Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2319(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0205/2013

Ingediende teksten :

A7-0205/2013

Debatten :

PV 11/09/2013 - 13
CRE 11/09/2013 - 13

Stemmingen :

PV 12/09/2013 - 13.14

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0381

Aangenomen teksten
PDF 167kWORD 37k
Donderdag 12 september 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
De militaire structuren van de EU: stand van zaken en toekomstperspectieven
P7_TA(2013)0381A7-0205/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de militaire structuren van de EU: stand van zaken en toekomstperspectieven 2012/2319(INI)

Het Europees Parlement,

–  gezien titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 13 en 14 december 2012,

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2012 over de ontwikkeling van militaire vermogens,

–  gezien het hoofddoel 2010 dat door de Europese Raad van 17 en 18 juni 2004 werd goedgekeurd,

–   gezien de clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit in het Verdrag van Lissabon, op grond waarvan de lidstaten verplicht zijn hulp en bijstand beschikbaar te stellen ingeval een andere lidstaat wordt getroffen door een natuurramp, een terroristische aanval of een gewapende aanval,

–  gezien de door de Europese Raad op 12 december 2003 vastgestelde Europese Veiligheidsstrategie en het door de Europese Raad van 11 en 12 december 2008 goedgekeurde verslag over de implementatie ervan,

–  gezien Besluit 2011/871/GBVB van de Raad van 19 december 2011 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (Athena)(1) ,

–  gezien Besluit 2011/411/GBVB van de Raad van 12 juli 2011 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 2004/551/GBVB(2) ,

–   gezien de discussie van de ministers van defensie tijdens de bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken op 23 april 2013 inzake de voorbereidingen voor de Europese Raad over Defensie in december 2013,

–  gezien zijn resoluties van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(3) , van 22 november 2012 over de EU-clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit: politieke en operationele dimensies(4) , van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid(5) en van 14 december 2011 over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten(6) ,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A7-0205/2013),

Algemene overwegingen

1.  stelt met toenemende urgentie vast dat de EU over onvoldoende capaciteit beschikt om tijdig en op een doeltreffende manier op internationale crises te reageren, ondanks haar permanente toezegging de vrede te bewaren, mensenrechten te beschermen, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken, overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties; benadrukt dat het in het belang van de EU en haar lidstaten is om, niet alleen binnen Europa maar ook in de rest van de wereld en in het bijzonder in haar eigen buurlanden, samenhangend als een verschaffer van veiligheid te fungeren;

2.  herinnert aan zijn sterke gehechtheid aan een alomvattende aanpak voor crisisbeheer waarbij een ruim gamma van diplomatieke, economische, ontwikkelings- en, in laatste instantie, militaire middelen wordt geïntegreerd, zoals meer bepaald werd uitgedrukt in zijn resoluties over het jaarverslag over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); benadrukt dat militaire structuren en vermogens een integraal deel uitmaken van een dergelijke alomvattende aanpak en het vermogen van de EU ondersteunen om te reageren op bedreigingen, conflicten en crises, met inbegrip van humanitaire crises en natuurrampen, als alle andere middelen hebben gefaald;

3.  neemt er met spijt kennis van dat uit recente militaire operaties in zowel Libië als Mali is gebleken dat er weinig vooruitgang is geboekt in de richting van een waarlijk gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en benadrukt de noodzaak van meer coördinatie en samenwerking op Europees niveau, indien de EU serieus wil worden genomen als een effectieve en geloofwaardige wereldspeler;

4.  herinnert eraan dat in het Verdrag de EU wordt opgeroepen om te werken aan een geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk EU-defensiebeleid, hetgeen tot een gemeenschappelijke defensie kan leiden; herinnert voorts aan de verplichtingen van de lidstaten in het kader van de clausule inzake wederzijdse verdediging;

5.  herhaalt zijn grote bezorgdheid over de voortdurende en niet-gecoördineerde besparingen in de nationale defensiebegrotingen, hetgeen de opvulling van de leemten in de vermogens belemmert en de geloofwaardigheid van het GVDB ondermijnt; dringt er bij de lidstaten op aan deze onverantwoorde trend een halt toe te roepen en om te keren en de inspanningen op nationaal en EU-niveau te verhogen om de gevolgen van de besparingen te beperken door middel van een nauwere samenwerking en het bundelen en delen;

