Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2301(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0048/2013

Ingediende teksten :

A7-0048/2013

Debatten :

PV 11/03/2013 - 19
CRE 11/03/2013 - 19

Stemmingen :

PV 12/03/2013 - 10.6
CRE 12/03/2013 - 10.6

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0073

Aangenomen teksten
PDF 172kWORD 44k
Dinsdag 12 maart 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw
P7_TA(2013)0073A7-0048/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw (2012/2301(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2 en 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 153, lid 1, onder i), en 157, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld „Naar een banenrijk herstel” (COM(2012)0173) en het bijbehorende document over de benutting van het werkgelegenheidspotentieel van de persoonlijke en huishoudelijke dienstverlening (SWD(2012)0095),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011)0609),

–  gezien het Europees Pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Europese Raad is aangenomen,

–  gezien het verslag van de Commissie van 2011 over de vooruitgang op het vlak van gelijkheid tussen vrouwen en mannen in 2010 (SEC(2011)0193),

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld „Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen – 2010-2015” (COM(2010)0491),

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende „de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten – Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020” (COM(2010)0193),

–  gezien Richtlijn 2006/123/EG van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt(1) ,

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van 5 juli 2006 over de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van man en vrouw in arbeid en beroep (herschikking)(2) ,

–  gezien de Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 ter uitvoering van het gelijkheidsbeginsel tussen mannen en vrouwen in de toegang tot en het leveren van goederen en diensten(3) ,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 18 december 1979,

–  gezien zijn resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(4) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 september 2010 over de rol van de vrouw in een vergrijzende samenleving(5) ,

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over de genderaspecten van de economische neergang en de financiële crisis(6) ,

–  gezien zijn resolutie van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband(7) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 maart 2011 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie - 2010(8) ,

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over armoede bij vrouwen in de Europese Unie(9) ,

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over vrouwen en leidinggevende functies in het bedrijfsleven(10) ,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over ondernemerschap voor vrouwen in het midden- en kleinbedrijf(11) ,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders(12) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 maart 2012 over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie - 2011(13) ,

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(14) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de rol van vrouwen in de groene economie(15) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de arbeidsomstandigheden van vrouwen in de dienstensector(16) ,

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(17) ,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0048/2013),

A.   overwegende dat de Europese Unie met de grootste economische en financiële crisis wordt geconfronteerd sinds de Grote Depressie van de jaren dertig, en dat ten gevolge van deze crisis de werkloosheid in alle lidstaten, maar vooral in de zuidelijke lidstaten, aanzienlijk is toegenomen; dat deze crisis vooral ernstige gevolgen heeft voor kwetsbare mensen en met name vrouwen die zowel rechtstreeks - doordat zij hun baan verliezen of minder salaris krijgen en in een onzekere arbeidssituatie belanden – als onrechtstreeks - door de bezuinigingen op de openbare diensten en sociale bijstand- worden geraakt; dat het derhalve onder andere van cruciaal belang is om het perspectief van gendergelijkheid zeer serieus te betrekken in de aanpak van en de oplossingen voor deze crisis;

B.   overwegende dat het recht op werk een essentiële voorwaarde is om gelijke rechten in de praktijk te kunnen brengen en voor de economische onafhankelijkheid en de beroepsmatigeontplooiing van vrouwen; overwegende dat de huidige crisis niet alleen een financiële en economische crisis is, maar ook een crisis op het gebied van de democratie, gelijkheid, sociale zorg en gendergelijkheid, en dat deze ook als excuus wordt gebruikt om inspanningen die essentieel zijn voor de aanpak van klimaatverandering en toekomstige milieuproblemen te verminderen of zelfs te staken;

C.   overwegende dat recente studies hebben uitgewezen dat slechts 5 % van de besluitvormers bij financiële instellingen in de Unie vrouw is, terwijl alle centrale-bankpresidenten in de lidstaten man zijn; overwegende dat genderstudies hebben uitgewezen dat vrouwen op een andere manier leiding geven, in die zin dat zij risico vermijden en zich meer op de langere termijn richten;

D.   overwegende dat de economische crisis aanvankelijk een grotere impact had op mannen dan op vrouwen; overwegende dat de werkloosheidsstijging bij mannen in een ander tempo verloopt dan bij vrouwen; vrouwen werden aanvankelijk niet door de crisis getroffen maar krijgen nu in toenemende mate de effecten ervan te voelen (hogere en groeiende aantallen in onzekere en parttime banen, groter ontslagrisico, lagere salarissen, minder goede sociale bescherming enz.) en zij zullen er ook langduriger onder te lijden hebben; overwegende dat deze fase veel minder goed is gedocumenteerd bij gebreke van betrouwbare en vergelijkbare statistische gegevens, en dat het effect van de crisis voor vrouwen daarom licht wordt onderschat;

E.   overwegende dat vrouwen als motor voor economische ontwikkeling een cruciale rol spelen; overwegende dat een verdere verbetering van de positie van vrouwen economisch voordelig kan zijn en gemeenschappen en gezinnen uit de armoede kan halen;

F.   overwegende dat in een crisissituatie het arbeidsmarktbeleid eerder gericht zal zijn op het algemene werkgelegenheidsniveau dan op economisch inactieve vrouwen;

G.   overwegende dat werkloze vrouwen dikwijls niet in de officiële cijfers zijn opgenomen en dat genderongelijkheid op het punt van inactiviteitspercentages dikwijls wordt onderschat omdat vrouwen zich om verschillende redenen (zwangerschap, gezinstaken, tijdgebrek) vaker van de arbeidsmarkt terugtrekken en onbetaald of informeel werkzaam zijn, in het huishouden, als verzorger van afhankelijke gezins- of familieleden, of in het grijze circuit, terwijl er momenteel nog maar weinig studies voorhanden zijn naar de gevolgen van besparingen in overheidsuitgaven op terrein van gendergelijkheid;

H.   overwegende dat de bezuinigingen die door de overheden in het kader van de besparingsplannen worden doorgevoerd voornamelijk de openbare sector raken, met de daartoe behorende welzijnsdiensten, waar voornamelijk vrouwen werken en gebruik van maken - ongeveer 70% van het personeel in de openbare sector is vrouw –, maar ook de particuliere sector, en dat vrouwen nu de voornaamste slachtoffers worden van de bezuinigingsmaatregelen; overwegende dat tot op heden geen enkel land het effect van de voorgestelde bezuinigingen op de overheidsuitgaven en de consequenties van begrotingsconsolidering vanuit een genderperspectief heeft onderzocht, niet voor elke maatregel afzonderlijk en evenmin voor alle maatregelen gezamenlijk;

I.   overwegende dat vrouwen vaker afhankelijk zijn van sociale uitkeringen die als onderdeel van de bezuinigingsmaatregelen ook lager worden;

