Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2553(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0100/2014

Debatten :

OJ 06/02/2014 - 214

Stemmingen :

PV 06/02/2014 - 16.3
CRE 06/02/2014 - 16.3

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0109

Aangenomen teksten
PDF 126kWORD 24k
Donderdag 6 februari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja en Ibrahim Sharif
P7_TA(2014)0109B7-0100, 0130, 0133 en 0134/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 6 februari 2014 over Bahrein, met name de zaak van Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja en Ibrahim Sharif (2014/2553(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Bahrein, en met name die van 17 januari 2013(1) en 12 september 2013(2) ,

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2011 over de betrekkingen van de Europese Unie met de Samenwerkingsraad van de Golf(3) ,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Bahrein, met name haar verklaringen van 7 januari, 11 februari, 1 juli en 25 november 2013, en van 16 januari 2014,

–  gezien de lokale EU-verklaring over de laatste ontwikkelingen in Bahrein van 19 september 2013,

–  gezien het bezoek van een delegatie van zijn Subcommissie mensenrechten aan Bahrein op 19 en 20 december 2012 en de door die delegatie afgegeven persverklaring, en gezien het bezoek van de delegatie voor de betrekkingen met het Arabisch schiereiland van 27 t/m 30 april 2013 en de door die delegatie afgegeven persverklaring,

–  gezien de verklaringen van de secretaris-generaal van de VN, en met name die van 8 januari 2013, en gezien de verklaring van de woordvoerder van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten van 6 augustus 2013,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten en de gezamenlijke verklaring over het OHCHR en de mensenrechtensituatie in Bahrein van 9 september 2013,

–  gezien de Gezamenlijke Raad en ministeriële bijeenkomst EU-GCC in Manama, Bahrein, op 30 juni 2013,

–  gezien het besluit van de vergadering van de ministeriële raad van de Arabische Liga in Caïro op 1 september 2013 om een pan-Arabisch hof voor de mensenrechten op de richten in Manama, de hoofdstad van Bahrein,

–  gezien het verslag dat in november 2011 is uitgebracht door de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie (BICI), en gezien het follow-upverslag van 21 november 2012,

–  gezien advies A/HRC/WGAD/2013/12 van de werkgroep van de Verenigde Naties inzake willekeurige detentie van 25 juli 2013,

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van 25 juni 2012,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(4) ,

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over de vrijheid van pers en media in de wereld(5) ,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers van 2004, die in 2008 zijn bijgewerkt,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en het Arabisch Handvest voor de rechten van de mens, die Bahrein allemaal heeft ondertekend,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van Genève van 1949,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat over de schendingen van de mensenrechten in Bahrein grote bezorgdheid blijft bestaan; overwegende dat de Bahreinse autoriteiten met vele recente maatregelen de rechten en vrijheden van delen van de bevolking blijven schenden en beperken, met name het recht van de burgers op vreedzaam protest, vrijheid van meningsuiting en digitale vrijheid; overwegende dat mensenrechtenactivisten stelselmatig tot doelwit worden gemaakt en het slachtoffer zijn van intimidatie en arrestatie;

B.  overwegende dat Nabeel Rajab, de voorzitter van het Bahreinse Mensenrechtencentrum en waarnemend secretaris-generaal van de Internationale Federatie voor de mensenrechten, in augustus 2012 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf op verdenking van het oproepen tot en deelnemen aan "illegale bijeenkomsten" en "het verstoren van de openbare orde" in februari en maart 2011; overwegende dat zijn terechtstelling in hoger beroep is teruggebracht tot twee jaar gevangenisstraf; overwegende dat dhr. Rajab voorafgaand aan deze opsluiting meerdere malen is gearresteerd op grond van vreedzame uitingen van kritiek op de regering tijdens de in 2011 in Bahrein uitgebroken pro-democratische protesten;

