Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2012/2078(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0372/2013

Ingediende teksten :

A7-0372/2013

Debatten :

PV 11/12/2013 - 8
CRE 11/12/2013 - 8

Stemmingen :

PV 12/12/2013 - 12.20

Aangenomen teksten :

P7_TA(2013)0598

Aangenomen teksten
PDF 224kWORD 96k
Donderdag 12 december 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie
P7_TA(2013)0598A7-0372/2013

Resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie (2012/2078(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM)(1) ,

–  gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (VSCB)(2) ,

–  gezien het "sixpack"(3) ,

–  gezien het "twopack"(4) ,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5) ,

–  gezien zijn standpunt van 12 september 2013 over het voorstel voor een verordening van de Raad waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen(6) ,

–  gezien het verslag van 5 december 2012 van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep getiteld "Naar een echte economische en monetaire unie"(7) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2012 getiteld "Blauwdruk voor een hechte economische en monetaire unie - Aanzet tot een Europees debat"(COM(2012)0777),

–  gezien zijn resolutie van 20 november 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep "Naar een echte economische en monetaire unie"(8) ,

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2013 over toekomstige wetgevingsvoorstellen inzake de EMU(9) ,

–  gezien zijn resolutie van 12 juni 2013 over versterking van de Europese democratie in de toekomstige EMU(10) ,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0372/2013),

A.  overwegende dat differentiatie een essentieel aspect is van het proces van Europese integratie, alsmede een middel om de vooruitgang ervan mogelijk te maken en substantiële eerbiediging te waarborgen van het beginsel van gelijkheid, d.w.z. de gelijke behandeling van gelijke situaties en de ongelijke behandeling van ongelijke situaties;

B.  overwegende dat gedifferentieerde integratie als pionier moet blijven fungeren met het oog op de verdieping van de Europese integratie, aangezien het is begonnen met een groep lidstaten, openstaat voor alle lidstaten en gericht is op volledige opname in de Verdragen;

C.  overwegende dat gedifferentieerde integratie twee verschijningsvormen heeft: integratie op meerdere snelheden, waarbij landen dezelfde doelstellingen nastreven in een verschillend tempo, en meerlagige integratie, waarbij landen overeenkomen om verschillende doelstellingen na te streven;

D.  overwegende dat differentiatie geen afbreuk mag doen aan de hoedanigheid van burger van de Unie, de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten, waarmee aan degenen onder hen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit, aanspraak wordt verleend op gelijke behandeling rechtens, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag;

E.  overwegende dat bij alle vormen van differentiatie de eenheid, doeltreffendheid en samenhang van de Europese rechtsorde worden geëerbiedigd en derhalve versterkt, alsmede het non-discriminatiebeginsel op grond van nationaliteit, de oprichting van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen en de werking van de interne markt;

F.  overwegende dat tot differentiatie kan worden overgegaan wanneer gemeenschappelijk optreden op enig moment niet mogelijk of haalbaar is;

G.  overwegende dat differentiatie is verankerd, en altijd moet zijn verankerd, in het ene institutionele kader van de Europese Unie;

H.  overwegende dat gedifferentieerde integratie in overeenstemming moet zijn met het subsidiariteitsbeginsel overeenkomstig artikel 5 VEU en Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

I.  overwegende dat de Verdragen voorzien in meerdere mogelijkheden en instrumenten voor gedifferentieerde integratie, zoals beperking van de territoriale draagwijdte, vrijwaringsclausules, derogaties, opt-outs, opt-ins, nauwere samenwerking en specifieke bepalingen voor de lidstaten die de euro als munt hebben, op voorwaarde dat dergelijke instrumenten geen afbreuk doen aan de eenheid, doeltreffendheid en samenhang van de Europese rechtsorde en zijn vastgelegd in het ene institutionele kader (de communautaire methode);

J.  overwegend dat sommige lidstaten een opt-out hebben bedongen voor verschillende EU-beleidsterreinen - zoals vastgesteld in verschillende protocollen bij de Verdragen - die de eenheid, doeltreffendheid en samenhang van de Europese rechtsorde in gevaar kunnen brengen;

K.  overwegende dat derogaties op grond van artikel 27, lid 2, VWEU differentiatie tussen bepaalde lidstaten mogelijk maken binnen een rechtshandeling die gericht is tot alle lidstaten, waarbij de geleidelijke totstandbrenging van de interne markt en het waarborgen van de werking ervan nog steeds het doel is;

L.  overwegende dat in de artikelen 114, lid 4 en 5, 153, lid 4, 168, lid 4, 169, lid 4, en 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vrijwaringsclausules zijn opgenomen waarmee de lidstaten striktere beschermende maatregelen kunnen handhaven of invoeren binnen de draagwijdte van een rechtshandeling die gericht is tot alle lidstaten;

M.  overwegende dat voor nauwere samenwerking de deelname van ten minste negen lidstaten is vereist op een terrein waarop een niet-exclusieve bevoegdheid van de Unie van toepassing is, waarbij niet-deelnemende lidstaten kunnen deelnemen aan beraadslagingen maar niet aan stemmingen, en dat nauwere samenwerking te allen tijde openstaat voor alle lidstaten;

N.  overwegende dat in de procedure voor nauwere samenwerking in laatste instantie maatregelen kunnen worden vastgesteld die bindend zijn voor een groep lidstaten, na door een gekwalificeerde meerderheid van de Raad verleende toestemming en op het gebied van het GBVB na met eenparigheid van stemmen verleende toestemming;

