Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2152(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0418/2013

Ingediende teksten :

A7-0418/2013

Debatten :

PV 10/12/2013 - 19
CRE 10/12/2013 - 19

Stemmingen :

PV 11/12/2013 - 4.24
CRE 11/12/2013 - 4.24

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0575

Aangenomen teksten
PDF 234kWORD 157k
Woensdag 11 december 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Mensenrechten in de wereld in 2012 en het EU-beleid ter zake
P7_TA(2013)0575A7-0418/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 11 december 2013 over het jaarverslag inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2012 en het beleid van de Europese Unie ter zake (2013/2152(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en ‑instrumenten van de VN,

–  gezien de millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000 (A/Res/55/2) en de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het jaarverslag van de EU over de mensenrechten en democratie in de wereld in 2012, dat op 6 juni 2013 door de Raad is goedgekeurd,

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2011 en het beleid van de Europese Unie ter zake(1) ,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie (11855/2012), die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd,

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2012 over de herziening van de mensenrechtenstrategie van de EU(2) ,

–  gezien Besluit 2012/440/GBVB van de Raad van 25 juli 2012 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten(3) ,

–  gezien zijn aanbeveling van 13 juni 2012 over de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten(4) ,

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 over "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering",

–  gezien zijn aanbeveling van 13 juni 2013 aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Europese Commissie, aan de Raad en aan de Commissie over de evaluatie in 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO(5) ,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Unie inzake mensenrechten en internationaal humanitair recht(6) ,

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging en de aanbeveling van het Parlement aan de Raad van 13 juni 2013 over de ontwerprichtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Unie voor de bevordering en bescherming van alle mensenrechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's), gezien de richtsnoeren van de Europese Unie voor de bevordering en bescherming van alle mensenrechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's),

–  gezien de richtsnoeren van de EU inzake de mensenrechtendialoog die op 13 december 2001 zijn goedgekeurd door de Raad en op 19 januari 2009 zijn herzien,

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector: het effect op de mensenrechten in derde landen(7) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 februari 2013 over de 22e zitting van de VN-Mensenrechtenraad(8) ,

–  gezien zijn resolutie van 17 november 2011 over steun van de EU aan het Internationaal Strafhof: aangaan van uitdagingen en overwinnen van moeilijkheden(9) ,

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(10) ,

–  gezien de gemeenschappelijke mededelingen van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 20 maart 2013 getiteld "Europees nabuurschapsbeleid: naar een sterker partnerschap" (JOIN(2013)4) en van 25 mei 2011 getiteld "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden: evaluatie van het Europees nabuurschapbeleid" (COM(2011)0303 ),

–  gezien het strategiedocument 2011‑2013 van het Europees Instrument voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) en het voorstel van de Commissie voor een nieuw financieel reglement voor het EIDHR 2014‑2020 (COM(2011)0844),

–  gezien zijn aanbeveling van 29 maart 2012 aan de Raad over de modaliteiten voor de mogelijke oprichting van een Europees Fonds voor Democratie (EFD)(11) ,

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over EU-beleid ten gunste van mensenrechtenverdedigers(12) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratisering(13) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(14) ,

–  gezien de op 20 december 2012 aangenomen resolutie 67/176 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over een moratorium op de doodstraf,

–  gezien resoluties 1325 (2000), 1820 (2008), 1888 (2009), 1889 (2009), 1960 (2010) en 2106 (2013) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid,

–  gezien het verslag over de indicatoren van de EU voor een alomvattende benadering van de uitvoering door de EU van de resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid, dat op 13 mei 2011 door de Raad van de Europese Unie is goedgekeurd,

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN over de rechten van het kind, in het bijzonder de meest recente van 4 april 2012 (66/141),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(15) ,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over internationaal handelsbeleid in de context van de klimaatveranderingsvereisten(16) ,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(17) ,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7‑0418/2013),

A.  overwegende dat de diverse overgangsprocessen, met inbegrip van volksopstanden, conflict- en postconflictsituaties, evenals de stapsgewijze transities in autoritaire landen, een steeds grotere uitdaging vormen voor het EU-beleid ter ondersteuning van mensenrechten en democratie in de wereld; overwegende dat het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2012 aantoont dat de EU moet doorgaan met de ontwikkeling van flexibele beleidsreacties; overwegende dat de meest fundamentele politieke keuze voor de EU betrekking heeft op de veerkracht en de politieke vastberadenheid om in moeilijke tijden en onder druk van andere beleidsdoelstellingen en -belangen trouw te blijven aan de grondbeginselen van de Europese Unie;

B.  overwegende dat gerechtigdheid, de rechtsstaat, verantwoording, transparantie en rekenschap, bestrijding van straffeloosheid, eerlijke processen en onafhankelijke gerechtelijke autoriteiten onontbeerlijke bestanddelen zijn van de bescherming van de mensenrechten;

C.  overwegende dat artikel 21 VEU de verplichting van de Unie heeft versterkt om zich bij haar internationaal optreden te laten leiden door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het internationaal recht;

D.  overwegende dat de politieke criteria van Kopenhagen inzake "stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen" een fundamenteel onderdeel van het uitbreidingsproces blijven;

E.  overwegende dat de opstanden in de Arabische wereld de Europese Unie ertoe hebben gebracht het falen van het in het verleden gevoerde beleid onder ogen te zien en een "meer voor meer"-benadering te omarmen in het kader van de herziening van het nabuurschapsbeleid, gebaseerd op de toezegging "om het niveau van de EU-steun aan partnerlanden af te stemmen op de vooruitgang die wordt geboekt bij de politieke hervormingen en de totstandkoming van een duurzame democratie", de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, met inbegrip van vrije en eerlijke verkiezingen, vrijheid van vereniging, meningsuiting en vergadering, pers- en mediavrijheid, een rechtsstaat met een onafhankelijke rechterlijke macht, en vrijheid van denken, geweten, godsdienst of overtuiging;

F.  overwegende dat in de conclusies van de Raad met betrekking tot de agenda voor verandering voor het ontwikkelingsbeleid van de EU, goedgekeurd in mei 2012, specifiek wordt gesteld dat "de steun aan de partners zal worden aangepast aan hun ontwikkelingssituatie en aan hun inzet en vooruitgang met betrekking tot de mensenrechten, de democratie, de rechtsstaat en goed bestuur"; overwegende dat het laatste gemeenschappelijke standpunt van de EU met betrekking tot het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp stelt dat bij ontwikkelingssamenwerking systematisch moet worden verwezen naar "democratische eigen verantwoordelijkheid", waarbij partnerlanden de verantwoordelijkheid dragen om een gunstig klimaat te bevorderen voor het maatschappelijk middenveld en om de rol van parlementen, de lokale autoriteiten, nationale controle-instanties en de vrije media te versterken;

G.  overwegende dat de Raad van de Europese Unie in juni 2012 een strategisch kader en een actieplan inzake mensenrechten en democratie heeft goedgekeurd, waarmee de EU-instellingen zich verplichten tot de verwezenlijking van diverse tastbare beleidsdoelstellingen; overwegende dat de Raad van de EU in juli 2012 de functie van thematische speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten heeft gecreëerd en de eerste kandidaat hiervoor heeft benoemd; overwegende dat de procedure voor de goedkeuring van een nieuw actieplan voor mensenrechten en democratie, dat in januari 2015 van kracht moet worden wanneer het huidige actieplan afloopt, in het voorjaar van 2014 van start moet gaan;

H.  overwegende dat het Europees Fonds voor Democratie in oktober 2012 werd opgericht met als voornaamste doel de verstrekking van directe subsidies aan prodemocratische activisten en organisaties die strijden voor de overgang naar democratie in de Europese buurlanden en daarbuiten;

I.  overwegende dat de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) gepaard ging met garanties dat steun voor mensenrechten en democratie een rode draad zou vormen binnen de nieuwe diplomatieke dienst van de EU; overwegende dat het netwerk van EU-delegaties in de hele wereld de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) nieuwe capaciteit verschaft om het mensenrechtenbeleid van de EU uit te voeren;

J.  overwegende dat het Parlement in zijn resoluties over het vorige jaarverslag en over de herziening van de mensenrechtenstrategie van de EU (die beide werden aangenomen in december 2012) de noodzaak heeft onderstreept van een hervorming van zijn eigen methoden om mensenrechten te integreren in zijn activiteiten, alsook van de follow-up van zijn dringende resoluties waarin inbreuken op de democratie, mensenrechten en de rechtsstaat worden veroordeeld;

K.  overwegende dat uit het Eurobarometer-onderzoek betreffende de publieke opinie van het Europees Parlement dat in november en december 2012 in de 27 EU-lidstaten is uitgevoerd, eens te meer blijkt dat de bescherming van de mensenrechten in de ogen van Europeanen de belangrijkste waarde is; overwegende dat de geloofwaardige uitvoering van door de EU gedane toezeggingen om in het kader van haar externe beleid mensenrechten en democratie te ondersteunen van cruciaal belang is om de algehele geloofwaardigheid van het buitenlands beleid van de EU te behouden;

L.  overwegende dat de Europese Unie in december 2012 de Nobelprijs heeft ontvangen voor haar bijdrage aan de bevordering van vrede, verzoening, democratie en mensenrechten in Europa;

Algemene opmerkingen

1.  is van mening dat mensenrechten centraal staan in de betrekkingen van de EU met alle derde landen, met inbegrip van haar strategische partners; benadrukt dat het mensenrechtenbeleid van de EU consistent moet voldoen aan de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen, voor de nodige samenhang tussen het binnenlandse en het buitenlandse beleid moet zorgen en dubbele maatstaven in het extern beleid moet vermijden; roept de EU daarom op jaarlijks conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de mensenrechten en de strategische partners aan te nemen waarin een gemeenschappelijke drempel voor de lidstaten en voor EU-ambtenaren wordt vastgesteld op het gebied van mensenrechtenkwesties die zij minimaal aan de orde moeten stellen bij hun strategische tegenhangers;

2.  dringt er bij de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), de speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten en de EDEO op aan deze verplichtingen na te streven en mensenrechten en democratie te integreren in de betrekkingen van de EU met haar partners, ook op het hoogste politieke niveau, door gebruik te maken van alle relevante EU-instrumenten voor extern beleid;

3.  erkent de cruciale rol van het maatschappelijk middenveld bij de bescherming en bevordering van democratie en mensenrechten; roept de VV/HV op te zorgen voor nauwe samenwerking en partnerschap met het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers; is van mening dat de EU haar volle gewicht in de schaal zal moeten blijven leggen voor alle pleitbezorgers van mensenrechten, democratie, vrijheid en transparantie wereldwijd;

4.  erkent dat de EU-instellingen en alle lidstaten een krachtige en samenhangende aanpak van mensenrechtenschendingen overal ter wereld moeten hanteren en daarbij transparant en verantwoordelijk te werk moeten gaan; is van mening dat de EU, wanneer zij wordt geconfronteerd met aanhoudende schendingen van de mensenrechten, met één stem moet spreken en ervoor moet zorgen dat haar boodschap zowel door corrupte regeringen als door de betrokken bevolking wordt gehoord; verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken om elk jaar een openbaar debat over mensenrechten te organiseren;

5.  wijst er nogmaals op dat het nauw betrokken wil worden bij en geraadpleegd wil worden over de tenuitvoerlegging van het strategisch kader van de EU inzake mensenrechten en democratie;