6.  herinnert aan zijn resolutie over de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiesector in de EU-lidstaten en herbevestigt zijn aanbevelingen om de negatieve gevolgen van de crisis voor militaire vermogens op EU-niveau tegen te gaan via een betere coördinatie van de defensieplanning, het bundelen en delen van vermogens, steun voor onderzoek en technologische ontwikkeling op het gebied van defensie, de uitbouw van een meer geïntegreerde, duurzame, innovatieve en competitieve Europese technologische en industriële defensiebasis, de oprichting van een Europese markt voor defensie-uitrusting en het zoeken naar nieuwe vormen van EU-financiering;

7.  dringt er bij de EU-lidstaten en de Commissie op aan de nodige maatregelen te nemen om de herstructurering en consolidatie van de vermogens van de defensie-industrie serieus te vergemakkelijken, teneinde de bestaande, niet-duurzame overcapaciteit te verkleinen;

8.  is verheugd over het werk van de taakgroep voor de defensie-industrie en -markten van de Commissie en de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 "naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542), en roept de Commissie op voorstellen te ontwikkelen over de manier waarop binnen een flexibele aanpak ruimere EU-beleidsmaatregelen en -instrumenten kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van defensie- en veiligheidsdoelstellingen, in het bijzonder op gebieden van transversale aard zoals technologieën voor tweeërlei gebruik;

9.  benadrukt dat de bestaande militaire structuren in de EU, op EU-, multinationaal en nationaal niveau, in het transformatieproces moeten blijven bouwen aan modulaire, interoperabele en inzetbare strijdkrachten die zijn aangepast aan multinationale operaties;

10.  is verheugd over de nieuwe impuls die de Europese Raad in december 2012 heeft gegeven om de operationele doeltreffendheid en efficiëntie van GVDB-operaties te verhogen, de Europese samenwerking te verbeteren teneinde toekomstgerichte vermogens te verschaffen en kritieke leemtes op te vullen alsmede om de Europese defensie-industrie te versterken;

11.  roept de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV/VV) op, met het oog op de vergadering van de Europese Raad in december 2013, voorstellen te doen waarin de aanbevelingen van deze resolutie worden weergegeven en waarin opties worden opgenomen voor de versterking van de Europese samenwerking op het vlak van veiligheid en defensie tussen de lidstaten die daartoe bereid zijn, op basis van de verdragsbepalingen betreffende de permanente gestructureerde samenwerking, als een overeenkomst tussen alle lidstaten over een ambitieuze agenda onmogelijk is;

12.  besluit om, als onderdeel van zijn eigen agenda voor de volgende constitutionele Conventie, voorstellen voor te bereiden om de Verdragen te versterken op het gebied van de ontwikkeling van het GVDB;

Het vermogen van de EU om militaire operaties te plannen en uit te voeren verbeteren

13.  neemt met spijt kennis van het feit dat de EU tien jaar na de eerste autonome, door de EU geleide militaire operatie nog steeds geen permanent militair plannings- en uitvoeringsvermogen heeft en betreurt het remmende effect hiervan op het vermogen van de EU om te reageren op dringende crises; herinnert eraan dat de huidige regelingen, die een ad-hocactivering van een nationaal hoofdkwartier vereisen, een louter reactieve benadering inhouden en geen middelen voor de noodzakelijke planning vooraf verschaffen;

14.  is van mening dat het geactiveerde operatiecentrum, ook al wordt zijn rol voor de coördinatie van de missies in de Hoorn van Afrika op prijs gesteld, wegens zijn beperkte middelen en louter ondersteunende functies een grotendeels ontoereikende stap vormt naar deze permanente capaciteit; betreurt het dat het initiatief van de vijf Weimar plus-landen niet tot een belangrijker resultaat heeft geleid; dringt er bij de lidstaten op aan in de eerste plaats overeenstemming te bereiken om aan het operatiecentrum de taak te geven van de operationele planning van niet-uitvoerende missies, zoals de EU-opleidingsmissies in Mali en Somalië;

