Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2132(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0055/2013

Ingediende teksten :

A7-0055/2013

Debatten :

PV 20/05/2013 - 23
CRE 20/05/2013 - 22

Stemmingen :

PV 22/05/2013 - 7.8
CRE 22/05/2013 - 7.8

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0215

Aangenomen teksten
PDF 139kWORD 34k
Woensdag 22 mei 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Toepassing van de richtlijn audiovisuele mediadiensten
P7_TA(2013)0215A7-0055/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 22 mei 2013 over de toepassing van de richtlijn audiovisuele mediadiensten (2012/2132(INI))

Het Europees Parlement ,

–  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen dat op 20 oktober 2005 is aangenomen door de UNESCO,

–  gezien het Protocol betreffende het openbareomroepstelsel in de lidstaten, gehecht aan het Verdrag van Amsterdam tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en bepaalde bijbehorende akten,

–  gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)(1) ,

–  gezien Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame(2) ,

–  gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („Richtlijn inzake elektronische handel”)(3) ,

–  gezien Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn)(4) , zoals gewijzigd door Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009(5) ,

–  gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(6) ,

–  gezien Besluit nr. 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007)(7) ,

–  gezien de interpretatieve mededeling van de Commissie over bepaalde aspecten van de bepalingen van de richtlijn „Televisie zonder grenzen” betreffende televisiereclame(8) ,

–  gezien Aanbeveling 2006/952/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het recht op weerwoord in verband met de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en online-informatiediensten(9) ,

–  gezien de conclusies van de Raad over de bescherming van kinderen in de digitale wereld(10) ,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (COM(2011)0785),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 1 december 2008 getiteld „Naar een toegankelijke informatiemaatschappij” (COM(2008)0804),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 getiteld „Een digitale agenda voor Europa” (COM(2010)0245/2),

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2008 over mediageletterdheid in een digitale wereld(11) ,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over de publieke omroep in het digitale tijdperk: de toekomst van het duale systeem(12) ,

–  gezien zijn resolutie van 16 november 2011 over de Europese cinema in het digitale tijdperk(13) ,

–  gezien zijn resolutie van 22 mei 2012 over een strategie ter versterking van de rechten van de rechten van kwetsbare consumenten(14) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over de onlineverspreiding van audiovisuele werken in de Europese Unie(15) ,

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2012 over de bescherming van kinderen in de digitale wereld(16) ,

–  gezien Aanbeveling 2009/625/EG van de Commissie van 20 augustus 2009 betreffende mediageletterdheid in de digitale omgeving voor een meer concurrerende audiovisuele en inhoudindustrie en een inclusieve kennismaatschappij(17) ,

–  gezien het eerste verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 24 september 2012 over de toepassing van de artikelen 13, 16 en 17 van Richtlijn 2010/13/EU in de periode 2009-2010; Bevordering van Europese producties bij televisiediensten en audiovisuele mediadiensten op aanvraag in de EU (COM(2012)0522),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 september 2012 getiteld „Steun aan culturele en creatieve sectoren ten behoeve van groei en banen in de EU” (COM(2012)0537),

–  gezien het eerste verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 4 mei 2012 over de toepassing van Richtlijn 2010/13/EU, de „richtlijn audiovisuele mediadiensten”, Audiovisuele mediadiensten en onlinetoestellen in het verleden en in de toekomst (COM(2012)0203),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie juridische zaken en Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0055/2013),

A.  overwegende dat de richtlijn audiovisuele mediadiensten de hoeksteen van de EU-mediawetgeving is;

B.  overwegende dat audiovisuele mediadiensten evenzeer culturele als economische diensten zijn;

C.  overwegende dat de richtlijn audiovisuele mediadiensten stoelt op het beginsel van technologische neutraliteit en daarmee alle diensten met audiovisuele inhoud bestrijkt, ongeacht de technologie die gebruikt wordt om de inhoud te leveren, waarmee voor alle aanbieders van audiovisuele mediadiensten gelijke voorwaarden worden gecreëerd;

