Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2095(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0007/2014

Ingediende teksten :

A7-0007/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/01/2014 - 5.15

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0015

Aangenomen teksten
PDF 152kWORD 70k
Dinsdag 14 januari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid
P7_TA(2014)0015A7-0007/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid (2013/2095(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 174 en volgende van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds(1) ,

–  gezien het gewijzigde voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (COM(2013)0246),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2011 over het vijfde cohesieverslag van de Commissie en de strategie voor het cohesiebeleid na 2013(2) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over het cohesie- en regionaal beleid van de EU na 2013(3) ,

–  gezien zijn resolutie van 23 juni 2011 over de bestaande situatie en de synergievoordelen die kunnen worden behaald door het EFRO en de andere structuurfondsen beter op elkaar af te stemmen(4) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over de toekomst van het Europees Sociaal Fonds(5) ,

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2010 over goed bestuur met betrekking tot het regionaal beleid van de EU: steun- en controleprocedures van de Europese Commissie(6) ,

–  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over de absorptie van middelen uit de structuurfondsen en het cohesiefonds: lering voor het toekomstige cohesiebeleid van de EU(7) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2011 met de titel "Bijdrage van het regionaal beleid aan duurzame groei in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0017) en het bijbehorende werkdocument (SEC(2011)0092),

–  gezien het achtste voortgangsverslag van de Commissie over de economische, sociale en territoriale cohesie van 26 juni 2013 (COM(2013)0463),

–  gezien het verslag van de Commissie van 18 april 2013 met de titel "Cohesiebeleid: Strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007‑2013" (COM(2013)0210) en het bijbehorende werkdocument (SWD(2013)0129),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 april 2012 over het partnerschapsbeginsel bij de tenuitvoerlegging van de GSK-fondsen – elementen voor een Europese gedragscode voor partnerschap (SWD(2012)0106),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 14 maart 2012 over elementen voor een gemeenschappelijk strategisch kader 2014-2020 voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (SWD(2012)0061), delen I en II,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 juni 2011 over de rol en prioriteiten van het cohesiebeleid binnen de EU 2020-strategie (CESE 994/2011 – ECO/291),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2012 over het partnerschapsbeginsel bij de tenuitvoerlegging van de onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallende fondsen – elementen voor een Europese gedragscode inzake partnerschap (CESE 1396/2012 – ECO/330),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 22 mei 2013 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014‑2020" (CESE 1557/2013 – SOC/481),

–  gezien de resolutie van het Comité van de Regio's van 31 januari - 1 februari 2013 met de titel "Wetgevingspakket voor het cohesiebeleid na 2013" (2013/C 62/01),

–  gezien het ontwerpadvies van het Comité van de Regio's van 7‑9 oktober 2013 over aanbevelingen voor betere besteding (COTER‑V‑040),

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en het advies van de Begrotingscommissie (A7‑0007/2014),

A.  overwegende dat de lidstaten momenteel hun partnerschapsovereenkomsten (PO's) en operationele programma's (OP's) voor de nieuwe programmeringsperiode 2014‑2020 voorbereiden;

B.  overwegende dat naar verwachting voor het einde van 2013 definitieve overeenstemming zal worden bereikt over het rechtskader voor de Europese structuur- en investeringsfondsen;

C.  overwegende dat de gemeenschappelijke verordening (GV) gemeenschappelijke regels bevat die van toepassing zijn op de vijf EU-fondsen: het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij;

D.  overwegende dat met het cohesiebeleid beoogd wordt de verschillen tussen de EU-regio's te verkleinen door de financiering te richten op het versterken van de economische, sociale en territoriale cohesie;

E.  overwegende dat het cohesiebeleid een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen voor slimme, duurzame en inclusieve groei;

F.  overwegende dat het cohesiebeleid – het voornaamste beleidsterrein voor de ontwikkeling van de EU – de meeste lidstaten helpt om de economische crisis te boven te komen;

G.  overwegende dat alle mogelijke inspanningen moeten worden geleverd om ervoor te zorgen dat de realisatie en uitvoering van de programma's in het kader van het cohesiebeleid 2014-2020 zoveel mogelijk vereenvoudigd worden voor alle instanties en begunstigden;