15.  vraagt opnieuw om de oprichting van een volwaardig operationeel hoofdkwartier van de EU binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), indien nodig via de permanente gestructureerde samenwerking; benadrukt dat het een civiel-militaire structuur moet zijn en dat die verantwoordelijk moet zijn voor de planning en uitvoering van zowel civiele missies als militaire operaties van de EU, met afzonderlijke civiele en militaire bevelslijnen;

16.  wijst erop dat door de oprichting van een operationeel hoofdkwartier van de EU het institutioneel geheugen van de EU over crisisbeheer enorm wordt verbeterd, dankzij de detachering van nationaal personeel wordt bijdragen aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke strategische cultuur, de voordelen van civiel-militaire coördinatie worden gemaximaliseerd, het bundelen van bepaalde functies mogelijk wordt gemaakt, de kosten op langere termijn worden verminderd en politieke controle door het Parlement en de Raad wordt vergemakkelijkt;

17.  benadrukt dat een permanent militair plannings- en uitvoeringsvermogen noodzakelijk is ook met betrekking tot de verplichtingen die voortvloeien uit de clausules inzake wederzijdse verdediging en solidariteit en onderstreept dat een gepast niveau van paraatheid en reactiesnelheid moet worden gegarandeerd als een van de twee clausules wordt ingeroepen; roept de VV/HV op praktische regelingen voor te stellen voor de clausule inzake wederzijdse verdediging om reactie op EU-niveau te definiëren;

De EU-gevechtsgroepen versterken: het EU-instrument voor snelle reactie en stabilisering

18.  erkent de bijdrage van de EU-gevechtsgroepen aan de transformatie van de strijdkrachten van de lidstaten, waardoor militaire operabiliteit wordt gestimuleerd en multinationale samenwerking wordt bevorderd; betreurt dat het concept zijn nut nog niet heeft bewezen als instrument voor snelle reactie tijdens operaties en dat zonder aanzienlijke wijzigingen elke overeenkomst over inzetten onwaarschijnlijk lijkt; is van mening dat de situatie in Mali een gemiste kans is voor de eerste inzet van EU-gevechtsgroepen;

19.  is van mening dat er om de effectiviteit van de gevechtsgroepen te vergroten voldoende aandacht moet worden besteed aan de samenstelling ervan, in de wetenschap dat landen uit dezelfde regio over het algemeen een vergelijkbare visie op bedreigingen hebben, teneinde de noodzakelijke respons daarop te vergemakkelijken;

20.  is van mening dat in de herziene ATHENA-regeling voor gemeenschappelijke kosten van militaire operaties nog steeds niet op gepaste wijze rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van het concept gevechtsgroepen en vraagt dat de gemeenschappelijke kosten voor snellereactieoperaties aanzienlijk worden uitgebreid tot een volledige dekking van de kosten wanneer gevechtsgroepen worden ingezet; meent dat de toepassing van het beginsel "kosten worden gedragen waar zij worden gemaakt" op gevechtsgroepen die op vrijwillige en rotatiebasis stand-by worden gehouden, niet strookt met het beginsel van eerlijke lastenverdeling;

21.  roept de VV/HV op voorstellen te doen met het oog op de aanpassingen van het ATHENA-mechanisme aan de specifieke kenmerken van de gevechtsgroepen, indien nodig via de permanente gestructureerde samenwerking, die parallel aan een permanent operationeel hoofdkwartier wordt opgericht; dringt er tegelijkertijd bij de VV/HV op aan een voorstel te doen voor de oprichting en financiering van het startfonds voor voorbereidende werkzaamheden voor militaire operaties van de EU, zoals in het Verdrag wordt vereist;

22.  neemt kennis van de inspanningen binnen de Raad en de EDEO om de flexibiliteit en de bruikbaarheid van de gevechtsgroepen te verhogen, die tot nog toe maar weinig tastbare resultaten hebben opgeleverd; wijst erop dat een hoog niveau van interoperabiliteit noodzakelijk is, niet alleen op technisch vlak, maar ook op het vlak van procedures en concept, in het bijzonder om de inzetregels en de regels voor overdracht van het gezag op één lijn te brengen en nationale voorbehouden te verwijderen;

