Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2974(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0007/2014

Ingediende teksten :

B7-0007/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 16/01/2014 - 8.4

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0036

Aangenomen teksten
PDF 130kWORD 49k
Donderdag 16 januari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Het in de handel brengen voor de teelt van een genetisch gemodificeerd maïsproduct
P7_TA(2014)0036B7-0007/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2014 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (2013/2974(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (COM(2013)0758),

–  gezien het ontwerpbesluit van de Commissie betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten (D003697/01), dat in stemming werd gebracht in het comité, als bedoeld in artikel 30 van Richtlijn 2001/18/EG op 25 februari 2009,

–  gezien Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad(1) , en met name op artikel 18, lid 1, eerste alinea daarvan,

–  gezien de stemming in het comité, als bedoeld in artikel 30 van Richtlijn 2001/18/EG, op 25 februari 2009 over maïs 1507, in het kader waarvan geen advies werd uitgebracht,

–  gezien de zes wetenschappelijke adviezen over maïs 1507 die tussen 2005 en november 2012 werden uitgebracht door het Panel voor genetisch gemodificeerde organismen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 365/2013 van de Commissie van 22 april 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof glufosinaat(2) ,

–  gezien de op 4 december 2008 goedgekeurde conclusies van de Raad van ministers van Milieubeheer over genetisch gemodificeerde organismen (ggo's),

–  gezien zijn standpunt, in eerste lezing vastgesteld op 5 juli 2011, met het oog op de aanneming van Verordening (EU) nr. …/2011 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten om de teelt van ggo's op hun grondgebied te beperken of te verbieden(3) ,

–  gezien Bijzondere Eurobarometer 354 over aan voeding gerelateerde risico's(4) ,

–  gezien het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (zevende kamer) van 26 september 2013 inzake de aanvraag voor de doelbewuste introductie van maïs 1507 in het milieu (zaak T-164/10)(5) ,

–  gezien artikel 5, lid 5, en artikel 8 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(6) ,

–  gezien artikel 88, leden 2 en 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in artikel 18, lid 1, van Richtlijn 2001/18/EG is bepaald dat een besluit over de doelbewuste introductie van een genetisch gemodificeerd organisme (ggo) dezelfde informatie moet bevatten als bedoeld in artikel 19, lid 3;

B.  overwegende dat in artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2001/18/EG wordt bepaald dat in de schriftelijke toestemming, als bedoeld in artikel 18, in alle gevallen uitdrukkelijk onder andere de voorwaarden voor de bescherming van specifieke ecosystemen en/of geografische gebieden moeten worden vermeld;

C.  overwegende dat een dergelijke vermelding in het Commissievoorstel ontbreekt;

D.  overwegende dat de stemming in het permanent comité op 25 februari 2009 over een voorstel van de Commissie voor het verlenen van een vergunning niet tot een advies leidde; overwegende dat slechts 6 lidstaten voor het voorstel stemden, terwijl 12 lidstaten tegen stemden en 7 lidstaten zich van stemming onthielden ;

E.  overwegende dat de Commissie, op grond van de aanbevelingen van de EFSA en om aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning te voldoen, haar voorstel ingrijpend heeft gewijzigd, onder meer ten aanzien van de etiketteringsregels, de monitoringvoorschriften en de maatregelen van het plan ter beheersing van resistentie bij insecten;

F.  overwegende dat de wijzigingen van de versie waarover het permanent comité op 25 februari 2009 heeft gestemd, onder meer de schrapping van de verwijzingen naar de glufosinaattolerante eigenschap van maïs 1507 inhielden, alsook de inlassing van een vereiste dat exploitanten moeten worden geïnformeerd dat zij het product met het herbicide glufosinaat niet mogen gebruiken op enige wijze die afwijkt van de conventionele gebruikswijze met niet‑glufosinaattolerante maïs;

