Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2246(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0117/2013

Ingediende teksten :

A7-0117/2013

Debatten :

PV 20/05/2013 - 22
CRE 20/05/2013 - 21

Stemmingen :

PV 21/05/2013 - 6.13
CRE 21/05/2013 - 6.13

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0203

Aangenomen teksten
PDF 182kWORD 110k
Dinsdag 21 mei 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU
P7_TA(2013)0203A7-0117/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2013 over het EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU (2011/2246(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 19 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen,

–  gezien artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de verklaringen, aanbevelingen en resoluties van het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, en de documenten van de Commissie van Venetië en de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa inzake de vrijheid van meningsuiting, informatie en media,

–  gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de EU, de artikelen 2, 7 en 9 tot en met 12 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragsartikelen met betrekking tot de vrijheid van vestiging, het vrij verrichten van diensten, het vrij verkeer van personen en goederen, mededinging en staatssteun, en artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (cultuur),

–  gezien het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie gehechte protocol betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten, bekend als het Protocol van Amsterdam,

–  gelet op Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)(1) ,

–  gezien het werkdocument van de Commissiediensten over pluriformiteit van de media in de EU-lidstaten (SEC(2007)0032),

–  gezien het Europees Handvest voor persvrijheid(2) ,

–  gezien de oprichting door de Commissie van een groep op hoog niveau inzake vrijheid en pluriformiteit van de media,

–  gezien de resoluties van 20 november 2002 over mediaconcentratie(3) , van 4 september 2003 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2002)(4) , van 4 september 2003 over "televisie zonder grenzen"(5) , van 6 september 2005 over de toepassing van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG ("Televisie zonder grenzen"), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG, voor de periode 2001-2002(6) , van 22 april 2004 over de risico's van schending in de EU en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten)(7) , van 25 september 2008 over concentratie en pluriformiteit in de media in de Europese Unie(8) , en van 25 november 2010 over de publieke omroep in het digitale tijdperk: de toekomst van het duale systeem(9) , en van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(10) ,

–  gezien het lopende Europees initiatief voor pluriformiteit van de media(11) , dat bij de Commissie is geregistreerd en dat erop is gericht de pluriformiteit van de media te beschermen door gedeeltelijke harmonisering van de nationale regelgeving betreffende media-eigendom en transparantie, belangenconflicten met de politiek, en de onafhankelijkheid van de toezichthoudende instanties voor de media,

–  gezien overwegingen 8 en 94 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten waarin uiteen wordt gezet dat de lidstaten alle acties moeten voorkomen die in dominante posities resulteren of de pluriformiteit beperken, en onafhankelijke regelgevende instanties in staat moeten stellen hun taken op transparante en onpartijdige wijze uit te voeren,

–  gezien het werk inzake mediavrijheid van de OVSE, in het bijzonder van de vertegenwoordiger voor mediavrijheid, en de relevante verslagen, evenals de videoboodschap die op 6 november 2012 ten gehore werd gebracht tijdens de hoorzitting over mediavrijheid in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–  gezien de door ngo's gepubliceerde verslagen over de media, onder meer die van Verslaggevers zonder Grenzen (persvrijheidsindex) en van de organisatie Freedom House (verslagen over persvrijheid),

–  gezien de studies naar mediagerelateerde kwesties, gepubliceerd door het Parlement(12) en het Centrum voor pluriformiteit en vrijheid van de media van het Europees Universitair Instituut(13) ,

–  gezien de onafhankelijke studie "Indicatoren voor de pluriformiteit van de media in de lidstaten – Naar een op risico's gebaseerde benadering" die op verzoek van de Commissie in 2007 werd uitgevoerd en in 2009 werd gepubliceerd(14) , waarin een instrument voor mediatoezicht wordt gedefinieerd met indicatoren om de bedreigingen van de pluriformiteit van de media te markeren,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0117/2013),

Α.  overwegende dat de media een belangrijke rol spelen in de democratie als "publieke waakhond", aangezien zij burgers in staat stellen hun recht op informatie uit te oefenen en de acties en de besluiten van degenen die macht of invloed uitoefenen of hierover beschikken, te controleren en te beoordelen, in het bijzonder wanneer er verkiezingen plaatsvinden; overwegende dat de media tevens een rol kunnen spelen bij de bepaling van de publieke agenda door gebruik te maken van hun macht als hoeders van informatie, en zij bijgevolg in staat zijn de publieke opinie te beïnvloeden;

B.  overwegende dat is aangetoond dat vrijheid van meningsuiting in de openbare ruimte vormend is voor democratie en de rechtsstaat zelf, en dat zij essentieel is voor het bestaan en de overleving ervan; overwegende dat vrije en onafhankelijke media en vrije uitwisseling van informatie een doorslaggevende rol spelen bij de democratische veranderingen die zich voltrekken in niet-democratische regimes, en overwegende dat de Commissie wordt verzocht de taak op zich te nemen nauwlettend toe te zien op de mediavrijheid en de pluriformiteit van de media in kandidaat-lidstaten en voldoende aandacht te besteden aan de rol van vrije media bij de wereldwijde bevordering van democratie;

C.  overwegende dat mediavrijheid een hoeksteen is van de in de Verdragen verankerde waarden zoals democratie, pluriformiteit en eerbiediging van de rechten van minderheden; overwegende dat het historische proces dat hieraan ten grondslag ligt, onder de noemer "persvrijheid", een essentiële bijdrage heeft geleverd aan de vooruitgang van het democratisch denken en de ontwikkeling van het Europees ideaal in de geschiedenis;

D.  overwegende dat mediavrijheid, pluriformiteit en onafhankelijke journalistiek essentiële elementen vormen voor de uitoefening van media-activiteiten in de Unie en met name binnen de interne markt; overwegende dat iedere vorm van ongeoorloofde beperking van mediavrijheid, pluriformiteit en onafhankelijke journalistiek bijgevolg een beperking van de vrijheid van meningsuiting en van economische vrijheid betekent; overwegende dat journalisten moeten kunnen opereren zonder druk van eigenaren, managers en regeringen, en zonder financiële dreigingen;

E.  overwegende dat een autonome en sterke openbare ruimte, gebaseerd op onafhankelijke en pluriforme media, de essentiële omgeving vormt waarbinnen de collectieve vrijheden van maatschappelijke organisaties, zoals het recht op vrijheid van vergadering en vereniging, evenals de individuele vrijheden, zoals het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op toegang tot informatie, kunnen gedijen;