23.  nodigt de Europese Raad uit manieren te onderzoeken om het politieke besluitvormingsproces op EU-niveau en op nationaal niveau te stroomlijnen teneinde een snelle reactie realiteit te maken; dringt er op aan dat de noodzakelijke politieke wil wordt getoond om deze uitdagingen aan te pakken; moedigt de reflectie aan over mogelijke vereenvoudigde procedures met betrekking tot de inzet van gevechtsgroepen gedurende een beperkte periode, op voorwaarde dat aan bepaalde, duidelijk gedefinieerde en overeengekomen voorwaarden wordt voldaan, zoals een specifiek verzoek van de Verenigde Naties;

24.  verheugt zich over het hernieuwde engagement van de lidstaten voor het ambitieniveau met betrekking tot het concept gevechtsgroepen en de belofte bijdragen te plannen op basis van regelmatig terugkerende toezeggingen om in de toekomst leemtes in het rooster van de gevechtsgroepen te voorkomen; moedigt de ontwikkeling aan van de gevechtsgroepen als partnerschappen op de lange termijn, ook na de stand-by-periode, om de militaire en economische voordelen te maximaliseren van de gezamenlijke aankoop van uitrusting en diensten en van het bundelen en delen; merkt op dat het door het Europees Defensieagentschap (EDA) gesloten kadercontract voor logistieke basisdiensten voor de EU-gevechtsgroepen op stand-by tijdens het tweede semester van 2012 een concreet voorbeeld in deze richting is;

25.  wijst erop dat alle kosten die niet aan militaire operaties zijn verbonden, zoals de voorbereidings- en stand-by-kosten van gevechtsgroepen, ten laste van de EU-begroting kunnen komen;

26.  benadrukt dat de gevechtsgroepen een specifiek instrument van beperkte omvang en houdbaarheid vormen dat aan een bepaald aantal scenario's is aangepast en niet als een universeel crisisbeheersinstrument mag worden beschouwd; herinnert eraan dat in het oorspronkelijke hoofddoel van Helsinki van 1999, dat in 2008 door de Europese Raad werd herbevestigd, de doelstelling werd vastgelegd dat de EU voor een omvangrijke operatie binnen 60 dagen 60 000 man moet kunnen mobiliseren; merkt op dat hoewel deze doelstelling niet formeel werd ingetrokken, zij wegens aanhoudende vermogenstekortkomingen nooit op realistische wijze werd bereikt; merkt op dat in plaats van arbitraire doelstellingen vast te leggen waardoor de geloofwaardigheid van de EU in het gedrang dreigt te komen, er dringend aanhoudende inspanningen moeten worden geleverd om de leemten in de vermogens op te vullen en de opbouw van de troepenmacht en machtsprojectie te verbeteren met betrekking tot militaire operaties van de EU in het algemeen;

Structuren en capaciteiten bouwen om vermogenstekortkomingen aan te pakken

27.  herinnert aan de missie en taken van het EDA als vastgelegd in artikel 42, lid 3, en artikel 45 van het VEU, meer bepaald zijn essentiële rol voor de ontwikkeling en uitvoering van een EU-beleid inzake vermogens en bewapening, de harmonisering van de operationele behoeften, voorstellen voor multilaterale projecten, de coördinatie van de programma's van de lidstaten, de versterking van de industriële en technologische basis van de Europese defensiesector en de verbetering van de doelmatigheid van de militaire uitgaven; dringt er bij de lidstaten op aan wegens de sterke focus van het EDA op kosteneffectiviteit gepaste financiering eraan toe te kennen om zijn volledige potentieel te benutten en herhaalt zijn oproep aan de VV/HV om voorstellen te doen om de personeels- en exploitatiekosten van het agentschap ten laste van de EU-begroting te laten komen;

28.  betreurt het dat de lidstaten geen sterke vermogenstoezeggingen doen en roept de Raad op te voorzien in de uitvoering van de toepasselijke, in artikel 42, lid 3, en artikel 45, lid 1, van het VEU vastgelegde evaluatievereisten; roept de VV/HV op gepaste voorstellen te doen in die zin; is van mening dat het Parlement regelmatig op de hoogte moet worden gehouden over de vooruitgang in de opbouw van militaire vermogens die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging van GVDB;