J.   overwegende dat een crisissituatie als de huidige noopt tot ingrijpende structurele hervormingen van de arbeidsmarkt;

K.  E. overwegende dat voor vrouwen de afname van de werkgelegenheid vooral gepaard gaat met een nieuwe aanpassing van het werkrooster, met inbegrip van een langere arbeidstijd vaak in verschillende wisseldiensten; en dat het herstel zeer waarschijnlijk spoediger zal plaatsvinden in de industriële sector en zo eerder een herstel van de werkgelegenheid meebrengt voor mannen dan voor vrouwen; overwegende dat bezuinigingsmaatregelen op de openbare diensten dus een langduriger effect zullen hebben op de werkgelegenheid onder vrouwen, waardoor de vooruitgang die op gebied van gendergelijkheid is gemaakt, op de lange termijn op losse schroeven komt te staan;

L.   overwegende dat de crisis bijdraagt aan een toenemende uitbuiting van vrouwen zowel in de legale als in de illegale economie; overwegende dat de gevolgen ervan op langere termijn tevens repercussies zullen hebben voor de vrouwen met niet-lineair verlopende carrières (waarbij ook in slecht betaalde, parttimebanen, dienstverbanden op basis van oproepcontracten, atypische en of zelfs informele banen) dikwijls gedwongen in deeltijd, waardoor deze vrouwen een onvolledige pensioenopbouw hebben en meer kans lopen tot armoede te vervallen; overwegende dat vrouwen uiteindelijk slechts aanspraak hebben op een zeer klein pensioen en daardoor onder de armoedegrens geraken; overwegende dat het gevaar dreigt van een hele verloren generatie van jonge mannen en vrouwen die door economische problemen verstoken blijven van kansen op de arbeidmarkt, zekere banen en vaak ook opleidingsmogelijkheden;

M.  overwegende dat de crisis de problemen bij het combineren van werk en gezin nog verder zal vergroten; overwegende dat het hebben van kinderen de werkgelegenheid van vrouwen en mannen op verschillend wijze beïnvloedt: het aandeel moeders op de arbeidsmarkt is 12 % lager dan het aandeel vrouwen zonder kinderen, terwijl de werkgelegenheid van vaders 8,7 % hoger is dan die van mannen zonder kinderen;

N.   overwegende dat bij de huidige en voorgenomen initiatieven en beleidsmaatregelen om uit de crisis te komen geen rekening is gehouden met de genderdimensie;

O.   overwegende dat de werkgelegenheid van vrouwen wordt beïnvloed door genderstereotypen als bijvoorbeeld het idee dat werkloosheid onder mannen ernstiger is dan onder vrouwen, naast de toch al grote verzameling genderstereotypen die een ongunstige uitwerking hebben op de arbeidskansen van vrouwen; overwegende dat de aanpak van de werkloosheid onder mannen in de praktijk anders is dan die onder vrouwen, omdat mannen nog steeds worden gezien als de belangrijkste kostwinners en vrouwen als degenen die vooral verantwoordelijk zijn voor de zorgtaken in het gezin;

P.   overwegende dat in 2010(18) rond 23% van de burgers van de Europese Unie de kans liep op armoede of sociale uitsluiting, en dat deze verpaupering van de bevolking in de meerderheid van de gevallen vrouwen betreft die dikwijls vele moeilijkheden tegelijk het hoofd moeten bieden, zoals in het geval van oudere alleenstaande vrouwen en eenoudergezinnen (waarvan meestal een vrouw aan het hoofd staat); hierbij vallen te noemen de moeilijkheid bij het behouden of opnieuw vinden van een baan in zulke omstandigheden, de moeilijkheden rond huisvesting en zorg voor afhankelijke personen (kinderen, ouders, personen met een ziekte of handicap), en de moeilijkheid van het combineren bij de combinatie van werk en gezinsleven vanwege het gebrek aan passende ondersteunende structuren en het uiteenlopende nationale beleid op dit punt in de 27 EU-lidstaten;

Q.   overwegende dat de sociale en economische omstandigheden van veel achtergestelde gemeenschappen door de crisis zijn verslechterd en dat hierdoor ook het percentage vroegtijdige schoolverlating onder meisjes omhoog is gegaan en dat ze nog kwetsbaarder zijn geworden voor mensenhandel;

R.   overwegende dat door bezuinigingen op diensten en uitkeringen de economische onafhankelijkheid van vrouwen in gevaar is gebracht, aangezien uitkeringen voor hen vaak een belangrijke bron van inkomsten vormen en vrouwen in de regel meer gebruik maken van openbare diensten dan mannen. overwegende dat alleenstaande moeders en alleenstaande vrouwelijke gepensioneerden alles bijeen het meeste moeten inleveren;

S.   overwegende dat steeds meer vrouwen genoegen nemen met informeel en onbetaald werk (al dan niet vrijwillig) met minder sociale bescherming, om aan de crisis te ontsnappen; overwegende dat huishoudelijke arbeid volgens een studie van de OESO(19) , 33% van het bbp van de OESO-landen uitmaakt;

T.   stelt vast dat de afgenomen verschillen in werkloosheidscijfers tussen mannen en vrouwen eerder duiden op een algehele verslechtering van de levens- en arbeidsomstandigheden dan op een grotere gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

U.  overwegende dat vrouwen in het beroepsleven een stimulerende rol spelen in het herstel van de groei; dat zij ervoor zorgen dat het gezinsinkomen toeneemt en dat dit vervolgens leidt tot een verhoogde consumptie en een verhoogde economische activiteit; overwegende dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen derhalve een positief effect heeft op de productiviteit en de economische groei;

V.  overwegende dat uit de recente secundaire analyse van het vijfde EWCS („Vrouwen, mannen en arbeidsomstandigheden in Europa: secundaire analyse van het vijfde Europees onderzoek naar arbeidsomstandigheden”, Eurofound 2012, wordt gepubliceerd in 2013) blijkt dat gendersegregatie zowel voor vrouwelijke als mannelijke werknemers nadelig is; Zowel mannen als vrouwen zeggen dat ze zich beter voelen op het werk en dat hun arbeidssatisfactie groter is, als ze met collega's van beide geslachten werken. overwegende dat er nog ruimte is voor het tegengaan van gendersegregatie op de arbeidsmarkt, de genderpolarisatie in de beroepswereld en het bestaan van werkplekken met een „monocultuur’ van uitsluitend mannen of vrouwen (aangezien drie vijfde van de werknemers in Europa in een ”éénslachtige’ werkomgeving);

