Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2234(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0137/2013

Ingediende teksten :

A7-0137/2013

Debatten :

PV 20/05/2013 - 24
CRE 20/05/2013 - 23

Stemmingen :

PV 21/05/2013 - 6.14

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0204

Aangenomen teksten
PDF 176kWORD 100k
Dinsdag 21 mei 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Adequate, veilige en duurzame pensioenen
P7_TA(2013)0204A7-0137/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 21 mei 2013 over een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen (2012/2234(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juli 2010 getiteld "Groenboek – naar adequate, houdbare en zekere Europese pensioenstelsels" (COM(2010)0365) en zijn resolutie van 16 februari 2011 daarover(1) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 februari 2012 getiteld "Witboek – Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen" (COM(2012)0055),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie van 16 februari 2012 getiteld "Witboek – Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen"(2) ,

–  gezien het gezamenlijke verslag van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Europese Commissie en het Comité sociale bescherming over de toereikendheid van de pensioenen in de Europese Unie 2010-2050 ("2012 Adequacy Report"),

–  gezien het gezamenlijke verslag van het directoraat-generaal Economische en Financiële Zaken van de Europese Commissie en het Comité economisch beleid getiteld "The 2012 Ageing Report: Economic and budgetary projections for the 27 EU Member States (2010-2060)"(3) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 november 2011 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2012" (COM(2011)0815) en zijn resolutie van 15 februari 2012 daarover(4) ,

–  gezien Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(5) ,

–  gezien zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de bevordering van sociale integratie en bestrijding van armoede, met inbegrip van armoede onder kinderen, in de EU(6) ,

–  gezien de Verklaring van de Raad over het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012): de koers voor de toekomst (SOC 992/SAN 322) van 7 december 2012,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0137/2013),

A.  overwegende dat het Parlement zijn standpunt inzake het Groenboek van de Commissie uit 2010 getiteld "Naar adequate, houdbare en zekere Europese pensioenstelsels" in zijn resolutie van 16 februari 2011 heeft verwoord;

B.  overwegende dat de ergste financiële en economische crisis in decennia is omgeslagen in een acute staatsschulden- en sociale crisis die het pensioeninkomen van miljoenen EU-burgers ernstig heeft aangetast; overwegende dat deze crisis heeft aangetoond dat de Europese economieën onderling afhankelijk zijn en dat geen enkele lidstaat nog in zijn eentje het adequate, zekere en duurzame karakter van zijn socialebeschermingsstelsel kan garanderen;

C.  overwegende dat pensioenen de belangrijkste bron van inkomsten voor Europese ouderen vormen en zijn bedoeld om een behoorlijke levenstandaard voor hen te waarborgen en hen in staat te stellen financieel onafhankelijk te zijn; overwegende dat ongeveer 22 % van de vrouwen die ouder zijn dan 75 jaar zich desalniettemin onder de armoedegrens van de Europese Unie bevindt en derhalve een groot risico loopt op maatschappelijke uitsluiting, en overwegende dat de meerderheid van de 75-plussers bestaat uit vrouwen;

D.  overwegende dat de eerste cohort van de zogeheten babyboomgeneratie de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, waardoor de demografische uitdaging niet langer een toekomstscenario is, maar een realiteit van nu, en dat het aantal 60-plussers met meer dan 2 miljoen per jaar zal toenemen;

E.  overwegende dat, nog afgezien van de economische crisis, op grond van de demografische en productiviteitstrends voor de lange termijn in de meeste EU-lidstaten moet worden uitgegaan van een economisch scenario met geringe groei, waarbij de groeipercentages aanzienlijk geringer zullen uitvallen dan in voorgaande decennia;

F.  overwegende dat de Europese Raad reeds in maart 2001 zijn goedkeuring heeft gehecht aan de drieledige strategie van Stockholm, die erop is gericht: de overheidsschuld snel af te bouwen, de arbeidsparticipatie en de productiviteit op te voeren en de pensioenstelsels en de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg te hervormen;

G.  overwegende dat de negatieve uitwerking van de economische en financiële crisis in Europa op de lonen en de werkgelegenheid het risico op armoede onder ouderen in de toekomst zal doen toenemen;

H.  overwegende dat zowel de via een omslagstelsel gefinancierde pensioenregelingen (pay-as-you-go-stelsels) als de kapitaaldekkingsstelsels te lijden hebben onder de toenemende werkloosheid en de tegenvallende rendementen op de financiële markten;

I.  overwegende dat het Europees Economisch en Sociaal Comité aanbeveelt de minimumpensioenen op te trekken, om te zorgen voor pensioeninkomens die boven de armoededrempel liggen;

J.  overwegende dat de pensioenstelsels een centraal onderdeel van de Europese sociale modellen vormen en als fundamenteel en niet-onderhandelbaar doel hebben om oudere mensen een adequaat levenspeil te garanderen; overwegende dat pensioenvoorziening een bevoegdheid blijft van de lidstaten;

K.  overwegende dat de duurzaamheid van het pensioenbeleid meer omvat dan alleen een fiscaal aspect; overwegende dat spaarquotes, werkgelegenheidscijfers en verwachte demografische ontwikkelingen ook een significante rol spelen wat het garanderen van de duurzaamheid betreft;

L.  overwegende dat pensioenregelingen in het huidige Europese debat te vaak louter als last voor de overheidsfinanciën worden gezien in plaats van als een essentieel instrument om armoede onder ouderen te bestrijden en om een herverdeling gedurende de levensloop van een individu en binnen de maatschappij te bewerkstelligen;

M.  overwegende dat de gepensioneerden een bijzonder belangrijke groep consumenten vormen en dat schommelingen in hun koopgedrag ingrijpende gevolgen voor de reële economie hebben;

N.  overwegende dat in vele EU-landen het fertiliteitscijfer laag blijft, met als gevolg dat de actieve bevolking in de toekomst zal krimpen;

O.   overwegende dat volgens de OESO de mobiliteit tussen lidstaten gering is en dat slechts 3 % van de EU-burgers in de beroepsgeschikte leeftijd in een andere lidstaat van de EU woont(7) ;

