Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2014/2694(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0399/2014

Debatten :

PV 17/04/2014 - 13.1
CRE 17/04/2014 - 13.1

Stemmingen :

PV 17/04/2014 - 14.1

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0460

Aangenomen teksten
PDF 128kWORD 49k
Donderdag 17 april 2014 - Straatsburg Definitieve uitgave
Pakistan: recente gevallen van vervolging
P7_TA(2014)0460B7-0399, 0401, 0403, 0405 en 0410/2014

Resolutie van het Europees Parlement van 17 april 2014 over Pakistan: recente gevallen van vervolging (2014/2694(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn vorige resoluties over mensenrechten en democratie in Pakistan, met name die van 12 maart 2014 over de regionale rol van Pakistan en de politieke betrekkingen met de EU(1) , die van 10 oktober 2013 over recente gevallen van geweld tegen en vervolgingen van christenen, vooral in Peshawar(2) , die van 10 maart 2011 over Pakistan, met name de moord op Shahbaz Bhatti(3) , die van 20 januari 2011 over de situatie van christenen in de context van vrijheid van godsdienst(4) en die van 20 mei over godsdienstvrijheid in Pakistan(5) ,

–  gezien artikel 18 van Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de EU / hoge vertegenwoordiger van de EU, Catherine Ashton, over de aanval op de christelijke gemeenschap in Peshawar van 23 september 2013, en over de moord op Shahbaz Bhatti van 2 maart 2011,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie en overtuiging van 1981,

–  gezien de verslagen van de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst of overtuiging,

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van godsdienst en overtuiging en het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten (addendum: werkbezoek aan Pakistan), van 4 april 2013,

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over het jaarverslag inzake mensenrechten en democratie in de wereld 2012 en het beleid van de Europese Unie ter zake(6) , waarin de vervolging van christenen en andere religieuze minderheden wordt veroordeeld,

–  gezien het vijfjarig inzetplan EU-Pakistan van maart 2012, met daarin prioriteiten zoals goed bestuur en de mensenrechtendialoog, alsmede de hier nauw op aansluitende tweede strategische dialoog EU-Pakistan van 25 maart 2014,

–  gezien de conclusies van de Raad over Pakistan van 11 maart 2013, waarin wordt herinnerd aan de verwachtingen van de EU wat betreft de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten en waarin alle gewelddaden, zo ook tegen religieuze minderheden, worden veroordeeld(7) ,

–  gezien artikel 122, lid 5, en artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een christelijk stel, Shafqat Emmanuel en Shagufta Kausar, op 4 april 2014 ter dood was veroordeeld omdat zij een sms zouden hebben gestuurd waarin zij zich beledigend hadden uitgelaten over profeet Mohammed; overwegende dat het stel elke verantwoordelijkheid heeft ontkend en heeft verklaard dat ze de telefoon waarvan de sms afkomstig was geruime tijd voordat het bericht was verstuurd waren kwijtgeraakt;

B.  overwegende dat Sawan Masih, een Pakistaanse christen uit Lahore, op 27 maart 2014 ter dood was veroordeeld wegens godslastering gericht tegen de profeet Mohammed; overwegende dat de aankondiging dat Masih in staat van beschuldiging zou worden gesteld aanleiding gaf tot hevige rellen in Joseph Colony, een christelijke wijk in de stad Lahore, waar veel gebouwen, waaronder twee kerken, werden afgebrand;

C.  overwegende dat Asia Bibi, een christelijke vrouw uit Punjab, in juni 2009 was gearresteerd en in november 2010 de doodstraf kreeg vanwege vermeende godslastering; overwegende dat na ettelijke jaren haar beroep eindelijk het hooggerechtshof van Lahore heeft bereikt; overwegende dat bij de twee eerste zittingen in januari en maart 2014 de hoofdrechters met verlof leken te zijn;

D.  overwegende dat in 2012 het veertienjarige christelijke meisje Rimsha Masih, dat ten onrechte was veroordeeld voor het ontheiligen van de Koran, was vrijgelaten nadat ze bleek te zijn misleid, waarna de verantwoordelijke persoon gearresteerd werd; overwegende dat zij en haar familie het land echter wel moesten verlaten;

E.  overwegende dat christenen, die ongeveer 1,6 % van de bevolking van de Islamitische Republiek Pakistan vormen, lijden onder vooroordelen en her en der oplaaiend straatgeweld; overwegende dat de meerderheid van de Pakistaanse christenen een precair bestaan leidt en vaak vreest voor aantijgingen van godslastering, hetgeen uitbarstingen van publiek geweld kan veroorzaken; overwegende dat verscheidene andere christenen momenteel in de gevangenis zitten vanwege vermeende godslastering;

F.  overwegende dat Mohammad Asghar, een in Pakistan wonend Brits staatsburger met een psychische aandoening, gearresteerd was nadat hij brieven zou hebben gestuurd naar allerlei overheidsfunctionarissen waarin hij beweerde dat hij een profeet was, en in januari 2014 ter dood veroordeeld werd;

