Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2004(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0159/2014

Ingediende teksten :

A7-0159/2014

Debatten :

PV 13/03/2014 - 10
CRE 13/03/2014 - 10

Stemmingen :

PV 13/03/2014 - 14.11

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0247

Aangenomen teksten
PDF 436kWORD 48k
Donderdag 13 maart 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Algemene richtsnoeren voor de begroting 2015 - Afdeling III
P7_TA(2014)0247A7-0159/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2014 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2015, afdeling III – Commissie (2014/2004(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 312 en 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1) ,

–  gezien het interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 2 december 2013 betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer(2) ,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(3) en de vier desbetreffende gezamenlijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie, evenals de gezamenlijke verklaring van het Parlement en de Commissie over betalingskredieten,

–  gezien titel II, hoofdstuk 7, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A7‑0159/2014),

De EU-begroting – burgers de nodige instrumenten bieden om uit de crisis te komen

1.  is van oordeel dat de Europese economie ondanks wat resterende tegenspoed enkele tekenen van herstel toont; erkent de aanhoudende economische en budgettaire beperkingen op nationaal niveau en de inspanningen van de lidstaten voor begrotingsconsolidatie, maar meent desondanks dat de Europese begroting deze tendens moet stimuleren door te voorzien in meer strategische investeringen met een Europese meerwaarde om de Europese economie terug op de rails te krijgen en duurzame groei en werkgelegenheid tot stand te brengen, zonder de bevordering van de concurrentiepositie en van de economische en sociale cohesie in de gehele EU uit het oog te verliezen;

2.  benadrukt met name het belang van de Europese structuur- en investeringsfondsen, die een van de grootste uitgavenposten binnen de EU-begroting vormen; onderstreept dat het cohesiebeleid van de EU van nut is geweest om de overheidsinvesteringen gaande te houden op vitale economische gebieden en in de praktijk tastbare resultaten heeft opgeleverd die de lidstaten en de regio's kunnen helpen om de huidige crisis te boven te komen en de Europa 2020-doelstellingen te behalen; beklemtoont dat burgers van de nodige instrumenten moeten worden voorzien om een uitweg uit de crisis te vinden; wijst er in dit verband op dat er voornamelijk moet worden geïnvesteerd in beleidsterreinen als onderwijs en mobiliteit, onderzoek en innovatie, kleine en middelgrote ondernemingen en ondernemerschap, om het concurrentievermogen van de EU een impuls te geven en de schepping van werkgelegenheid – met name voor jongeren en vijftigplussers – te stimuleren;

3.  hecht ook belang aan investeringen in andere gebieden, zoals hernieuwbare energie, de digitale agenda, infrastructuur, informatie- en communicatietechnologieën en grensoverschrijdende connectiviteit en meer en krachtiger gebruik van "innovatieve financiële instrumenten", in het bijzonder met betrekking tot langetermijninvesteringen; benadrukt dat de EU-industrie moet worden versterkt als centrale motor voor het creëren van banen en groei; dringt erop aan dat de nadruk op investeringen in innovatie moet liggen om een sterke, concurrerende en onafhankelijke EU-industrie te creëren;

4.  onderstreept hoe belangrijk het is dat er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor het extern optreden van de EU; herinnert aan de internationale verbintenis van de EU en haar lidstaten om tegen 2015 hun uitgaven voor officiële ontwikkelingshulp te verhogen tot 0,7 % van het BNI en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te bereiken;

5.  onderstreept het belang te zorgen voor de best mogelijke coördinatie tussen de verschillende middelen van de Unie enerzijds en tussen de middelen van de Unie en de op nationaal niveau gedane uitgaven anderzijds, teneinde optimaal gebruik te maken van overheidsgeld;

6.  herinnert aan de recente overeenkomst met betrekking tot het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020, waarin de kernthema's voor de jaarbegrotingen tot 2020 zijn vastgesteld; benadrukt dat iedere jaarbegroting in overeenstemming moet zijn met de MFK-verordening en de interinstitutionele overeenkomst, en niet mag worden beschouwd als excuus om opnieuw over het MFK te onderhandelen; verwacht dat de Raad niet zal proberen beperkte interpretaties van specifieke bepalingen op te leggen, in het bijzonder met betrekking tot de aard en omvang van bijzondere instrumenten; herhaalt zijn voornemen om ten volle gebruik te maken van alle middelen die de begrotingsautoriteit ter beschikking staan binnen het kader van de jaarbegrotingsprocedure om de EU-begroting van de nodige flexibiliteit te voorzien;