P.  overwegende dat uit de studie "Women living alone – an update"(8) , die op verzoek van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid van het Parlement is opgesteld, blijkt dat in sommige van de bestaande pensioenregelingen het risico van grotere genderongelijkheid besloten ligt, met name in het geval van alleenstaande vrouwen;

Q.  overwegende dat OESO-werkdocument nr. 116 inzake sociale zaken, arbeid en migratie, getiteld "Cooking, Caring and Volunteering: Unpaid Work Around the World"(9) inzicht geeft in het belang van onbetaald werk, dat in nationale pensioenregelingen nog niet wordt meegeteld;

R.  overwegende dat het arbeidsparticipatiepercentage in de EU voor de leeftijdsgroep 55-64 slechts 47,4 % bedraagt en voor vrouwen zelfs 40,2 %; overwegende dat in bepaalde EU-landen slechts 2 % van alle vacatures door 55-plussers wordt vervuld; overwegende dat een dergelijke geringe arbeidsparticipatie in een pensioenkloof binnen generaties tussen mannen en vrouwen resulteert alsook in aanzienlijke inkomensverschillen tussen de generaties;

S.  overwegende dat de pensioenstelsels binnen en tussen de lidstaten aanzienlijk verschillen, bijvoorbeeld wat financieringspercentage, mate van overheidsdeelname, governancestructuur, type van aanspraak, kostenefficiëntie en collectiviteits- en solidariteitsgraad betreft, en dat als gevolg hiervan geen gemeenschappelijke EU-typologie voorhanden is;

Inleiding

1.  merkt op dat de nationale begrotingen onder grote druk staan en dat de verlaging van de pensioenuitkeringen in veel lidstaten het gevolg is van de sterke verscherping van de financiële en economische crisis; betreurt de forse bezuinigingen in de lidstaten die het hardst door de crisis zijn getroffen, waardoor veel gepensioneerden de armoede zijn ingedreven of een armoederisico lopen;

2.  onderstreept dat voor de EU en de lidstaten de noodzaak bestaat een beoordeling te maken van de huidige en toekomstige duurzaamheid en adequaatheid van de pensioenstelsels en de goede praktijken en beleidsstrategieën te identificeren die kunnen leiden tot de zekerste en meest kostenefficiënte pensioenvoorziening in de lidstaten;

3.  wijst op de waarschijnlijkheid van een lange periode met geringe economische groei, die de meeste lidstaten ertoe zal dwingen hun begroting te consolideren en hun economie streng te hervormen, waarvoor een degelijk beheer van de overheidsfinanciën vereist is; is het eens met de in het Witboek van de Commissie verwoorde opvatting dat er aanvullende bedrijfspensioenen met kapitaaldekking moeten worden opgezet, naast de prioriteit die moet worden toegekend aan de instandhouding van universele overheidspensioenen die ten minste een behoorlijke levenstandaard voor alle ouderen waarborgen;

4.  onderstreept dat overheidspensioenstelsels in de eerste pijler voor gepensioneerden de belangrijkste bron van inkomsten blijven; betreurt het dat de Commissie in het Witboek niet naar behoren ingaat op het belang van universele, ten minste armoedebestendige overheidsregelingen in de eerste pijler; verzoekt de lidstaten – overeenkomstig de doelstellingen van de Europa 2020-strategie inzake uitbreiding van de werkgelegenheid en armoedebestrijding – te blijven werken aan strategieën voor een actievere en inclusievere arbeidsmarkt, om de verhouding van economische afhankelijkheid tussen niet-actieven en werkenden te verminderen; verzoekt de sociale partners en de lidstaten deze hervormingen gepaard te laten gaan met een permanente verbetering van de arbeidsomstandigheden en met de tenuitvoerlegging van programma's op het gebied van een leven lang leren, met het oog op een gezondere en langere beroepsloopbaan tot de wettelijke pensioenleeftijd, waardoor meer mensen pensioenpremies afdragen en kan worden voorkomen dat de oplopende kosten van overheidspensioenen een gevaar opleveren voor duurzame overheidsfinanciën; verzoekt de lidstaten hun eerstepijlerstelsels zodanig te hervormen dat ook het aantal premieafdrachtsjaren in aanmerking wordt genomen;

5.  verzoekt de lidstaten een diepgaande evaluatie uit te voeren van de noodzaak tot hervorming van hun eerstepijlerstelsels, rekening houdend met de veranderende levensverwachting – en de veranderende verhouding tussen gepensioneerden, werklozen en economisch actieven – om een behoorlijke levenstandaard en economische onafhankelijkheid te garanderen voor de ouderen, met name ouderen die tot kwetsbare groepen behoren;

6.  stelt vast dat door de financiële en economische crisis en de uitdagingen als gevolg van de vergrijzing de kwetsbaarheid aan het licht is gekomen van zowel de pensioenregelingen met kapitaaldekking als de pay-as-you-go-stelsels; beveelt aan de pensioenen op meerdere pijlers te baseren, met combinaties van:

   i. een universeel, op een omslagstelsel gebaseerd overheidspensioen;
   ii. een aanvullend bedrijfspensioen met kapitaaldekking op basis van collectieve overeenkomsten op nationaal, sector- of bedrijfsniveau dan wel op grond van nationale wetgeving, dat openstaat voor alle betrokken werknemers;
   onderstreept dat de eerste pijler, alleen of in combinatie met het pensioen uit de tweede pijler (afhankelijk van de nationale institutionele regelingen of wetgeving), een behoorlijk vervangend inkomen moet opleveren dat gebaseerd is op het vroegere loon van de werknemer en, zo mogelijk, wordt aangevuld met:
   iii. een individueel pensioen uit de derde pijler op basis van particulier sparen, met billijke stimulerende maatregelen voor werknemers met een laag inkomen, zelfstandigen en mensen met onvolledige premiejaren bij hun werkgerelateerde pensioenregeling;
   verzoekt de lidstaten te overwegen om een dergelijke of een vergelijkbare, financieel en maatschappelijk duurzame regeling in stand te houden of, waar deze nog niet bestaat, in te voeren; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat met de bestaande of toekomstige regelgeving op het gebied van pensioenen deze benadering wordt bevorderd en volledig geëerbiedigd;