F.  overwegende dat de grondrechten van burgers op vrijheid van meningsuiting en informatie uitsluitend kunnen worden gewaarborgd door mediavrijheid en pluriformiteit, waarbij journalisten en de media hun rechten en plichten kunnen uitoefenen om burgers op een eerlijke en neutrale manier te informeren en onbevooroordeeld verslag te doen over gebeurtenissen en besluiten van publiek belang; overwegende dat alle leden van de samenleving het recht hebben hun opvattingen op een democratische en vreedzame manier te uiten;

G.  overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat de lidstaten een positieve verplichting hebben om de pluriformiteit van de media te waarborgen op grond van artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat soortgelijke bepalingen bevat als artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat deel uitmaakt van het acquis communautaire;

H.  overwegende dat informatie van nature, en tevens en met name dankzij de technologische veranderingen van de afgelopen decennia, niet aan geografische grenzen is gebonden en een cruciale rol vervult bij de informatievoorziening aan nationale gemeenschappen die in het buitenland leven, aangezien zij instrumenten biedt die grensoverschrijdende en transnationale wederzijdse kennis en wederzijds begrip mogelijk maken; overwegende dat media, en dan met name doch niet uitsluitend onlinemedia, een mondiaal karakter hebben gekregen, waarvan de verwachtingen en behoeften van het publiek en in het bijzonder consumenten van informatie, inmiddels afhankelijk zijn; overwegende dat de veranderingen in het medialandschap en in de communicatietechnologie de ruimte voor de uitwisseling van informatie evenals de manier waarop mensen worden geïnformeerd en de publieke opinie wordt gevormd, opnieuw hebben gedefinieerd;

I.  overwegende dat een pan-Europese openbare ruimte die is gebaseerd op een permanente en ononderbroken eerbiediging van vrijheid en pluriformiteit van de media, een cruciaal element vormt voor het integratieproces van de Unie, overeenkomstig de in de Verdragen vastgelegde waarden, de verantwoordingsplicht van de EU-instellingen en de ontwikkeling van Europese democratie, bijvoorbeeld in het geval van de verkiezingen voor het Europees Parlement; overwegende dat een levendig, concurrerend en pluriform medialandschap, van zowel gedrukte als audiovisuele media, de deelname van burgers aan het publieke debat bevordert, hetgeen van essentieel belang is voor een goed functionerend democratisch systeem;

J.  overwegende dat ngo's, verenigingen die toezicht houden op de mediavrijheid, de Raad van Europa en de OVSE, evenals onderzoeken en resoluties van het Europees Parlement, melding hebben gemaakt van en hebben gewaarschuwd voor de bedreiging van de vrije en onafhankelijke media door regeringen, onder meer door regeringen van EU-lidstaten(15) ;

K.  overwegende dat de Raad van Europa en de OVSE de menselijke en democratische dimensie van communicatie hebben onderzocht, aan de hand van gedetailleerde verklaringen, resoluties, aanbevelingen, adviezen en verslagen over mediavrijheid, pluriformiteit en concentratie, en op deze manier hebben voorzien in een aanzienlijke hoeveelheid gemeenschappelijke pan-Europese minimumnormen op dit gebied;

L.  overwegende dat de Europese Unie zich ertoe heeft verbonden de pluriformiteit van de media te beschermen en te bevorderen als een hoeksteen van het recht op informatie en het recht op vrijheid van meningsuiting, wat essentiële mijlpalen zijn voor actief burgerschap en participatieve democratie, en die zijn vastgelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten;

M.  overwegende dat mediavrijheid een kwalificatiecriterium is voor de toetreding van kandidaat-lidstaten tot de EU op grond van de Kopenhagen-criteria, en tevens een van de beginselen vormt die de EU in het kader van haar buitenlands beleid bevordert; overwegende dat de EU en haar lidstaten bijgevolg intern het goede voorbeeld moeten geven, om aldus te zorgen voor geloofwaardigheid en coherentie;

N.  overwegende dat het Parlement herhaaldelijk zijn bezorgdheid heeft geuit over mediavrijheid, -pluriformiteit en -concentratie en de Commissie, als hoeder van de Verdragen, heeft verzocht passende maatregelen te treffen, onder meer door met een wetgevingsinitiatief over deze kwestie te komen;

O.  overwegende dat de Commissie op 16 januari 2007 een "driestappenplan" heeft gelanceerd bestaande uit een werkdocument van de diensten van de Commissie over pluriformiteit van de media, een onafhankelijke studie naar de pluriformiteit van de media in de EU-lidstaten, met indicatoren voor de beoordeling van de pluriformiteit van de media in de lidstaten (in 2007), en een mededeling van de Commissie over de indicatoren voor de pluriformiteit van de media in de lidstaten (in 2008), gevolgd door een openbare raadpleging(16) ; overwegende dat het in de onafhankelijke studie beschreven instrument voor pluriformiteit van de media nog niet ten uitvoer is gelegd;

P.  overwegende dat deze aanpak helaas door de Commissie is beëindigd, aangezien de mededeling noch de openbare raadpleging ooit hebben plaatsgevonden;

Q.  overwegende dat met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon het Handvest van de grondrechten bindend is geworden; overwegende dat het Handvest het eerste internationale document is, dat stelt dat "de vrijheid en de pluriformiteit van de media moeten worden geëerbiedigd" (artikel 11, lid 2); overwegende dat de Verdragen de EU een mandaat en de bevoegdheden verschaffen om ervoor te zorgen dat alle grondrechten in de Unie worden gewaarborgd, met name op grond van de artikelen 2 en 7 van het VEU;

R.  overwegende dat de lidstaten de taak hebben om de vrijheid van mening, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van informatie en de media voordurend te bevorderen, aangezien deze beginselen ook in hun grondwetten en wetgeving worden gewaarborgd, en zij burgers tevens eerlijke en gelijke toegang moeten bieden tot verschillende informatiebronnen en aldus tot uiteenlopende gezichtspunten en meningen; overwegende dat zij, overeenkomstig de artikelen 7 en 8 van het Handvest, bovendien de plicht hebben het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie evenals de persoonsgegevens van burgers te eerbiedigen en te beschermen; overwegende dat indien deze vrijheden serieus worden bedreigd of worden geschonden in een lidstaat, de Unie de plicht heeft tijdig en doeltreffend te interveniëren, op grond van haar bevoegdheden die zijn verankerd in de Verdragen en in het Handvest, teneinde de Europese democratische en pluralistische orde en de grondrechten te beschermen;