29.  moedigt verdere vooruitgang in de uitvoering van het vermogensontwikkelingsplan van het EDA aan en dringt erop aan dat het met het oog op de herziening ervan in 2013 beter wordt geïntegreerd in de nationale defensieplanning die verder moet worden geharmoniseerd; herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om een geïnstitutionaliseerd proces op te starten voor een verhoogde coördinatie van de defensieplanning, zowel onderling als binnen het Militair Comité van de EU, voornamelijk op basis van advies van het EDA; wijst erop dat de samenwerking van het Europees Defensieagentschap met het Militair Comité/de Militaire Staf van de Europese Unie moet worden uitgebreid; verwacht dat de regeringsleiders en staatshoofden tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad over Defensie in december 2013 een Europese defensieherziening opstarten;

30.  vraagt om een meer gestructureerde aanpak om belangrijke vermogenstekortkomingen op Europees niveau aan te pakken en in het bijzonder met betrekking tot belangrijke troepenondersteuning en krachtvermenigvuldigers – zoals inlichtingen-, observatie- en verkenningsgoederen (intelligence, surveillance and reconnaissance, ISR), strategisch luchttransport, helikopters, medische bijstand, bijtanken in de lucht en precisiegeleide munitie – in nauwe samenwerking en volledige complementariteit met de NAVO; is verheugd over de initiële resultaten van de door het EDA beheerde initiatieven voor het bundelen en delen, maar benadrukt dat verdere vooruitgang op dit en andere gebieden noodzakelijk is; betreurt het dat hoewel Europese strijdkrachten herhaaldelijk het ontbreken van dergelijke troepenondersteuning en krachtvermenigvuldigers in GVDB- en andere operaties hebben ondervonden, geen enkele van de geïdentificeerde leemtes in het vermogen tot nog toe op bevredigende wijze is opgevuld;

31.  verzoekt om een evaluatie van de oprichting van een permanente GVDB-opslag (met vergelijkbare taken als het NAVO-agentschap voor ondersteuning ("NATO Support Agency")), dat geïntegreerde internationale ondersteuning biedt aan militaire structuren van de EU en de lidstaten, waaronder cruciale uitrusting voor alle missies zonder omslachtige aanbestedingsprocedures;

32.  onderstreept dat de EU de benodigde efficiënte en proportionele vermogens en strategieën moet ontwikkelen om het hoofd te bieden aan de toenemende cyberbedreigingen van haar veiligheids- en strategische belangen; benadrukt dat er moet worden samengewerkt met private partijen om te kunnen slagen, om de digitale vrijheden en het internationaal recht ten volle in acht te nemen en om toereikend democratisch toezicht te waarborgen;

33.  haalt het voorbeeld aan van het Europees luchttransportcommando (European Air Transport Command, EATC) dat als een bijzonder nuttig model voor het bundelen en delen op basis van de overdracht van bepaalde bevoegdheden aan een gemeenschappelijke structuur zonder nationaal bezit op te geven zijn functie en meerwaarde tijdens operaties heeft bewezen; roept op het model van het EATC ook op andere gebieden van operationele steun te gebruiken en verwacht in het bijzonder resultaten van de werkzaamheden van het EDA over een mogelijk multinationaal helikopterverband om een andere belangrijke vermogenstekortkoming aan te pakken;

34.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om mede-eigendom van bepaalde dure vermogens te overwegen, in het bijzonder van ruimtecapaciteiten, onbemande luchtvaartuigen of strategisch luchttransport; is verheugd over het werk van de Commissie om de opties te onderzoeken voor de ontwikkeling van capaciteiten waarvan de EU eigenaar is, en om het potentieel te benutten van de synergieën tussen de noden van defensie en civiele veiligheid, zoals op het vlak van civiele bescherming of grensbewaking;

35.  benadrukt dat in Europa een gemeenschappelijke aanpak moet worden gecreëerd voor de ontwikkeling van op middelmatige hoogte vliegende, van op afstand bestuurde luchtvaartuigen met lange vliegduur (medium-altitude long-endurance remotely piloted air system, MALE RPAS) en moedigt de Commissie en de lidstaten aan een innovatieve aanpak te ontwikkelen om deze ambitie te bereiken;