7.  benadrukt dat 2015, als tweede jaar van het MFK, belangrijk zal zijn voor een geslaagde uitvoering van de nieuwe meerjarige programma's 2014-2020; onderstreept dat alle programma's zo spoedig mogelijk volledig operationeel moeten zijn om de uitvoering van belangrijk EU-beleid niet in de weg te staan; merkt op dat de begroting 2015 in reële termen kleiner zal zijn dan de begroting 2013; dringt er in dit verband bij de Commissie en de lidstaten op aan zich tot het uiterste in te spannen om alle partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's in 2014 spoedig vast te stellen, om geen verdere tijd te verliezen bij de uitvoering van de nieuwe investeringsprogramma's; onderstreept hoe belangrijk het is dat de Commissie de nationale overheden tijdens alle stadia van het proces volledig ondersteunt;

8.  herinnert aan de binnen het MFK gesloten overeenkomst – die in de begroting 2014 voor het eerst ten uitvoer wordt gelegd – om toezeggingen voor specifieke beleidsdoelstellingen met betrekking tot jeugdwerkgelegenheid, onderzoek, Erasmus+ (met name voor leercontracten) en kmo's naar voren te halen; wijst erop dat, als onderdeel van de MFK-overeenkomst, een vergelijkbare aanpak moet worden gevolgd voor de begroting 2015 door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (871,4 miljoen EUR in prijzen van 2011), Erasmus+ en COSME (20 miljoen EUR ieder in prijzen van 2011) naar voren te halen; maakt zich grote zorgen over de financiering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief na 2015 en verzoekt om alle financieringsmogelijkheden, met inbegrip van de totale marge voor de MFK-verplichtingen, hiervoor in overweging te nemen;

9.  uit evenwel zijn bezorgdheid over de mogelijke schadelijke effecten van verder uitstel van het energieprogramma van de Connecting Europe-faciliteit in 2015, en verzoekt de Commissie adequate informatie te verstrekken over de gevolgen die deze beslissing zou hebben voor de succesvolle start van dit nieuwe programma;

10.  benadrukt de toegevoegde waarde van het naar voren halen van de investeringen in deze programma's om Europese burgers uit de crisis te helpen; verzoekt de Commissie voorts na te gaan welke overige programma's baat zouden hebben bij een vervroegde uitvoering, bij zouden kunnen dragen aan deze doelstelling en in staat zouden zijn de aanvullende kredieten volledig op te nemen;

11.  beklemtoont dat de laatste conclusies van de Europese Raad (19 en 20 december 2013) over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en migratiestromen gevolgen zullen hebben voor de EU-begroting; herhaalt zijn standpunt dat alle door de Europese Raad overeengekomen aanvullende projecten gefinancierd moeten worden met aanvullende middelen, en niet door te bezuinigen op bestaande programma's en instrumenten, noch door aanvullende taken toe te wijzen aan instellingen of andere EU‑organen die al op de grens van hun capaciteiten functioneren;

12.  wijst op de belangrijke rol van gedecentraliseerde agentschappen, die van essentieel belang zijn voor de uitvoering van EU-beleid en -programma's; merkt op dat zij schaalvoordelen kunnen realiseren door de uitgaven te spreiden die anders door elke lidstaat zouden zijn gedaan, waarbij hetzelfde resultaat zou zijn bereikt; onderstreept dat de begroting en de personele middelen van alle agentschappen per geval moeten worden beoordeeld en dat zij zowel in de begroting 2015 als in de komende jaren van voldoende financiële en personele middelen moeten worden voorzien, zodat zij de door de wetgevende autoriteit toegewezen taken naar behoren kunnen vervullen; benadrukt daarom dat de mededeling van de Commissie "Programmering 2014-2020 van de personeels- en financiële middelen voor de gedecentraliseerde agentschappen" (COM(2013)0519) niet de basis mag vormen voor de ontwerpbegroting voor agentschappen; benadrukt voorts de belangrijke rol van de nieuwe interinstitutionele werkgroep voor gedecentraliseerde agentschappen, die nauwlettender en permanenter toezicht moet houden op de ontwikkeling van agentschappen om een coherente benadering te waarborgen; verwacht dat deze werkgroep zijn eerste bevindingen tijdig zal indienen, voordat het Parlement aan de lezing van de begroting begint;