W.  overwegende dat er maatregelen op het gebied van gendergelijkheid zijn geschrapt of uitgesteld en dat mogelijke bezuinigingen in de toekomst een negatieve uitwerking zullen hebben op de werkgelegenheid van vrouwen en op de bevordering van gelijke kansen;

X.  overwegende dat de economische neergang niet mag worden aangegrepen als excuus om de op het gebied van het beleid gericht op het combineren van werk en privéleven gemaakte vorderingen af te remmen of om te bezuinigen op opvangvoorzieningen voor hulpbehoevenden en verlofregelingen, hetgeen vooral voor vrouwen de toegang tot de arbeidsmarkt zou bemoeilijken;

Y.  overwegende dat geweld tegen vrouwen in alle landen en alle lagen van de bevolking een wijdverbreid verschijnsel is; overwegende dat stress om economische redenen ertoe kan leiden dat misbruik vaker voorkomt en gewelddadiger en ernstiger is; overwegende dat uit onderzoek is gebleken dat geweld tegen vrouwen toeneemt als mannen te maken hebben met gedwongen verhuizing of bezitsverlies ten gevolge van de economische crisis;

Z.  overwegende dat vrouwen het meest hebben geprofiteerd van de banengroei in de Europese Unie tussen 1998 (arbeidsparticipatie vrouwen in de EU: 55,6%) en 2008 (arbeidsparticipatie vrouwen in de EU: 62,8%)(20) ; dat de werkgelegenheid voor vrouwen met 12,7% is toegenomen en met slechts 3,18% voor mannen maar dat in 2012 de werkloosheid enigszins hoger blijft voor vrouwen(21) (10,7% voor vrouwen en 10,6% voor mannen);

AA.  overwegende dat in 2011 van de vrouwen 31,6% in deeltijd werkte tegenover 8,1% bij de mannen;

1.   herinnert eraan dat de gelijkheid van mannen en vrouwen een van de grondbeginselen is van de Europese Unie en een van de fundamentele uitgangspunten moet vormen voor de op de huidige economische en financiële crisis te vinden antwoorden, zoals investeringen in de publieke sector, de welzijnssector en duurzame woningbouw, duurzaam vervoer, etc., en verwerving van overheidsinkomsten door middel van een efficiënter belastingbeleid; betreurt het feit dat in de beleidsreacties op de crisis, waaronder herstelplannen, geen aandacht is besteed aan het herkennen, analyseren en corrigeren van de gendereffecten van de crisis; keurt het af dat integratie van het genderbeleid in de strategie voor de periode na Lissabon vrijwel volledig ontbreekt; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten in de werkgelegenheids- en macro-economische richtsnoeren gendergelijkheid op te nemen middels specifieke doelstellingen;

2.   verzoekt de Europese Commissie de genderdimensie in al het beleid te integreren, in het bijzonder op de volgende gebieden: het effect van bezuinigingsmaatregelen en het economisch herstel na de crisis; economische governance, duurzame ontwikkeling en groene banen; beroepsonderwijs en -opleiding: migratie, samenwerking en ontwikkeling; gezondheid en veiligheid; en maatregelen die worden gepland of uitgevoerd om de gevolgen van de crisis tegen te gaan of te beperken;

3.   roept de lidstaten op de directe en de langetermijngevolgen van de economische crisis voor vrouwen te onderzoeken en te benadrukken, in het bijzonder de vraag of en hoe hierdoor de bestaande genderongelijkheid nog groter wordt, en de gevolgen hiervan, zoals een toegenomen risico van op gender gebaseerd geweld, verslechtering van de gezondheid van moeders en kinderen en armoede onder oudere vrouwen;

4.   herinnert eraan dat in 2008 de arbeidsdeelname van vrouwen 62,8% bedroeg na een voortdurende stijging gedurende meer dan tien jaar, en dat dit percentage in de Europese Unie sinds het begin van de economische crisis enigszins is afgenomen en voor het jaar 2011 op 62,3% is vastgesteld; wijst daarom op de noodzaak van duurzame antwoorden met mainstreaming van gendergelijkheid in het beleid van de EU en de lidstaten, tot behoud van de werkgelegenheid en het herstel van de groei;

5.   roept de Commissie op een verdere aanpassing van de structuurfondsen te overwegen, teneinde aanvullende steun te waarborgen voor sectoren waarbinnen veel vrouwen werkzaam zijn en die waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de crisis, evenals steun voor kinderopvang, opleiding en toegang tot arbeid;

6.   benadrukt het belang van het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting, dat een vlaggenschipinitiatief is; vraagt de lidstaten om volledig gebruik te maken van het programma „Europa voor de burger” en het toekomstige programma voor sociale verandering en innovatie, met name als het gaat om de daadwerkelijke verwezenlijking van de doelstellingen inzake gendergelijkheid; onderstreept het belang van het Daphne III-programma, met name wat betreft de bescherming van vrouwen tegen iedere vorm van geweld en de verwezenlijking van een hoog niveau van gezondheidsbescherming, welzijn en sociale cohesie;

7.   onderstreept dat ofschoon de werkloosheidscijfers voor mannen en voor vrouwen te vergelijken zijn, vrouwen toch anders door de crisis worden geraakt; wijst erop dat de arbeidsvoorwaarden voor vrouwen veel onzekerder zijn geworden vooral door de steeds grotere verbreiding van atypische contractvormen, en dat hun inkomsten aanzienlijk zijn gedaald, als gevolg van een aantal factoren zoals de nog steeds bestaande loonkloof (bijna 17%) tussen mannen en vrouwen en de daaruit voortvloeiende verschillen in de hoogte van de werkloosheidsuitkering, de opkomst van gedwongen deeltijdwerk, en de toename van tijdelijke en tijdgebonden contracten, ten koste van meer stabiele banen; mede ook door de nog steeds bestaande loonkloof tussen mannen en vrouwen en het daaruit voortvloeiende hoogteverschil in de werkloosheidsuitkeringen, is de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt in deze crisis verslechterd; wijst erop dat ervaringen uit eerdere crises hebben geleerd dat de werkgelegenheid zich voor mannen sneller herstelt die voor vrouwen;

8.   verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk met een voorstel voor een richtlijn te komen met maatregelen om een einde te maken aan het loonverschil tussen mannen en vrouwen voor hetzelfde of gelijkwaardig werk;

9.   herinnert eraan dat er zeer grote verschillen bestaan tussen de lidstaten van de Europese Unie, waarbij de arbeidsparticipatie van vrouwen varieert van 48,6% tot 77,2%, en dat dit contrast vraagt om een specifieke en maatgesneden respons als onderdeel van een overkoepelende Europese aanpak; onderstreept bovendien dat er gemeenschappelijke, betrouwbare indicatoren en daarom betrouwbare en vergelijkbare statistische gegevens nodig zijn om de verschillende behoeften in kaart te kunnen brengen en daar adequaat op in te spelen;