D.  overwegende dat de richtlijn audiovisuele mediadiensten als interne-marktinstrument het vrij verkeer van audiovisuele mediadiensten waarborgt, het recht op vrije meningsuiting en toegang tot informatie eerbiedigt, en bescherming biedt aan de doelstellingen van algemeen belang, inclusief de rechten van de maker, vrijheid van de media, vrijheid van informatie en vrijheid van meningsuiting;

E.  overwegende dat met de richtlijn audiovisuele mediadiensten wordt beoogd recht te doen aan de culturele aard van audiovisuele mediadiensten, die, als dragers van identiteiten en waarden, uitgesproken belangrijk zijn voor de maatschappij en de democratie, alsmede de onafhankelijke culturele ontwikkeling in de lidstaten te behouden en daarbij de culturele diversiteit in de Unie te waarborgen, in het bijzonder door een minimale harmonisatie van Europese mediawetgeving en door de vervaardiging van Europese audiovisuele producties te bevorderen;

F.  overwegende dat technologische convergentie met zich meebrengt dat consumenten in de toekomst steeds minder onderscheid zullen maken tussen lineaire en niet-lineaire diensten;

G.  overwegende dat een gelijk speelveld het doel moet zijn, aangezien de verschillende niveaus van regulering voor lineaire en niet-lineaire diensten niet meer herkenbaar zijn voor de consument en dit daarom kan leiden tot concurrentieverstoringen;

H.  overwegende dat de markten voor audiovisuele mediadiensten nog steeds onderhevig zijn aan grote veranderingen op het gebied van technologie en de ontwikkeling van zakelijke praktijken en modellen, en daarmee invloed hebben op de wijze waarop inhoud wordt verbreid en toegankelijk gemaakt voor kijkers;

I.  overwegende dat de toegankelijkheid van audiovisuele mediadiensten van essentieel belang is om de rechten van personen met een handicap of ouderen op deelname aan en integratie in het sociale en culturele leven in de EU te kunnen waarborgen, in het bijzonder door nieuwe platforms voor de levering van audiovisuele diensten zoals IPTV en internettelevisie te ontwikkelen;

J.  overwegende dat mediageletterdheid bijzondere aandacht moet krijgen in het licht van de toenemende snelheid van technologische ontwikkelingen en de convergentie van mediaplatformen;

K.  overwegende dat de bescherming van jongeren een nog urgentere en uitdagender aangelegenheid is geworden door de voortdurende technologische veranderingen;

L.  overwegende dat sommige lidstaten de richtlijn audiovisuele mediadiensten niet tijdig hebben omgezet, of nog steeds niet volledig of onjuist ten uitvoer hebben gelegd;

M.  overwegende dat de omzetting van artikel 13 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten over de bevordering van Europese producties door diensten op aanvraag in de meeste lidstaten onvoldoende prescriptief is om de in de richtlijn genoemde doelstelling van culturele diversiteit te halen;

N.  overwegende dat een volledige beoordeling van de tenuitvoerlegging van de richtlijn audiovisuele mediadiensten daarom niet mogelijk is, net zo min als een grondige evaluatie van de effectiviteit ervan;

O.  overwegende dat de groei van de markten voor audiovisuele mediadiensten met de ontwikkeling van hybride diensten nieuwe uitdagingen oplevert met betrekking tot talrijke aangelegenheden, zoals concurrentie, intellectuele-eigendomsrechten, de ontwikkeling van bestaande en de opkomst van nieuwe vormen van audiovisuele commerciële communicatie en overlay-reclame die de integriteit van het programma onder druk zet en twijfels doet rijzen over de adequaatheid en effectiviteit van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, alsook over de verhouding van deze richtlijn tot andere EU-wetgevingsinstrumenten;

P.  overwegende dat met de bepalingen van artikel 15 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten wordt voorzien in een billijk evenwicht tussen de belangen van alle belanghebbenden, doordat enerzijds rekening wordt gehouden met het recht van de bevolking op toegang tot informatie en anderzijds met het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap;

Stand van zaken

1.  herinnert de Commissie aan haar toezegging zich te zullen inzetten voor de agenda voor slimme regelgeving en wijst op het belang van tijdige en relevante controles ex-post van EU-wetgeving om de kwaliteit van de regelgeving gedurende het gehele wetgevingsproces te bewaken;

