Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Aangenomen teksten
PDF 125kWORD 33k
Donderdag 17 januari 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Irak
P7_TA(2013)0022B7-0006/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 17 januari 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak (2012/2850(RSP))

Het Europees Parlement ,

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds(1) ,

–  gezien de vierde Conventie van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd en de bijbehorende Aanvullende Protocollen I en II,

–  gezien resolutie 1325(2000) van 31 oktober 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over de vrouw, vrede en veiligheid,

–  gezien de wijzigingen in het statuut van het Internationaal Strafhof (ICC) die tijdens de toetsingsconferentie van Kampala van 11 juni 2010 zijn goedgekeurd en een definitie van het misdrijf agressie omvatten,

–  gezien de Europese veiligheidsstrategie van 12 december 2003 getiteld „Een veiliger Europa in een betere wereld”,

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling van 22 november 2005,

–  gezien Gemeenschappelijk Optreden 2005/190/GBVB van de Raad van 7 maart 2005 inzake de geïntegreerde rechtsstaatmissie van de Europese Unie voor Irak, EUJUST LEX, vastgesteld in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB), en op de latere gemeenschappelijke optredens waarbij het mandaat voor de missie is gewijzigd en uitgebreid,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2006 getiteld „Aanbevelingen voor een hernieuwd engagement van de Europese Unie met Irak” (COM(2006)0283),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2006 over de situatie van de vrouw in gewapende conflicten en haar rol in de wederopbouw en het democratische proces in landen die zich in een postconflictsituatie bevinden(2) ,

–  gezien het op 3 mei 2007 in Sharm el-Sheik (Egypte) gesloten internationale convenant met Irak,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 maart 2008 over de rol van de Europese Unie in Irak(3) en zijn resolutie van 25 november 2010 over Irak: de doodstraf (in het bijzonder het geval Tariq Aziz) en het geweld tegen christenen(4) ,

–  gezien de conclusies van de Raad van 22 november 2010,

–  gezien de resoluties 1956 (2010), 1957 (2010) en 1958 (2010) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 15 december 2010,

–  gezien zijn resolutie van 20 januari 2011 over de situatie van christenen in de context van vrijheid van godsdienst(5) ,

–  gezien het gemeenschappelijk strategisch document voor Irak (2011-2013) van de Commissie,

–  gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de Republiek Irak sinds 2005 drie meerpartijenverkiezingen zijn gehouden, een grondwet is aangenomen bij referendum, de basis is gelegd voor een federale staat en inspanningen zijn geleverd voor de totstandbrenging van democratische instellingen, wederopbouw en normalisatie;

B.  overwegende dat Europa en Irak zijn verbonden door duizenden jaren van wederzijdse culturele invloeden en een gemeenschappelijke geschiedenis;

C.  overwegende dat alle politieke groeperingen in Irak op 21 december 2010 tot een overeenkomst zijn gekomen over de vorming van een regering van nationale unie, volgens de door de Iraakse burgers tijdens de verkiezingen van 7 maart 2010 uitgedrukte wensen; overwegende dat de Iraakse regering deze overeenkomst nog heeft uitgevoerd; overwegende dat het uitblijven van de uitvoering de kwetsbaarheid en fragmentatie van Irak in de hand werkt;

D.  overwegende dat Irak traditioneel bevolkt wordt door diverse religieuze groeperingen, waaronder soennieten, sjiieten, christenen, joden, mandeeën en jazidi's, alsmede door een aanzienlijke, niet-sektarische seculiere middenklasse;

E.  overwegende dat er in 2003 800 000 christelijke Iraakse burgers (Chaldeërs, Arameërs en andere christelijke minderheden) in Irak woonden, en overwegende dat zij een oude inheemse bevolkingsgroep vormen die nu ernstig wordt bedreigd met vervolging en ballingschap; overwegende dat honderdduizenden christenen het geweld waarvan zij nog altijd het doelwit zijn, zijn ontvlucht en hun land hebben verlaten of binnen de grenzen van het land zijn verplaatst;