O.  overwegende dat dit mechanisme reeds wordt gebruikt voor het EU-recht inzake echtscheidingen en het Europees octrooirecht en dat het Europees Parlement en de Raad hier hun goedkeuring aan hadden gehecht binnen een belastingcontext met het oog op de invoering van een belasting op financiële transacties;

P.  overwegende dat clusters van landen specifieke taken of missies kunnen vervullen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en dat op het gebied van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid wordt overwogen een permanente kerngroep van militair capabele landen op te richten;

Q.  overwegende dat het Akkoord van Schengen van 1986 en de Overeenkomst van Schengen van 1990, ondertekend door een groep lidstaten en waarmee onderlinge grenscontroles werden vervangen, de overeenkomst betreffende de sociale politiek van 1991 tussen een groep lidstaten waarmee voormalige EG-bevoegdheden op het gebied van werkgelegenheid en sociale rechten werden uitgebreid en waarmee gekwalificeerde meerderheidsstemmingen mogelijk werden gemaakt, alsmede het Verdrag van Prüm van 2005 tussen een groep lidstaten en Noorwegen inzake gegevensuitwisseling en samenwerking ter bestrijding van terrorisme, historische voorbeelden van gedifferentieerde integratie zijn;

R.  overwegende dat het acquis van Schengen via het Verdrag van Amsterdam in de Verdragen is opgenomen, met opt-outs voor het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken;

S.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk en Ierland te allen tijde kunnen verzoeken om aan alle of aan enkele van de bepalingen van het acquis van Schengen deel te nemen, en overwegende dat Denemarken gebonden blijft door het oorspronkelijke Schengenakkoord en de oorspronkelijke Schengenovereenkomst;

T.  overwegende dat het Verdrag van Prüm ten dele is geïntegreerd in het EU-rechtskader;

U.  overwegende dat de overeenkomst betreffende de sociale politiek via het Verdrag van Amsterdam in de Verdragen is opgenomen zonder opt-outs;

V.  overwegende dat de Verdragen verschillende mogelijkheden bieden om werkgelegenheid en sociaal beleid te bevorderen maar dat die nog niet volledig zijn benut, met name wat betreft artikel 9 VWEU, artikel 151 VWEU en artikel 153 VWEU, maar ook meer in het algemeen wat betreft artikel 329 VWEU; overwegende dat een grotere sociale convergentie derhalve kan worden bereikt zonder verdragswijziging en zonder afbreuk te doen aan het subsidiariteitsbeginsel;

W.  overwegende dat het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (het 'begrotingspact') zijn gesloten in intergouvernementeel verband buiten de Verdragen om;

X.  overwegende dat de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en het ESM overeenkomsten naar internationaal recht zijn, gesloten door de lidstaten die de euro als munt hebben;

Y.  overwegende dat conform het VEU en het VWEU de nodige stappen moeten worden ondernomen om het VSCB, gesloten naar internationaal recht door alle lidstaten met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Tsjechië, inhoudelijk in het rechtskader van de Unie te integreren, binnen maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het VSCB, op basis van een beoordeling van de ervaring met de tenuitvoerlegging ervan;

Z.  overwegende dat het "Euro Plus"-pact, de Europa 2020-strategie en het Pact voor groei en banen in het recht van de Unie moeten worden geïntegreerd en het pad moeten effenen voor de invoering van een convergentiecode voor de economieën van lidstaten;

AA.  overwegende dat internationale overeenkomsten buiten het rechtskader van de EU om, gericht op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verdragen, gebruikt zijn als een absoluut ultima ratio-instrument voor gedifferentieerde integratie dat moet voorzien in een verplichting om de inhoud van het betreffende internationale verdrag in de Verdragen op te nemen tenzij die reeds in de Verdragen is opgenomen;

AB.  overwegende dat de oprichting van de EMU een kwalitatieve stap voorwaarts was op weg naar integratie, waarbij een model voor meerlagige governance werd vastgesteld dat op zowel instellingen als procedures van toepassing is;

AC.  overwegende dat aan één lidstaat desgewenst een permanente derogatie voor toetreding tot de euro wordt verleend (Protocol nr. 15), en dat een andere lidstaat over een constitutionele vrijstelling beschikt (Protocol nr. 16);

AD.  overwegende dat op het gebied van monetair beleid de bepalingen betreffende de ECB voorzien in een differentiatie in de institutionele structuur, waarbij de Raad van bestuur het belangrijkste besluitvormende orgaan is, met uitsluitend leden afkomstig uit lidstaten die de euro als munt hebben, en waarbij de Algemene Raad de niet-eurolanden verenigt, alsmede in de financiële structuur, waarbij de nationale centrale banken van alle lidstaten inschrijvers zijn op het kapitaal van de ECB (artikel 28.1 van de statuten van de ECB) maar waarbij alleen de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben, overgaan tot het storten van hun aandeel in het kapitaal van de ECB (artikel 48.1 van de statuten van de ECB);

AE.  overwegende dat artikel 127, lid 6, VWEU de Raad machtigt om de ECB specifieke taken op te dragen betreffende het beleid op het gebied van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen, met uitzondering van verzekeringsondernemingen, en als rechtsgrondslag van een verordening tot oprichting van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) voor de eurozone is gehanteerd, en voorziet in vrijwillige deelname van lidstaten buiten de eurozone door een nauwe samenwerking met de ECB tot stand te brengen;

AF.  overwegende dat op grond van artikel 139 VWEU lidstaten die vallen onder een derogatie worden vrijgesteld van de toepassing van specifieke verdragsbepalingen en van hiermee samenhangende stemrechten;