2.  merkt in dit verband op dat de Commissie op grond van artikel 33 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten verplicht was om ten laatste op 19 december 2011 een verslag over de toepassing van de richtlijn over te leggen;

3.  merkt op dat de Commissie haar toepassingsverslag met grote vertraging op 4 mei 2012 heeft ingediend;

4.  merkt tevens op dat de lidstaten de richtlijn audiovisuele mediadiensten op zeer uiteenlopende wijze ten uitvoer hebben gelegd;

5.  benadrukt dat de richtlijn audiovisuele mediadiensten het aangewezen instrument blijft om in heel Europa sturing te geven aan de coördinatie van nationale wetgeving inzake alle audiovisuele media en om toe te zien op naleving van de beginselen van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en bevordering van de diversiteit van culturele uitingen;

6.  merkt in het bijzonder op dat het beginsel van het land van vestiging, als het behoorlijk wordt toegepast, omroeporganisaties belangrijke duidelijkheid en zekerheid biedt over hun operationele regelingen;

7.  betreurt het feit dat de Commissie zich in haar toepassingsverslag niet uitspreekt over de noodzaak de richtlijn audiovisuele mediadiensten in het licht van deze bevindingen aan te passen, zoals op grond van artikel 33 is vereist;

8.  verzoekt de Commissie te streven naar consistente en volledige omzetting van de richtlijn audiovisuele mediadiensten in de lidstaten, en er in het bijzonder op toe te zien dat de specifieke definities in de considerans van de richtlijn voldoende in ogenschouw worden genomen bij de omzetting in nationale wetgeving;

9.  is groot voorstander van een technologisch neutrale aanpak met het oog op de veranderende kijkpatronen en leveringswijzen om consumenten meer keus te kunnen bieden; dringt in dit opzicht aan op een volledige effectbeoordeling van de huidige stand van zaken van de markt en het regelgevingskader;

10.  merkt op dat de Commissie voornemens is binnenkort een beleidsdocument te publiceren over convergentie met betrekking tot internettelevisie en onlinetoestellen, op basis waarvan een inspraakronde zal worden gestart over alle kwesties die als gevolg van deze nieuwe ontwikkelingen ontstaan;

11.  verzoekt de Commissie bij een eventuele herziening van de richtlijn audiovisuele mediadiensten na te gaan in hoeverre onduidelijkheden of onnauwkeurigheden in de definities problemen bij de omzetting in de lidstaten hebben veroorzaakt, zodat deze bij de herziening aangepast kunnen worden;

12.  merkt met betrekking tot directe levering van audiovisuele inhoud op dat nader moet worden vastgesteld wie onder de term „belanghebbenden” worden geschaard, en is van oordeel dat dit ten minste publieke en particuliere televisieomroepen, internetaanbieders, consumenten en de creatieve sector moeten zijn;

13.  verzoekt de Commissie zich ervoor te blijven inzetten dat audiovisuele mediadiensten uitgezonderd blijven van een eventuele overeenkomst inzake liberalisering in het kader van de onderhandelingen over de algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS), aangezien het hier verstrekkers van zowel culturele als economische diensten betreft;

Toegankelijkheid

14.  benadrukt dat de Commissie in haar toepassingsverslag nauwelijks aandacht besteedt aan het in artikel 7 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten genoemde onderwerp toegankelijkheid, en betreurt dat de effectiviteit van de desbetreffende uitvoeringsbepalingen in de lidstaten niet wordt behandeld;

15.  merkt op dat in vele lidstaten nog geen infrastructuur voor de verstrekking van deze diensten bestaat en dat het sommige lidstaten tijd zal vergen aan deze vereisten te voldoen; moedigt de lidstaten in kwestie aan deze situatie zo spoedig mogelijk aan te pakken, zodat artikel 7 in de praktijk kan worden geïmplementeerd;

16.  verzoekt de Commissie deze tekortkoming weg te werken door een periodiek overzicht te geven van de door de lidstaten genomen maatregelen, alsook een beoordeling van de effectiviteit ervan, zodat audiovisuele mediadiensten steeds toegankelijker worden gemaakt;