S.  overwegende dat de EU beschikt over bevoegdheden inzake mediagerelateerde kwesties zoals de interne markt, audiovisueel beleid, concurrentie (met inbegrip van overheidssubsidies), telecommunicatie en grondrechten; overwegende dat het Parlement heeft bepaald dat essentiële minimumnormen moeten worden gedefinieerd om de vrijheid van informatie, een passend niveau van mediapluriformiteit en een onafhankelijk mediabestuur te verzekeren, te waarborgen en te bevorderen(17) ; overwegende dat de Commissie het Centrum voor pluriformiteit en vrijheid van de media van het Europees Universitair Instituut opdracht heeft gegeven een analyse uit te voeren met betrekking tot de reikwijdte van de Europese bevoegdheden op het gebied van mediavrijheid;

T.  overwegende dat er bezorgdheid ontstaat over de uitdagingen en de druk waar de media en met name publieke omroepen mee te maken hebben, met betrekking tot redactionele onafhankelijkheid, personeelswerving, onzekere dienstverbanden, zelfcensuur, pluriformiteit, neutraliteit en kwaliteit van informatie, toegang en financiering, als gevolg van ongeoorloofde politieke en financiële inmenging, en van de economische crisis;

U.  overwegende dat er bezorgdheid ontstaat over het hoge werkloosheidspercentage onder journalisten in Europa alsook over het hoge aantal van hen dat als freelancer werkt, met beperkte baanzekerheid en ondersteuning, en in een klimaat van grote onzekerheid;

V.  overwegende dat de media geconfronteerd worden met een groeiende zowel binnenlandse als grensoverschrijdende concentratie, waarbij mediaconglomeraten hun producten in verschillende landen aanbieden, intra-Europese media-investeringen toenemen, en niet-Europese investeerders en media een groeiende invloed uitoefenen in Europa, hetgeen leidt tot de monopolisering van informatie en hetgeen de pluriformiteit van meningen ondermijnt; overwegende dat er enige bezorgdheid bestaat over de financieringsbronnen van bepaalde private media, waaronder enkele media in de EU;

W.  overwegende dat het Europese publiek, zoals blijkt uit talrijke enquêtes, opinieonderzoeken en publieke initiatieven, zijn zorg heeft uitgesproken over de verslechtering van de vrijheid en pluriformiteit van de media, en herhaaldelijk heeft aangedrongen op actie van de EU om de mediavrijheid te beschermen en een krachtig, onafhankelijk en pluriform medialandschap te ontwikkelen;

X.  overwegende dat de versnelling van de nieuwscyclus ertoe heeft geleid dat journalisten ernstig tekortschieten, bijvoorbeeld doordat zij journalistieke bronnen niet dubbel controleren;

Y.  overwegende dat de ontwikkeling van de digitale omgeving een belangrijke rol kan spelen bij de toegang van Europese burgers tot online-informatie;

Z.  overwegende dat het medialandschap fundamentele veranderingen ondergaat; overwegende dat, zeker in deze tijden van economische crisis, een toenemend aantal journalisten onder onzekere arbeidsomstandigheden werkt en zich geconfronteerd ziet met een gebrek aan sociale zekerheid, in vergelijking met de normen op de arbeidsmarkt, alsook met diverse uitdagingen die verband houden met de toekomst van de journalistiek;

AA.  overwegende dat het Parlement verzoekschriften van burgers heeft ontvangen met betrekking tot dezelfde zorgen en eisen, waarin wordt aangedrongen op actie van de instellingen, en in het bijzonder van het Parlement;

AB.  overwegende dat de technologische veranderingen die zijn teweeggebracht door het internet, persoonlijk computergebruik en, meer recent, mobiel computergebruik, de informatie-infrastructuur drastisch hebben gewijzigd op manieren die consequenties hebben gehad voor het bedrijfsmodel van de traditionelere media, met name voor wat betreft hun afhankelijkheid van de advertentiemarkt, waardoor het voortbestaan van media die een belangrijke maatschappelijke en democratische rol vervullen, in gevaar wordt gebracht; overwegende dat overheidsinstanties in de lidstaten en op Unieniveau daarom de plicht hebben een instrumentarium voor deze overgangsperiode te creëren, waarmee het voortbestaan kan worden gewaarborgd van de waarden en de verantwoordelijkheden van onafhankelijke media, ongeacht het technologische platform waarvan zij nu of in de toekomst gebruikmaken; overwegende dat de Commissie in dit verband wordt verzocht een studie uit te voeren naar het effect van technologische verandering op het bedrijfsmodel van media, alsook naar de gevolgen ervan voor de vrijheid en pluriformiteit van de media;

AC.  overwegende dat de recente economische crisis de problemen waar media mee kampen heeft verergerd en het medialandschap, als gevolg van de steeds precairdere rol van journalisten, kwetsbaarder heeft gemaakt voor economische en politieke druk, alsook brozer in zijn geheel; overwegende dat deze fenomenen bepaalde consequenties hebben gehad voor de journalistieke genres die duurder of tijdrovender zijn, zoals onderzoeksjournalistiek, reportages en de stationering van internationale en Europese correspondenten; overwegende dat deze vormen van journalistiek van essentieel belang zijn om te waarborgen dat overheids- en politieke instanties verantwoording en rekenschap afleggen, het misbruik van economische en institutionele macht tegen te gaan en het blootleggen en vervolgen van criminele activiteiten op sociaal, milieu- en humanitair gebied zeker te stellen; overwegende dat er bij de Commissie op wordt aangedrongen een studie te verrichten naar de effecten van de crisis en de onzekere arbeidssituatie op de journalistieke gemeenschap, teneinde de gevolgen ervan voor de vrijheid en pluriformiteit van de media te analyseren en te proberen deze te verhelpen;

AD.  overwegende dat technologische verandering, een diverse gemeenschap van onafhankelijke beroepsjournalisten en de verwerving van uiteenlopende vaardigheden die nodig zijn om vandaag de dag kwaliteit te verzamelen en te produceren, tevens mogelijkheden creëren voor de totstandbrenging van nieuwe platformoverschrijdende en transnationale journalistieke ondernemingen die kunnen worden ondersteund door middel van zowel overheidsbeleid als op marktwerking gebaseerd beleid;

