Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2080(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0313/2013

Ingediende teksten :

A7-0313/2013

Debatten :

PV 24/10/2013 - 6
CRE 24/10/2013 - 6

Stemmingen :

PV 24/10/2013 - 12.5
CRE 24/10/2013 - 12.5

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0454

Aangenomen teksten
PDF 146kWORD 32k
Donderdag 24 oktober 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Elektronische communicatie
P7_TA(2013)0454A7-0313/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2013 over de toepassing van het regelgevingskader voor elektronische communicatie (2013/2080(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2009/140/EG (Richtlijn Betere regelgeving),

–  gezien Richtlijn 2009/136/EG (Richtlijn Burgerrechten),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1211/2009 (BEREC-Verordening),

–  gezien Richtlijn 2002/21/EG (Kaderrichtlijn),

–  gezien Richtlijn 2002/20/EG (Machtigingsrichtlijn),

–  gezien Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn),

–  gezien Richtlijn 2002/22/EG (Universeledienstrichtlijn),

–  gezien Richtlijn 2002/58/EG (Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie),

–  gezien Verordening (EU) nr. 531/2012 (herschikking van de Roamingverordening),

–  gezien Aanbeveling 2010/572/EU (Aanbeveling betreffende gereguleerde toegang tot NGA-netwerken),

–  gezien Aanbeveling 2007/879/EG (Aanbeveling betreffende relevante markten),

–  gezien Aanbeveling 2009/396/EG (Aanbeveling inzake afgiftetarieven),

–  gezien COM 2002/C 165/03 (richtsnoeren voor aanmerkelijke marktmacht),

–  gezien Aanbeveling 2008/850/EG (procedureregels als bedoeld in artikel 7 van de kaderrichtlijn),

–  gezien Besluit nr. 243/2012/EU tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PRSB),

–  gezien het voorstel van 19 oktober 2011 voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van de Connecting Europe Facility (COM(2011)0665),

–  gezien het voorstel van 7 februari 2013 voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende maatregelen om een hoog gemeenschappelijk niveau van netwerk- en informatiebeveiliging in de Unie te waarborgen (COM(2013)0048),

–  gezien het recent door het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC) gedane werk over netneutraliteit,

–  gezien het voorstel van 26 maart 2013 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot maatregelen om de kosten van de aanleg van elektronische hogesnelheidscommunicatienetwerken te verlagen (COM(2013)0147),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0313/2013),

A.  overwegende dat het regelgevingskader voor elektronische communicatie in de Unie het laatst werd gewijzigd in 2009, op basis van voorstellen die in 2007 werden ingediend na jaren voorbereidingswerk;

B.  overwegende dat de omzetting van de wijzigingen uit 2009 door de lidstaten voor 25 mei 2011 moest plaatsvinden en door de laatste lidstaat werd voltooid in januari 2013;

C.  overwegende dat de manier waarop elke nationale reguleringsinstantie (NRI) het kader toepast voor enige interpretatie vatbaar is, waardoor bij de beoordeling van de doeltreffendheid van het kader rekening kan worden gehouden met de voorwaarden waaronder het kader in de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd;

D.  overwegende dat de verschillen in de handhaving en uitvoering van het regelgevingskader hebben geleid tot hogere kosten voor de exploitanten die in meer dan een land actief zijn, waardoor investeringen in en de ontwikkeling van een interne telecommarkt worden belemmerd;

E.  overwegende dat de Commissie geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een ​​beschikking houdende vaststelling van transnationale markten zoals gespecificeerd in artikel 15, lid 4, van de Kaderrichtlijn, aan te nemen;

F.  overwegende dat pan-Europese zakelijke gebruikers niet zijn herkend als een apart marktsegment, met als gevolg een gebrek aan gestandaardiseerde aanbiedingen voor grootgebruik, onnodige kosten en een versnipperde interne markt;

G.  overwegende dat het kader tot doel heeft een mededingings-, investerings- en innovatie-ecosysteem te bevorderen dat bijdraagt tot de ontwikkeling van de interne communicatiemarkt in het belang van consumenten en bedrijven, en in het bijzonder Europese bedrijven, in die sector;

H.  overwegende dat het regelgevingskader als een samenhangend geheel dient te worden gehandhaafd;

I.  overwegende dat de Commissie, volgens de beginselen van een betere regelgeving, verplicht is om het kader periodiek te herzien om ervoor te zorgen dat het gelijke tred houdt met de ontwikkelingen op het vlak van technologie en op de markt;

