Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2008(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0081/2014

Ingediende teksten :

A7-0081/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 26/02/2014 - 7.1

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0132

Aangenomen teksten
PDF 148kWORD 62k
Woensdag 26 februari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Cohesiebeleid
P7_TA(2014)0132A7-0081/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 26 februari 2014 over het zevende en achtste voortgangsverslag van de Europese Commissie over het cohesiebeleid van de EU en het strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013 (2013/2008(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het ‘zevende voortgangsverslag over de economische, sociale en territoriale cohesie’ van de Commissie van 24 november 2011 (COM(2011)0776), en het daarbij horende werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2011)1372),

–  gezien het ‘achtste voortgangsverslag over de economische, sociale en territoriale cohesie’ van de Commissie - de regionale en stedelijke dimensie van de crisis - van 26 juni 2013 (COM(2013)0463), en het daarbij horende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2013)0232),

–  gezien het document ‘Cohesiebeleid: strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013’ van de Commissie van 18 april 2013 (COM(2013)0210), en het daarbij horende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2013)0129),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en tot vaststelling van algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 (COM(2011)0615),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2009 over het cohesiebeleid: investeren in de reële economie(1) ,

–  gezien zijn resolutie van 7 oktober 2010 over het cohesie- en regionaal beleid van de EU na 2013(2) ,

–  gezien zijn resolutie van 20 mei 2010 over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de Lissabon- en EU 2020-doelstellingen(3) ,

–  gezien het voorstel van de Commissie van 6 oktober 2011 voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (COM(2011)0614),

–  gezien het vierde monitoringverslag van het CvdR over Europa 2020, Comité van de Regio’s, oktober 2013,

–  gezien de gezamenlijke nota van de directoraten-generaal voor regionaal en stedelijk beleid en voor werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie, met als titel ‘EU Cohesion Policy Contributing to Employment and Growth in Europe’, juli 2013,

–  gezien de studie die gepubliceerd werd door het Parlement met als titel ‘Cohesiebeleid na 2013: kritische beoordeling van de wetgevingsvoorstellen’, juni 2012,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0081/2014),

A.  overwegende dat empirisch bewezen is dat de economische, financiële en sociale crisis het convergentieproces tot stilstand heeft gebracht of zelfs omgekeerd, met als gevolg een groeiende ongelijkheid tussen regio's en het einde van een lange periode waarin de regionale ongelijkheid op het gebied van bbp per capita en de werkloosheid binnen de EU continu daalden, waarbij de zwakkere regio's van de Europese Unie zwaarder getroffen zijn;

B.  overwegende dat de openbare middelen van de lidstaten en van de EU schaarser geworden zijn en in toenemende mate onder druk komen te staan, terwijl de crisis en de daaruit voortvloeiende recessie, evenals de crisis van de overheidsschuld in diverse lidstaten, de lidstaten ertoe hebben aangezet eindelijk de belangrijke structurele hervormingen die noodzakelijk zijn, ter ondersteuning van het herstel van de economische groei en de schepping van banen, waardoor er soms gesnoeid is in de medefinanciering van de structuurfondsen en het cohesiefonds;

C.  overwegende dat als gevolg van het beleid van begrotingsconsolidatie de rol en het gewicht van het cohesiebeleid als bron van overheidsinvesteringen is toegenomen, vooral op subnationaal niveau, aangezien deze beleidsfinanciering in een aanzienlijk aantal lidstaten en regio's meer dan de helft van alle overheidsinvesteringen vertegenwoordigt;

D.  overwegende dat de crisis negatieve gevolgen heeft voor alle Europese regio's en steden, waardoor het belang van financiering in het kader van het cohesiebeleid ook in overgangsregio’s en meer ontwikkelde regio's toeneemt;

E.  overwegende dat de inspanningen voor het halen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie een sterke regionale dimensie hebben waarmee rekening moet worden gehouden bij de voorbereiding en uitvoering van de volgende generaties programma’s in het kader van het cohesiebeleid en ander investeringsbeleid van de EU;