Een doeltreffende en tijdige start van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid

1.  stelt vast dat in de afgelopen jaren in het kader van het cohesiebeleid met succes miljarden euro's zijn geïnvesteerd in nieuwe banen, de ondersteuning van innovatieve ondernemingen en de ontwikkeling van vervoersverbindingen in de EU;

2.  benadrukt echter dat er nog steeds sprake is van, soms toenemende, verschillen tussen de EU-regio's, en dat het van essentieel belang is om EU-middelen te blijven investeren op lokaal en regionaal niveau om ervoor te zorgen dat gebieden die verbetering behoeven op economisch, sociaal en ecologisch gebied, steun blijven ontvangen;

3.  benadrukt dat het cohesiebeleid onder meer gericht moet zijn op de aanpak van de toenemende jeugdwerkloosheid in de Europese Unie;

4.  benadrukt dat in de huidige economische, financiële en sociale crisis financiering in het kader van het cohesiebeleid voor een aantal landen een zeer belangrijke bron van overheidsfinanciering vertegenwoordigt, en dat deze situatie maakt dat van deze lidstaten een zekere soepelheid verlangd wordt om hun nationale economie opnieuw aan te zwengelen; benadrukt in dit verband dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de lidstaten en de regio's begin 2014 zo snel mogelijk van start kunnen gaan met de uitvoering van de nieuwe financieringsronde in het kader van het cohesiebeleid;

5.  is ingenomen met de goedkeuring van het MFK 2014‑2020 en het rechtskader voor het cohesiebeleid; benadrukt dat een bevredigend resultaat is bereikt, gelet op de wens om het nieuwe cohesiebeleid snel en doeltreffend van start te laten gaan;

6.   herinnert eraan dat het niveau van de nog betaalbaar te stellen bedragen ("reste à liquider" – RAL) aan het eind van het MFK 2007‑2013 voor twee derde betrekking heeft op het cohesiebeleid; wijst op de noodzaak om een stabiele oplossing te vinden die helpt voorkomen dat de tenuitvoerlegging van programma's van de Europese Unie stokt wegens gebrek aan betalingen; wijst erop dat de regel N+3 weliswaar van wezenlijk belang is ter waarborging van de uitvoering van de via het cohesiebeleid gesteunde projecten, maar gevolgen zal hebben voor de accumulatie van RAL voor de komende jaren, met name in geval van vertraging bij de lancering van nieuwe programma's;

7.  merkt op dat niet alleen de doeltreffende en tijdige start van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid van groot belang is, maar dat eveneens de kwaliteit van de PO's en de OP's gegarandeerd moet zijn om ervoor te zorgen dat de fondsen op lange termijn optimaal worden benut;

8.  herinnert aan zijn standpunt met betrekking tot het belang van een verplichte herziening en een verdere revisie van het komende MFK vóór eind 2016, om de volgende Commissie en het volgende Parlement in staat te stellen de politieke prioriteiten van de Unie opnieuw te beoordelen, het MFK zo nodig aan nieuwe uitdagingen aan te passen en ten volle rekening te houden met de meest recente macro-economische voorspellingen;

De gemeenschappelijke verordening

9.  is ingenomen met de in de verordening aangebrachte verbeteringen die leiden tot een sterkere en meer geïntegreerde aanpak van de financiering in het kader van het cohesiebeleid aan de hand van het gemeenschappelijk strategisch kader; erkent dat dit essentieel is om ervoor te zorgen dat de projecten een grotere impact hebben en tastbare resultaten opleveren; verzoekt de lidstaten nog meer maatregelen in te voeren ter vereenvoudiging van de bureaucratie en het beheer van de programma's; verwacht dat dit zal leiden tot een soepele tenuitvoerlegging van deze programma's en een doeltreffende benutting van de fondsen;

10.  is ingenomen met de voorstellen om vereenvoudigingsmaatregelen op te nemen in de GV om administratieve lasten te verminderen; is van mening dat vereenvoudiging van de procedure voor aanvragers, begunstigden en beheersinstanties van toegevoegde waarde zal zijn voor de EU-financiering;

