Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2676(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0434/2013

Ingediende teksten :

B7-0434/2013

Debatten :

PV 10/10/2013 - 2
CRE 10/10/2013 - 2

Stemmingen :

PV 10/10/2013 - 9.6

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0420

Aangenomen teksten
PDF 128kWORD 25k
Donderdag 10 oktober 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Discriminatie op grond van kaste
P7_TA(2013)0420B7-0434/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2013 over discriminatie op grond van kaste (2013/2676(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over kastendiscriminatie in India(1) , zijn resolutie van 17 januari 2013 over geweld tegen vrouwen in India(2) , zijn resolutie van 1 februari 2007 over de mensenrechtensituatie van de dalits (paria's) in India(3) , en zijn resolutie van 18 april 2012 over de mensenrechten in de wereld en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie, waaronder de implicaties voor het strategische mensenrechtenbeleid van de EU(4) ,

–  gezien internationale mensenrechtenverdragen zoals het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en algemene aanbeveling XXIX van de Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie,

–  gezien de ontwerpbeginselen en -richtsnoeren van de VN voor de doeltreffende uitbanning van discriminatie op grond van werk en afkomst(5) , bekendgemaakt door de Mensenrechtenraad,

–  gezien de ernstige bezorgdheid en de opmerkingen en aanbevelingen van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten met betrekking tot discriminatie op grond van kaste,

–  gezien de recente aanbevelingen van verdragsorganen en mandaathouders van speciale procedures van de VN over discriminatie op grond van kaste,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur over hedendaagse vormen van racisme, rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en onverdraagzaamheid van 24 mei 2011(6) en de verslagen in het kader van het universeel periodiek herzieningsmechanisme voor landen met een kastenstelsel,

–  gezien de studie van het Parlement over "Mensenrechten en armoede: EU-maatregelen ter bestrijding van discriminatie op grond van kaste",

–  gezien de vraag aan de Commissie over discriminatie op grond van kaste (O-000091/2013 – B7-0507/2013),

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de term kaste verwijst naar een sociaal-religieuze context, zoals in Azië, waar wie buiten het kastensysteem valt wordt beschouwd als van nature onzuiver en onaanraakbaar, maar in een ruimere betekenis ook staat voor een strikt sociaal klassenstelsel waarbij bevolkingsgroepen worden gerangschikt naar afkomst en beroep; overwegende dat discriminatie op grond van werk en afkomst, de ruimere term die door de VN bij voorkeur wordt gehanteerd, verboden is uit hoofde van de internationale mensenrechtenwetgeving, met name de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag inzake de rechten van het kind en Verdrag nr. 111 van de Internationale Arbeidsorganisatie;

B.  overwegende dat Githu Muigai, speciaal VN-rapporteur over racisme, in juni 2011 heeft onderstreept dat het van essentieel belang is geen rangorde van de verschillende vormen van discriminatie vast te stellen, ook al verschillen zij qua aard en omvang, afhankelijk van de historische, geografische en culturele context, onder meer "de Roma-gemeenschap in Europa en de slachtoffers van de kastenstelsels in Afrika, Azië en het Midden-Oosten";

C.  overwegende dat discriminatie op basis van kaste hardnekkig en wijdverbreid blijft bestaan en wereldwijd naar schatting 260 miljoen mensen treft, ondanks de stappen die de regeringen van sommige landen met een kastenstelsel hebben genomen om in grondwettelijke en wettelijke bescherming te voorzien en speciale maatregelen tegen discriminatie en onaanraakbaarheid in te voeren;

D.  overwegende dat discriminatie op grond van kaste in tal van landen in de wereld voorkomt, voornamelijk in Zuid-Azië; overwegende dat er echter ook grote groepen slachtoffers zijn in andere regio's, waaronder Afrika, het Midden-Oosten en de diasporagemeenschap;

E.  overwegende dat het niet uitvoeren van wetgeving en beleidsmaatregelen en het gebrek aan doeltreffende rechtsmiddelen en goed functionerende staatsinstellingen, inclusief justitie en politie, ernstige belemmeringen blijven vormen voor de uitbanning van discriminatie op grond van kaste;

F.  overwegende dat de beschikbaarstelling van uitgesplitste gegevens en de behoefte aan specifieke wetten en maatregelen ter bescherming tegen discriminatie op grond van kaste in veel van de landen in kwestie niet eens aan de orde komen;

G.  overwegende dat kasten, ondanks de inspanningen van overheidsinstanties en in toenemende mate ook van sommige internationale agentschappen, blijven lijden onder ernstige vormen van sociale uitsluiting, armoede, geweld, segregatie en met vooroordelen en opvattingen over reinheid en onreinheid samenhangende fysieke en verbale agressie;

H.  overwegende dat onaanraakbaarheidspraktijken wijdverbreid blijven en moderne vormen aannemen; overwegende dat als onaanraakbaar beschouwde bevolkingsgroepen te maken krijgen met beperkingen inzake deelname aan het politieke leven en ernstige discriminatie op de arbeidsmarkt;

