Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2066(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0349/2013

Ingediende teksten :

A7-0349/2013

Debatten :

PV 09/12/2013 - 21
CRE 09/12/2013 - 21

Stemmingen :

PV 10/12/2013 - 9.1

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0545

Aangenomen teksten
PDF 219kWORD 88k
Dinsdag 10 december 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Genderaspecten van het Europees kader van nationale strategieën voor de integratie van Roma
P7_TA(2013)0545A7-0349/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 10 december 2013 over genderaspecten van het Europees kader van nationale strategieën voor de integratie van Roma (2013/2066(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 1, 14, 15, 21, 23, 24, 25, 34 en 35,

–  gezien internationale wetgeving inzake mensenrechten, in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, de VN-Verklaring uit 1992 inzake de rechten van tot nationale of etnische, religieuze en taalminderheden behorende personen, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind,

–  gezien de Europese verdragen tot bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met name het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Europees Sociaal Handvest en de aanverwante aanbevelingen van het Europees Comité voor sociale rechten, het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden van de Raad van Europa, en het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–  gezien de artikelen 2, 3 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 8, 9 en 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011)0173) en de conclusies van de Europese Raad van 24 juni 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Nationale strategieën voor de integratie van de Roma: eerste stap van de uitvoering van het EU-kader (COM(2012)0226),

–  gezien het voorstel voor een aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (COM(2013)0460),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Verdere stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor de integratie van de Roma (COM(2013)0454),

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1) ,

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2) ,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2006 over de situatie van de Roma in de Europese Unie(3) ,

–  gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(4) ,

–  gezien de analyse van de resultaten van het Roma-onderzoek op grond van geslacht van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), die het FRA heeft verstrekt na een verzoek overeenkomstig artikel 126 van het Reglement,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0349/2013),

A.  overwegende dat de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 van de Commissie vereist dat zij "de bevordering van gendergelijkheid ondersteunt bij de tenuitvoerlegging van alle aspecten van de Europa 2020-strategie" en overwegende dat er in de conclusies van de Raad met betrekking tot een EU-kader voor nationale strategieën voor de integratie van de Roma (NRIS) op wordt aangedrongen "dat in alle beleidsmaatregelen en acties ter bevordering van de integratie van Roma een genderperspectief wordt opgenomen";

B.  overwegende dat Roma-vrouwen vaak geconfronteerd worden met meervoudige en intersectorale discriminatie op basis van geslacht en etnische afstamming - die jegens Roma-vrouwen intenser van aard is dan jegens niet-Roma-vrouwen - en met beperkte toegang tot de arbeidsmarkt, onderwijs, gezondheidszorg, sociale voorzieningen en besluitvormingsprocessen; overwegende dat Roma-vrouwen vaak het slachtoffer zijn van racisme, vooroordelen en stereotypen, hetgeen een negatief effect heeft op hun werkelijke integratie;

C.  overwegende dat Roma-vrouwen onderworpen zijn aan patriarchale en seksistische tradities die hun keuzevrijheid bij de fundamentele beslissingen van hun leven, zoals met betrekking tot onderwijs, werk, seksuele en reproductieve gezondheid en zelfs het huwelijk, beknotten; overwegende dat discriminatie van Roma-vrouwen niet kan worden gerechtvaardigd op grond van traditie, maar moet worden aangepakt met respect voor traditie en diversiteit;

D.  overwegende dat Roma-vrouwen een groter risico lopen om in armoede te vervallen dan Roma-mannen, terwijl Roma-families met vier of meer kinderen in de EU het grootste risico lopen om in armoede terecht te komen;

E.  overwegende dat gewoonlijk gehanteerde indicatoren de neiging hebben bepaalde problemen te veronachtzamen zoals armoede onder werkenden, energiearmoede, geweld tegen vrouwen en meisjes, de armoede van grote gezinnen en alleenstaande ouders, armoede onder kinderen en de sociale uitsluiting van vrouwen;

F.  overwegende dat oudere Roma-vrouwen een groter risico op armoede lopen vanwege het feit dat zij in meerderheid werkzaam zijn geweest in de informele economie waarbij zij geen vergoeding ontvingen noch waren aangesloten bij het socialezekerheidsstelsel;

G.  overwegende dat de overgrote meerderheid van als "inactief" geclassificeerde volwassen Roma uit vrouwen bestaat en dat - deels vanwege de traditionele arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen en vanwege het op de Europese arbeidsmarkten bestaande racisme en seksisme - slechts half zoveel Roma-vrouwen op arbeidsactieve leeftijd een betaalde baan hebben als Roma-mannen, waarbij dezelfde cijfers gelden met betrekking tot zelfstandig ondernemen;

H.  overwegende dat uit gegevens van alle landen blijkt dat Roma-vrouwen ernstige uitsluiting ondervinden op het vlak van werkgelegenheid evenals discriminatie op de werkvloer wanneer zij een baan zoeken of ergens werkzaam zijn; overwegende dat Roma-vrouwen eveneens uitgesloten blijven van de formele economie en gehinderd worden door beperkte kansen in het onderwijs, ontoereikende huisvesting, slechte gezondheidszorg, traditionele genderpatronen en algemene marginalisatie evenals discriminatie door meerderheidsgemeenschappen; overwegende dat de nationale verslagen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor NRIS desalniettemin nog steeds onvoldoende aandacht besteden aan het aspect van gendergelijkheid;