C.  overwegende dat Nabeel Rajab op vrijdag 29 november 2013 driekwart van zijn gevangenisstraf van twee jaar had uitgezeten en dus wettelijk voor vrijlating in aanmerking kwam; overwegende dat de advocaten van Nabeel Rajab op 21 januari 2014 een derde verzoek om vervroegde invrijheidsstelling hebben ingediend bij het Hof, maar dat dit is afgekeurd;

D.  overwegende dat de werkgroep van de Verenigde Naties inzake willekeurige detentie de detentie van dhr. Nabeel Rajab als willekeurig heeft aangemerkt;

E.  overwegende dat Abdulhadi al-Khawaja, oprichter van het Bahreinse Mensenrechtencentrum en regionaal coördinator van de Front Line Defenders, die de Deense nationaliteit heeft, en Ibrahim Sharif, secretaris-generaal van de National Democratic Action Society, op 22 juni 2011 door een speciaal militair gerechtshof zijn veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf; overwegende dat de gerechtelijke procedure na 3 jaar procederen is beëindigd met een bevestiging van de vonnissen in hoger beroep;

F.  overwegende dat Zainab al-Khawaja, dochter van Abdulhadi al-Khawaja, op 27 januari 2014 door de lagere rechtbank in Manama is veroordeeld tot nog vier maanden gevangenisstraf op verdenking van "het vernietigen van overheidsbezittingen";

G.  overwegende dat, volgens het verslag van de Bahreinse onafhankelijke onderzoekscommissie (BICI), de Bahreinse autoriteiten zich hebben verbonden tot het doorvoeren van hervormingen; overwegende dat de regering de essentiële aanbevelingen van de Commissie niet volledig ten uitvoer heeft gelegd, in het bijzonder de vrijlating van de demonstratieleiders die zijn veroordeeld voor het uitoefenen van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering;

H.  overwegende dat Bahrein, nadat de Arabische Liga tijdens een vergadering in Caïro hieraan zijn goedkeuring hechtte, op 2 september 2013 heeft aangekondigd het Arabisch hof voor de mensenrechten te zullen huisvesten;

I.  overwegende dat Z.K.H. kroonprins Salman bin Hamad bin Isa al-Khalifa op verzoek van Z.M. koning Hamad bin Isa al-Khalifa op 15 januari 2014, voor het eerst sinds de gebeurtenissen van februari 2011, uitgebreide besprekingen heeft gevoerd met de deelnemers aan de nationale dialoog inzake consensus, waaronder in het bijzonder met sjeik Ali Salman, secretaris-generaal van Alwefaq;

1.  veroordeelt alle schendingen van de mensenrechten in Bahrein en dringt er bij de Bahreinse regering op om aan alle aanbevelingen in het BICI-verslag en de universele periodieke evaluatie ten uitvoer te leggen, om alle schendingen van de mensenrechten een halt toe te roepen en om de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, en de vrijheid van vergadering, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van Bahrein op het gebied van de mensenrechten;

2.  roept op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gewetensgevangenen, politieke activisten, journalisten, verdedigers van de mensenrechten en vreedzame betogers, waaronder Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja, Ibrahim Sharif, Naji Fateel en Zainab al-Khawaja;

3.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de manier waarop de Bahreinse autoriteiten Nabeel Rajab en andere mensenrechtenactivisten behandelen, en over het feit dat zij weigeren hem vervroegd vrij te laten terwijl hij hiervoor wettelijk in aanmerking komt;

4.  verzoekt om de ratificatie van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijningen;

5.  benadrukt de verplichting om ervoor te zorgen dat mensenrechtenverdedigers worden beschermd en dat zij hun werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder daarbij te worden belemmerd, geïntimideerd of lastiggevallen;

6.  maakt bezwaar tegen de oprichting en het gebruik van speciale gerechtshoven of het gebruik van militaire gerechtshoven om misdaden tegen de nationale veiligheid te berechten;

