Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2004(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0075/2014

Ingediende teksten :

A7-0075/2014

Debatten :

PV 24/02/2014 - 24
CRE 24/02/2014 - 24

Stemmingen :

PV 25/02/2014 - 5.17

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0126

Aangenomen teksten
PDF 158kWORD 84k
Dinsdag 25 februari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bestrijden van geweld tegen vrouwen
P7_TA(2014)0126A7-0075/2014
Resolutie
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie inzake het bestrijden van geweld tegen vrouwen (2013/2004(INL))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name de artikelen 23, 24 en 25,

–  gezien zijn resolutie van 24 maart 2009 over de strijd tegen genitale verminking van vrouwen in de EU(1) en zijn resolutie van 14 juni 2012 over het uitbannen van genitale verminking van vrouwen(2) ,

–  gezien zijn verklaring van 22 april 2009 over de campagne "NEE tegen geweld tegen vrouwen"(3) ,

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2009 over de uitbanning van geweld tegen vrouwen(4) ,

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(5) ,

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over de 57ste zitting van de VN-Commissie inzake de positie van de vrouw: uitbanning en preventie van alle vormen van geweld jegens vrouwen en meisjes(6) ,

–  gezien zijn resolutie van 11 oktober 2007 over vrouwenmoorden in Mexico en Midden-Amerika en de rol van de Europese Unie in de strijd tegen dit fenomeen(7) ,

–  gezien de strategie van de Commissie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 die op 21 september 2010 werd gepresenteerd,

–  gezien het actieplan van de Commissie ter uitvoering van het programma van Stockholm (COM(2010)0171),

–  gezien het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" 2014-2020,

–  gezien de conclusies van de Raad EPSCO van 8 maart 2010 over de uitbanning van geweld tegen vrouwen,

–  gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(8) ,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 september 2012 over het uitbannen van huiselijk geweld tegen vrouwen(9) ,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen en meisjes,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanboel),

–  gezien artikel 11, lid 1, onder d), van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen bij Resolutie 34/180 van 18 december 1979 van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien de bepalingen van de juridische instrumenten van de VN op het gebied van mensenrechten en met name vrouwenrechten, zoals het VN-Handvest, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de internationale verdragen over burgerrechten en politieke rechten en over economische, sociale en culturele rechten, het VN-Verdrag inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van de prostitutie van anderen, het Verdrag over de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV) en het facultatieve protocol hierbij, het Verdrag inzake de bescherming tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het beginsel van non-refoulement en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien andere instrumenten van de VN op het gebied van geweld tegen vrouwen, zoals de Verklaring van Wenen en het actieprogramma van 25 juni 1993 zoals aangenomen door de Wereldconferentie over mensenrechten (A/CONF. 157/23) en de Verklaring over de uitbanning van geweld tegen vrouwen van 20 december 1993 (A/RES/48/104),

–  gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN van 12 december 1997 over de preventie van misdaden en strafrechtelijke maatregelen om geweld tegen vrouwen uit te bannen (A/RES/52/86), van 18 december 2002 over de uitbanning van misdaden tegen vrouwen die worden gepleegd wegens schending van de eer (A/RES/57/179) en van 22 december 2003 over de uitbanning van huiselijk geweld tegen vrouwen (A/RES/58/147), en gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 5 maart 2013 over het intensiveren van de wereldwijde inspanningen om een halt toe te roepen aan vrouwelijke genitale verminking (A/RES/67/146),

–  gezien de verslagen van de speciale rapporteurs van de Hoge Commissaris van de mensenrechten van de VN over geweld tegen vrouwen en gezien algemene aanbeveling nr. 19 van het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (11de Vergadering, 1992),

–  gezien de verklaring van Peking en het bijbehorende actieprogramma die op 15 september 1995 tijdens de vierde Wereldvrouwenconferentie werden aangenomen, en de resoluties van het Parlement van 18 mei 2000 over de follow-up van het actieprogramma van Peking(10) en van 10 maart 2005 over de follow-up van de vierde Wereldvrouwenconferentie - het actieprogramma van Peking (Peking +10)(11) en van 25 februari 2010 over Peking +15 - het VN-actieprogramma voor gendergelijkheid(12) ,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2006 over opvoering van de inspanningen om alle vormen van geweld tegen vrouwen uit te bannen (A/RES/61/143), en de resoluties 1325 en 1820 over vrouwen, vrede en veiligheid van de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien de conclusies van de 57ste zitting van de VN-Commissie inzake de positie van de vrouw: uitbanning en preventie van alle vormen van geweld jegens vrouwen en meisjes,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur van de VN, Rashida Manjoo, van 16 mei 2012 op het gebied van geweld tegen vrouwen en de oorzaken en gevolgen ervan,

