Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2300(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0212/2013

Ingediende teksten :

A7-0212/2013

Debatten :

PV 04/07/2013 - 11
CRE 04/07/2013 - 11

Stemmingen :

PV 04/07/2013 - 13.10

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0329

Aangenomen teksten
PDF 148kWORD 75k
Donderdag 4 juli 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Connected tv
P7_TA-PROV(2013)0329A7-0212/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2013 over connected tv (2012/2300(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 10, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 11 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien protocol betreffende het publiekeomroepstelsel in de lidstaten bij het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten,

–  gezien het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (Unesco) van 20 oktober 2005,

–  gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)(1) ,

–  gezien Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn)(2) , zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009(3) ,

–  gezien Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn)(4) , zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009(5) ,

–  gezien Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn)(6) , zoals gewijzigd door Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009,

–  gezien Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn)(7) , zoals gewijzigd bij Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009,

–  gezien Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften(8) ,

–  gezien Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn elektronische handel)(9) ,

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)(10) , zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009,

–  gezien de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de regels inzake staatssteun op de publieke omroep(11) ,

–  gezien Aanbeveling 98/560/EG van de Raad van 24 september 1998 betreffende de ontwikkeling van de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en informatiediensten door de bevordering van nationale kaders teneinde een vergelijkbaar en doeltreffend niveau van bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid te bereiken(12) ,

–  gezien zijn resolutie van 15 juni 2010 over het internet van de dingen(13) ,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A7-0212/2013),

A.  overwegende dat televisietoestellen oorspronkelijk ontwikkeld zijn voor de ontvangst van lineaire omroepsignalen en dat audiovisuele inhoud op grond van de suggestieve kracht die ervan uitgaat ook in de digitale wereld en vergeleken met andere elektronische media op zeer veel belangstelling van het publiek kan rekenen, zodat ze vooralsnog van eminent belang voor de individuele en openbare meningsvorming blijven;

B.  overwegende dat audiovisuele mediadiensten evenzeer culturele als economische diensten zijn, die als dragers van identiteiten, waarden en meningen van bijzonder belang zijn voor de samenleving en de democratie en daarom ook in een wereld van toenemende convergentie specifieke regelgeving vergen;

C.  overwegende dat de sinds geruime tijd aangekondigde technische convergentie van de media inmiddels met name voor omroep en internet werkelijkheid is geworden en dat in het Europese media-, cultuur- en netwerkbeleid het regelgevingskader aan de nieuwe situatie moet worden aangepast en dat er moet worden gewaarborgd dat ook ten aanzien van nieuwe marktdeelnemers uit de Europese Unie en derde landen een uniform regelgevingsniveau kan worden gerealiseerd en gehandhaafd;

D.  gelet op de snelle ontwikkeling van internet in de afgelopen vijfentwintig jaar en de opkomst van slimme apparaten die de gewoonten en de manier van televisiekijken veranderen;

E.  overwegende dat er weliswaar steeds meer toestellen met internetverbinding worden gebruikt maar dat de traditionele diensten onder het grote publiek populair blijven;

F.  overwegende dat lineaire en niet-lineaire audiovisuele diensten alsook vele andere communicatiediensten reeds op een en hetzelfde beeldscherm gepresenteerd en naadloos met elkaar gecombineerd kunnen worden, zodat de gebruiker ze simultaan tot zich kan nemen;

G.  overwegende dat voor lineaire televisie- en mediadiensten vanwege hun bijzondere belang voor de samenleving ook in de toekomst een specifiek regelgevingskader nodig is, omdat alleen op deze wijze naar behoren rekening kan worden gehouden met hun belang en met de waarborging van de meningsverscheidenheid en pluriformiteit van de media in de lidstaten;

H.  overwegende dat de komst van connected tv ingrijpende veranderingen teweegbrengt in de traditionele waardeketen en de uitwerking van een nieuwe strategie vereist;

I.  overwegende dat de technologische vooruitgang onvermijdelijk tot een ten dele slechts schijnbaar grotere autonomie van de gebruiker leidt en dat het daarom steeds belangrijker wordt om de bescherming van exclusieve rechten en de integriteit van inhoud te waarborgen;

J.  overwegende dat er steeds meer mogelijkheden zijn voor de verspreiding van (interactieve) onlinediensten die van het bereik van het tv-aanbod profiteren, en dat een universele breedbanddekking een fundamentele voorwaarde is voor grotere belangstelling bij de consument voor hybride ontvangstsystemen;