AG.  overwegende dat de artikelen 136 en 138 VWEU voorzien in een specifieke manier om maatregelen vast te stellen voor de lidstaten die de euro als munt hebben, waarbij alleen leden van de Raad die deze lidstaten vertegenwoordigen stemrecht hebben, evenals -indien noodzakelijk voor de procedure- het gehele Europees Parlement;

AH.  overwegende dat artikel 136 VWEU reeds is toegepast in combinatie met artikel 121, lid 6, voor de vaststelling van regelgeving;

AI.  overwegende dat op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimte, artikel 184 VWEU voorziet in aanvullende programma's bij het meerjarenkaderprogramma, waaraan alleen wordt deelgenomen door een groep lidstaten, die zorg draagt voor de financiering daarvan, onder voorbehoud van een eventuele deelneming van de Unie, maar die worden vastgesteld overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure waaraan de gehele Raad en het gehele Europees Parlement deelnemen, onder voorbehoud van de toestemming van de lidstaten die betrokken zijn bij deze aanvullende programma's;

AJ.  overwegende dat overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 het beginsel van de universaliteit van de begroting niet kan voorkomen dat een groep lidstaten een financiële bijdrage bestemt voor de EU-begroting of specifieke ontvangsten voor een specifieke uitgave, zoals bijvoorbeeld reeds gebeurt in het geval van de hogefluxreactor op grond van Besluit 2012/709/Euratom;

AK.  overwegende dat de Eurogroep bij artikel 137 VWEU en Protocol nr. 14 tot informeel orgaan is benoemd;

AL.  overwegende dat de soepele werking van de EMU noopt tot de volledige en snelle tenuitvoerlegging van de maatregelen waartoe reeds is besloten binnen het kader van de verbetering van het economisch bestuur, met name het versterkte stabiliteits- en groeipact en het Europees semester, in combinatie met een aantal groeibevorderende maatregelen;

AM.  overwegende dat voor een diepere EMU een versterking van de bevoegdheden, financiële middelen en democratisch verantwoordingsplicht is vereist, en overwegende dat voor de oprichting ervan een tweeledige aanpak moet worden gevolgd, gebaseerd op: ten eerste, de onmiddellijke volledige benutting van het potentieel van de bestaande Verdragen en, ten tweede, een in een overeenkomst vast te stellen verdragswijziging;

AN.  overwegende dat een doeltreffend, rechtmatig en democratisch bestuur van de EMU gebaseerd moet zijn op het institutioneel en juridisch kader van de Unie;

AO.  overwegende dat de democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht moeten worden gewaarborgd op het niveau waarop beslissingen worden genomen;

AP.  overwegende dat de EMU is opgericht door de Unie, wier burgers rechtstreeks op het niveau van de Unie worden vertegenwoordigd door het Europees Parlement;

A.BEGINSELEN

1.  herhaalt zijn verzoek om een echte EMU die de bevoegdheden van de Unie versterkt, met name op het gebied van economisch beleid, en die haar begrotingscapaciteit en de rol en de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie en de prerogatieven van het Parlement uitbreidt;

2.  is van mening dat een dergelijke verhoogde begrotingscapaciteit gebaseerd moet zijn op specifieke eigen middelen (met inbegrip van een FTT) en een begrotingscapaciteit waaruit in het kader van de begroting van de Unie groei en sociale cohesie moeten worden ondersteund, door onevenwichtigheden, structurele verschillen en financiële noodsituaties die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie, recht te zetten, zonder dat daarbij haar traditionele functies als financieringsbron voor gemeenschappelijke beleidsvormen mogen worden uitgehold;

3.  is ingenomen met de "blauwdruk" van de Commissie; dringt er bij de Commissie op aan om zo snel mogelijk met wetgevingsvoorstellen te komen, in het kader van de medebeslissingsprocedure daar waar dit juridisch mogelijk is, zodat deze onverwijld ten uitvoer kan worden gelegd, met inbegrip van verdere begrotingscoördinatie, de uitbreiding van verdergaande beleidscoördinatie op het gebied van belastingen en werkgelegenheid, en de totstandbrenging van een adequate begrotingscapaciteit voor de EMU om de tenuitvoerlegging van de beleidskeuzes te ondersteunen; benadrukt dat voor bepaalde van deze elementen wijzigingen van de Verdragen nodig zullen zijn;

4.  is van mening dat snelle maatregelen nodig zijn binnen het kader van elk van de vier bouwstenen die zijn opgenomen in het verslag getiteld "Naar een echte economische en monetaire unie", dat werd gepresenteerd door voorzitters Van Rompuy, Juncker, Barroso en Draghi, en met name:

   (a) een geïntegreerd financieel kader om te zorgen voor financiële stabiliteit in met name de eurozone en om de kosten van faillissementen van banken zoveel mogelijk te beperken voor Europese burgers; in een dergelijk kader wordt de verantwoordelijkheid voor het toezicht op het Europese niveau gebracht, en wordt voorzien in gemeenschappelijke mechanismen voor de liquidatie van banken en in een gemeenschappelijk depositogarantiestelsel;
   (b) een geïntegreerd economisch beleidskader, dat beschikt over voldoende mechanismen die ervoor zorgen dat op nationaal en Europees niveau beleid wordt gevoerd dat duurzame groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen bevordert, en zich verdragen met de vlotte werking van de EMU;
   (c) waarborgen dat de beleidsvorming in de EMU gepaard gaat met de nodige democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht, op basis van gezamenlijke uitoefening van soevereiniteit voor gemeenschappelijk beleid en solidariteit;

5.  is van mening dat een betere en duidelijkere verdeling van bevoegdheden en middelen tussen de EU en de lidstaten samen kan en moet gaan met een sterkere parlementaire betrokkenheid en verantwoordingsplicht met betrekking tot nationale bevoegdheden;