–  gezien artikel 5 van het internationale actieplan inzake vergrijzing van Madrid,

–  gezien de beoordeling van de Europese meerwaarde(13) ,

–  gezien de artikelen 42 en 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0075/2014),

A.  overwegende dat in Richtlijn 2012/29/EU(14) tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, gendergerelateerd geweld wordt gedefinieerd als geweld dat zich richt tegen een persoon wegens het geslacht, de genderidentiteit of de genderexpressie van die persoon of waaronder personen van een bepaald geslacht in onevenredige mate te lijden hebben; overwegende dat het kan resulteren in lichamelijke, seksuele, emotionele of psychologische schade of economisch nadeel voor het slachtoffer en wordt aangemerkt als een vorm van discriminatie en als een schending van de fundamentele vrijheden van het slachtoffer, en dat het geweld in hechte relaties, seksueel geweld (onder meer verkrachting, aanranding en seksuele intimidatie), mensenhandel, slavernij, en verschillende vormen van schadelijke praktijken zoals gedwongen huwelijken, genitale verminking van vrouwen en zogenaamde "eergerelateerde misdrijven" omvat;

B.  overwegende dat gendergerelateerd geweld los staat van leeftijd, opleiding, inkomen en maatschappelijke positie van slachtoffers en geweldplegers, en verband houdt met de ongelijke machtsverdeling tussen vrouwen en mannen en met ideeën en gedrag op basis van stereotypen in onze samenleving, die in een zo vroeg mogelijke fase moeten worden bestreden om zo een gedragswijziging tot stand te brengen;

C.   overwegende dat het geweld tegen vrouwen door (ex-)echtgenoten of (ex-)partners toeneemt; overwegende dat in een aantal landen het aantal slachtoffers en de ernst van de gevolgen, waaronder het aantal dodelijke slachtoffers, sterk zijn toegenomen, en dat uit de statistieken blijkt dat het aantal vermoorde vrouwen ten opzichte van het totale aantal moorden is gestegen;

D.  overwegende dat uit de statistieken blijkt dat het aantal vermoorde vrouwen ten opzichte van het totale aantal moorden in enkele landen is gestegen, terwijl het totale aantal moorden niet is gestegen, hetgeen erop wijst dat het geweld tegen vrouwen toeneemt;

E.  overwegende dat extreme armoede leidt tot een groter risico op geweld en andere vormen van exploitatie die de volledige participatie van vrouwen op alle terreinen van het maatschappelijk leven en de verwezenlijking van gendergelijkheid belemmeren;

F.  overwegende dat het verbeteren van de economische en sociale onafhankelijkheid en participatie van vrouwen hun weerbaarheid tegen gendergerelateerd geweld vergroot;

G.  overwegende dat recentelijk, met het toenemende gebruik van sociale netwerksites, nieuwe stereotypen en vormen van discriminatie en geweld zijn ontstaan, bijvoorbeeld grooming dat vooral op tieners gericht is;

H.  overwegende dat er onder de jongere generatie sprake is van een hardnekkige seksistische houding ten aanzien van de rolverdeling tussen mannen en vrouwen, en dat jonge vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld nog steeds de schuld krijgen van en gestigmatiseerd worden door hun leeftijdsgenoten en de rest van de samenleving;

I.  overwegende dat geweld een traumatische ervaring is voor iedere man of vrouw en ieder kind, maar dat gendergerelateerd geweld vaker wordt gepleegd door mannen jegens vrouwen en meisjes, en de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen zowel weerspiegelt als verergert, en de gezondheid, waardigheid, veiligheid en autonomie van de slachtoffers aantast;

J.  overwegende dat rekening moet worden gehouden met en zorg moet worden verleend aan kinderen die getuigen zijn geweest van geweld tegen een naast familielid, door middel van passende psychologische en maatschappelijke hulp, en overwegende dat kinderen die getuige zijn geweest van geweld een groot risico lopen om getroffen te worden door emotionele en relationele problemen;

