De Bulgaarse autoriteiten hebben onlangs de antiterrorismewet gebruikt om twee leden van de jeugdorganisatie "Verzetsbeweging 23 september", V. Triskov en S. Antonov, die op 11 december waren gearresteerd en zonder pardon in elkaar waren geslagen, in voorarrest te houden, tijdens 96 uren, zonder enig bezoekrecht, omdat zij posters aan het opplakken waren voor een demonstratie tegen de aanwezigheid van buitenlandse bases in Bulgarije.
Veroordeelt de Raad de arrestatie en mishandeling van twee jongeren door de Bulgaarse politiediensten, het gebruik van de antiterrorismewet voor het plakken van posters, het algemene verbod op het brengen van een bezoek gedurende vier dagen voor advocaten, ouders en zelfs parlementsleden? Is de Raad voornemens initiatieven te ontplooien om een eind te maken aan het willekeurige en autoritaire optreden van autoriteiten die, in naam van bestrijding van terrorisme, de mensenrechten en de burgerlijke vrijheden met voeten treden in de lidstaten, maar ook in kandidaat-lidstaten?
Het onderstaande antwoord, dat door het voorzitterschap is uitgewerkt en noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, werd tijdens het vragenuur van de Raad in de plenaire vergadering van het Europees Parlement in januari 2006 in Straatsburg niet mondeling gegeven.
Zoals de geachte afgevaardigde weet, heeft de Unie het toetredingsverdrag met Bulgarije op 25 april 2005 getekend op grond van het feit dat dit land onverminderd aan de toetredingscriteria van Kopenhagen voldoet, waaronder met name de politieke criteria, waarin de eis is vervat tot naleving van de mensenrechten en het beginsel van de rechtsstaat. Desondanks is Bulgarije niet alleen verplicht deze situatie te handhaven; het land moet ook vorderingen maken, wat op een aantal gebieden nog altijd mogelijk is, zoals de Commissie in haar omvangrijke monitoringverslag van 2005 heeft vastgesteld. Er zij op gewezen dat de Unie tot op de dag van de toetreding de vorderingen van Bulgarije bij de volledige omzetting van het acquis communautaire nauwlettend zal volgen.
De Raad is op de hoogte van het door de geachte afgevaardigde gememoreerde voorval. Eerst zullen echter de resultaten moeten worden afgewacht van een uitgebreid en diepgaand onderzoek. In algemene zin verwacht de Unie van Bulgarije dat het doorgaat met de omzetting en uitvoering van het acquis en zijn internationale verplichtingen zal blijven vervullen, met name zijn verplichtingen uit hoofde van de Raad van Europa en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Alle gevallen waarin politieagenten worden verdacht van misbruik van hun bevoegdheden of mishandeling van gearresteerde personen dienen onmiddellijk diepgaand te worden onderzocht en indien bewezen moeten de daders door de bevoegde instanties streng worden gestraft.
Vraag nr. 15 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-1143/05)
Betreft: Schandalen en misstanden rond levensmiddelen in de EU
In de EU hebben zich de afgelopen dagen een groot aantal levensmiddelenschandalen voorgedaan. De bevoegde Italiaanse dienst NAS heeft gemeld dat daar rotte eieren, die als gevaarlijk hadden moeten worden vernietigd, door levensmiddelenbedrijven 'gewoon' zijn gebruikt; 32 miljoen eieren zijn in beslag genomen. In het buurland Griekenland heeft de EFET (Keuringsdienst van Waren) ontdekt dat de meeste etiketten op gepasteuriseerde melk in poedervorm (85%) misleidend zijn voor de consument wat betreft de oorsprong en de herkomst van het product.
Is de Raad van plan om, gezien het toenemende aantal misstanden, een initiatief te ontwikkelen om iets aan dit verschijnsel te doen; de bescherming van de Europese consument (tegen oneerlijke praktijken, bedrog, levensmiddelenvervalsing, misleiding) is immers één van de prioriteiten van het Europees levensmiddelenbeleid? Acht de Raad de acties en de werking van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid doeltreffend? Is de Raad van plan de Commissie voor te stellen nauw samen te werken met de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en de bevoegde autoriteiten in de lidstaten (zoals voorzien in Verordening (EG) nr. 178/2002(1)), met als doel het bieden van wetenschappelijke en technische steun met het oog op het beperken van het genoemde fenomeen?
Het onderstaande antwoord, dat door het voorzitterschap is uitgewerkt en noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, werd tijdens het vragenuur van de Raad in de plenaire vergadering van het Europees Parlement in januari 2006 in Straatsburg niet mondeling gegeven.