6.  herhaalt dat het bestuur van een echte EMU, teneinde daadwerkelijk rechtmatig en democratisch te zijn, moet worden opgenomen in het institutionele kader van de Unie;

7.  beschouwt differentiatie als een nuttig en handig instrument om verdergaande integratie te bevorderen, aangezien het de integriteit van de EU waarborgt, en is van mening dat differentiatie onmisbaar kan blijken om een echte EMU binnen de Unie te verwezenlijken;

8.  benadrukt dat via de bestaande gedifferentieerde integratieprocedures in het kader van de Verdragen een eerste stap kan worden gezet op weg naar de oprichting van een echte EMU die volledig in overeenstemming is met de vereisten van een sterkere democratische verantwoordingsplicht, meer financiële middelen en betere besluitvormingscapaciteiten, en roept alle instellingen op tot snel handelen door de mogelijkheden die de bestaande Verdragen en de daarin vervatte flexibiliteitsinstrumenten bieden optimaal te benutten en zich tegelijkertijd voor te bereiden op de noodzakelijke verdragswijzigingen ter waarborging van rechtszekerheid en democratische legitimiteit; wijst er eens te meer op dat de mogelijkheid van een nieuwe intergouvernementele overeenkomst moet worden uitgesloten;

9.  benadrukt dat de voor de voltooiing van een echte EMU en de oprichting van een Unie van burgers en staten noodzakelijke verdragswijzigingen kunnen voortbouwen op de bestaande instrumenten, procedures, praktijken en filosofie van gedifferentieerde integratie, terwijl de doeltreffendheid en samenhang ervan tevens worden verbeterd, en bevestigt dat het ten volle gebruik zal maken van zijn prerogatieven om bij de Raad voorstellen tot wijziging van de Verdragen in te dienen, die vervolgens moeten worden behandeld door een conventie, met als doel de structuur voor een echte EMU te voltooien;

10.  herinnert eraan dat het debat over meerlagige governance geen overlapping is van de kwestie met betrekking tot multi-level governance, dat verband houdt met bevoegdheidsverdeling en betrokkenheid van nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten;

11.  benadrukt dat differentiatie open moet staan voor alle lidstaten en tot doel moet hebben uiteindelijk alle lidstaten te betrekken, aangezien dit strookt met de aard van een middel om integratie te bevorderen, de eenheid van de EU te waarborgen en de substantiële eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel te garanderen;

12.  benadrukt dat een evenwicht tussen het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid overeenkomstig de artikelen 121 en 148 VWEU noodzakelijk is voor een positieve ontwikkeling van de EU;

B.PROCEDURES

13.  is van mening dat differentiatie, bij voorkeur en zo mogelijk, moet plaatsvinden binnen een rechtshandeling die gericht is tot alle lidstaten door middel van derogaties en vrijwaringsclausules, in plaats van via de uitsluiting bij voorbaat van sommige lidstaten van de territoriale draagwijdte van een rechtshandeling; onderstreept evenwel dat de vele derogaties en vrijwaringsclausules de eenheid van de EU en de samenhang en doeltreffendheid van het EU-rechtskader ondermijnen;

14.  is van mening dat de coördinatie van economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid behoort tot de categorie van gedeelde bevoegdheden, die overeenkomstig artikel 4, lid 1, VWEU alle gebieden betreffen die niet zijn opgenomen in de uitputtende lijsten van exclusieve of ondersteunende bevoegdheden;

15.  is van mening dat de specifieke aard van in het kader van artikel 136 VWEU vastgestelde maatregelen derhalve niet alleen samenhangt met het feit dat die maatregelen specifiek zijn voor de lidstaten die de euro als munt hebben, maar ook betekent dat zij een sterkere bindende werking kunnen hebben; en dat de Raad, in overeenstemming met artikel 136 van het VWEU, op aanbeveling van de Commissie en met de stem van de lidstaten die de euro als munt hebben, bindende richtsnoeren voor het economische beleid kan aannemen voor de landen van de eurozone in het kader van het Europees semester;

16.  benadrukt dat wanneer bepaalde lidstaten niet willen deelnemen aan de vaststelling van een rechtshandeling op het gebied van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie, er geen internationale overeenkomsten moeten worden gesloten buiten het EU-rechtskader, maar nauwere samenwerking tot stand moet worden gebracht overeenkomstig de relevante verdragsbepaling;

17.  is van mening dat artikel 352 VWEU, op grond waarvan de Raad passende bepalingen kan vaststellen om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken zonder dat de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, gebruikt kan worden in combinatie met artikel 20 VEU, zodat de flexibiliteitsclausule kan worden geactiveerd, als in de Raad geen unanieme consensus kan worden bereikt via het mechanisme voor nauwere samenwerking;

18.  verzoekt de lidstaten, wanneer de noodzakelijke vooruitgang door een tussen de lidstaten uiteenlopende politieke koers wordt belemmerd, het beginsel van nauwere samenwerking uit te breiden naar het sociale en werkgelegenheidsbeleid;

19.  is van mening dat uit de uitvoering van nauwere samenwerking voortvloeiende uitgaven moeten worden opgenomen in de EU-begroting als andere inkomsten of als een specifiek eigen middel, teneinde te voldoen aan de beginselen van het EU-begrotingsrecht en om de centrale positie van het Europees Parlement als begrotingsautoriteit te waarborgen;