Het jaarverslag van de EU voor 2012

6.  verwelkomt de aanneming van het jaarverslag van de Europese Unie over mensenrechten en democratie in de wereld in 2012; verwacht een niet-aflatende verbintenis van de VV/HV, die regelmatig verslag dient uit te brengen aan het Parlement; dringt aan op actief en constructief overleg tussen EU-instellingen bij de voorbereiding van toekomstige verslagen die de zichtbaarheid van de acties van de EU op dit terrein vergroten;

7.  is van mening dat het jaarverslag een essentieel instrument moet worden voor de communicatie en het overleg over EU-activiteiten op het gebied van mensenrechten en democratie; is derhalve ingenomen met de toezegging van de VV/HV en de EDEO dat zij EU-jaarverslagen zullen gebruiken als verslagen over de uitvoering van het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie;

8.  neemt kennis van de opmerkingen in het jaarverslag met betrekking tot acties van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten en moedigt de VV/HV en de EDEO aan met meer diepgaande analyses te komen, met name inzake de rol van de speciale vertegenwoordiger voor mensenrechten bij de tenuitvoerlegging van het strategisch kader en het actieplan, teneinde een adequate beschrijving te geven van diens rol en werkzaamheden;

9.  erkent de inspanningen die zijn verricht om de verschillende EU-acties op het gebied van mensenrechten en ondersteuning van de democratie op te nemen in de landenverslagen, die een schat aan informatie bevatten over het werk van de EU-instellingen wereldwijd; betreurt niettemin dat in de landenverslagen nog steeds een systematisch, duidelijk en coherent kader ontbreekt dat een zorgvuldigere analyse van de effecten en de doeltreffendheid van EU-acties mogelijk zou maken;

10.  herhaalt zijn standpunt dat de landenverslagen verder moeten worden versterkt en de tenuitvoerlegging van de landenstrategieën voor mensenrechten zouden moeten weerspiegelen, en bijgevolg naar specifieke benchmarks zouden moeten verwijzen gebaseerd op een reeks indicatoren om zowel de positieve als negatieve trends te evalueren, de efficiëntie van EU-acties te beoordelen en een grondslag te verschaffen voor de aanpassing van EU-steun overeenkomstig de voortgang die is geboekt op het gebied van mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en goed bestuur;

11.  is verheugd over de inspanningen om activiteiten van het Europees Parlement in het jaarverslag op te nemen, nodigt uit om gebruik te maken van het acquis en potentieel van het EP, onder andere van de talloze onderzoeken en analyses die het Parlement heeft laten uitvoeren en dringt er met klem bij de VV/HV en de EDEO op aan verslag uit te brengen over de EU-acties die zijn ondernomen naar aanleiding van resoluties van het Parlement, met inbegrip van urgentieresoluties betreffende schendingen van de mensenrechten; dringt erop aan dat de speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten het Parlement voortdurend informeert en ermee samenwerkt, met name in geval van noodsituaties;

12.  is verheugd over het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2012, aangezien daaruit de inspanningen van de EU blijken voor de bevordering van de integratie van mensenrechten, gendergelijkheid, democratie en goed bestuur in ontwikkelingsbeleid en -instrumenten;

Beleidskader van de EU

Strategisch kader en actieplan

13.  spreekt opnieuw zijn waardering uit voor het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie als een belangrijke mijlpaal voor de integratie en mainstreaming van mensenrechten in het gehele externe beleid van de Unie; onderstreept de noodzaak van algemene consensus en meer coördinatie met betrekking tot het EU-beleid inzake mensenrechten tussen de EU-instellingen en de lidstaten; verzoekt de EDEO om meer inspanningen te leveren om de lidstaten meer inspraak te geven in dit actieplan; verzoekt om in het jaarverslag een punt op te nemen over de tenuitvoerlegging van het actieplan door de lidstaten;

14.  benadrukt het essentiële belang van een efficiënte en geloofwaardige uitvoering van de aangegane verplichtingen, in het kader van zowel het strategisch kader als het actieplan; wijst erop dat geloofwaardigheid adequate financiering van een toegewijd mensenrechtenbeleid vereist evenals consistente mainstreaming op hoog politiek niveau, bijvoorbeeld tijdens ministeriële en top-ontmoetingen met derde landen, waaronder de strategische partners;

15.  betreurt dat economische, sociale en culturele rechten grotendeels worden verwaarloosd in het EU-mensenrechtenbeleid, wat in schril contrast staat met de verklaringen van de EU om de ondeelbaarheid en onderlinge afhankelijkheid van de rechten te waarborgen, en verzoekt de EDEO, de Commissie en de lidstaten om meer inspanningen te leveren om die verbintenis na te komen, onder meer op het gebied van arbeidsrechten en sociale rechten;

16.  merkt op dat het huidige actieplan eind 2014 wordt afgerond; verwacht van de VV/HV en de EDEO dat zij tijdig zullen overgaan tot een evaluatie en tot overleg met de lidstaten, de Commissie, het Parlement en het maatschappelijk middenveld, met het oog op de aanneming van een nieuw actieplan dat in januari 2015 in werking treedt;

Speciale vertegenwoordiger van de EU voor mensenrechten

17.  erkent het belang van het mandaat dat aan de eerste speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor mensenrechten is verstrekt; spoort de SVEU aan de zichtbaarheid, mainstreaming, coherentie, rechtlijnigheid en doeltreffendheid van het EU-beleid inzake mensenrechten, en met name vrouwenrechten en de rechten van alle minderheden, te vergroten en het juiste evenwicht te bewerkstelligen tussen stille en publieksdiplomatie bij de uitvoering van zijn mandaat; herhaalt zijn aanbeveling dat de SVEU geregeld aan het Parlement verslag moet uitbrengen over zijn activiteiten en zijn thematische en geografische prioriteiten moet toelichten, alsook ervoor moet zorgen dat de door het Parlement geuite bezorgdheden niet zonder gevolg blijven;

18.  prijst de SVEU voor de openheid van de dialoog die hij met het Parlement en het maatschappelijk middenveld heeft gevoerd, waarmee een belangrijke praktijk is ingesteld die moet worden voortgezet en geconsolideerd teneinde transparantie en verantwoordingsplicht te waarborgen; is ingenomen met de samenwerking van de SVEU met regionale instanties en binnen multilaterale fora en spoort hem aan om zulke activiteiten verder te verruimen;

19.  is ingenomen met het feit dat de samenwerking met de SVEU voor mensenrechten is opgenomen in het mandaat van de geografische SVEU voor de Sahel, en dringt er bij de Raad en de VV/HV op aan dit eveneens te doen bij de mandaten van toekomstige geografische SVEU's;

EU-richtsnoeren inzake mensenrechten

20.  verwelkomt de goedkeuring van de EU-richtsnoeren betreffende de vrijheid van godsdienst of overtuiging, en betreffende de mensenrechten van lesbiennes, homoseksuelen, bi-, trans- en interseksuelen; herinnert de EDEO er evenwel aan dat hij de goede interinstitutionele praktijken dient te eerbiedigen en tijdig moet overleggen met de desbetreffende politieke organen binnen het Parlement bij de uitwerking van eventuele nieuwe strategische instrumenten zoals richtsnoeren of bij de herziening van bestaande instrumenten; herinnert aan de aanbevelingen van het Parlement aan de Raad inzake de richtsnoeren betreffende de vrijheid van godsdienst of overtuiging, waarin het Parlement een reeks ambitieuze instrumenten heeft voorgesteld die suggesties bevatten ten aanzien van de praktische uitvoering van de richtsnoeren om zo aanzienlijke vooruitgang te boeken in de bescherming en bevordering van deze fundamentele en universele vrijheid; prijst het door de EDEO en de Raad ingestelde gebruik om oudere richtsnoeren te evalueren en te herzien; spoort de EDEO aan een rigoureuzere evaluatieprocedure te hanteren, met inbegrip van de grondige raadpleging van belanghebbenden met het oog op aanpassing aan veranderende omstandigheden;

21.  verzoekt de EDEO en de Raad in het bijzonder aandacht te besteden aan de kwestie van correcte uitvoeringsplannen voor de richtsnoeren; pleit voor verdere opleiding en bewustmaking van het personeel van de EDEO en de EU-delegaties, alsook van diplomaten van de lidstaten; is ernstig bezorgd over de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren inzake internationaal humanitair recht en de richtsnoeren inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

Mensenrechtendialogen met derde landen

22.  wijst op de voortdurende moeilijkheden bij het boeken van concrete vooruitgang in diverse van de mensenrechtendialogen en het mensenrechtenoverleg van de EU; spoort de EU aan nieuwe wegen te zoeken om de dialoog met landen van zorg betekenisvoller te maken; onderstreept dat het noodzakelijk is in deze dialogen een daadkrachtig, ambitieus en transparant mensenrechtenbeleid na te streven; dringt er derhalve bij de EU op aan duidelijke politieke conclusies te trekken wanneer de mensenrechtendialoog niet constructief verloopt en, in dergelijke gevallen of in het geval van aanhoudende schendingen van de mensenrechten, meer nadruk te leggen op de politieke dialoog, demarches en publieksdiplomatie; waarschuwt voorts dat mensenrechtendiscussies niet mogen worden losgekoppeld van de dialogen op hoog politiek niveau;

23.  is van mening dat de dialoog en het overleg inzake mensenrechten ondersteuning moet bieden aan en de positie moet versterken van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers, vakbonden, journalisten, juristen en parlementsleden die misbruiken in eigen land aanpakken en aan de kaak stellen en eisen dat hun rechten worden geëerbiedigd; verzoekt de EU om ervoor te zorgen dat de mensenrechtendialoog en het bijbehorende overleg ambitieus zijn en vergezeld gaan van duidelijke openbare benchmarks waaraan hun succes objectief kan worden getoetst;

24.  herinnert eraan dat corruptie in de publieke en private sector blijft voortbestaan en de ongelijkheden en discriminatie bij de gelijke toegang tot politieke, economische, sociale, culturele en burgerrechten verergert, en onderstreept dat reeds is bewezen dat corruptie en mensenrechtenschendingen gepaard gaan met machtsmisbruik, een gebrek aan verantwoordingsplicht en verschillende vormen van discriminatie; verzoekt om een zo hoog mogelijk niveau van verantwoordingsplicht en transparantie voor de hulp aan derde landen en de overheidsbegrotingen met betrekking tot de begroting van de EU en haar hulp aan derde landen;

Landenstrategieën voor mensenrechten en contactpunten voor mensenrechten

25.  neemt kennis van de inspanningen van de EDEO om de eerste cyclus EU-landenstrategieën voor mensenrechten af te ronden; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de doelstelling om de EU-delegatie en de ambassades van de lidstaten ter plaatse zeggenschap te geven over de landenstrategie, terwijl het hoofdkantoor zorg draagt voor de kwaliteitscontrole; betreurt evenwel het gebrek aan transparantie met betrekking tot de inhoud van de landenstrategieën; herhaalt zijn oproep om op zijn minst de belangrijkste prioriteiten van elke landenstrategie openbaar te maken en om het Parlement toegang te geven tot deze strategieën om zo een passende mate van toezicht mogelijk te maken; spoort de EU aan om een openbare beoordeling op te stellen van de lessen die zijn getrokken uit de eerste cyclus van de EU-landenstrategieën voor mensenrechten en om beste praktijken vast te stellen voor de volgende cyclus;