Om te beginnen wil ik mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou bedanken voor deze uiterst relevante vraag. Aan het einde van het vorige decennium zijn de communautaire stelsels ter waarborging van de voedselveiligheid op ongekende wijze op de proef gesteld als gevolg van crises op het gebied van voeder en levensmiddelen. Deze crises hebben tekortkomingen aan het licht gebracht waartegen door de bevoegde organen – met name op het niveau van de Commissie, de lidstaten en het Parlement – onverwijld maatregelen genomen moesten worden om de bestaande stelsels te versterken, verbeteren en verder te ontwikkelen. Met de oprichting van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hebben het Europees Parlement en de Raad in 2002 een belangrijke stap gezet. De autoriteit fungeert als onafhankelijk adviesorgaan voor vraagstukken inzake voedselveiligheid en draagt daarmee bij aan een hoger beschermingsniveau op dit gebied voor de consumenten. Teneinde de efficiëntie van haar activiteiten verder te verbeteren werkt de EFSA nauw samen met nationale wetenschappelijke bureaus en instellingen die zich bezighouden met de veiligheid van levensmiddelen. Daarnaast verlenen de Raad en de lidstaten actieve steun aan de Autoriteit door haar te voorzien van de nodige financiële en personele middelen en volledig rekening te houden met haar bevindingen.
Voorts zij erop gewezen dat de verordening van het Europees Parlement en de Raad van 2002 tot oprichting van de Autoriteit ook voorzag in de oprichting van een Adviesforum die de Autoriteit moet bijstaan, samengesteld uit vertegenwoordigers van bevoegde instellingen in de lidstaten die een vergelijkbare functie vervullen als de Autoriteit.
Dit Adviesforum, dat drie à vier maal per jaar bijeenkomt, biedt de mogelijkheid om informatie uit te wisselen over eventuele risico's met levensmiddelen en de nieuwste inzichten op voedselgebied te bundelen.
Het Europees Parlement en de Raad zullen de komende maanden door de Commissie op de hoogte worden gehouden van de resultaten van een onafhankelijk onderzoek waarin de balans wordt opgemaakt van de prestaties van de Autoriteit tot dusver, alsmede van eventuele aanbevelingen voor een verbetering van haar werkmethoden.
Welke lessen heeft de Raad tot nu geleerd van de pogingen om een financieel kader voor 6 jaar overeen te komen? Kan de Raad, gezien het feit dat over zes jaar het Ierse en Cypriotische voorzitterschap dezelfde verantwoordelijkheid zullen hebben, aangeven welke valkuilen daarbij met name kunnen optreden?
Het onderstaande antwoord, dat door het voorzitterschap is uitgewerkt en noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, werd tijdens het vragenuur van de Raad in de plenaire vergadering van het Europees Parlement in januari 2006 in Straatsburg niet mondeling gegeven.
De Raad heeft zich nog niet over dit vraagstuk gebogen. Er kunnen in dit stadium dus geen samenvattende conclusies worden getrokken.
Alcohol is een van de factoren die een bijzonder ongunstige uitwerking hebben op de volksgezondheid in de EU. Binnenkort is het vijf jaar geleden dat de Raad in de conclusies van de Top van Gotenburg daarom heeft verklaard voor de Unie een strategie voor het alcoholbeleid te wensen. Deze strategie is nog steeds niet ingediend. Hoe denkt de Raad zich ervan te vergewissen dat het niet langer dan vijf jaar duurt voordat de strategie wordt voorgesteld en hoe denkt het Oostenrijkse voorzitterschap de strategie, als deze eenmaal is bekend gemaakt, te benaderen zodat deze het beleid van de Unie zichtbaar beïnvloedt?
Het onderstaande antwoord, dat door het voorzitterschap is uitgewerkt en noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, werd tijdens het vragenuur van de Raad in de plenaire vergadering van het Europees Parlement in januari 2006 in Straatsburg niet mondeling gegeven.
De Raad dankt de geachte afgevaardigde voor haar vraag.
De Raad geeft dit belangrijke vraagstuk de aandacht die het verdient en heeft al enige tijd geleden de Commissie verzocht de inspanningen van de lidstaten te ondersteunen. Naar verluidt verwacht de Commissie in april 2006 goedkeuring te hechten aan de mededeling over de EU-strategie voor het alcoholbeleid om deze vervolgens in te dienen bij de Raad en het Europees Parlement.