K.  overwegende dat de term "connected tv" in het licht van de toenemende convergentie van de media een dynamische, technologieneutrale en ruime interpretatie krijgt die alle toestellen, ook mobiele, omvat, die de toegang tot lineaire en niet-lineaire media-inhoud, "over-the-topdiensten" en andere applicaties op één apparaat of beeldscherm mogelijk maakt en zo de omroepwereld met die van het internet integreert;

L.  overwegende dat er in de wereld van convergerende media niet zozeer om overdrachtcapaciteit als wel in toenemende mate om de belangstelling van de gebruiker geconcurreerd wordt, en dat het met het toenemende aanbod steeds moeilijker wordt de gebruiker te bereiken en dat toegankelijkheid en vindbaarheid alsook overzichten en aanbevelingen voor het succes van diensten doorslaggevend zullen zijn;

M.  overwegende dat de huidige bepalingen van Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten ‑ avmd-richtlijn) op het beginsel van technologieneutraliteit gebaseerd zijn en nog niet op de voortgaande technische versmelting afgestemd zijn en dat met name de getrapte regulering die onderscheid maakt tussen tv-uitzendingen (inclusief webcasting en livestreaming) en audiovisuele mediadiensten op afroep, in haar huidige vorm aan betekenis kan verliezen, terwijl informatie- en communicatiediensten die onder verschillende regelingen vallen ‑ ook die welke niet onder de richtlijn audiovisuele mediadiensten (avmd-richtlijn), maar onder de richtlijn e-handel of, in het geval van aanbieding van diensten uit derde landen, in het geheel niet onder de mediaregelgeving van de EU vallen ‑ wel met een en hetzelfde apparaat toegankelijk zijn, hetgeen tot ongelijke concurrentievoorwaarden en onaanvaardbare discrepanties in de bescherming van de gebruiker kan leiden en bovendien nieuwe vragen oproept met betrekking tot de toegang, de vorm van verspreiding en de vindbaarheid van inhoud, ongeacht de aard van het medium;

N.  overwegende dat deze nieuwkomers op de markt de traditionele actoren rechtstreeks zullen beconcurreren doordat zij enerzijds exclusieve inhoud kopen op onder meer de Europese markt en anderzijds zelf nieuwe inhoud aanbieden;

O.  overwegende dat de doelstellingen van de avmd-richtlijn ‑ met name het waarborgen en bevorderen van de meningsverscheidenheid en mediapluriformiteit, het beschermen van minderjarigen en van de menselijke waardigheid, het aansporen van aanbieders van mediadiensten om de toegankelijkheid voor visueel en auditief gehandicapten te waarborgen, naast het waarborgen van eerlijke concurrentie en de kwalitatieve en inhoudelijke regulering van reclame ‑ principieel maatschappelijk van belang blijven en de rechtvaardiging voor regulering blijven vormen, maar dat de effectiviteit en uitvoerbaarheid van deze beschermingsmaatregelen steeds meer tegen grenzen aanlopen doordat er door de hybride ontvangstsystemen nieuwe gebruiksmogelijkheden worden gecreëerd;

P.  overwegende dat het voor de distributie van connected-tv-diensten van goede kwaliteit noodzakelijk is dat telecommunicatie-exploitanten voldoende snelle verbindingen ter beschikking stellen tussen streamingservers en gebruikers;

Q.  overwegende dat centrale beginselen van de avmd-richtlijn, zoals de verplichte scheiding van reclame en programma's of de bepalingen inzake reclameonderbrekingen, door de toepassingsmogelijkheden van hybride toestellen worden ondermijnd;

R.  overwegende dat louter de toevallige beschikbaarheid van een groot aantal diensten er niet automatisch toe leidt dat de genoemde reguleringsdoelstellingen gerealiseerd worden, en dat derhalve moet worden geëvalueerd of er alsnog behoefte is aan een specifiek regelgevingskader om deze doelstellingen te verwezenlijken en of zo'n kader scheefgroei van meet af aan zou kunnen verhinderen;

S.  overwegende dat de ontwikkeling van connected tv, naarmate die verder wordt ingevoerd, ervoor kan zorgen dat traditionele televisie en internet met elkaar versmelten, zoals een paar jaar geleden met mobiele telefonie en internet is gebeurd;