I.  overwegende dat het beduidend moeilijker is voor moeders van grote gezinnen of alleenstaande moeders om op grotere afstand van hun huis en gezin te werken in kansarme plattelandsstreken;

J.  overwegende dat de geletterdheid en de onderwijsresultaten van Roma-vrouwen aanzienlijk achterblijven bij die van zowel Roma-mannen als niet-Roma-vrouwen, en overwegende dat de meerderheid van Roma-meisjes de school vroegtijdig verlaat, terwijl een significant deel van hen nooit naar school is geweest;

K.  overwegende dat de economische crisis een negatief effect heeft gehad op de gezondheid en het welzijn van Roma-vrouwen, waardoor hun reeds sinds lange tijd onaanvaardbare situatie - meer dan een kwart van alle Roma-vrouwen wordt in de dagelijkse activiteiten belemmerd door gezondheidsproblemen - verder is verslechterd;

L.  overwegende dat de gebrekkige eerbiediging van alomvattende seksuele en reproductieve rechten, met inbegrip van toegang tot contraceptie, een belemmering vormt voor de empowerment van Roma-vrouwen en gendergelijkheid, en leidt tot ongeplande zwangerschappen, waaronder tienerzwangerschappen, hetgeen de onderwijs- en arbeidskansen van meisjes ondermijnt; overwegende dat vroegtijdig moederschap grotendeels een gevolg is van het gebrek aan passende toegang tot sociale voorzieningen en ontoereikende gezondheidszorgstructuren die niet inspelen op de behoeften van Roma-vrouwen;

M.  overwegende dat Roma-vrouwen als gevolg van hun lage sociaaleconomische status en de discriminatie die zij in de gezondheidszorg ondervinden, zich in het geheel niet bewust zijn van de meeste van hun rechten en zich veel minder vaak tot medische instanties wenden dan de meerderheid van de bevolking;

N.  overwegende dat Roma-vrouwen en -meisjes onevenredig vaak worden getroffen door diverse ziekten - met inbegrip van HIV/AIDS - maar dat preventieprogramma's voor deze groepen gewoonlijk een lage prioriteit en onvoldoende financiering krijgen, terwijl de toegankelijkheid van screeningprogramma's beperkt blijft;

O.  overwegende dat Roma-vrouwen als gevolg van extreme armoede, genderongelijkheid en interne discriminatie een hoger risico lopen te worden blootgesteld aan mensenhandel, prostitutie, huiselijk geweld en uitbuiting, terwijl zij op bijkomende belemmeringen stuiten bij de toegang tot bescherming;

P.  overwegende dat een groot aantal Roma-vrouwen slachtoffer is van huiselijk geweld door hun echtgenoten, schoonfamilie en andere familieleden; overwegende dat het merendeel van het geweld en de schendingen van de mensenrechten tegen Roma-vrouwen niet wordt gemeld, als gevolg van het feit dat geweld tegen vrouwen in patriarchale samenlevingen nog altijd aanvaard wordt als een legale vorm van machtsuitoefening maar ook omdat plegers van geweld tegen vrouwen zelden rekenschap hoeven af te leggen voor hun daden, hetgeen vrouwen ontmoedigt om juridische bijstand te zoeken;

Q.  overwegende dat geweld tegen Roma-vrouwen frequent wordt begaan door overheden in alle EU-lidstaten in de vorm van ernstige discriminatie en duidelijke schendingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; overwegende dat dit geweld verschillende vormen aan kan nemen zoals de verzameling en opslag in registers van gegevens van de Roma-bevolking, met inbegrip van kinderen, uitsluitend op basis van etnische achtergrond, of het uitzetten van honderden mensen zonder een toereikend alternatief voor huisvesting of steun te bieden, hetgeen beschamende en harteloze praktijken zijn die volledig voorbijgaan aan de verplichtingen van de lidstaten op het vlak van internationale mensenrechten;

R.  overwegende dat alle EU-instellingen en lidstaten de verantwoordelijkheid dragen om geweld tegen vrouwen en meisjes uit te roeien en, eveneens, om een einde te maken aan de straffeloosheid, door daders van haatmisdrijven, haatpropaganda, discriminatie en geweld tegen Roma-vrouwen en -meisjes gerechtelijk te vervolgen;

S.  overwegende dat Richtlijn 2000/43/EG van de Raad discriminatie op grond van ras of etnische afkomst verbiedt; overwegende dat de Commissie al circa 30 inbreukprocedures heeft ingeleid tegen lidstaten omdat zij de richtlijn inzake rassengelijkheid niet op adequate wijze in hun nationale wetgeving hebben omgezet;

1.  benadrukt dat nationale strategieën voor de integratie van Roma (NRIS) erop dienen te zijn gericht Roma-vrouwen de kracht te geven hun leven zelf in handen te nemen door zichtbare factoren van verandering te worden binnen hun gemeenschap en door hun stem te laten horen teneinde invloed te kunnen uitoefenen op het beleid en de programma's die voor hen van belang zijn, alsook op de verbetering van de sociaaleconomische veerkracht van Roma-vrouwen, dat wil zeggen hun vermogen zich aan te passen aan het snel veranderende economische klimaat, door besparingen te realiseren en een vermindering van bezittingen te voorkomen;