J.  overwegende dat de Commissie, in plaats van het regelgevingskader verder te ontwikkelen, parallel een aantal individuele initiatieven heeft uitgewerkt, met de "digitale interne markt" als laatste nieuwe verschijningsvorm;

K.  overwegende dat de Commissie haar voornemen heeft geuit om de Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie en de Aanbeveling betreffende relevante markten te herzien, maar dat zij nog niet voornemens is de andere onderdelen van het regelgevingskader te herzien;

L.  overwegende dat de Commissie de universeledienstverplichtingen niet meer heeft bijgewerkt sinds 1998, ondanks het verzoek daartoe dat in 2009 in de Richtlijn Burgerrechten werd opgenomen;

M.  overwegende dat een relevant, stabiel en samenhangend kader van essentieel belang is om investeringen, innovatie en mededinging, en zo diensten van betere kwaliteit te stimuleren;

N.  overwegende dat een collectieve bottom-upbenadering die uitgaat van de NRI's doeltreffend is gebleken om een gemeenschappelijke rechtspraak ten aanzien van de regelgeving te bevorderen;

O.  overwegende dat een functionele scheiding, dat wil zeggen de verplichting voor een verticaal geïntegreerde exploitant om de activiteiten in verband met het aanbieden aan grootgebruikers van relevante toegangsproducten in een onafhankelijk opererende interne bedrijfsafdeling onder te brengen, een laatste oplossing blijft;

P.  overwegende dat effectieve en duurzame concurrentie mettertijd een belangrijke drijfkracht voor efficiënte investeringen is;

Q.  overwegende dat het regelgevingskader concurrentie heeft bevorderd in het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en -diensten, ten voordele van de consument;

R.  overwegende dat de bevordering van de concurrentie bij het aanbieden van elektronische-communicatienetwerken en -diensten samen met de bevordering van investeringen een van de belangrijkste beleidsdoelstellingen is van artikel 8 van de Kaderrichtlijn;

S.  overwegende dat ondanks de vooruitgang die wordt geboekt, de EU slechts kleine stapjes neemt om de doelstellingen inzake breedbandverbindingen van de digitale agenda binnen het beoogde tijdschema te realiseren;

T.  overwegende dat de uitrol van zeer snelle internettoegang vooruitgang boekt, met 54% van de Europese huishoudens met toegang tot meer dan 30 Mbps, maar dat de Europese consument slechts aarzelend gebruik maakt van dit type toegang (amper 4,2 % van de huishoudens); overwegende dat de uitrol van ultrasnelle internettoegang (meer dan 100 Mbps) traag verloopt, en dat deze internetverbindingen slechts 3,4% van alle vaste verbindingen uitmaken en dat er weinig vraag lijkt te zijn bij de gebruikers, aangezien slechts 2% van de gezinnen voor dit soort verbinding kiest(1) ;

U.  overwegende dat transparantie alleen in het beheer van het netwerkverkeer geen garantie is voor neutraliteit van het internet;

V.  overwegende dat de vraagstukken rond de concurrentie tussen aanbieders van elektronische-communicatiediensten onderling, en tussen deze aanbieders en aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij aandacht verdienen, met name wat de ondermijning van het open karakter van het internet betreft;

W.  overwegende dat er bij vele netwerken nog steeds belemmeringen voor concurrentie bestaan; overwegende dat men er niet in geslaagd is het beginsel van netneutraliteit te definiëren en toe te passen om non-discriminatie van diensten voor eindgebruikers te waarborgen;

X.  overwegende dat de ontwikkeling van 4G in Europa is belemmerd door een gebrek aan coördinatie bij de radiospectrumtoewijzingen, en in het bijzonder de vertraging in de lidstaten bij de vergunningsprocedure om per 1 januari 2013 het gebruik van de 800 MHz-band voor elektronische communicatiediensten toe te staan, als bepaald in het programma voor het radiospectrumbeleid;

Y.  overwegende dat in het programma voor het radiospectrumbeleid de Commissie wordt verzocht het gebruik van het spectrum tussen 400 MHz en 6 GHz te onderzoeken en na te gaan of extra spectrum kan worden vrijgemaakt en beschikbaar gesteld voor nieuwe toepassingen, zoals bijvoorbeeld de 700 Mhz-band;

Z.  overwegende dat innovatie en de ontwikkeling van nieuwe technologieën en infrastructuren in overweging moeten worden genomen bij de beoordeling van de impact van het juridische kader op de mogelijkheden die de gebruikers en consumenten worden geboden;