T.  overwegende dat het dienstig is elke maatregel te bevorderen die het mogelijk maakt de markt aan te passen en aldus creatie en innovatie in Europa aan te moedigen;

U.  overwegende dat dankzij de ontwikkeling van hybride systemen waarin televisie en internet worden gecombineerd, de gebruikers op ongedifferentieerde wijze kunnen surfen tussen televisiekanalen en internetdiensten, met inbegrip van illegale websites met audiovisuele inhoud;

V.  overwegende dat transparantie en concurrentie kennelijk onvoldoende bescherming bieden voor netneutraliteit;

W.  overwegende dat het in de oorspronkelijke richtlijn "Televisie zonder grenzen" vervatte beginsel van het land van uitzending een mijlpaal voor de vrijheid van informatie en de ontwikkeling van een gemeenschappelijke dienstenmarkt vormt, aangezien de lidstaten zich hebben verbonden tot de naleving van minimumnormen voor kwaliteit en in ruil daarvoor het oorsprongslandbeginsel in de vorm van het beginsel van het land van uitzending hebben doorgevoerd;

1.  verzoekt de Commissie na te gaan in hoeverre het nodig is de avmd-richtlijn en andere bestaande voorschriften op het gebied van netwerk- en mediaregelgeving (bijvoorbeeld het telecompakket) te herzien voor wat betreft bepalingen betreffende vindbaarheid en niet-discriminerende toegang tot platforms voor aanbieders en ontwikkelaars van inhoud en voor gebruikers, waarbij het begrip "platform" verruimd moet worden, en de beschikbare instrumenten aan nieuwe situaties aan te passen; overwegende dat de consumenten aldus meer keuzemogelijkheden en betere toegang tot audiovisuele mediadiensten moeten krijgen en dat aanbieders van inhoud meer keuzemogelijkheden moeten krijgen wat betreft de wijze van verspreiding van de inhoud terwijl ze het contact met hun publiek onderhouden;

2.  is van mening dat er bij de vaststelling van reguleringsmaatregelen voor platformbeheerders op moet worden gelet dat een niet-discriminerende toegang tot hun platforms gewaarborgd is, om ervoor te zorgen dat omroepen, maar ook andere, veelal kleine aanbieders op voet van gelijkheid aan de markt kunnen deelnemen;

3.  verzoekt de Commissie het in artikel 1 van de avmd-richtlijn gedefinieerde begrip "mediadienst" zodanig te herzien dat de noodzaak van regulering door de lidstaten nauwer aansluit bij de maatschappelijke effectkenmerken en -mogelijkheden van de diensten, en met name bij de relevantie ervan voor meningsvorming en meningsverscheidenheid en bij de redactionele verantwoordelijkheid;

4.  verzoekt de Commissie om in het licht van de uiteenlopende taken van onder redactionele verantwoordelijkheid aangeboden mediadiensten en andere inhoud na te gaan of een striktere regulering van tv-platforms nog gepast en noodzakelijk is en of een algemeen discriminatieverbod niet volstaat;

5.  verzoekt de Commissie om zich bij een eventuele herziening van Richtlijn 2010/13/EU of in eventuele nieuwe wetgeving te blijven inzetten voor eerbiediging van de persvrijheid;

6.  verzoekt de Commissie aan de hand van de resultaten van haar raadplegingsprocedure "voorbereiding van een volledig convergerende audiovisuele wereld: groei, creatie en waarden" na te gaan welke reguleringsmechanismen in het licht van de convergentie nog noodzakelijk en zinvol zijn en welke nieuwe er wellicht gecreëerd moeten worden om gelijke mededingingsvoorwaarden voor alle aanbieders van inhoud en diensten te scheppen, met inachtneming van onderstaande minimumeisen en met behoud van de bestaande overkoepelende reguleringsdoelstellingen, zodat alle aanbieders van inhoud in eerlijke concurrentie met elkaar kunnen treden en de gebruikers er zoveel mogelijk voordeel van hebben en een op gelijke kansen, volledige transparantie en non-discriminatie gebaseerde keus uit een hoogwaardig en veelzijdig aanbod krijgen, waarbij er met name op wordt toegezien dat free-to-airdiensten en het publieke omroepaanbod behouden blijven;

7.  verzoekt de Commissie om in geval van herziening van de avmd-richtlijn gelijke concurrentievoorwaarden voor alle aanbieders van inhoud te waarborgen;