K.  overwegende dat vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, en hun kinderen, vaak behoefte hebben aan bijzondere ondersteuning en bescherming, in verband met het hoge risico van secundaire en herhaalde slachtoffervorming, van intimidatie en van vergelding in verband met dergelijk geweld;

L.  overwegende dat vrouwen en kinderen die met geweld te maken hebben, behoefte hebben aan speciale opvanghuizen waar zij passende gezondheidszorg, juridische bijstand en psychologische begeleiding en therapie krijgen; overwegende dat de opvanghuizen voor vrouwen door de lidstaten van voldoende financiële middelen moeten worden voorzien;

M.  overwegende dat geweld door mannen jegens vrouwen de plaats van vrouwen in de maatschappij en hun zelfbeschikking beïnvloedt: hun gezondheid, hun toegang tot werk en onderwijs, hun integratie op sociaal en cultureel gebied, hun financiële onafhankelijkheid, hun deelname aan het openbare leven, de politiek en de besluitvorming en hun contacten met mannen alsmede hun gevoel van eigenwaarde;

N.  overwegende dat geweld tegen vrouwen diepe lichamelijke en psychologische littekens kan achterlaten, de gezondheid van vrouwen en meisjes in het algemeen kan schaden, waaronder hun reproductieve en seksuele gezondheid, en in sommige gevallen tot de dood (feminicide) kan leiden;

O.  overwegende dat er behoefte is aan onderwijs en opleiding vanaf zeer jonge leeftijd om geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld in het algemeen te bestrijden, aangezien jongeren hierdoor leren om hun partner, ongeacht diens geslacht, met respect te behandelen, en bewust worden gemaakt van de gelijkheidsbeginselen;

P.  overwegende dat geweld tegen vrouwen steeds minder aanvaardbare vormen aanneemt, zoals vrouwen die deel uitmaken van groepen die vrouwen verhandelen voor seksuele uitbuiting;

Q.  overwegende dat uit studies over geweld tegen vrouwen blijkt dat naar schatting eenvijfde tot eenvierde van alle vrouwen in Europa ten minste eenmaal in hun volwassen leven te maken heeft gehad met fysiek geweld en dat meer dan eentiende het slachtoffer is geweest van seksueel geweld(15) ;

R.  overwegende dat de jaarlijkse kosten van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen voor de EU door de beoordeling van de Europese meerwaarde in 2011 op 228 miljard euro worden geschat (oftewel 1,8 % van het bbp van de EU), waarvan jaarlijks 45 miljard euro naar publieke en overheidsdiensten gaat en 24 miljard euro het gevolg is van verlies van economische productie;

S.  overwegende dat het Europees Bureau voor de grondrechten in maart 2013 een aantal voorlopige resultaten bekend heeft gemaakt van zijn Europees onderzoek naar geweld tegen vrouwen, waaruit onder meer het volgende blijkt: vier op de vijf vrouwen maakte geen gebruik van hulpverlening, zoals gezondheidszorg, maatschappelijke hulp of slachtofferhulp, nadat zij het slachtoffer waren geworden van ernstig geweld dat door iemand anders dan hun partner was gepleegd; de vrouwen die wel hulp zochten, wendden zich in de meeste gevallen tot medische dienstverlening, waaruit blijkt dat ervoor moet worden gezorgd dat gezondheidswerkers kunnen voorzien in de behoeften van geweldsslachtoffers; twee op de vijf vrouwen waren niet op de hoogte van wetgeving of politieke initiatieven ter bescherming van vrouwen tegen huiselijk geweld, en de helft van de vrouwen was niet op de hoogte van preventieve wetten of initiatieven;

T.  overwegende dat de Commissie in haar strategie voor gendergelijkheid 2010-2015 heeft benadrukt dat gendergerelateerd geweld een van de kernproblemen is die moeten worden aangepakt om werkelijke gendergelijkheid te bewerkstelligen;