26.  is verheugd over het bijna volledige netwerk van contactpunten voor mensenrechten in de EU-delegaties; verzoekt de VV/HV en de EDEO een plan op te stellen met betrekking tot de vraag hoe het volledige potentieel van dit netwerk kan worden benut; verzoekt de EU-delegaties om de contactgegevens te publiceren van alle contactpunten voor mensenrechten en alle EU-verbindingsambtenaren ten behoeve van mensenrechtenverdedigers;

Mensenrechten in het handelsbeleid van de EU

27.  staat achter de praktijk om juridisch bindende en onvoorwaardelijke mensenrechtenclausules op te nemen in de internationale overeenkomsten die de EU met derde landen sluit, en is van mening dat ook in handelsovereenkomsten stelselmatig mensenrechtenclausules moeten worden opgenomen; verzoekt om effectief toezicht uit te oefenen op de toepassing daarvan en aan de bevoegde commissie van het Parlement verslag uit te brengen over de beoordeling ervan en de voorgestelde reactie;

28.  wijst erop dat het Parlement de goedkeuring van internationale overeenkomsten moet weigeren wanneer er sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen;

29.  brengt in herinnering dat de herziene SAP op 1 januari 2014 in werking treedt; is verheugd over de voortzetting van de SAP+-regeling in het kader waarvan landen extra preferentiële tarieven kunnen krijgen nadat zij de 27 cruciale mensenrechten-, arbeids-, en milieuverdragen hebben geratificeerd en ten uitvoer gelegd; herinnert aan de mogelijkheid om SAP-, SAP+- en "alles behalve wapens" (EBA)-preferenties op te schorten in geval van ernstige mensenrechtenschendingen; dringt er bij de Commissie op aan de beoordelingen met betrekking tot de toekenning van SAP+ openbaar beschikbaar te maken, teneinde de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten;

30.  dringt er voorts bij de EU op aan om specifieke beleidsrichtlijnen op te stellen en aan te nemen met betrekking tot de effectieve opname van mensenrechten in haar handels- en investeringsovereenkomsten, teneinde methodologische consistentie en nauwkeurigheid te bewerkstelligen in de effectbeoordelingen met betrekking tot mensenrechten;

Mensenrechten in het EU-ontwikkelingsbeleid

31.  benadrukt dat het partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking de internationale gemeenschap heeft opgeroepen een op de mensenrechten gebaseerde benadering (human rights-based approach, HRBA) van internationale samenwerking aan te nemen om de doeltreffendheid van ontwikkelingsinspanningen te verhogen;

32.  dringt er bij de Commissie op aan uitgebreide effectbeoordelingen uit te voeren met betrekking tot de ontwikkelingssamenwerkingsprojecten van de EU, welke een beoordeling moeten inhouden van het effect ervan op de mensenrechtensituatie, om ervoor te zorgen dat ontwikkelingsinspanningen van de EU niet bijdragen aan de verdere marginalisering van groepen die onder discriminatie lijden en dat de EU-middelen eerlijk worden verdeeld over de verschillende regio's van een land, op basis van de behoeften en het ontwikkelingsniveau ter plaatse;

33.  herhaalt dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) verantwoordelijk moeten zijn voor de aanname van een op de mensenrechten gebaseerde benadering in de toekomstige programmering;

34.  is van mening dat nationale parlementen en maatschappelijke organisaties een belangrijke rol vervullen bij de doeltreffende tenuitvoerlegging van bepalingen inzake mensenrechten en benadrukt dat er gepaste omstandigheden moeten worden gecreëerd voor hun deelname aan de besluitvorming, teneinde hun daadwerkelijke zeggenschap over en verantwoordelijkheid voor beleidskeuzen inzake de ontwikkelingsstrategie te vergroten;

Het beleid van de Europese Unie inzake het overgangsproces

35.  wijst op het overweldigende bewijs van de afgelopen jaren waaruit blijkt dat het van essentieel belang is dat het buitenlands beleid van de EU adequaat inspringt op dynamische overgangsprocessen in derde landen; spoort de EU aan lering te blijven trekken uit zowel positieve als negatieve ervaringen in het verleden, teneinde herhaling van bepaalde politieke fouten te voorkomen, en om optimale werkwijzen vast te stellen om democratiseringsprocessen te beïnvloeden en te consolideren; erkent het belang van beleidsflexibiliteit in uiteenlopende situaties en juicht de ontwikkeling van beleidsinstrumenten toe die in verschillende overgangsscenario's zouden kunnen worden toegepast teneinde steunmaatregelen voor mensenrechten en democratie op een flexibele en geloofwaardige manier in de EU-benadering te integreren;

36.  benadrukt dat politieke overgangsprocessen en democratisering gepaard moeten gaan met eerbiediging van mensenrechten, de bevordering van gerechtigheid, transparantie, verantwoordingsplicht, de rechtsstaat en de totstandbrenging van democratische instellingen, waarbij ook gendergelijkheid en het jeugdrecht terdege in acht worden genomen; onderstreept het belang van het recht op schadevergoeding betreffende mensenrechtenschendingen die door voormalige regimes zijn gepleegd; benadrukt dat de EU altijd moet pleiten voor een aan de context aangepaste benadering van overgangsjustitie, waarbij het beginsel van verantwoordingsplicht voor schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht strikt moeten worden toegepast;

37.  benadrukt dat de EU haar volledige steun moet geven aan landen die zich van autoritaire regimes ontdaan hebben en die zich in een overgangsproces naar democratie bevinden door het maatschappelijk middenveld te steunen als cruciale speler bij de bevordering van de rechtsstaat, verantwoordingsplicht en transparantie en bij de bevordering van sociale bewegingen voor politieke verandering en participatie; herinnert eraan dat de politie, de strijdkrachten en de gerechtelijke macht vaak worden gebruikt als mechanismen voor systematische mensenrechtenschendingen; benadrukt in dit verband dat de institutionele hervorming van deze organen moet zorgen voor meer verantwoordingsplicht en transparantie in overgangsprocessen;

38.  beschouwt de externe financieringsinstrumenten van de EU als een belangrijk middel om de EU-waarden internationaal te bevorderen en te beschermen; verwelkomt in dit verband de toezegging om mensenrechten, democratie en de rechtsstaat centraal te stellen in het extern optreden van de EU; dringt aan op verbetering van de coherentie en doeltreffendheid van verschillende thematische en geografische instrumenten, teneinde deze strategische doelstelling te verwezenlijken;

39.  spoort de EU ten zeerste aan om wereldwijd een actief en onafhankelijk maatschappelijk middenveld te ondersteunen, zowel in politieke als financiële zin, met name door middel van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR); oppert dat het openstellen van Europese studentenuitwisselingsprogramma's voor jongeren uit niet-EU-landen en het opzetten van opleidingsprogramma's voor jonge beroepsbeoefenaren de actieve deelname van jongeren aan de opbouw van de democratie zouden bevorderen en het maatschappelijk middenveld zouden versterken; betreurt dat de vrijheid van vergadering, een essentiële voorwaarde voor elke democratische ontwikkeling en een bijzonder gevoelig thema in overgangslanden, blijkbaar over het hoofd is gezien in het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie; verzoekt de EDEO en de lidstaten om richtsnoeren inzake de vrijheid van vergadering op te stellen;

40.  is ingenomen met de oprichting van het Europees Fonds voor Democratie (EFD) en dringt erop aan dat daaruit steun wordt verleend aan degenen die strijden voor democratische verandering door hun flexibele, aan hun behoeften aangepaste financiering te bieden; verzoekt de EU en haar lidstaten passende financiële steun voor het EFD te waarborgen; wijst er nogmaals op dat het van cruciaal belang is om overlappingen tussen het mandaat en de activiteiten van het EFD en die van externe EU-instrumenten, met name die op het gebied van mensenrechten en democratie, te voorkomen;

Uitbreidingsbeleid, democratisering en mensenrechten

41.  benadrukt het cruciale belang van het uitbreidingsproces als een middel om democratisering te ondersteunen en de bescherming van mensenrechten te verbeteren;

42.  is verheugd over het besluit van de Commissie om de rechtsstaat centraal te stellen in het uitbreidingsproces; verzoekt de EU om gedurende de uitbreidingsprocessen waakzaam te blijven en een nauwgezette tenuitvoerlegging te eisen van bepalingen die essentieel zijn voor mensenrechten, zoals de actieve bescherming van de rechten van personen die behoren tot nationale minderheden om de gelijke behandeling van die minderheden met betrekking tot onderwijs, gezondheidszorg en sociale en andere openbare diensten te vrijwaren, de totstandbrenging van een rechtsstaat waarin alle vormen van corruptie krachtig worden bestreden, effectieve toegang tot de rechter en stappen ter eerbiediging van fundamentele vrijheden, en de volledige en daadwerkelijke gelijkheid van personen die tot nationale minderheden behoren en personen die tot de nationale meerderheid behoren, op alle vlakken van het sociale, economische, politieke en culturele leven;

43.  benadrukt dat dringend een rechtvaardige en duurzame oplossing voor het Midden-Oostenconflict moet worden gevonden om te komen tot twee naast elkaar bestaande staten, een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat, en de staat Israël, die in vrede en veiligheid samenleven binnen de in 1967 internationaal erkende grenzen;

44.  merkt met bezorgdheid op dat de eerbiediging van de rechten van minderheden een van de grootste uitdagingen is die zijn vastgesteld in de uitbreidingsstrategie van de Commissie voor 2012-2013; spoort de lidstaten, alsook de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, aan een algemeen publiek debat aan te zwengelen over de acceptatie van minderheden en hun integratie in het onderwijssysteem, maatschappelijke betrokkenheid, verbeterde leefomstandigheden en bewustmaking in het algemeen; betreurt dat met name de Roma-gemeenschap wordt achtergesteld op de gehele Westelijke Balkan, en dat dit een ongunstige invloed op de partnerschapsprocessen heeft; dringt er bij de betrokken landen op aan om effectieve maatregelen te treffen om problemen zoals discriminatie en segregatie, en toegang tot huisvesting en gezondheidszorg aan te pakken; veroordeelt het aanzetten tot haat en vooroordelen in het algemeen, en negatieve daden en discriminatie op grond van gender of seksuele geaardheid ten aanzien van kwetsbare groepen en mensen met een handicap; beklemtoont dat dit een terugkerend probleem is in veel uitbreidingslanden en in de meeste lidstaten;

45.  merkt op dat de mediavrijheid in de uitbreidingslanden over het algemeen is verbeterd; betreurt evenwel het gebrek aan maatregelen in bepaalde uitbreidingslanden om de vrijheid van meningsuiting te beschermen, hetgeen geregeld leidt tot zelfcensuur, politieke inmenging, economische druk, het treiteren van of zelfs het gebruik van geweld tegen journalisten; is in dit verband ernstig bezorgd over de toenemende schendingen van de vrijheid van meningsuiting en van de persvrijheid in Turkije;

De uitdaging van overgangsprocessen in het nabuurschapsbeleid

46.  erkent de uitdagingen die verband houden met de overgang naar democratie in de zuidelijke en oostelijke buurlanden; wijst op de toenemende divergentie met betrekking tot democratische hervormingen in de buurlanden van de EU; herhaalt dat het belangrijk is dat het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenorganisaties bij het overgangsproces naar democratie worden betrokken; pleit er daarom voor om een onderscheid te maken tussen de zuidelijke en de oostelijke dimensie van het nabuurschapsbeleid om doeltreffender rekening te kunnen houden met de specifieke eigenschappen en behoeften van elk geografisch gebied;