F.  overwegende dat de klemtoon van het cohesiebeleid tot nog toe meer op absorptie lag dan op de bepaling en monitoring van doelstellingen – en de evaluatie van de verwezenlijking hiervan – , terwijl met de monitoring- en evaluatiesystemen niet helemaal het doel van deze systemen wordt gehaald om beter gedifferentieerde doelstellingen te bepalen, volgens de lokale, regionale en interregionale kenmerken, specificiteiten en noden;

G.  overwegende dat het cohesiebeleid in de context van het meerjarig financieel kader 2014-2020 de voornaamste bron van overheidsfinanciering in de EU blijft, en overwegende dat in het nieuwe kader van het cohesiebeleid de klemtoon volledig wordt gelegd op de noodzaak om de investeringen op regionaal en lokaal niveau te concentreren op belangrijke terreinen als de schepping van banen, kmo’s, werkgelegenheid (in het bijzonder voor jongeren), arbeidsmobiliteit, onderwijs en opleiding, onderzoek en innovatie, ICT, duurzaam transport en het wegwerken van knelpunten, duurzame energie, milieu, vergroting van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en doelmatig openbaar bestuur, stadsontwikkeling en steden;

H.  overwegende dat de noodzaak om met minder middelen meer te bereiken ertoe heeft geleid slimme specialisatie op te nemen in het nieuwe kader voor het cohesiebeleid (de gemeenschappelijke verordening(4) ), om ervoor te zorgen dat regio's een strategische en minder gefragmenteerde benadering van economische ontwikkeling hanteren door middel van gerichte steun voor onderzoek en innovatie;

I.  overwegende dat partnerschap en multi-level governance horizontale algemene principes vormen met het oog op de verwezenlijking van de EU-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, in de context van het volgende wetgevingskader van het cohesiebeleid;

J.  overwegende dat bij de evaluaties die tijdens het programma 2007-2013 zijn uitgevoerd, niet is gekeken naar de totale evaluatiecyclus, met inbegrip van doelmatigheid, doeltreffendheid en impact;

K.  overwegende dat het absorptiepercentage van de middelen in de lidstaten ongeveer 50 % bedraagt, en ongeveer 30 % in het laatste jaar van de periode;

L.  overwegende dat kmo's moeilijk toegang krijgen tot financiering van de banksector;

Algemene uitdagingen op het gebied van uitvoering tijdens de huidige programmeringsperiode

1.  is ingenomen met het zevende en achtste voortgangsverslag en met het strategisch verslag 2013 en verzoekt de Commissie, die nu begint aan de evaluatie achteraf van de periode 2007-2013, en de lidstaten om erop toe te zien dat de monitoring en evaluatie gebaseerd is op betrouwbare gegevens en dat erin gekeken wordt naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en impact van acties en om erop toe te zien dat de evaluatie achteraf uiterlijk eind 2015 voltooid is, overeenkomstig de bepalingen van de oude algemene verordening, om ervoor te zorgen dat er duidelijke lessen kunnen worden getrokken voor de uitvoering van de nieuwe programmeringsperiode;

2.  is van mening dat een beleid van begrotingsconsolidatie op zich niet volstaat om de groei te stimuleren en investeringen aan te moedigen die leiden tot duurzame banen van goede kwaliteit, maar dat hiervoor ook maatregelen nodig zijn die de economie ondersteunen en de – nog kwetsbare en aarzelende – aanzetten tot herstel aanmoedigen;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer te investeren in ondernemerschap, het opstarten van ondernemingen en zelfstandig ondernemerschap, om meer banen te creëren, met name gelet op het feit dat kmo’s en micro-ondernemingen goed zijn voor meer dan twee derde van de arbeidsplaatsen in de particuliere sector in de EU; is van mening dat speciale nadruk moet worden gelegd op het regionale en lokale niveau; is daarnaast van mening dat investeringen in de sociale economie en in sociaal ondernemerschap een goede extra optie bieden om te voldoen aan sociale behoeften waaraan niet wordt voldaan door collectieve goederen en overheidsdiensten;

4.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan voldoende openbare financiële middelen, vooral op subnationaal niveau, om de Europa 2020-strategie behoorlijk uit te voeren, door de impact van de economische crisis, en over het feit dat een aanzienlijk aantal minder ontwikkelde lidstaten en regio’s in ruime mate afhankelijk is van ; is van mening dat, vóór besluiten worden genomen over eventuele macro-economische sancties, zorgvuldig moet worden gekeken naar de hoge mate waarin de ontwikkeling van bepaalde lidstaten afhankelijk is van financiering in het kader van het cohesiebeleid;