U.  overwegende dat het rechtskader dat door het Verdrag van Lissabon is uitgetekend nieuwe mogelijkheden biedt om de samenwerking op het gebied van strafrechtbeleid op EU-niveau op te voeren door de instellingen en de lidstaten in de gelegenheid te stellen op een zekere basis samen te werken en op het vlak van de bestrijding van alle vormen van geweld en discriminatie jegens vrouwen een gemeenschappelijke juridische cultuur te creëren die de nationale rechtsstelsels en -tradities in acht neemt zonder ervoor in de plaats te komen;

V.  overwegende dat bewustmaking en mobilisering, onder meer via de media en sociale media, belangrijke onderdelen van een doeltreffende preventiestrategie zijn;

W.  overwegende dat geweld tegen vrouwen met geen enkele maatregel volledig uitgebannen zal worden, maar dat een combinatie van wettelijke, justitiële en handhavingsmaatregelen en maatregelen op het gebied van infrastructuur, cultuur, onderwijs, sociale dienstverlening, gezondheidszorg en andere dienstverlening ervoor kan zorgen dat de bewustwording aanzienlijk wordt vergroot en dat geweld tegen vrouwen en de gevolgen ervan aanzienlijk zullen afnemen;

X.  overwegende dat beleid, preventie, bescherming, vervolging, voorziening en partnerschap de zes onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen zijn die ten grondslag liggen aan alle maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen;

Y.  overwegende dat het belangrijk is de maatregelen tegen de industrie die jonge meisjes en vrouwen als lustobject ziet, op te voeren;

Z.  overwegende dat vrouwen in de Unie als gevolg van verschillend beleid en verschillende wetgeving, bijvoorbeeld wat de verschillende definities van overtredingen en de reikwijdte van de wetgeving betreft, niet dezelfde bescherming tegen geweld door mannen genieten, en daarom kwetsbaar zijn voor dergelijk geweld;

AA.  overwegende dat vrouwen, ten gevolge van factoren als ras, etniciteit, godsdienst of overtuiging, gezondheid, burgerlijke staat, huisvesting, migratiestatus, leeftijd, handicap, sociale klasse, seksuele geaardheid en genderidentiteit, bijzondere behoeften kunnen hebben en kwetsbaarder kunnen zijn voor meervoudige discriminatie;

AB.  overwegende dat vrouwen in vele gevallen geen klacht indienen als zij te maken hebben gehad met gendergerelateerd geweld, en dat de redenen daarvoor complex en divers zijn, zoals psychologische, economische, sociale en culturele factoren, en omdat zij soms ook geen vertrouwen hebben in het vermogen van de politie, het rechtsbestel en maatschappelijke en gezondheidsdiensten om hen daadwerkelijk te helpen; overwegende dat de autoriteiten gendergerelateerd geweld in sommige gevallen beschouwen als een familieaangelegenheid die derhalve op dat niveau kan worden opgelost;

AC.  overwegende dat het beleid inzake reproductieve gezondheid centraal moet staan in dit debat;

AD.  overwegende dat de verzameling van vergelijkbare, uitgesplitste, kwalitatieve en kwantitatieve gegevens, die alle aspecten van het probleem omvatten, onmisbaar is om de werkelijke omvang van het geweld tegen vrouwen in de Unie te begrijpen, en derhalve om doeltreffende beleidsmaatregelen uit te werken;

AE.  overwegende dat in de verwerping d.d. 12 december 2012 door het Europees Parlement van het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese statistieken over veiligheid voor criminaliteit(16) opnieuw wordt benadrukt dat er behoefte is aan een nieuw voorstel voor EU-wetgeving tot vaststelling van een coherent systeem voor de verzameling van statistieken over geweld tegen vrouwen in de lidstaten, en overwegende dat de Raad, in zijn conclusies van december 2012, heeft verzocht om verbeteringen in de verzameling en verspreiding van vergelijkbare, betrouwbare en regelmatig bijgewerkte gegevens over alle vormen van geweld tegen vrouwen op zowel nationaal als EU-niveau;

AF.  overwegende dat genitale verminking van vrouwen internationaal als een schending van de mensenrechten en als een vorm van foltering van meisjes en vrouwen wordt erkend, en een diepgewortelde ongelijkheid tussen mannen en vrouwen weerspiegelt; overwegende dat genitale verminking van vrouwen een extreme vorm van discriminatie tegen vrouwen inhoudt, vrijwel altijd bij minderjarigen wordt toegepast en een schending van de rechten van kinderen is;