47.  verzoekt de EU zich in de betrekkingen met haar buurlanden consequent op te stellen als een partner die ijvert voor democratische hervormingen; steunt in dit verband verdere stappen voor associatieprocessen met de buurlanden; erkent de conclusies van de top in Vilnius en roept op tot verdere consolidatie van de betrekkingen tussen de EU en de landen van het Oostelijk Partnerschap; steunt de democratische en pro-Europese processen in Oekraïne en veroordeelt het recente gebruik van geweld tegen vreedzame burgerdemonstraties in Kiev als een schending van de grondbeginselen van vrijheid van vergadering en vrijheid van meningsuiting;

48.  neemt kennis van de nieuwe EU-benadering die is gericht op de versterking van het partnerschap tussen de EU en de landen en samenlevingen in de naburige regio's, op basis van een wederzijdse verantwoordingsplicht en een gezamenlijke inzet voor de universele waarden op het gebied van mensenrechten, democratie, sociale rechtvaardigheid en de rechtsstaat;

49.  wijst met bezorgdheid op de fragiele status van de democratiseringsprocessen en de verslechtering van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in de meeste buurlanden; benadrukt dat goed bestuur, transparantie, de vrijheid van vereniging, meningsuiting, gedachte, geweten en godsdienst en vergadering, een vrije pers en vrije media, de rechtsstaat en een onafhankelijke rechterlijke macht essentieel zijn als fundament van de democratische hervormingen; wijst er nogmaals op dat het belangrijk is gendergelijkheid en vrouwenrechten na te streven en te bevorderen, naast sociale ontwikkeling en de beperking van ongelijkheden; erkent de centrale rol van het maatschappelijk middenveld bij de totstandbrenging van publieke steun voor de democratische hervormingen in de buurlanden;

50.  betreurt dat maatschappelijke organisaties in sommige landen nog steeds te maken hebben met ernstige beperkingen, zoals belemmering van vrij verkeer, rechtszaken tegen leiders van ngo's en mensenrechtenactivisten, omslachtige administratieve procedures, het agressief gebruik van wetgeving inzake smaad tegen ngo's of een algeheel verbod op hun functioneren, restrictieve regels met het oog op de controle van buitenlandse financiering of het eisen van goedkeuring voor de aanvaarding van financiële steun; benadrukt in dit verband de betekenis van het Europees Fonds voor Democratie als een flexibele en discrete manier om het prodemocratische potentieel van het maatschappelijk middenveld van landen voor en tijdens de overgang naar democratie te ondersteunen;

51.  betreurt het gebrek aan vooruitgang in de zoektocht naar een duurzame politieke oplossing voor "bevroren conflicten"; wijst erop dat er in de politieke dialoog terdege rekening moet worden gehouden met de territoriale integriteit en de internationaal erkende grenzen van de betrokken landen, en dat deze volledig moeten worden geëerbiedigd; dringt er bij de EU op aan om zich actiever in te zetten om dit te verwezenlijken;

52.  onderstreept het belang van nationale mensenrechteninstanties binnen de mensenrechtenstructuur op nationaal niveau, voor onder meer de monitoring van en de bewustmaking inzake mensenrechten, maar ook voor het garanderen van verhaal in het geval van schendingen van de mensenrechten; dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan om een beleid uit te werken ter ondersteuning van nationale mensenrechteninstanties en om, overeenkomstig de beginselen van Parijs, de oprichting en bestendiging van nationale mensenrechteninstanties te ondersteunen als een van de prioriteiten van de externe bijstand, met name uit hoofde van het ENPI;

53.  blijft bezorgd over het gebrek aan democratie, rechtsstaat, fundamentele vrijheden en eerbiediging van de mensenrechten in Belarus;

54.  neemt met bezorgdheid kennis van gevallen van selectieve rechtspraak in bepaalde Oost-Europese landen; herinnert eraan dat de EU herhaaldelijk heeft aangedrongen op de vrijlating van politieke gevangenen, zoals Julia Timosjenko in Oekraïne; benadrukt nogmaals dat politieke en strafrechtelijke aansprakelijkheid duidelijk gescheiden dienen te zijn in landen die hechten aan democratische waarden;

55.  steunt alle stappen die leiden tot een politieke dialoog, die van essentieel belang is om het overgangsproces in Egypte verder te helpen; is ernstig bezorgd over de recente crises en de politieke polarisering in het land, waaronder de straatgevechten tussen het leger en aanhangers van de Moslimbroederschap, terrorisme en gewelddadige confrontaties in de Sinaï; veroordeelt het extremistische geweld tegen minderheden, waaronder de koptische christelijke gemeenschappen; spreekt zijn solidariteit uit met de Egyptische bevolking die strijdt voor democratie, is verheugd over de inspanningen van de Europese Unie en de VV/HV om een uitweg uit de crisis te vinden, en wijst nogmaals op de dringende behoefte aan een constructieve en inclusieve politieke dialoog om een duidelijke routekaart voor de overgang naar een echte, duurzame democratie uit te stippelen; dringt er bij alle politieke leiders in het land op aan een manier te vinden om de gevaarlijke patstelling te doorbreken en overeenstemming te bereiken over de tenuitvoerlegging van concrete vertrouwenwekkende maatregelen teneinde het risico van meer bloedvergieten en polarisering in het land te voorkomen; dringt aan op een spoedige hervatting van het democratisch proces, met inbegrip van vrije en eerlijke presidents- en parlementsverkiezingen via een alomvattend proces; dringt er bij de Egyptische overheid op aan om werk te maken van een inclusieve grondwet met gelijke rechten voor iedereen;

56.  dringt erop aan dat onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan alle gewelddadigheden, seksueel misbruik, en andere vernederende behandelingen jegens vrouwelijke betogers en vrouwenrechtenactivisten, dat een serieus en onafhankelijk onderzoek naar al deze zaken wordt ingesteld en dat degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn volledige rekenschap moeten afleggen;

57.  blijft zeer bezorgd over de kritieke situatie in Syrië; betreurt ten zeerste het gebruik van chemische wapens en het excessieve gebruik van dwang en geweld jegens de burgerbevolking en minderheden in het land, dat in geen geval te rechtvaardigen valt, en spreekt zijn afschuw uit over de mate van machtsmisbruik door de staat, hetgeen mogelijk een misdaad tegen de menselijkheid vormt; herhaalt dat het volledig achter de oproep van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN staat dat de VN-Veiligheidsraad het Internationaal Strafhof moet inschakelen voor een formeel onderzoek naar de situatie in Syrië; roept alle gewapende groeperingen op om onmiddellijk een einde te maken aan het geweld in het land; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de voortdurende humanitaire crisis, met inbegrip van de situatie van vluchtelingen, en de gevolgen ervan voor de buurlanden en de stabiliteit in de regio; benadrukt nogmaals dat humanitaire hulp voor diegenen die behoefte hebben aan basisgoederen en diensten in Syrië en de buurlanden de onmiddellijke prioriteit moet zijn van de internationale gemeenschap en de Europese Unie; is van mening dat de sleutel voor de oplossing van het conflict gelegen is in politieke mechanismen en diplomatieke processen; benadrukt het belang van de strikte toepassing van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens; is ingenomen met de recente resolutie van de VN-Veiligheidsraad en het voorstel van de Secretaris-Generaal van de VN om in november 2013 een Genève II-conferentie te houden; veroordeelt de vervolging van christenen en andere religieuze minderheden in het Midden-Oosten;

58.  herinnert aan zijn resolutie van 25 november 2010 over de situatie in de Westelijke Sahara(18) , van 22 oktober 2013 over de mensenrechten in de Sahel-regio(19) en dringt aan op het zekerstellen van de mensenrechten van het Sahrawivolk en benadrukt de noodzaak om aan de orde te stellen dat deze rechten in de Westelijke Sahara en in de Tindouf kampen, waaronder de vrijheid van vereniging, meningsuiting en betoging, worden geëerbiedigd; eist vrijlating van alle politieke gevangenen van het Sahrawivolk; wenst dat het gebied wordt opengesteld voor onafhankelijke waarnemers, ngo's en de media; is voorstander van een eerlijke en wederzijds aanvaardbare politieke oplossing voor de Westelijke Sahara, in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Verenigde Naties, waaronder die welke zelfbeschikking toestaan;

Overgangsjustitie en de uitdaging van vredesopbouw in postconflictsituaties

59.  beschouwt verantwoordingsplicht voor schendingen in het verleden als een integraal element in het proces van de totstandbrenging van duurzame verzoening; verzoekt de EU en de lidstaten de stelselmatige participatie van vrouwen in vredesprocessen en in de politieke en economische besluitvorming, mede bij democratisering en conflictoplossing, te ondersteunen en wijst op het fundamentele belang daarvan; roept ertoe op om oorlogsmisdadigers voor het Internationaal Strafhof te brengen en dringt er bij de lidstaten op aan in dit verband intensiever met het Strafhof samen te werken; is verheugd over het voornemen van de EDEO om een toegewijd beleid inzake overgangsjustitie te ontwikkelen teneinde samenlevingen te helpen om te gaan met vormen van misbruik in het verleden en straffeloosheid te bestrijden, en pleit ervoor om tijdig zulk beleid uit te werken; benadrukt dat overgangsjustitie benaderd moet worden op een manier die consistent is met de EU-steun voor internationale strafrechtspleging in het algemeen, en het Internationaal Strafhof in het bijzonder; wijst met name op de ervaringen van de EU op de Westelijke Balkan die ter inspiratie kunnen dienen; verzoekt de EU om het nieuwe mandaat van de speciale VN-rapporteur over de bevordering van de waarheid, gerechtigheid, schadeloosstelling en de waarborgen ter voorkoming van herhaling actief te steunen;

60.  benadrukt dat een hoofdelement van de EU-benadering ten aanzien van overgangsjustitie steun voor institutionele hervormingen dient te zijn, teneinde de functionering van de rechtsstaat in overeenstemming met de internationale normen te versterken; benadrukt dat criminelen die hun daden langer geleden hebben gepleegd moeten worden vervolgd door nationale of internationale gerechtshoven; benadrukt het belang van een publieke dialoog om het verleden onder ogen te zien, alsook van adequate slachtofferondersteuning en compensatieprogramma's, met inbegrip van herstelbetalingen; is van mening dat het grondig onderzoeken van de achtergrond van personeelsleden die in de overgangsinstellingen werken een geloofwaardigheidstest vormt voor overgangsjustitie;

61.  wijst erop dat de ontwikkeling van consistent beleid voor overgang in postconflictsituaties bijzonder complex is; onderstreept derhalve de noodzaak om de naleving en monitoring van internationale mensenrechten en normen inzake het humanitair recht te versterken in situaties waarbij sprake is van een gewapend conflict, en moedigt de EDEO ertoe aan om organisaties uit het maatschappelijk middenveld te steunen die zich inzetten om de eerbiediging van het humanitair recht door gewapende overheidsactoren en niet-overheidsactoren te bevorderen, met bijzondere aandacht voor de rechten van vrouwen en het belang van het kind;