11.  erkent dat het cohesiebeleid een essentiële bijdrage kan leveren aan het behalen van de Europa 2020-doelstellingen en benadrukt derhalve het belang van het afstemmen ervan op de Europa 2020-doelstellingen middels een thematische concentratie op een beperkt aantal doelstellingen; beklemtoont dat deze aanpak voldoende ruimte biedt om te voorzien in de lokale en regionale behoeften;

12.  onderstreept het belang van de strategie voor slimme specialisatie als aanvulling op de doelstellingen van de Europa 2020-groeistrategie door de nadruk te leggen op de vaststelling en maximale benutting van gebieden met een grote concurrentiekracht, de uitwisseling van beste praktijken en de integratie van onderzoek, innovatie en onderwijs via EU‑brede partnerschappen;

13.  benadrukt dat het cohesiebeleid reeds voorwaarden kent voor de toekenning van steun, maar dat de doeltreffendheid van de financiering in de volgende programmeringsperiode verder moet worden verbeterd door deze afhankelijk te stellen van de inachtneming van bepaalde criteria; is van mening dat het cohesiebeleid bedoeld is om de samenhang tussen regio's te bevorderen en niet mag dienen ter ondersteuning van ander EU‑beleid dat op de macro-economische hervorming van de lidstaten gericht is;

14.  merkt op dat aanpassing aan de bij de GV vastgestelde veranderingen de voorbereiding van PO's en OP's enigszins kan vertragen;

Vorderingen in de lidstaten

15.  benadrukt dat het duidelijk is dat de lidstaten momenteel niet allemaal even ver zijn met de voorbereidingen; erkent dat sommige lidstaten goede vorderingen maken en hun voorstellen voor PO's ter goedkeuring hebben voorgelegd aan de Commissie, terwijl andere nog niet zo ver zijn;

16.  merkt op dat, over het geheel genomen, de nieuwere lidstaten (EU‑12) die een deel van de programmeerperiode 2000‑2006 hebben meegemaakt en de gehele programmeerperiode 2007‑2013, in vergelijking met een aantal EU‑15‑lidstaten vergevorderd zijn met hun voorbereidingen;

17.  benadrukt dat in sommige lidstaten de begroting voor de komende programmeringsperiode aanzienlijk daalt, terwijl in andere lidstaten wordt gedebatteerd over de verdeling van de middelen binnen de lidstaat; is van mening dat hierdoor de voorbereidingen vertraging kunnen oplopen;

18.  onderstreept dat de lidstaten die goede vorderingen boeken in de voorbereiding van de volgende financieringsronde in het kader van het cohesiebeleid, in juni of juli 2013 hun PO's en OP's aan de Commissie hebben voorgelegd voor informele opmerkingen;

19.  constateert dat veel goed presterende lidstaten al in 2010 met de voorbereidingen zijn begonnen door de belangrijkste belanghebbende partijen te verzoeken een bijdrage te leveren aan de besprekingen over het formuleren van de behoeften en prioriteiten; is derhalve ingenomen met de inspanningen die zijn verricht om zo vroeg mogelijk te starten met de voorbereidingen en is van mening dat dit duidelijk zorgt voor een betere voorbereiding;

20.  benadrukt dat de vordering van de voorbereidingen afhangt van de vraag of de desbetreffende instanties en organisaties over genoeg capaciteit beschikken om tijd en geld te investeren in vroege voorbereidingen en hiervoor voldoende personeel ter beschikking hebben;

21.  erkent dat de gevorderde voorbereidingen in sommige gevallen hebben geresulteerd in tijdige evaluaties vooraf en strategische milieueffectbeoordelingen (SMEB's), zodat de voorstellen in september en oktober 2013 konden worden gewijzigd op basis van de uitkomsten van die evaluaties;

22.  beseft dat sommige lidstaten te maken hebben gehad met regeringswisselingen die de voorbereidingen op de volgende programmeringsperiode kunnen belemmeren; benadrukt dat het voor de voortzetting van de voorbereidingen essentieel is om te beschikken over regelingen die ervoor zorgen dat de administratieve werkzaamheden kunnen worden voortgezet, ook in het geval van een regeringswisseling;