8.  onderstreept dat de ontwikkelingsstrategie van deze nieuwe actoren zal leiden tot een toename van het aanbod van inhoud via zowel de traditionele tv-zenders als het aanbod via internet;

9.  benadrukt in dit verband het risico dat deze nieuwe concurrentie onevenwichtig zal zijn en ertoe zal leiden dat deze nieuwe actoren wegens hun economische gewicht en hun internationale verspreiding in het voordeel zullen zijn ten opzichte van de traditionele Europese actoren;

10.  benadrukt dat het wellicht zaak is vast te houden aan een getrapt regelgevingskader voor mediadiensten, dat echter niet in de eerste plaats gebaseerd is op het onderscheid tussen niet-lineaire en lineaire diensten, maar vooral aansluit bij het potentiële effect van en de redactionele verantwoordelijkheid voor dergelijke mediadiensten, waarbij de lidstaten de nodige speelruimte krijgen;

11.  vraagt zich af of de voorschriften in de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de regels inzake staatssteun op de publieke omroep voor omslachtige beoordelings- en onderzoeksprocedures voor audiovisuele diensten van publieke aanbieders die verder gaan dan de gebruikelijke omroepactiviteiten en via nieuwe distributieplatforms worden aangeboden, in het licht van de toenemende technische convergentie nog passend zijn, temeer daar de gebruikers niet meer kunnen uitmaken of het om een klassieke lineaire omroepdienst, een dienst op afroep of een andere audiovisuele dienst gaat;

12.  verzoekt de Commissie oog te hebben voor de toekomstige uitdagingen voor connected tv wat betreft de concurrentiekracht van de sector door flexibeler kwantitatieve reclamevoorschriften toe te staan, en de voor- en nadelen ervan uiteen te zetten;

13.  benadrukt dat kwalitatieve beperkingen van audiovisuele mediadiensten in het belang van een geharmoniseerde bescherming van consumenten, kinderen en jongeren in heel Europa dienen te worden onderzocht en op hoog niveau voor alle verspreidingsvormen moeten worden aangepast;

14.  verlangt dat het verbod op schending van de menselijke waardigheid, het verbod op haat zaaien, de bescherming tegen discriminatie en het gebod van toegankelijkheid op alle vormen van media-inhoud gelijkelijk worden toegepast;

15.  vraagt zich in dit verband af of het beginsel van de scheiding van reclame en programma-inhoud wel voor alle mediavormen houdbaar is en of het beschermingsdoel van dit gebod er voor alle mediavormen niet meer mee gediend is als reclame en programma-inhoud duidelijk herkenbaar zijn en van elkaar onderscheiden kunnen worden;

16.  is van mening dat de invoering van nieuwe of de uitbreiding van bestaande reclameverboden en andere ingrepen in de reclame als financieringsbron moeten worden voorkomen om in de digitale tv-wereld nieuwe bedrijfsmodellen mogelijk te maken;

17.  onderstreept dat de publieke sector niet louter van reclamefinanciering afhankelijk mag zijn, wil zijn onafhankelijkheid behouden blijven, en verzoekt de lidstaten de financieringsinspanningen van deze sector te ondersteunen;

18.  onderstreept dat de nieuwe reclamestrategieën waarin gebruik wordt gemaakt van nieuwe technologieën voor het doeltreffender maken van reclame (screenshots, consumentenprofilering, multischermstrategieën) vragen opwerpen in verband met de bescherming van consumenten en hun privéleven en persoonsgegevens; benadrukt daarom dat het noodzakelijk is na te denken over een stel samenhangende regels voor deze strategieën;

19.  spoort de Europese audiovisuele actoren ertoe aan de ontwikkeling van een samenhangend en aantrekkelijk aanbod, met name online, voort te zetten en aldus het Europese aanbod aan audiovisuele inhoud te verrijken;

20.  verzoekt de Commissie na te gaan of en zo ja, hoe ten aanzien van de vindbaarheid op first-screen devices zoals tv-toestellen met internetverbinding een passende voorrangspositie kan worden toegekend aan aanbieders van inhoud die ofwel van de overheid een publieke programmeringstaak hebben gekregen ofwel een bijdrage tot de verwezenlijking van doelen in het algemeen belang leveren, met name ter bevordering van de pluriformiteit van de media en de culturele diversiteit, dan wel zich er aantoonbaar en blijvend toe verplichten in het algemeen belang tot de kwaliteit en onafhankelijkheid van de berichtgeving en de verscheidenheid aan standpunten bij te dragen;