36.  benadrukt het grote belang van satellietvermogens voor hedendaagse operaties, in het bijzonder met betrekking tot ISR-, communicatie- en navigatievermogens, en benadrukt dat het gebruik van schaarse middelen moet worden gemaximaliseerd op basis van een gemeenschappelijke aanpak en de exploitatie van alle mogelijke civiel-militaire synergieën om onnodige duplicatie te voorkomen; moedigt in dit verband verdere samenwerking aan tussen het Europees Ruimteagentschap, het EDA en de Commissie en dringt erop aan dat het Copernicus- (GMES) en Galileo-programma financiering van de EU blijven ontvangen;

37.  moedigt verdere vooruitgang van het MUSIS-programma aan om het delen van satellietbeelden van een volgende generatie waarnemingssatellieten te vergemakkelijken en vraagt om de directe financiële participatie van de EU in het programma en om de associatie van het Satellietcentrum van de EU teneinde de toegang te garanderen tot beelden op maat van de behoeften van de EU en in het bijzonder het GVDB;

38.  is verheugd over de goedkeuring van de gedragsregels inzake het bundelen en delen als een belangrijke stap in de richting van nauwere samenwerking in Europa en benadrukt dat tegen het einde van het jaar een eerste strategische beoordeling van de uitvoering ervan dient te worden uitgevoerd; verwacht dat de Europese Raad van december 2013 een belangrijke mijlpaal wordt wat het geven van een politieke impuls aan het bundelen en delen en duidelijke richtsnoeren over de uitvoering betreft; wijst erop dat de EU haar voorlichtingsactiviteiten moet intensiveren, teneinde de rol van bundelen en delen verder te bevorderen;

39.  benadrukt dat het belangrijk is de continuïteit te garanderen van de voorziening van voor de strijdkrachten van de lidstaten noodzakelijke uitrusting zodat zij hun verplichtingen in internationale crises kunnen vervullen; is zeer bezorgd over de toenemende afhankelijkheid van niet-Europese technologie en voorzieningsbronnen en de gevolgen hiervan voor de Europese autonomie; benadrukt het strategische belang van de defensie-industrie en roept het EDA en de Commissie op hun werk voort te zetten over de identificatie van belangrijke industriële capaciteiten die in Europa moeten worden behouden of ontwikkeld en over de vermindering van de Europese voorzieningsafhankelijkheid;

40.  betreurt het dat de nationale begrotingen voor defensieonderzoek verminderen en dat de financiering ervan veelal is gefragmenteerd langs nationale lijnen; wijst erop dat de EU een aanzienlijke meerwaarde kan brengen via het Europees samenwerkingsverband en grotere synergieën tussen defensie- en civieleveiligheidsonderzoek; benadrukt in het bijzonder dat er moet worden gefocust op investeringen in cruciale ontsluitende technologie zoals robottechnologie en nano- en micro-elektronica, en dat ervoor moet worden gezorgd dat de op deze gebieden bestede EU-middelen ook ten goede komen van de noden van defensie;

Coherentie in permanente multinationale structuren van de EU-lidstaten verhogen

41.  neemt kennis van het feit dat er in Europa een aantal bilaterale, regionale of multilaterale partnerschapsinitiatieven bestaat die erop zijn gericht middelen te bundelen en interoperabiliteit te bevorderen en kunnen bijdragen aan EU-, VN-, NAVO- of ad-hoccoalitieoperaties; verheugt zich over de voordelen van samenwerking en steunt de basisgedachte van het bundelen volledig, maar moedigt aan een of andere rationalisering van en betere coördinatie tussen de vele structuren met een multinationale dimensie door te voeren, die zonder enig algemeen en coherent plan zijn gegroeid;

42.  roept op de banden tussen het Eurokorps en de Militaire Staf van de EU te versterken en nodigt meer lidstaten uit de multinationale structuur van het Eurokorps te vervoegen, dat de kern kan vormen van een volledig geïntegreerd element van de Europese strijdkrachten;