7.  erkent het potentieel van de verstrekkers van bedrijfs- en individuele pensioenen als grote, betrouwbare langetermijninvesteerders in de EU-economie; onderstreept de van hen verwachte bijdrage aan het halen van de hoofddoelen van de Europa 2020-strategie, waar het gaat om het realiseren van duurzame economische groei, meer en betere banen en een sterker op sociale integratie gerichte samenleving; juicht het in dit verband toe dat de Commissie binnenkort met het initiatief komt voor een Groenboek over investeringen op lange termijn; dringt er bij de Commissie op aan het beleggingspotentieel van de pensioenfondsen en andere pensioenverstrekkers niet in gevaar te brengen en hun uiteenlopende kenmerken te respecteren wanneer zij EU-regelgeving invoert of wijzigt, met name bij de herziening van de richtlijn over de activiteiten van en het toezicht op de bedrijfspensioenfondsen;

8.  nodigt de Commissie uit om de balans op te maken van de cumulatieve effecten van de wetgeving voor de financiële markten – zoals de verordening Europese marktinfrastructuur (EMIR), de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID) en de herziene richtlijn kapitaalvereisten (RKV IV) – op pensioenfondsen van de tweede pijler en hun vermogen om te investeren in de reële economie, en hierover verslag uit te brengen in haar komende Groenboek over langetermijninvesteringen;

9.  herinnert aan de strategie van Lissabon 2000-2010, in de context waarvan de Commissie en de lidstaten een decennium lang intensief hebben gediscussieerd over structurele hervormingen met betrekking tot het macro-economisch, het micro-economisch en het werkgelegenheidsbeleid, met als resultaat op het Verdrag gebaseerde landenspecifieke aanbevelingen aan de lidstaten, waarvan er vele direct of indirect betrekking hadden op de vrijwaring van adequate en duurzame pensioenen; betreurt het feit dat deze aanbevelingen niet zijn gevolgd, hoewel zij in aanzienlijke mate de impact van de crisis hadden kunnen verlichten;

10.  is tevreden met het vergrijzingsverslag 2012 ("2012 Ageing Report"(10) ) en het toereikendheidsverslag 2012 ("2012 Adequacy Report"(11) ), alomvattende en kwalitatief hoogstaande publicaties waarin de toereikendheid en de duurzaamheid van de pensioenstelsels op lange termijn in alle lidstaten worden onderzocht; betreurt het feit dat de aspecten toereikendheid en duurzaamheid van pensioenen worden behandeld in onderscheiden verslagen met een hoogst technisch karakter; verzoekt de Commissie en de Raad snel een geïntegreerde, beknopte en niet-technische publiekssamenvatting te publiceren, om de EU-burgers in staat te stellen de uitdagingen voor hun nationale pensioenstelsel in het kader van een vergelijking van alle EU-lidstaten te beoordelen;

11.   onderstreept het belang van een uniforme methodiek voor de berekening van de houdbaarheid van overheidsfinanciën op de lange termijn en het aandeel dat pensioengerelateerde verplichtingen daarin hebben;

12.  is van mening dat het, om tot een doeltreffende oplossing van de pensioenproblematiek te komen, rekening houdend met de noodzaak in de meeste lidstaten om het aantal premiejaren te verhogen en de arbeidsvoorwaarden en de permanente bijscholing te verbeteren om mensen in staat te stellen ten minste tot de wettelijke pensioenleeftijd door te werken, en langer als zij dat wensen, van het grootste belang is dat regeringen en sociale partners een consensus bereiken;

13.  stelt voor om vertegenwoordigers van alle leeftijdsgroepen, onder wie jongeren en ouderen, die in bijzondere mate de gevolgen van de hervormingen ondervinden, naar behoren te raadplegen over elke pensioenhervorming om evenwichtige en eerlijke resultaten te garanderen en een maximale consensus tussen de generaties te behouden;

14.  is verheugd over de centrale voorstellen in het Witboek, namelijk dat de nadruk moet liggen op het evenwicht tussen arbeidsleven en pensioentijd, de ontwikkeling van aanvullende bedrijfspensioenen en individueel pensioensparen alsmede de verbetering van de instrumenten van de EU voor het toezicht op de pensioenen, terwijl ook het belang van een grotere pensioengeletterdheid onderstreept wordt;

Verhoging van de arbeidsparticipatie en evenwicht tussen arbeidsleven en pensioentijd

15.  onderstreept dat het doorvoeren van structurele hervormingen waardoor de arbeidsparticipatie wordt verhoogd en mensen tot de wettelijke pensioenleeftijd kunnen doorwerken, zodat de economische afhankelijkheidratio wordt verminderd, van het grootste belang is om de belastinginkomsten en de sociale en pensioenpremies te genereren die nodig zijn om de begroting van de lidstaten te consolideren en adequate, zekere en houdbare pensioenstelsels te financieren; onderstreept dat deze hervormingen op transparante wijze moeten worden doorgevoerd, zodat men tijdig op de eventuele effecten van deze hervormingen kan anticiperen; wijst op het risico dat werkloosheid en gering betaald werk, deeltijdwerk en atypisch werk ertoe kan leiden dat slechts gedeeltelijke pensioenrechten worden opgebouwd, waardoor armoede onder ouderen in de hand wordt gewerkt;

16.  roept de lidstaten op om: integrale, actieve arbeidsmarktmaatregelen te nemen; de nodige maatregelen te nemen om zwart werk en belasting- en premieontduiking te bestrijden, mede om eerlijke concurrentie te garanderen; middelen opzij te zetten om de oplopende kosten die de pensioneringen voor de overheid veroorzaken, op te vangen; en goede werkgelegenheid te bevorderen, o.a. door werkzoekenden uitgebreid advies en steun te bieden en bijzonder kwetsbare groepen een plaats op de arbeidsmarkt te geven;

17.  neemt er kennis van dat de Commissie het meest recentelijk in de jaarlijkse groeianalyse 2013 heeft gewezen op de noodzaak van hervormingen in de pensioenstelsels; wijst er evenwel op dat in veel lidstaten prioriteit zou moeten worden toegekend aan het dichter bij elkaar brengen van de feitelijke en de wettelijke pensioenleeftijd;