17.  benadrukt het feit dat publieke mediadiensten in een steeds digitalere omgeving een cruciale rol spelen bij het verzekeren van online toegang tot informatie voor burgers, en erkent in dit opzicht dat de aanbieding van internetdiensten door publieke mediadiensten rechtstreeks bijdraagt tot het vervullen van hun missie;

18.  is van mening dat de concentratie van media-eigendom de vrijheid van informatie kan ondermijnen, en met name het recht om informatie te ontvangen;

19.  meent dat daarom moet worden gestreefd naar een passend evenwicht tussen de doelstellingen van de richtlijn audiovisuele mediadiensten en de noodzaak de vrijheid van distributie en toegang tot de inhoud te garanderen, om het risico op concentratie en op het verlies van diversiteit te beperken;

20.  onderkent dat verschillende bedrijfsmodellen bestaan voor de financiering van inhoud en benadrukt het belang van betaalbare toegang voor verschillende consumenten;

21.  wijst erop dat programma's beter toegankelijk gemaakt moeten worden, in het bijzonder programma's die door diensten op aanvraag worden aangeboden, door verdere ontwikkeling van onder meer audiodescriptie, hoorbare/gesproken ondertiteling, gebarentaal en menunavigatie, in het bijzonder van elektronische programmagidsen (EPG);

22.  onderkent voorts dat de lidstaten de onder hun bevoegdheid vallende mediadiensten en fabrikanten van ondersteunende apparatuur moeten aansporen hun diensten beter toegankelijk te maken, in het bijzonder voor ouderen en voor personen met een handicap, bijvoorbeeld personen met een auditieve of visuele handicap;

23.  is ingenomen met de persoonlijke toezegging van commissaris Barnier in het kader van de lopende onderhandelingen over een verdrag inzake auteursrechtelijke beperkingen en uitzonderingen voor visueel gehandicapten en personen met een leeshandicap;

24.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat hulpmiddelen voor de toegang van slechtzienden tot audiovisuele producten en diensten algemeen beschikbaar worden;

25.  is van oordeel dat artikel 7 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten daarom geherformuleerd moet worden en krachtiger, bindende bewoordingen moet krijgen, op grond waarvan aanbieders van audiovisuele mediadiensten verplicht zijn ervoor te zorgen dat hun diensten beschikbaar zijn voor personen met een beperking;

26.  benadrukt evenwel het feit dat de markt voor niet-lineaire diensten zich nog in een relatief vroeg ontwikkelingsstadium bevindt en dat hiermee rekening moet worden gehouden, wanneer aanbieders nieuwe verplichtingen worden opgelegd;

Exclusieve rechten en korte nieuwsverslagen

27.  verzoekt de Commissie in haar volgende verslag over de toepassing van de richtlijn audiovisuele mediadiensten te beoordelen of de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn het nodige, bestaande evenwicht hebben behouden tussen enerzijds het waarborgen van het beginsel van vrije toegang tot informatie, met name met betrekking tot aangelegenheden van groot maatschappelijk belang, en anderzijds de bescherming van de houders van rechten;

28.  is verheugd over de aanpak waarvoor de Commissie en het Europees Hof van Justitie hebben geopteerd met betrekking tot de interpretatie van artikel 14 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten; vraagt om een blijvende brede interpretatie van „evenementen die van groot maatschappelijk belang worden geacht”, met inbegrip van sport- en recreatieve evenementen die van algemeen belang zijn, en spoort de lidstaten aan lijsten met dergelijke evenementen op te stellen;

29.  verzoekt de Commissie in haar volgende verslag ook een beoordeling op te nemen van de manieren waarop de lidstaten artikel 15 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten ten uitvoer hebben gelegd, in het bijzonder de manier waarop zij ervoor zorgen dat evenementen van groot belang voor het publiek die op basis van exclusiviteit door een onder hun rechtsbevoegdheid vallende omroeporganisatie worden uitgezonden, worden gebruikt voor korte nieuwsverslagen in algemene nieuwsprogramma's;

