van de digitale economie mogelijk maken, en verzoekt ontwikkelingslanden om de wederzijdse voordelen te vergroten overeenkomstig het beginsel „handel voor verandering”;

46.  is van mening dat de beperking van de toegang tot digitale markten en online consumenten van bedrijven uit de EU door middel van onder andere massale staatscensuur of beperkte markttoegang voor Europese online dienstverleners in derde landen een handelsbarrière is; verzoekt de Commissie en de Raad een vrijwaringsmechanisme in alle toekomstige handelsovereenkomsten op te nemen, met name in die met bepalingen die invloed hebben op online diensten en online gemeenschappen van gebruikers die informatie delen, teneinde te verzekeren dat ICT-bedrijven uit de EU niet door derden worden gedwongen om de toegang tot websites te beperken, door gebruikers gegenereerde inhoud te verwijderen of persoonlijke informatie, zoals persoonlijke IP-adressen, te verstrekken op een manier die in strijd is met de fundamentele rechten en vrijheden; verzoekt de Raad en de Commissie bovendien een strategie te ontwikkelen voor het aanvechten van maatregelen van derde landen die de toegang tot de globale online markten van bedrijven uit de EU beperken;

47.  dringt er bij de Commissie op aan een nieuw ontwerp voor een regelgevingskader ten aanzien van de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik te presenteren dat de mogelijk schadelijke uitvoer van ICT-producten en -diensten naar derde landen aanpakt en voorziet in een coördinerende en controlerende rol voor de Commissie;

Internetgovernance

48.  is van mening dat transparante en op samenwerking berustende besluitvorming van wezenlijk belang is om te zorgen voor de eerbiediging van het open en participatieve karakter van het internet; is van mening dat elk debat over de regulering van het internet zo open mogelijk moet zijn en alle belanghebbenden moet omvatten, met name degenen die gespecialiseerd zijn in de bescherming van de grondrechten alsook doordeweekse internetgebruikers; is van oordeel dat de EU een leidende rol dient te spelen bij de ontwikkeling van basisregels betreffende digitale vrijheid en gedragsnormen in cyberspace, met inbegrip van geschillenbeslechtingsmechanismen, eveneens rekening houdend met tegenstrijdige rechtsstelsels;

49.  merkt op dat de structuur van het internet momenteel relatief niet-gereglementeerd is en wordt beheerd door middel van een benadering met meerdere belanghebbenden; benadrukt dat de EU ervoor dient te zorgen dat het model met meerdere belanghebbenden inclusief is en dat kleine ondernemingen alsook actoren van het maatschappelijk middenveld en gebruikers niet overstemd worden door een klein aantal grote bedrijven en overheidsactoren;

50.  is van oordeel dat de samenwerking tussen regeringen en particuliere actoren op het vlak van ICT-kwesties niet gebaseerd dient te zijn op het opleggen van rechtstreekse en indirecte verplichtingen aan internetaanbieders om een rechtshandhavingsrol op zich te nemen door als politie op te treden op internet en internet te reguleren;

51.  benadrukt het belang van een algemene EU-strategie voor internetgovernance, zoals eveneens het geval is voor kwesties met betrekking tot telecommunicatieregelgeving, en wijst erop dat de sector op internationaal niveau wordt beheerd via de International Telecom Union, waarbinnen elke EU-lidstaat één stem heeft;

52.  is bezorgd over de voorstellen van coalities van regeringen en bedrijven om regelgevend toezicht en een verhoogde mate van overheids- en privétoezicht in te voeren voor het internet en telecommunicatie;

53.  roept de EU op de extraterritoriale impact op EU-burgers, -consumenten en -bedrijven van wetten van derde landen aan te pakken en te weerstaan, met name de wetten van de Verenigde Staten inzake intellectuele-eigendomsrechten; verzoekt de Commissie in deze context snel haar strategie voor Cloud Computing voor te stellen, als benadrukt in de digitale agenda voor Europa;

54.  herhaalt dat het internet, gegevensverbinding en –opslag en ICT's essentiële onderdelen zijn van de kritieke infrastructuur van de EU;

55.  betreurt de druk die in de EU wordt uitgeoefend voor meer bevoegdheden om websites te blokkeren, aangezien dit steeds een laatste redmiddel moet zijn;

56.  is groot voorstander van het beginsel van netneutraliteit, wat inhoudt dat aanbieders van internetdiensten de mogelijkheid voor personen om een dienst te gebruiken teneinde inhoud, toepassingen of diensten van hun keuze, ongeacht bron of doel, te gebruiken, te verzenden, te plaatsen, te ontvangen of aan te bieden, niet mogen blokkeren, belemmeren of reduceren, evenmin door de kostprijs, en die personen niet mogen discrimineren;

57.  is van mening dat er meer mondiale samenwerking nodig is om in de toekomst de intellectuele-eigendomsrechten te handhaven en te moderniseren, wat noodzakelijk is voor het waarborgen van innovatie, werkgelegenheid en een open wereldhandel;

58.  verzoekt de lidstaten en de Commissie om IER-beleid te ontwikkelen om diegenen die hun eigen inhoud zonder IER wensen te creëren en te delen in staat te blijven stellen dit te doen;