AG.  overwegende dat prostitutie kan worden gezien als een vorm van geweld tegen vrouwen, vanwege de gevolgen ervan voor hun fysieke en mentale gezondheid, met name in geval van gedwongen prostitutie en de handel in vrouwen voor prostitutie;

AH.  overwegende dat eerwraak een gevaarlijke groei doormaakt binnen de grenzen van de Unie, een trend die vooral jonge meisjes treft;

AI.  overwegende dat ouderenmishandeling internationaal beschouwd wordt als een schending van de rechten van oudere vrouwen, alsmede dat erkend wordt dat ouderenmishandeling in alle EU-lidstaten moet worden voorkomen en bestreden;

AJ.  overwegende dat uit de aanneming van de EU-richtsnoeren betreffende geweld tegen vrouwen en tot uitbanning van elke vorm van vrouwendiscriminatie, en uit het hoofdstuk in het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten dat gewijd is aan de bescherming van vrouwen tegen gendergerelateerd geweld, duidelijk blijkt dat de EU een sterke politieke wil heeft om het thema vrouwenrechten een prioriteit te maken en langetermijnactie op dat gebied te ondernemen; overwegende dat coherentie tussen de interne en externe dimensies van het mensenrechtenbeleid soms een verschil tussen retoriek en gedrag kan blootleggen;

AK.  overwegende dat genitale verminking van vrouwen volgens rapporten van de Commissie en Amnesty International bij honderdduizenden vrouwen en meisjes in Europa wordt toegepast en dat in de regel gesproken wordt van 500 000 slachtoffers; overwegende dat de verschillen tussen de wetsbepalingen in de lidstaten leiden tot het fenomeen van zogenaamd grensoverschrijdend "toerisme" om genitale verminking van vrouwen te laten uitvoeren binnen de EU;

AL.  overwegende dat de EU met derde landen moet blijven samenwerken om de gewelddadige praktijk van de genitale verminking van vrouwen uit te bannen; overwegende dat de lidstaten en de derde landen die beschikken over wetgeving die genitale verminking van vrouwen strafbaar stelt, deze ten uitvoer moeten leggen;

1.  verzoekt de Commissie om tegen het einde van 2014 op basis van artikel 84 VWEU een voorstel in te dienen voor een wet tot vaststelling van maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het optreden van de lidstaten op het gebied van preventie van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inachtneming van de gedetailleerde aanbevelingen zoals uiteengezet in de bijlage bij dit verslag;

2.  verzoekt de Commissie een herzien voorstel in te dienen voor een verordening inzake Europese statistieken, die gericht is op gewelddadige misdrijven alsmede een coherent systeem omvat voor het verzamelen van statistieken over gendergerelateerd geweld in de lidstaten;

3.  vraagt de Raad om in te spelen op de overbruggingsclausule, door een unaniem besluit aan te nemen waarmee geweld tegen vrouwen en meisjes (en andere vormen van gendergerelateerd geweld) wordt aangemerkt als een van de vormen van criminaliteit die in artikel 83, lid 1 VWEU worden vermeld;

4.  verzoekt de Commissie nationale ratificaties te bevorderen en de procedure te starten voor de toetreding van de EU tot de Overeenkomst van Istanboel over geweld tegen vrouwen, nadat zij de gevolgen en meerwaarde die dat laatste zou hebben, heeft beoordeeld;

5.  verzoekt de Commissie een strategie en een actieplan ter bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen voor de gehele EU te presenteren, zoals in 2010 is vastgelegd in het actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm, met als doel de integriteit, de gelijkheid (artikel 2 VEU) en het welzijn van de vrouw (artikel 3, lid 1, VEU) in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht op een concrete en doelmatige wijze te beschermen, waarin met name de nadruk wordt gelegd op de bewustmaking van vrouwen over hun rechten, en de bewustmaking van mannen en jongens (vanaf jonge leeftijd) over de fysieke en psychologische integriteit van vrouwen, teneinde dergelijk geweld te helpen voorkomen, en waarin tevens wordt benadrukt dat politie en justitie passende opleidingen moeten volgen over de specifieke uitdagingen van gendergerelateerd geweld, en waarin de lidstaten worden aangemoedigd aandacht te besteden aan de begeleiding van slachtoffers bij het opnieuw inrichten van hun bestaan en het herstellen van hun zelfvertrouwen, zodat ze in de toekomst niet hervallen in dezelfde patronen van kwetsbaarheid of afhankelijkheid; is van mening dat deze strategie in het bijzonder rekening moet houden met kwetsbare groepen zoals ouderen, mensen met een handicap, immigranten en LGBT (lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders) en tevens maatregelen moet omvatten voor bijstand aan kinderen die getuige zijn geweest van geweld en hen als slachtoffers moet erkennen;