13.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring over speciale vertegenwoordigers van de EU, waarin het Parlement en de Raad overeenkwamen de overschrijving van kredieten voor speciale vertegenwoordigers van de EU van de begroting van de Commissie (afdeling III) naar de begroting van de Europese Dienst voor extern optreden (afdeling X) te bestuderen in het kader van de begrotingsprocedure 2015;

Betalingskredieten – de EU moet aan haar juridische en politieke verbintenissen voldoen

14.  brengt in herinnering dat de voor de begroting 2014 overeengekomen betalingskredieten over het algemeen onder het noodzakelijk geachte niveau blijven, alsook onder het door de Commissie in haar oorspronkelijke ontwerpbegroting voorgestelde niveau; merkt op dat de Commissie, zoals bepaald in de nieuwe MFK-verordening en de nieuwe totale betalingsmarge, het betalingsmaximum in 2015 naar boven moet bijstellen met een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen de uitgevoerde betalingen voor 2014 en het MFK-betalingsmaximum voor 2014; is zeer verontrust dat het ongekende bedrag aan openstaande rekeningen aan het eind van 2013 – al zo'n 23,4 miljard EUR onder rubriek 1b alleen – niet binnen de maxima voor 2014 kan worden gedekt; verzoekt dat de passende flexibiliteitsmechanismen voor betalingen in 2014 worden gemobiliseerd, en benadrukt dat zelfs dit naar verwachting niet zal volstaan om eind 2014 een grote achterstand in de uitvoering te voorkomen; onderstreept dat het steeds terugkerende tekort aan betalingskredieten, met name de afgelopen jaren, de belangrijkste oorzaak is van het ongekend hoge bedrag aan uitstaande betalingsverplichtingen;

15.  wijst erop dat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie er overeenkomstig het Verdrag(4) op toezien dat "de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee zij haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen"; verwacht van de Commissie dat zij voldoende betalingskredieten voorstelt in haar ontwerpbegroting, aan de hand van reële prognoses en niet ingegeven door politieke overwegingen;

16.  dringt erop aan alle middelen in te zetten die uit hoofde van de MFK-verordening beschikbaar zijn, met inbegrip van de marge voor onvoorziene uitgaven en, indien de aanhoudende noodzaak daarvan wordt aangetoond en alleen als laatste toevlucht, een herziening van het maximum voor betalingen, teneinde aan de wettelijke verplichtingen van de Unie te voldoen en de betalingen aan belanghebbenden, zoals onderzoekers, universiteiten, humanitaire hulporganisaties, lokale overheden en kmo's, niet in gevaar te brengen of uit te stellen en tegelijkertijd het bedrag van de aan het eind van het jaar openstaande betalingen te reduceren;

17.  benadrukt dat de betalingen van alle bijzondere instrumenten (het flexibiliteitsinstrument, de marge voor onvoorziene uitgaven, het Solidariteitsfonds van de EU, het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering en Reserve voor noodhulp) boven of buiten het betalingsmaximum van het MFK in de begroting moeten worden opgenomen;

18.  verzoekt de Commissie, gezien de alarmerende situatie van de betalingskredieten op het terrein van humanitaire hulp meteen al aan het begin van 2014 en met name gezien de achterstand waarbij 160 miljoen euro aan betalingskredieten voor humanitaire hulp is overgedragen van 2013 naar 2014, om alle nodige maatregelen te nemen en zo snel mogelijk te reageren teneinde de goede uitvoering van de humanitaire hulp van de EU in 2014 te waarborgen; benadrukt dat het bedrag aan betalingskredieten voor humanitaire hulp in overeenstemming moet blijven met de vermoedelijke groei van vastleggingskredieten, en dat dit in ogenschouw moet worden genomen voor de ontwerpbegroting voor 2015;

19.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring over betalingskredieten en de bilaterale verklaring van het Parlement en de Commissie in het kader van de overeenkomst betreffende de begroting 2014; verzoekt de Commissie de begrotingsautoriteit in de loop van dit jaar volledig op de hoogte te houden van de ontwikkeling van betalingen en uitstaande betalingsverplichtingen, en pleit voor regelmatige interinstitutionele vergaderingen om de betalingssituatie nauwlettend te volgen;

o
o   o

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(2) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(3) PB L 51 van 20.2.2014.
(4) Artikel 323 VWEU.

Laatst bijgewerkt op: 5 september 2017Juridische mededeling