Teneinde een goed vervolg te geven aan deze mededeling, is de EU-strategie voor het alcoholbeleid in het ontwerp van het jaarprogramma van de Raad voor 2006, dat het Oostenrijkse en Finse voorzitterschap gezamenlijk hebben uitgewerkt, aangeduid als een thema dat door de Raad met voorrang moet worden behandeld.
In de ontwerpagenda voor de vergadering van de Raad betreffende "Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Gezondheid en Consumentenbescherming", die op 1 en 2 juni 2006 wordt gehouden, is derhalve ruimte vrijgemaakt voor een gedachtewisseling tussen de ministers over de mededeling van de Commissie volgend op de overhandiging daarvan aan de Raad.
Het ontwerpverdrag voor een Grondwet van de EU is in Frankrijk en Nederland verworpen. Voor de inwerkingtreding van dat verdrag is unanieme goedkeuring vereist, om welke reden het voorstel in geen enkel ander land in werking kan treden. Is de regering van de als voorzitter fungerende lidstaat bereid dit feit te aanvaarden of is zij voornemens de verworpen grondwet weer tot leven te wekken?
Het onderstaande antwoord, dat door het voorzitterschap is uitgewerkt en noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, werd tijdens het vragenuur van de Raad in de plenaire vergadering van het Europees Parlement in januari 2006 in Straatsburg niet mondeling gegeven.
Het voorzitterschap zelf kan geen besluiten nemen aangaande het Grondwetsverdrag. Overeenkomstig de verklaring die de staatshoofden en regeringsleiders hebben afgelegd op de zitting van de Europese Raad van 16 en 17 juni 2005 zal er in juni 2006 nochtans een algehele evaluatie van het vraagstuk worden gemaakt op basis van de uitkomsten van de brede debatten die in de lidstaten worden gevoerd over de toekomst van Europa. Er wordt dan ook een besluit genomen over de voortzetting van het proces. Wij zullen bij het maken van deze evaluatie uiterst zorgvuldig te werk gaan en volkomen onpartijdig opereren. Aangezien de debatten in de lidstaten nog gaande zijn, dient het voorzitterschap in dit stadium niet vooruit te lopen op de mogelijke uitkomst.
Een van de doelstellingen van het Britse Raadsvoorzitterschap was de Raad dichter bij de burger te brengen. Zijn er op de Raadsbijeenkomsten in december besluiten genomen met het oog op de uitvoering van een actieplan om de Raad dichter bij de burger te brengen? Zo ja, welke stappen zullen er dan nu volgen?
Het onderstaande antwoord, dat door het voorzitterschap is uitgewerkt en noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, werd tijdens het vragenuur van de Raad in de plenaire vergadering van het Europees Parlement in januari 2006 in Straatsburg niet mondeling gegeven.
Het voorzitterschap kan de geachte afgevaardigde bevestigen dat onder het Britse voorzitterschap vorderingen zijn gemaakt met het streven om de Raad dichter bij de burgers te brengen. De Raad heeft in dit verband op zijn vergadering van 21 december 2005 een reeks van conclusies betreffende meer openheid en transparantie aangenomen(1).
In deze conclusies wordt bepaald dat de gang van zaken op in totaal vijf punten wordt gewijzigd:
In alle gevallen waarin de Commissie tijdens de Raadszitting een wetgevingsvoorstel in het kader van de medebeslissingsprocedure mondeling presenteert, zijn deze presentatie en het daaropvolgende debat voor het publiek toegankelijk (nummer 1 van de conclusies van de Raad).
Tot dusver waren de beraadslagingen over de belangrijkste wetgevingsvoorstellen van de Commissie slechts beperkt openbaar.
De afsluitende beraadslagingen van de Raad over wetgevingsvoorstellen in het kader van de medebeslissingsprocedure, dat wil zeggen alle debatten die plaatsvinden nadat de andere instellingen en instanties advies hebben uitgebracht, zijn openbaar (nummer 2 van de conclusies van de Raad).
In de praktijk betekent dit dat het aantal openbare beraadslagingen over de desbetreffende wetgevingsvoorstellen met ongeveer 20 procent zal toenemen.
Het Coreper kan bij het opstellen van de agenda voor Raadszittingen overwegen om andere onder de medebeslissingsprocedure vallende dossiers in het openbaar te behandelen (nummer 3 van de conclusies van de Raad).
Dat betekent dat openbare beraadslagingen over onder de medebeslissingsprocedure vallende dossiers niet enkel in het begin- en eindstadium mogelijk zijn, maar ook tussentijds.
De Raad zal in de toekomst meer openbare debatten houden over andere belangrijke nieuwe wetgevingsvoorstellen, dat wil zeggen over wetgevingsvoorstellen die niet onder de medebeslissingsprocedure vallen (nummer 5 van de conclusies van de Raad).