20.  verzoekt om een stelselmatige toepassing van artikel 333, lid 2, VWEU bij de totstandbrenging van een nauwere samenwerking op een gebied waarop een niet-exclusieve bevoegdheid van de Unie van toepassing is, dat verwijst naar een bijzondere wetgevingsprocedure, en verzoekt de Raad met eenparigheid van stemmen van de deelnemende leden een besluit vast te stellen waarin wordt bepaald dat zij in het kader van de nauwere samenwerking voornemens zijn volgens de gewone wetgevingsprocedure te handelen;

21.  verzoekt, voor zover mogelijk, om een stelselmatige toepassing van de overbruggingsclausule van artikel 48, lid 7, VEU in andere procedures dan de procedures voor nauwere samenwerking, teneinde de democratische legitimiteit en de doeltreffendheid van het bestuur van de EMU te versterken;

22.  is van mening dat wanneer de overbruggingsclausule niet kan worden toegepast, zoals bij de vaststelling van de richtsnoeren voor economisch beleid en werkgelegenheid of de jaarlijkse groeianalyse, de mogelijkheid om interinstitutionele verdragen met een bindend karakter te sluiten volledig moet worden benut;

23.  herhaalt dat artikel 48 VEU ook tot doel heeft de democratische legitimiteit van verdragswijzigingen te waarborgen, door de betrokkenheid van het Europees Parlement bij de wijzigingsprocedure en van de nationale parlementen bij de daaropvolgende ratificatieprocedure verplicht te stellen;

24.  is het niet eens met de term "contractuele afspraken" en spoort ertoe aan om betere manieren te zoeken om de middelen die op grond van het instrument voor concurrentievermogen en convergentie (ICC) beschikbaar worden gemaakt en de structurele hervormingen formeel met elkaar te verbinden, en wijst er opnieuw op dat het gebrek aan bevoegdheden van de Unie zo nodig kan worden ondervangen door het toepassen van de passende procedures zoals vastgelegd in de Verdragen of, bij gebrek aan een passende rechtsgrondslag, door het wijzigen van de Verdragen;

C.DEMOCRATIE EN INSTELLINGEN

25.  benadrukt opnieuw dat de EMU overeenkomstig artikel 3, lid 4, VEU is opgericht door de Unie en dat de werking ervan gegrond moet zijn op representatieve democratie;

26.  benadrukt dat het Europees Parlement de enige EU-instelling is waarin burgers rechtstreeks op het niveau van de Unie worden vertegenwoordigd en tevens het parlementaire orgaan van de EMU is, en dat voldoende betrokkenheid van het Parlement van essentieel belang is om de democratische legitimiteit en werking van de EMU te kunnen waarborgen en een noodzakelijke voorwaarde is om verdere stappen te kunnen ondernemen op weg naar een bankunie, een begrotingsunie en een economische unie;

27.  benadrukt dat behoorlijke legitimiteit en verantwoording op nationaal en EU-niveau gewaarborgd moeten worden door respectievelijk de nationale parlementen en het Europees Parlement; herinnert aan het beginsel dat is opgenomen in de conclusies van de bijeenkomst van de Europese Raad van december 2012, namelijk dat "tijdens het gehele proces de algemene doelstelling het waarborgen van de democratische legitimiteit en de verantwoordingsplicht op het niveau waarop de beslissingen worden genomen en uitgevoerd [blijft]";

28.  betreurt derhalve het gebrek aan parlementair toezicht op de trojka, de EFSF en het ESM;

29.  is van mening dat een formele differentiatie van parlementaire deelnamerechten in verband met de afkomst van leden van het Europees Parlement neerkomt op discriminatie op grond van nationaliteit, dat het verbod erop een grondbeginsel is van de Europese Unie en dat het een schending vormt van het beginsel van gelijkheid voor burgers van de Unie zoals vastgelegd in artikel 9 VEU;

30.  is van mening dat in het geval van overeenkomstig artikel 136 VWEU vastgestelde maatregelen, of van de totstandbrenging van een nauwere samenwerking, de asymmetrie die voortkomt uit de betrokkenheid van, enerzijds, de vertegenwoordigers van de lidstaten die de euro als munt hebben in de Raad (of van de vertegenwoordigers van de deelnemende landen) en, anderzijds, het Europees Parlement en de Commissie die alle burgers van de Unie vertegenwoordigen en het algemeen belang ervan bevorderen, volledig samenhangend is met de differentiatiebeginselen en de legitimiteit van die maatregelen niet beperkt maar juist vergroot;

31.  benadrukt dat het Reglement van het Europees Parlement voldoende speelruimte biedt om specifieke vormen van differentiatie te organiseren op basis van politieke overeenstemming binnen en tussen de politieke fracties, teneinde te voorzien in een behoorlijk toezicht op de EMU; herinnert eraan dat in artikel 3, lid 4, VEU wordt verklaard dat "de Unie een economische en monetaire unie [instelt] die de euro als munt heeft", en dat Protocol 14 betreffende de Eurogroep vermeldt dat "er bijzondere bepalingen voor een versterkte dialoog tussen de staten die de euro als munt hebben, moeten worden vastgesteld, in afwachting dat de euro de munt van alle lidstaten van de Unie wordt"; wijst erop dat, indien deze toestand, die naar verondersteld wordt een overgangssituatie is, blijft voortbestaan, er binnen het Europees Parlement een passend mechanisme voor verantwoordingsplicht voor de huidige eurozone en de lidstaten die zich tot toetreding hiertoe verbonden hebben, moet worden overwogen;