2.   is ingenomen met het voortgangsverslag 2012 van de Commissie(5) en het voorstel voor een aanbeveling van de Raad van 26 juni 2013 over effectieve maatregelen ter bevordering van de integratie van de Roma in de lidstaten(6) , waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan toegang tot werkgelegenheid, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg en waarin de lidstaten worden opgeroepen om positieve actie te ondernemen en om strategieën voor de integratie van de Roma te integreren in hun strijd tegen armoede en sociale uitsluiting;

3.  verzoekt die lidstaten die daarnaast landenspecifieke aanbevelingen hebben gekregen in het kader van het Europees semester met betrekking tot Roma-vraagstukken om deze aanbevelingen snel uit te voeren en discriminatie, onder meer op de werkplek, te bestrijden, om het maatschappelijk middenveld – met inbegrip van Roma-organisaties – bij de besluitvorming te betrekken en niet alleen EU-middelen maar ook nationale en andere middelen vrij te maken teneinde de uit de nationale strategieën voor de integratie van de Roma (NRIS) voortvloeiende verplichtingen na te komen;

4.  betreurt dat ondanks de goedkeuring van zijn resolutie over de situatie van de Roma-vrouwen in 2006 en de goedkeuring van de tien gemeenschappelijke grondbeginselen voor de integratie van de Roma door de Raad, waarbij een van de grondbeginselen verband houdt met genderbewustzijn, de kwetsbare situatie van Roma- en nomadenvrouwen in de praktijk nog niet is aangepakt door Europese en nationale beleidsmakers;

5.  benadrukt dat de doeltreffendheid van het EU-kader voor NRIS aanzienlijk kan worden vergroot door een nauwere betrokkenheid van de Commissie, op basis van haar potentieel om de kwaliteit van de regelgeving en andere instrumenten te verbeteren, een grotere beleidscoherentie te stimuleren en de overkoepelende doelstellingen van het kader te bevorderen;

6.  roept de lidstaten op om nationale actieplannen te ontwikkelen voor de volgende vier cruciale prioriteitsgebieden: gezondheidszorg, huisvesting, werkgelegenheid en opleiding, met specifieke doelstellingen en streefcijfers, financiering, indicatoren en tijdskaders; de vooruitgang dient te worden beoordeeld door de resultaten van de tenuitvoerlegging te meten;

7.  dringt er bij de regeringen en de lokale autoriteiten van de lidstaten op aan Roma-vrouwen via vrouwenorganisaties, Roma-ngo´s en relevante belanghebbenden te betrekken bij de voorbereiding, tenuitvoerlegging, evaluatie en monitoring van de NRIS, en verbanden tot stand te brengen tussen gendergelijkheidsinstanties of vrouwenrechtenorganisaties en strategieën inzake sociale integratie; dringt er voorts bij de Commissie op aan de gelijkheid tussen mannen en vrouwen coherent aan te pakken bij de tenuitvoerlegging van de EU 2020-strategie en de nationale hervormingsprogramma's;

8.  verzoekt de Commissie om een "stroomdiagram" te maken van het integratieproces van de Roma in de EU, met betrekking tot de prestaties, de doelstellingen en de specifieke maatregelen om deze te realiseren, de stand van zaken van de uitvoeringsmaatregelen en de volgende stappen;

9.  verzoekt de lidstaten de ruimtelijke segregatie, de gedwongen uitzetting en de dakloosheid van Roma-mannen en -vrouwen te bestrijden en om een doeltreffend en transparant huisvestingsbeleid op te zetten;

10.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te waarborgen dat de grondrechten van Roma-vrouwen en -kinderen worden geëerbiedigd en ervoor te zorgen dat Roma-vrouwen en -meisjes - onder meer via voorlichtingscampagnes - op de hoogte worden gebracht van hun rechten op grond van de bestaande nationale wetgeving inzake gendergelijkheid en discriminatie, en de strijd tegen patriarchale en seksistische tradities voort te zetten;

11.  verzoekt de Commissie om de institutionele verdeling van de taken en verantwoordelijkheden tussen de betrokken organisaties, fora en instanties vast te stellen, en om de rol van deze belanghebbenden - zoals de Roma Task Force van de Commissie, het netwerk van nationale contactpunten, het Europees Roma-platform, het EU-bureau voor de grondrechten en zijn ad-hocgroep voor de integratie van de Roma - bij het toezicht op en de controle en de coördinatie van het EU-kader voor NRIS duidelijk te definiëren;

12.  verzoekt de Commissie om de NRIS te ondersteunen door gemeenschappelijke, vergelijkbare en betrouwbare indicatoren te zoeken en een "dashboard" voor indicatoren voor de integratie van de Roma in de EU te ontwikkelen, teneinde duidelijke en ondubbelzinnige gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de voortgang kan worden gemeten, alsook om te voldoen aan de eis van doeltreffend toezicht;