G.  overwegende dat een andere Britse staatsburger, de 72-jarige Masood Ahmad, lid van de religieuze gemeenschap Ahmaddiya, onlangs pas op borgtocht is vrijgelaten nadat hij in 2012 was gearresteerd op beschuldiging van citeren uit de Koran, dat als godslastering wordt beschouwd bij Ahmadi's, die niet worden erkend als moslims en zich daarom niet mogen "gedragen als moslims" krachtens afdeling 298-C van het strafwetboek;

H.  overwegende dat er de afgelopen maanden aanvallen zijn gepleegd op vijf hindoeïstische tempels in verschillende delen van Sindh (in Tharparkar, Hyderabad en Larkana) en dat drie hindoeïstische jongens zijn beschuldigd van godslastering en momenteel onder arrest staan in Badin (Sindh) omdat ze met verf een paar tekens hadden opgespoten ter gelegenheid van Holi (hindoeïstisch kleurenfestival);

I.  overwegende dat er nu vooral onder de leden van de gemeenschappen Shia en Hazara dagelijks mensen het slachtoffer worden van moorden en geforceerde migratie vanwege de toename van het sektarisch geweld in Pakistan; overwegende dat volgens de berichtgeving ook meer dan 10 000 hindoes de provincie zijn ontvlucht, aangezien ontvoeringen in ruil voor losgeld de laatste drie jaar aan de orde van de dag zijn geworden;

J.  overwegende dat het wegens de godslasteringswetten in Pakistan gevaarlijk is voor religieuze minderheden zich vrij te uiten of in het openbaar aan religieuze activiteiten deel te nemen; overwegende dat er sinds een aantal jaar wereldwijd bezorgdheid heerst over de toepassing van deze wet, omdat beschuldigingen vaak worden ingegeven door het vereffenen van rekeningen, winstbejag of religieuze intolerantie, en een cultuur van gewelddadig optreden door burgers hebben aangewakkerd, wat mensenmenigten een platform biedt voor intimidatie en aanvallen; overwegende dat Pakistan door VN-mensenrechteninstanties is verzocht de wetten inzake godslastering in te trekken of op zijn minst onmiddellijk waarborgen in te stellen om te voorkomen dat er misbruik wordt gemaakt van de wet om burgers, die vaak afkomstig zijn uit minderheidsgemeenschappen, tot slachtoffer te maken;

K.  overwegende dat er alleen al in 2013 honderden eermoorden gemeld zijn; overwegende dat deze moorden slechts de meest zichtbare agressie tegen vrouwen vormen, gezien het permanent grote aantal slachtoffers van huiselijk geweld en gedwongen huwelijken;

L.  overwegende dat Pakistan een belangrijke rol speelt in het bevorderen van de stabiliteit in Zuid-Azië en daarom het voortouw moet nemen in het versterken van de beginselen van de rechtsstaat en de mensenrechten;

M.  overwegende dat de Europese Unie Pakistan onlangs de GSP+-status heeft toegekend, gezien de tenuitvoerlegging van de toepasselijke mensenrechtenverdragen;

1.  toont zich zeer verontrust over de sterke toename van sektarisch geweld en religieuze intolerantie ten opzichte van minderheden, en aanvallen op gebedshuizen, waaronder christelijke kerken, en de voortdurende onderdrukking van vrouwen in Pakistan;

2.  maakt zich zorgen over de effecten die zulk geweld heeft op de toekomstige ontwikkeling van de Pakistaanse samenleving als geheel gezien de sociaal-economische uitdagingen waarmee het land te kampen heeft; benadrukt dat het op de lange termijn van belang is voor Pakistan dat alle burgers zich veiliger voelen;

3.  uit zijn diepe bezorgdheid over het feit dat de controversiële godslasteringswetten zodanig kunnen worden misbruikt dat personen van elk geloof in Pakistan daarmee te maken kunnen krijgen; uit zijn specifieke bezorgdheid over het feit dat de toepassing van de godslasteringswetten, waartegen wijlen minister Shahbaz Bhatti en wijlen gouverneur Salman Taseer gekant waren, momenteel steeds vaker wordt ingezet tegen christenen en andere religieuze minderheden in Pakistan;

4.  herinnert de Pakistaanse autoriteiten aan hun verplichting uit hoofde van het internationaal recht om vrijheid van meningsuiting, gedachte, geweten, godsdienst en overtuiging te eerbiedigen; verzoekt de Pakistaanse autoriteiten gevangenen vrij te laten die zijn veroordeeld op grond van godslastering, en de doodstraffen in hoger beroep nietig te verklaren; verzoekt de Pakistaanse autoriteiten de onafhankelijkheid van de rechtbanken, de beginselen van de rechtsstaat en deugdelijke processen te garanderen, in overeenstemming met internationale normen over gerechtelijke procedures; verzoekt de Pakistaanse autoriteiten daarnaast om voldoende bescherming te bieden aan degenen die betrokken zijn bij godslasteringsprocessen, onder andere door rechters te behoeden voor druk van buitenaf, de beklaagden en hun families en gemeenschappen te beschermen tegen straatgeweld en oplossingen te bieden aan de mensen die vrijgesproken zijn maar niet terug kunnen keren naar hun woonplaats;