21.  verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of er naast deze must-be-foundregelingen andere wegen zijn om de reguleringsdoelen van de avmd-richtlijn, met name op het gebied van de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid, blijvend te realiseren, bijvoorbeeld via een heroriëntatie van de mediawetgeving in de richting van prikkels en certificeringsstelsels of sterkere zelf- en coregulering, terwijl de nodige flexibiliteit voor eerlijke concurrentie tussen de aanbieders van mediadiensten behouden blijft; benadrukt dat eventuele maatregelen op het gebied van zelf- en coregulering slechts een aanvulling op wettelijke regelingen kunnen vormen en dat de naleving en evaluatie ervan aan onafhankelijk toezicht onderworpen moet zijn;

22.  beveelt ter voorkoming van concurrentieverstoring aan dat voor gelijke diensten gelijke regels gelden, ongeacht de drager waarop ze worden verspreid;

23.  is in deze context voorts verontrust over de toegenomen concurrentie van de kant van niet aan de Europese regels en verplichtingen onderworpen internationale actoren;

24.  dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat deze platforms aan de hand van open, interoperabele normen worden beheerd, met inachtneming van de marktvoorwaarden en het algemeen belang, volgens het beginsel van eerlijke mededinging op basis van de vraag bij de consumenten en met voorkoming van misbruik door een of meerdere aanbieders van hun sleutelpositie;

25.  beklemtoont in dit verband dat moet worden nagedacht over de verdere ontwikkeling van het regelgevingskader, over de wijze van regulering van connected tv en over de inhoudsreferentiesystemen;

26.  dringt aan op regulering van connected-tv-platforms omwille van de toegang tot en de integriteit van de inhoud van omroepen, transparantie voor de consument en de toepassing van fundamentele ethische regels (bijv. inzake bescherming van minderjarigen en de persoonlijke levenssfeer);

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de mediageletterdheid van alle EU-burgers te bevorderen, in het bijzonder met initiatieven en gecoördineerde maatregelen ter verbetering van het inzicht in lineaire en niet-lineaire mediadiensten;

28.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat met name toestelfabrikanten en dienstenaanbieders maatregelen nemen ter verbetering van de toegankelijkheid van lineaire en niet-lineaire mediadiensten voor ouderen en auditief en visueel gehandicapten;

29.  is van mening dat platform- en portaaldiensten interoperabel moeten zijn om derden ongeacht het doorgiftekanaal volgens het beginsel van non-discriminatie in de gelegenheid te stellen hun eigen toepassingen te genereren en aan te bieden;

30.  verzoekt de Commissie wettelijk te regelen dat alle inhouden in netwerken en op platforms in beginsel met dezelfde kwaliteit beschikbaar komen;

31.  verzoekt de Commissie om op juridisch bindende wijze te waarborgen dat gegevenspakketten door de netwerkbeheerder bij de doorgifte van de verzender naar de ontvanger stelselmatig gelijk worden behandeld zonder dat voorrang wordt verleend op grond van oorsprong, inhoud, wijze van toepassing, vergoeding door de gebruiker e.d., aangezien dit zou kunnen indruisen tegen de doelstelling van billijke toegang tot diensten voor iedereen, de gegevensbescherming, het verbod op manipulatie van gegevens, het beginsel van de integriteit van de inhoud en de doelstelling om voor eerlijke concurrentievoorwaarden te zorgen;

32.  wijst nadrukkelijk op de gevolgen van de ongelijkheid tussen de btw-stelsels in Europa, die met de komst van connected tv nog groter zal worden;

33.  verzoekt de Commissie een voorstel te doen voor EU-wetgeving ter waarborging van netneutraliteit;

34.  verzoekt de Commissie de integriteit van lineaire en niet-lineaire diensten op hybride platforms wettelijk te beschermen en met name het plaatsen van overlays en het schalen van deze diensten met inhoud of andere diensten door de platformaanbieder of derden te verbieden tenzij de gebruiker zulks uitdrukkelijk initieert en, ingeval de inhoud niet tot de individuele communicatie kan worden gerekend, de aanbieder van de inhoud het heeft geautoriseerd; wijst erop dat ongeautoriseerde ingrepen van derden in inhouden of omroepsignalen van een aanbieder en het ongeautoriseerd decoderen, gebruiken en doorgeven ervan eveneens voorkomen moeten worden;