13.  verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat bezuinigingsmaatregelen geen onevenredig groot effect hebben op Roma- en nomadenvrouwen, en dat bij begrotingsbeslissingen rekening wordt gehouden met de beginselen van de mensenrechten;

14.  verzoekt de Commissie om de lidstaten aan te sporen om prestatie-indicatoren, uitgangswaarden en centrale streefcijfers op te nemen in hun nationale strategieën voor de belangrijkste prioritaire gebieden, op basis waarvan de vooruitgang kan worden gemeten;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat naar gender en etniciteit uitgesplitste gegevens door alle overheden worden verzameld en worden gebruikt als inspiratiebron voor beleidsontwikkeling; wijst erop dat gegevensverzameling moet plaatsvinden in overeenstemming met de desbetreffende mensenrechtenbeginselen;

16.  dringt er bij de lidstaten op aan hun nationale beleidstoezeggingen te koppelen aan toereikende financiële middelen voor de tenuitvoerlegging van NRIS, alsmede in hun nationale begrotingsbeleid rekening te houden met hun integratiestrategieën;

17.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan een toereikend kader in te stellen voor raadpleging, het leren van gelijken en het uitwisselen van ervaringen tussen beleidsmakers en Roma-organisaties, en een structurele dialoog op te starten om Roma-organisaties en ngo's te betrekken bij de planning, tenuitvoerlegging, monitoring en evaluatie van Europese, nationale en lokale integratiestrategieën voor de Roma;

18.  dringt er bij de lidstaten op aan te zorgen voor gelijkheid met betrekking tot burgerrechten en gelijke toegang tot gezondheidsdiensten, onderwijs, werkgelegenheid en huisvesting waarbij de mensenrechten en het beginsel van non-discriminatie worden geëerbiedigd en waarbij, in voorkomende geval, wordt gelet op de verenigbaarheid met een nomadische levensstijl;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de instrumenten van de geïntegreerde territoriale investeringen en door gemeenschappen geleide lokale-ontwikkelingsstrategieën in hun partnerschapsovereenkomsten op te nemen, om deze in te zetten voor onderontwikkelde microregio's en achtergestelde gebieden en om de door gemeenschappen geleide lokale-ontwikkelingsstrategieën op te nemen in de reeks te ontwikkelen operationele programma's;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de goedkeuring en tenuitvoerlegging van specifieke en alomvattende antidiscriminatiewetgeving in overeenstemming met internationale en Europese standaarden in alle lidstaten, teneinde te waarborgen dat antidiscriminatie-instanties uitgerust zijn om gelijke behandeling te bevorderen en beschikken over klachtenmechanismen die toegankelijk zijn voor Roma-vrouwen en -meisjes;

21.  dringt er bij de lidstaten op aan om in hun nationale strategieën meer nadruk te leggen op de territoriale aspecten van sociale integratie en om zich te richten op de meest achtergestelde microregio's door middel van samengestelde en geïntegreerde ontwikkelingsprogramma's;

22.  verzoekt de lidstaten zich tevens te richten op de stedelijke dimensie van het cohesiebeleid, met specifieke aandacht voor steden die onevenredig veel te maken hebben met sociale ongelijkheden zoals werkloosheid, sociale uitsluiting en polarisatie, en om deze steden te ondersteunen bij het ontwikkelen van hun infrastructuur teneinde hun potentiële bijdrage aan de economische groei te benutten en de banden tussen stedelijke en plattelandsgebieden sterker te maken met het oog op de bevordering van inclusieve ontwikkeling;

23.  dringt er bij de lidstaten op aan om bij de tenuitvoerlegging van hun NRIS meer aandacht te besteden aan genderkwesties, door op alle beleidsmaatregelen en praktijken die van invloed zijn op Roma-vrouwen een gendergelijkheidsperspectief toe te passen en de tenuitvoerlegging ervan te koppelen aan bestaande gendergelijkheidsstrategieën, in het bijzonder door het uitbannen van loonverschillen en pensioenverschillen tussen mannen en vrouwen binnen Roma-gemeenschappen en het uitroeien van geweld tegen vrouwen en meisjes tot expliciete doelstellingen te maken en hiertoe daadwerkelijke actie te ondernemen;

24.  dringt er bij de Raad, de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat specifieke maatregelen voor vrouwenrechten en gendermainstreaming worden opgenomen in de NRIS, dat hierin rekening wordt gehouden met een genderperspectief en de meervoudige en intersectorale discriminatie waar Roma-vrouwen mee te kampen hebben, met name in het werk, de gezondheidszorg, huisvesting en het onderwijs, alsook dat in de evaluatie en de jaarlijkse monitoring door de Commissie, en in het bijzonder door het bureau voor de grondrechten, rekening wordt gehouden met vrouwenrechten en het gendergelijkheidsperspectief in elk onderdeel van de NRIS; dringt erop aan dat deze bevindingen aan het Europees Parlement worden voorgelegd;