18.  is ingenomen met het feit dat de lidstaten in de landenspecifieke aanbevelingen die de Raad in 2012 in het kader van het Europees semester heeft goedgekeurd, hebben aangegeven zich te zullen inzetten voor adequate en duurzame pensioenstelsels;

19.  constateert dat meer dan 17 % van de burgers in de Europese Unie thans 65 jaar of ouder is en dat dit percentage volgens de ramingen van Eurostat zal stijgen tot 30 % in 2060;

20.  onderstreept dat de druk op de nationale begrotingen en pensioenstelsels als gevolg van de demografische ontwikkelingen versneld toeneemt, nu de eerste cohorten van de "babyboomgeneratie" met pensioen gaan; neemt nota van de ongelijke vorderingen en ambitieniveaus in de lidstaten bij het uitstippelen en doorvoeren van structurele hervormingen die tot doel hebben de werkgelegenheid te vergroten, regelingen voor vervroegde uittreding te beëindigen en op lidstaatniveau samen met de sociale partners de noodzaak te evalueren om zowel de wettelijke als de daadwerkelijke pensioenleeftijd duurzaam te laten aansluiten bij de stijging van de levensverwachting; benadrukt dat lidstaten die nu geen geleidelijke hervormingen doorvoeren, later wellicht in een scenario terechtkomen waarin zij hervormingen moeten doorvoeren in de vorm van een shocktherapie met ingrijpende maatschappelijke gevolgen;

21.  herhaalt het verzoek om een nauwe koppeling tussen pensioenuitkeringen enerzijds en arbeidsjaren en premieafdrachten anderzijds ("actuariële eerlijkheid"), om te garanderen dat werknemers die meer en langer werken, van een beter pensioen profiteren, waarbij rekening moet worden gehouden met de perioden dat iemand wegens de zorg voor afhankelijke personen niet beschikbaar was op de arbeidsmarkt; beveelt aan dat de lidstaten, in overleg met de relevante partners, verplichte pensionering bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd verbieden, zodat werknemers die daartoe in staat zijn en dit wensen, ervoor kunnen kiezen tot na de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd door te werken of geleidelijk met pensioen te gaan, omdat een verlenging van de premieafdrachtperiode met een gelijktijdige verkorting van de periode van uitkeringsgerechtigheid werknemers erbij kan helpen een eventuele pensioenkloof in hoog tempo te verkleinen;

22.  onderstreept dat empirisch is aangetoond dat de aanname die ten grondslag ligt aan regelingen voor vervroegde uittreding, in het kader waarvan oudere werknemers vervroegd met pensioen kunnen gaan om banen voor jongeren vrij te maken, onjuist is, want de lidstaten met de hoogste arbeidsparticipatie onder jongeren zijn gemiddeld ook de landen met de hoogste arbeidsparticipatie onder oudere werknemers;

23.  verzoekt de sociale partners voor een levensloopbenadering in het personeelsbeleid te kiezen en de arbeidsplekken in die zin aan te passen; verzoekt de werkgevers om programma's op te zetten die actief en gezond ouder worden ondersteunen; verzoekt de werknemers actief gebruik te maken van de hun geboden opleidingsmogelijkheden en zich in alle stadia van hun arbeidsleven fit te houden voor de arbeidsmarkt; benadrukt het feit dat oudere werknemers beter op de arbeidsmarkt moeten worden geïntegreerd, en dringt aan op sociale innovaties om langer werken mogelijk te maken, met name in de zwaarste beroepen, door aanpassing van werkplekken, het scheppen van adequate arbeidsomstandigheden en een flexibele arbeidsorganisatie met aanpassingen in de werkuren en de aard van het uit te voeren werk;

24.  onderstreept dat er meer preventieve gezondheidsmaatregelen moeten worden genomen, de beroepsopleiding en omscholing moeten worden geïntensiveerd en discriminatie van jongere en oudere werknemers op de arbeidsmarkt moet worden bestreden; wijst in dit verband op de noodzaak van doeltreffende handhaving en toepassing van de wetgeving inzake de gezondheid en veiligheid op het werk; onderstreept dat programma's waarin oudere werknemers als mentoren fungeren, zinvol kunnen zijn om deze werknemers langer in het arbeidsproces te houden en van hun ervaring gebruik te maken om jongeren op de arbeidsmarkt te integreren; verzoekt de sociale partners aantrekkelijke modellen voor een soepele overgang van werk naar pensioen te ontwikkelen;

25.  dringt bij de lidstaten aan op stevige maatregelen om invulling te geven aan de ambities die zijn geformuleerd in het EU-Pact voor gendergelijkheid (2011-2020), waarbij de nadruk ligt op het wegnemen van ongelijkheden en het bestrijden van segregatie tussen mannen en vrouwen en op het bevorderen van een beter evenwicht tussen werk en gezin voor vrouwen en mannen; onderstreept dat deze doelstellingen van centrale betekenis zijn om de arbeidsparticipatie onder vrouwen te vergroten en de armoede onder werkende en oudere vrouwen te bestrijden;

26.  beklemtoont dat kmo's één van de belangrijkste motors van banen en groei in de EU zijn en een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de houdbaarheid en adequaatheid van pensioenstelsels in de lidstaten;

Ontwikkeling van aanvullende particuliere pensioenspaarregelingen

27.  is verheugd over de oproep in het Witboek om zowel aanvullende bedrijfspensioenen met kapitaaldekking, die openstaan voor alle betrokken werknemers, als individuele regelingen te ontwikkelen; onderstreept evenwel dat de Commissie er beter aan zou doen collectieve, solidaire, aanvullende bedrijfspensioenregelingen aan te bevelen, bij voorkeur op basis van collectieve overeenkomsten en opgezet op nationaal, sector- of bedrijfsniveau, aangezien zij ruimte bieden voor solidariteit binnen en tussen de generaties, hetgeen bij individuele regelingen niet het geval is; benadrukt dat het dringend noodzakelijk is steun te geven aan de pogingen om in de mate van het mogelijke aanvullende bedrijfspensioenstelsels op te zetten;