I.  overwegende dat verplichte positieve actie in enkele landen zoals India in enige mate heeft bijgedragen tot een grotere aanwezigheid van dalits in de overheidssector, maar dat het gebrek aan antidiscriminatiemaatregelen op de arbeidsmarkt en in de particuliere sector uitsluiting en toenemende ongelijkheid in de hand werkt;

J.  overwegende dat de overweldigende meerderheid van de slachtoffers van schuldarbeid in Zuid-Azië volgens de schattingen van de ILO afkomstig is uit geregistreerde kasten en stammen; overwegende dat dwang- en schuldarbeid bijzonder veel voorkomen in de landbouw, de mijnbouw en de kledingindustrie, die goederen leveren aan diverse multinationale en Europese bedrijven;

K.  overwegende dat niet-discriminatie op het werk één van de vier fundamentele arbeidsrechten vormt en ook is opgenomen in internationale richtsnoeren en kaders voor het bedrijfsleven zoals de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en de mensenrechten, de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid, waarin discriminatie op grond van kaste uitdrukkelijk wordt genoemd als een ernstige vorm van discriminatie;

L.  overwegende dat de regeringen en overheden van landen met een kastenstelsel met klem wordt gevraagd rekening te houden met de ontwerpbeginselen en -richtsnoeren van de VN voor de doeltreffende uitbanning van discriminatie op grond van werk en afkomst, alle nodige maatregelen te nemen voor de uitbanning en preventie van discriminatie op grond van kaste en eventuele tekortkomingen op federaal, nationaal, regionaal en lokaal niveau bij de uitvoering, wijziging en invoering van specifieke wetten en beleidsmaatregelen ter bescherming en bevordering van de rechten van de dalits en andere op grond van kaste gediscrimineerde bevolkingsgroepen te verhelpen;

1.  veroordeelt de aanhoudende mensenrechtenschendingen tegenover personen die het slachtoffer zijn van de kastenhiërarchie en van discriminatie op grond van kaste, zoals de weigering van gelijkheid en van toegang tot justitie en werk, permanente segregatie en op kaste gebaseerde belemmeringen betreffende de uitoefening van fundamentele mensenrechten en betreffende ontwikkeling;

2.  meent dat op identiteitskaarten beter niet wordt verwezen naar de kaste, omdat dit strijdig is met de beginselen van gelijkheid en sociale mobiliteit;

3.  verwelkomt het verslag van Githu Muigai, speciaal VN-rapporteur over racisme, en onderstreept dat alle slachtoffers van discriminatie op grond van kaste, waar ook ter wereld, dezelfde aandacht en bescherming moeten krijgen; benadrukt meer in het algemeen dat alle vormen van racisme en discriminatie met dezelfde aandacht en vastberadenheid moeten worden aangepakt, ook in Europa;

4.  maakt zich ernstige zorgen over het feit dat de maatschappelijke uitsluiting van dalits en soortgelijke gemeenschappen tot grote armoede binnen de betrokken bevolkingsgroepen leidt en met zich brengt dat ze geen of slechts weinig voordeel halen uit ontwikkelingsprocessen; benadrukt dat deze maatschappelijke uitsluiting hen bovendien belet om betrokken te zijn bij besluitvorming en bestuur en om op betekenisvolle manier deel te nemen aan het openbare en maatschappelijke leven;

5.  maakt zich nog altijd ernstige zorgen over het onverminderd grote aantal al dan niet officieel gemelde gevallen van wreedheden en onaanraakbaarheidspraktijken in landen met een kastenstelsel, zoals India, en over de algemeen aanvaarde straffeloosheid die de plegers van dergelijke misdaden tegenover dalits en andere slachtoffers van op kaste gebaseerde mensenrechtenschendingen genieten; herinnert eraan dat daders van dergelijke discriminatie in sommige landen hoge overheidsambten bekleden;

6.  toont zich nogmaals hoogst bezorgd over het geweld jegens dalitvrouwen en vrouwen uit soortgelijke bevolkingsgroepen in samenlevingen met een kastenstelsel, die vaak geen aangifte van dit geweld doen uit vrees dat hun persoonlijke veiligheid zal worden bedreigd of dat zij het slachtoffer zullen worden van sociale uitsluiting, en over de talrijke en elkaar overlappende vormen van discriminatie op grond van kaste, geslacht en godsdienst waarvan dalitvrouwen en vrouwen uit minderheidsgemeenschappen het slachtoffer zijn en die tot gedwongen bekeringen, ontvoeringen, gedwongen prostitutie en seksueel misbruik door leden van hogere kasten leiden;

7.  beklemtoont dat er een gunstige omgeving moet worden geschapen voor maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten die zich inzetten voor mensen die op grond van hun kaste worden gediscrimineerd, zodat hun veiligheid gegarandeerd wordt en hun werkzaamheden niet worden gehinderd, gestigmatiseerd of beperkt; benadrukt dat zo'n omgeving inhoudt dat zij financiële steun moeten kunnen krijgen, met de mensenrechteninstanties van de VN moeten kunnen samenwerken en door het Europees Economisch en Sociaal Comité (Ecosoc) moeten kunnen worden erkend;

