Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2013/2114(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0114/2014

Ingediende teksten :

A7-0114/2014

Debatten :

PV 27/02/2014 - 9
CRE 27/02/2014 - 9

Stemmingen :

PV 27/02/2014 - 10.16
CRE 27/02/2014 - 10.16

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0179

Aangenomen teksten
PDF 139kWORD 59k
Donderdag 27 februari 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Heffingen voor kopiëren voor privégebruik
P7_TA(2014)0179A7-0114/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over heffingen voor kopiëren voor privégebruik (2013/2114(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(1) ,

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt (COM(2012)0372), en de bijbehorende effectbeoordeling,

–  gezien de artikelen 4, 6, 114 en 118 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name dat van 21 oktober 2010, Padawan/SGAE (C‑467/08, Jurispr. blz. I-10055); 16 juni 2011, Stichting de Thuiskopie/Opus Supplies Deutschland GmbH e.a. (C‑462/09, Jurispr. blz. I-05331); 9 februari 2010, Martin Luksan/Petrus van der Let (C‑277/10, nog niet gepubliceerd); 27 juni 2013, VG Wort/Kyocera Mita e.a. (gevoegde zaken C‑457/11—C‑460/11, nog niet gepubliceerd), en 11 juli 2013, Austro Mechana/Amazon (C‑521/11, nog niet gepubliceerd),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 mei 2011 getiteld "Een eengemaakte markt voor intellectuele-eigendomsrechten: Creativiteit en innovatie bevorderen met het oog op economische groei, kwaliteitsjobs en eersteklasproducten en ‑diensten in Europa" (COM(2011)0287),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2012 over inhoud in de digitale interne markt (COM(2012)0789),

–  gezien de aanbevelingen van António Vitorino van 31 januari 2013 naar aanleiding van de bemiddelingsprocedure inzake thuiskopie- en reprografieheffingen,

–  gezien het werkdocument van de Commissie juridische zaken "Copyright in the music and audiovisual sectors", dat op 29 juni 2011 werd goedgekeurd,

–  gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7‑0114/2014),

A.  overwegende dat cultuur en scheppende activiteiten van oudsher het fundament van de Europese identiteit vormen en dat zij in de toekomst een essentiële rol zullen spelen in de economische en sociale ontwikkeling van de Europese Unie;

B.  overwegende dat cultuur en scheppende activiteiten onlosmakelijk deel uitmaken van de digitale economie; overwegende dat de uiting van zowel hoogstaande als alledaagse culturele inhoud op gelijke toegang tot de digitale groei van Europa berust; overwegende dat uit de raadplegingen is gebleken dat op de Europese digitale markt nog niets in huis is gekomen van de beloften inzake een doeltreffende verdeling, een billijke compensatie voor scheppende kunstenaars en een rechtvaardige en daadwerkelijke inkomstenverdeling in de culturele sector in het algemeen, en dat voor het aanpakken van deze uitdagingen acties op het niveau van de Unie vereist zijn;

C.  overwegende dat de digitale omwenteling een bijzonder groot effect heeft op de wijze waarop culturele identiteiten tot uiting gebracht, verspreid en ontwikkeld worden; overwegende dat lagere drempels voor participatie en nieuwe distributiekanalen de toegankelijkheid van werken en cultuur en een wereldwijde verspreiding, ontdekking en herontdekking van kunst en cultuur bevorderen en scheppende kunstenaars en artiesten kansen bieden; overwegende dat de marktkansen voor nieuwe diensten en bedrijven daardoor enorm zijn toegenomen;

D.  overwegende dat de aanspraak van auteurs op bescherming van hun creatieve werk, alsmede hun recht op een billijke compensatie voor dat werk ook in het digitale tijdperk moeten gelden;

E.  overwegende dat digitaal kopiëren voor privégebruik door de technologische vooruitgang en de overstap naar internet en "cloud computing" sterk aan economisch belang heeft gewonnen en dat in het bestaande systeem van heffingen voor kopiëren voor privégebruik onvoldoende rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen in het digitale tijdperk; overwegende dat er op dit vlak momenteel geen alternatieve aanpak bestaat die de rechthebbenden een passende compensatie garandeert en tegelijk kopiëren voor privégebruik mogelijk maakt; overwegende dat er niettemin een bespreking moet worden gevoerd om het thuiskopiestelsel te actualiseren en efficiënter te maken en meer rekening te houden met de technologische vooruitgang;