28.  merkt op dat vele lidstaten al ingrijpende pensioenhervormingsprogramma's hebben gestart die zowel gericht zijn op duurzaamheid als op toereikendheid; benadrukt dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat alle op EU-niveau voorgestelde maatregelen de nationale pensioenhervormingsprogramma's aanvullen en er niet in tegenspraak mee zijn; herinnert eraan dat de pensioenen een bevoegdheid van de lidstaten blijven, en maakt zich zorgen dat verdere Europese wetgeving op dit gebied negatieve gevolgen kan hebben voor de regelingen in bepaalde lidstaten, met name wat betreft de kenmerken van bedrijfspensioenstelsels;

29.  benadrukt de geringe exploitatiekosten van (sectoriële) collectieve bedrijfspensioenregelingen (bij voorkeur zonder winstoogmerk) in vergelijking met individuele pensioenspaarregelingen; onderstreept het belang van geringe exploitatiekosten, aangezien zelfs beperkte kostenverlagingen tot aanzienlijk hogere pensioenen kunnen leiden; onderstreept echter dat deze regelingen momenteel helaas slechts in enkele lidstaten bestaan;

30.  dringt er bij de lidstaten en de met de pensioenstelsels belaste instanties op aan de burgers goed in te lichten over hun opgebouwde pensioenrechten en hen zodanig bewust te maken en op te voeden dat zij met kennis van zaken een besluit kunnen nemen over de vraag of zij in de toekomst extra willen sparen voor hun pensioen; dringt er bij de lidstaten ook op aan de burgers tijdig in te lichten over geplande veranderingen in het pensioenstelsel, zodat zij met kennis van zaken en weloverwogen een besluit over hun pensioensparen kunnen nemen; verzoekt de lidstaten strenge openbaarmakingsvoorschriften op te stellen en te handhaven met betrekking tot de exploitatiekosten en –risico's van en het rendement op beleggingen van de pensioenfondsen die in hun rechtsgebied actief zijn;

31.  erkent het feit dat er grote verschillen bestaan in kenmerken en resultaten tussen de bedrijfspensioenregelingen in de lidstaten met betrekking tot toegang, solidariteit, kosteneffectiviteit, risico's en rendement; juicht het toe dat de Commissie voornemens is om in nauw overleg met de lidstaten, de sociale partners, de pensioensector en andere belanghebbenden, een gedragscode voor bedrijfspensioenregelingen op te stellen waarin wordt ingegaan op kwesties als betere dekking van werknemers, de uitbetalingsfase, het verdelen en opvangen van risico's, kosteneffectiviteit en het absorberen van schokken in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; wijst op de wederzijdse voordelen als de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten wordt verbeterd;

32.  steunt de Commissie in haar voornemen om EU-middelen – met name via het Europees Sociaal Fonds – te blijven uittrekken voor de ondersteuning van projecten voor actief en gezond ouder worden op de werkplek, en via het programma voor maatschappelijke verandering en innovatie (PSCI) financiële en praktische steun te verlenen aan lidstaten en sociale partners die de geleidelijke invoering van kosteneffectieve aanvullende pensioenregelingen overwegen, een en ander onder controle van het Europees Parlement;

Pensioenen van mobiele werknemers

33.  erkent de grote heterogeniteit van de pensioenregelingen in de EU, maar onderstreept dat het voor werknemers van belang is dat zij binnen of buiten hun lidstaat van baan kunnen veranderen; onderstreept dat gegarandeerd moet worden dat mobiele werknemers bedrijfspensioenrechten kunnen verwerven en behouden; steunt de door de Commissie bepleite benadering om zich erop te richten dat de verwerving en het behoud van pensioenrechten worden beschermd, en verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de slapende pensioenrechten van mobiele werknemers op dezelfde wijze worden behandeld als die van actieve deelnemers en van gepensioneerden; merkt op dat de Commissie een belangrijke rol kan spelen bij het wegnemen van belemmeringen voor het vrije verkeer, inclusief voor de mobiliteit van werknemers; is van mening dat, afgezien van taalbarrières en familiaire overwegingen, de mobiliteit op de arbeidsmarkt wordt belemmerd door lange inlegperiodes of onredelijke leeftijdsbeperkingen, en verzoekt de lidstaten deze te versoepelen; onderstreept dat elke actie ter bevordering van de mobiliteit gepaard moet gaan met de kosteneffectieve verstrekking van een aanvullende pensioenregeling en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de aard van de nationale pensioenregelingen;

34.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie om onderzoek te doen naar mogelijke verbindingen tussen Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en "bepaalde" bedrijfspensioenregelingen; wijst op de praktische moeilijkheden die zich hebben voorgedaan bij de toepassing van deze verordening op de 27 duidelijk uiteenlopende socialezekerheidsstelsels van de lidstaten; wijst op de diversiteit van de pensioenstelsels in de EU, waardoor toepassing van een benadering gericht op coördinatie van de tienduizenden zeer verschillende pensioenregelingen die in de lidstaten worden gehanteerd, een complexe zaak is; betwijfelt daarom of een dergelijke benadering op het gebied van aanvullende bedrijfspensioenregelingen praktisch mogelijk is;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ambitieus toe te werken naar de oprichting en instandhouding van efficiënte trackingdiensten, eventueel via internet, die de burgers in staat stellen hun werk- en niet-werkgerelateerde pensioenrechten te volgen en daardoor tijdig en met kennis van zaken een besluit te nemen over een aanvullende individuele pensioenspaarregeling (binnen de derde pijler); dringt aan op coördinatie op EU-niveau om een adequate compatibiliteit van de nationale trackingdiensten te garanderen; is ingenomen met het proefproject van de Commissie ter zake en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het proefproject wordt aangevuld met een effectbeoordeling van de voordelen van het op toegankelijke wijze verstrekken van geconsolideerde pensioeninformatie aan de EU-burgers;

36.  merkt op dat wanneer de pensioentraceerdiensten volledig ontwikkeld zijn, deze idealiter niet alleen informatie moeten verstrekken over bedrijfspensioenen, maar ook over derdepijlerstelsels en individuele eerstepijlerrechten;

37.  plaatst vraagtekens bij de noodzaak van een EU-pensioenfonds voor onderzoekers;