59.  roept de Commissie op een regelgevingskader voor te stellen voor grensoverschrijdende online handel, een beoordeling en herziening van Richtlijn 2001/29/EG inzake de informatiemaatschappij om te zorgen voor voorspelbaarheid en flexibiliteit in de EU-regeling met betrekking tot de auteursrechten, alsook een herziening van de richtlijn betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, om te zorgen voor een evenwicht tussen de nodige hervorming en bescherming van de auteursrechten en de noodzaak de fundamentele rechten online te beschermen en het open internet te bewaren; dit kan als basis dienen voor bepalingen en toezeggingen inzake intellectuele-eigendomsrechten in toekomstige vrijhandelsovereenkomsten;

Een strategie voor digitale vrijheid

60.  erkent dat de mensenrechten eveneens online dienen te worden beschermd, en is van mening dat ICT's aan bod dienen te komen in alle EU-programma's, en met name in het Europees nabuurschapsbeleid en de strategische partnerschappen, om deze inspanning verder te laten dragen;

61.  verzoekt om de erkenning door de EU van digitale vrijheden als fundamentele rechten en als onmisbare voorwaarden om universele mensenrechten als privacy, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en toegang tot informatie te kunnen genieten en om te zorgen voor transparantie en verantwoording in het openbare leven;

62.  roept de Commissie en de Raad op mensenrechtenverdedigers, activisten uit het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke journalisten die gebruik maken van ICT's bij hun activiteiten te steunen, op te leiden en hen in staat te stellen een actievere rol te spelen, en op te komen voor de daaraan gerelateerde fundamentele rechten van privacy, vrije meningsuiting, vrijheid van vergadering en vrijheid van vereniging op het internet;

63.  verzoekt de lidstaten niet de uitzondering van de openbare orde te gebruiken als middel om de fundamentele rechten van maatschappelijke organisaties op het vlak van vrijheid van vergadering en betoging in te perken en herinnert eraan dat een dergelijke uitzondering moet worden gemotiveerd en proportioneel moet zijn;

64.  vraagt politieke en diplomatieke steun voor digitale vrijheden in landen die EU-steun ontvangen, naast steunverleningsprogramma's;

65.  is van mening dat de beperking van digitale vrijheden de volle aandacht moet krijgen in de betrekkingen van de EU met derde landen, terwijl landen die EU-bijstand en steun ontvangen, met uitzondering van landen in acute conflict- en rampensituaties en situaties onmiddellijk na een conflict of ramp, moeten worden verplicht om ICT's te gebruiken op manieren die zorgen voor meer transparantie en verantwoording;

66.  dringt er bij de Raad en de Commissie op aan voorwaardelijkheidsclausules op te nemen in toetredingsonderhandelingen en onderhandelingen over kaderovereenkomsten met derde landen, mensenrechtendialogen, handelsbesprekingen en alle vormen van contact met betrekking tot mensenrechten, waarin bepaald is dat onbeperkte toegang tot het internet en digitale vrijheden dienen te worden gewaarborgd en geëerbiedigd;

67.  roept de Commissie en de Raad op strenge normen op het gebied van digitale vrijheden te bevorderen en te bewaren in de EU, met name door het beginsel van netneutraliteit te codificeren in passende regelgeving, om zo de geloofwaardigheid van de EU te versterken op het vlak van de bevordering en verdediging van digitale vrijheden in de hele wereld;

68.  is van mening dat de bundeling van het EU-beleid inzake handel, vrijheid en buitenlandse zaken en het op elkaar afstemmen van de waarden en belangen ervan van essentieel belang zijn om de Unie in staat te stellen haar economische macht volledig te benutten en op te treden als globale speler bij de verdediging van de digitale vrijheden;

69.  is van mening dat coördinatie en gezamenlijke diplomatieke initiatieven met andere OESO-landen bij het ontwikkelen en uitvoeren van een strategie voor digitale vrijheid van essentieel belang is voor efficiënte en vaardige actie;

70.  verzoekt de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk een strategie voor digitale vrijheid in het kader van het buitenlands beleid van de EU goed te keuren;

o
o   o

71.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie en de EDEO.

(1) http://www.ohchr.org/EN/HRBodies/HRC/RegularSessions/Session20/Pages/ResDecStat.aspx
(2) Unaniem door de raad van bestuur van de Interparlementaire Unie tijdens zijn 189e vergadering goedgekeurde resolutie (Bern, 19 oktober 2011) http://www.ipu.org/english/issues/hrdocs/189/is01.htm.
(3) http://eeas.europa.eu/delegations/un_geneva/press_corner/focus/events/2012/20120625_en.htm
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0250.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0237.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0140.
(7) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0126.
(8) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0059.
(9) PB L 56 van 29.2.2012, blz. 1.
(10) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0511.
(11) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0364.
(12) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0334.
(13) PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 135.
(14) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(15) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 33.
(16) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 24.
(17) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0406.
(19) PB L 16 van 19.1.2012, blz. 1.
(20) PB L 87 van 24.3.2012, blz. 26.
(21) http://unesdoc.unesco.org/images/0013/001325/132540e.pdf

Laatst bijgewerkt op: 12 juni 2015Juridische mededeling