8.  vraagt de EU de ontwerpbeginselen en -richtsnoeren van de VN voor de doeltreffende uitbanning van discriminatie op grond van werk en afkomst te promoten als een richtkader voor de uitroeiing van discriminatie op grond van kaste en te ijveren voor de bekrachtiging ervan door de Mensenrechtenraad van de VN;

9.  vraagt dat de Commissie kaste erkent als een specifieke vorm van discriminatie in de maatschappelijke en/of religieuze context, die net als andere vormen van discriminatie – d.w.z. op grond van etnische origine, ras, afkomst, godsdienst, geslacht en seksuele gerichtheid – in het kader van het EU-beleid inzake discriminatie moet worden bestreden; vraagt de EU mensen die op grond van hun kaste worden gediscrimineerd, in haar beleid en programma's als een identificeerbare groep in aanmerking te nemen;

10.  vraagt de Commissie en de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) de bestrijding van discriminatie op grond van kaste op te nemen in de wetgeving, het beleid en de programmeringsdocumenten van de EU en richtsnoeren te verstrekken voor de uitvoering daarvan in de praktijk; vraagt dat de EDEO voor betere controle- en evaluatiemechanismen zorgt waarmee het effect van het EU-beleid op de situatie van slachtoffers van dit soort discriminatie effectief kan worden beoordeeld;

11.  beveelt de EU aan een systematische beoordeling uit te voeren van het effect van handels- en/of investeringsovereenkomsten op bevolkingsgroepen die op grond van hun kaste worden gediscrimineerd, en deze problematiek samen met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, overheidsinstanties en relevante maatschappelijke organisaties aan te pakken;

12.  vraagt dat discriminatie op grond van kaste als mensenrechtenkwestie wordt opgenomen in de toekomstige beleidsmaatregelen, strategieën en actieplannen van de EU met betrekking tot de mensenrechten;

13.  vraagt de Commissie meer steun te verlenen voor de ontwikkeling van projecten ter bestrijding van discriminatie op grond van kaste als ernstige schending van de mensenrechten die armoede vergroot, en in alle projecten met klemtoon op onderwijs, vrouwen, toegang tot justitie, politieke participatie en werkgelegenheid in de betrokken landen rekening te houden met deze vorm van discriminatie;

14.  vraagt de Commissie bij humanitaire crises een aanpak te ontwikkelen en te hanteren die oog heeft voor de kastenproblematiek, zodat alle gemarginaliseerde bevolkingsgroepen, ook slachtoffers van discriminatie op grond van kaste, humanitaire hulp ontvangen;

15.  vraagt de EU het probleem van discriminatie op grond van kaste tijdens bilaterale topbijeenkomsten en andere internationale vergaderingen op het hoogste niveau met de regeringen van de betrokken landen te bespreken;

16.  spoort de EDEO aan om haar beleids- en mensenrechtendialogen te intensiveren en stimulansen te geven voor gezamenlijke initiatieven ter bestrijding van discriminatie op grond van kaste met de regeringen van landen zoals India, Nepal, Pakistan, Bangladesh en Sri Lanka, waar bepaalde op grond van kaste gediscrimineerde gemeenschappen het slachtoffer zijn van onaanraakbaarheidspraktijken, en meer in het algemeen de strijd aan te binden met discriminatie op grond van werk en afkomst, die voorkomt in verschillende landen waaronder Jemen, Mauritanië, Nigeria, Senegal en Somalië; merkt nogmaals op dat discriminatie op grond van kaste in overeenkomsten met veel van deze landen zelfs niet wordt vermeld;

17.  vraagt de Commissie en de EDEO om, indien dat relevant is, in alle handels- en associatieovereenkomsten een clausule inzake discriminatie op grond van kaste op te nemen;

18.  beveelt de EU aan om bij zakelijke transacties met landen waar een kastenstelsel bestaat, beleid en procedures met het oog op non-discriminatie en inclusie te bevorderen, met inbegrip van positieve actie ten behoeve van dalits en slachtoffers van soortgelijke discriminatie op de arbeidsmarkt en in de particuliere sector;

19.  vraagt de EU regelmatig en breed opgezet overleg met het maatschappelijk middenveld over discriminatie op grond van kaste te bevorderen en maatschappelijke organisaties voldoende middelen te verstrekken om deze vorm van discriminatie te kunnen tegengaan;

20.  vraagt dat de EU voor de periode na 2015 een ontwikkelingsagenda opstelt die oog heeft voor de kastenproblematiek, waarin de vermindering van ongelijkheden die het gevolg zijn van of worden verergerd door kaste, als een essentiële en meetbare doelstelling wordt beschouwd en waarin discriminatie op grond van kaste uitdrukkelijk wordt genoemd als een essentiële, structurele oorzaak van armoede en ongelijkheid en dienovereenkomstig wordt aangepakt;

21.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciaal vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, alsmede aan de Raad voor de mensenrechten van de VN.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0512.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0031.
(3) PB C 250 E van 25.10.2007, blz. 87.
(4) PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 8.
(5) A/HRC/11/CRP.3.
(6) A/HRC/17/40.

Laatst bijgewerkt op: 24 november 2015Juridische mededeling