5.  is van mening dat, hoewel de middelen die in het huidige meerjarig financieel kader toegewezen worden aan het cohesiebeleid, relatief beperkt zijn in verhouding tot de noden op het terrein, een grotere efficiëntie en synergieën tussen de EU-begroting en de nationale begrotingen niettemin belangrijke hefbomen kunnen vormen voor een groeibevorderend beleid;

6.  is van mening dat het, om bij te dragen tot het realiseren van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, overeenkomstig de doelstellingen van economische, sociale en territoriale cohesie, ondanks de noodzaak te focussen op sectoren met een langetermijnpotentieel voor banenschepping en innovatie, belangrijk is rekening te houden met de significante behoeften van vele minder ontwikkelde regio’s inzake investeringen in infrastructuurprojecten in basissectoren als transport, telecommunicatie en duurzame energie;

7.  is van mening dat – ondanks aanwijzingen dat de lokale en regionale instanties bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten worden betrokken – er verdere actie nodig is om de territoriale dimensie van het governancesysteem van het cohesiebeleid, de Europa 2020-strategie en het Europees semester te versterken, door enerzijds een echte dialoog en complementariteit tussen de verschillende governanceniveaus te waarborgen, en er anderzijds op toe te zien dat de op die niveaus vastgelegde prioriteiten stroken met de noden en specificiteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau; benadrukt in verband hiermee dat het belangrijk is ervoor te zorgen dat de gemeenten en de regio's naar behoren bij het opstellen van de nationale strategieën en de omschrijving van hun specifieke problemen en uitdagingen worden betrokken, zonder dat dit leidt tot een toename van de administratieve lasten;

8.  is van mening dat het cohesiebeleid het best is geplaatst om de Europa 2020-strategie de territoriale dimensie te verlenen die nodig is om de erg relevante groeiverschillen binnen de Unie en binnen de lidstaten aan te pakken, om ervoor te zorgen dat het groeipotentieel ook in de ultraperifere en minst bevolkte regio's van de Unie wordt benut, en om het feit aan te pakken dat verschillen in institutionele capaciteit als gevolg hebben dat de verschillende regio's de vooropgestelde doelstellingen niet op dezelfde manier als referentie kunnen hanteren;

Focus op werkgelegenheid en sociale insluiting

9.  is in het bijzonder bezorgd door de aanzienlijke toename, als gevolg van de crisis, van het percentage van de bevolking dat het risico loopt van armoede of sociale uitsluiting, dat te lijden heeft onder materiële ontbering, milieuaantasting of slechte woonomstandigheden, dat een zeer lage arbeidsintensiteit heeft of dat het gevaar loopt van uitsluiting en energiearmoede, vooral in convergentieregio's en steden, met name in de regio’s rond de hoofdsteden, die op grond van de indicatoren worden ingedeeld als ontwikkeld, met verder als bijzonder getroffenen vrouwen, eenoudergezinnen, grote gezinnen met vier of meer kinderen, mantelzorgers (met name mantelzorgers van een gehandicapt familielid), leden van gemarginaliseerde gemeenschappen en ouderen die vlak voor hun pensioen staan, voor wie toegang tot gelijke kansen moeilijk is;

10.  is van mening dat deze problemen dringend moeten worden aangepakt – aangezien ze de cohesie tussen de regio's ernstig ondermijnen en het concurrentievermogen van de Unie op middellange en lange termijn in het gedrang kunnen brengen – door te focussen op beleid om te zorgen voor toegang tot duurzame werkgelegenheid van goede kwaliteit en voor sociale inclusie, met name voor jongeren, door de vitale rol van kmo’s in dit opzicht te ondersteunen, versnippering tegen te gaan en de overstap naar een andere baan te vergemakkelijken, te focussen op omscholingsprogramma's voor langdurig werklozen, voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan door werknemers aan het einde van hun loopbaan en gelijke economische onafhankelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen; acht het van essentieel belang dat ook fysieke toegankelijkheid en de toegang tot de informatie- en communicatiemedia worden bevorderd en is van mening dat de verwezenlijkingen op dit gebied aan de hand van betrouwbare, objectieve en vergelijkbare indicatoren moeten worden beoordeeld, rekening houdend met de demografische uitdagingen;