AA.  overwegende dat het kader neutraal dient te blijven en dat gelijkwaardige diensten aan dezelfde regels onderworpen dienen te worden;

1.  betreurt de vertraging bij de omzetting door de lidstaten van de wijziging uit 2009 van het regelgevingskader voor elektronische communicatie en vestigt de aandacht op de versnippering van de interne communicatiemarkt als gevolg van de uiteenlopende toepassing van het regelgevingskader in de 28 lidstaten;

2.  onderstreept dat er weliswaar heel wat vorderingen zijn geboekt met de verwezenlijking van de doelstellingen van het kader, maar de EU-telecommarkt langs nationale grenzen blijft opgedeeld, waardoor bedrijven en burgers maar moeilijk echt kunnen profiteren van de interne markt;

3.  is van mening dat alleen met een concurrerende Europese markt in snelle breedbanddiensten innovatie, economische groei en nieuwe werkgelegenheid kunnen worden gestimuleerd en concurrerende prijzen kunnen worden aangeboden aan de eindgebruikers;

4.  is van mening dat bij de volgende herziening moet worden geprobeerd om het kader verder te ontwikkelen, om zo eventuele zwakke punten weg te werken en de ontwikkelingen op de markt, de samenleving en in de technologie en toekomstige trends in aanmerking te nemen;

5.  is van mening dat bij een herziening van het volledige regelgevingskader aandacht moet worden besteed aan de volgende aspecten:

   (i) de achterstallige herziening van de universeledienstverplichtingen, waarbij ook de verplichte toegang tot breedbandinternet tegen een eerlijke prijs wordt betrokken om rekening te houden met de urgente noodzaak de digitale kloof te dichten, en om de beperkingen die zijn vastgelegd in de richtsnoeren voor overheidssteun aan te pakken, om dit doel te kunnen bereiken;
   (ii) de bevoegdheid van NRI's voor alle vraagstukken die in het kader aan bod komen, waaronder ook het spectrum; de bevoegdheden die aan de NRI's worden verleend in de lidstaten en de overeenkomstige reikwijdte van de onafhankelijkheidseis voor NRI's;
   (iii) samenwerking tussen de NRI's en de nationale mededingingsautoriteiten;
   (iv) de symmetrische verplichtingen met betrekking tot netwerktoegang (artikel 12 Kaderrichtlijn), aangezien de NRI's in sommige lidstaten geen zulke regelgevingsbevoegdheid hebben gekregen;
   (v) de voorschriften inzake hefboomeffecten (artikel 14 Kaderrichtlijn) en collectieve machtsposities (bijlage II bij de Kaderrichtlijn), aangezien de NRI's die instrumenten ondanks de wijzigingen van 2009 nog steeds moeilijk te gebruiken vinden;
   (vi) de marktherzieningsprocessen;
   (vii) impact van diensten die volledig vervangbaar zijn door diensten die worden aangeboden door traditionele aanbieders; in bepaalde gevallen is enige toelichting bij de reikwijdte van de technologische neutraliteit van het kader nodig, alsmede over de tweedeling tussen de diensten die onder de regeling van de "informatiemaatschappij" en diensten die onder "elektronische communicatiediensten" vallen;
   (viii) de noodzaak om overbodige regelgeving af te schaffen;
   (ix) het opheffen van regelgeving, mits een marktanalyse heeft aangetoond dat de markt daadwerkelijk concurrerend is, en dat er procedures en middelen bestaan voor langdurige monitoring;
   (x) de NRI's de mogelijkheid geven verslag te leggen over hun ervaring met niet-discriminatieverplichtingen en oplossingen;
   (xi) de doeltreffendheid en werking van de procedures uit artikel 7/7 bis ("mederegulering"): hoewel zowel de Commissie als BEREC het er over het algemeen over eens zijn dat de NRI's goed werken en voor een goed evenwicht zorgen, is de Commissie van mening dat de NRI's in sommige gevallen niet al hun regelgevingsmaatregelen bijstellen of bepaalde maatregelen te traag invoeren en klaagt BEREC over de tijdsdruk;
   (xii) de situatie waarin fase II van de procedure niet wordt ingezet doordat een NRI zijn ontwerpmaatregel intrekt of waarin een NRI geen oplossing voorstelt voor een probleem dat op een bepaalde markt is vastgesteld, waarbij een inbreukprocedure de enige oplossing is: er zou voor beide gevallen een manier moeten bestaan om de nodige procedure overeenkomstig artikel 7/7 bis in te zetten;
   (xiii) de doeltreffendheid en werking van de procedure uit artikel 19: de Commissie heeft haar bevoegdheden uit artikel 19 twee keer gebruikt (NGA-aanbeveling in september 2010 en de Aanbeveling inzake niet-discriminatie en kostenberekeningsmethoden); aangezien er voor de procedure overeenkomstig artikel 19 geen tijdspad is vastgelegd, in tegenstelling tot voor artikel 7/7 bis, verliep de regelgevingsdialoog tussen BEREC en de Commissie niet zo vlot, wat aanleiding gaf tot klachten bij BEREC omdat het zijn advies binnen een erg kort tijdsbestek moest uitbrengen en bij de Commissie omdat bepaalde NRI's lang aarzelden tijdens de opstellings- en tenuitvoerleggingsperiode;
   (xiv) pan-Europese diensten en exploitanten, waarbij rekening moet worden gehouden met de (onbenutte) bepaling van artikel 15, lid 4, van de Kaderrichtlijn die de Commissie de mogelijkheid biedt om transnationale markten vast te stellen; er moet meer aandacht worden gegeven aan concurrentie bij het aanbieden van communicatiediensten voor bedrijven in de EU en aan de effectieve en consistente toepassing van oplossingen op bedrijfsniveau in heel de EU;
   (xv) transnationale markten vaststellen, in eerste instantie ten minste met betrekking tot diensten voor bedrijven; aanbieders in staat stellen BEREC ervan in kennis te stellen dat zij diensten willen verlenen aan deze markten en toezicht houden door BEREC op aanbieders die diensten verlenen aan deze markten;
   (xvi) BEREC en zijn werking en de uitbreiding van de reikwijdte van zijn bevoegdheden;
   (xvii) vrije toegang tot inhoud, zonder discriminatie, overeenkomstig artikel 1, lid 3 bis, van de Kaderrichtlijn en netneutraliteit, zoals bepaald in artikel 8, lid 4, onder g), van de Kaderrichtlijn;
   (xviii) de aanbeveling inzake relevante markten;
   (xix) de regelgeving inzake apparatuur, met inbegrip van het bundelen van apparatuur en besturingssystemen;
   (xx) recente wereldwijde ontwikkelingen in cyberveiligheid en cyberspionage en de verwachtingen van de Europese burgers ten aanzien van de eerbiediging van hun privacy bij het gebruik van elektronische communicatie en diensten van de informatiemaatschappij; en
   (xxi) het feit dat het internet een cruciale infrastructuur is geworden voor een breed scala van economische en sociale activiteiten;