38.  beschouwt het feit dat mensen in het algemeen langer, gezonder en welvarender leven, als een van de prachtigste verworvenheden van de moderne maatschappij; vraagt een positieve toon in het vergrijzingsdebat, waarin het enerzijds gaat om een actieve aanpak van de aanzienlijke, maar haalbare uitdaging die uitgaat van de vergrijzing, en anderzijds de mogelijkheden worden benut die de vergrijzing en de "zilveren economie" met zich meebrengen; erkent dat ouderen een zeer actieve en waardevolle rol in onze maatschappijen spelen;

Evaluatie van de IORP-richtlijn

39.  benadrukt dat het doel van de evaluatie van de Richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IORP-richtlijn) moet zijn de bedrijfspensioenen in Europa adequaat, duurzaam en veilig te houden door een omgeving te creëren die aanzet tot verdere vooruitgang op dit terrein in de lidstaten en op de interne markt, door huidige en toekomstige gepensioneerden beter te beschermen en door op flexibele wijze te zorgen voor een aanpassing aan de aanzienlijke grens- en sectoroverschrijdende diversiteit van de bestaande regelingen;

40.  acht het essentieel dat tweedepijlerstelsels in de EU aan robuuste prudentiële regelgeving moeten voldoen om de deelnemers en begunstigden aldus een hoge mate van bescherming te kunnen bieden en om het G20-mandaat te kunnen respecteren, dat inhoudt dat alle financiële instellingen aan gepaste regelgeving en adequaat toezicht moeten worden onderworpen;

41.  dringt erop aan dat bij wetgevingsinitiatieven van de EU in dit verband de keuzes van de lidstaten met betrekking tot de verstrekkers van tweedepijlerpensioenen worden gerespecteerd;

42.  benadrukt dat verdere EU-regelgeving met betrekking tot waarborgmaatregelen gebaseerd moet zijn op een solide effectbeoordeling die onder meer inhoudt dat vergelijkbare producten aan dezelfde prudentiële regels worden onderworpen, die voorziet in een adequate pensioenverstrekking en mobiliteit van werknemers binnen de Unie, en die globaal gezien gericht is op het beschermen van de door werknemers verworven pensioenrechten; benadrukt dat verdere EU-regelgeving met betrekking tot waarborgmaatregelen ook gebaseerd moet zijn op een actieve dialoog met de sociale partners en andere belanghebbenden en op een goed begrip van en respect voor de nationale specifieke kenmerken; benadrukt het feit dat de pensioenstelsels stevig zijn verankerd in de culturele, sociale, politieke en economische omstandigheden van elke lidstaat; benadrukt dat alle verstrekkers van tweedepijlerpensioenen, ongeacht hun rechtsvorm, moeten worden onderworpen aan proportionele en robuuste regelgeving die rekening houdt met de specifieke eigenschappen van hun sector en zich vooral op de lange termijn richt;

43.  benadrukt dat tweedepijlerpensioenen, ongeacht door wie ze worden verstrekt, niet in gevaar mogen worden gebracht door EU-regelgeving die geen rekening houdt met hun langetermijnmogelijkheden;

44.  is van mening dat in voorstellen van de Commissie voor waarborgmaatregelen niet alleen de verschillen tussen de nationale stelsels moeten worden aangegeven en in aanmerking genomen, maar ook het beginsel "hetzelfde risico, dezelfde regels" binnen elk nationaal stelsel en respectievelijke pijler van toepassing dient te worden verklaard; onderstreept dat de maatregelen strikt moeten voldoen aan het evenredigheidsbeginsel waar het gaat om het afwegen van de doelstellingen en de voordelen tegen de financiële, administratieve en technische lasten en het streven naar het juiste evenwicht tussen kosten en baten;

45.  acht het met het oog op kwalitatieve waarborgmaatregelen zinvol dat er – naast voorstellen inzake grotere transparantie, verplichte openbaarmaking van informatie, openbaarmaking van kosten en transparantie van investeringsstrategieën – voorstellen worden gedaan voor een versterkt bedrijfsbestuur en risicobeheer, en is van mening dat deze voorstellen in het kader van een evaluatie moeten worden gedaan, onder eerbiediging van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel; stelt vast dat, gezien de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten, het op de korte termijn haalbaarder is de kwalitatieve waarborgmaatregelen op EU-niveau op elkaar af te stemmen dan de kwantitatieve waarborgmaatregelen;

46.  is er, gezien de momenteel beschikbare informatie, niet van overtuigd dat in de gehele EU geldende eisen met betrekking tot eigen kapitaal of balanswaardering passend zijn; is dan ook tegenstander van een hierop gerichte herziening van de IORP-richtlijn; is echter van mening dat in deze beleidscontext ten volle rekening moet worden gehouden met de kwantitatieve impactstudie (QIS) die de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EAVB) momenteel uitvoert, alsook met eventuele analyses ter opvolging van deze studie; benadrukt dat indien dergelijke vereisten later zouden worden ingevoerd, een rechtstreekse toepassing van de Solvabiliteit II-eisen op bedrijfspensioenfondsen niet de juiste benadering zou zijn;

47.  wijst erop dat de IORP-richtlijn enkel van toepassing is op vrijwillige pensioenregelingen en niet voorziet in instrumenten die deel uitmaken van het verplichte overheidspensioenstelsel;

48.  benadrukt dat er cruciale verschillen bestaan tussen verzekeringsproducten en bedrijfspensioenregelingen; onderstreept dat een directe toepassing van kwantitatieve Solvabiliteit II-eisen op bedrijfspensioenfondsen ongepast zou zijn en mogelijk de belangen van zowel werknemers als werkgevers zou kunnen schaden; is dan ook tegenstander van het één-op-één toepassen van Solvabiliteit II-eisen op bedrijfspensioenfondsen, maar staat open voor een benadering die naar zekerheid en duurzaamheid streeft;

49.  benadrukt dat de sociale partners (d.w.z. werkgevers en werknemers) samen verantwoordelijk zijn voor de inhoud van bedrijfspensioenregelingen; benadrukt dat contractuele overeenkomsten tussen sociale partners te allen tijde erkend moeten worden, in het bijzonder met betrekking tot het evenwicht tussen risico's en opbrengsten dat een bedrijfspensioenregeling beoogt;