11.  benadrukt het feit dat het Europees Sociaal fonds (ESF) een belangrijke rol speelt met betrekking tot het verkleinen van de ongelijkheid tussen de regio’s op het gebied van menselijk kapitaal en door te helpen het werkgelegenheidscijfer op te trekken, parallel en samen met het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), zodat het bijdraagt tot het realiseren van enkele van de belangrijkste prioriteiten van de Europese Unie op dit moment, namelijk het stimuleren van de jeugdwerkgelegenheid en de arbeidsmarkt, het bevorderen van een duurzame economie en duurzame groei, het terugdringen van het aantal voortijdige schoolverlaters en de strijd tegen armoede, discriminatie en sociale uitsluiting; benadrukt daarom het feit dat het beginsel van goed financieel beheer moet worden versterkt, met name wat de doelmatigheid en doeltreffendheid van ESF-acties betreft, en verzoekt de Commissie het algemene effect en de reële impact van het ESF op het werkloosheidscijfer en de schepping van banen te analyseren;

12.  erkent dat een groot deel van de uitgaven van het ESF wordt toegewezen om meer en betere banen te bevorderen, de integratie en participatie van achtergestelde groepen te ondersteunen en een inclusieve, voor iedereen toegankelijke samenleving te ontwikkelen; benadrukt evenwel dat in crisistijden meer de nadruk moet worden gelegd op een efficiënte gerichtheid van het ESF op de bestrijding van lokale en regionale ongelijkheden en sociale uitsluiting, op de verlening van toegang voor de meest kwetsbare groepen en jongeren in het bijzonder tot de arbeidsmarkt en op het ondersteunen van de herintegratie van vrouwen op de arbeidsmarkt, door gendergerelateerde segregatie terug te dringen;

13.  wijst erop dat het grote aantal vroegtijdige schoolverlaters in bepaalde regio’s het streefcijfer van 10 % ruim overschrijdt en dat vroegtijdige schoolverlaters onderwijs, een opleiding of werk dat voldoet aan hun behoeften, moet worden aangeboden; verwijst in dit verband naar de belangrijke jongerengarantie voor vroegtijdige schoolverlaters; benadrukt dat het, om het aantal vroegtijdige schoolverlaters te beperken, belangrijk is dat het onderwijsstelsel inclusief is en gelijke kansen biedt aan alle jongeren; wijst erop dat er daarom een oplossing moet worden gevonden voor de integratie op de arbeidsmarkt van deze laagopgeleide jongeren door middel van het aanbieden van toegankelijk en goed beroepsonderwijs en een opleiding op de werkplek om hen te helpen vaardigheden op te doen, aangezien gebrek aan opleiding tot werkloosheid en vervolgens tot armoede leidt en gepaard gaat met veel sociale uitdagingen die verband houden met uitsluiting, vervreemding en mislukte pogingen om een zelfstandig leven op te bouwen; wijst erop dat de ESF-bijdrage hierbij cruciaal is en meer jongeren kan helpen op school te blijven en de juiste kwalificaties te behalen voor een baan en een carrière en een bredere toegang tot onderwijs van hoge kwaliteit kan garanderen met speciale projecten voor kinderen uit achtergestelde groepen en van minderheden, met inbegrip van mensen met een handicap; roept lidstaten op adequaat beroepsonderwijs en een opleiding op de werkplek te stimuleren voor diegenen die hiervan zullen profiteren;

14.  benadrukt dat de positie van jongeren op de arbeidsmarkt sterk afhankelijk is van de algehele economische situatie en dat het daarom zeer belangrijk is jongeren in hun overgang van het onderwijs naar het beroepsleven te ondersteunen, begeleiden en te volgen; is derhalve van mening dat de Commissie eventuele toekomstige beleidsvoorstellen op dit gebied af kan stemmen op de initiatieven "Jeugd in beweging" en "Kansen voor de jeugd";