Krachtens het vigerende reglement van orde van de Raad houdt de Raad ten minste één openbaar debat over wetgevingsvoorstellen die niet onder de medebeslissingsprocedure vallen; in de toekomst zullen dat er meer zijn.
De Raad kan besluiten dat andere niet-wetgevingspunten die verband houden met gewichtige aangelegenheden die de belangen van de Unie en haar burgers raken, in het openbaar worden behandeld (nummer 6 van de conclusies van de Raad).
In artikel 8, lid 3, van het reglement van orde van de Raad is reeds bepaald dat ook "andere openbare debatten plaatsvinden over gewichtige aangelegenheden die de belangen van de Unie raken". Gezien de onderhavige conclusies zou in de toekomst meer van deze mogelijkheid gebruik moeten worden gemaakt.
In haar antwoord E-2917/05 van 3 oktober 2005 (ingevolge de schriftelijke vragen P-3070/04 en P-0926/05) in verband met het systeem van opleidingscheques in Wallonië, meldde de Commissie een onderzoek uitgevoerd te hebben naar de desbetreffende wetgeving en een procedure ingesteld te hebben uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag.
Wat is het antwoord van de Belgische autoriteiten op het schrijven van de Commissie? Welke stappen heeft zij nog genomen? Heeft de Commissie al een met redenen omkleed advies uitgebracht? Is er effectief sprake van discriminatie ten aanzien van dienstverrichters gevestigd in een andere lidstaat dan waar de dienst wordt verricht? Heeft de betrokken lidstaat dit advies opgevolgd? Zal de zaak aanhangig gemaakt worden bij het Hof van Justitie?
Zoals de Commissie de geachte afgevaardigde reeds meedeelde in haar laatste antwoord over dit onderwerp van oktober 2005, hebben de diensten van de Commissie op 10 augustus 2005 een schrijven gericht aan de Belgische autoriteiten. Op 18 november 2005 ontvingen de diensten van de Commissie een antwoord van de Belgische autoriteiten, dat diverse documenten betreffende het systeem van opleidingscheques in Wallonië bevatte.
Na bestudering van dit antwoord zijn de Commissiediensten van mening dat de argumenten van de Belgische autoriteiten niet overtuigend zijn. De Commissiediensten zijn het met name niet eens met het argument dat een bedrijf in Wallonië gevestigd moet zijn om aanvaard te worden als bedrijf dat zijn personeel een opleiding kan geven waarvoor door Wallonië speciale cheques worden toegekend. Een dergelijke beperking, waardoor ondernemingen uit andere lidstaten worden gediscrimineerd, is niet terecht en zou in strijd kunnen zijn met artikel 49 van het Verdrag inzake het vrije verkeer van diensten.
Daar geen bevredigend antwoord van de Belgische autoriteiten is ontvangen, zullen de diensten van de Commissie een schriftelijke aanmaning aan de Belgische autoriteiten opstellen overeenkomstig artikel 226 van het Verdrag.
Algemeen bestaat de overtuiging dat het Nederlandse en Franse "nee" tegen de Europese grondwet van vorig jaar werd ingegeven door de ernstige verontrusting die bij de Europese burgers leeft over de liberalisatie van de dienstverlening in de EU.
Welke plannen heeft de Commissie om de verzinsels rond de dienstenrichtlijn te neutraliseren en proactief de maatschappelijke voordelen van de vrijheid van dienstverlening te bevorderen en algemeen bekend te maken?
Het Franse en Nederlandse "nee" tegen de Europese grondwet heeft complexe en uiteenlopende redenen, maar de slechte economische situatie binnen de EU en bezorgdheid over de hoge werkloosheid waren onmiskenbaar een gemeenschappelijke factor. Het is dan ook duidelijk dat om het vertrouwen van de burgers in de EU te herstellen economische vooruitgang nodig is in de vorm van meer werkgelegenheid en groei. De interne markt, waaronder de dienstensector, die bijna 70 procent van het Bruto Nationaal Product (BNP) en de banen binnen de EU voor zijn rekening neemt, is van essentieel belang voor de economische groei en de werkgelegenheid in Europa.