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat in de NRIS rekening wordt gehouden met de specifieke rechten en behoeften van Roma-vrouwen, en dat concrete indicatoren voor de tenuitvoerlegging, follow-up en monitoring ervan worden ontwikkeld, bijvoorbeeld op basis van de Gender Related Development Index (GDI) van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, waarin wordt gekeken naar aspecten als een lang en gezond leven, kennis en een behoorlijke levensstandaard, en de Gender Empowerment Measure (GEM), die de politieke participatie en besluitvorming, de economische participatie en besluitvorming en de zeggenschap over economische hulpbronnen omvat; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan genderbegroting te gebruiken als een van de instrumenten voor gendermainstreaming;

26.  dringt er bij de lidstaten op aan een nationaal toezichts- en evaluatiekader voor de NRIS te ontwikkelen dat aspecten omvat als begrotingstoezicht en andere vormen van toezicht door het maatschappelijk middenveld (uitgeoefend door nationale ngo's, ngo-netwerken of overkoepelende organisaties), beoordeling door deskundigen (uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen met bewezen expertise op dit domein) en administratieve monitoring;

27.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan gendereffectbeoordelingen uit te voeren bij het ontwerp van specifieke maatregelen in het kader van hun NRIS;

28.  dringt er bij de Commissie op aan effectievere instrumenten te introduceren voor het meten van de daadwerkelijke sociaaleconomische situatie van Roma-vrouwen, bijvoorbeeld door het kwantificeren van "de economie van het leven" en erkenning van de informele economie in het kader van haar "voorbij het BBP"-project; dringt er voorts bij de Commissie op aan genderspecifieke indicatoren te ontwikkelen en te monitoren met betrekking tot de NRIS en het beleid inzake sociale integratie;

29.  verzoekt ngo´s die op dit gebied werkzaam zijn in de lidstaten gepersonaliseerde actieplannen te ontwikkelen die erop zijn gericht vrouwen en jongeren aan het werk te helpen, psychologische ondersteuning te bieden om Roma aan te moedigen deel te nemen aan onderwijs en beroepsopleidingen en hun persoonlijke vaardigheden en competenties bloot te leggen teneinde de sociale integratie op de arbeidsmarkt te verbeteren; verzoekt hun tevens bemiddeling te bieden tussen de aanbieders van scholing/herscholing en werkgevers enerzijds, en de Roma-vrouwen/Roma-bevolking anderzijds vraagt hun om het opleidingsproces van Roma-vrouwen en -meisjes te stimuleren, door het toekennen van subsidies en beurzen, met respect voor het beginsel van gelijke kansen en rekening houdend met het feit dat meisjes op jongere leeftijd trouwen dan jongens;

30.  dringt er bij de lidstaten op aan hun maatregelen met name te richten op Roma-vrouwen die zich in een situatie van extreme sociaaleconomische achterstand bevinden en tegelijkertijd aandacht te besteden aan risicogroeperingen door verarming te voorkomen en aan te pakken;

31.  verzoekt de lidstaten om het aantal programma's voor Roma en nomaden en de zichtbaarheid ervan te verhogen, en om het aantal Roma- en nomadenbegunstigden uit te breiden, met inbegrip van specifieke steun voor nomaden- en Roma-organisaties die werken aan de empowerment van vrouwen en de toegang van ngo's tot de structuurfondsen;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om financiële mechanismen te ontwikkelen ter ondersteuning van de monitoring door het maatschappelijk middenveld en door de gemeenschap van het sociale-integratiebeleid en van initiatieven en projecten betreffende Roma- en nomadenvrouwen;

33.  roept de Commissie en de lidstaten op een streefdoel voor de vermindering van armoede onder kinderen op te nemen in het EU-proces voor de integratie van Roma, de rechten van kinderen te incorporeren in maatregelen voor sociale integratie, en prioritaire acties op dit terrein vast te stellen en te ontwikkelen;

34.  wijst erop dat marginalisatie al vanaf heel jonge leeftijd moet worden voorkomen; acht het van essentieel belang een aanpak te hanteren waarin aandacht wordt besteed aan verschillende generaties vrouwen om zo de overdracht van armoede van generatie op generatie een halt toe te roepen;

35.  dringt er bij de lidstaten op aan in hun NRIS op maat gesneden programma's op te nemen voor de actieve integratie van Roma-vrouwen op de arbeidsmarkt door Roma-vrouwen en -meisjes te verzekeren van toegang tot kwalitatief hoogwaardige opleidingsprogramma's en door "een leven lang leren"-programma's beschikbaar te stellen zodat zij op de arbeidsmarkt bruikbare vaardigheden kunnen verwerven; verzoekt de lidstaten om capaciteitsopbouw en empowerment van Roma-vrouwen als een horizontale doelstelling op te nemen in alle prioritaire gebieden van de NRIS en om het politieke-participatiebeleid te stimuleren door de actieve participatie van Roma-vrouwen op lokaal, nationaal en Europees niveau te steunen;

36.  dringt er bij de lidstaten op aan om maatregelen voor positieve discriminatie vast te stellen teneinde de toegang van Roma-vrouwen en -mannen tot banen bij de overheid te verbeteren;

37.  verzoekt de lidstaten specifieke maatregelen te ontwikkelen die gericht zijn op grote families (met vier of meer kinderen) en eenoudergezinnen, door toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, op maat gemaakte welzijnsregelingen te overwegen, kinderopvangfaciliteiten uit te breiden en ervoor te zorgen dat Roma-kinderen integreren in lokale scholen en kinderopvangfaciliteiten en volledige en gelijkwaardige toegang krijgen tot verplicht onderwijs, en aldus sociale uitsluiting en gettovorming tegen te gaan;