F.  overwegende dat er in 2013 lokale verkiezingen en in 2014 parlementsverkiezingen gepland zijn;

G.  overwegende dat het aantal terechtstellingen in Irak stijgt, hetgeen ingaat tegen de wereldwijde tendens om de doodstraf af te schaffen; overwegende dat onder meer de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten, Navi Pillay, ernstige bezorgdheid heeft geuit over het feit dat rechtszaken die tot de doodstraf leiden, niet voldoen aan de internationale normen voor een eerlijk proces, bijvoorbeeld door een gebrek aan transparantie van de rechtsgang en „bekentenissen” die door foltering of andere vormen van mishandeling van de beschuldigden zijn verkregen; overwegende dat de doodstraf een wrede en onmenselijke straf is en dat er absolute prioriteit moet worden gegeven aan een politieke dialoog met de Iraakse autoriteiten over de afschaffing van de doodstraf;

H.  overwegende dat de crisis in Syrië heeft geleid tot nieuwe, omvangrijke stromen van vluchtelingen en repatrianten naar Irak, die zich nu in Irak in een zeer kwetsbare situatie bevinden en er in grote persoonlijke en economische onzekerheid leven;

I.  overwegende dat het van belang is dat de EU-delegatie in Bagdad over de nodige financiële en andere middelen beschikt om optimaal te kunnen functioneren en van betekenis te kunnen zijn bij het ondersteunen van het democratische proces, het bevorderen van de rechtsstaat en de mensenrechten en het helpen van de Iraakse autoriteiten en burgers bij het proces van wederopbouw, stabilisatie en normalisatie; en overwegende dat een apart bureau in Erbil de operationele daadkracht van de EU-delegatie in Bagdad aanzienlijk zou kunnen verbeteren;

J.  overwegende dat Irak erin is geslaagd zijn olieproductie weer vrijwel op volle capaciteit te brengen; overwegende dat de Iraakse staat het echter nog steeds zeer moeilijk heeft om basisdiensten te verlenen, zoals regelmatige elektriciteitsvoorziening in de zomer, drinkwater en degelijke gezondheidszorg; overwegende dat wat de exploitatie van de Iraakse olievoorraden betreft, technische bijstand, de rechtsstaat en een volledige toepassing van de internationale normen voor contracten en aanbestedingen van essentieel belang zijn om een proces van sociale inclusie en welvaart te bevorderen;

K.  overwegende dat de werkloosheid bij jonge mannen bijna 30% bedraagt, waardoor zij makkelijk te rekruteren zijn door criminele bendes en milities; overwegende dat de bestrijding van corruptie een van de hoofddoelstellingen van de Iraakse autoriteiten moet blijven; overwegende dat de EU er alles aan moet doen om Europese bedrijven sterke stimulansen te geven om corruptiebestrijdingsmaatregelen in Irak te steunen; overwegende dat de Iraakse autoriteiten de olie-inkomsten moeten gebruiken als instrument en als kans om een duurzame sociale en economische heropbouw te bewerkstelligen die de hele Iraakse samenleving ten goede komt, en een proces van democratische hervormingen moeten bevorderen;

L.  overwegende dat voor de Iraakse veiligheidstroepen sinds de terugtrekking van de VS-strijdkrachten uit Irak eind 2011 een cruciale rol is weggelegd bij het waarborgen van de stabiliteit en de duurzaamheid op lange termijn van het land;

M.  overwegende dat volgens het Bureau van de hoge commissaris van de VN voor vluchtelingen (UNHCR) tot dusver 1 500 000 Iraakse burgers binnen het grondgebied zijn verplaatst, van wie er 500 000 geen dak boven hun hoofd hebben, en dat zich momenteel in de buurlanden, in het bijzonder in Syrië en Jordanië, 230 000 vluchtelingen bevinden;

N.  overwegende dat Iraaks Koerdistan relatief rustig en stabiel is en dat de internationale ontwikkelingssamenwerking en de particuliere investeringen er toenemen;

O.  overwegende dat er, ondanks een aanzienlijke verbetering in de veiligheidssituatie, momenteel nog steeds veel bomaanslagen en schietpartijen zijn en dat er dagelijks geweld plaatsvindt, wat de meeste Irakezen in onzekerheid laat over hun toekomst en het onmogelijk maakt om de economische en sociale integratie van de hele Iraakse bevolking te bevorderen;