6.  is van mening dat de herziening onder meer de volgende belangrijkste doelstellingen moet hebben:

   (i) ervoor zorgen dat volledig substitueerbare diensten aan dezelfde voorschriften zijn onderworpen; met het oog hierop moet de definitie van elektronische-communicatiedienst van artikel 2, onder c), van de Kaderrichtlijn in aanmerking worden genomen;
   (ii) ervoor zorgen dat consumenten toegang hebben tot volledige en begrijpelijke informatie over internetsnelheden zodat zij opties van verschillende aanbieders kunnen vergelijken;
   (iii) verder bevorderen van effectieve en duurzame concurrentie, die de belangrijkste drijfkracht voor efficiënte investeringen is;
   (iv) de concurrentie vergroten op de Europese markt voor snelle breedbanddiensten;
   (v) een stabiel en duurzaam kader verschaffen voor investeringen;
   (vi) zorgen voor een geharmoniseerde, consequente en effectieve toepassing;
   (vii) de ontwikkeling van pan-Europese aanbieders en het aanbieden van grensoverschrijdende diensten aan bedrijven vergemakkelijken;
   (viii) ervoor zorgen dat het kader aangepast is aan het digitale tijdperk en een internet-ecosysteem biedt dat de gehele economie optimaal ondersteunt, en
   (ix) het vertrouwen van de gebruiker in de interne communicatiemarkt vergroten, onder meer door maatregelen ter uitvoering van het toekomstige regelgevingskader voor de bescherming van persoonsgegevens, en maatregelen ter verbetering van de veiligheid van de elektronische communicatie op de interne markt;

7.  is van mening dat het kader als overkoepelend doel moet blijven hebben een sectoraal ecosysteem voor mededinging en investeringen te bevorderen dat voordelen oplevert voor consumenten en gebruikers en de totstandbrenging van een werkelijke interne communicatiemarkt stimuleert en het algemene concurrentievermogen van de Unie bevordert;