62.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de ernstige mensenrechtenschendingen in het kader van gewapende conflictsituaties in recente en voortdurende crises, zoals in Syrië, Mali, de Democratische Republiek Congo en de Centraal Afrikaanse Republiek, en met name standrechtelijke executies, verkrachting en andere vormen van seksueel geweld, vormen van marteling, en willekeurige arrestaties en gevangennemingen, in het bijzonder wat de situatie van vrouwen en kinderen betreft, die erg kwetsbaar zijn; dringt er bij de EU op aan straffeloosheid in al deze gevallen te bestrijden en haar steun te geven aan de inspanningen van nationale rechtbanken en het Internationaal Strafhof om de daders te berechten; spoort de EU ertoe aan om mechanismen ter preventie van foltering te integreren in alle activiteiten van de EU op het gebied van externe betrekkingen;

63.  dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan een grondige beleidsevaluatie uit te voeren in het licht van de tragische gebeurtenissen in Syrië, Libië en Mali en andere recente conflicten, teneinde de EU-richtsnoeren inzake internationaal humanitair recht te herzien en te streven naar een effectievere tenuitvoerlegging van deze richtlijnen; roept de EU op steun te verlenen aan het lopende initiatief van het Internationaal Comité van het Rode Kruis en de Zwitserse regering om het huidige internationale governancekader met betrekking tot het internationaal humanitair recht te hervormen; pleit ervoor dat de EU zich inzet voor een hervorming van de VN-Veiligheidsraad, om doeltreffend te kunnen reageren op hedendaagse crises;

64.  is ingenomen met de lancering van het initiatief "EU Aid Volunteers" (Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening) in januari 2014, dat de kans zal bieden om meer dan 8 000 EU- en niet-EU-burgers op te leiden in en in te zetten bij humanitaire operaties overal ter wereld, en merkt op dat zich naar verwachting nog eens 10 000 mensen zullen inschrijven als "onlinevrijwilligers", die taken zullen vervullen vanaf een computer thuis;

65.  verzoekt de EU om een gemeenschappelijk EU-standpunt uit te werken over gewapende onbemande vliegtuigen;

Stapsgewijze transities en landen van zorg

66.  vestigt tevens de aandacht op de stapsgewijze transities in landen en regio’s waar de hervormingsbewegingen en de overgangsprocessen zijn gestopt of onderdrukt door het zittende regime; dringt er bij de EU op aan haar inspanningen voort te zetten om de regerende elites in deze landen en in andere landen van zorg die nog steeds op autoritaire wijze worden bestuurd, ervan te overtuigen een hervormingsproces in gang te zetten, teneinde sterke en stabiele democratieën tot stand te brengen waarbinnen de rechtsstaat, mensenrechten en fundamentele vrijheden worden geëerbiedigd; is van mening dat dit moet gebeuren in alle dialogen met haar partners, ook op het hoogste politieke niveau, en door gebruik te maken van alle relevante domeinen van het buitenlands beleid van de EU, waaronder ontwikkeling, handel enz.;

67.  herinnert eraan dat het landen en regio's die zich in een overgangssituatie bevinden ontbreekt aan democratische hervormingen en politieke verantwoordingsplicht; wijst er nogmaals op dat alle burgers het recht hebben om volledig en vrijelijk deel te nemen aan het politieke leven, waarbij vrije, eerlijke en open verkiezingen plaatsvinden met meer dan een partij en met verschillende alternatieve en onafhankelijke mediabronnen;

68.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de recente repressieve wetten en de willekeurige toepassing hiervan door de Russische autoriteiten, hetgeen vaak leidt tot de intimidatie van ngo's, maatschappelijke en mensenrechtenactivisten, minderheden en lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen, en roept de EU op om deze bezorgdheid op alle politieke niveaus te uiten; roept op om Mikhail Khodorkovsky en andere politieke gevangenen vrij te laten, en betreurt het gebruik van justitie voor politieke doeleinden; dringt er bij de Russische overheid op aan om een onafhankelijk onderzoek te voeren naar de verantwoordelijken voor de dood van Sergej Magnitski, Natalia Estemirova, Anna Politkovskaya, Stanislav Markelov en Vasily Alexanian en om hen voor het gerecht te brengen; betreurt dat de Raad de aanbeveling van het Parlement van 23 oktober 2012 over de zaak-Magnitski niet in aanmerking heeft genomen; verzoekt de Raad derhalve om een besluit tot opstelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van ambtenaren die betrokken zijn bij de dood van Sergej Magnitski; voegt eraan toe dat dit besluit van de Raad gerichte sancties voor die ambtenaren moet opleggen; uit zijn grootste bezorgdheid over de activiteiten van extreemrechtse burgerwachtgroeperingen die lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen via het internet contacteren en in de val lokken en honderden video's van deze daden op het internet plaatsen; verzoekt de EU-delegatie en de ambassades van de lidstaten in Rusland overeenkomstig de desbetreffende richtsnoeren meer steun te verlenen aan de verdedigers van de mensenrechten van lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen;

69.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de voortdurende repressie van onafhankelijke journalisten en mensenrechtenactivisten en de onderdrukking van politieke dissidenten in Cuba; vestigt de aandacht op de situatie van gewetensgevangenen in Cuba, die nog steeds veroordeeld worden op basis van gefingeerde beschuldigingen of in voorlopige hechtenis worden gehouden; verzoekt de EDEO en de VV/HV om in het kader van de Verenigde Naties te pleiten voor een internationale en onafhankelijke onderzoekscommissie die de omstandigheden moet onderzoeken waarin de Cubaanse mensenrechtenverdedigers en vreedzame dissidenten Oswaldo Payá Sardiñas (laureaat van de Sacharov-prijs in 2002) en Harold Cepero om het leven kwamen in juli 2012;

70.  benadrukt de noodzaak van internationaal toezicht op de mensenrechtensituatie in China en dringt er bij de EU-lidstaten op aan zich actief in te zetten voor de totstandbrenging van dit toezicht in het licht van het feit dat de dialoog EU-China inzake mensenrechten tot dusver geen beduidende en tastbare resultaten heeft opgeleverd; blijft bezorgd over de toenemende beperkingen gericht op mensenrechtenverdedigers, juristen, activisten uit het maatschappelijk middenveld, journalisten en bloggers; steunt de interne vraag van het Chinese volk om de fundamentele vrijheden en rechten waarop het recht heeft; herinnert eraan dat de EU in dat verband als bemiddelaar zou kunnen optreden door meer vertrouwen te scheppen, nieuwe manieren te vinden om in dialoog te treden, en de bestaande instrumenten te verbeteren;

71.  dringt er bij de Chinese overheid op aan om op een ernstige manier in dialoog te treden met het Tibetaanse volk om de onderliggende oorzaken van het grote aantal zelfverbrandingen te onderzoeken; veroordeelt de niet-vrijwillige hervestiging en verplaatsing van Tibetaanse nomaden, die een bedreiging vormen voor het voortbestaan van een levensstijl die integraal deel uitmaakt van de Tibetaanse identiteit; dringt er bij de EDEO op aan om, in overeenstemming met de EU-richtsnoeren betreffende de vrijheid van godsdienst en overtuiging, bijzondere aandacht te schenken aan het probleem van religieuze onderdrukking in Tibet en om China op te roepen om een einde te maken aan zijn beperkende beleid inzake het Tibetaanse boeddhisme; benadrukt dat er verbeteringen moeten worden doorgevoerd in het onderwijsstelsel, met name met betrekking tot het tweetalig onderwijs in de regio, om zo de nationale identiteit en het nationale erfgoed te bewaren en de oorzaken van de werkloosheid onder jongeren aan te pakken;

72.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de mensenrechtensituatie in Iran, de voortdurende onderdrukking van hervormers, het groeiende aantal politieke gevangenen en gewetens- en geloofsgevangenen, de discriminatie en vervolging van de Baha’i-gemeenschap, het immer hoge aantal executies, ook van minderjarigen, de wijdverspreide praktijken van foltering, de oneerlijke processen en de buitensporige bedragen voor borgtocht, alsook de strenge beperking van de vrijheid van informatie, meningsuiting, vergadering, godsdienst, onderwijs en de bewegingsvrijheid; is ingenomen met de vrijlating van een aantal gewetensgevangenen in Iran, waaronder jurist en Sacharov-prijswinnaar Nasrin Sotoudeh; verzoekt de Iraanse overheid om de drie oppositieleiders Mehdi Karroubi, Zahra Rahnavard en Mir Hossein Mousavi, die al twee jaar huisarrest hebben zonder dat hen iets ten laste is gelegd, vrij te laten, de speciale rapporteur van de VN voor mensenrechten in Iran toe te staan het land te bezoeken, werk te maken van een moratorium op de doodstraf, de censuur op het internet op te heffen en vrijheid van meningsuiting toe te staan in Iran; stelt vast dat de diplomatieke contacten tussen Iran en de internationale gemeenschap zijn hervat, en hoopt op een bevredigende en voor alle partijen aanvaardbare afronding van de onderhandelingen tussen de E3+3 en Iran over het nucleaire programma van Iran;

73.  spreekt zijn ernstige zorg uit over de verslechterende mensenrechtensituatie in de Democratische Volksrepubliek Korea (DVK), vestigt de aandacht op de door het Europees Parlement aangenomen spoedresoluties daaromtrent (op grond van artikel 122) en dringt er bij de DVK op aan een betekenisvolle dialoog met de Europese Unie aan te gaan over mensenrechten; verzoekt de DVK een einde te maken aan buitengerechtelijke executies en onvrijwillige verdwijningen, politieke gevangenen vrij te laten en haar burgers toe te staan vrij te reizen, zowel in Noord-Korea zelf als naar het buitenland; verzoekt de DVK vrijheid van meningsuiting en persvrijheid voor nationale en internationale media toe te staan en haar burgers ongecensureerde toegang tot het internet te verlenen; merkt op dat de provocerende acties van de DVK en de beperkende maatregelen die zij oplegt aan haar burgers geleid hebben tot wijdverbreide armoede en materiële ontbering;

74.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de situatie in Kasjmir, waar elke vorm van geweld tegen burgers sterk moet worden betreurd; is zich bewust van het feit dat er onderzoeken zijn ingesteld naar de kwestie van de ongeïdentificeerde graven; dringt er evenwel op aan om van mechanismen voor de bescherming van de mensenrechten een centraal element te maken van elke poging om de daders van geweld tegen burgers te identificeren en rekenschap te doen afleggen;

75.  verzoekt de Europese Unie zich toe te leggen op een gecoördineerde en inclusieve strategie in de Sahel om enerzijds de regio veilig te stellen en anderzijds de mensenrechten te bevorderen opdat een halt wordt toegeroepen aan schendingen zoals foltering, willekeurige arrestaties van vaak tegenstanders en journalisten, het neerslaan van vreedzame demonstraties, geweld tegen vrouwen zoals verkrachting, gedwongen huwelijk, genitale verminking, discriminatie op grond van etniciteit of kaste en zo te helpen bij de totstandkoming van een rechtsstaat die de grondrechten en fundamentele vrijheden waarborgt;

76.  is ten zeerste verontrust over het toenemende geweld door de staat tegen LGBTI's in meerdere landen ten zuiden van de Sahara, met name in Oeganda, Nigeria, Kameroen en Senegal; veroordeelt ten stelligste pogingen om steeds repressievere wetten uit te vaardigen in landen waar homoseksualiteit reeds strafbaar is; roept alle collega-parlementsleden op niet langer toe te geven aan populistische en conservatieve druk, onder meer van religieuze leiders, en de rechten van alle burgers, met inbegrip van LGBTI's, te beschermen; wijst erop dat in 76 landen homoseksualiteit nog steeds strafbaar is, met inbegrip van vijf landen waar hiervoor de doodstraf geldt; betreurt eens te meer dat in het kader van de politieke dialoog met het oog op de sluiting van de Overeenkomst van Cotonou, geen debat heeft plaatsgevonden over discriminatie op grond van seksuele gerichtheid, zoals het Parlement herhaaldelijk heeft gevraagd; herinnert de Commissie en de Raad eraan dat het Parlement vastbesloten is dit aspect op te nemen in de volgende herziening van de Overeenkomst;