P.  overwegende dat de EU, teneinde stabiliteit in de regio te bevorderen, haar deel van de verantwoordelijkheid moet opnemen voor het opbouwen van een nieuw, democratisch Irak en dat het beleid van de EU ten aanzien van Irak moet worden gezien in de ruimere context van het strategische partnerschap van de EU met de zuidelijke nabuurschapsregio en het Midden-Oosten;

Q.  overwegende dat de belangrijkste uitdagingen voor de wederopbouw en de normalisatie op het institutionele en maatschappelijke vlak liggen, namelijk capaciteitsopbouw van instellingen en bestuursorganen, versterking van de rechtsstaat, wetshandhaving en eerbiediging van de mensenrechten;

R.  overwegende dat de EU het gebruik van haar middelen moet afstemmen op de specifieke interne, regionale en humanitaire uitdagingen waarvoor Irak wordt gesteld en dat doeltreffendheid, transparantie en zichtbaarheid voorwaarden zijn voor een grotere rol van de EU in Irak;

S.  overwegende dat de EU en de lidstaten sinds 2003 meer dan 1 miljard euro hebben uitgetrokken om Irak te helpen, in het bijzonder via het Internationaal Wederopbouwfonds voor Irak (IRFFI), en overwegende dat de EU sinds 2005 rechtstreeks betrokken is geweest bij het verbeteren van de rechtsorde in het land door middel van haar EVDB-missie EUJUST LEX; overwegende dat het mandaat van EUJUST LEX is verlengd tot 31 december 2013;

T.  overwegende dat de sluiting van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst de EU een nieuw contractueel kader zal bieden voor de ontwikkeling van politieke en economische betrekkingen op lange termijn met Irak en voor het leggen van een solide basis voor de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten in het land;

U.  overwegende dat Irak een potentieel belangrijke partner is om een grotere diversificatie van de energiebronnen te waarborgen en zo tot de energiezekerheid van Europa bij te dragen;

1.  is verheugd over de afronding van de onderhandelingen over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Irak, waarmee beide partijen voor het eerst contractuele betrekkingen zijn aangegaan; is verheugd dat door partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst een samenwerkingsraad, een samenwerkingscomité en een parlementair samenwerkingscomité zijn ingesteld, en verwacht dat deze fora de politieke betrokkenheid van de Unie in Irak nieuw leven zullen inblazen, in de vorm van regelmatig politiek overleg en de ontwikkeling van economische betrekkingen met de Iraakse autoriteiten op het hoogste niveau;

2.  is van oordeel dat deze overeenkomst betrekking heeft op zowel politieke als handelsaspecten en enerzijds de basis legt voor regelmatige en nauwere politieke contacten over bilaterale, regionale en mondiale vraagstukken en anderzijds beoogt de handelsactiviteiten tussen Irak en de EU te verbeteren en de door de Iraakse autoriteiten in gang gezette ontwikkeling en hervormingen te ondersteunen om de integratie van het land in de wereldeconomie te vergemakkelijken;

3.  steunt het proces voor toetreding van Irak tot de Wereldhandelsorganisatie en benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst in belangrijke mate tot dit proces zal bijdragen;

4.  benadrukt dat de „essentieel onderdeel”-clausule in de parterschaps- en samenwerkingsovereenkomst betreffende de bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens de partijen ertoe oproept een actieve rol te spelen in nucleaire ontwapening en hun volledige steun te geven aan de geplande VN-conferentie over een kernwapenvrij Midden-Oosten;