F.  overwegende dat in de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt, die het Parlement en de Raad op 4 februari 2014 hebben aangenomen, wordt benadrukt dat bij het auteursrechtenbeheer bijzondere aandacht moet worden besteed aan de transparantie van de geldstromen die door de organisaties voor collectief beheer geïnd, verdeeld en aan de rechthebbenden uitgekeerd worden, mede voor het kopiëren voor privégebruik;

G.  overwegende dat Richtlijn 2001/29/EG de lidstaten toestaat om ten aanzien van bepaalde vormen van reproductie van geluidsmateriaal, beeldmateriaal en audiovisueel materiaal voor privégebruik, in een beperking van of een restrictie op het reproductierecht te voorzien, welke gepaard gaat met een billijke compensatie, waardoor de consumenten in de landen die een dergelijke restrictie ten uitvoer hebben gelegd, hun audiovisuele en muziekrepertoire vrijelijk en zo vaak ze willen van de ene op de andere multimediadrager of van het ene op het andere toestel kunnen kopiëren, zonder aan de rechthebbenden toestemming te vragen, voor zover het om privégebruik gaat; overwegende dat de vergoedingen moeten worden berekend op basis van het mogelijke nadeel dat de rechthebbenden door dat kopiëren voor privégebruik lijden;

H.  overwegende dat volgens ramingen van de Europese Commissie de in 23 van de 28 lidstaten geïnde vergoedingen voor het kopiëren voor privégebruik sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2001/29/EG in totaal meer dan verdrievoudigd zijn en nu neerkomen op meer dan 600 miljoen euro; overwegende dat dit voor de kunstenaars een belangrijk bedrag is;

I.  overwegende dat die heffingen voor de fabrikanten en invoerders van traditionele en digitale opnamemedia en ‑apparatuur slechts een miniem gedeelte van hun omzet vormen, die in totaal op meer dan 1 000 miljard euro wordt geraamd;

J.  overwegende dat veel mobiele eindapparatuur in theorie de mogelijkheid biedt om voor privédoeleinden te kopiëren maar in de praktijk niet daarvoor wordt gebruikt; overwegende dat er daarom besprekingen voor de lange termijn moeten worden gevoerd teneinde een efficiëntere en actuelere aanpak te ontwikkelen die niet noodzakelijk gebaseerd hoeft te zijn op een forfaitaire heffing op apparatuur;

K.  overwegende dat bij vergelijking van de verkoopprijzen van apparatuur tussen landen waar de heffing voor kopiëren voor privégebruik wel en niet wordt aangerekend, blijkt dat de heffing de prijzen van de producten niet merkbaar beïnvloedt;

L.  overwegende dat de fabrikanten en invoerders van traditionele en digitale opnamemedia en ‑apparatuur sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2001/29/EG tal van rechtszaken hebben aangespannen op zowel nationaal als Europees niveau;

M.  overwegende dat Richtlijn 2001/29/EG en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie de lidstaten niet verplichten ervoor te zorgen dat de volledige heffing voor het kopiëren voor privégebruik rechtstreeks aan de rechthebbenden wordt uitgekeerd; overwegende dat de lidstaten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken om te bepalen dat een deel van deze compensatie indirect wordt verstrekt;

N.  overwegende dat de consument de heffing voor het kopiëren voor privégebruik betaalt wanneer hij opname- en opslagmedia of ‑diensten koopt, en dat hij derhalve het recht heeft te weten dat die heffing bestaat en hoeveel ze bedraagt; overwegende dat het bedrag van de heffing voor het kopiëren voor privégebruik het daadwerkelijke gebruik van dergelijke apparatuur en diensten met het oog op het kopiëren voor privégebruik van geluidsmateriaal, beeldmateriaal en audiovisueel materiaal moet weerspiegelen;

O.  overwegende dat de verschillende heffingstarieven voor het kopiëren voor privégebruik die in de Unie worden toegepast, niet tot uiting komen in de prijzen van media en apparatuur, en dat in 2012 in Spanje is gebleken dat een afschaffing van de heffingen voor het kopiëren voor privégebruik geen weerslag heeft op de prijzen van media en apparatuur;