7.  dringt er bij de Bahreinse autoriteiten op aan de rechten van jongeren te eerbiedigen, in overeenstemming met het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij Bahrein partij is;

8.  is ingenomen met het besluit van prins Salman bin Hamad bin Isa al-Khalifa om op 15 januari 2014 besprekingen te voeren met de leiders van de vijf belangrijkste oppositiegroeperingen om te onderzoeken hoe het hoofd kan worden geboden aan de problemen met betrekking tot de nationale dialoog, welke een paar dagen eerder door de regering was opgeschort; is verheugd over de positieve reactie van de oppositie en kijkt uit naar de hervatting van de nationale dialoog inzake consensus; wijst erop dat er geen andere oplossing is dan een Bahreinse oplossing op basis van compromissen en wederzijds vertrouwen; hoopt dat deze maatregel een serieuze en inclusieve nationale dialoog zal bevorderen, waarmee de basis wordt gelegd voor diepgaande en duurzame hervormingen met het oog op de nationale verzoening van de Bahreinse samenleving;

9.  voelt zich bemoedigd door de operationele start van de Ombudsman bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en een afdeling voor bijzondere onderzoeken bij het openbaar ministerie, en verzoekt deze instanties op onafhankelijke en doeltreffende wijze op te treden; is ingenomen met de steeds actievere rol van het nationaal instituut voor de mensenrechten sinds de hervorming ervan, alsmede met de oprichting van de "commissie voor gevangenen en gedetineerden", die toezicht zal houden op gevangenissen teneinde foltering en mishandeling te voorkomen; verzoekt de Bahreinse autoriteiten de omstandigheden en de behandeling van gevangenen te verbeteren en relevante plaatselijke en internationale organisaties toegang te verlenen tot de gevangenissen;

10.  wijst op de huidige inspanningen van de Bahreinse regering om het wetboek van strafrecht en de gerechtelijke procedures te hervormen, en pleit voor de voortzetting van dit proces; verzoekt de Bahreinse regering alle maatregelen te treffen die nodig zijn om een eerlijke procesvoering en de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht in Bahrein te waarborgen, en erop toe te zien dat de rechterlijke macht de internationale normen op het gebied van de mensenrechten volledig in acht neemt;

11.  moedigt de VN aan spoedig een bezoek te organiseren van de drie speciale rapporteurs inzake de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, inzake foltering en inzake de onafhankelijkheid van rechters en advocaten;

12.  verzoekt de VV/HV en de lidstaten samen te werken aan de ontwikkeling van een duidelijke strategie waarin wordt beschreven hoe de EU, zowel in het openbaar als achter de schermen, zich actief zal inzetten voor de vrijlating van de gevangengenomen activisten en gewetensgevangenen; verzoekt de VV/HV samen te werken met de lidstaten om te zorgen voor de goedkeuring van de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de mensenrechtensituatie in Bahrein, waarin onder meer specifiek moet worden opgeroepen tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de gevangengenomen activisten;

13.  is ingenomen met het besluit van de Arabische Liga om een Arabisch hof voor de mensenrechten op te richten in Manama, en spreekt de hoop uit dat dit hof kan fungeren als stimulans voor de naleving van de mensenrechten in de gehele regio; dringt er bij de regering van Bahrein en bij haar partners in de Arabische Liga op aan de integriteit, onpartijdigheid, efficiëntie en geloofwaardigheid van dit hof te waarborgen;

14.  dringt erop aan dat de Raad passende maatregelen neemt indien het hervormingsproces wordt stopgezet of wanneer de mensenrechtensituatie verslechtert;

15.  pleit voor de instelling van een officieel moratorium op executies, met het oog op de afschaffing van de doodstraf;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van het Koninkrijk Bahrein.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0032.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0390.
(3) PB C 247 E van 17.8.2012, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0274.

Laatst bijgewerkt op: 14 juni 2016Juridische mededeling