Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2678(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0387/2013

Ingediende teksten :

B7-0387/2013

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/09/2013 - 13.8

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0375

Aangenomen teksten
PDF 115kWORD 22k
Donderdag 12 september 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers
P7_TA(2013)0375B7-0387/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid (2013/2678(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 8, 157 en 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(1) ,

–  gezien artikel 11, lid 1, onder d), van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen bij Resolutie 34/180 van 18 december 1979 van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 met de titel "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2010 met de titel "Een grotere inzet voor de gelijkheid van vrouwen en mannen – Een Vrouwenhandvest" (COM(2010)0078),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(2) ,

–  gezien de beoordeling van Europese meerwaarde over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(3) ,

–  gezien het onderzoek naar de genderkloof met betrekking tot pensioenen in de EU(4) ,

–  gezien de vraag aan de Commissie over gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid (O-000078/2013 – B7-0218/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Europees Parlement de Commissie in zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid, heeft verzocht Richtlijn 2006/54/EG tegen 15 februari 2013 te herzien, met inachtneming van de aanbevelingen van het Parlement, waaronder de herziening van de bestaande wetgeving;

B.  overwegende dat er als gevolg van arbeidsmaatregelen die erop gericht zijn een einde te maken aan het beginsel en de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst steeds vaker individueel over lonen wordt onderhandeld, waardoor er een gebrek aan informatie en transparantie over de afzonderlijke loonstelsels ontstaat dat tot grotere beloningsverschillen tussen werknemers op vergelijkbaar niveau leidt en dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen wijder kan doen worden;

C.  overwegende dat het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen uiterst langzaam vordert en dat in sommige lidstaten de loonkloof zelfs wijder is geworden; overwegende dat, ondanks de uitgebreide wetgeving die al bijna 40 jaar van kracht is, de getroffen maatregelen en de ingezette middelen (het beloningsverschil in de EU bedroeg in 2006 17,7%, in 2007 17,6%, in 2008 17,4%, in 2009 16,9% en in 2010 16,4%) de loonkloof tussen mannen en vrouwen nog altijd problematisch is en vrouwen in de EU momenteel 16,2% minder verdienen dan mannen; overwegende dat de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid essentieel is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid; overwegende dat de negatieve gevolgen voor vrouwen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen doorwerken na de pensioenleeftijd en vrouwen pensioenen ontvangen die gemiddeld 39 % lager zijn dan die van mannen;

D.  overwegende dat volgens academisch onderzoek over het dichten van de loonkloof met verschillende factoren rekening moet worden gehouden en deze adequaat moeten worden aangepakt, zoals verschillen in de arbeidsparticipatie en in de werkgelegenheidsgraad, in loonstructuren, in de samenstelling van de beroepsbevolking en in bezoldiging, evenals andere macro-economische en institutionele factoren;

E.  overwegende dat de ervaring heeft geleerd dat optimale werkmethoden en niet-bindende maatregelen alleen, zelden als stimulans werken, en dat het verwachte "peer learning"-effect uitblijft;

F.  overwegende dat een afname van de loonkloof met één procentpunt volgens de conclusies van de beoordeling van de Europese meerwaarde een economische groei van 0,1% zal opleveren, en dat het dichten van de loonkloof van cruciaal belang is in de huidige economische crisis;

G.  overwegende dat de trage voortgang in het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen aanzienlijke demografische, sociale, juridische en economische gevolgen heeft;

1.  betreurt dat het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen in de Europese Unie maar langzaam vordert;

2.  benadrukt dat het terugdringen van de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen door de loonkloof te dichten niet alleen gunstig is voor vrouwen maar voor de gehele samenleving, en dat het wegnemen van de loonverschillen tussen mannen en vrouwen niet moet worden gezien als een kostenpost maar als een investering;

3.  herhaalt dat Richtlijn 2006/54/EG in haar huidige vorm niet volstaat om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te bestrijden en om de doelstelling van gendergelijkheid in arbeid en beroep te verwezenlijken;

4.  verzoekt de Commissie de lidstaten te steunen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen met minstens 5 procentpunten per jaar te verkleinen teneinde de loonkloof tussen mannen en vrouwen tegen 2020 te dichten;

5.  erkent dat een veelzijdige aanpak op verschillende niveaus van de Commissie vergt dat zij de lidstaten steunt om goede praktijken te bevorderen en maatregelen te treffen om de loonkloof tussen mannen en vrouwen aan te pakken;

6.  dringt er bij de Commissie op aan om Richtlijn 2006/54/EG zo spoedig mogelijk te herzien en om wijzigingen op de richtlijn voor te stellen overeenkomstig artikel 32 van de richtlijn en op basis van artikel 157 VWEU, met inachtneming van de gedetailleerde aanbevelingen zoals opgenomen in de bijlage bij de resolutie van het Parlement van 24 mei 2012;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0225.
(3) EAVA 4/2013.
(4) http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/documents/130530_pensions_en.pdf

Laatst bijgewerkt op: 26 januari 2016Juridische mededeling