32.  acht het van belang de samenwerking met nationale parlementen te vergroten, op basis van artikel 9 van het aan de Verdragen gehechte Protocol nr. 1, en is ingenomen met de overeenkomst inzake de instelling van een interparlementaire conferentie om begrotings- en economisch beleid te bespreken; benadrukt desalniettemin dat deze samenwerking niet moet worden gezien als de totstandbrenging van een nieuw gemeenschappelijk parlementair orgaan, dat vanuit democratisch en constitutioneel oogpunt zowel ondoeltreffend als onwettig zou zijn, en benadrukt opnieuw dat er geen vervanging is voor een formele versterking van de volledige legitimiteit van het Europees Parlement, als parlementair orgaan op Unieniveau, met het oog op een sterker democratisch bestuur van de EMU;

33.  benadrukt dat de Eurotop en de Eurogroep informele discussieorganen zijn en geen instellingen voor besluitvorming in het bestuur van de economische en monetaire unie;

34.  benadrukt de centrale rol van de Commissie in het bestuur van de EMU, hetgeen eveneens wordt bevestigd in het begrotingspact en de ESM-verdragen, bij het waarborgen van de rechtsorde van de EU-Verdragen en voor het algemeen belang van de Unie als geheel;

D.GEDIFFERENTIEERDE INTEGRATIE BINNEN DE BESTAANDE VERDRAGEN: NAAR EEN ECHTE EMU

35.  is van mening dat de communautaire methode gebruikt dient te worden voor alle maatregelen die tot doel hebben de EMU te versterken; herinnert aan artikel 16 van het VSCB, waarin is bepaald dat binnen maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag op basis van een beoordeling van de ervaring met de tenuitvoerlegging ervan en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de noodzakelijke stappen moeten worden ondernomen met het doel om de inhoud van dit Verdrag in het rechtskader van de Europese Unie te integreren;

36.  onderstreept dat lidstaten die de euro als munt hebben en de lidstaten die zich ertoe hebben verbonden de euro in te voeren, zich sterker moeten inspannen om de stabiliteit te verbeteren en het Verdrag beter na te leven, en om te zorgen voor een toename van het concurrentievermogen, de doeltreffendheid, de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht; herinnert eraan dat de euro de munt is van de Europese Unie en dat van alle lidstaten, met uitzondering van de lidstaten die onder een derogatie vallen, wordt verwacht dat ze te gelegener tijd de euro zullen aannemen;

37.  constateert dat de nationale regeringen en de Europese instellingen, in hun pogingen om de crisis op te vangen en een respons te bieden op de structurele tekortkomingen in de architectuur van de economische en monetaire unie, een hele reeks maatregelen hebben getroffen om de financiële stabiliteit te waarborgen en het economisch bestuur te verbeteren; constateert dat deze besluiten, zoals sommige bepalingen van het sixpack en het in het leven roepen van het ESM, alleen de leden van de eurozone aangaan;

38.  is verheugd over de instelling van één toezichtsmechanisme dat de eurozone beslaat en dat voor alle andere lidstaten van de EU openstaat; onderstreept dat de instelling van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor banken een onontbeerlijke etappe is in de totstandbrenging van een echte bankenunie; is van mening dat, om een oplossing te bieden voor de inherente structurele tekortkomingen van de economische en monetaire unie en de wijdverbreide afkalving van het normbesef een halt toe te roepen, de voorgestelde bankenunie vorm moet krijgen naar het voorbeeld van de eerdere hervorming van de financiële dienstensector van de Unie en van de verbetering van het economisch bestuur, met name in de eurozone, en het nieuwe begrotingskader van het Europees semester, teneinde de bankensector in de EU robuuster en concurrentiebestendiger te maken, het vertrouwen in de sector te vergroten en te zorgen voor omvangrijkere kapitaalreserves om te voorkomen dat de overheidsbegrotingen van de lidstaten in de toekomst nog moeten opdraaien voor de kosten van reddingsoperaties voor banken;

39.  is uiterst bezorgd over de vertraging bij het opzetten van de bankenunie en de praktische regelingen voor de rechtstreekse herkapitalisatie van banken door het ESM; is met name verontrust over de aanhoudende fragmentatie van het bankwezen in de EU; benadrukt dat een solide en ambitieuze bankenunie een essentieel onderdeel van een hechtere EMU vormt en een belangrijk beleidsgebied is waarop het Parlement al meer dan drie jaar lang aandringt, met name sinds het zijn standpunten over de verordening betreffende de Europese Bankautoriteit heeft aangenomen;

40.  beschouwt de bepaling van de GTM-verordening waarin de goedkeuring van het Europees Parlement wordt vereist voor de benoeming van de voorzitter en de vicevoorzitter van de raad van toezicht als een belangrijk precedent voor een versterkte rol van het EP in een EMU-bestuur op basis van differentiatie;

41.  hecht zijn steun aan nieuwe solidariteitsinstrumenten, zoals het "instrument voor convergentie en concurrentievermogen" (ICC); is van mening dat het ICC de betrokkenheid bij en de effectiviteit van het economisch beleid kan versterken; benadrukt dat dergelijke instrumenten dusdanig moeten worden opgesteld dat rechtsonzekerheid en de toename van het democratische tekort van de Unie worden vermeden;

42.  verzoekt de Commissie in het kader van het Europees semester een voorstel tot vaststelling van een convergentiecode in te dienen dat op de Europa 2020-strategie is gebaseerd en een sterke sociale pijler tot stand brengt; benadrukt dat de nationale uitvoeringsprogramma's ervoor moeten zorgen dat de convergentiecode door alle lidstaten wordt toegepast en door een op stimuli gebaseerd mechanisme wordt ondersteund;

43.  onderstreept dat het bindende karakter van de economische beleidscoördinatie zou worden versterkt door gebruikmaking van een stimuleringsmechanisme;