10.   herinnert eraan dat reeds voor de uitbraak van de economische crisis vrouwen de meeste precaire banen en deeltijdbanen bezetten en dat deze tendens is versterkt door de crisis, waardoor tal van vrouwen een verhoogd risico op sociale uitsluiting lopen; wijst erop dat dit vooral in Zuid-Europese landen het geval was;

11.   wijst er met bezorgdheid op dat de werkloosheid onder jonge vrouwen is gestegen van 18,8% in 2009 tot 20,8% in 2011, en dat de crisis vooral hard zal toeslaan onder de vrouwen in achterstandssituaties zoals onder meer vrouwen met een handicap, immigrantenvrouwen, vrouwen die tot een etnische minderheid behoren, laagopgeleide vrouwen, langdurig werkloze vrouwen, alleenstaande moeders, vrouwen zonder inkomen, vrouwen met personen ten laste; is ingenomen met het pakket maatregelen van de Commissie om de onaanvaardbaar hoge niveaus van jeugdwerkloosheid en sociale uitsluiting aan te pakken en jongeren banen, onderwijs en opleiding te bieden;

12.   is van mening dat het recht op werk een essentiële voorwaarde is om gelijke rechten in de praktijk te kunnen brengen en voor de economische onafhankelijkheid en de beroepsmatige ontplooiing van vrouwen en dringt daarom aan op de uitbanning van marginaal werk door erkenning van het belang en de waarde van banen met rechten;

13.   roept de EU en haar lidstaten op tot een herformulering van de huidige antwoorden op de economische crisis om te waarborgen dat de getroffen maatregelen gericht zijn op de lange termijn en dat er geen sprake is van ondergraving van het welzijnsbeleid en de publieke structuren die een voorwaarde vormen voor meer gendergelijkheid, zoals sociale diensten en zorgfaciliteiten, gezondheidszorg, onderwijs en rechten van werknemers;

14.   herinnert eraan dat het voor vrouwen steeds moeilijker wordt om van onderwijs naar werk over te stappen en dat dit er uiteindelijk toe leidt dat mannen en vrouwen hun vaardigheden verschillend inschatten;

15.   is van mening dat de structurele hervormingen die uit de aanpak van de huidige crisis zullen voortvloeien, de gelegenheid bieden tot het rechtzetten van bepaalde discriminerende gedragingen op grond van gender die nog veel te vaak op de Europese arbeidsmarkt voorkomen;

16.   onderstreept dat het gewicht van vrouwen die actief zijn in de informele economie groter is dan van mannen, mede doordat de sectoren waarin vrouwen traditioneel het vaakst actief zijn, zoals huishoudelijk werk of zorg, minder onderworpen zijn aan regelgeving; wijst er anderzijds op dat de informele economie ten gevolge van de crisis is toegenomen, hoewel hierop moeilijk zicht te krijgen is bij gebreke van betrouwbare gegevens over de frequentie en het effect ervan;

17.   benadrukt dat vrouwen cruciaal zijn geweest bij de bestrijding van de crisis; is ervan overtuigd dat vrouwen een aanzienlijk potentieel vormen voor de verbetering van de concurrentiekracht en de prestaties van de bedrijven, in het bijzonder als zij er bestuursposten bezetten; dat het derhalve met name dringend nodig is om hen bij de voorbereiding en het beheer van herstelplannen te betrekken om zo de sociale samenhang te verbeteren;

18.   benadrukt dat de huidige economische en financiële crisis en de daaruit voortvloeiende bezuinigingen de resultaten van het beleid ter bevordering van de gendergelijkheid niet in gevaar mogen brengen, en geen voorwendsel mogen zijn om de inspanningen ter zake te verminderen; meent integendeel dat de lidstaten moeten worden aangespoord het genderbeleid in hun arbeidsmarktbeleid op te nemen, als deel van de oplossing om uit de crisis te komen, in die zin dat de vaardigheden en capaciteiten van alle Europeanen moeten worden ingezet en volledig benut; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat in alle voorgenomen begrotingsbeleid het aspect van gendermainstreaming wordt opgenomen;

19.   benadrukt dat rechten voor vrouwen niet moeten worden gezien, begrepen of nagestreefd als rivaliserend ten opzichte van rechten voor mannen, aangezien de verbetering van het zorgaanbod en de overheidsvoorzieningen voor gezinnen een voorwaarde is voor de participatie van zowel mannen als vrouwen op de arbeidsmarkt; wijst erop dat het delen van huishoudelijke en gezinstaken moet worden bevorderd; verzoekt de lidstaten met maatregelen te komen of bestaande maatregelen uit te breiden om een einde te maken aan genderdiscriminatie en oneerlijke taakverdeling, bijvoorbeeld door mannen aan te moedigen gebruik te maken van hun recht om voor kinderen en zieke of gehandicapte familieleden te zorgen;

20.   benadrukt dat er binnen de Europese Unie sprake is van een dalend geboortecijfer, wat nog versterkt wordt door de crisis, omdat stellen, en met name jongere vrouwen, vanwege de werkloosheid, marginalisering en onzekerheid over de toekomst, het besluit om kinderen te krijgen uitstellen, waardoor de vergrijzingstrend binnen de Europese Unie nog verder toeneemt;

21.   benadrukt dat het belangrijk is het macro-economische, sociale en arbeidsmarktbeleid te hervormen teneinde economische en sociale rechtvaardigheid voor vrouwen te waarborgen, strategieën te ontwikkelen ter bevordering van de eerlijke verdeling van rijkdom, een minimuminkomen en behoorlijke lonen en pensioenen te garanderen, het loonverschil tussen mannen en vrouwen te verkleinen, meer kwalitatief hoogwaardige banen voor vrouwen te creëren waaraan rechten verbonden zijn, om hen in staat te stellen te profiteren van hoogwaardige publieke voorzieningen, en de sociale voorzieningen en de plaatselijke dienstverlening te verbeteren, met inbegrip van crèches, peuterspeelzalen en andere vormen van voorschoolse opvang, dagopvang, gemeenschappelijk buurthuizen en centra voor gezinsondersteuning, alsmede „intergenerationele centra”;

22.   wijst erop dat de bezuinigingen op de overheidsuitgaven niet genderneutraal zijn maar veeleer het resultaat van het macrostructurele beleid van de Europese Unie, in het bijzonder de maatregelen die worden toegepast in het kader van het „economisch bestuur” en van de financiële aanpassingsprogramma's, die steeds meer leiden tot genderongelijkheid, vrouwenwerkloosheid en feminisering van de armoede; acht derhalve beleidswijziging nodig, aangezien vrouwen in meerderheid in de openbare sector werkzaam zijn en de voornaamste doelgroep vormen zijn van sociale beleidsmaatregelen; dringt dan ook aan op verhoging van de desbetreffende begrotingslijnen;