43.  neemt kennis van de opheffing van Eurofor en erkent de bijdragen die het in het verleden heeft geleverd aan EU-operaties en het rooster van de gevechtsgroepen; neemt kennis van de specifieke bijdragen van Euromarfor, Eurogendfor, de Baltische Defensiesamenwerking, de Noordse Defensiesamenwerking, de Brits-Nederlandse amfibische groep, de Spaans-Italiaanse amfibische groep, het Duits-Nederlandse korps, de Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking, het Brits-Franse initiatief om een gecombineerde, gemeenschappelijke expeditiemacht, een geïntegreerde carrier-gevechtsgroep en een gecombineerd, gemeenschappelijk hoofdkwartier van de troepenmacht op te zetten en andere bestaande of aankomende, regionale en bilaterale permanente structuren;

44.  herhaalt dat een algemene coherentie op EU-niveau moet worden gegarandeerd en nodigt de lidstaten uit hun initiatieven beter te coördineren binnen het Militair Comité van de EU op basis van inbreng van het EDA;

De Europese dimensie in onderwijs, opleiding en oefeningen versterken

45.  herhaalt zijn volledige steun aan Europese structuren en projecten op het vlak van onderwijs en opleiding en benadrukt in het bijzonder de bijdrage van de Europese veiligheids- en defensieacademie (EVDA) aan de bevordering van een gemeenschappelijke veiligheidscultuur en zijn potentieel om kostenbesparende samenwerkingsprojecten tussen nationale instellingen te identificeren en te ontwikkelen; verheugt zich over het besluit van de Raad van 12 april 2013 om de academie te versterken door haar handelingsbevoegdheid te geven en door de financiering ervan ten laste van de EU-begroting te laten komen; is van mening dat dit een voorbeeld kan vormen voor financiële steun van de EU voor andere GVDB-structuren, zoals het EDA en het Satellietcentrum van de EU; moedigt de verdere ontwikkeling aan van het Europese initiatief voor de uitwisseling van jonge officieren, dat op Erasmus is geïnspireerd, en de deelname van Europese onderwijs- en opleidingsinstellingen voor militaire officieren aan het Erasmus-programma;

46.  is een groot voorstander van bundel- en deelinitiatieven in onderwijs en opleiding, waar aanzienlijk kan worden bespaard zonder aan de nationale soevereiniteit qua operationele inzetten te raken; onderstreept het succes van het helikopteropleidingsprogramma van het EDA en verheugt zich over de start van tactische luchttransportoefeningen door het EDA, die moeten leiden tot de ontwikkeling van een Europese permanente tactische luchttransportopleidingscursus; kijkt uit naar meer vooruitgang in de ontwikkeling van een gemeenschappelijk, geïntegreerd opleidingssysteem voor toekomstige gevechtspiloten; verheugt zich over het werk van het EDA met betrekking tot meer gebundelde en gedeelde opleiding op het vlak van cyberdefensie, de bestrijding van geïmproviseerde explosieven en marineoperaties; wijst erop dat het EDA rekening moet houden met de scholingsbehoeften van de lidstaten die in het bezit zijn van luchtvaartuigen die door niet-EU bedrijven zijn geproduceerd;

47.  benadrukt dat de EU-gevechtsgroepen de mogelijkheid verschaffen voor gemeenschappelijke opleiding en oefeningen; moedigt de landen die deel uitmaken van het kader voor gevechtsgroepen, aan bijkomende deelnemers toe te laten tot de oefeningen van de gevechtsgroepen, zoals potentiële strategisch-operationele ondersteunende krachten en partnerorganisaties als de VN;

48.  wijst erop dat mogelijke overlapping met de NAVO moet worden vermeden, bijvoorbeeld op het gebied van scholingen over cyberbeveiliging;

De voordelen van de EU-NAVO-samenwerking verhogen

49.  benadrukt dat een versterking van de Europese militaire vermogens door middel van verbeterde EU-structuren ook de NAVO ten goede komt en bijdraagt tot een eerlijkere lastenverdeling binnen de alliantie; looft de pragmatische samenwerking die erop is gericht duplicaties tussen het initiatief van het bundelen en delen en dat van de slimme defensie te voorkomen, met name via interactie tussen het EDA en het Geallieerd Commando Transformatie van de NAVO;