44.  wijst erop dat de invoering van een op stimuli gebaseerd uitvoeringsmechanisme voor meer solidariteit, cohesie en concurrentievermogen gepaard moet gaan met bijkomende lagen voor economische beleidscoördinatie, zoals vermeld in de verklaring van de Commissie bij het "twopack", teneinde het beginsel na te leven dat stappen in de richting van meer verantwoording en economische discipline gepaard moeten gaan met meer solidariteit;

45.  benadrukt dat de mechanismen voor voorafgaande coördinatie en de instrumenten voor convergentie en concurrentievermogen moeten gelden voor alle lidstaten die de euro als munt hebben ingevoerd, en dat het voor andere lidstaten mogelijk moet zijn zich er permanent bij aan te sluiten; verzoekt de Commissie deze verplichte validering door de nationale parlementen in toekomstige wetgevingsvoorstellen op te nemen en ook te zorgen voor meer betrokkenheid van de sociale partners bij de economische coördinatie;

46.  is van mening dat elk nieuw ICC dat wordt voorgesteld, gebaseerd moet zijn op voorwaarden, solidariteit en convergentie; meent dat een dergelijk instrument slechts kan worden ingevoerd wanneer sociale onevenwichtigheden zijn vastgesteld en blijkt dat belangrijke structurele hervormingen op lange termijn die duurzame groei bevorderen noodzakelijk zijn, dit op basis van een beoordeling van de samenhang tussen de convergentiecode en de nationale uitvoeringsplannen, waarbij het Europees Parlement, de Raad en de nationale parlementen formeel en naar behoren betrokken zijn;

47.  is van mening dat het ICC een hefboom voor meer begrotingscapaciteit moet zijn en afgestemd moet zijn op aan voorwaarden verbonden steun voor structurele hervormingen, teneinde het concurrentievermogen, de groei en de sociale samenhang te vergroten, een betere coördinatie van het economisch beleid en meer convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te waarborgen, en onevenwichtigheden en structurele verschillen aan te pakken; is van mening dat dergelijke instrumenten bouwstenen voor echte begrotingscapaciteit moeten zijn;

48.  beschouwt de oprichting van dit instrument als een eerste stap in de richting van een grotere begrotingscapaciteit van de EMU, en benadrukt dat de financiële middelen van het ICC een integraal onderdeel moeten uitmaken van de EU-begroting, maar wel buiten de maxima van het MFK blijven, om te waarborgen dat de EU-Verdragen en het EU-recht worden geëerbiedigd en dat het Europees Parlement hierbij als de begrotingsautoriteit volledig betrokken is, door o.a. toe te staan dat de relevante begrotingskredieten per geval worden goedgekeurd;

49.  verzoekt om de opneming van een nieuw eigen middel dat wordt gefinancierd door bijdragen van aan het ICC deelnemende lidstaten op grond van een gewijzigd eigenmiddelenbesluit en door de toewijzing van de inkomsten van dit nieuwe eigen middel aan de ICC-uitgaven, en verzoekt om een wijziging van de eigenmiddelenbesluiten of, indien dit niet mogelijk is, om het gebruik van de inkomsten uit de belasting op financiële transacties als andere inkomstenbron, teneinde dergelijke rechtstreekse bijdragen te compenseren;

50.  dringt erop aan dat de Voorzitter van het Parlement op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad het standpunt van het Parlement over de jaarlijkse groeianalyse presenteert; is van mening dat er over een interinstitutioneel akkoord moet worden onderhandeld om het Europees Parlement inspraak te geven bij de goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de richtsnoeren inzake economisch beleid en werkgelegenheid;

51.  herhaalt zijn verzoek om versterking van de sociale dimensie van de EMU, en stelt opnieuw dat het beleid van de Unie ook werkgelegenheids- en sociaal beleid omvat;

52.  wijst er opnieuw op dat er, overeenkomstig de Verdragen, rekening moet worden gehouden met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid en de waarborging van adequate sociale bescherming bij de vaststelling en tenuitvoerlegging van het beleid en de activiteiten van de Unie; verzoekt om de totstandbrenging van werkgelegenheids- en sociale ijkpunten ter aanvulling van budgettaire en macro-economische indicatoren, alsmede om voortgangsverslagen over structurele hervormingen, met als doel een passende en efficiënte omvang van de sociale investeringen te garanderen en daarmee de duurzaamheid van een sociale Europese Unie op lange termijn;

53.  is ingenomen met de oprichting door de Commissie, op 2 juli 2013 en naar aanleiding van de afspraken van het "twopack", van een deskundigengroep onder voorzitterschap van Gertrude Trumpel-Gugerell, die als taak heeft de belangrijkste aspecten van een mogelijk schuldaflossingsfonds en eurobills grondig te beoordelen, met inbegrip van de wettelijke bepalingen, de financiële architectuur en de aanvullende begrotingskaders, en is voornemens een standpunt in te nemen zodra de deskundigengroep verslag heeft uitgebracht over deze kwesties;

54.  is van mening dat de activiteiten van het EFSF/ESM en alle toekomstige vergelijkbare structuren moeten worden onderworpen aan regelmatige democratische controle en toezicht door het Europees Parlement; is van mening dat het ESM volledig moet worden opgenomen in het kader van de Unie;

55.  wijst erop dat de trojka niet kan worden vrijgesteld van de verantwoordingsplicht; is van mening dat de Commissie regelmatig namens de trojka verslag moet uitbrengen aan het Europees Parlement, door regelmatig verslagen in te dienen; herinnert eraan dat de deelname van de EU aan het "trojka"-systeem aan democratisch toezicht door het Parlement moet worden onderworpen en verantwoording aan het Parlement moet afleggen;