1.  roept de lidstaten en de Europese Unie op om de grondrechten op vrijheid van meningsuiting en informatie en vrijheid van media en pluriformiteit te eerbiedigen, te waarborgen, te beschermen en te bevorderen, en derhalve af te zien van de aanwending, ontwikkeling en ondersteuning van mechanismen die een belemmering of bedreiging vormen voor de vrijheid van de media, zoals het uitoefenen van onrechtmatige en politieke invloed of druk, partijcontrole en het censureren van de media, restrictie of onrechtmatige beperking van de vrijheid en onafhankelijkheid van de massamedia ten behoeve van private of politieke belangen, of financiële dreigementen aan het adres van publieke omroepen;

2.  dringt er bij de lidstaten en de EU op aan te waarborgen dat juridisch bindende procedures en mechanismen worden ingevoerd voor de selectie en benoeming van mediadirecteuren, bestuursraden, mediaraden en regelgevende instanties die transparant zijn, gebaseerd op verdiensten en onbetwistbare ervaring en die professionaliteit, integriteit, onafhankelijkheid, evenals consensus voor wat betreft de vertegenwoordiging van het gehele politieke en maatschappelijke spectrum, rechtszekerheid en continuïteit garanderen in plaats van politieke of partijgebonden criteria die berusten op een "verwen- en beloonsysteem" dat gekoppeld is aan de resultaten van de verkiezingen of de wil van de machthebbers; wijst erop dat iedere lidstaat een reeks criteria zou moeten opstellen voor de benoeming van mediadirecteuren of -raden, overeenkomstig de beginselen van onafhankelijkheid, integriteit, ervaring en professionaliteit; dringt er bij de lidstaten op aan garanties te creëren om ervoor te zorgen dat mediaraden en regelgevende instanties onafhankelijk zijn van politieke invloed van de regering, de parlementaire meerderheid of enige andere maatschappelijke groepering;

3.  benadrukt dat de pluriformiteit van de media en journalistieke en redactionele onafhankelijkheid hoekstenen vormen van mediavrijheid, wat betreft het waarborgen van de diversiteit van de media, het verschaffen van toegang aan verschillende sociale en politieke actoren, meningen en standpunten (inclusief ngo's, burgerverenigingen, minderheden, enz.) en het bieden van een breed spectrum aan meningen;

4.  dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat culturele gemeenschappen die verspreid zijn over verschillende regionale overheden of lidstaten in staat worden gesteld toegang te hebben tot media in hun eigen taal, en dat geen politieke besluiten worden genomen om deze toegang te beknotten;

5.  brengt in herinnering dat volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de lidstaten die partij zijn op grond van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verplicht zijn de pluriformiteit van de media te waarborgen; wijst erop dat artikel 10 van dit verdrag soortgelijke bepalingen bevat als artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat deel uitmaakt van het acquis communautaire;

6.  benadrukt dat de Commissie erop moet toezien dat de lidstaten een correcte tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten in hun land waarborgen, die tot uiting komt via pluriformiteit van de media, gelijke toegang tot informatie en de eerbiediging van de onafhankelijkheid van de pers door middel van neutraliteit;

7.  merkt op dat landen die willen toetreden tot de Europese Unie conform de criteria van Kopenhagen moeten voldoen aan het acquis communautaire, dat het Handvest van de grondrechten omvat, en meer in het bijzonder artikel 11 van dat handvest, dat de eerbiediging van de vrijheid en pluriformiteit van de media vereist; merkt op dat, hoewel de huidige lidstaten dat handvest eveneens moeten naleven, er geen mechanisme bestaat om te waarborgen dat zij dat daadwerkelijk doen;

8.  benadrukt de fundamentele rol van een daadwerkelijk evenwichtig Europees duaal stelsel, waarin commerciële en publieke media hun respectieve rol spelen en dat moet worden beschermd, zoals door het Parlement, de Commissie en de Raad van Europa is benadrukt; merkt op dat in een multimediale samenleving, waarin het aantal mondiale marktdeelnemers met commerciële doeleinden is toegenomen, publieke media van essentieel belang zijn; wijst op de belangrijke rol van de publieke media, die door burgers via de staat worden gefinancierd om te voorzien in hun behoeften, en wijst voorts op hun institutionele verplichting om kwalitatief hoogwaardige, accurate en betrouwbare informatie te verschaffen voor een gevarieerd publiek, waarbij zij tevens ruimte bieden voor marktsegmenten die wellicht niet winstgevend zijn voor commerciële media; benadrukt dat de private media soortgelijke verplichtingen hebben met betrekking tot informatie, in het bijzonder informatie van institutionele en politieke aard, bijvoorbeeld in het kader van verkiezingen, referenda, enz.; onderstreept dat het noodzakelijk is de professionele onafhankelijkheid van nationale persbureaus te waarborgen en het ontstaan van nieuwsmonopolies te vermijden;

9.  erkent dat permanente zelfregulering en niet-wetgevingsinitiatieven, wanneer deze onafhankelijk, onpartijdig en transparant zijn, een belangrijke rol vervullen bij de waarborging van mediavrijheid; dringt er bij de Commissie op aan maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de media en de desbetreffende regelgevende agentschappen onafhankelijk zijn van de staat (ook op Europees niveau) en van machtige commerciële belangen;

10.  herinnert aan de specifieke en onderscheidende rol van de publieke media, zoals vastgelegd in het Protocol van Amsterdam betreffende het openbare-omroepstelsel in de lidstaten;

11.  brengt in herinnering dat Protocol nr. 29 bij de Verdragen erkent dat het openbare-omroepstelsel in de lidstaten rechtstreeks verband houdt met de democratische, sociale en culturele behoeften van iedere samenleving en met de noodzaak pluralisme in de media te behouden; wijst erop dat dit protocol tevens bepaalt dat de lidstaten mogen voorzien in de financiering van de openbare omroep voor zover deze financiering wordt verleend voor het vervullen van de publieke opdracht, en voor zover deze financiering de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Unie niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang zou worden geschaad;

12.  benadrukt het belang van passende, evenredige en stabiele financiering voor publieke media, teneinde hun politieke en economische onafhankelijkheid te waarborgen zodat zij al hun taken kunnen vervullen - met inbegrip van hun maatschappelijke, educatieve, culturele en democratische rol - en zich kunnen aanpassen aan digitale veranderingen en bij kunnen dragen aan een inclusieve kennis- en informatiemaatschappij met representatieve, kwalitatief hoogwaardige media die voor iedereen beschikbaar zijn; uit zijn zorg over de huidige tendens in enkele lidstaten om te bezuinigen op de publieke media of de activiteiten ervan te verminderen, aangezien dit het vermogen van de publieke media om hun opdracht te vervullen, beperkt; dringt er bij de lidstaten op aan deze trend te keren en ervoor te zorgen dat publieke media stabiele, duurzame, toereikende en voorspelbare financiering ontvangen;