35.  verzoekt de Commissie na te denken over maatregelen om rekening te houden met het risico van verwijzing naar ongeautoriseerde websites op portalen en door zoekmachines;

36.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat het door de bijzondere vereisten van de avmd-richtlijn geboden beschermingsniveau met betrekking tot audiovisuele mediadiensten niet wordt omzeild door ongeautoriseerde beschikbaarstelling op andere platforms;

37.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het starten van applicaties vanuit een portaal nooit automatisch plaatsvindt, maar in elk geval door de gebruiker moet worden geïnitieerd, dat te allen tijde met één druk op de knop ("redbuttonfunctie") eenvoudig kan worden teruggekeerd naar de laatst gebruikte dienst, dat de gebruiker duidelijk op deze functie wordt gewezen en dat de laatst gebruikte dienst bij het sluiten van een applicatie weer volledig met beeld en geluid wordt weergeven;

38.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat een aanbieder van inhoud juridische stappen kan ondernemen tegen applicaties op hybride platforms die ongeautoriseerde doorgifte van de door hem beschikbaar gestelde inhoud mogelijk maken of bevorderen;

39.  verzoekt de Commissie om, waar dit met het oog op het auteursrecht relevant is, eenvoudig te hanteren systemen voor de vereffening van auteursrechten te bevorderen die via mirroring ongewijzigde en volledige beschikbaarstelling van niet-lineaire diensten van aanbieders van mediadiensten op externe platforms mogelijk maken;

40.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat het gebruik van televisie- en onlinediensten met behulp van in de EU verkochte of ingevoerde hybride eindapparatuur principieel anoniem blijft en dat zulks geheel overeenkomstig de EU-wetgeving inzake privacy en gegevensbescherming verloopt;

41.  verzoekt de Commissie audiovisuele mediadiensten op grond van hun tweeledige karakter en hun maatschappelijke belang uit te zonderen van liberalisatie in het kader van onderhandelingen over internationale handelsovereenkomsten en er tegelijkertijd in het licht van de toenemende digitalisering en convergentie van de media voor te zorgen dat het begrip "audiovisuele mediadienst" verder op dynamische wijze wordt uitgewerkt;

42.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat ook in het toekomstige connected-tv-aanbod de naleving wordt gewaarborgd van de momenteel van kracht zijnde regels inzake de bescherming van minderjarigen, het verbod van bepaalde vormen van reclame om redenen van volksgezondheid, het verbod op het aanzetten tot rassenhaat, de scheiding van nieuws en reclame, eigendomstransparantie, privacy, enz., die inmiddels deel uitmaken van het acquis communautaire en niet mogen worden omzeild onder het mom van technologische ontwikkeling; verzoekt de Commissie in het bijzonder om aanbieders van diensten en toestellen voor connected tv van buiten de EU erop te attenderen dat het toepasselijk recht het recht is van het land waar de dienst wordt aangeboden, en niet het recht van het land waar de aanbieder zijn statutaire zetel heeft;

43.  verzoekt de lidstaten om tijdens de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader de verlaging van de aan het directoraat-generaal Communicatienetwerken, Inhoud en Technologie (DG Connect, CNECT) toe te wijzen middelen voor de verdere ontwikkeling van telecommunicatie-infrastructuur van het oorspronkelijke voorgestelde bedrag van 9,2 miljard euro tot 1 miljard euro te heroverwegen;

44.  verzoekt de Commissie de nodige aandacht te besteden aan enkele belangrijke vraagstukken inzake de bescherming van het publiek, zoals de bescherming van minderjarigen, en is van mening dat elektronische programmagidsen een platform kunnen zijn voor de aanpak van deze vraagstukken;

45.  betreurt dat er in Europa nog steeds uitgestrekte gebieden zijn waar de internetinfrastructuur beperkt is, en herinnert de Commissie eraan dat de toegang van consumenten tot internet met hoge snelheid van vitaal belang is voor het ontsluiten van het potentieel van connected tv;

46.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(2) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.
(3) PB L 337 van 18.12.2009, blz. 37.
(4) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.
(5) PB L 337 van 18.12.2009, blz. 11.
(6) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.
(7) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.
(8) PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.
(9) PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.
(10) PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.
(11) PB C 257 van 27.10.2009, blz. 1.
(12) PB L 270 van 7.10.1998, blz. 48.
(13) PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 24.

Laatst bijgewerkt op: 4 januari 2016Juridische mededeling