5.  is ingenomen met de clausule in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst betreffende de samenwerking tussen de EU en Irak bij de toetreding van Irak tot het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC); benadrukt dat het belangrijk is dat de EU zoveel mogelijk steun verleent opdat Irak zo spoedig mogelijk het Statuut van Rome ratificeert en tot dit statuut toetreedt en opdat prioriteit wordt gegeven aan de tenuitvoerlegging van de internationale normen en instrumenten inzake de mensenrechten; vraagt de EU-lidstaten en Irak de op 11 juni 2010 goedgekeurde wijzigingen in het statuut van het ICC te ratificeren; is verheugd over de clausule in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst betreffende samenwerking bij de bevordering en doeltreffende bescherming van de mensenrechten in Irak, maar waarschuwt dat een gebrekkige bescherming, verbetering en eerbiediging van de mensenrechten door Irak een negatief effect zou hebben op programma's voor samenwerking en economische ontwikkeling; benadrukt dat het van belang is een strikte voorwaardelijkheid te handhaven op grond van het beginsel „voor wat hoort wat”, en dat er meer nadruk moet worden gelegd op het belang van wezenlijke vooruitgang met betrekking tot de mensenrechten Irak; is verheugd dat de Iraakse regering heeft beloofd een effectieve dialoog met het maatschappelijk middenveld en de effectieve participatie van het middenveld te bevorderen;

6.  benadrukt dat de politieke dialoog tussen de EU en de Iraakse autoriteiten vooral moet gaan over kwesties met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele – burgerlijke en individuele – vrijheden, met bijzondere vermelding van de aanhoudende beschuldiging van schendingen van de mensenrechten en de bescherming van alle religieuze en etnische minderheden, en voorts aandacht moet besteden aan de democratische instellingen, de rechtsstaat, goed bestuur, transparante besluitvorming, behoorlijke rechtsgang en nationale verzoening; dringt er bij de Iraakse regering op aan te werken aan de nationale verzoening van een uitermate gefragmenteerde samenleving;

7.  benadrukt dat absolute prioriteit moet worden gegeven aan een politieke dialoog met de Iraakse autoriteiten over de afschaffing van de doodstraf en steun voor de fundamentele beginselen van de Europese Unie; vraagt de Iraakse regering als eerste stap de doodstraf af te schaffen, en een moratorium op terechtstellingen af te kondigen en onmiddellijk toe te passen;

8.  is verheugd dat door de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst een parlementair samenwerkingscomité is ingesteld, dat het Iraakse parlement en het Europees Parlement een forum biedt om bijeen te komen en van gedachten te wisselen, dat in kennis zal worden gesteld van de aanbevelingen van de samenwerkingsraad en aanbevelingen tot die raad zal richten; steunt deze belangrijke parlementaire dimensie en is van mening dat dit comité een waardevolle gelegenheid zal bieden voor democratisch overleg en steun voor de democratie in Irak;

9.  herhaalt dat het zich wil inzetten voor de ontwikkeling van de parlementaire democratie en herinnert aan zijn initiatief om uit de begroting 2008 steun te verlenen voor de totstandbrenging van democratie in samenwerking met parlementen in derde landen; herhaalt bereid te zijn de Iraakse Raad van vertegenwoordigers actief te ondersteunen door initiatieven voor te stellen om de verkozen vertegenwoordigers van het Iraakse volk beter in staat te stellen hun grondwettelijke rol te vervullen en ervoor te helpen zorgen dat ervaringen worden gedeeld op het gebied van doeltreffend bestuur en personeelsopleiding;

10.  onderstreept hoe belangrijk het is de nodige voorwaarden voor nauw technisch overleg en samenwerking met Irak te scheppen en het Iraakse bestuur te blijven steunen, zodat er degelijke internationale normen voor contracten en aanbestedingen kunnen worden ingevoerd en volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd, en de investeringsmogelijkheden kunnen worden verbeterd;

11.  vraagt Irak het Alomvattend Kernstopverdrag zo spoedig mogelijk te ratificeren;

12.  is ingenomen met de opening van een EU-delegatie voor Irak in Bagdad en de benoeming van een hoofd van de EU-delegatie; herinnert er echter aan dat voor het nodige personeel en materiaal moet worden gezorgd om, overeenkomstig het door de EU vastgestelde doel, een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan het democratiseringsproces in Irak en om de delegatie in staat te stellen al haar taken uit te voeren; benadrukt dat het hoofd van de delegatie in staat moet zijn volkomen veilig naar alle delen van het land te reizen om toe te zien op de correcte uitvoering van door de EU gefinancierde projecten, de mensenrechtensituatie en het hervormingsproces;