23.   verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen om bij de planning van bezuinigingsmaatregelen gendereffectbeoordelingen uit te voeren, om te zorgen dat de gevolgen hiervan zo genderneutraal mogelijk zijn;

24.   verzoekt de lidstaten om genderbudgettering in te voeren om overheidsprogramma's en –beleid te analyseren, te onderzoeken wat de gevolgen hiervan zijn voor de toewijzing van middelen en welke bijdrage ze leveren aan de gelijkheid van vrouwen en mannen;

25.   benadrukt dat vrouwen een grotere kans hebben op een langzamere loopbaanontwikkeling dan mannen, doordat zij eerder genoegen nemen met een startpositie op lager niveau of in deeltijd, en dat vrouwen in deze situatie bijgevolg kwetsbaarder zijn, een onbevredigend inkomensniveau hebben en sterker onder armoede gebukt gaan;

26.   verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten doeltreffende voorzieningen te garanderen voor betaalbare, toegankelijke en goede opvang van en zorg voor kinderen en andere afhankelijke personen die aansluiten bij de arbeidstijden van vrouwen en mannen met een fulltimebaan;

27.   wijst op de noodzaak van onmiddellijke stappen voor de uitvoering van beleidsmaatregelen voor herintreding en integratie in de bedrijfswereld voor de werknemers uit de openbare sector, die voor de meerderheid uit vrouwen bestaan, en wier banen door de bezuinigingen op de openbare diensten worden bedreigd;

28.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om het perspectief van gendergelijkheid te mainstreamen in al het werkgelegenheidsbeleid, de noodzakelijke maatregelen te nemen om vrouwen weer aan het werk te krijgen in niet alleen laagbetaalde maar ook leidinggevende functies en deze benadering in alle richtsnoeren van de Europese Unie met betrekking tot werkgelegenheid een plaats te geven dringt aan, vooral met het oog op het volgende meerjarig financieel kader 2014-2020, op een goede genderbudgettering om de doelstellingen van het pact voor gendergelijkheid en de Europa 2020-strategie te verwezenlijken;

29.   betreurt dat in de jaarlijkse groeianalyse 2013 niet wordt gerept van grotere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, hoewel dit een van de kerndoelen van de EU 2020-strategie is; verzoekt de Raad bij de opstelling van de richtsnoeren voor het economisch beleid van dit jaar in het kader van het Europees Semester de bevordering van participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt als prioriteit toe te voegen;

30.  verzoekt de lidstaten de gendergelijkheid in alle toekomstige nationale hervormingsprogramma's op te nemen en systematisch aan te pakken;

31.  dringt bij de lidstaten aan op een actief arbeidsmarktbeleid, een sterke sociale dialoog, arbeidsnormen en sociale bescherming, teneinde de rechten van vrouwen, met inbegrip van migrantenvrouwen, te waarborgen en gedwongen arbeid en zwartwerk te bestrijden;

32.   verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om de deelname van moeders aan de arbeidsmarkt te stimuleren, zoals telewerken of beleidsmaatregelen voor opleiding en herscholing, zodat de terugkeer naar de arbeidsmarkt na afwezigheid wegens moederschap kan worden vergemakkelijkt;

33.   verwelkomt het voorstel voor een richtlijn ter verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen, waardoor vrouwen toegang kunnen krijgen tot hoger gekwalificeerde en beter betaalde banen, en vraagt de lidstaten dringend dit voorstel te steunen en zich voor te bereiden op de omzetting ervan; dringt erop aan dat gelijksoortige bindende regelgeving ook bij andere werkgevers wordt ingevoerd, zoals bij overheidsinstellingen, bestuursinstanties en organisaties op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau, die het goede voorbeeld zouden moeten geven wat betreft gendergelijkheid in besluitvormingsprocessen;

34.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om met het oog op de bevordering van het evenwicht tussen mannen en vrouwen een strategie uit te werken voor niet onder deze richtlijn vallende kleine en middelgrote ondernemingen; laakt het feit dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in raden van bestuur van financiële instellingen, en daardoor nagenoeg zijn uitgesloten van de besluitvorming in financiële aangelegenheden; verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten de deelname van vrouwen aan de besluitvorming op alle niveaus te verbeteren, met name op het gebied van budgettering en regelingen met betrekking tot het bestuur van Europese financiële stelsels, waaronder de Europese Centrale Bank; onderstreept in dit verband het belang van het bevorderen van het financieel alfabetisme bij meisjes en vrouwen;

35.   verzoekt de lidstaten beleid uit te stippelen voor uitgebreide scholing van werknemers in de sectoren die het meest worden getroffen door de nadelige gevolgen van de crisis of de globalisering ter voorbereiding op de verdere ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en op nieuwe banen, en daarbij te letten de specifieke positie van vrouwen en op het feit dat vrouwen vaker dan mannen hun carrière moeten onderbreken om de zorg op zich te kunnen nemen voor kinderen of oude en zieke familieleden, met de gevolgen van dien voor hun loopbaan; verzoekt om een systematische uitvoering van opleidingsplannen in de bedrijven zodat werknemers kunnen worden omgeschoold, zodat op de werknemers persoonlijk toegesneden voorstellen kunnen worden gedaan voor een andere functie, en aangepaste opleidingen worden aangeboden aan werkzoekenden en laaggeschoolde werknemers; verzoekt hen tevens om een volledig overzicht te maken van de personeelstekorten, opgesplitst per arbeidsmarktsegment, zodat een deel van de vrouwen zich gericht kan voorbereiden en naar werk kan zoeken;

36.  verzoekt de lidstaten hun socialezekerheidsstelsels te herzien met het oog op de individualisering van pensioenrechten en aanspraken uit hoofde van socialezekerheidsregelingen, om zo een einde te maken aan het „kostwinnersvoordeel” en gelijke pensioenrechten te garanderen;

37.   onderstreept dat door de bezuinigingen in de zorgsector het werk in feite op de schouders van de vrouwen wordt gelegd, en de gendergelijkheid wordt ondermijnd; en verzoekt alle lidstaten plannen voor zorgvoorzieningen te ontwikkelen waardoor sociale gerechtigheid en gendergelijkheid kunnen worden bewerkstelligd;