77.  roept de EU op een efficiënt sanctiebeleid te ontwikkelen ten aanzien van alle regimes die repressieve methoden jegens burgers hanteren;

78.  verzoekt de EU om mensenrechtenverdedigers actief te blijven steunen, onder meer door diegenen die risico lopen tijdig tijdelijk onderdak te bieden; verzoekt de EU om haar beleid ten aanzien van de steun voor mensenrechtenverdedigers uit te breiden naar klokkenluiders en onderzoeksjournalisten, die een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren tot de bescherming en bevordering van mensenrechten;

Verkiezingswaarneming en beleid ter bevordering van de democratie

79.  is verheugd over de voortzetting van de EU-steun voor verkiezingsprocessen overal ter wereld door de inzet van verkiezingswaarnemingsmissies en missies van verkiezingsdeskundigen en door bijstand en steun te verlenen aan binnenlandse verkiezingswaarnemers; wijst erop dat deze missies recentelijk hebben bijgedragen tot steun voor democratische ontwikkeling in de buurlanden van de EU, en getuige zijn geweest van de machtsoverdracht aan de oppositie (Senegal) en de consolidering van democratie na een conflict (Sierra Leone);

80.  benadrukt het belang van een follow-up van de verslagen en aanbevelingen van verkiezingswaarnemingsmissies; wijst op zijn initiatief om de aanbevelingen van EU-verkiezingswaarnemingsmissies op te volgen door deze aanbevelingen te gebruiken als onderdeel van de "routekaart voor democratie" in het desbetreffende land, en om de hoofdwaarnemer de bijzondere taak toe te bedelen ervoor te zorgen dat de aanbevelingen worden opgevolgd en uitgevoerd met steun van de permanente organen van het Parlement;

81.  benadrukt dat het van belang is de operationele capaciteit van parlementen in de periode tussen de verkiezingen te versterken; herinnert in dit verband aan het pleidooi van de EU in het forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp om ontwikkelingssamenwerking te baseren op "democratische zeggenschap", met een speciale verwijzing naar de versterkte rol van parlementen; dringt er bij de EU op aan om werk te maken van een op rechten gebaseerde aanpak, met het oog op de integratie van mensenrechtenbeginselen in de operationele activiteiten van de EU, en mensenrechtenkwesties op de mondiale ontwikkelingsagenda te krijgen, zoals beloofd in het actieplan;

82.  herinnert aan de toezegging van de VV/HV om bij verkiezingswaarnemingen aandacht te besteden aan de deelname van vrouwen, nationale minderheden en personen met een handicap, als kandidaten en als kiezers; vraagt dat de conclusies van de EU-verkiezingswaarnemingsmissies steeds in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van programma's om de volledige en gelijke participatie van vrouwen in het verkiezingsproces en de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de missies te bevorderen;

Vrijheid van meningsuiting

83.  benadrukt het cruciale belang van de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van vrije media, in overgangssituaties; is ingenomen met de toezegging van de EU om richtlijnen inzake de vrijheid van meningsuiting (online en offline) op te stellen, en raadt voorts aan dat de EU een methodologie ontwerpt om toe te zien en in te spelen op veranderingen in de wetgeving die de pluriformiteit en vrijheid van de pers in derde landen beperken;

84.  spreekt zijn ernstige en aanhoudende bezorgdheid uit over onlinecensuur en over het feit dat daar jammer genoeg in veel landen sprake van is; wijst erop dat de EU in haar beleid voorrang moet geven aan de uitvoering van het recht op participatie en het recht op toegang tot informatie als kernbeginselen van de democratie die ook online moeten worden verwezenlijkt, en gebruik moet maken van de beschikbare mechanismen om de publieke verantwoording te versterken, zoals de beginselen van open gegevens; is van mening dat dit het geval moet zijn op alle niveaus van dialoog met derde landen, ook in de bilaterale betrekkingen en op het hoogste niveau; benadrukt het belang van onlinemedia voor de werking en de doeltreffendheid van het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers, vakbonden en klokkenluiders; verzoekt de Commissie en de EDEO meer inspanningen te leveren om digitale vrijheid in de externe betrekkingen van de EU te integreren;

85.   wijst op de betreurenswaardige trend om wetten uit te vaardigen die de vrijheid van meningsuiting en van vergadering beperken van al wie de mensenrechten van lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen steunt; merkt op dat dergelijke wetten reeds bestaan in Litouwen en Rusland, worden besproken in Oekraïne en zijn voorgesteld in Georgië, Armenië en Kazachstan; feliciteert Moldavië wegens de intrekking van een wet die "het verkondigen van andere relaties dan die met betrekking tot huwelijk en gezin" verbood; verzoekt de EU-delegaties in de betrokken landen de grote bezorgdheid van de EU over dergelijke wetten te uiten;

EU-steun voor universele mensenrechten

86.  staat volledig achter het positieve standpunt dat de EU heeft ingenomen in het strategisch kader inzake mensenrechten en democratie met betrekking tot de bevordering en bescherming van alle mensenrechten, alsook het pleidooi om "zich uit te spreken tegen iedere poging om de eerbiediging van het universele karakter van mensenrechten te ondermijnen"; spreekt nogmaals zijn steun uit voor en dringt bij de EU aan op het waarborgen van de ondeelbaarheid en de universaliteit van de mensenrechten, met inbegrip van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (Titel V, Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen betreffende het extern optreden van de Unie);

Het VN-mensenrechtenstelsel

87.  bekrachtigt zijn steun voor versterking van het VN-mensenrechtenstelsel als een cruciale factor voor de bevordering van universele mensenrechten; erkent de inspanningen van de EU in het kader van de toetsing van de VN-mensenrechtenraad en dringt er bij alle leden van de VN-mensenrechtenraad op aan om de hoogste normen inzake mensenrechten te handhaven en om de beloften die zij voorafgaand aan hun verkiezing deden waar te maken; beschouwt de onafhankelijkheid van het bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en van de VN-mandaathouders voor speciale procedures als een absolute voorwaarde voor hun doeltreffende functionering, en benadrukt de noodzaak van niet-geoormerkte financiering om dit te waarborgen;

88.  verwelkomt de aanvang van de tweede ronde van het proces van universele periodieke doorlichting (Universal Periodic Review – UPR), en dringt er bij de EU op aan nauwlettend te blijven toezien op de versterking van de UPR-procedure en de mate waarin de UPR-aanbevelingen, die door landen zijn aanvaard en die zij hebben beloofd uit te voeren, ten uitvoer worden gelegd;

89.  dringt er bij de EU-lidstaten op aan voort te bouwen op de door hen in het strategisch kader van de EU gedane toezegging en de belangrijkste internationale mensenrechtenverdragen te ratificeren en uit te voeren, door in het bijzonder de tien belangrijkste mensenrechtenverdragen van de VN en de bijbehorende optionele protocollen te ratificeren en ten uitvoer te leggen, en de desbetreffende verklaringen af te leggen inzake het waarborgen van de aanvaarding van alle individuele klachten en onderzoeksprocedures; benadrukt het belang van deze ratificaties voor de interne en externe geloofwaardigheid van het mensenrechtenbeleid van de EU; spreekt zijn grote bezorgdheid uit over het feit dat bepaalde EU-lidstaten consequent hebben nagelaten om hun periodieke verslagen aan de relevante VN-instanties voor de monitoring van de mensenrechten tijdig in te dienen, wat de geloofwaardigheid van het EU-mensenrechtenbeleid ten opzichte van derde landen eveneens ondermijnt;

90.  verzoekt de EU om derde landen aan te moedigen volledig samen te werken met speciale rapporteurs en onafhankelijke deskundigen van de VN op het gebied van de mensenrechten, onder andere door middel van permanente uitnodigingen en het ontvangen van dergelijke deskundigen;

91.  spoort de EU en haar lidstaten aan om de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten te steunen bij de tenuitvoerlegging van haar verslag van 2012 inzake de versterking van de VN-verdragsorganen die een belangrijke rol spelen bij het toezicht op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van mensenrechtenverplichtingen door staten die partij zijn bij de VN-mensenrechtenverdragen;

92.  betreurt dat de VN-Mensenrechtenraad zijn resolutie A/HRC/RES/21/3 over traditionele waarden heeft goedgekeurd, waardoor het beginsel van universele en ondeelbare mensenrechten wordt ondermijnd, en prijst het verzet van de EU hiertegen; betreurt dat er geen follow-up is van resolutie A/HRC/RES/17/19 over mensenrechten, seksuele gerichtheid en genderidentiteit, en verzoekt de groep landen die hieraan werkt, met inbegrip van Zuid-Afrika, zo spoedig mogelijk tot follow-up van deze resolutie over te gaan; prijst de inzet van de hoge VN-commissaris voor de mensenrechten voor de bevordering en bescherming van alle mensenrechten van lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders en interseksuelen, met name via verklaringen, rapporten en de nieuwe campagne "vrij en gelijk"; verzoekt de hoge VN-commissaris dit werk voort te zetten en grote bezorgdheid te uiten over zogenaamde anti-propagandawetten die de vrijheid van meningsuiting en van vergadering beperken;

93.  beklemtoont in het licht van de beginselen van het internationaal humanitair recht die nauwkeurig omschreven zijn in de resoluties van Den Haag van 1907 (artikelen 42-56) en de Vierde Conventie van Genève (GC IV, artikelen 27-34 en 47-78) en in de bepalingen van het Eerste Aanvullend Protocol, dat de EU dient te waarborgen dat de partners die behoren tot de categorie van bezettingsmacht hun verplichtingen ten aanzien van de bevolking op bezet grondgebied nakomen; herinnert eraan dat de bezettingsmacht overeenkomstig het internationaal humanitair recht volksgezondheidsnormen moet aanhouden en voedsel en medische zorg moet verstrekken aan de bevolking in het bezette gebied; herhaalt dat verplaatsing van de burgerbevolking die tot de bezettingsmacht behoort naar het bezette gebied verboden is en dat degenen die van strafbare feiten worden beschuldigd procedures moeten krijgen die internationaal erkende juridische waarborgen bieden, zoals het krijgen van informatie over de reden van aanhouding, de tenlastelegging van een specifiek strafbaar feit en het zo spoedig mogelijk krijgen van een eerlijk proces;

Internationaal Strafhof

94.  bekrachtigt zijn steun voor het Internationaal Strafhof; beschouwt het groeiende aantal staten dat partij is als een belangrijke ontwikkeling voor de versterking van het universele karakter van het Hof; is ingenomen met de ratificatie van het Statuut van Rome door Guatamala in april 2012 en door Ivoorkust in februari 2013;

95.  roept de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU op om conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken aan te nemen waarin de EU en haar lidstaten duidelijke steun betuigen aan het Internationaal Strafhof en nota wordt genomen van de inspanningen van de EU om haar instrumenten inzake het Internationaal Strafhof voortdurend te herzien, bij te werken en te verruimen en waarin nogmaals wordt beloofd om werk te maken van het universele karakter van het Statuut van Rome, om de toegang tot rechtspraak voor slachtoffers van ernstige misdrijven op grond van het internationale recht te verruimen;