13.  benadrukt hoe belangrijk het voor de toekomst van Irak is dat de Iraakse leiders een politieke overeenkomst hebben gesloten over de vorming van een regering van nationale eenheid die de politieke, religieuze en etnische diversiteit van de Iraakse samenleving weerspiegelt en inspeelt op de tijdens de parlementsverkiezingen van 7 maart 2010 uitgedrukte wensen van de bevolking; dringt aan op de volledige en onverwijlde tenuitvoerlegging van deze overeenkomst en vraagt de politieke groeperingen in Irak zich in een geest van eensgezindheid te blijven inzetten voor het opbouwproces van sterke en duurzame democratische instellingen, en de nodige voorwaarden te creëren voor vrije en eerlijke verkiezingen op zowel lokaal als internationaal niveau, aangezien deze cruciaal zijn voor het democratische overgangsproces; merkt op dat de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst wellicht de enige werkbare oplossing is om een effectief proces van nationale verzoening op gang te brengen; herhaalt dat het van belang is permanente ministers aan het hoofd van de ministeries van Defensie en Binnenlandse Zaken te benoemen ter voorkoming van machtsconcentratie en ter bevordering van democratisch overleg, toezicht, politieke verantwoordelijkheid en rekenschap met betrekking tot veiligheidsgerelateerde beleidskeuzes;

14.  is bezorgd over de toenemende sektarische spanningen en het diepe gebrek aan vertrouwen tussen regering en oppositie, wat, als dit probleem niet wordt opgelost, opnieuw tot een gewelddadig conflict kan leiden; is ten zeerste verontrust over een mogelijke negatieve overloop van het conflict in Syrië naar Irak, die de sektarische spanningen in Irak zou kunnen verergeren, en roept alle partijen in Irak op om zich verantwoordelijk en terughoudend te gedragen om een dergelijk scenario te voorkomen;

15.  vraagt de Iraakse regering ervoor te zorgen dat de middelen van het land op transparante en verantwoordelijke wijze gebruikt worden ten behoeve van het hele Iraakse volk;

16.  vraagt de Commissie ter overweging op een van de eerste vergaderingen van de samenwerkingsraad een bindende clausule betreffende maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) op te stellen op basis van op internationaal niveau vastgestelde MVO-beginselen zoals de in 2010 geactualiseerde richtsnoeren van de OESO en de door de VN, de IAO en de EU vastgestelde normen; stelt voor dat in deze clausule de bestaande normen en concepten worden geharmoniseerd, teneinde te zorgen voor vergelijkbaarheid en billijkheid, en ook maatregelen worden opgenomen om deze beginselen op EU-niveau toe te passen, zoals voorschriften om de activiteiten van ondernemingen en hun dochterondernemingen en toeleveringsketens te monitoren en een zorgvuldigheidsplicht in acht te nemen;

17.  blijft uiterst bezorgd over het aanhoudende geweld tegen de burgerbevolking, kwetsbare groepen en religieuze gemeenschappen, waaronder christelijke minderheden, dat bij de bevolking diepe angst en onzekerheid teweegbrengt over hun toekomst en die van hun land; stelt vast dat er op dit vlak enige vooruitgang is geboekt en vraagt de Iraakse autoriteiten verder te werken aan het verbeteren van de veiligheid en de openbare orde en het bestrijden van terrorisme en sektarisch geweld in het hele land; is van mening dat er ook prioriteit moet worden gegeven aan de vaststelling van een nieuw wetgevingskader dat de bevoegdheden en taken van de veiligheidstroepen duidelijk worden omschrijft en een adequaat toezicht op de veiligheidstroepen vergemakkelijkt, zoals in de grondwet wordt gevraagd; is van mening dat de Raad van vertegenwoordigers een bijdrage moet leveren aan de opstelling van nieuwe wetgeving en democratisch toezicht moet uitoefenen; vraagt de Iraakse autoriteiten meer inspanningen te doen om de christelijke minderheden en andere kwetsbare minderheden te beschermen, iedere Iraakse burger het recht te garanderen om in alle vrijheid en veiligheid zijn geloof te belijden of zijn identiteit te bevestigen, met meer vastberadenheid op te treden tegen interetnisch en interreligieus geweld, de seculiere bevolking te beschermen en er alles aan te doen om daders voor het gerecht te brengen met inachtneming van de rechtsstaat en de internationale normen; meent dat de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst een kans biedt om een verdere stimulans te geven aan verzoeningsprogramma's en interreligieuze dialoog met het oog op het herstellen van een saamhorigheids- en partnerschapsgevoel in de Iraakse samenleving;