38.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om beleid en programma's voor beroepsopleidingen voor vrouwen te bevorderen, waarbij vooral aandacht moet worden besteed aan de dringende behoefte aan permanente-educatieprogramma’s en aan verwerving van nieuwe vaardigheden op het gebied van nieuwe technologieën en IT, zodat vrouwen beter toegang kunnen krijgen tot en participeren in verschillende bedrijfstakken zoals de economische en financiële sectoren waarin weinig vrouwen werkzaam zijn, en daarbij specifieke ondersteunende maatregelen te nemen waardoor vrouwen werk, opleiding en gezinsleven kunnen combineren; herinnert aan de belangrijke rol die het Europees Sociaal Fonds met zijn opleidingsbeleid bij de arbeidsmarktintegratie heeft gespeeld en verzoekt de lidstaten en de lagere overheden het gebruik van dit fonds te bevorderen ten gunste van met name de vrouwen die het sterkst door de economische crisis worden getroffen;

39.   onderstreept het belang van investeringen in vrouwen en gendergelijkheid;

40.   dringt er bij de lidstaten op aan de actieve inclusie of re-integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen en de werkgelegenheid van vrouwen in de strategische ontwikkelingssectoren te stimuleren, door middel van specifieke maatregelen voor flexibele werktijden, gelijke beloning en herziening van belasting- en pensioenregelingen, alsmede maatregelen voor „een leven lang leren” ter verwerving van de vaardigheden en kwalificaties die nodig zijn om de sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie te halen; onderstreept het belang van opleiding op hoog niveau ter stimulering van de toegang van vrouwen tot sectoren waarin zij ondervertegenwoordigd zijn, zoals wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling, zeker op een moment waarop Europa behoefte heeft aan meer onderzoekers om innovatie te bevorderen en de economie te versterken; roept de Commissie op een verdere aanpassing van de structuurfondsen te overwegen, teneinde aanvullende steun te waarborgen voor sectoren waarbinnen veel vrouwen werkzaam zijn en die waarschijnlijk gevolgen zullen ondervinden van de crisis, evenals steun voor kinderopvang, opleiding en toegang tot arbeid;

41.   herinnert eraan dat in vele lidstaten de toegang tot de eerste voltijdbaan voor jonge vrouwen (leeftijdcategorie 15-24 jaar) is verslechterd sinds het begin van de crisis en dat om deze situatie het hoofd te bieden, velen onder hen hun studie hebben voortgezet; constateert dat deze ontwikkeling de vrouwen over het geheel genomen weliswaar meer opleiding en daardoor meer bescherming oplevert, maar dat zij met die kwalificaties niet evenveel in aanzien stijgen als bij mannen het geval zou zijn; verzoekt de lidstaten zich te richten op strategieën waarbij onderwijs- en scholingsbeleid gepaard gaat met werkgelegenheidsbeleid speciaal voor jonge vrouwen;

42.   verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat in het curriculum van middelbare scholen een elementaire basiskennis van financiën en ondernemerschap wordt opgenomen;

43.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de gevolgen van de nieuwe pensioenstelsels voor de verschillende categorieën van vrouwen te berekenen, waarbij zij in het bijzonder aandacht moeten besteden aan deeltijdse en atypische contracten, en om de sociale vangnetsystemen aan te passen, in het bijzonder aan de jongere generaties;

44.  verzoekt de lidstaten het ondernemerschap onder vrouwen te bevorderen en daarmee hun economische positie te helpen versterken, door vrouwen, met name jonge vrouwen en immigrantenvrouwen die een bedrijf beginnen, aan te moedigen en te steunen, door vrouwen gemakkelijker toegang te bezorgen tot financiering, bijvoorbeeld via microkrediet, technische bijstand en begeleidende maatregelen, door bevordering van nieuwe financierings- en ondersteuningsinstrumenten en stimulering van vrouwelijk ondernemerschap en sponsornetwerken, en uitwisseling van goede praktijken tussen lidstaten en marktdeelnemers; onderstreept dat investeringen in vrouwen en gendergelijkheid van groot belang zijn om economische stabiliteit te garanderen en economische schokken te voorkomen;

45.   verzoekt de lidstaten de participatie van vrouwen op alle niveaus van besluitvorming te verbeteren;

46.   verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten om meer te doen aan de bevordering van ondernemerschap onder vrouwen, waartoe ook financiële steun behoort aan vrouwelijke ondernemers;

47.   verzoekt de lidstaten het vrouwelijk ondernemerschap in de groene economie, als bron van nieuwe werkgelegenheid, te bevorderen; merkt op dat hernieuwbare energie nieuwe arbeidsmogelijkheden kan creëren voor vrouwelijke ondernemers in verafgelegen en perifere gebieden van de Europese Unie waar de werkloosheid van vrouwen bijzonder hoog is en er veel potentie is voor de exploitatie van alternatieve vormen van energie zoals wind- en zonne-energie;

48.   onderstreept het belang van actief arbeidsmarktbeleid, arbeidsinspecties en sociale dialoog, alsook van bijscholing teneinde de vergroening van de economie te bevorderen;

49.   verzoekt de lidstaten het scheppen van banen te steunen in de sociale en solidaire economie, waar het onbetaalde werk van vrouwen overheerst, en vooral nieuwe oplossingen te zoeken en toe te passen waardoor niet-geregistreerd legaal werk aan profiel wint;

50.   verzoekt de lidstaten de zorg- en gezondheidssector te steunen om voorwaarden te scheppen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie inzake de werkgelegenheid van vrouwen;

51.   vraagt de lidstaten dringend de effecten in het oog te houden en tegen te gaan van bezuinigingen op publieke zorg- en gezondheidsdiensten die tot herprivatisering van de zorg leiden, om de zorgtaak op de schouders van vrouwen niet nog zwaarder te maken omdat dit hen weer in een traditionele gezinsrol zou terugdringen; benadrukt dat besparingen op het gebied van moederschap, vaderschap, ouderschapsverlof en kinderbijslag en andere zorg- en gezinsgerelateerde uitkeringen het inkomen van alle vrouwen met zorgtaken aanzienlijk hebben verlaagd;

52.  herinnert eraan dat er nog steeds stereotype opvattingen bestaan over de plaats van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt, en dat vrouwen proberen hun werkverplichtingen met hun gezinsleven te verzoenen en dat zij daarom kwetsbaarder zijn voor veranderingen in hun werk dan mannen;

53.   dringt aan op een beleid inzake openbaar vervoer, met name door uitbreiding en verbetering van het openbaar vervoer, op een zodanige manier dat met gendergelijkheid rekening wordt gehouden, zodat vrouwen dankzij een reële mobiliteit actiever aan de arbeidsmarkt kunnen deelnemen en een baan kunnen zoeken;

54.   is bezorgd over de situatie van vrouwen in plattelandsgebieden, waar de toegang tot verschillende diensten is verslechterd; verzoekt de lidstaten in plattelandsgebieden te zorgen voor functionerend openbaar vervoer, medische zorg en andere essentiële diensten, om de migratie naar de grote steden te beperken en te voorkomen dat perifere gebieden worden gemarginaliseerd;