50.  acht een verdere ontwikkeling op EU-niveau van solvabiliteitsmodellen, bijvoorbeeld het Holistic Balance Sheet (HBS), enkel zinvol als op basis van een solide effectbeoordeling blijkt dat de toepassing ervan in de praktijk haalbaar is en effectief is met betrekking tot kosten en baten, vooral gezien de verscheidenheid aan IORP’s op nationaal en Europees niveau; benadrukt dat een verdere ontwikkeling van varianten van Solvabiliteit II of HBS niet gericht mag zijn op de invoering van bepalingen in de stijl van Solvabiliteit II;

51.  merkt op dat er een grote verscheidenheid bestaat in het ontwerp van pensioenplannen, gaande van regelingen met vaste uitkeringen tot regelingen met vaste bijdragen of gemengde regelingen; stelt eveneens vast dat er in bepaalde lidstaten een verschuiving plaatsvindt van regelingen met vaste uitkeringen naar regelingen met vaste bijdragen of naar de oprichting van pijlers met verplichte kapitaaldekking; benadrukt dat er hierdoor een grotere behoefte ontstaat aan meer transparantie en een betere voorlichting van burgers over de beloofde uitkeringen, de hoogte van de kosten en de investeringsstrategieën;

52.   wijst erop dat het idee om gelijke concurrentievoorwaarden tot stand te brengen tussen levensverzekeringen en pensioenfondsen in de tweede pijler slechts tot op zekere hoogte relevant is, gezien de cruciale verschillen tussen verzekeringsproducten en bedrijfspensioenregelingen, al naar gelang het risicoprofiel, de mate van integratie op de financiële markt en de vraag of de aanbieder al dan niet een winstoogmerk heeft; erkent dat het gezien de concurrentie tussen levensverzekeringen en IORP’s in de tweede pijler essentieel is dat producten met dezelfde risico’s aan dezelfde regels worden onderworpen teneinde misleiding van begunstigden te vermijden en hun eenzelfde mate van prudentiële bescherming te bieden;

Bescherming van bedrijfspensioenen van werknemers bij insolventie

53.  is van mening dat bij insolventie de pensioenrechten overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2008/94/EG altijd veiliggesteld moeten zijn in de lidstaten;

54.   roept de Commissie op om een allesomvattend overzicht van nationale waarborgsystemen en –maatregelen op te stellen en om, als er tijdens die evaluatie tekortkomingen aan het licht zijn gekomen, betere EU-regelgeving voor te stellen om ervoor te zorgen dat er in de hele EU volstrekt betrouwbare mechanismen voor eenvoudige, goedkope en evenredige bescherming van bedrijfspensioenrechten worden ingevoerd;

55.  merkt op dat werkgevers in sommige lidstaten hun pensioenregelingen reeds ondersteunen door middel van beschermingsmechanismen, scheiding van activa, onafhankelijk beheer van de regelingen en toekenning van de status van prioritaire schuldeiser waardoor de pensioenregelingen voorrang krijgen op de aandeelhouders wanneer het bedrijf niet langer solvent is;

56.   onderstreept dat kwesties aangaande de bescherming van pensioenen bij insolventie nauw samenhangen met essentiële aspecten van de herziening van de IORP-richtlijn; benadrukt dat de Commissie bij de uitwerking van deze twee richtlijnen ervoor moet zorgen dat ze met elkaar overeenstemmen en volledig verenigbaar zijn;

Aanvullend pensioensparen in de derde pijler

57.   stelt vast dat strekking, reikwijdte en samenstelling van de derde pijler per lidstaat verschillen;

58.   betreurt het dat stelsels van de derde pijler zeer vaak duurder, riskanter en ondoorzichtiger zijn dan stelsels van de eerste pijler; dringt aan op stabiliteit, betrouwbaarheid en duurzaamheid voor de derde pijler;

59.   is van mening dat in sommige gevallen particuliere pensioenspaarregelingen nodig zijn om een adequaat pensioen op te kunnen bouwen; spoort de Commissie aan om met de lidstaten samen te werken op basis van beste praktijken en om stimulansen voor particulier pensioensparen te evalueren en te optimaliseren, in het bijzonder voor die personen die anders geen adequaat pensioen zouden opbouwen;

60.   acht een evaluatie van optimale methodes alsmede voorstellen voor het optimaliseren van stimulansen een nuttige zaak;

61.   benadrukt dat de overheid in haar beleid geen voorrang zou mogen geven aan het subsidiëren van derdepijlerstelsels, maar er eerst en vooral voor moet zorgen dat iedereen een gepaste bescherming krijgt binnen een goed functionerende en duurzame eerste pijler;

62.   verzoekt de Commissie onderzoek te verrichten naar de crisisbestendigheid van derdepijlerstelsels en aanbevelingen te doen voor het terugdringen van de risico's;

63.   doet de aanbeveling om de op nationaal niveau bestaande wettelijke kostenbeperkingen voor het afsluiten, beheren, wisselen van aanbieder of wisselen van type overeenkomst te toetsen en voorstellen ter zake te doen;

64.  is van mening dat gedragscodes met betrekking tot kwaliteit en consumentenvoorlichting en -bescherming in de derde pijler ervoor kunnen zorgen dat pensioenregelingen van de derde pijler aantrekkelijker worden; spoort de Commissie aan om de uitwisseling van de huidige optimale methodes in de lidstaten te bevorderen;

65.  steunt de opstelling en invoering van vrijwillige gedragscodes op EU-niveau – en mogelijk ook stelsels voor productcertificering – met betrekking tot kwaliteit en consumentenvoorlichting en -bescherming in de derde pijler; beveelt aan, mochten de vrijwillige gedragscodes niet tot resultaat leiden, dat de lidstaten op deze terreinen zelf regulerend optreden;

66.  verzoekt de Commissie na te gaan hoe beter gebruik kan worden gemaakt van de EU-wetgeving inzake de financiële sector om te garanderen dat consumenten correct en onpartijdig financieel advies krijgen over pensioen- en pensioengerelateerde producten;