38.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat Roma-kinderen op voet van gelijkheid toegang krijgen tot kwalitatief hoogwaardige en betaalbare kinderopvang, kwalitatief hoogwaardig onderwijs voor jonge kinderen, diensten voor de ontwikkeling van jonge kinderen en onderwijs dat is gebaseerd op partnerschap met de ouders, en dringt er bij de lidstaten op aan de Barcelona-doelstellingen met betrekking tot kinderopvang opnieuw te introduceren en toegankelijke, betaalbare en kwalitatief hoogwaardige opvangvoorzieningen voor de gehele levenscyclus te ontwikkelen;

39.  verzoekt de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen te nemen om het ontslag van werknemers gedurende zwangerschap of moederschap te voorkomen, en te overwegen om de opvoeding van kinderen te erkennen als een periode die meetelt voor de pensioenrechten;

40.  dringt er bij de lidstaten op aan om te onderzoeken wat de obstakels voor Roma-vrouwen zijn om als zelfstandige te werken, om toegankelijke, snelle en goedkope registratie van Roma-vrouwen als ondernemer mogelijk te maken en om regelingen voor microleningen op te zetten gericht op het opstarten van kleine ondernemingen en ondernemers met eenvoudige, ondernemervriendelijke administratieve procedures, met inbegrip van technische bijstand en back-upmaatregelen, en speciale vergunningen voor de erkenning van een reeks seizoensgebonden of tijdelijke banen als "betaald werk" in het kader waarvan afdrachten worden betaald aan de sociale zekerheid; dringt er voorts bij de lidstaten en de lokale autoriteiten op aan de Europese microfinancieringsfaciliteit aan te wenden met het oog op werkgelegenheid en sociale integratie;

41.  dringt er bij de lidstaten op aan doelgerichte en op integratie gerichte maatregelen te ontwikkelen op het vlak van ondersteuning bij werkloosheid (herscholing, het scheppen van arbeidsplaatsen en arbeidsbemiddeling door middel van loonondersteuning, ondersteuning van de sociale zekerheid, belastingaftrek enz.) in plaats van de huidige, haast exclusieve focus op overheidsprogramma´s voor werkverschaffing;

42.  pleit ervoor om de integratie van de Roma-bevolking op de arbeidsmarkt te ondersteunen en te bevorderen; merkt op dat er, om de diensten en maatregelen van arbeidsbureaus te differentiëren en om begeleidingsprocessen te ontwikkelen, ondersteunende medewerkers en casemanagers nodig zijn die zelf een Roma-achtergrond hebben;

43.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een specifiek begeleidings- en ondersteuningssysteem voor het onderwijs te creëren via sociale en onderwijsdiensten voor Roma-jongeren die uitgaan van de gemeenschap zelf, vanaf jonge leeftijd tot op de universiteit, en daarbij specifieke aandacht te schenken aan genderkwesties;

44.  verzoekt de lidstaten om de mogelijkheden die de structuurfondsen, en met name het Europees Sociaal Fonds (ESF), bieden ten volle te benutten om de onderwijs- en de arbeidssituatie van Roma te verbeteren en hun zo reële vooruitzichten te bieden op sociale integratie en op het ontkomen aan de aanhoudend hoge armoedecijfers; spoort de lidstaten aan regelmatig de balans op te maken van de vorderingen, met name op het gebied van onderwijs en opleiding van jonge Roma, en in het bijzonder Roma-vrouwen;

45.  verzoekt de lidstaten om stereotypen te bestrijden teneinde de demonisering van deze etnische groep te voorkomen, die ertoe bijdraagt dat werkgevers niet geneigd zijn om Roma in dienst te nemen en ertoe leidt dat de Roma door de overheid of op scholen discriminerend worden behandeld, en die een negatief effect heeft op de relatie met de overheid en op het zoeken naar en houden van een baan;

46.  herhaalt dat bij de lacunes in het onderwijs aan Roma-kinderen sprake is van een belangrijke genderdimensie, aangezien de alfabetiseringsgraad van Roma-vrouwen gemiddeld 68 % bedraagt waar dit voor Roma-mannen 81 % is, terwijl slechts 64 % van de Roma-meisjes wordt ingeschreven voor het basisonderwijs, en dat deze kloof eveneens zichtbaar is bij het aantal inschrijvingen voor beroepsopleidingen; merkt evenwel op dat er in deze statistische gegevens grote verschillen tussen de lidstaten bestaan;

47.  dringt er bij de lidstaten op aan specifieke programma's op te zetten om ervoor te zorgen dat Roma-meisjes en jonge vrouwen het primair, middelbaar en hoger onderwijs afmaken, en tevens speciale maatregelen te nemen voor tienermoeders en vroegtijdig schoolverlatende meisjes, met name om onafgebroken onderwijs te ondersteunen, hun participatie op de arbeidsmarkt te subsidiëren en te voorzien in praktijkgerichte opleidingen; dringt er voorts bij de lidstaten en de Commissie op aan rekening te houden met deze maatregelen bij de coördinatie en evaluatie van de NRIS;