30.  hoopt dat de lidstaten bij hun toepassing van artikel 15 van de richtlijn een hoge mate van diversiteit bevorderen met betrekking tot het aantal evenementen van groot belang voor het publiek dat door middel van korte nieuwsverslagen wordt getoond in algemene nieuwsprogramma's;

Bevordering van Europese audiovisuele producties

31.  onderstreept dat de meeste lidstaten de regelgeving inzake bevordering van Europese producties naleven, maar dat nog altijd prioriteit wordt gegeven aan nationale producties, terwijl het percentage onafhankelijke producties op televisie terugloopt;

32.  betreurt dat de beschikbare gegevens niet toereikend zijn om conclusies te trekken over de bevordering van Europese producties door aanbieders van diensten op aanvraag;

33.  verlangt in dit verband dat in de rapportage-eis over Europese producties in elk geval onderscheid wordt gemaakt naar categorie – cinematografische producties, televisieproducties (fictie en non-fictie), shows en entertainmentformaten – en naar verspreidingswijze, en dringt er bij de lidstaten op aan hiervoor geschikte gegevens te verstrekken;

34.  benadrukt dat de Commissie geen apart verslag heeft uitgebracht over de dubbele verplichting om de toegang tot Europese producties en de bevordering ervan door diensten op aanvraag te verbeteren, zoals is vereist op grond van artikel 13 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, en vraagt de Commissie in dit verband om opheldering, rekening houdend met het feit dat deze diensten nog in de kinderschoenen staan en dat het moeilijk is om conclusies over de doeltreffendheid van de bevorderingscriteria voor diensten op aanvraag te trekken;

35.  verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom snel op te treden om voor de effectieve tenuitvoerlegging van artikel 13 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten te zorgen;

36.  vraagt de lidstaten effectieve maatregelen te nemen om de totstandbrenging van meer synergie tussen regelgevende instanties, aanbieders van audiovisuele mediadiensten en de Commissie te bevorderen, zodat in de EU geproduceerde films zowel binnen als buiten de EU en zowel via lineaire als via niet-lineaire diensten een groter publiek kunnen trekken;

37.  beveelt aan de rol van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector te versterken, omdat dit een goede insteek zou zijn met het oog op het verzamelen van gegevens over de bevordering van Europese audiovisuele producties;

Onafhankelijke producties

38.  benadrukt dat het belangrijk is dat artikel 17 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten met betrekking tot de gemiddelde zendtijd voor Europese producties door onafhankelijke producenten naar tevredenheid ten uitvoer is gelegd, en wijst nadrukkelijk op de autonomie van de lidstaten in dit opzicht; moedigt de lidstaten en de omroepen aan verder te gaan dan het minimumniveau van 10% dat is voorgesteld in de richtlijn;

Bescherming van minderjarigen

39.  neemt kennis van zelfregulerende initiatieven en gedragscodes ter beperking van de blootstelling van kinderen en jongeren aan reclame voor levensmiddelen, zoals de initiatieven die de Commissie heeft genomen in het kader van het actieplatform voor eetgewoonten, lichaamsbeweging en gezondheid;

40.  erkent dat de reclamesector en de deelnemers aan de EU-belofte („EU Pledge”) inspanningen hebben geleverd om gevolg te geven aan het verzoek in de richtlijn audiovisuele mediadiensten om gedragscodes voor commerciële communicatie bij of in kinderprogramma's met betrekking tot levensmiddelen en drank met een hoog vet-, zout- en suikergehalte;

41.  benadrukt dat co- en zelfregulerende initiatieven, in het bijzonder op het gebied van reclame die zich richt op minderjarigen, vooral tegen de achtergrond van de nieuwe strategie van de Commissie ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), dat wordt omschreven als „de verantwoordelijkheid van bedrijven voor hun maatschappelijke impact op de maatschappij”, winst bieden ten opzichte van de vroegere situatie omdat dankzij deze initiatieven adequater gereageerd kan worden op ontwikkelingen in de snel veranderende mediawereld;