55.  benadrukt het belang van daadwerkelijke waarborgen voor een goede afstemming tussen werk, gezin en privéleven, om de deelname van vrouwen uit alle sociale geledingen aan het sociale en politieke leven te versterken;

56.   benadrukt dat het Europees programma „Erasmus voor jonge ondernemers” vooral steun moet geven aan de participatie van vrouwen, opdat vrouwen evenveel zelfvertrouwen krijgen, kennis kunnen opdoen via de ondernemingen in de interne markt en de noodzakelijke vaardigheden voor het managen en ontwikkelen van een bedrijf kunnen verwerven;

57.   benadrukt dat bezuinigingen op openbare diensten voor kinderopvang rechtstreeks van invloed zijn op de economische onafhankelijkheid van vrouwen en het evenwicht tussen werk en privéleven; verzoekt de Commissie en de Raad een actieplan goed te keuren om de doelstellingen te verwezenlijken zoals die zijn vastgesteld in Barcelona voor een betere bekostiging van de verschillende vormen van kinderopvang met het opzetten van crèches van één of meerdere bedrijven; acht het belangrijk dat op sectoraal, nationaal en regionaal niveau tussen bedrijfsleiding en werknemers collectief wordt onderhandeld met het oog op een beter evenwicht tussen werk en gezinsleven, en dat de toegangs- en aanwezigheidsregels voor kinderopvangsregelingen die aan bepaalde categorieën van vrouwelijke functies verbonden zijn, worden versoepeld, waarbij ook een minimum-opzeggingstermijn van drie maanden voor kindercrèches moet gelden zodat vrouwen gezin en werk kunnen blijven combineren;

58.   dringt aan op de bevordering van adequate moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlofregelingen en de ondersteuning van initiatieven van ondernemingen die flexibele werktijden en interne kinderopvang aanbieden, alsmede op de toewijzing van meer middelen voor onderwijs, programma's voor een leven lang leren en beroepskwalificatie- en herscholingsprogramma's en de invoering van adequate steun voor gezinsverzorgers, inclusief respijtzorg;

59.   onderstreept de noodzaak van investeringen in betaalbare kwaliteitsdiensten – zoals kinderopvang, scholen waar kinderen de hele dag terecht kunnen en ouderenzorg – die gendergelijkheid helpen bevorderen, zorgen voor een beter evenwicht tussen werk en gezin en een kader creëren dat de entree of terugkeer op de arbeidsmarkt begunstigt;

60.   onderstreept dat het essentieel is nieuwe structuren voor kinderopvang te openen maar daarnaast de informele systemen voor kinderopvang te professionaliseren door kwaliteitsnormen vast te stellen, de voorwaarden van de beloning te verbeteren en de betrokkenen scholing te bieden; bovendien moet rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van ouders met atypische werktijden en alleenstaande ouders;

61.   benadrukt dat regeringen en werkgevers hun verantwoordelijkheid moeten nemen waar het gaat om de vernieuwing van de generaties en de rechten op het gebied van moederschap en vaderschap, waarbij het recht van vrouwen om zowel moeder als werknemer te zijn zonder hun rechten op het gebied van werk te verliezen, voorop moet staan;

62.   onderstreept de noodzaak om de gevolgen van de economische en financiële crisis voor gezinnen te verminderen (waarbij vooral te denken valt aan scheiding, alleenstaande moeders, en situaties waarbij de kinderen aan de zorg van familieleden of instanties zijn toevertrouwd), ermee rekening houdend dat van een vrouw vaak wordt verwacht dat zij de huishoudelijke taken op zich zal nemen; onderstreept dat vrouwen als gevolg daarvan aan een groter armoederisico blootstaan;

63.   benadrukt dat de bezuinigingen die sommige lidstaten hebben doorgevoerd in de budgetten voor kinderzorg, vroegschoolse en buitenschoolse opvang, toelages voor maaltijden en transport naar school en steun voor de zorg voor afhankelijke personen, rechtstreekse gevolgen hebben voor vrouwen, die de meeste extra taken op zich moeten nemen die uit dit alles voortvloeien; onderstreept dat dit betekent dat vrouwen dikwijls op parttime werk moeten overschakelen (met alle sociale nadelen van dien zoals minder inkomen en lager pensioen) ; meent dat het openbare stelsel van voorzieningen op het gebied van kinderdagverblijven en crèches en van buitenschoolse activiteiten voor kinderen moet worden uitgebreid, tezamen met het openbare stelsel van ouderenondersteuning en een openbaar stelsel van gemeenteziekenhuizen;

64.   vraagt de Commissie en de lidstaten in te gaan op de bijzondere behoeften van Roma-vrouwen en -meisjes door alle beleidsmaatregelen ten behoeve van de inclusie van Roma in een genderperspectief te plaatsen, en bescherming te bieden aan bijzonder kwetsbare subgroepen;

65.  benadrukt dat bezuinigingen op openbare diensten voor kinderopvang rechtstreeks van invloed zijn op de economische onafhankelijkheid van vrouwen; wijst erop dat in 2010 28,3% van het niet of parttime werken van vrouwen te verklaren was door het gebrek aan opvangdiensten, tegenover 27,9% in 2009, en dat in 2010 de arbeidsparticipatie van vrouwen met kleine kinderen in de EU 12,7% lager was dan bij vrouwen zonder kinderen, een groter verschil dus dan in 2008 toen het nog 11,5% bedroeg;

66.   verzoekt de lidstaten te investeren in de zorgsector als een potentiële groeisector voor zowel vrouwen als mannen om de traditionele toewijzing van de verzorgende taken aan de vrouw, waardoor gendersegregatie op de arbeidsmarkt in de hand wordt gewerkt, te doorbreken; onderstreept dat bezuinigingen in de zorgsector leiden tot een verschuiving van publieke zorg naar onbetaalde zorg binnen huishoudens; wijst met nadruk op de behoefte aan fatsoenlijke contracten en sociale bescherming voor werkers in de thuiszorg;

67.   vraagt de lidstaten om - in afwachting van een Europese harmonisatie van moeder-, vader- en ouderschapsverlof - de desbetreffende toelagen en andere gezinsbijslagen op hun huidige peil te handhaven zodat vrouwen er niet in inkomen op achteruitgaan, en er tevens voor te zorgen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van vrouwen op gebied van moederschapsverlof;

68.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de stijgende frequentie van discriminatie van zwangere vrouwen op de arbeidsmarkt, waarover vanuit verschillende lidstaten wordt bericht, nauwlettend in het oog te houden;