96.  betreurt dat het Statuut van Rome van het internationaal Strafhof nog steeds niet is opgenomen in de lijst van verdragen die vereist zijn voor de SAP+-status, zoals vermeld in de nieuwe SAP-verordening; merkt op dat een aantal SAP+-aanvragers geen partij is bij het statuut of dit niet heeft geratificeerd (bv. Armenië en Pakistan); herhaalt zijn aanbeveling dat het Statuut van Rome moet worden toegevoegd aan de toekomstige lijst van verdragen;

97.  roept de EU en haar lidstaten op om de noodzaak van ratificatie en tenuitvoerlegging van het Statuut en het Verdrag betreffende de privileges en immuniteiten van het Internationaal Strafhof te benadrukken in het kader van onderhandelingen en politieke dialogen met derde landen, regionale organisaties en andere regionale groepen, en om bepalingen met betrekking tot het Internationaal Strafhof en internationale rechtspleging op te nemen in EU-overeenkomsten met derde landen;

98.  spoort de EDEO ertoe aan om ervoor te zorgen dat alle EU-delegaties en speciale vertegenwoordigers van de EU volledig op de hoogte zijn van het besluit van de Raad van de EU en van het actieplan inzake het Internationaal Strafhof, en van het EU-complementariteitsinstrumentarium, en om het Internationaal Strafhof, de handhaving van zijn besluiten en de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot schendingen van het Statuut van Rome, actief te promoten;

99.  dringt er bij de EU-delegaties en de speciale vertegenwoordigers van de EU, en met name de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten, op aan om het Internationaal Strafhof, de handhaving van zijn besluiten en de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot schendingen van het Statuut van Rome, actief te promoten in politieke dialogen en vergaderingen met derde landen; stelt daarnaast voor om de financiële steun aan het Internationaal Strafhof te versterken;

100.  is ingenomen met de aanneming van de EU-toolkit ter bevordering van de complementariteit en verzoekt de EDEO en de Commissie aanvullende stappen te ondernemen om de daadwerkelijke toepassing ervan te verzekeren; spoort de EU aan ervoor te zorgen dat steun voor het Internationaal Strafhof op adequate wijze wordt geïntegreerd in alle relevante domeinen van het buitenlands beleid van de EU;

101.  roept de EU-lidstaten op het Statuut van Rome volledig ten uitvoer te leggen door de nationale wetgeving af te stemmen op alle verplichtingen van het Statuut en om de verzoeken van het Internationaal Strafhof met betrekking tot steun en samenwerking in alle stadia van de procedures van het Hof, met name met betrekking tot voorlopig onderzoek, onderzoek, arrestatie en uitlevering, bescherming van slachtoffers en getuigen, voorlopige invrijheidsstelling en de uitvoering van het vonnis, in te willigen; betreurt dat de bijdragen van het Trustfonds voor slachtoffers ontoereikend blijven en verzoekt de EU-lidstaten de benodigde middelen te verstrekken opdat het zijn mandaat ten volle kan vervullen;

102.  uit zijn steun voor adequaat gefinancierde outreach- en voorlichtingsactiviteiten uit de algemene begroting van het Strafhof en onderstreept het belang van deze activiteiten om justitie een gezicht te geven;

103.  verzoekt de EU-lidstaten om de Kampala-amendementen op het Statuut van Rome te ratificeren en de ratificatie ervan door derde landen te bevorderen;

104.  verzoekt de EU en haar lidstaten meer inspanningen te leveren om straffeloosheid binnen de EU te bestrijden; moedigt hen daarom aan rekening te houden met de aanbevelingen van het Europees netwerk van aanspreekpunten inzake personen die verantwoordelijk zijn voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven;

De doodstraf

105.  keert zich ondubbelzinnig tegen de doodstraf en beschouwt de toepassing van een universeel moratorium met het oog op de mondiale afschaffing ervan als een kerndoelstelling van het EU-mensenrechtenbeleid; benadrukt dat van de doodstraf nooit is bewezen dat ze een afschrikwekkende werking heeft met betrekking tot criminaliteit en beklemtoont dat, op grond van de beschikbare gegevens, de doodstraf vooral kansarmen treft; prijst de inspanningen van de Europese Unie en haar lidstaten bij de Verenigde Naties die hebben geleid tot de goedkeuring in december 2012 van de resolutie van de Algemene Vergadering betreffende een moratorium op de toepassing van de doodstraf; is echter bezorgd over de hervatting van terechtstellingen in sommige landen; verzoekt de EU om gerichte campagnes tegen de doodstraf op touw te blijven zetten en om de contacten met landen die vasthouden aan de doodstraf te intensiveren; verwacht terdege te worden geraadpleegd bij de voor 2013 geplande herziening van Verordening (EG) nr. 1236/2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf of foltering;

106.  betreurt dat Belarus het laatste land op het Europese continent blijft dat de doodstraf handhaaft; benadrukt nogmaals dat de executies van Dmitri Konovalov en Vladislav Kovalev zeer betreurenswaardig zijn; herhaalt zijn oproep aan Belarus om een moratorium op de doodstraf in te stellen dat uiteindelijk moet leiden tot de afschaffing ervan;

Het bedrijfsleven en mensenrechten

107.  herhaalt dat Europese ondernemingen ervoor moeten zorgen dat hun activiteiten de normen op het gebied van mensenrechten eerbiedigen, ook wanneer zij actief zijn buiten de EU; uit zijn bezorgdheid over de berichte samenwerking van bepaalde Europese ondernemingen met autoritaire regimes, met name waarbij handel in gevoelige goederen, bijvoorbeeld op het gebied van informatietechnologie en communicatie, tot mensenrechtenschendingen heeft geleid;

108.  wijst erop dat het belangrijk is maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, ook bij bedrijfsactiviteiten buiten de EU, en ervoor te zorgen dat in de volledige toeleveringsketen maatschappelijk verantwoord wordt ondernomen; vindt dat de Europese ondernemingen en hun dochterondernemingen en onderaannemers een sleutelrol moeten spelen in de wereldwijde bevordering en verspreiding van de internationale normen inzake ondernemerschap en mensenrechten; wijst op het belang van een zinvolle verslaglegging over de sociale en milieugevolgen en de gevolgen voor de mensenrechten van projecten die door de Europese Investeringsbank (EIB) of door uitvoerkredieten van Europese kredietinstellingen worden gesteund; onderstreept dat financieringsverrichtingen van deze instellingen moeten bijdragen tot de in artikel 21 VEU bedoelde algemene beginselen die aan het externe optreden van de Unie ten grondslag liggen;

109.  verzoekt de EDEO verslag uit te brengen over de uitvoering van de verbintenissen die in het EU-actieplan inzake mensenrechten zijn aangegaan met betrekking tot de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten; betreurt dat de Commissie weinig vorderingen heeft geboekt bij het inwilligen van het verzoek van het Parlement om wetgeving voor te stellen die ondernemingen uit de EU zou verplichten ervoor te zorgen dat zij met hun aankopen geen daders van conflicten en ernstige mensenrechtenschendingen steunen;

110.  herinnert de Commissie aan haar verbintenis van september 2010 om de kwestie van dwangarbeid in gevangenissen in derde landen te onderzoeken en het optreden van de EU dienovereenkomstig te herzien, en verzoekt de Commissie om het Parlement in kennis te stellen van de resultaten van dit proces; verzoekt de Commissie om wetgeving in te voeren om de invoer van met behulp van dwangarbeid en arbeid in gevangenissen geproduceerde goederen in de Unie te verbieden;

Uitroeiing van alle vormen van discriminatie

111.  herinnert aan de artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens waarin wordt gesteld dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren en aanspraak hebben op alle rechten en vrijheden die in de Verklaring worden opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook; benadrukt het belang van de bestrijding van alle vormen van discriminatie, met inbegrip van discriminatie op grond van ras, kleur, geslacht, seksuele geaardheid, taal, godsdienst, kaste, maatschappelijke afkomst, cultuur, leeftijd, geboorte, handicap of andere status; herhaalt zijn oproep aan de EU om discriminatie en intolerantie te bestrijden als kernonderdeel van haar mensenrechtenbeleid, en om dit beleid te baseren op een inclusieve en alomvattende definitie van non-discriminatie; benadrukt dat de eerbiediging van de rechten van minderheden een cruciale factor is voor vrede, ontwikkeling en democratie; is ingenomen met de samenwerking van de EU met de Verenigde Naties en regionale organisaties op dit gebied en spoort haar aan deze samenwerking voort te zetten;

112.  dringt er bij de EU op aan bijzondere aandacht te besteden aan vormen van maatschappelijke gelaagdheid, zoals het kastenstelsel en soortgelijke stelsels van geërfde status, die een zeer schadelijk en soms destructief effect hebben op de vooruitzichten met betrekking tot het genieten van gelijke mensenrechten; is van mening dat er bij de landen waar het kastenstelsel nog steeds bestaat krachtig op aangedrongen moet worden dat dit verboden wordt en dat wetten die een einde moeten maken aan het kastenstelsel ook echt worden uitgevoerd;

Vrijheid van denken, geweten, godsdienst of overtuiging

113.  benadrukt dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, als verankerd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere internationale mensenrechteninstrumenten een fundamenteel mensenrecht is dat samenhangt met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden en het recht om te geloven of niet te geloven omvat, evenals de vrijheid om een theïstisch, niet-theïstisch of atheïstisch geloof te belijden, hetzij in de privésfeer, hetzij in het openbaar, alleen of in een gemeenschap samen met anderen, en het recht van eenieder om een geloof naar keuze aan te nemen, te verwisselen of hiervan afstand te doen; verzoekt de EU om het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging te bevorderen in internationale en regionale fora en in bilaterale betrekkingen met derde landen;

114.  herinnert eraan dat het recht op gewetensbezwaren tegen de militaire dienst een rechtmatige uitoefening van het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst is, en dringt er bij de EDEO en de lidstaten op aan om landen met een systeem van verplichte militaire dienst te verzoeken om te voorzien in de mogelijkheid om een alternatieve niet-combattante of burgerdienst uit te oefenen, die in het belang van de bevolking moet zijn en geen straf mag zijn, en om gewetensbezwaarden niet te bestraffen, ook niet met een gevangenisstraf, omdat zij geen militaire dienst willen vervullen;

115.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen discriminatie, intolerantie, geweld en moord op grond van godsdienst of geloof, waar en jegens wie zij ook plaatsvinden; is met name bezorgd over het toenemende aantal pogingen om de geschillen binnen langs religieuze lijnen verdeelde volkeren met behulp van geweld en vervolging op te lossen, daar deze acties een belemmering voor duurzame vrede en verzoening vormen; maakt zich tevens zorgen over de toenemende vijandigheid van regeringen en de samenleving in het algemeen in veel landen waar minderheden met een bepaalde godsdienst of een bepaalde overtuiging het recht wordt ontzegd om hun geloof vrijelijk te belijden of openlijk te uiten; merkt op dat de sociale vijandigheid jegens en aanvallen op aanhangers van bepaalde godsdiensten of overtuigingen, waarbij vele doden en gewonden zijn gevallen, nog steeds toenemen en dat de straffeloosheid en het gebrek aan bescherming voor religieuze minderheden tot bezorgdheid blijven strekken;