50.  dringt aan op een nauwere en regelmatigere samenwerking op politiek niveau tussen de VV/HV en de secretaris-generaal van de NAVO, gericht op risicoanalyse, middelenbeheer, beleidsplanning en uitvoering van zowel civiele als militaire operaties; benadrukt dat de bestaande operationele samenwerking tussen de EU en de NAVO verder moet worden ontwikkeld, te beginnen met de Berlijn Plus-regeling, waarvan de uitvoering nog altijd door Turkije wordt geblokkeerd;

51.  wijst erop dat de nationale vermogens, die al dan niet binnen het EU- of het NAVO-kader werden ontwikkeld, onder nationaal gezag blijven en daarom voor elke op nationaal niveau besliste operatie kunnen worden gebruikt;

52.  benadrukt het belang van de NAVO-normen voor de Europese defensiesamenwerking en onderstreept dat voor de binnen het EU-kader ontwikkelde vermogens de volledige interoperabiliteit met de NAVO moet worden gegarandeerd;

53.  merkt op dat de NAVO-reactiemacht en de EU-gevechtsgroepen complementaire en elkaar versterkende initiatieven zijn, die echter soortgelijke inspanningen van de lidstaten vergen, en roept op tot inspanningen om de synergieën tussen hen te maximaliseren;

Het GVDB naar een nieuw niveau brengen

54.  nodigt de lidstaten uit een kwalitatieve stap voorwaarts te zetten in de Europese defensie door de militaire structuren van de EU overeenkomstig deze resolutie te versterken; moedigt de lidstaten die hiertoe bereid zijn, aan, indien nodig, te werk te gaan overeenkomstig artikel 42, lid 6, en artikel 46 van het VEU over de permanente gestructureerde samenwerking alsmede artikel 44 van het VEU; is van mening dat als dergelijke samenwerkingsvormen worden opgestart, zij bovenal moeten zijn gebaseerd op de bereidheid van de deelnemende lidstaten om hun verantwoordelijkheden in de internationale gemeenschap op te nemen en de Unie beter uit te rusten voor crisisbeheersoperaties;

55.  vindt daarom dat de permanente gestructureerde samenwerking in het bijzonder de volgende elementen moet bevatten die erop zijn gericht de operationele doeltreffendheid te verhogen:

   de oprichting van een permanent operationeel hoofdkwartier van de EU,
   een gemeenschappelijke financiering van snellereactieoperaties waarbij EU-gevechtsgroepen worden gebruikt,
   een engagement om bij te dragen tot het rooster van de gevechtsgroepen waarbij de inzetregels op één lijn worden gebracht en de besluitvormingsprocedures worden gestroomlijnd;

56.  wijst erop dat de lidstaten hun beloftes met betrekking tot capaciteitsopbouw eveneens dienen te versterken, met name via het bundelen en delen, maar dat een maximale flexibiliteit en inclusiviteit moeten worden behouden om zoveel mogelijk voordeel te halen uit verschillende bilaterale, regionale of multilaterale synergieën; is niettemin van mening dat een overeenkomst over een permanente gestructureerde samenwerking ten minste beloftes moet bevatten over:

   een gestructureerde coördinatie van de defensieplanning,
   een gemeenschappelijke evaluatie en herziening van de capaciteitsopbouw,
   meer financiering voor het EDA;

57.  merkt op dat in het Verdrag duidelijk wordt gesteld dat een permanente gestructureerde samenwerking moet worden opgericht binnen het Unie-kader en dat de grote meerderheid van binnen dit kader ontwikkelde activiteiten daarom overeenkomstig artikel 41 VEU toegang kan hebben tot de EU-begroting op dezelfde voorwaarden als andere EU-activiteiten;

58.  is van mening dat via de permanente gestructureerde samenwerking een hogere coherentie tussen Europese samenwerkingsinitiatieven ook moet worden vergemakkelijkt, in de geest van inclusiviteit en flexibiliteit, door de banden tussen de verschillende binnen een verbeterd GVDB-kader opkomende eilanden van samenwerking te versterken;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger, de regeringen en de parlementen van de EU-lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de NAVO en de secretaris-generaal van de NAVO.

(1) PB L 343 van 23.12.2011, blz. 35.
(2) PB L 183 van 13.7.2011, blz. 16.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0455.
(4) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 9.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0334.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0574.

Laatst bijgewerkt op: 26 januari 2016Juridische mededeling