Wegnemen van fiscale en contractgerelateerde grensoverschrijdende belemmeringen voor pensioenbeleggingen

67.  roept de Commissie en de desbetreffende lidstaten op tot overeenstemming te komen over grensoverschrijdende pensioenen, en met name over de wijze waarop dubbele belastingheffing en dubbele niet-heffing vermeden kunnen worden;

68.  beschouwt discriminerende belastingen als grote hinderpalen voor grensoverschrijdende mobiliteit en wenst dat deze snel worden weggenomen; stelt tegelijkertijd vast dat de EU slechts een beperkte bevoegdheid heeft wat het fiscaal beleid van de lidstaten betreft;

69.  acht onderzoek naar aan het contractrecht gerelateerde belemmeringen nodig;

70.  verzoekt de Commissie de sociale partners via de bestaande structuren adequaat bij een en ander te betrekken;

Geslacht

71.  herinnert aan de uitdaging die in het kader van de pensioenen bestaat op het gebied van gender; is verontrust over het feit dat steeds meer ouderen, vooral vrouwen, onder de armoedegrens leven; onderstreept dat overheidspensioenstelsels binnen de eerste pijler ten minste een behoorlijke levenstandaard voor allen moeten waarborgen; benadrukt het feit dat gendergelijkheid op de arbeidsmarkt van cruciaal belang is om te zorgen voor duurzame pensioenstelsels, omdat een hogere arbeidsparticipatie tot meer economische groei en dus tot hogere premieafdrachten leidt; is van mening dat de invoering van één pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gepaard moet gaan met doeltreffende beleidsmaatregelen om te zorgen voor gelijke beloning voor gelijk werk en een goed evenwicht tussen werk en zorg voor afhankelijke personen; onderstreept dat moet worden overwogen om zorggerelateerde pensioenkredieten in te voeren als erkenning van de zorg voor afhankelijke personen, die meestal onbetaald is;

72.  is ingenomen met de oproep in het Witboek aan de lidstaten om na te denken over de ontwikkeling van een zorgkrediet, om te garanderen dat de perioden gedurende welke vrouwen of mannen hebben gezorgd voor hulpbehoevende personen, worden meegeteld bij de berekening van hun pensioenrechten; wijst erop dat de ongelijke verdeling van de gezinstaken tussen mannen en vrouwen – waardoor vrouwen vaak minder zekere en slechter betaalde banen hebben of zelfs zwartwerken met negatieve gevolgen voor hun pensioenrechten – en het gebrek aan toegankelijke en betaalbare diensten en zorgvoorzieningen alsmede de recente bezuinigingsmaatregelen op dit gebied van rechtstreekse invloed zijn op de mogelijkheden van vooral vrouwen om te werken en een pensioen op te bouwen; verzoekt de Commissie daarom een studie over dit thema te laten verrichten;

73.  herinnert eraan dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om een einde te maken aan de salarisverschillen tussen vrouwen en mannen die hetzelfde werk doen, aan het verschil tussen het aantal mannen en vrouwen in leidinggevende functies en aan de genderongelijkheid op de arbeidsmarkt, waardoor ook de pensioenen aanzienlijk uiteenlopen en vrouwen veel lagere pensioenen ontvangen dan mannen; dringt er bij de Commissie op aan de bestaande wetgeving te herzien; wijst erop dat de salariskloof tussen mannen en vrouwen ondanks de talloze campagnes, streefcijfers en maatregelen in de afgelopen jaren onverminderd groot blijft;

74.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt toegepast;

75.  benadrukt dat er dringend maatregelen moeten worden genomen om het salarisverschil tussen mannen en vrouwen in de privésector, dat in de meeste lidstaten bijzonder groot is, aan te pakken;

76.  benadrukt de noodzaak van verkleining van de verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen, die ertoe leiden dat vrouwen met dezelfde kwalificaties en in dezelfde baan minder verdienen en dat veel vrouwen tot armoede vervallen als zij met pensioen gaan of weduwe worden;

77.  onderstreept dat de hogere levensverwachting voor vrouwen niet tot discriminatie bij de pensioenberekening mag leiden;

78.  verlangt dat de lidstaten de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten naleven en handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen;

79.  is van mening dat de individualisering van pensioenrechten vanuit een oogpunt van gendergelijkheid noodzakelijk is, maar dat de positie van veel oudere vrouwen die momenteel afhankelijk zijn van een weduwepensioen of andere afgeleide rechten, eveneens moet worden gewaarborgd;

80.  wijst erop dat de lidstaten steun moeten verlenen aan onderzoek naar het effect van verschillende formules voor pensioenindexering op het armoederisico voor ouderen, rekening houdend met de genderdimensie; verzoekt de lidstaten met name rekening te houden met de veranderende behoeften van ouder wordende mensen, bv. langdurige zorg, zodat bejaarden, en met name vrouwen, een toereikend pensioen krijgen en een menswaardig bestaan kunnen hebben;

o
o   o

81.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 9.
(2) PB C 299 van 4.10.2012, blz. 115.
(3) ISBN 978-92-79-22850-6.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0047.
(5) PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46.
(6) PB C 9E van 15.1.2010, blz. 11.
(7) OECD (2012), "Mobility and migration in Europe", blz. 63. In: OECD Economic Surveys: European Union 2012, OECD Publishing.
(8) http://www.europarl.europa.eu/committees/fr/studiesdownload.html?languageDocument=EN&file=79590.
(9) Miranda, V., Cooking, Caring and Volunteering: Unpaid Work Around the World , OECD Social, Employment and Migration Working Papers, No. 116, OECD Publishing (2011).
(10) Europese Commissie, The 2012 Ageing Report: Economic and budgetary projections for the 27 EU Member States (2010-2060) , Brussel, mei 2011. http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/european_economy/2012/pdf/ee-2012-2_en.pdf.
(11) "Pension Adequacy in the European Union2010-2050", gezamenlijk verslag van het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie van de Europese Commissie en het Comité sociale bescherming, 23 mei 2012, http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=7105&type=2&furtherPubs=yes.

Laatst bijgewerkt op: 10 november 2015Juridische mededeling