23.  wijst er daarnaast op dat de voorbereiding op financiering in het kader van het cohesiebeleid moet plaatsvinden op politiek niveau, om ervoor te zorgen dat de afronding van de PO een prioriteit is voor de regeringen;

Vorderingen op het gebied van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's

24.  wijst erop dat sommige lidstaten voornemens zijn de inhoud van hun OP's te wijzigen; is ingenomen met het feit dat bepaalde lidstaten hebben besloten over te stappen op uit verschillende fondsen gefinancierde programma's of het aantal regionale OP's te verminderen;

25.  merkt op dat de mate waarin de centrale overheden de coördinatie en het uitoefenen van toezicht aan de regionale overheden overlaten, sterk uiteenloopt, afhankelijk van de organisatorische structuur in de verschillende lidstaten, waarbij sommige regio's zeer actief zijn en de meeste aspecten van de financiering in het kader van het cohesiebeleid bijna volledig controleren, en sterk vertegenwoordigd zijn in de PO's; wijst in dit verband op de gedragscode, waarin is neergelegd dat de lokale en regionale actoren en maatschappelijke organisaties een sleutelrol vervullen en waarin het partnerschapsbeginsel wordt gewaarborgd wat betreft het cohesiebeleid voor de periode 2014‑2020;

26.  benadrukt dat ten volle aandacht geschonken moet worden aan de lokale en regionale dimensie; beklemtoont dat de regio's een belangrijke rol spelen bij het kiezen van gebieden met een grote concurrentiekracht;

27.  benadrukt dat het opnemen van afzonderlijke, door de regionale overheden opgestelde hoofdstukken in de PO's een manier kan zijn om de aanpak ten aanzien van de PO's te laten functioneren in lidstaten met centrale overheden; beklemtoont dat deze aanpak ervoor zorgt dat overheden met decentrale bevoegdheden op het gebied van de Europese financieringsprogramma's meer rechtstreeks worden betrokken bij de ontwikkeling van PO's en hun eigen programma-ideeën en uitvoeringsmechanismen kunnen ontwikkelen;

28.  beseft echter dat dit de voorbereiding van de lidstaten in zijn totaliteit kan beïnvloeden;

29.  wijst erop dat doeltreffende coördinatie op het niveau van de lidstaten noodzakelijk is om de termijnen aan te kunnen houden voor de voorbereiding van OP's die tegemoetkomen aan de lokale en regionale ontwikkelingsbehoeften, aangezien de verantwoordelijkheid voor de inhoud en het beheer van de OP's naar gelang het geval bij de lokale en regionale overheden moet liggen, overeenkomstig de interne organisatie van de desbetreffende lidstaat, om te waarborgen dat de PO's tijdig worden gesloten;

30.  beseft echter dat een vermindering van het aantal regionale OP's gepaard zou gaan met grote beheersmatige en organisatorische veranderingen en een verhoogd risico op vertragingen in de beginperiode met zich mee zou kunnen brengen als gevolg van de complexiteit veroorzaakt door het uitvoeren van de OP's parallel aan de programmering op verschillende nationale en regionale niveaus;

31.  merkt op dat de Commissie ervan op de hoogte is dat er veel interesse bestaat voor uit verschillende fondsen gefinancierde programma's, als bedoeld in de GV, en dat veel lidstaten voor de programmeringsperiode 2014-2020 plannen hebben voor één of meer uit verschillende fondsen gefinancierde programma's; benadrukt in dit verband dat deze werkwijze zo doeltreffend mogelijk moet worden gevolgd en niet mag leiden tot impasses of vertragingen; stelt vast dat er in de GV aandacht wordt besteed aan de uiteenlopende institutionele structuren in de lidstaten en dat er maatregelen zijn voorzien om met specifieke situaties rekening te houden; onderstreept dat de regionale en lokale instanties het best toegerust zijn om de ontwikkelingsbehoeften te beoordelen en programma's ten uitvoer te leggen die dicht bij de betrokken burgers, organisaties, ondernemingen en autoriteiten staan;

