Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2511(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B7-0091/2014

Ingediende teksten :

B7-0091/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/02/2014 - 9.12

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0105

Aangenomen teksten
PDF 124kWORD 24k
Donderdag 6 februari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Uitbannen van vrouwelijke genitale verminking
P7_TA(2014)0105B7-0091/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over de mededeling van de Commissie "Naar het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking" (2014/2511(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Vrouwelijke genitale verminking uitbannen" (COM(2013)0833),

–  gezien het verslag van het Europees Instituut voor gendergelijkheid getiteld "Female genital mutilation in the European Union and Croatia",

–  gezien resolutie 67/146 van de Algemene Vergadering van de VN betreffende het intensiveren van de wereldwijde inspanningen om een halt toe te roepen aan vrouwelijke genitale verminking,

–  gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over genitale verminking van vrouwen(1) ,

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(2) ,

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over de strijd tegen genitale verminking van vrouwen in de EU(3) ,

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2008 over de mededeling getiteld "Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind"(4) ,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(5) ,

–  gezien de strategie van de Commissie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (2010-2015), die op 21 september 2010 werd gepresenteerd,

–  gezien het programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger(6) ,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 12 april 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanboel),

–  gezien de artikelen 6 en 7 van het EU-Verdrag over de eerbiediging van de mensenrechten (algemene beginselen) en de artikelen 12 en 13 van het EG-verdrag (niet-discriminatie),

–  gezien algemene aanbeveling nr. 14 over vrouwenbesnijdenis van het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen, aangenomen in 1990,

–  gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen, het Parlement geweld tegen vrouwen omschrijft als "iedere daad van gendergerelateerd geweld, die resulteert in of die vermoedelijk resulteert in lichamelijke, seksuele of psychologische schade of leed voor vrouwen, inclusief dreigingen met dergelijke daden, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht het feit of dit plaatsvindt in het openbaar of in het privéleven(7) ";

B.  overwegende dat vrouwelijke genitale verminking (VGV) een vorm van tegen vrouwen en meisjes gericht geweld is die een schending van hun grondrechten inhoudt en in strijd is met de beginselen neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en overwegende dat het absoluut noodzakelijk is om de strijd tegen vrouwelijke genitale verminking te integreren in een algemene en samenhangende benadering van de bestrijding van geweld tegen vrouwen;

C.  overwegende dat vrouwelijke genitale verminking in 2008 door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) is omschreven als bestaande uit alle praktijken waarbij gedeeltelijke of gehele verwijdering van de externe vrouwelijke seksuele organen om niet-medische redenen plaatsvindt, met inbegrip van sunna-besnijdenis of clitoridectomie (gedeeltelijke of volledige verwijdering van de clitoris) en excisie (verwijdering van de clitoris en de kleine schaamlippen), en de meest extreme praktijk van VGV, infibulatie (vernauwing van de vaginale opening door wegsnijden en aan elkaar hechten van de kleine schaamlippen);

D.  overwegende dat de WGO ervan uitgaat dat ongeveer 140 miljoen kinderen, jonge meisjes en vrouwen wereldwijd deze gruwelijke vorm van genderspecifiek geweld hebben ondergaan; overwegende dat, volgens de WGO, genitale verminking meestal zijn uitgevoerd op meisjes in hun kindertijd tot de leeftijd van 15; overwegende dat van deze wrede praktijken melding is gemaakt in 28 Afrikaanse landen, Yemen, Noord-Irak en Indonesië;

E.  overwegende dat VGV een gruwelijke praktijk is die niet alleen in derde landen plaatsvindt maar ook vrouwen en kinderen in de EU raakt, die VGV op EU-grondgebied ondergaan of voor hun vertrek naar de EU, in hun land van herkomst, of tijdens een reis buiten de EU(8) ; overwegende dat, volgens de Hoge Commissaris van de VN voor Vluchtelingen, rond 20 000 vrouwen en meisjes afkomstig uit landen waar VGV-praktijken plaatsvinden, jaarlijks asiel in de EU aanvragen, waarvan 9 000 reeds zijn verminkt(9) , en er naar schatting tot 500 000(10) vrouwen in EU verblijven die VGV hebben ondergaan of het risico daarop lopen, en dat vervolging voor dit misdrijf nog steeds weinig voorkomt;

F.  overwegende dat VGV dikwijls thuis plaatsvindt, onder matige, onhygiënische omstandigheden en vaak zonder verdoving of medische kennis, en verscheidene zeer ernstige en vaak onherstelbare of fatale gevolgen heeft voor zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid van vrouwen en meisjes en schadelijk is voor hun seksuele en reproductieve gezondheid;

G.  overwegende dat VGV duidelijk ingaat tegen de Europese fundamentele waarde van gelijkheid van mannen en vrouwen en traditionele waarden in stand houdt volgens welke vrouwen voorwerpen zijn die tot het eigendom van mannen behoren; overwegende dat culturele en traditionele waarden onder geen enkele omstandigheid kunnen dienen als rechtvaardiging van de praktijk van genitale verminking van kinderen, jonge meisjes of vrouwen;