P.  overwegende dat de verschillende inningsmodellen en heffingstarieven voor het kopiëren voor privégebruik uiteenlopen en ook van invloed zijn op de consument en de interne markt; overwegende dat een Europees kader tot stand moet worden gebracht om te kunnen zorgen voor een hoge mate van transparantie voor rechthebbenden, producenten en invoerders van apparatuur, consumenten en dienstverleners in de hele Unie; overwegende dat, om de onderliggende stabiliteit van het stelsel in het digitale tijdperk te bewaren, de heffingsregelingen in veel lidstaten gemoderniseerd moeten worden en er een Europees kader tot stand moet worden gebracht om te waarborgen dat er in de hele Unie gelijke voorwaarden gelden voor rechthebbenden, consumenten, fabrikanten en invoerders van apparatuur en dienstverleners;

Q.  overwegende dat de in de lidstaten opgezette mechanismen van vrijstelling en terugbetaling voor professioneel gebruik doeltreffend moeten zijn; overwegende dat deze regelingen in bepaalde lidstaten noodzakelijk zijn en dat de rechterlijke uitspraken in bepaalde lidstaten niet altijd worden toegepast;

R.  overwegende dat in het geval van werken online, zowel wat toegang als wat verkoop betreft, licentiepraktijken complementair zijn met het systeem van heffingen voor het kopiëren voor privégebruik;

S.  overwegende dat met name in de digitale wereld het klassieke kopiëren wordt vervangen door systemen met "streaming", waarbij geen kopie van auteursrechtelijk beschermde werken wordt opgeslagen op de eindapparatuur van de gebruiker, en dat er bijgevolg in die gevallen voorkeur moet worden gegeven aan licentiemodellen;

Een deugdelijk systeem dat gemoderniseerd en geharmoniseerd moet worden

1.  wijst erop dat de culturele sector goed is voor 5 miljoen banen en 2,6 % van het bbp van de EU, een van de belangrijke motoren voor groei in de EU vormt, voor nieuwe banen zorgt die niet kunnen worden gedelokaliseerd, innovatie stimuleert en een doeltreffend hulpmiddel is in de strijd tegen de huidige recessie;

2.  herinnert eraan dat de belangen van onder meer scheppende kunstenaars en consumenten in evenwicht dienen te worden gehouden in het kader van de regelgeving inzake auteursrechten; is in dit verband van mening dat alle Europese consumenten over het recht moeten beschikken om kopieën voor privégebruik te maken van legaal verworven inhoud;

3.  roept de Commissie bijgevolg op om een wetgevingsvoorstel in te dienen ter herziening van Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, met inbegrip van een bepaling betreffende een volledige harmonisering van de uitzonderingen en beperkingen, onder meer met betrekking tot kopiëren voor privégebruik;

4.  onderstreept dat de huidige gefragmenteerde regeling voor auteursrechten moet worden hervormd om de toegang tot culturele en creatieve inhoud te faciliteren en de (wereldwijde) verspreiding ervan te bevorderen, zodanig dat artiesten, scheppende kunstenaars, consumenten, bedrijven en het publiek voordeel kunnen halen uit digitale ontwikkelingen, nieuwe distributiekanalen, nieuwe bedrijfsmodellen en andere mogelijkheden, met name in tijden van bezuinigingen;

5.  wijst erop dat heffingen voor het kopiëren voor privégebruik momenteel een bron van inkomsten vormen die meer of minder belangrijk is voor verschillende categorieën van rechthebbenden, en dat het belang ervan sterk verschilt van lidstaat tot lidstaat;

6.  vindt de regeling van het kopiëren voor privégebruik een deugdelijk systeem dat zorgt voor evenwicht tussen de uitzondering voor kopiëren voor privégebruik en het recht op een billijke compensatie voor de rechthebbenden, en is van mening dat deze regeling behouden moet blijven, in het bijzonder wanneer rechthebbenden niet in een positie verkeren om rechtstreeks het recht voor reproductie op verschillende apparaten te verlenen; is van mening dat er op korte termijn geen alternatief is voor dit evenwichtige systeem; benadrukt echter dat er op lange termijn besprekingen moeten worden gehouden teneinde het thuiskopiestelsel permanent te evalueren in het licht van de digitale ontwikkelingen, de ontwikkelingen op de markt en het gedrag van de consument, en, zo mogelijk, potentiële alternatieven te zoeken waarmee het nagestreefde evenwicht tussen de uitzondering voor kopiëren door de consument en de compensatie voor scheppende kunstenaars kan worden bereikt;