32.  beseft dat de mogelijkheid om PO's en OP's in een gevorderd stadium voor te bereiden, afhangt van de vraag of de lidstaten over voldoende voorlopige analyses beschikken met betrekking tot de nationale situatie en de toekomstige ontwikkelingen; beklemtoont dat dit ervoor zorgt dat EU‑fondsen een effectievere bijdrage leveren aan het behalen van de nationale doelstellingen;

33.  verzoekt de Commissie informatie openbaar te maken over de stand van zaken met betrekking tot de partnerschapsovereenkomsten van de lidstaten, bijvoorbeeld door middel van een samenvatting per lidstaat met informatie over de stand van de voorbereidingen, de voorgestelde inhoud en het overleg met betrokken belanghebbenden, zodat de andere lidstaten en autoriteiten kunnen leren van goede praktijken en benaderingen;

Lessen uit de periode 2007-2013

34.  benadrukt dat het overzetten van methoden en mechanismen uit de programmeringsperiode 2007‑2013 naar de periode na 2013 voor veel lidstaten een groot probleem vormt; beklemtoont dat het ook een uitdaging is ervoor te zorgen dat bestaande projecten doeltreffend blijven tijdens de ontwikkeling van nieuwe projecten;

35.  constateert dat de voorbereidingen aan het begin van de programmeringsperiode 2007‑2013 in veel lidstaten langer hebben geduurd dan verwacht; benadrukt dat veel overheden dit hebben verholpen door nieuwe PO's en OP's tijdiger in te dienen;

36.  is van mening dat uit de door de lidstaten verstrekte voorbeelden duidelijk blijkt dat de coördinatie tussen de verschillende maatregelen, OP's en fondsen, en de betrokkenheid van lokale overheden, regionale organisaties en sociale en economische partners, moeten worden verbeterd;

37.  constateert dat te breed geformuleerde prioriteiten tot de meest voorkomende problemen van de vorige programmeringsperiode behoorden; verzoekt derhalve in de toekomst een strategischer en gestroomlijnder aanpak te hanteren ten aanzien van het stellen van prioriteiten, in die zin dat er minder prioriteiten worden vastgesteld en de prioriteiten zich richten op specifieke doelstellingen;

38.  is ingenomen met het feit dat lidstaten op basis van de succesvolle ervaringen met de vorige financieringsronde de hefboomwerking van particuliere financiering proberen te verbeteren om alternatieve financieringsbronnen aan te boren als aanvulling op de traditionele financieringsmethoden; benadrukt dat in een tijd van budgettaire krapte en teruglopende financieringscapaciteit in de particuliere sector een verruiming van het gebruik van financiële instrumenten publiek-private samenwerkingsverbanden kan bevorderen, ervoor kan zorgen dat de EU‑begroting een multiplicatoreffect krijgt en dat alternatieve financieringsbronnen worden aangeboord en kan zorgen voor een belangrijke geldstroom voor strategische regionale investeringen; benadrukt derhalve dat het belangrijk is duidelijke voorschriften vast te stellen voor het gebruik van innovatieve financiële instrumenten, zoals leningen, garanties en participaties, als aanvulling op subsidies ter bevordering van de samenwerking tussen ondernemingen, publieke organisaties en onderwijsinstellingen;

Doeltreffendheid van de fondsen

39.  wijst erop dat ervaringen met voorgaande financieringsprogramma's duidelijk hebben gemaakt dat het van essentieel belang is dat de financiering leidt tot positieve langetermijneffecten; dringt voorts aan op het waarborgen van de kwaliteit van de programma's en de objectiviteit van de uitgaven;

40.  benadrukt dat veel lidstaten hebben aangegeven bij de voorbereiding op de volgende financieringsronde de nadruk te willen leggen op een resultaatgerichte aanpak; is ingenomen met de door enkele lidstaten verstrekte voorbeelden van manieren om de beoogde resultaten vooraf beter vast te stellen, om ervoor te zorgen dat de financiering ten goede kan komen aan voorstellen om deze doelstellingen te realiseren;