42.  Notes, however, that such initiatives may not always be sufficiently effective in all Member States and that they should be regarded as complementary to legal provisions in realising the aims of the AVMSD, particularly in an online context;

43.  benadrukt dat het belangrijk is in dit verband te streven naar een juist evenwicht tussen vrijwillige maatregelen en bindende regels;

44.  benadrukt derhalve dat deze initiatieven regelmatig moeten worden gecontroleerd om de handhaving ervan te garanderen, naast toekomstige juridisch bindende eisen die wellicht noodzakelijk zijn voor effectieve bescherming van minderjarigen;

45.  verzoekt de Commissie in geval van herziening van de richtlijn audiovisuele mediadiensten deze nieuwe reguleringsinstrumenten een grotere rol toe te kennen bij de bescherming van minderjarigen in de media en bij de regulering van reclame, zonder daarbij volledig voorbij te gaan aan regulering of toezicht van overheidswege;

46.  dringt er bij de lidstaten op aan om aanbieders van audiovisuele mediadiensten te blijven aanmoedigen om gedragscodes te ontwikkelen voor ongepaste commerciële audiovisuele communicatie in kinderprogramma's;

47.  vraagt de Commissie te bezien hoe de voor niet-lineaire diensten geldende basisvoorwaarden van de richtlijn audiovisuele mediadiensten uitgebreid kunnen worden naar andere online inhoud en diensten die momenteel buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen, alsmede te onderzoeken welke stappen genomen moeten worden om voor alle actoren een gelijk speelveld te creëren; verzoekt de Commissie het Parlement uiterlijk op 31 december 2013 haar conclusies te doen toekomen;

48.  erkent de verwezenlijkingen van de lidstaten wat betreft bescherming tegen inhoud waarmee wordt aangezet tot haat op grond van ras, gender, nationaliteit en religie;

49.  wijst op de behoefte aan een vergelijkende studie in heel Europa om de ontwikkeling van de gedragspatronen van kinderen, jongeren en volwassenen op het gebied van mediagebruik beter te begrijpen; is van mening dat een dergelijke studie nuttig zou zijn voor degenen die op EU-niveau en in de lidstaten het audiovisueel beleid ontwikkelen;

Reclame

50.  merkt op dat de maximale duur van reclame van 12 minuten per uur in sommige lidstaten regelmatig overschreden is;

51.  verlangt van de betreffende lidstaten dat zij de desbetreffende bepalingen van de richtlijn audiovisuele mediadiensten volledig, correct en onverwijld ten uitvoer leggen;

52.  herhaalt dat het aandeel aan reclame en telewinkelspots niet meer mag bedragen dan 12 minuten per uur;

53.  maakt zich zorgen dat in sommige lidstaten de 12-minutenbeperking regelmatig wordt geschonden;

54.  vraagt de Commissie om naast het houden van toezicht op de naleving van bestaande regels voor de formulering van kwantitatieve en kwalitatieve bepalingen inzake reclame, ook aandacht te besteden aan nieuwe uitdagingen voor het concurrentievermogen en de duurzame financiering van audiovisuele mediadiensten, zoals internettelevisie;

55.  benadrukt in het bijzonder dat toezicht moet worden gehouden op commerciële formaten die zijn gecreëerd om deze beperking te omzeilen, vooral sluikreclame, die verwarrend kan zijn voor de consument;

56.  vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk de nodige verduidelijkingen voor te leggen met betrekking tot de door haar geïdentificeerde kwesties op het gebied van commerciële mededelingen betreffende sponsoring, zelfpromotie en productplaatsing;

57.  vraagt de Commissie de doeltreffendheid van de geldende verordeningen inzake op kinderen en jongeren gerichte reclame te onderzoeken;

58.  benadrukt voorts dat kinder- en jongerenprogramma's geen schadelijke reclame mogen bevatten, zoals omschreven in artikel 9 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten; beveelt aan de optimale werkmethoden op dit vlak van bepaalde landen te bestuderen als basis voor toekomstige hervormingen van het wetgevingskader;

59.  betreurt het feit dat de noodzakelijke actualisering van de interpretatieve mededeling over bepaalde aspecten van de bepalingen inzake televisiereclame nog niet is gepubliceerd;