G.  overwegende dat het gewijzigde voorstel niet met deskundigen uit de lidstaten is besproken en dat er niet over is gestemd in het permanent comité, maar dat het rechtstreeks naar de Raad van ministers is gegaan;

H.  overwegende dat het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (zevende kamer) van 26 september 2013 inzake de aanvraag door Pioneer Hi-Bred International met het oog op de doelbewuste introductie van maïs 1507 in het milieu niet betekent dat de Commissie haar standpunt niet mag herzien en geen nieuw voorstel mag voorleggen aan het permanent comité, wanneer het Europees Parlement overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Besluit 1999/468/EG van de Raad een resolutie aanneemt waarin het aanbeveelt geen vergunning te verlenen voor maïs 1507;

Risicobeoordeling van de EFSA

I.  overwegende dat de EFSA, na de stemming in het permanent comité, op verzoek van de Commissie drie wetenschappelijke adviezen heeft opgesteld waarin zij haar eerdere risicobeoordelingen en aanbevelingen voor het risicobeheer heeft geactualiseerd;

J.  overwegende dat de EFSA het in haar advies van februari 2012 expliciet oneens is met de conclusie van de aanvrager dat de door laatstgenoemde aangehaalde studie afdoende bewijs bevatte dat maïs 1507 een verwaarloosbaar risico inhield voor niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen in de EU, maar er daarentegen op wees dat blootstelling aan pollen van maïs 1507 gevaarlijk kan zijn voor zeer gevoelige, niet tot de doelsoorten behorende vlinders en motten(7) ;

K.  overwegende dat Cry1F, het door maïs 1507 geproduceerde Bt-toxine, verschilt van de gebruikelijke soorten Bt-toxines en aantoonbaar andere gevolgen heeft voor niet tot de doelsoorten behorende schubvleugeligen; overwegende dat weinig studies werden verricht naar het Cry1F‑eiwit en dat geen enkele studie werd verricht naar de uitwerking ervan op aquatische soorten en bodemorganismen; overwegende dat volgens de EFSA de hoeveelheid Cry1F-eiwitten in pollen van maïs 1507 circa 350 maal groter is dan het Cry1Ab-eiwitgehalte in pollen van MON810-maïs(8) ;

L.  overwegende dat Pioneer, toen de Commissie daarom verzocht, weigerde zijn aanvraag van een vergunning te wijzigen en aanvullende documenten te verstrekken inzake monitoring- en risicoverminderingsmaatregelen voor niet tot de doelsoorten behorende organismen;

M.  overwegende dat de EFSA erkent dat zij in haar risicobeoordeling niet is ingegaan op de potentiële risico's van de andere eigenschap van maïs 1507, namelijk tolerantie voor het herbicide glufosinaatammonium(9) , hoewel deze eigenschap zou kunnen leiden tot een verhoogd gebruik van glufosinaat;

Glufosinaat

N.  overwegende dat de EFSA in het kader van de milieueffectbeoordeling de indirecte effecten, zoals het gebruik van bestrijdingsmiddelen, moet evalueren en moet beoordelen welke de mogelijke effecten voor de biodiversiteit en voor niet tot de doelsoorten behorende organismen zijn die elk afzonderlijk herbicidetolerant genetisch gemodificeerd gewas kan veroorzaken als gevolg van de veranderingen in landbouwpraktijken (inclusief die als gevolg van een ander gebruik van herbiciden)(10) ;

O.  overwegende dat glufosinaat als voor de voortplanting giftige stof is ingedeeld en derhalve onder de uitsluitingscriteria van Verordening (EG) nr. 1107/2009 valt; overwegende dat de uitsluitingscriteria van toepassing zijn op reeds goedgekeurde stoffen op het moment waarop de goedkeuring moet worden verlengd; overwegende dat de goedkeuring van glufosinaat in 2017 afloopt(11) ; overwegende dat er dus in principe in 2017 een einde moet komen aan het gebruik van glufosinaat;