41.  beklemtoont dat veel lidstaten aangeven dat het van groot belang is om te zorgen voor coördinatie tussen beleidsterreinen en het vastleggen van nationale en regionale economische, sociale en ecologische prioriteiten; is van oordeel dat nationale operationele programma's in voorkomend geval rekening moeten houden met ontwikkelingsdoelstellingen op lokaal en regionaal niveau; wijst erop dat het creëren van synergieën tussen de verschillende bronnen van EU‑financiering en de begrotingen van de lidstaten en regionale of lokale overheden bevorderd moet worden om de doeltreffendheid van overheidsinvesteringen in de Unie te verbeteren;

Synergieën met andere beleidsterreinen en instrumenten

42.  acht het van essentieel belang dat de lidstaten het potentieel onderkennen van afstemming tussen alle fondsen die onder de GV vallen;

43.  is verheugd over het feit dat een aantal lidstaten bekijkt hoe nieuwe instrumenten ingezet kunnen gaan worden, zoals vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD), geïntegreerde territoriale investeringen (ITI's) en gezamenlijke actieplannen (JAP's); heeft echter begrepen dat de nieuwe instrumenten tot gemengde reacties hebben geleid en dat uit analyse van de huidige plannen van de lidstaten is gebleken dat CLLD meer zal worden toegepast dan ITI's, hetgeen nog meer geldt voor het ELFPO dan voor het EFRO, omdat binnen het ELFPO-programma CLLD al langer bestaat en omdat ITI's een nieuw instrument zijn dat tijd nodig heeft om op degelijke wijze in praktijk te worden gebracht; is van oordeel dat het nog valt te bezien of de eerste voorbereidingen ook zullen leiden tot de volledige tenuitvoerlegging van deze instrumenten;

44.  is van mening dat CLLD een prima middel is om de participatie van onderaf van een dwarsdoorsnede van plaatselijke actoren te bevorderen op basis van het succes van het LEADER-programma voor plattelandsontwikkeling; roept de lidstaten en regio's op om de kansen die CLLD biedt, te benutten;

45.  beschouwt JAP's als een goed middel om te komen tot resultaatgericht beheer, dat een van de overkoepelende doelstellingen van het cohesiebeleid voor de periode na 2013 is;

Vereenvoudiging

46.  benadrukt dat het belangrijk is de methoden voor de voorbereiding en tenuitvoerlegging van projecten te vereenvoudigen en is verheugd over de ontvangen signalen dat de lidstaten hier inderdaad aan werken;

47.  is tevreden dat in de GV de nadruk op vereenvoudiging wordt gelegd; merkt echter op dat het in de praktijk moeilijk zou kunnen worden om die vereenvoudiging te realiseren, omdat er nog steeds verschillen bestaan tussen de fondsen als gevolg van de fondsspecifieke verordeningen;

48.  verwelkomt de positieve stappen in de richting van vereenvoudiging en grotere transparantie ten aanzien van het beheer van de ESI-fondsen; merkt op dat veel lidstaten een vereenvoudigde aanvraagprocedure voor begunstigden, met duidelijke informatie over de procedure en de financieringsmogelijkheden, hebben aangemerkt als een belangrijk aspect van de voorbereiding op de programmeringsperiode 2014-2020; vindt dit een goede manier om te zorgen voor een soepele voorbereiding en tenuitvoerlegging van projecten, waarbij de bureaucratie voor aanvragers wordt verminderd; verzoekt de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten beste praktijken die gericht zijn op vereenvoudiging van de procedures uit te wisselen en de noodzaak van strenge regels inzake controles en audits te erkennen, maar daarbij te waarborgen dat dergelijke regels evenredig zijn en dus geen nodeloze belasting vormen;

49.  is van oordeel dat e-cohesie een essentiële rol kan spelen in het verminderen van knelpunten en het realiseren van vereenvoudiging en is ingenomen met het feit dat sommige lidstaten aangeven er gebruik van te maken; is van mening dat e-cohesie daarnaast aanzienlijk kan bijdragen tot de voorbereiding op toekomstige financieringsprogramma's;