7.  wijst erop dat de grote verschillen tussen nationale heffingssystemen, met name wat betreft de soorten producten die aan de heffing onderworpen zijn, en de hoogte van de heffingen, tot concurrentieverstoringen en "forum shopping" op de interne markt kunnen leiden;

8.  verzoekt de lidstaten en de Commissie een onderzoek in te stellen naar de essentiële elementen van kopiëren voor privégebruik, en met name een gemeenschappelijke definitie, het concept "billijke compensatie" — dat momenteel niet expliciet wordt geregeld door Richtlijn 2001/29/EG — en het concept "nadeel" voor een auteur ten gevolge van de onrechtmatige reproductie van het werk van een rechthebbende voor privégebruik; verzoekt de Commissie naar convergentie te streven aangaande de producten die aan de heffing onderworpen zijn, en gemeenschappelijke criteria vast te stellen voor de wijze waarop de heffingstarieven voor het kopiëren voor privégebruik worden overeengekomen, teneinde een transparant, billijk en voor consumenten en scheppende kunstenaars eenvormig systeem te doen naleven;

Met het oog op één inning, een betere zichtbaarheid bij de consument en een daadwerkelijke terugbetaling

9.   onderstreept dat de heffing voor kopiëren voor privégebruik van toepassing moet zijn op alle apparatuur en dragers die voor opnames en opslag voor privédoeleinden worden gebruikt, wanneer de scheppende kunstenaars hiermee nadeel wordt veroorzaakt;

10.  benadrukt dat het begrip "kopieën voor privégebruik" voor alle apparatuur duidelijk moet worden gedefinieerd en dat de gebruiker op basis van één betaling op alle dragers toegang moet kunnen krijgen tot de auteursrechtelijk beschermde inhoud; vraagt dat regelingen die in de lidstaten reeds in werking zijn, zoals uitzonderingen en heffingsvrijstellingen, worden geëerbiedigd en dat het mogelijk is dat zij parallel van toepassing zijn op de markt;

11.  meent dat de heffing voor kopiëren voor privégebruik bij de fabrikant of de invoerder moet worden ingehouden; voegt daaraan toe dat het doorschuiven van deze heffing naar de kleinhandelaar te veel administratieve rompslomp voor kleine en middelgrote distributiebedrijven en organisaties voor collectief beheer zou meebrengen;

12.  beveelt aan om in het geval van grensoverschrijdende transacties de heffingen voor kopiëren voor privégebruik te innen in de lidstaat waar de eindgebruiker die het product heeft gekocht, woonachtig is, in overeenstemming met het voormelde arrest in de zaak C‑462/09 (Opus);

13.  is derhalve van mening dat een organisatie voor collectief beheer van een lidstaat voor een en hetzelfde product slechts eenmaal thuiskopieheffingen zou mogen kunnen innen, om dubbele betalingen bij grensoverschrijdende transacties te voorkomen, en dat onterecht betaalde heffingen in een andere lidstaat dan die van de eindgebruiker moeten worden terugbetaald;

14.  is van mening dat lidstaten waar momenteel heffingen worden gevorderd of geïnd hun heffingstarieven moeten vereenvoudigen en harmoniseren;

15.  dringt bij de lidstaten aan op vereenvoudiging van de procedures voor de billijke vaststelling van de heffingen met alle betrokken partijen, ter garantie van de objectiviteit;

16.  benadrukt dat het belangrijk is de consument meer bewust te maken van de rol van het thuiskopiesysteem voor de vergoeding van kunstenaars en de verspreiding van cultuur; spoort de lidstaten en de rechthebbenden ertoe aan "positieve" campagnes op touw te zetten om te wijzen op de voordelen van de heffing voor kopiëren voor privégebruik;