13.  benadrukt dat maatregelen ter regulering van de toegang van mediakanalen tot de markt via omroeplicenties en -vergunningen, regels voor de bescherming van de staatsveiligheid en de nationale en militaire veiligheid en openbare orde, en regels inzake de publieke moraal en de bescherming van kinderen, niet mogen worden misbruikt om politieke of partijcontrole en censuur uit te oefenen op de media of om het grondrecht van burgers om geïnformeerd te worden over kwesties van publiek belang te beperken; onderstreept dat in dit opzicht een juiste balans moet worden gewaarborgd; waarschuwt dat de media niet mogen worden bedreigd door de invloed van specifieke belangengroepen of lobby´s, economische actoren of religieuze groeperingen;

14.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan mededingings- en mediaregels toe te passen en concurrentie te waarborgen, teneinde dominante posities aan te pakken en te voorkomen, mogelijk door in de media-industrie lagere mededingingsdrempels te hanteren dan in andere sectoren, de toegang voor nieuwkomers op de markt te garanderen, in te grijpen wanneer een te grote concentratie van de media ontstaat en wanneer de pluriformiteit, onafhankelijkheid en de vrijheid van de media gevaar lopen, om er zo voor te zorgen dat alle EU-burgers toegang hebben tot vrije en gediversifieerde media, en om waar nodig aanbevelingen te doen; benadrukt dat het bestaan van persgroepen die eigendom zijn van ondernemingen die kunnen meedingen naar overheidsopdrachten, een bedreiging vormt voor de onafhankelijkheid van de media; roept de Commissie op na te gaan hoe bestaande mededingingsregels zich verhouden tot de toenemende concentratie van commerciële media in de lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan concrete maatregelen voor te stellen om de pluriformiteit van de media te waarborgen en buitensporige mediaconcentratie te voorkomen;

15.  benadrukt dat aandacht moet worden besteed aan de mate van media-eigendomconcentratie in de lidstaten en onderstreept daarbij dat het concept van mediapluriformiteit een breder spectrum aan onderwerpen omvat, zoals het verbod op censuur, bescherming van bronnen en klokkenluiders, kwesties in verband met druk van politieke actoren en marktkrachten, transparantie, arbeidsomstandigheden van journalisten, instanties voor mediatoezicht, culturele diversiteit, de ontwikkeling van nieuwe technologieën, onbeperkte toegang tot informatie en communicatie, ongecensureerde toegang tot internet en de digitale kloof; is van mening dat media-eigendom en mediabeheer transparant en niet geconcentreerd moeten zijn; benadrukt dat de concentratie van eigendom de pluriformiteit en de culturele diversiteit in gevaar brengt en leidt tot een uniformisering van de media-inhoud;

16.  dringt aan op regels om ervoor te zorgen dat belangenconflicten, zoals de belangenconflicten die voortvloeien uit de samensmelting van het politieke ambt en controle over mediakanalen, op een correcte manier worden aangepakt en opgelost, en, in het bijzonder, te waarborgen dat altijd openbaar wordt gemaakt wie de begunstigde eigenaren van mediaconglomeraten zijn teneinde belangenconflicten te voorkomen; dringt aan op de effectieve tenuitvoerlegging van duidelijke regels om transparantie en eerlijke procedures voor mediafinanciering en de toewijzing van reclame- en sponsorbudgetten te waarborgen, teneinde ervoor te zorgen dat reclame en sponsoring niet van invloed zijn op de vrijheid van informatie en meningsuiting, de pluriformiteit of het redactioneel profiel van media, en verzoekt de Commissie hierop toe te zien;

17.  benadrukt dat, ondanks de toepassing van mededingingsbeleid door middel van de concentratieverordening van de EU, en met name artikel 21(18) van deze verordening, de zorg is gerezen dat deze instrumenten de mediaconcentratie niet in toereikende mate controleren als gevolg van problemen met betrekking tot marktafbakening, waarbij in sommige gevallen grote mediafusies beneden de in het mededingingsbeleid van de EU vastgestelde omzetdrempels blijven;

18.  benadrukt dat de macht van de markt in de media-industrie niet alleen het gevolg is van monopolies op het gebied van de prijsbepaling, maar tevens van politieke invloed die leidt tot innige banden tussen regelgevers en de sector, hetgeen het moeilijker maakt om dominante posities, wanneer ze eenmaal tot stand zijn gekomen, te doorbreken; dringt erop aan de mededingingsdrempels voor de media-industrie lager te maken dan die voor andere sectoren;

19.  herinnert de Commissie eraan dat zij in het verleden meerdere malen is gevraagd naar de mogelijkheid een juridisch kader in te voeren om eigendomsconcentratie en misbruik van dominante posities te voorkomen; dringt er bij de Commissie op aan concrete maatregelen voor te stellen om de pluriformiteit van de media te waarborgen, met inbegrip van een wetgevingskader voor regels inzake media-eigendom waarmee minimumnormen voor de lidstaten worden geïntroduceerd;

20.  benadrukt het belang van de bescherming van de onafhankelijkheid van journalisten tegen zowel interne druk, van redacteurs, uitgevers of eigenaren, als externe druk, van de politieke of economische lobby of andere belangengroepen, en benadrukt het belang van redactiehandvesten of gedragscodes met betrekking tot de redactionele onafhankelijkheid, aangezien hiermee wordt voorkomen dat eigenaren, regeringen of externe belanghebbenden zich met de inhoud van het nieuws bemoeien; benadrukt dat het van belang is dat het recht op vrijheid van meningsuiting zonder enige vorm van discriminatie en op basis van gelijkheid en gelijke behandeling wordt toegepast; benadrukt dat het recht op toegang tot overheidsdocumenten en -informatie van fundamenteel belang is voor journalisten en burgers, en dringt er bij de lidstaten op aan een degelijk en veelomvattend juridisch kader tot stand te brengen met betrekking tot openbaarheid van overheidsinformatie en toegang tot documenten van publiek belang; roept de lidstaten op te voorzien in juridische garanties met betrekking tot een volledige bescherming van het beginsel van de vertrouwelijkheid van bronnen, en dringt aan op de strikte toepassing van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens op dit gebied, inclusief met betrekking tot klokkenluiders;