Partnerschap

50.  benadrukt dat bij het besluitvormingsproces en de opstelling van PO's op nationaal, regionaal en lokaal niveau samengewerkt moet worden aan de planning, ontwikkeling en tenuitvoerlegging van EU-financieringsprogramma's in het kader van het cohesiebeleid; is van mening dat het beginsel van multi-level governance onontbeerlijk is voor een doeltreffend beheer van het cohesiebeleid; benadrukt in dit verband dat het belangrijk is de regionale en lokale autoriteiten en belanghebbenden volledig te betrekken bij de voorbereiding, tenuitvoerlegging en evaluatie van de programma's; benadrukt dat het belangrijk is een toereikende informatievoorziening, alsmede maatregelen gericht op capaciteitsopbouw en technische ondersteuning voor deze autoriteiten te waarborgen, opdat zij gemakkelijk en zo goed mogelijk een bijdrage kunnen leveren in alle stadia van dit proces;

51.  is ingenomen met de toegenomen betrokkenheid van alle betrokken partijen, lokale en regionale vertegenwoordigers, ngo's, economische en sociale partners, particuliere ondernemingen en universiteiten, zoals blijkt uit de door de lidstaten gegeven voorbeelden; is van mening dat ontwikkeling moet plaatsvinden in samenwerking met andere organisaties en belanghebbende partijen die verschillende economische en sociale standpunten en standpunten op milieugebied vertegenwoordigen;

52.  benadrukt dat succesvolle partnerschappen gewaarborgd kunnen worden door het hanteren van zowel een bottom‑up- als een top‑downbenadering; wijst erop dat één lidstaat die vergevorderd is met de voorbereidingen, de bottom-upbenadering, waarbij uitvoerig wordt overlegd met vertegenwoordigers uit de publieke, de particuliere en de derde sector, als voorbeeld heeft genoemd;

53.  benadrukt dat deze bottom-up- en top-downbenaderingen garanderen dat nationale strategieën die betrekking hebben op de situatie op economisch, sociaal en milieugebied worden uitgevoerd, en dat daarbij tegelijkertijd een grote regionale en lokale betrokkenheid kan worden gerealiseerd; is ingenomen met deze doeltreffende manier om ervoor te zorgen dat de strategische vereisten worden nageleefd, terwijl de belanghebbende partijen zo veel mogelijk bij de voorbereidingen worden betrokken;

Conclusies

54.  is ingenomen met de overeenstemming die is bereikt over het rechtskader voor het cohesiebeleid en de afronding van de onderhandelingen over de GV en het MFK;

55.  erkent hoe belangrijk meerlagig bestuur is in de voorbereidingsfasen en wijst erop dat vergevorderde voorbereidingen in sommige gevallen gebaseerd zijn op belangrijk overleg met regionale en lokale belanghebbende partijen;

56.  wijst op het aan de lidstaten en regio's gerichte verzoek van de Commissie om PO's en OP's van optimale kwaliteit na te streven; merkt op dat dit ertoe zal bijdragen dat er kwaliteitsvolle, op specifieke doelstellingen gerichte projectvoorstellen worden uitgewerkt, waardoor een zo groot mogelijke impact van de EU-financiering wordt gegarandeerd;

57.  beseft dat actieve en goed geïnformeerde nationale en regionale overheden die contact onderhouden met de Commissie positief kunnen bijdragen tot het vorderen van de voorbereidingen; dringt er om die reden op aan dat de Commissie en de nationale en regionale autoriteiten voortdurend informatie uitwisselen, waaronder gedetailleerde informatie over komende uitvoeringshandelingen;

58.  beveelt aan dat lidstaten die met ernstige vertragingen kampen, de aanbevelingen van de Commissie nauwgezet opvolgen; benadrukt dat de Commissie die lidstaten meer steun moet bieden om ervoor te zorgen dat zij zo snel mogelijk overeenstemming bereiken over hun PO's en OP's; merkt dan ook op dat vertragingen kunnen worden beperkt door de vorderingen van de lidstaten tijdens de voorbereidende fasen op te volgen; merkt voorts op dat de Commissie tijdens de fase van de tenuitvoerlegging lidstaten die een achterstand hebben zou kunnen helpen;

o
o   o

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.
(2) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 21.
(3) PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 39.
(4) PB C 390 E van 18.12.2012, blz. 27.
(5) PB C 371 E van 20.12.2011, blz. 41.
(6) PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 23.
(7) PB C 56 E van 26.2.2013, blz. 22.

Laatst bijgewerkt op: 25 januari 2018Juridische mededeling