H.  overwegende dat de bescherming van de rechten van het kind in talrijke lidstaten diepgeworteld en in Europese en internationale verdragen en wetgeving verankerd is, en overwegende dat geweld tegen vrouwen in het algemeen, met inbegrip van jonge meisjes, niet kan worden gerechtvaardigd op grond van culturele tradities of diverse vormen van initiatieriten;

I.  overwegende dat de preventie van VGV een internationale grondrechtenverplichting van elke lidstaat vormt op grond van algemene aanbeveling nr. 14 over vrouwenbesnijdenis van het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen en Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, waarin VGV aangeduid wordt als een vorm van genderspecifiek geweld en met het oog waarop, onder meer, minimumnormen voor de bescherming vastgesteld moeten worden;

1.  is ingenomen over de mededeling van de Commissie getiteld "Vrouwelijke genitale verminking uitbannen", waarin zij het plan opvat om met EU-gelden de preventie van VGV en de verbetering van hulp aan slachtoffers te financieren, met inbegrip van bescherming van vrouwen die risico lopen vanwege de EU-asielwetgeving, en om samen met de Europese Dienst extern optreden (EDEO) de internationale dialoog te versterken en een impuls te geven aan onderzoek dat beoogt de situatie van vrouwen en meisjes die het risico lopen te worden verminkt, in kaart te brengen;

2.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen lidstaten, ngo's en deskundigen over VGV-vraagstukken te vergemakkelijken, en benadrukt de noodzaak om hierbij het maatschappelijk middenveld te blijven betrekken, ook in derde landen, niet alleen bij voorlichtingscampagnes maar ook bij de ontwikkeling van educatief materiaal en opleidingen;

3.  wijst erop dat instellingen op internationaal, Europees en op lidstaatniveau een cruciale rol spelen bij de preventie van VGV, de bescherming van vrouwen en meisjes en de identificatie van slachtoffers en bij het treffen van maatregelen om genderspecifiek geweld, waaronder VGV, uit te bannen, en is verheugd over de toezegging van de EU om zich te blijven inzetten om de afschaffing van VGV te bevorderen in de landen waar dit wordt gepraktiseerd;

4.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om onverwijld een voorstel in te dienen voor een wetgevingshandeling van de EU tot vaststelling van preventiemaatregelen ten aanzien van alle vormen van geweld tegen vrouwen (waaronder VGV) en, zoals aangegeven in het programma van Stockholm, een omvattende EU-strategie ten aanzien van dit vraagstuk, inclusief meer gestructureerde gezamenlijke actieplannen ter beeïndiging van VGV in de EU;

5.  benadrukt de noodzaak dat de Commissie en de EDEO zich krachtig opstellen ten aanzien van derde landen die VGV niet veroordelen;

6.  verzoekt de Commissie om een geharmoniseerde aanpak van de verzameling van gegevens over VGV, en vraagt het Europees Instituut voor gendergelijkheid demografen en statistici te betrekken bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijke methode en in overeenstemming met de mededeling indicatoren door hen te laten opstellen, om ervoor te zorgen dat vergelijking tussen lidstaten mogelijk is;

7.  verzoekt andermaal de lidstaten om van bestaande mechanismen gebruik te maken, met name Richtlijn 2012/29/EU, met inbegrip van scholing van vakmensen ter bescherming van vrouwen en meisjes, en door te gaan met de vervolging en bestraffing van elke inwoner die het misdrijf van VGV heeft begaan, zelfs als het misdrijf buiten de grenzen van de betrokken lidstaat heeft plaatsgevonden, en verzoekt derhalve dat het extraterritorialiteitsbeginsel in de strafrechtelijke bepalingen wordt opgenomen van alle lidstaten, zodat het misdrijf in de 28 lidstaten op gelijke wijze strafbaar is;

8.  verzoekt de EU en de lidstaten die het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanboel) nog niet hebben geratificeerd, dit onverwijld te doen zodat de inspanningen van de EU overeenkomen met de internationale normen ter bevordering van een holistische en geïntegreerde benadering van geweld tegen vrouwen en van VGV;

9.  verzoekt de Commissie om 2016 aan te wijzen als het Europees Jaar tot beëindiging van geweld tegen vrouwen en meisjes;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Raad van Europa, de secretaris-generaal van de VN en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 87.
(2) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.
(3) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 52.
(4) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 24.
(5) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(6) PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.
(7) Artikel 1 van de Verklaring van de Verenigde Naties over de uitbanning van geweld tegen vrouwen van 20 december 1993 (A/RES/48/104); punt 113 van het actieprogramma van Peking van de Verenigde Naties van 1995.
(8) EIGE, Female genital mutilation in the European Union and Croatia, 2013.
(9) Bijdrage van de UNHCR aan de raadpleging van de Commissie over vrouwelijke genitale verminking in de EU, 2013.
(10) Waris, D. en Milborn, C., Desert Children, Virago, VK, 2005.

Laatst bijgewerkt op: 14 juni 2016Juridische mededeling