15.  benadrukt dat het aantal werkenden in bepaalde regio’s nog steeds minder dan 60 % bedraagt, en dat bepaalde regio’s zelfs met hun eigen, nationale streefcijfers nog 20 à 25 % achterblijven, en dat hiervan vooral jongeren, vrouwen, ouderen, verzorgers en mensen met een verminderde arbeidscapaciteit de dupe zijn, benadrukt dat bepaalde crisismaatregelen ongunstige gevolgen hebben gehad voor de cohesie en de ongelijkheden in de EU wezenlijk hebben doen toenemen; benadrukt dat het op de arbeidsmarkt houden van hoogrisicogroepen of het creëren van arbeidsmogelijkheden voor deze groepen gerichte maatregelen vergt op het gebied van het scheppen van werkgelegenheid, opleidingsmogelijkheden en het behoud van werk; benadrukt dat in bepaalde afgelegen gebieden de zoveelste generatie op rij werkloos is en dat dit een gevaar is waarmee vooral gemarginaliseerde gemeenschappen te kampen hebben;

16.  herinnert eraan dat de arbeidsparticipatiegraad ruim onder de doelstelling van Europa 2020, dat ten minste 75 % van de bevolking tussen de 20 en 64 jaar werk moet hebben, is gebleven; merkt op dat de EU-lidstaten, hoewel er geen specifieke doelstellingen voor arbeidsparticipatie op regionaal niveau bestaan, afzonderlijk nationale doelstellingen hebben vastgesteld, die in de meeste gevallen niet zijn verwezenlijkt, aangezien de financiële en economische crisis een sterk asymmetrisch effect heeft gehad op de regionale arbeidsmarkten, met name die in Zuid-Europa, waar de jeugdwerkloosheid sterk is gestegen;

17.  is van mening dat alle regio's zich gesteld zien tegenover de uitdaging om duurzame groei te creëren en bij te dragen aan een hogere hulpbronnenefficiëntie; benadrukt in verband hiermee dat er beleid nodig is waarbij dat de uitgaven prioritair gaan naar de sectoren onderwijs, een leven lang leren, onderzoek, innovatie en ontwikkeling, energie-efficiëntie en lokaal ondernemerschap, alsmede de creatie van nieuwe financiële instrumenten voor alle soorten van bedrijven, met name kmo's;

18.   herinnert aan het potentieel van kmo’s op het gebied van banenschepping en dringt er bij de lidstaten op aan beleid te ontwikkelen om de toegang tot financiering en de financieringsvoorwaarden voor kmo’s te verbeteren; verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten de transparantie en de voorspelbaarheid van het systeem voor offerteaanvragen te vergroten en de tijdsspanne te verkorten tussen de publicatie van een offerteaanvraag en de gunning van een opdracht, met name voor kmo’s, die concurreren in een snel veranderende omgeving;

19.  verzoekt om bijzondere aandacht te schenken aan de culturele en creatieve sector, die bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, en met name tot het scheppen van banen; wijst op de fundamentele bijdrage die deze sectoren leveren aan de groei van regio's en steden; vraagt volgehouden maatregelen ter ondersteuning van bij- en nascholing voor vrouwen met name in deze sectoren, om ervoor te zorgen dat hun kwalificaties ten volle kunnen worden benut en dat er nieuwe arbeidskansen worden gecreëerd;

Evaluatiegegevens

20.  herinnert eraan dat, hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat de uitvoering van het cohesiebeleid versneld is en dat de hieruit voortvloeiende programma’s een belangrijke bijdrage geleverd hebben op vele terreinen waar investeringen nodig zijn voor de economische modernisering en het concurrentievermogen (zoals onderzoek en ontwikkeling, ondersteuning van kmo’s, herindustrialisatie, sociale inclusie en onderwijs en opleiding), een aantal lidstaten het risico loopt dat het zijn programma’s niet zal uitvoeren voor het einde van de huidige programmeringperiode; dringt er in verband hiermee bij de Commissie op aan grondig de oorzaken van de lage absorptiecijfers te analyseren en dringt er bij de lidstaten op aan om medefinanciering te verstrekken om de tenuitvoerlegging van de middelen te versnellen;