18.  vestigt de aandacht op het feit dat de humanitaire problemen waarmee het Iraakse volk te kampen heeft dringend moeten worden aangepakt; benadrukt dat moet worden gezorgd voor een gecoördineerd optreden van de Iraakse autoriteiten en de internationale hulporganisaties die ter plaatse actief zijn, teneinde bijstand te verlenen aan kwetsbare groepen, waaronder vluchtelingen en ontheemden, deze groepen te beschermen en de randvoorwaarden te creëren om hun veiligheid en waardigheid te garanderen;

19.  stelt met bezorgdheid vast dat volgens het UNHCR sinds het begin van de oorlog 34 000 Syrische vluchtelingen hun toevlucht in Iraaks Koerdistan hebben gezocht, en vraagt de Iraakse autoriteiten de vluchtelingenstroom naar Irak in goede banen te helpen leiden, met name door ervoor te zorgen dat de vluchtelingen op humanitaire gronden op het grondgebied worden toegelaten en naar vluchtelingenkampen worden geleid; vraagt tevens de EU zich te verbinden tot en bij te dragen aan assistentie aan de regering van Irak bij het waarborgen van humane leefomstandigheden in deze vluchtelingenkampen;

20.  vraagt de Iraakse autoriteiten, wier inspanningen het erkent, de veiligheid van en fatsoenlijke leefomstandigheden voor de bewoners van kamp Ashraf en kamp Hurriya te waarborgen; vraagt de lidstaten artikel 105, lid 3, onder b), en lid 4, van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak na te leven en al het mogelijke te doen om de individuele en vrijwillige hervestiging of repatriatie van de bewoners van Kamp Hurriya te vergemakkelijken, zodat de kwestie van hun aanwezigheid op Iraaks grondgebied eindelijk kan worden opgelost;

21.  vraagt dat de grondwet, het wetboek van strafrecht en het wetboek van strafvordering worden herzien opdat de gelijkheid van mannen en vrouwen alsmede de rechten van de vrouw volledig worden gerespecteerd; wijst met nadruk op de sleutelrol die vrouwen kunnen spelen bij het herstel van maatschappelijke weefsel en wijst op de noodzaak van hun volwaardige politieke deelname, ook bij de ontwikkeling van nationale strategieën, om hun perspectieven in aanmerking te nemen;

22.  moedigt ngo's aan een bijdrage te leveren aan de versterking van de democratie en de mensenrechten in Irak door gerichte steun te verlenen aan vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld, gedwongen huwelijken, eergerelateerde misdrijven, mensenhandel of genitale verminking;

23.  vraagt het parlement en de regering van Irak wetgeving tegen kinderarbeid, kinderprostitutie en kinderhandel in te voeren en de naleving van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind te garanderen;

24.  vraagt dat er bijzondere aandacht wordt geschonken aan de deelname van vrouwen aan het proces van wederopbouw in de postconflictsituatie en aan het politieke en economische leven op het hoogste niveau, met name wat vrouwen uit minderheidsgemeenschappen betreft, die vaak geconfronteerd worden met een dubbele discriminatie op basis van geslacht en etnische of religieuze identiteit; vraagt de Iraakse overheden de nodige maatregelen te nemen om een inclusief maatschappelijk middenveld te ontwikkelen dat een volwaardige rol kan spelen in het politieke proces, en om een onafhankelijke, pluralistische en professionele mediasector te stimuleren;