48.  dringt er bij de lidstaten op aan antidiscriminatiestrategieën te ontwikkelen teneinde racistisch gedrag bij overheidsdiensten en op de arbeidsmarkt in het bijzonder te voorkomen en te veroordelen, en aldus te waarborgen dat de rechten van Roma-vrouwen en -mannen op de arbeidsmarkt krachtig worden gehandhaafd;

49.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om middelen te investeren teneinde mensen die op een "niet-traditionele manier leren" aan te moedigen verder te gaan met hun opleiding, en om ngo's en programma's te ondersteunen die tot doel hebben de integratie van mensen die op een niet-traditionele manier leren in opleidingsprogramma's en volwassenenonderwijs te bevorderen;

50.  dringt er bij de lidstaten op aan netwerken van Roma-studenten te bevorderen, hun onderlinge solidariteit aan te moedigen, de zichtbaarheid van succesvolle casussen te vergroten, en het isolement van Roma-studenten tegen te gaan;

51.  dringt er bij de lidstaten op aan de deelname van Roma-families aan het schoolleven aan te moedigen, de scholen waar Roma-kinderen en -jongeren studeren te evalueren en alle nodige veranderingen door te voeren om de integratie in het onderwijs en de prestaties van iedereen te verzekeren; wijst erop dat specifieke maatregelen gericht moet zijn op Roma-meisjes, op basis van succesvolle casussen die door de academische gemeenschap zijn goedgekeurd;

52.  verzoekt de Commissie en de lidstaten financiële middelen toe te wijzen voor het bouwen van scholen en kleuterscholen met meer plaatsen, zodat Roma-kinderen samen met andere niet-Roma-kinderen in de klas kunnen zitten zonder gediscrimineerd of veronachtzaamd te worden in het onderwijssysteem doordat ze door de leerkrachten worden afgewezen omwille van hun etnische afkomst;

53.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om systematische opleidingsprogramma's te introduceren over genderbewustheid en culturele eigenheden voor sociale diensten en zorgverleners;

54.  beklemtoont dat het bieden van onderwijs aan Roma-meisjes de leefomstandigheden van de Roma op vele manieren verbetert, omdat dit onder meer een essentiële voorwaarde vormt voor het vergroten van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van Roma-vrouwen, de toegang tot de arbeidsmarkt vergemakkelijkt, inkomenszekerheid biedt en cruciaal is om armoede en sociale uitsluiting te kunnen overwinnen; merkt op dat het verhogen van de kennis van leraren over de Roma-cultuur helpt om uitsluiting te verminderen; verzoekt de lidstaten daarom segregatie tegen te gaan, voor inclusiever en toegankelijker onderwijs en cultuurbewuste leermethoden te zorgen en schoolassistenten met een Roma-achtergrond en ouders daarbij te betrekken, en de verbetering van beroepsvaardigheden die aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt als prioriteit te laten gelden;

55.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij hun gezondheidsinitiatieven Roma-vrouwen aan te merken als een expliciete doelgroep, in het bijzonder met betrekking tot ziekten die sterk verband houden met het hormoonstelsel van de vrouw en/of armoede, zoals osteoporose, musculoskeletale problemen en aandoeningen van het centraal zenuwenstelsel; dringt er voorts op aan screening- en preventieprogramma´s voor borst- en baarmoederhalskanker - met inbegrip van vaccins tegen het humaan papillomavirus - volledig toegankelijk te maken en ernaar te streven de gezondheidszorg voor zwangere vrouwen reeds in het eerste trimester van de zwangerschap te laten aanvangen;

56.  dringt er bij de lidstaten op aan de toegang tot gezondheidszorg te waarborgen, met name door middel van de deelname van ngo's voor Roma-vrouwen aan het opstellen, ten uitvoer leggen en evalueren van gezondheidsprogramma's en ervoor te zorgen dat Roma-vrouwen en -meisjes hun eigen keuzen kunnen maken met betrekking tot hun seksualiteit, gezondheid en moederschap, door de bevordering van gezinsplanning, toegang tot de volledige reeks diensten voor seksuele en reproductieve gezondheidszorg en seksuele voorlichting, en bescherming van kinderen en adolescenten tegen seksueel misbruik, huwelijken op jonge leeftijd en zuigelingen- en moedersterfte, terwijl het fenomeen van gedwongen sterilisatie moet worden voorkomen;

57.  roept de lidstaten de deelname van Roma-gemeenschappen - met een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen - aan het ontwerp, de tenuitvoerlegging, de monitoring en de evaluatie van ziektepreventie, behandeling, zorg en ondersteuningsprogramma's te vereenvoudigen en te bevorderen, en deze gemeenschappen tevens te betrekken bij de vermindering van stigmatisering en discriminatie binnen de gezondheidszorg;

58.  verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten een beleid te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen dat ervoor zorgt dat alle Roma-vrouwen, met inbegrip van vrouwen uit de meest afgelegen gemeenschappen, toegang hebben tot eerstelijnsgezondheidszorg, spoedeisende hulp en preventieve gezondheidszorg, en om opleidingsactiviteiten voor gezondheidswerkers te organiseren, teneinde te proberen de vooroordelen jegens Roma weg te nemen;