8.  wijst erop dat het regelgevingskader samenhangend, relevant en doeltreffend moet blijven;

9.  is van mening dat het kader moet bijdragen tot de doelstelling een samenhang te handhaven en regelgevingszekerheid te bieden, ten behoeve van een eerlijke en evenwichtige concurrentie waarin de Europese spelers allen kans maken; is van mening dat alle door de Commissie voorgestelde voorzieningen, zoals de Europese vergunning, consumentenaspecten en technische regelingen voor spectrumveilingen, een belangrijke rol kunnen spelen voor de creatie van een interne communicatiemarkt, maar dat zij in het licht van deze doelstelling moeten worden beoordeeld; is van mening dat de in dit document gewenste procedure voor de herziening van het kader als vooruitgang voor de Europese digitale economie moet worden beschouwd en dus moet worden uitgevoerd door middel van een consistente en geprogrammeerde aanpak;

10.  benadrukt dat non-discriminatie van informatie in de verzend-, doorgeef- en ontvangstfase noodzakelijk is voor het stimuleren van innovatie en opheffen van toetredingsbelemmeringen;

11.  benadrukt dat er potentieel is voor anticoncurrerend en discriminerend gedrag in het communicatieverkeersbeheer; dringt er daarom bij de lidstaten op aan alle mogelijke schendingen van de netneutraliteit te voorkomen;

12.  merkt op dat de bepalingen op grond waarvan de nationale reguleringsinstanties kwalitatief verantwoorde dienstverlening dwingend kunnen opleggen in geval van concurrentieverstorende blokkades of restricties op de dienstverlening, in combinatie met transparantere contracten krachtige instrumenten zijn om te waarborgen dat de consumenten toegang krijgen tot de diensten waaraan zij de voorkeur geven en dat zij deze ook kunnen gebruiken;

13.  onderstreept dat prioritering van kwaliteitsdiensten van begin- tot eindpunt naast optimale dienstverlening ten koste zou kunnen gaan van het netneutraliteitsbeginsel; verzoekt de Commissie en de toezichthouders deze tendensen nauwgezet te volgen en eventueel daadwerkelijk gebruik te maken van de instrumenten ter waarborging van de kwaliteit van de dienstverplichtingen waarin artikel 22 van de Richtlijn inzake de universele dienst en gebruikersrechten voorziet; verzoekt bijkomende wetgevingsmaatregelen op EU-niveau te overwegen, indien nodig;

14.  benadrukt dat er ter bevordering van de innovatie, ter verruiming van de keuze van de consument, ter beperking van de kosten en ter verbetering van de efficiëntie bij de aanleg van elektronische hogesnelheidscommunicatie-infrastructuur, een mix van diverse voorzieningen en beschikbare technologieën moet worden bestudeerd en aan de consument aangeboden, om aldus te voorkomen dat de dienstverlening eronder lijdt, de netwerktoegang wordt geblokkeerd en het netwerkverkeer wordt vertraagd;

15.  benadrukt dat de bevoegde nationale instanties ernaar moeten streven regelgevende beginselen, procedures en voorwaarden voor spectrumgebruik toe te passen die Europese aanbieders van elektronische communicatie niet belemmeren om netwerken en diensten aan te bieden in verschillende lidstaten of in de gehele Unie;

16.  is ervan overtuigd dat meer coördinatie met betrekking tot het spectrum, in combinatie met de toepassing van gemeenschappelijke beginselen voor het recht van gebruik van het spectrum in de gehele Unie, een belangrijke oplossing zou zijn om het gebrek aan voorspelbaarheid ten aanzien van spectrumbeschikbaarheid aan te pakken, waardoor investeringen en economische schaalvoordelen gestimuleerd zouden worden;

17.  benadrukt dat aanmoedigingspremies en/of het intrekken van het gebruiksrecht wanneer nagelaten wordt het betreffende radiospectrum te gebruiken, belangrijke maatregelen zouden kunnen zijn om voldoende geharmoniseerd radiospectrum vrij te maken om draadloze breedbanddiensten met een hoge capaciteit te stimuleren;

18.  benadrukt dat een pan-Europese veiling van 4 en 5G draadloze diensten, met een beperkt aantal licentiehouders die gezamenlijk het gehele grondgebied van de EU bedienen, pan-Europese draadloze diensten mogelijk zou maken, waardoor de fundamenten van roaming worden ondergraven;