25.  maakt zich ernstige zorgen over de vele gevallen van zelfmoord onder vrouwen en eerwraakmoorden in verband met gedwongen huwelijken en andere vaak voorkomende vormen van geweld tegen vrouwen, zoals genitale verminking en huiselijk geweld; benadrukt hoe belangrijk het is een adequaat en doeltreffend stelsel van wetten ter bescherming van de rechten en de sociale, culturele en lichamelijke integriteit van vrouwen en meisjes in te voeren, de mogelijkheid tot volledige sociaaleconomische integratie in de samenleving te bevorderen, en discriminatie tegen vrouwen uit hoofde van de wet af te schaffen overeenkomstig de Iraakse grondwet en de internationale mensenrechtenverdragsverplichtingen van Irak;

26.  is ingenomen met het gemeenschappelijk strategisch document (2011-2013) van de Commissie dat de overgang vormt naar de meerjarenprogrammering van de EU-ontwikkelingssamenwerking op basis van overleg met de Iraakse autoriteiten en coördinatie met de andere internationale spelers (Wereldbank, VN) die in Irak actief zijn; constateert dat deze nieuwe aanpak strookt met de belangrijkste richtsnoeren in zijn aanbeveling van 13 maart 2008 aan de Raad;

27.  is verheugd over de positieve resultaten van EUJUST LEX en van de eerste proefprojecten in Irak die aansluiten op het lopende programma van de Commissie; vraagt dat de EU alle opgedane ervaring na afloop van deze missie benut door zowel de EVDB-instrumenten als de EU-instrumenten te gebruiken om ter plaatse te blijven bijdragen aan de versterking van het Iraakse politiewezen en strafrechtstelsel;

28.  herhaalt zijn verzoek om bewijs te leveren van de transparantie en de doeltreffendheid van de EU-steun aan Irak, door middel van volledige, regelmatige en transparante informatie over de reële verstrekking van de EU-hulp en de doeleinden waarvoor deze wordt gebruikt, in het bijzonder de kredieten die beschikbaar worden gesteld via het internationaal wederopbouwfonds voor Irak, waarvan de EU de belangrijkste geldschieter is;

29.  neemt kennis van het feit dat de geplande samenwerkingsactiviteiten van de EU op het gebied van maatschappelijke en menselijke ontwikkeling als doel hebben armoede te bestrijden, in de basisbehoeften op het gebied van volksgezondheid, onderwijs en werkgelegenheid te voorzien en de fundamentele vrijheden voor iedereen te bevorderen, met inbegrip van de meest kwetsbare groepen, namelijk vluchtelingen, verplaatste burgers en alle religieuze minderheden; benadrukt dat al deze activiteiten moeten aansluiten op de versterking van de capaciteit en de instellingen, waarbij rekening wordt gehouden met de beginselen van inclusie, transparantie en goed bestuur;

30.  wijst op de gevoelige geopolitieke positie van Irak, dat grenst aan Syrië, Iran, Turkije, Saudi-Arabië en Jordanië; verwacht van Irak dat het een stabiliserende rol in de regio zal spelen, met name gelet op de burgeroorlog die in Syrië woedt; verwacht van Irak dat het een democratische en inclusieve overgang in Syrië zal steunen;

31.  is verheugd over de recente oprichting van de Hoge Commissie voor de mensenrechten van Irak als onafhankelijke instelling die de in de Iraakse grondwet gewaarborgde rechten kan invullen en een centrale rol kan spelen bij de bescherming van deze rechten; benadrukt hoe belangrijk het is de onafhankelijkheid van deze instelling van politieke invloed te behouden en voldoende, zekere en onafhankelijke financiële steun voor haar werkzaamheden te verlenen; onderstreept de noodzaak van regelmatige, transparante en voortdurende medewerking van regeringsinstanties aan onderzoeken van de commissie; verzoekt de lidstaten de ontwikkeling van de commissie te ondersteunen door technische bijstand, permanente overleg en uitwisseling van ervaringen op het gebied van de bescherming van de mensenrechten;

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de voorzitters van de parlementen van de lidstaten en de regering en de Raad van vertegenwoordigers van de Republiek Irak.

(1) PB L 204 van 31.7.2012, blz. 20.
(2) PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 287.
(3) PB C 66 E van 20.3.2009, blz. 75.
(4) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 115.
(5) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 53.

Laatst bijgewerkt op: 22 januari 2015Juridische mededeling