60.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om in 2013 haar interpretatieve mededeling over bepaalde aspecten van de bepalingen inzake televisiereclame te actualiseren;

Mediacompetentie

61.  neemt kennis van de vaststellingen van de Commissie met betrekking tot het niveau van de mediacompetentie in de lidstaten;

62.  merkt op dat de toegang tot kanalen en de keuze van audiovisuele diensten aanzienlijk is toegenomen;

63.  benadrukt dat, met het oog op een werkelijk uniforme digitale markt, meer inspanningen geleverd moeten worden ter bevordering van de mediacompetentie van burgers, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om mediacompetentie voor alle EU-burgers, in het bijzonder voor kinderen en jongeren te bevorderen door middel van initiatieven en gecoördineerde maatregelen het kritisch begrip van audiovisuele mediadiensten te verbeteren en het openbare debat en de participatie van burgers te stimuleren, en daarbij alle belanghebbenden, in het bijzonder de media-industrie, aan te moedigen tot actieve betrokkenheid;

64.  moedigt in het bijzonder de lidstaten aan mediacompetentie en elektronische vaardigheden, vooral op het gebied van digitale media, in hun respectieve onderwijsprogramma's te integreren;

Nieuwe uitdagingen

65.  betreurt dat de Commissie haar taak van verslaggeving op grond van artikel 33 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten slechts ten dele heeft vervuld, en verlangt een tussentijdse evaluatie voordat het volgende toepassingsverslag van de Commissie verschijnt;

66.  verzoekt de lidstaten de samenwerking en coördinatie op te voeren in het kader van het bij artikel 29 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten ingestelde contactcomité, om de efficiëntie en de coherentie van de tenuitvoerlegging te verbeteren;

67.  verzoekt de Commissie de ontwikkeling van hybride diensten, met name internettelevisie, in de EU nauwgezet te volgen, en de verschillende vragen die deze diensten oproepen duidelijk aan de orde te stellen in haar groenboek over internettelevisie en aan de hand van een openbare raadpleging verder uit te werken;

68.  verzoekt de Commissie, wanneer zij het startsein geeft voor de inspraakrondes over internettelevisie of hybride televisie, de volgende aspecten in aanmerking te nemen: normalisatie, technologische neutraliteit, de uitdaging van gepersonaliseerde diensten, met name voor gehandicapten, problemen in verband met de multi-cloudbeveiliging, toegankelijkheid voor gebruikers, bescherming van kinderen en menselijke waardigheid;

69.  roept de Commissie op vooral aandacht te besteden aan de onduidelijkheden rond het gebruik van het begrip 'audiovisuele mediadiensten op afroep' en, met het oog op consistentere EU-wetgeving inzake audiovisuele diensten op afroep en op te verwachten ontwikkelingen op het gebied van mediaconvergentie, dit begrip duidelijker te definiëren, zodat de doelstellingen van de richtlijn audiovisuele mediadiensten op het gebied van regelgeving effectiever kunnen worden gehaald;

70.  is er, gezien zowel de marktpraktijken van aanbieders van mediadiensten en platformexploitanten als de voortschrijdende technologische mogelijkheden, van overtuigd dat het niveau van gegevensbescherming in de hele EU verbeterd en gestandaardiseerd moet worden, waarbij anoniem gebruik van audiovisuele mediadiensten de norm moet blijven;

o
o   o

71.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(2) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 21.
(3) PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.
(4) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.
(5) PB L 337 van 18.12.2009, blz. 11.
(6) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(7) PB L 327 van 24.11.2006, blz. 12.
(8) PB C 102 van 28.4.2004, blz. 2.
(9) PB L 378 van 27.12.2006, blz. 72.
(10) PB C 372 van 20.12.2011, blz. 15.
(11) PB C 45 E van 23.2.2010, blz. 9.
(12) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 50.
(13) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0506.
(14) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0209.
(15) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0324.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0428.
(17) PB L 227 van 29.8.2009, blz. 9.

Laatst bijgewerkt op: 20 januari 2015Juridische mededeling