116.  is gekant tegen wetgeving die personen straft omdat zij voor een andere godsdienst of overtuiging kiezen; is bijzonder bezorgd dat personen in bepaalde landen vanwege zulke wetgeving bedreigd worden met opsluiting of zelfs de doodstraf; is eveneens bezorgd dat personen die hun godsdienst hebben verlaten of voor een andere godsdienst hebben gekozen te maken krijgen met sociale vijandigheid, onder meer in de vorm van geweld en intimidatie; is gekant tegen wetten die uitingen bestraffen die als godslasterlijk, smadelijk of beledigend worden beschouwd tegenover een godsdienst of godsdienstige symbolen, figuren of gevoelens; verklaart dat zulke wetten niet stroken met de aanvaarde internationale mensenrechtennormen; veroordeelt de wetsbepalingen inzake godslastering in Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Pakistan en Saudi-Arabië, die voorzien in opsluiting en de doodstraf;

117.  is ingenomen met de recente oproepen van het EIDHR om voorstellen uit te werken waarin voorrang wordt verleend aan acties van het maatschappelijk middenveld om discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging te bestrijden en waarin zulke acties worden gesteund; spoort de EU ertoe aan inclusieve inspanningen met het oog op de dialoog tussen culturen en overtuigingen te ondersteunen waarbij leidinggevende actoren, vrouwen, jongeren en vertegenwoordigers van etnische minderheden moeten worden betrokken, om de vredesopbouw en de sociale samenhang te bevorderen; verzoekt de EU en de lidstaten om subsidieregelingen uit te werken voor de bescherming en bevordering van de vrijheid van godsdienst of overtuiging in landen waar het recht daarop ernstig wordt bedreigd;

118.  is ingenomen met de verbintenis van de EU om het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging te bevorderen in internationale en regionale fora zoals de VN, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Raad van Europa en andere regionale mechanismen; spoort de EU ertoe aan om haar jaarlijkse resolutie over de vrijheid van godsdienst of overtuiging te blijven indienen bij de Algemene Vergadering van de VN en om het mandaat van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en overtuiging te steunen;

De rechten en empowerment van vrouwen en kinderen

119.  spreekt zijn volledige steun uit voor het werk van de VN met betrekking tot de rechten en empowerment van vrouwen; spoort de EU ertoe aan om gerichte campagnes op touw te zetten inzake de politieke en economische participatie van vrouwen en om initiatieven tegen gendergeweld en vrouwenmoord te steunen; steunt de tenuitvoerlegging van het Actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkelingssamenwerking; dringt er bij de EU-delegaties op aan specifieke maatregelen in te voeren met betrekking tot de rol van externe bijstand en ontwikkelingssamenwerking in het kader van hun lokale strategieën voor de tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren betreffende geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie jegens hen, waaronder gedwongen huwelijken; benadrukt dat de rol van de Commissie en de lidstaten op dit gebied zowel in de EU als daarbuiten zich niet mag beperken tot de strijd tegen geweld tegen vrouwen in al zijn vormen – ongeacht of het fysiek, psychologisch, sociaal of economisch geweld betreft –, en dat de prioriteit moet worden gegeven aan genderneutraal onderwijs vanaf jonge leeftijd; verzoekt de Commissie en de Raad derde landen verder aan te moedigen om bij de opstelling van hun nationale wetgeving rekening te houden met de rechten van vrouwen en erop toe te zien dat alle desbetreffende bepalingen naar behoren worden toegepast;

120.  veroordeelt opnieuw elke vorm van misbruik en geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huiselijk geweld; roept derhalve alle lidstaten van de Raad van Europa op het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen te ondertekenen en te ratificeren en verzoekt de EU stappen te ondernemen om tot het verdrag toe te treden teneinde de samenhang tussen het interne en externe beleid van de EU inzake geweld tegen vrouwen te verzekeren; onderstreept het belang van het voeren van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes in gemeenschappen waar genitale verminking van vrouwen, seksueel misbruik van jonge meisjes, uithuwelijking op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, vrouwenmoorden en andere gendergerelateerde schendingen van de mensenrechten gangbaar zijn en meent dat mensenrechtenverdedigers die al actief zijn in de strijd tegen de genitale verminking van vrouwen hierbij moeten worden betrokken; moedigt de EDEO en de lidstaten aan om de kwestie van genitale verminking van vrouwen verder ter sprake te brengen in hun politieke en beleidsdialoog met partnerlanden waar deze verminking nog steeds voorkomt;

121.  verzoekt de EU om de reproductieve rechten beter te beschermen en wijst erop dat dit beleid een centrale plek moet krijgen in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen; veroordeelt ten stelligste de schandelijke praktijken van vrouwenbesnijdenis in bepaalde delen van Afrika, eremoorden, selectieve abortus op basis van geslacht en gedwongen huwelijken; herinnert aan de belangrijke conclusies die werden bereikt naar aanleiding van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling in Caïro;

122.  steunt het initiatief "Onderwijs eerst" van de Secretaris-Generaal van de VN, aangezien toegang tot onderwijs meisjes beter beschermt tegen zaken die hun toekomst bedreigen, zoals huwelijken en zwangerschappen op jonge leeftijd, hiv, armoede, huiselijk en seksueel geweld, en ook de kinder- en kraamvrouwensterfte doet afnemen;

123.  meent dat een grotere inspanning moet worden gedaan om de millenniumontwikkelingsdoelstellingen inzake gendergelijkheid, de gezondheid van moeders en de toegang tot passende gezondheidszorg, onderwijs en seksuele en reproductieve gezondheidsrechten, met name voor de meest kwetsbare groepen zoals meisjes en jonge vrouwen, vóór afloop van de vastgestelde termijnen zoveel mogelijk te verwezenlijken, waarbij de regeringen blijk moeten geven van een krachtdadige inzet om de verantwoordings- en bewakingsmechanismen voor bestaande mensenrechtenverplichtingen te verbeteren, de toegang tot de rechtspraak voor iedereen te bevorderen en de daadwerkelijke participatie van de bevolking, met inbegrip van de meest gemarginaliseerde en benadeelde groepen, bij de besluitvorming en tenuitvoerlegging van het ontwikkelingsbeleid te verzekeren; beveelt aan om in de millenniumontwikkelingsdoelstellingen na 2015 een afzonderlijke doelstelling op te nemen voor vrouwenrechten en gendergelijkheid, waarbij de klemtoon wordt gelegd op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

124.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan er zorg voor te dragen dat de evaluatie van het ICPD+20 resulteert in een integrale evaluatie van alle aspecten die samenhangen met het volledig kunnen uitoefenen van seksuele en reproductieve rechten, en opnieuw een duidelijk en progressief standpunt in te nemen ten aanzien van seksuele en reproductieve rechten voor iedereen, in overeenstemming met de internationale normen op het gebied van de mensenrechten en met verdergaande verantwoording voor de vorderingen op dit gebied; verzoekt de EU en haar lidstaten er in het bijzonder zorg voor te dragen dat voor het evaluatieproces een participerende aanpak gevolgd wordt en dat de verschillende belanghebbende partijen, zowel het maatschappelijk middenveld als vrouwen, jongeren en jongvolwassenen, daar daadwerkelijk aan kunnen bijdragen; herinnert eraan dat het kader voor deze evaluatie gestoeld moet zijn op de mensenrechten, met specifieke aandacht voor de seksuele en reproductieve rechten;

125.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het probleem van verkrachting; betreurt de uiterst hoge mate van straffeloosheid met betrekking tot verkrachting in landen als India en Pakistan;

126.  veroordeelt het wijdverbreide gebruik van seksueel geweld en verkrachting als oorlogswapen, met name in het gebied van de Grote Meren; wijst erop dat gendergerelateerde misdaden en misdaden van seksueel geweld in het Statuut van Rome zijn opgenomen als oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid of handelingen die de grondslag vormen voor genocide of foltering; is in dit verband ingenomen met resolutie 2106 (2013) van de VN-Veiligheidsraad over de preventie van seksueel geweld in conflictgebieden die op 24 juni 2013 werd aangenomen en waarin wordt bevestigd dat het Internationaal Strafhof een cruciale rol speelt in de strijd tegen straffeloosheid met betrekking tot seksuele en op gender gebaseerde misdaden; dringt er bij de EU op aan de tenuitvoerlegging van deze beginselen ten volle te ondersteunen; herinnert tevens aan de toezegging van de EU om mensenrechten en genderaspecten te integreren in GVDB-missies, overeenkomstig de op dit punt cruciale resoluties°1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad betreffende vrouwen, vrede en veiligheid;

127.  verzoekt de EU om van de strijd tegen mensenhandel een prioriteit te maken; wijst erop dat in de strijd tegen mensenhandel rekening moet worden gehouden met zowel interne als externe aspecten; spoort de lidstaten ertoe aan de EU-richtlijn (2011/36/EU) en de strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016 uit te voeren;

128.  roept op tot de universele ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind; verzoekt de Commissie en de EDEO actie te ondernemen betreffende de rechten van het kind, met bijzondere aandacht voor geweld tegen kinderen, met name wat betreft gedwongen kinderarbeid, kinderhuwelijken, de inlijving van kinderen bij gewapende groepen en hun ontwapening, rehabilitatie en reïntegratie, en het probleem van kinderen die van hekserij worden beschuldigd, op de agenda te plaatsen van de mensenrechtendialoog met de betrokken landen; benadrukt dat het belangrijk is om van de rechten van het kind een prioriteit te maken in het buitenlands beleid van de EU;

129.  benadrukt de noodzaak van intensievere inspanningen voor de tenuitvoerlegging van de herziene uitvoeringsstrategie ten aanzien van de EU-richtlijnen betreffende kinderen en gewapende conflicten; spoort de EU aan de samenwerking met de speciale vertegenwoordiger van de VN voor door gewapende conflicten getroffen kinderen verder te verdiepen; verwelkomt de introductie in 2012 van een nieuwe financieringslijn ter ondersteuning van door gewapende conflicten getroffen kinderen door middel van humanitaire bijstand om te voorzien in onderwijs in noodsituaties;

130.  herinnert aan zijn eerdere aanbevelingen om de eigen procedures met betrekking tot mensenrechtenkwesties te verbeteren en meer inspanningen te leveren om mensenrechten daadwerkelijk te integreren in de eigen structuren en processen; betreurt dat er geen vorderingen zijn gemaakt met betrekking tot de plenaire debatten en de resoluties over gevallen van schendingen van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat, en de follow-up van die debatten en resoluties; is ingenomen met de inspanningen om de samenwerking op het gebied van mensenrechtenkwesties met de nationale parlementen van de lidstaten te verbeteren;

o
o   o

131.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de Verenigde Naties, de Raad van Europa en aan de regeringen van de in deze resolutie genoemde landen en gebiedsdelen.

(1). Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0503.
(2). Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0504.
(3). PB L 200 van 27.7.2012, blz. 21
(4). PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 114.
(5). Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0278.
(6). http://www.eeas.europa.eu/human_rights/docs/guidelines_en.pdf
(7). Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0394.
(8). Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0055.
(9). PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 115.
(10). PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 26.
(11). PB C 257 E van 6.9.2013, blz. 13.
(12). PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 69.
(13). PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 165.
(14). Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.
(15). PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.
(16). PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 94.
(17). PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.
(18) PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 87.
(19) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0431.

Laatst bijgewerkt op: 18 december 2018Juridische mededeling