5.  veroordeelt onder alle omstandigheden de toepassing van de doodstraf sterk; verzoekt de regering van Pakistan het feitelijke moratorium op de doodstraf dringend om te zetten in de daadwerkelijke afschaffing van de doodstraf;

6.  roept de regering van Pakistan op een grondige herziening van de godslasteringswetten en de huidige toepassing daarvan uit te voeren – als vastgelegd in afdelingen 295 en 298 van het strafwetboek – voor vermeende daden van godslastering, vooral gezien de doodstraffen die onlangs zijn opgelegd; spoort de regering aan weerstand te bieden aan de druk van religieuze groeperingen en bepaalde politieke oppositiekrachten om deze wetten te handhaven;

7.  doet een beroep op de regering om de hervormingen van de madrassa's te versnellen door een basisleerplan op te stellen dat voldoet aan internationale normen, met bijzondere nadruk op het verwijderen van haatdragend materiaal uit de lesplannen, en tolerantie ten opzichte van gemeenschappen en godsdiensten op te nemen in het lesmateriaal; roept de Commissie op werk te maken van eerdere verzoeken om herziening van door de EU gefinancierde tekstboeken met haatdragend taalgebruik erin;

8.  doet een dringend beroep op de regering en het parlement van Pakistan om hervormingen door te voeren in het officiële rechtsstelsel om het gebruik van informele rechtsmiddelen als jirgas en panchayats te ontmoedigen, en de financiële en personele middelen van de rechterlijke macht aanzienlijk te verhogen, vooral op het niveau van gerechten in eerste aanleg;

9.  veroordeelt alle gewelddaden tegen religieuze gemeenschappen en alle vormen van discriminatie en onverdraagzaamheid op grond van godsdienst en levensbeschouwing ten stelligste; verzoekt de regering van Pakistan in te grijpen om slachtoffers van religieus geënt straatgeweld te beschermen, en om met name openbare haatdragende taal te verbieden, en spoort alle Pakistani aan zich samen hard te maken voor het bevorderen en garanderen van tolerantie en wederzijds begrip; dringt er bij de Pakistaanse autoriteiten op aan de personen te vervolgen die verantwoordelijk zijn voor het aanzetten tot haat en valse beschuldigingen van godslastering;

10.  herinnert eraan dat de vrijheid van godsdienst en de rechten van minderheden worden gewaarborgd in de grondwet van Pakistan; is verheugd over de maatregelen die de Pakistaanse regering sinds november 2008 heeft genomen in het belang van religieuze minderheden, zoals de invoering van een quotum van 5 % voor minderheden op overheidsposten, de erkenning van niet-islamitische feestdagen en het uitroepen van een nationale dag van de minderheden;

11.  dringt er echter bij de regering van Pakistan op aan zich meer in te spannen voor een beter begrip tussen de verschillende geloofsgemeenschappen, religieuze vijandigheid door maatschappelijke actoren actief aan te pakken, religieuze intolerantie, gewelddaden en intimidatie te bestrijden en op te treden tegen de perceptie van straffeloosheid;

12.  is zeer verontrust over de benarde positie van vrouwen en meisjes bij minderheden, die het vaak dubbel zo zwaar hebben, vooral als gevolg van de praktijk van gedwongen bekering en gericht seksueel geweld; dringt er bij de Pakistaanse autoriteiten op aan de bescherming, strafvordering en schadeloosstellingen te verbeteren;

13.  benadrukt dat het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst een fundamenteel mensenrecht is; maakt zich zorgen over de nieuwe tendens in Pakistan om de vrijheid van gedachte, meningsuiting en informatie in te perken door drukbezochte internetdiensten te blokkeren en te controleren; verzoekt de regering geen censuur meer uit te oefenen op internet en zowel het ontwerp van wetgeving inzake terrorismebestrijding als inzake ngo's te herzien, waardoor de onafhankelijkheid en het vrije functioneren van ngo's aanzienlijk beknot zouden worden, en wat zou kunnen leiden tot het einde van de werkzaamheden van ngo's in Pakistan met internationale contacten;

14.  benadrukt de belangrijke rol die Pakistan speelt bij het bevorderen van stabiliteit in de hele regio; spoort Pakistaan aan een constructieve rol op zich te nemen bij het bevorderen van een veilig Afghanistan, en dringt er daarom bij de Pakistaanse regering op aan de eerbiediging van fundamentele mensenrechten in eigen land en in de hele regio te versterken;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de regering en het parlement van Pakistan.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0208.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0422.
(3) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 179.
(4) PB C 136 E van 11.5.2012, blz. 53.
(5) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 147.
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0575.
(7) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/135946.pdf

Laatst bijgewerkt op: 9 oktober 2018Juridische mededeling