6.  verzoekt de Commissie de samenwerking tussen de lidstaten en niet-gouvernementele en andere vrouwenorganisaties te bevorderen teneinde een doeltreffende strategie te ontwikkelen en uit te voeren om het geweld tegen vrouwen uit te bannen;

7.  moedigt de Commissie aan de eerste stappen te zetten op weg naar de oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor geweld tegen vrouwen en meisjes, dat gegrondvest is op bestaande institutionele structuren (Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE)) en geleid wordt door een EU-coördinator voor geweld tegen vrouwen en meisjes;

8.  dringt er bij de Commissie op aan in de komende drie jaar een EU-jaar voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen en meisjes in het leven te roepen, teneinde burgers en alle politici meer bewust te maken van dit omvangrijke probleem dat alle lidstaten treft, zodat er een duidelijk actieplan kan worden opgesteld waarmee een einde wordt gemaakt aan geweld tegen vrouwen;

9.  verzoekt de lidstaten eerwraak te bestrijden door onderwijs en onderdak te bieden aan mogelijke slachtoffers en bewustwordingscampagnes te starten met betrekking tot de extreme schendingen van de mensenrechten en de tragische sterfgevallen als gevolg van eerwraak;

10.  verzoekt de lidstaten en de belanghebbenden om samen met de Commissie bij te dragen tot de verspreiding van informatie over de programma's van de Europese Unie en de financieringsmogelijkheden die zij bieden om geweld tegen vrouwen te bestrijden;

11.  constateert dat de aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

12.  is van mening dat de financiële gevolgen van het verlangde voorstel moeten worden gedekt door sectie III van de begroting van de Unie (waarbij moet worden gezorgd voor volledige complementariteit met de bestaande begrotingslijn met betrekking tot het onderwerp van het voorstel);

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten, de Raad van Europa en het EIGE.

(1) PB C 117 E van 6.5.2010, blz. 52.
(2) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 87.
(3) PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 131.
(4) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 53.
(5) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0045.
(7) PB C 227 E van 4.9.2008, blz. 140.
(8) PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.
(9) PB C 351 van 15.11.2012, blz. 21.
(10) PB C 59 van 23.2.2001, blz. 258.
(11) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 247.
(12) PB C 348 E van 21.12.2010, blz. 11.
(13) PE 504.467.
(14) Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57).
(15) Eindverslag van de werkgroep van de Raad van Europa ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huiselijk geweld (EG-TFV), september 2008.
(16) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0494.


BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1 over het doel en de strekking van de goed te keuren verordening

Het doel van de verordening is het vaststellen van maatregelen ter bevordering en ondersteuning van het optreden van de lidstaten op het gebied van preventie van gendergerelateerd geweld.

Gendergerelateerd geweld moet worden beschouwd (zoals reeds wordt vermeld in Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad) als geweld dat zich richt tegen een persoon op grond van het geslacht, de genderidentiteit of de genderexpressie van die persoon of waaronder personen van een bepaald geslacht in onevenredige mate te lijden hebben. Het kan leiden tot lichamelijke, seksuele, emotionele of psychologische schade of economisch nadeel voor het slachtoffer en kan geweld in hechte relaties, seksueel geweld (onder meer verkrachting, aanranding en seksuele intimidatie), mensenhandel, slavernij, en verschillende vormen van schadelijke praktijken zoals gedwongen huwelijken, genitale verminking van vrouwen en zogenaamde "eergerelateerde misdrijven" omvatten.