21.   dringt aan op de bescherming van journalisten tegen druk, intimidatie, pesterijen, bedreigingen en geweld, en herinnert eraan dat onderzoeksjournalisten vaak worden bedreigd en fysiek worden aangevallen, en soms zelfs met aanslagen op hun leven worden geconfronteerd vanwege hun activiteiten; benadrukt de noodzaak om gerechtigheid te waarborgen en straffeloosheid ten aanzien van dergelijke daden te bestrijden, daarbij wijzend op het verlammende effect ervan op de vrijheid van meningsuiting, met zelfcensuur binnen de media tot gevolg; benadrukt dat onderzoeksjournalistiek bijdraagt aan het toezicht op democratie en goed bestuur, alsook aan het blootleggen van misstanden en strafbare feiten, waarmee zij van nut is voor de justitiële autoriteiten; dringt er bij de lidstaten en de EU op aan de onderzoeksjournalistiek en de ethische journalistiek in de media te ondersteunen en te bevorderen door de ontwikkeling van een beroepscode en passende beroepsprocedures, met name door middel van beroepsopleidingen en door verenigingen en vakbonden opgestelde beroepscodes;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan wetgeving aan te nemen om infiltratie van de journalistiek door medewerkers van inlichtingendiensten te voorkomen, aangezien dergelijke praktijken de vrijheid van meningsuiting ernstig in gevaar brengen, daar zij het mogelijk maken dat redactiekamers onder toezicht worden geplaatst, een klimaat van wantrouwen creëren, de verzameling van informatie belemmeren en de vertrouwelijkheid van bronnen bedreigen, en uiteindelijk ten doel hebben het publiek verkeerd te informeren en te manipuleren, terwijl zij tevens de geloofwaardigheid van de media beschadigen;

23.  benadrukt dat een toenemend aantal journalisten onder onzekere omstandigheden werkt, zonder de sociale garanties die op de arbeidsmarkt gebruikelijk zijn, en dringt aan op verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor mensen die in de media werkzaam zijn; benadrukt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat de arbeidsvoorwaarden van journalisten in overeenstemming zijn met het Europees Sociaal Handvest; onderstreept het belang van collectieve arbeidsovereenkomsten voor journalisten en van vakbondsvertegenwoordiging van groepen journalisten, hetgeen moet worden toegestaan aan alle werknemers, ook wanneer zij lid zijn van een kleine groepering, werken voor kleine ondernemingen of niet over een standaardcontract beschikken omdat zij bijvoorbeeld tijdelijk of vervangend werk verrichten, aangezien baanzekerheid hen in staat stelt zich gezamenlijk uit te spreken en op te treden en zij aldus eenvoudiger en effectiever aan hun beroepsnormen kunnen beantwoorden;

24.  benadrukt de noodzaak om ethische journalistiek in de media te bevorderen; dringt er bij de Europese Commissie op aan met een voorstel voor een instrument te komen (bv. door middel van een aanbeveling, zoals de aanbeveling van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten) om ervoor te zorgen dat de lidstaten de mediasector ertoe verzoeken beroepsnormen en ethische codes te ontwikkelen, met o.a. de verplichting om in de berichtgeving het verschil tussen feiten en meningen aan te duiden, de noodzaak van nauwkeurigheid, onpartijdigheid en objectiviteit, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van mensen, de plicht om verkeerde informatie te corrigeren, en het recht op weerwoord; onderstreept dat dit kader dient te voorzien in de oprichting door de mediasector van een onafhankelijke regelgevende instantie voor de media - die onafhankelijk opereert zonder politieke of andere externe inmenging - die klachten over de pers kan behandelen op grond van de beroepsnormen en ethische codes, en die de bevoegdheid heeft om passende sancties op te leggen;

25.  dringt er bij alle lidstaten waar laster strafbaar is op aan dit zo spoedig mogelijk te decriminaliseren; betreurt dat journalisten en de media in veel lidstaten te maken hebben met druk, geweld en pesterijen, onder meer wanneer zij verslag doen van demonstraties en publieke evenementen, hetgeen tot bezorgdheid heeft geleid onder Europese en internationale organisaties en in academische en maatschappelijke kringen; benadrukt het belang van een dialoog met de autoriteiten om ervoor te zorgen dat de vrijheid en onafhankelijkheid van de media geen gevaar lopen, kritische geluiden niet worden gesmoord, en dat wetshandhavingsfunctionarissen de rol van de media eerbiedigen en waarborgen dat zij vrij en veilig kunnen berichten;

26.  onderstreept dat het van belang is zelfreguleringsinstanties van de media op te zetten, en ondersteunt de praktische "bottom-up"-inspanningen die in gang zijn gezet door Europese journalisten om hun grondrechten te beschermen, door een inloopcentrum op te zetten waar vermeende schendingen van deze rechten, met name van hun recht op vrijheid van meningsuiting, worden gedocumenteerd (in overeenstemming met het proefproject dat op 23 oktober 2012 door de plenaire vergadering werd goedgekeurd als onderdeel van het standpunt van het Parlement betreffende de begroting 2013);

27.  benadrukt dat er behoefte is aan voorschriften met betrekking tot politieke informatie in de hele sector van audiovisuele media, om, met name bij verkiezingen en referenda, alle politieke kandidaten, meningen en standpunten op een eerlijke manier aan bod te laten komen, zodat burgers een eigen mening kunnen vormen zonder daarbij beïnvloed te worden door één dominante macht die de publieke opinie bepaalt; onderstreept dat dergelijke voorschriften naar behoren door de toezichthoudende instanties moeten worden gehandhaafd;

28.  benadrukt dat de grondrechten op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van de media niet slechts zijn voorbehouden aan traditionele media, maar tevens betrekking hebben op sociale media en andere vormen van nieuwe media; onderstreept dat het van belang is de vrijheid van meningsuiting en informatie op het internet te waarborgen, in het bijzonder door webneutraliteit te garanderen, en dringt er bijgevolg bij de EU en de lidstaten op aan te waarborgen dat deze rechten en vrijheden op het internet volledig worden geëerbiedigd voor wat betreft de onbeperkte toegang tot en de verstrekking en verspreiding van informatie; waarschuwt tegen mogelijke pogingen van overheden om registraties of autorisaties verplicht te stellen of om in hun ogen schadelijke inhoud te blokkeren; erkent dat de verstrekking van internetdiensten door publieke media bijdraagt aan de vervulling van hun taak te waarborgen dat burgers toegang hebben tot informatie en hun mening kunnen vormen op grond van een veelheid aan bronnen;