69.  stelt dat armoede onder vrouwen niet alleen het gevolg is van de huidige economische crisis maar ook van tal van andere factoren, waaronder stereotypering, de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen, onvoldoende herverdelingsmechanismen binnen het verzorgingsstelsel, de onmogelijkheid om het werk en het gezinsleven te combineren, de langere levensverwachting van vrouwen en, in het algemeen, alle soorten van seksespecifieke discriminatie die vooral vrouwen treft ; beklemtoont dat de crisis deze situatie van voortdurende ongelijkheid verergert; acht het zaak stereotypering in alle domeinen en stadia van het leven tegen te gaan omdat zulke stereotypering door hun invloed op de keuzes van vrouwen op de gebieden onderwijs, opleiding, werk, verdeling van huiselijke en gezinstaken, deelname aan het openbaar leven en deelname aan en vertegenwoordiging in besluitvormende posities, alsmede op het verschil in salariëring tussen mannen en vrouwen, tot de hardnekkigste oorzaken van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen behoren;

70.   verzoekt de Commissie om een herziening van Richtlijn 2006/54/EG ter hand te nemen, met name op het punt van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, zoals het Europees Parlement heeft bepleit in zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid;

71.   verzoekt de lidstaten en de Commissie oplossingen voor te stellen om vrouwen te helpen hun arbeidsloopbaan voor te zetten en met name de loonongelijkheid tegen te gaan die voortvloeit uit periodes van moederschapsverlof;

72.  maakt de lidstaten opmerkzaam op het feit dat er behoefte is aan inkomensondersteunende maatregelen, waaronder regelingen voor minimuminkomens en sociale ondersteuningsprogramma's voor mensen die moeite hebben om in hun fundamentele levensbehoeften te voorzien, in het bijzonder mensen met kinderen of zorgtaken en dan vooral alleenstaande ouders;

73.   signaleert dat de economische crisis intimidatie, misbruik en geweld tegen vrouwen in al zijn vormen, en met name ook een toename van prostitutie, in de hand werkt; onderstreept dat vrouwen wereldwijd ten prooi vallen aan de meest wijdverbreide mensenrechtenschendingen, op alle culturele, sociale en economische niveaus; benadrukt tevens dat de beschikbare overheidsmiddelen, zowel financieel als personeel, waarmee kan worden ingegrepen ten behoeve van door armoede bedreigde groepen of in situaties waarin kinderen en jongeren, ouderen en mensen met een handicap, en daklozen, gevaar lopen, moeten worden verhoogd;

74.   dringt er bij de lidstaten op aan het directe en langetermijneffect van de economische crisis op vrouwen te evalueren en op de voorgrond te plaatsen, met name wat betreft de vraag of en hoe zij bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen verergert, alsook hiermee samenhangende gevolgen zoals een verhoogd risico op geweld op grond van geslacht, een verslechterende gezondheid van moeder en kind en armoede onder oudere vrouwen;

75.   onderstreept dat vrouwen in de huidige omstandigheden van economische crisis en begrotingsdiscipline over minder middelen beschikken om zichzelf en hun kinderen te beschermen tegen geweld, en dat het dus des te belangrijker is om de directe financiële consequenties van geweld tegen vrouwen en kinderen voor het gerechtelijk apparaat, de sociale dienstverlening en de gezondheidszorg te voorkomen;

76.  benadrukt dat het institutionele kader voor het gendergelijkheidsbeleid, zoals instellingen voor gelijke behandeling en vrouwenorganisaties, onder bezuinigingen op de subsidiëring te lijden heeft; vraagt de lidstaten het peil van hun overheidsuitgaven voor organen, projecten en vrouwenorganisaties voor gendergelijkheid te handhaven, aangezien deze doeltreffende middelen bieden voor het vinden van duurzame oplossingen voor de crisis en kunnen zorgen voor actieve deelname aan de voorbereiding van toekomstige stimulansmaatregelen; merkt op dat bezuinigingen in de subsidiëring van vrouwenorganisaties afbreuk doen aan de maatschappelijke en politieke participatie van vrouwen waardoor vrouwen nog minder stem krijgen in de maatschappij;

77.   vraagt het Europees Instituut voor gendergelijkheid om de permanente waarneming en beoordeling op zich te nemen van de consequenties die de economische crisis heft voor de arbeidsomstandigheden voor vrouwen, in termen van discriminatie bij sollicitaties, verhoging van de werklast, sociale druk en spanningen op het werk, pesterijen en psychologische intimidatie; benadrukt dat de volle ernst van het effect van de crisis voor vrouwen onvoldoende tot uiting komen in de bestaande cijfers; verzoekt de Europese Commissie ook om uitvoering van een gendereffectbeoordeling van haar economische beleidsmaatregelen in respons op de huidige crisis;

78.   dringt bij de lidstaten aan op krachtige ondersteuning van genderbudgettering ter vergroting van de gendergelijkheid, door de negatieve effecten van inkomsten en uitgaven te corrigeren en de aansturing en verantwoording te verbeteren, met name voor wat betreft de nationale begrotingen;

79.   verzoekt de lidstaten begrotingsinstrumenten goed te keuren die bijdragen aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

80.   verzoekt alle lidstaten het verdrag van de IAO inzake huishoudelijk personeel (Verdrag 189) te ratificeren;

81.   onderstreept dat het van belang is een goed evenwicht tussen zekerheid en flexibiliteit te waarborgen op de arbeidsmarkt door consistente toepassing van flexizekerheidsbeginselen, en arbeidsmarktsegmentering aan te pakken door zowel adequate sociale bescherming te bieden voor mensen die zich in een overgangspositie bevinden of mensen met tijdelijke of deeltijdcontracten, als toegang te verschaffen tot mogelijkheden voor opleiding, loopbaanontwikkeling en voltijds werk;

82.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(2) PB L 204 van 26.07.06, blz. 23.
(3) PB L 373 van 21.12.04, blz. 37.
(4) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 23.
(5) PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 49.
(6) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 79.
(7) PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 1.
(8) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 65.
(9) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 77.
(10) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 134.
(11) PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 56.
(12) Aangenomen teksten P7_TA(2011)0458.
(13) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0069.
(14) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0225.
(15) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0321.
(16) Aangenomen teksten P7_TA(2012)0322.
(17) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 112.
(18) Eurostat, in 2010 liep 23% van de burgers van de Europese Unie de kans op armoede of sociale uitsluiting - Issue 9/2012.
(19) OECD, Society at a Glance 2011, OECD Social Indicators, @OECD2011.
(20) Eurostat: arbeidsparticipatie van vrouwen, EU-27.
(21) Eurostat: geharmoniseerd werkloosheidspercentage van mannen en vrouwen, september 2012, Europese Unie.

Laatst bijgewerkt op: 9 december 2014Juridische mededeling