17.  vindt dat de consument moet worden ingelicht over het bedrag, het doel en de aanwending van de heffingen die hij betaalt; beveelt de Commissie en de lidstaten daarom aan overleg te plegen met de fabrikanten, invoerders, kleinhandelaren en consumentenorganisaties en ervoor te zorgen dat die informatie duidelijk beschikbaar is voor de consument;

18.  spoort de lidstaten aan transparante vrijstellingsregels voor professioneel gebruik in te voeren, om er zeker van te zijn dat zulk gebruik ook in de praktijk vrijgesteld blijft van thuiskopieheffing, conform de rechtspraak van het Hof van Justitie;

19.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de thuiskopieheffing nooit hoeft te worden betaald wanneer de betrokken media voor professionele doeleinden worden gebruikt, en dat de verschillende regelingen voor terugbetaling van door professionele gebruikers betaalde heffingen worden vervangen door systemen die waarborgen dat deze professionele gebruikers a priori al niet tot betaling van de heffing zijn gehouden;

Transparantie met betrekking tot de toewijzing

20.  is ingenomen met de richtlijn betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten, die het Parlement en de Raad onlangs hebben aangenomen en waarmee wordt gestreefd naar een grotere transparantie van de geldstromen die door de organisaties voor collectief beheer geïnd, verdeeld en aan de rechthebbenden uitgekeerd worden, met name via de jaarlijkse publicatie van een transparantieverslag met inbegrip van een afzonderlijk hoofdstuk over het gebruik van de ingehouden bedragen voor sociale en culturele doeleinden;

21.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor een grotere transparantie over de toewijzing van de via de thuiskopieheffing geïnde opbrengsten;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan te bepalen dat ten minste 25 % van de bedragen die voortvloeien uit de heffing voor het kopiëren voor privégebruik, ter ondersteuning van scheppend werk en podiumkunsten en voor de productie daarvan moet worden aangewend;

23.  verzoekt de lidstaten om publicatie van verslagen in een open formaat waarin de aanwending van die bedragen wordt beschreven, alsmede van duidelijke gegevens;

24.  spoort de organisatoren van culturele evenementen en podiumkunsten, aan wie de thuiskopieheffing ten goede komt, ertoe aan hun doelpubliek meer bewust te maken van deze subsidies;

Technische beveiligingsvoorzieningen

25.  wijst erop dat de uitzondering voor kopiëren voor privégebruik de burgers het recht geeft hun audiovisuele en muziekrepertoire vrijelijk van de ene op de andere multimediadrager of van het ene op het andere toestel te kopiëren, zonder aan de rechthebbenden toestemming te vragen, voor zover het om privégebruik gaat;

26.  onderstreept dat met name in dit digitale tijdperk het aanbrengen van technische beveiligingsvoorzieningen moet worden toegestaan, om het evenwicht tussen de vrijheid van kopiëren voor privégebruik en uitsluitende auteursrechten te herstellen;

27.  benadrukt dat technische beveiligingsvoorzieningen de consument het kopiëren niet mogen beletten en de rechthebbende een billijke vergoeding voor kopieën voor privégebruik niet mogen doen ontgaan;

Licenties

28.  merkt op dat ondanks de ontwikkeling van toegang tot werken via streaming, het downloaden, opslaan en voor privégebruik kopiëren van inhoud gewoon doorgaat; is van mening dat de heffingsregeling voor het kopiëren voor privégebruik dan ook nog steeds relevant is in de onlineomgeving; beklemtoont echter dat altijd de voorkeur moet worden gegeven aan licentiemodellen, die aan alle rechthebbenden ten goede komen, als er geen kopieën van het auteursrechtelijk beschermde werk op dragers en apparatuur toegestaan zijn;

29.  onderstreept derhalve dat de uitzondering voor kopiëren voor privégebruik moet gelden voor bepaalde onlinediensten, met inbegrip van cloud-computingdiensten;

Nieuwe bedrijfsmodellen in de digitale omgeving

30.  verzoekt de Commissie om de gevolgen van cloud-computingdiensten, waarmee reproductie en opslag voor privédoeleinden mogelijk is, voor het thuiskopiestelsel na te gaan teneinde uit te maken of in de compensatieregelingen rekening moet worden gehouden met die kopieën van beschermde werken voor privégebruik en, zo ja, hoe;

o
o   o

31.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.

Laatst bijgewerkt op: 30 mei 2017Juridische mededeling