E.GEDIFFERENTIEERDE INTEGRATIE EN VERDRAGSWIJZIGINGEN

56.  is van mening dat in een toekomstige verdragswijziging moet worden bevestigd dat gedifferentieerde integratie een instrument is om verdere integratie te bereiken, waarbij de eenheid van de Unie wordt gewaarborgd;

57.  is van mening dat via een toekomstige verdragswijziging een nieuw niveau van geassocieerd lidmaatschap kan worden ingevoerd, inclusief een gedeeltelijke opname in specifieke beleidsterreinen van de Unie, als middel om het Europees nabuurschapsbeleid te versterken;

58.  is van mening dat bij een toekomstige verdragswijziging moet worden bevestigd dat de Eurotop een informele configuratie van de Europese Raad is, zoals voorzien in titel V van het VSCB;

59.  stelt voor van de Eurogroep een informele configuratie van de Raad Economische en Financiële Zaken te maken;

60.  verzoekt dat het met economische en financiële zaken belaste Commissielid de functie van minister van Financiën en permanente vicevoorzitter van de Commissie op zich neemt;

61.  verzoekt om een omzetting -met beperkte uitzonderingen- van de stemmingsprocedures in de Raad waarvoor eenparigheid van stemmen is vereist in stemmingsprocedures waarvoor een gekwalificeerde meerderheid is vereist, alsmede om een omzetting van de bestaande bijzondere wetgevingsprocedures in gewone wetgevingsprocedures;

62.  verzoekt om de invoering van een rechtsgrondslag om EU-agentschappen op te richten die specifieke uitvoerende functies kunnen uitvoeren, die hen overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedures door het Europees Parlement en de Raad worden opgelegd;

63.  beschouwt de stemming met omgekeerde gekwalificeerde meerderheid in het begrotingspact eerder als een politieke verklaring dan als een doeltreffend besluitvormingsinstrument, en verzoekt derhalve om de opname van de omgekeerde gekwalificeerde meerderheid in de Verdragen, met name in de artikelen 121, 126 en 136, op dusdanige wijze dat de door de Commissie ingediende voorstellen of aanbevelingen van kracht kunnen worden als het Parlement of de Raad geen bezwaar hebben gemaakt binnen een bepaalde vooraf vastgestelde periode, teneinde volledige rechtszekerheid te kunnen waarborgen;

64.  verzoekt om de wijziging van artikel 136 VWEU teneinde de reikwijdte ervan uit te breiden tot vrijwillige deelname van niet-eurolidstaten, door te voorzien in volledig stemrecht overeenkomstig de procedure voor nauwere samenwerking, en verzoekt om de opheffing van de beperkingen overeenkomstig artikel 136 VWEU en om de opwaardering van dit artikel tot een algemene clausule voor de goedkeuring van rechtshandelingen betreffende de coördinatie en vaststelling van juridisch bindende minimumnormen met betrekking tot economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid;

65.  verzoekt om de uitbreiding van de rechtsgrondslag van artikel 127, lid 6, VWEU naar alle financiële instellingen, met inbegrip van op de interne markt gevestigde verzekeringsmaatschappijen;

66.  verzoekt om het Parlement te betrekken bij de benoemingsprocedure van de voorzitter, vicevoorzitter en andere leden van de directie van de ECB in artikel 283 VWEU, door verplicht te stellen dat het Parlement zijn goedkeuring hecht aan de aanbevelingen van de Raad;

67.  verzoekt de volgende conventie om te onderzoeken of het mogelijk is een bijzondere wetgevingsprocedure in te voeren waarvoor viervijfde van de stemmen in de Raad en een meerderheid van de leden van het Parlement is vereist overeenkomstig artikel 312 VWEU, voor de vaststelling van de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader;

68.  verzoekt de volgende conventie om te onderzoeken of het mogelijk is een bijzondere wetgevingsprocedure in te voeren waarvoor viervijfde van de stemmen in de Raad en een meerderheid van de leden van het Parlement is vereist overeenkomstig artikel 311, lid 3, VWEU, voor de vaststelling van het eigenmiddelenbesluit;

69.  verzoekt de volgende conventie te onderzoeken of het mogelijk is voor lidstaten die de euro als munt hebben en voor alle lidstaten die aan een nieuw gemeenschappelijk beleid willen deelnemen, om te voorzien in specifieke eigen middelen in het kader van de EU-begroting;

70.  is van mening dat de financiële middelen van EU-agentschappen een integraal onderdeel van de begroting van de Unie moeten uitmaken;

71.  pleit ervoor dat de toestemming van het Europees Parlement voor wijzigingen van de Verdragen met een meerderheid van tweederde van de leden verplicht wordt gesteld;

72.  dringt erop aan dat de toekomstige conventie een zo groot mogelijke democratische legitimiteit moet hebben door ook sociale partners, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden erbij te betrekken, door de besluiten in plenaire vergaderingen te nemen in overeenstemming met alle democratische regels, door genoeg tijd te bieden voor ernstig en grondig overleg, door volledig transparant te opereren en door alle vergaderingen openbaar te maken;

73.  pleit ervoor om de overbruggingsclausule in artikel 48, lid 7, VEU uit te breiden tot de Verdragen als geheel;

o
o   o

74.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de voorzitter van de Europese Raad.

(1). Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM)
(2). Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie
(3). PB L 306 van 23.11.2011.
(4). PB L 140 van 27.05.2013.
(5). PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6). Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0372.
(7). https://www.ecb.europa.eu/ssm/pdf/4preport/fourpresidentsreport2012-12-05NL.pdf
(8). Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0430.
(9). Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0222.
(10). Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0269.

Laatst bijgewerkt op: 18 december 2018Juridische mededeling