19.  roept de lidstaten ertoe op een veel hogere prioriteit te geven aan de consumentenaspecten van elektronische communicatie; wijst er met nadruk op dat goed functionerende markten, met goed geïnformeerde en zelfbewuste consumenten, de ruggengraat vormen van de gehele EU-markt;

20.  wijst erop dat, aangezien consumenten steeds vaker de voorkeur geven aan pakketcontracten voor meerdere diensten tegelijk, het uitermate belangrijk is dat de voorschriften met betrekking tot de actualisering van informatie over precontractuele overeenkomsten en bestaande contracten strikt worden gehandhaafd;

21.  onderstreept de noodzaak tot verscherping van de eisen met betrekking tot consumentenvoorlichting omtrent dienstverleningsrestricties, toestelsubsidies en communicatieverkeersbeheer; verzoekt de lidstaten en de Commissie het verbod op misleidende reclame consistent af te dwingen;

22.  onderstreept dat het sluiten van pakketcontracten overschakeling op een andere aanbieder in de weg kunnen staan, en verzoekt de Commissie en BEREC een onderzoek in te stellen naar de concurrentieverstorende aspecten die hieraan kunnen zijn verbonden;

23.  merkt op dat er zich gevallen hebben voorgedaan waarbij telefoonmaatschappijen de tetheringfunctie van mobiele consumententelefoons (waarbij deze kunnen worden ingezet als router of hotspot) hebben beperkt, hoewel het met de consument gesloten contract voorziet in ongelimiteerd datagebruik; vraagt derhalve de Commissie en het BEREC een onderzoek in te stellen naar potentieel misleidende reclame en de behoefte aan meer duidelijkheid op dit gebied;

24.  wijst erop dat het met het oog op een dynamische markt van belang is op andere aanbieders te kunnen overstappen en nummerportabiliteit te faciliteren, en dat contractuele transparantie en voorlichting van de consument over contractuele aanpassingen eveneens essentieel zijn; betreurt het dat de portabiliteitsdoestellingen niet worden gehaald, en roept de Commissie en het BEREC op de nodige stappen te ondernemen;

25.  spreekt zijn steun uit voor de lidstaten die strengere eisen hebben ingevoerd met betrekking tot gelijkwaardige toegang voor gehandicapte gebruikers, en roept alle lidstaten op dat voorbeeld te volgen; roept het BEREC ertoe op de bevordering van de voorschriften en de toegang voor gehandicapte gebruikers te verbeteren;

26.  complimenteert alle lidstaten dat zij uitvoering hebben gegeven aan het gemeenschappelijke alarmnummer 112; dringt aan op verbeteringen ten aanzien van de responstijd die nodig is om oproepers te lokaliseren; wijst erop dat sommige lidstaten reeds technologieën hebben uitgewerkt waarmee oproepers vrijwel onmiddellijk kunnen worden gelokaliseerd;

27.  is ingenomen met de activiteiten van de Commissie met het oog op de praktische implementatie van de 116-nummers, en met name van het telefonisch meldpunt voor vermiste kinderen (116000); dringt erop aan dat de Commissie meer ruchtbaarheid geeft aan deze nummers;

28.  stelt vast dat de Commissie haar voornemen tot invoering van een pan-Europees telefoonnummersysteem heeft laten varen;

29.  wijst op de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt bij het verstrekken van universele breedbandtoegang op basisniveau, maar merkt op dat daarbij sprake is van markante verschillen; spoort de lidstaten ertoe aan de doelstellingen van de digitale agenda te verwezenlijken door het stimuleren van particuliere en het mobiliseren van overheidsinvesteringen in nieuwe netwerkcapaciteit;

30.  benadrukt dat vanwege de toenemende hoeveelheden gegevens, de beperkte beschikbaarheid van spectrumruimte en de convergentie van technologieën, apparatuur en inhoud een intelligent beheer van het gegevensverkeer vereist is, alsook verschillende verspreidingsmethoden, zoals samenwerking tussen de digitale terrestrische omroep en draadloze breedbandnetwerken;

31.  benadrukt dat een eventuele herziening gebaseerd moet zijn op uitvoerig overleg met alle belanghebbende partijen en op een grondige analyse van alle vraagstukken;

32.  verzoek de Commissie daartoe om de volgende herziening van het volledige kader te lanceren om zo een grondig debat mogelijk te maken tijdens de volgende zittingsperiode van het Parlement;

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) SWD(2013)0217 Digital agenda scoreboard, blz. 43.

Laatst bijgewerkt op: 29 januari 2016Juridische mededeling