29.  benadrukt het groeiende belang van feedreaders, zoekmachines en andere intermediairs voor de verspreiding van en toegang tot informatie en nieuws via het internet; dringt er bij de Commissie op aan om, bij de herziening van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, deze internetactoren op te nemen in het regelgevingskader van de EU, teneinde de problemen inzake het schiften van inhoud en de verstoring van bronnenselectie aan te pakken;

30.  moedigt de Commissie en de lidstaten in het kader van het beleid van de Commissie voor mediageletterdheid aan om voldoende aandacht te besteden aan het belang van media-onderwijs, dat burgers de vaardigheden aanleert om de voortdurend toenemende hoeveelheid informatie kritisch te interpreteren en te selecteren;

31.  dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of de lidstaten zendvergunningen toekennen op grond van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria;

32.  benadrukt het belang en de dringende noodzaak van jaarlijks toezicht op de mediavrijheid en -pluriformiteit in alle lidstaten en het jaarlijks rapporteren over deze kwestie, op grond van de gedetailleerde normen die door de Raad van Europa en de OVSE werden opgesteld en de op risico gebaseerde analytische aanpak en de indicatoren, ontwikkeld in het kader van de onafhankelijke studie die is opgezet door de Commissie, in samenwerking met ngo's, belanghebbenden en experts, onder meer door de ontwikkeling van en wijzigingen in mediawetgeving alsmede alle in de lidstaten vastgestelde wetgeving die van invloed is op mediavrijheid te volgen en te controleren, met name wat betreft overheidsinmenging, alsook door middel van optimale werkwijzen met het oog op de definiëring van normen voor openbaredienstverlening, voor zowel publieke als private zenders; onderstreept dat het van groot belang is dergelijke gemeenschappelijke Europese normen bekendheid te geven onder een breder publiek; gelooft dat de Commissie, het Bureau voor de grondrechten en/of het Centrum voor pluriformiteit en vrijheid van de media van het Europees Universitair Instituut deze taak op zich moeten nemen en een jaarlijks verslag moeten publiceren met daarin de resultaten van het toezicht; is van mening dat de Commissie dit verslag bij het Parlement en de Raad van Ministers moet indienen en met voorstellen moet komen voor eventuele acties en maatregelen die voortvloeien uit de conclusies van het verslag;

33.  is van mening dat de EU over de bevoegdheden beschikt om wetgevingsmaatregelen te nemen teneinde de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van informatie, mediavrijheid en de pluriformiteit van de media te waarborgen, beschermen en bevorderen, ten minste in dezelfde mate als met betrekking tot de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid, culturele diversiteit, de toegang van burgers tot informatie en/of de berichtgeving over belangrijke gebeurtenissen, de bevordering van de rechten van personen met een handicap, consumentenbescherming met betrekking tot commerciële communicatie, en het recht op weerwoord, zijnde algemene belangen die onder de richtlijn audiovisuele mediadiensten ressorteren; is tegelijkertijd van oordeel dat eventuele regelgeving tot stand moet komen op basis van een gedetailleerde en nauwkeurige analyse van de situatie in de EU en haar lidstaten, met aandacht voor de op te lossen problemen en de beste manieren om deze problemen aan te pakken; gelooft dat niet-wetgevingsinitiatieven, zoals toezicht, zelfregulering, gedragscodes en, in voorkomend geval, de toepassing van artikel 7 VEU, waar de meeste belanghebbenden op aandringen, de voorkeur genieten, gegeven dat sommige van de ernstigste bedreigingen van de mediavrijheid in enkele lidstaten het gevolg zijn van nieuwe wetgeving;

34.  verzoekt de Commissie nogmaals de richtlijn audiovisuele mediadiensten te herzien en te wijzigen, en deze uit te breiden met minimumnormen inzake de eerbiediging, bescherming en bevordering van de grondrechten op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van informatie, mediavrijheid en pluriformiteit van de media, en te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten, het EVRM en de desbetreffende jurisprudentie van de EU inzake positieve verplichtingen op het gebied van de media, aangezien het doel van de richtlijn de totstandbrenging van een ruimte betreft zonder interne grenzen voor audiovisuele media, terwijl tegelijkertijd wordt gezorgd voor een hoog niveau van bescherming van de doelstellingen van algemeen belang, zoals de totstandbrenging van een passend wetgevings- en administratief kader teneinde effectieve pluriformiteit te waarborgen(19) ; dringt er bijgevolg bij de Commissie op aan de richtlijn audiovisuele mediadiensten te herzien en te wijzigen teneinde ervoor te zorgen - zoals dit gebeurt voor en op basis van het model van regelgevende instanties in het kader van elektronische communicatie - dat nationale regelgevende instanties volledig onafhankelijk, onpartijdig en transparant zijn, zowel wat hun besluitvormingsprocessen als wat de uitoefening van hun taken en bevoegdheden en het monitoringproces betreft, over voldoende financiële middelen beschikken om hun werkzaamheden uit te voeren, en over passende sanctiebevoegdheden beschikken om ervoor te zorgen dat hun besluiten ook daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd;

35.  dringt er bij de Commissie op aan om in deze evaluatie en herziening van de richtlijn audiovisuele mediadiensten tevens bepalingen op te nemen met betrekking tot transparantie inzake media-eigendom, mediaconcentratie, regels inzake belangenconflicten teneinde ongeoorloofde invloed op de media van politieke of economische krachten te voorkomen, en de onafhankelijkheid van toezichthoudende instanties voor de media; verzoekt de Commissie een mededeling op te stellen voor de tenuitvoerlegging van het instrument voor toezicht op de pluriformiteit van de media in de EU-lidstaten, zoals reeds is uitgewerkt in de onafhankelijke studie "De indicatoren voor pluriformiteit van de media in de lidstaten - Naar een op risico gebaseerde benadering" en op basis van de voorgestelde "driestappenaanpak" van januari 2007; merkt op dat de mededeling moet worden gevolgd door een breed opgezette openbare raadpleging waaraan alle betrokken actoren deelnemen, onder meer op grond van de follow-up van het verslag van de groep op hoog niveau voor mediavrijheid, en in het bijzonder door een voorstel op te stellen voor een reeks EU-richtsnoeren met betrekking tot mediavrijheid en pluriformiteit;

36.  dringt er bij de lidstaten op aan onverwijld hervormingen door te voeren om deze doelstellingen te verwezenlijken; verzoekt de Commissie om duidelijk het kader van bevoegdheden van de regelgevende instanties voor de media vast te stellen, met name voor wat betreft regelgeving en toezicht, en om toe te zien op de naleving van de vereisten inzake noodzakelijkheid en evenredigheid bij de oplegging van sancties; herinnert eraan dat het van belang is het toepassingsgebied van de verordening aan te passen aan de specifieke aard van afzonderlijke media;