P.  overwegende dat maïs 1507 in andere landen dan de EU-lidstaten, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten en Canada, door de producent ervan als glufosinaattolerant gewas op de markt wordt gebracht, terwijl de aanvrager in zijn aanvraag voor toelating in de EU beweert dat het gen voor glufosinaattolerantie uitsluitend als markergen zal worden gebruikt;

Q.  overwegende dat het onduidelijk is hoe de Commissie het naderende verbod op glufosinaat ten uitvoer wil gaan leggen zolang de stof nog op de markt verkrijgbaar is;

Algemene situatie ten aanzien van ggo's in de EU

R.  overwegende dat er sinds 2010, toen de Amflora-aardappel werd toegelaten, geen vergunning meer is verleend voor de teelt van ggo's in de EU; overwegende dat deze vergunning op 13 december 2013 door het Gerecht van de Europese Unie nietig is verklaard en dat het enige andere, voor de teelt toegelaten gewas MON 810‑maïs van Monsanto is, waarvoor de verlenging van de vergunning reeds enkele jaren aansleept;

S.  overwegende dat alom wordt erkend dat de langetermijneffecten van de teelt van ggo's en de uitwerking op niet tot de doelsoorten behorende organismen tot dusverre onvoldoende in aanmerking zijn genomen in het risicobeoordelingskader, hetgeen in de bovengenoemde conclusies van de Raad van ministers van Milieubeheer van 4 december 2008 wordt bevestigd;

T.  overwegende dat zowel de Raad(12) als het Europees Parlement(13) erkennen dat er een striktere beoordeling van de langtermijneffecten van ggo's nodig is en dat er onafhankelijk onderzoek moet worden verricht naar de potentiële risico's die verbonden zijn aan het doelbewust introduceren in het milieu of het in de handel brengen van ggo's, waarbij onafhankelijke onderzoekers toegang moeten krijgen tot alle relevante gegevens;

U.  overwegende dat de overgrote meerderheid van de consumenten bezorgd is over genetisch gemodificeerde voeding, zoals onder andere blijkt uit Speciale Eurobarometer 354 van 2010; overwegende dat genetisch gemodificeerde maïs 1507 geen voordelen aan de consument biedt;

1.  is gekant tegen het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het in de handel brengen voor de teelt, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een maïsproduct (Zea mays L., lijn 1507), genetisch gemodificeerd met het oog op resistentie tegen bepaalde schadelijke schubvleugelige insecten;

2.  is van mening dat het voorstel voor een besluit van de Raad de uitvoeringsbevoegdheden die krachtens Richtlijn 2001/18/EG aan de Commissie zijn verleend, overschrijdt;

3.  doet een beroep op de Raad om het voorstel van de Commissie te verwerpen;

4.  verzoekt de Commissie geen voorstellen meer in te dienen voor het verlenen van vergunningen voor om het eender welk nieuw ggo-ras zolang de risicobeoordelingsmethoden niet aanzienlijk zijn verbeterd;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.
(2) PB L 111 van 23.4.2013, blz. 27.
(3) PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 350.
(4) http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/2429.htm
(5) http://curia.europa.eu/juris/document/document_print.jsf?doclang=EN&text=&pageIndex=0&part=1&mode=lst&docid=142241&occ=first&dir=&cid=127901
(6) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(7) http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/2429.htm
(8) http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/2429.htm
(9) http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/scdoc/2429.htm
(10) Brief d.d. 8 september 2008 van de Commissie aan de EFSA over de milieueffectbeoordeling van herbicidetolerante planten.
(11) http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2013:111:0027:0029:NL:PDF
(12) Conclusies van de Raad van ministers van Milieubeheer van 4 december 2008.
(13) Zie zijn bovengenoemd standpunt van 5 juli 2011.

Laatst bijgewerkt op: 30 mei 2017Juridische mededeling