59.  dringt er bij de lidstaten op aan directe en indirecte discriminatie van Roma-vrouwen bij het uitoefenen van hun grondrechten en bij de toegang tot publieke voorzieningen te onderzoeken, uit te bannen en te vervolgen, en alle andere vormen van discriminatie te voorkomen; benadrukt hoe belangrijk het is bewustmakingscampagnes op te zetten ter bestrijding van discriminatie en racistische stereotypen van de Roma, en met name van Roma-vrouwen;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de Roma-bevolking en Roma-vrouwen in het bijzonder als een specifieke doelgroep op te nemen in de operationele programma's en de programma's voor plattelandsontwikkeling van de volgende programmeringsperiode;

61.  verzoekt de Commissie een evaluatieverslag te publiceren over de tenuitvoerlegging in elke lidstaat van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad; verzoekt de Commissie eveneens om voor elke lidstaat concrete aanbevelingen op te stellen teneinde ook de genderdimensie in de richtlijn op te nemen;

62.  dringt er bij de Raad op aan overeenstemming te bereiken over de EU-richtlijn voor gelijke behandeling houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid teneinde te waarborgen dat alle vormen van discriminatie en meervoudige discriminatie strafbaar worden gesteld in iedere maatschappelijke context; roept alle EU-instellingen eveneens op er zorg voor te dragen dat intersectorale discriminatie in deze richtlijn wordt opgenomen;

63.  dringt er bij de lidstaten op aan alle vormen van geweld tegen vrouwen, zoals huiselijk geweld, seksuele uitbuiting en vrouwenhandel, met name met betrekking tot Roma-vrouwen, aan te pakken en de slachtoffers te ondersteunen door in de NRIS specifieke doelstellingen op te nemen teneinde de mensenhandel van Roma-vrouwen tegen te gaan, door te zorgen voor voldoende financiële middelen voor de desbetreffende publieke voorzieningen en door eveneens bijstand te verlenen via de reguliere voorzieningen, zoals gezondheidszorg, werkgelegenheid en onderwijs; dringt er voorts bij de Commissie op aan maatschappelijke en overheidsinitiatieven ter bestrijding van deze problemen te ondersteunen en daarbij de grondrechten van de slachtoffers te garanderen;

64.  verzoekt de lidstaten om samen te werken met Roma-vrouwen bij het opstellen van empowermentstrategieën waarin hun intersectorale identiteit wordt erkend, alsmede om op vrouwen, mannen, meisjes en jongens gerichte activiteiten te bevorderen teneinde genderstereotypen tegen te gaan;

65.  wijst erop dat gearrangeerde huwelijken, kindhuwelijken en gedwongen huwelijken nog altijd plaatsvinden als "traditionele praktijken"; onderstreept dat deze praktijken schendingen zijn van de mensenrechten, die niet alleen belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van Roma-meisjes omdat ze het risico van complicaties tijdens de zwangerschap en de bevalling verhogen, maar de meisjes ook blootstellen aan seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, en hen uitsluiten van kansen op het vlak van onderwijs en de arbeidsmarkt;

66.  dringt er bij de lidstaten op aan het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel goed te keuren en ten uitvoer te leggen en om de bepalingen van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan(7) volledig om te zetten, met name voor wat betreft het versterken van de identificatie en bescherming van en de steun aan slachtoffers, met speciale aandacht voor kinderen;

67.  dringt aan op Europese oplossingen van de lidstaten en de Commissie voor de problemen van de Roma, waarbij rekening wordt gehouden met hun recht op vrij verkeer als Europese burgers en met de noodzaak van samenwerking tussen de lidstaten om de problemen van deze etnische groep op te lossen;

68.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de uitwisseling van informatie en goede praktijken met betrekking tot de integratie van Roma-vrouwen in alle geledingen van de samenleving aan te moedigen;

69.  vraagt dat de lidstaten de nodige stappen zetten om de praktijk van het uithuwelijken van jonge Roma-vrouwen, die hun waardigheid moreel aantast, te stoppen;

70.  verzoekt de lidstaten om dringend aandacht te besteden aan de behoeften van oudere Roma-vrouwen aangezien zij tot de kwetsbaarste groepen behoren en niet over een toereikend inkomen beschikken en toegang moeten krijgen tot gezondheidszorg en langetermijnzorg bij het ouder worden;

71.  spoort de Commissie aan om een alomvattende strategie op te stellen om het geweld tegen vrouwen te bestrijden, zoals het Parlement in verschillende resoluties gevraagd heeft; roept de Commissie op rechtsinstrumenten te verschaffen, waaronder een Europese richtlijn om geweld op basis van geslacht te bestrijden;

72.  dringt erop aan de Roma-taal en -cultuur te ontwikkelen en bevorderen, administratieve structuren voor Roma-kwesties te ontwikkelen, het Roma-beleid en de uitvoering daarvan te versterken, en de deelname aan internationale samenwerking op het vlak van Roma-kwesties te verhogen;

73.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3). PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 283.
(4). PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 112.
(5). COM(2012) 0226.
(6). COM(2013) 0460.
(7). PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 12 juli 2016Juridische mededeling