Aanbeveling 2 over preventie- en bestrijdingsmaatregelen

De lidstaten moeten een aantal maatregelen ontwikkelen met het oog op de preventie en de bestrijding van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes. Zij moeten namelijk:

–  elk jaar omvattende strategieën en programma's ontwerpen, ten uitvoer leggen en evalueren, waaronder openbare onderwijsprogramma's en scholing voor docenten en deskundigen in de recreatieve sector, gericht op het wegnemen van belemmeringen, vooroordelen en stereotypen die vrouwen en meisjes beletten om hun volledige rechten vrij van geweld te genieten, en op het bevorderen van een grondige verandering van het sociaalcultureel gedrag;

–  relevant onderzoek doen inzake gendergerelateerd geweld, ook op het gebied van de oorzaken van en motieven voor geweld en gegevensverzameling en -analyse, en zich daarbij inspannen om de criteria voor de registratie van gendergerelateerd geweld te standaardiseren, teneinde de verzamelde gegevens te kunnen vergelijken;

–  scholing organiseren voor ambtenaren en deskundigen die mogelijk in contact komen met gevallen van gendergerelateerd geweld – met inbegrip van rechtshandhaving, sociale welvaart, hulp aan minderjarigen die slachtoffer of getuige van geweld zijn, gezondheidszorg en personeel voor crisiscentra – teneinde dergelijke gevallen op te sporen, te identificeren en op passende wijze het hoofd te bieden, met bijzondere aandacht voor de behoeften en rechten van de slachtoffers;

–  expertise, ervaringen, informatie en beste praktijken uitwisselen via het Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie (ENCP);

–  bewustmakingscampagnes opzetten (met inbegrip van campagnes die specifiek gericht zijn op mannen), zo nodig in samenwerking met ngo's, media en andere belanghebbenden;

–  indien deze nog niet bestaan: gratis nationale hulplijnen met deskundig personeel instellen en ondersteunen;

–  waarborgen dat er gespecialiseerde opvanghuizen (bedoeld als eerste contactpunt voor ondersteuning en als veilige en bekrachtigende omgeving voor vrouwen) beschikbaar zijn en uitgerust worden met voorzieningen en adequaat opgeleid personeel, die plaats bieden aan ten minste 1 vrouw per 10 000 inwoners;

–  zorgen voor steun aan ngo's voor vrouwen en maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van de preventie van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes.

Aanbeveling 3 over nationale rapporteurs of gelijkwaardige mechanismen

Binnen één jaar na de inwerkingtreding van de verordening moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om nationale rapporteurs of gelijkwaardige mechanismen in te stellen. De taken van dergelijke mechanismen bestaan uit de uitvoering van beoordelingen van trends op het gebied van gendergerelateerd geweld, de meting van de resultaten van getroffen maatregelen ter bestrijding van dit geweld op nationaal en plaatselijk niveau, de verzameling van statistieken en jaarlijkse verslaglegging aan de Commissie en de bevoegde commissies van het Europees Parlement.

Aanbeveling 4 over de coördinatie van de strategie van de Unie voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen

Om aan een gecoördineerde en geconsolideerde Uniestrategie ter bestrijding van gendergerelateerd geweld bij te dragen, moeten de lidstaten de Commissie de in aanbeveling 3 bedoelde informatie verstrekken.

Aanbeveling 5 over verslaglegging

De Commissie dient elk jaar tegen 31 december en vanaf het jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten maatregelen hebben getroffen naar aanleiding van deze verordening.

In het verslag worden de genomen maatregelen vermeld en wordt nadruk gelegd op goede praktijken.

Aanbeveling 6 over de oprichting van een forum van het maatschappelijk middenveld

De Commissie onderhoudt een nauwe dialoog met relevante maatschappelijke organisaties en bevoegde instanties die op plaatselijk, regionaal, nationaal, Europees of internationaal niveau actief zijn op het gebied van de bestrijding van gendergerelateerd geweld en richt daartoe een forum van het maatschappelijk middenveld op.

Het forum zal een mechanisme zijn voor uitwisseling van informatie en bundeling van kennis. Het waarborgt een nauwe dialoog tussen de EU-instellingen en betrokken belanghebbenden.

Het forum is open voor betrokken belanghebbenden in overeenstemming met de eerste alinea en komt minimaal eenmaal per jaar bijeen.

Aanbeveling 7 over financiële steun

In de verordening moet de bron worden vastgesteld van de financiële steun binnen het kader van de begroting van de Unie (afdeling III) voor de in aanbeveling 3 bedoelde maatregelen.

Laatst bijgewerkt op: 6 juni 2017Juridische mededeling