21.  moedigt de lidstaten aan om synergieën te onderzoeken tussen de financiering in het kader van het cohesiebeleid en andere bronnen van EU-financiering (zoals voor het TEN-V-, het TEN-E-, het CEF-, het Horizon 2020-, het COSME- en andere programma's) evenals met financiering die verstrekt wordt door de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling; dringt er bij de lidstaten op aan om de uitvoering van de beschikbare fondsen te versnellen en de toegang ertoe te vereenvoudigen en te verbeteren, om kmo's, organisaties van de civiele maatschappij, lokale gemeentebesturen en andere geïnteresseerde begunstigden ertoe aan te zetten er gebruik van te maken;

Uitdagingen op het gebied van monitoring en evaluatie

22.  is van mening dat evaluatie een fundamentele rol te spelen heeft in het oriënterend debat en de kennisverwerving, maar maakt zich zorgen doordat, hoewel de verstrekking van monitoringgegevens en informatie over de uitvoering de kwaliteit van de gestelde doelen verbetert, de ongelijke kwaliteit het in veel gevallen van verslaglegging over de vorderingen toch moeilijk maakt om een volledig en juist beeld te krijgen van de vorderingen op regionaal en lokaal niveau naar de vooropgestelde doelstellingen; benadrukt het feit dat bij de evaluatie ook maatregelen moeten worden beoordeeld en voorgesteld om de onnodige lasten voor de begunstigden, inclusief kmo’s, lokale en regionale autoriteiten en ngo’s, weg te nemen; is van mening dat geen bijkomende lasten in verband met monitoring mogen worden opgelegd;

23.  is van mening dat de voortgangsverslagen niet volledig een duidelijk beeld geven van de vorderingen die gemaakt zijn bij het uitvoeren van het cohesiebeleid en het bereiken van de vooropgestelde doelstellingen, door de onbeschikbaarheid van gegevens op het niveau in kwestie of door het onvoldoende duidelijke verband tussen de verstrekte statistische gegevens en de mate waarin voldaan is aan de doelstellingen van het cohesiebeleid die monitoring vereisen;

24.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, om de transparantie van de rapportage en de kwaliteit van de programmering en de uitvoering daarvan te vergroten, ten volle gebruik te maken van de monitoring- en evaluatie-instrumenten die in de context van het huidige wetgevingskader beschikbaar zijn (grotere resultaatgerichtheid, gebruik van gemeenschappelijke outputindicatoren, keuze van programmaspecifieke resultaatindicatoren en een helder prestatiekader);

25.  is van mening dat uit de evaluaties van de programma's in het kader van het cohesiebeleid voor de periode 2007-2013 die medegefinancierd zijn door het EFRO en het Cohesiefonds, blijkt dat men zich in de lidstaten terdege bewust is van de gendergelijkheidsvereiste bij het opzetten van dergelijke programma's (70 %(5) ), maar dat hieruit ook blijkt dat gendergelijkheid helemaal niet doelmatig in deze programma's wordt opgenomen aan de hand van een heldere vaststelling van de problemen of streefcijfers (minder dan 8 %); verzoekt de Commissie de verslagleggingssystemen van de lidstaten verder te verbeteren door indicatoren in te stellen en toe te passen teneinde te kunnen evalueren of de in het kader van het cohesiebeleid geboden steun werkelijk zorgt voor vooruitgang op het stuk van gendergelijkheid en indien dit het geval is, in welke mate;

26.  dringt er bij de Commissie op aan te controleren of de beheersautoriteiten de richtlijn inzake laattijdige betalingen toepassen met betrekking tot de begunstigden van projecten en of zij passende maatregelen nemen om de vertraging van betalingen terug te dringen;

27.  verzoekt de dienst Interne audit van de Commissie en de Europese Rekenkamer om meer prestatiecontroles van het Cohesiefonds en de structuurfondsen en met name het ESF uit te voeren;

o
o   o

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB C 87 E van 1.4.10, blz. 113.
(2) PB C 371 E van 20.12.11, blz. 39.
(3) PB C 161 E van 31.05.11, blz. 120.
(4) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(5) http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docgener/evaluation/pdf/2009-03-16-inception-report.pdf

Laatst bijgewerkt op: 11 juli 2017Juridische mededeling