37.  dringt er bij de nationale regelgevende instanties op aan met betrekking tot media-aangelegenheden op EU-niveau samen te werken en te coördineren, bijvoorbeeld door het oprichten van een Europese vereniging van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten, door de status van de nationale regelgevende instanties te harmoniseren, overeenkomstig de artikelen 29 en 30 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, door ervoor te zorgen dat deze instanties onafhankelijk, onpartijdig en transparant zijn, zowel wat besluitvormingsprocessen als wat de uitoefening van hun bevoegdheden en het monitoringproces betreft, en hun passende sanctiebevoegdheden toe te kennen om ervoor te zorgen dat hun besluiten ook daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd;

38.  vraagt de Commissie, de Raad en de lidstaten passende, tijdige, evenredige en progressieve maatregelen te nemen met betrekking tot de ontstane bezorgdheid over de vrijheid van meningsuiting, informatie, mediavrijheid en pluriformiteit in de EU en haar lidstaten;

39.  is van mening dat, in geval van verdere uitbreiding van de EU, extra aandacht moet worden besteed aan de bescherming van vrijheden en de vrijheid van meningsuiting, aangezien deze algemeen als onderdeel van de in de criteria van Kopenhagen vastgelegde mensenrechten en voorwaarden voor democratie worden beschouwd; dringt er bij de Commissie op aan te blijven toezien op de prestaties en vooruitgang van de kandidaat-lidstaten van de EU wat betreft de bescherming van mediavrijheden;

40.  dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat criteria die zijn gebaseerd op pluriformiteit van de media en media-eigendom worden opgenomen in iedere effectbeoordeling die wordt uitgevoerd met het oog op nieuwe initiatieven voor wetgevingsvoorstellen;

41.  is bezorgd over het gebrek aan transparantie ten aanzien van media-eigendom in Europa en dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan initiatieven te nemen om transparantie ten aanzien van media-eigendom en -beheer te waarborgen, met name door radio- en televisiekanalen, de pers en soortgelijke media te verplichten aan nationale media-instanties, handelsregisters en het publiek in voldoende mate nauwkeurige en actuele eigendomsinformatie te verstrekken, zodat de vruchtgebruikers en uiteindelijke eigenaren en mede-eigenaren van media, hun cv´s en hun financiering kunnen worden vastgesteld, bijvoorbeeld door de Mavise-databank verder te ontwikkelen tot één Europees register teneinde buitensporige mediaconcentratie vast te stellen, te voorkomen dat mediaorganisaties bijzondere belangen verhullen, en burgers in staat te stellen te controleren welke belangen achter hun media schuilgaan; vraagt de Commissie en de lidstaten te controleren en te volgen of door de lidstaten aan de publieke media toegewezen overheidsmiddelen transparant en in strikte overeenstemming met Protocol nr. 29 bij de Verdragen worden gebruikt; is van mening dat transparantie met betrekking tot eigendom een essentieel onderdeel van mediapluriformiteit vormt; dringt er bij de Commissie op aan de voortgang met betrekking tot de bevordering van een betere uitwisseling van informatie over media-eigendom te volgen en te ondersteunen;

42.  onderstreept dat mediavrijheid ook de vrijheid van toegang tot de media moet omvatten en dat derhalve moet worden gewaarborgd dat alle Europese burgers binnen een redelijk tijdsbestek en tegen betaalbare kosten effectief beschikken over en toegang hebben tot breedbandinternet, door draadloze technologieën, met inbegrip van internet via de satelliet, verder te ontwikkelen;

43.  benadrukt dat, overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, overheden op grond van artikel 10 van het EVRM positieve verplichtingen hebben om de vrijheid van meningsuiting te beschermen als een van de voorwaarden voor een functionerende democratie, aangezien "de daadwerkelijk effectieve uitoefening van bepaalde vrijheden niet uitsluitend afhangt van de verplichting van de staat zich van inmenging te onthouden, maar tevens positieve beschermingsmaatregelen kan vereisen";

44.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de OVSE en het Comité van Ministers van de Raad van Europa, de Parlementaire Vergadering, de Commissie van Venetië en de Commissaris voor de Mensenrechten.

(1) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(2) http://www.pressfreedom.eu/en/index.php
(3) PB C 25 E van 29.1.2004, blz. 205.
(4) PB C 76 E van 25.3.2004, blz. 412.
(5) PB C 76 E van 25.3.2004, blz.453.
(6) PB C 193 E van 17.8.2006, blz. 117.
(7) PB C 104 E van 30.4.2004, blz. 1026.
(8) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 75.
(9) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 50.
(10) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 154.
(11) www.mediainitiative.eu
(12) "The Citizen’s Right to Information: Law and Policy in the EU and its Member States", juni 2012, beschikbaar op http://www.europarl.europa.eu/committees/fr/studiesdownload.html?languageDocument=EN&file=75131
(13) http://cmpf.eui.eu/Home.aspx
(14) Gepubliceerd door de K.U. Leuven – ICRI, Jönköping International Business School – MMTC, Central European University – CMCS en Ernst & Young Consultancy België.
(15) Onder andere: directe of indirecte partijgebonden politieke controle en beïnvloeding van de media en controleorganen van de media, verhindering of beperking van de markttoegang van sommige mediakanalen via omroeplicenties of vergunningsprocedures, verkeerd gebruik en misbruik van de regels inzake nationale of militaire veiligheid en de openbare orde of zedelijkheid, teneinde documenten en informatie te censureren en de toegang hiertoe te belemmeren, schending van het beginsel van de vertrouwelijkheid van bronnen, het ontbreken van wetgeving over mediaconcentratie en belangenconflicten, het gebruik van reclame om het redactioneel profiel te beïnvloeden.
(16) http://europa.eu/rapid/pressReleasesAction.do?reference=MEMO/07/52
(17) Zie paragraaf 6 van de resolutie van het Parlement van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije.
(18) In dit artikel wordt bepaald dat nationale autoriteiten "gewettigde belangen" mogen verdedigen en nationale wetgeving mogen vaststellen om de pluriformiteit van de media te beschermen.
(19) EVRM, Centro Europa 7, 7 juni 2012, par. 134.

Laatst bijgewerkt op: 10 november 2015Juridische mededeling