Sinds de ontwerprichtlijn betreffende diensten op de interne markt(1) in januari 2004 is aangenomen, is de Commissie actief bezig uit te leggen dat een goed functionerende interne markt voordelen heeft voor de economie en de werkgelegenheid in de EU en bijdraagt tot een sterke groei en een hoge werkgelegenheid. Ook verspreidt de Commissie feitelijke informatie over de bepalingen van de ontwerprichtlijn. Ze doet dit door middel van talrijke contacten, presentaties en besprekingen met alle belanghebbenden in heel Europa, zowel op politiek als op technisch niveau, en een breed aanbod van documenten die voor het publiek beschikbaar zijn op de website van de Commissie. We zullen onverminderd aandacht blijven besteden aan vragen en kwesties die zich aandienen en blijven uitleggen wat, voor zowel burgers als bedrijven, de voordelen zijn van een goed functionerende interne dienstenmarkt.
De Commissie is er ook van overtuigd dat de inspanningen van het Parlement en de Raad als medewetgevers misverstanden over het doel van de richtlijn kunnen helpen wegnemen. De Commissie heeft er voortdurend naar gestreefd om in samenwerking met het Parlement en de Raad een brede consensus over deze richtlijn tot stand te brengen.
In een breder kader probeert de Commissie onophoudelijk de communicatie met de EU-burgers te verbeteren. In oktober 2005 heeft de Commissie haar Plan D voor Democratie, Dialoog en Debat gelanceerd, dat erop gericht is de Unie democratischer te maken, een breed publiek debat te bevorderen en een nieuwe consensus tot stand te brengen over de richting die de Europese Unie in de toekomst moet uitgaan.
In zijn toespraken heeft commissaris McCreevy vraagtekens geplaatst bij de fundamentele pijlers van het Noordse stelsel van collectieve arbeidsovereenkomsten: het stakingsrecht en de universele geldigheid van de overeenkomsten. Wenst de Commissie de gehele traditie van het arbeidsmarktstelsel van de Noordse landen te verwerpen, inclusief de collectieve vaststelling van de minimale salarisniveaus en de sociale arbeidsvoorwaarden van werknemers?
De "toespraken" waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst, zijn gehouden in het zeer specifieke kader van de Zweedse zaak "Vaxholm" of "Laval". De voorzitter van de Commissie en de commissaris voor de interne markt en diensten hebben, ook vóór deze vergadering in oktober 2005, beiden zeer duidelijk gemaakt dat de Commissie niet van plan is en nooit van plan is geweest om het sociale model van enige lidstaat of de manier waarop die met zijn arbeidsverhoudingen omgaat, in twijfel te trekken. De lidstaten hebben echter wel verplichtingen op grond van het Verdrag, met name de verplichting om ervoor te zorgen dat onze bedrijven en burgers profiteren van de vier vrijheden en dat hun basisrechten worden geëerbiedigd. De Zweedse Raad van de Arbeid heeft de zaak naar het Europese Hof van Justitie verwezen voor een prejudiciële beslissing. Het is nu een zaak van het Europese Hof van Justitie. De Commissie gelooft niet dat de naleving van de vier vrijheden op grond van de Europese verdragen onverenigbaar is met de sociale modellen die de lidstaten hebben gekozen. De Commissie moet er als hoedster van de Verdragen voor zorgen dat het sociale acquis en de regels voor de interne markt worden geëerbiedigd en in alle lidstaten volledig ten uitvoer worden gelegd, zonder te discrimineren.
Als gevolg van de klimaatverandering doen zich thans tropische orkanen voor in gebiedsdelen van de Europese Unie waar dit vroeger niet het geval was, zoals het zuiden van het Iberische schiereiland en de Canarische Eilanden.
Welke maatregelen heeft de Commissie getroffen, of is zij van plan te treffen, om dit soort catastrofen te voorkomen en eventueel de door de getroffen bevolkingen en gebieden geleden schade te herstellen?
De Commissie deelt de bezorgdheid dat de klimaatverandering kan leiden tot een groter risico op zware stormen en extreme weersomstandigheden. Het orkaanseizoen van 2005 brak alle records met het grootste aantal tropische cyclonen in één jaar sinds mensenheugenis. Veel van deze cyclonen volgden een ongebruikelijke route en deden zich voor op ongebruikelijke locaties. Orkaan Vince kwam bijvoorbeeld tot ontwikkeling in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, verplaatste zich in noordoostelijke richting en passeerde ten noordwesten van de Madeira-eilanden. Vervolgens zwakte de tropische cycloon af en bereikte hij als tropische depressie de Spaanse kust, wat voor zover bekend nooit eerder was voorgekomen. Het huidige bewijs wijst erop dat orkanen in kracht kunnen toenemen als de temperatuur van het oceaanoppervlak stijgt. De orkaanactiviteiten die dit jaar op de Atlantische Oceaan zijn waargenomen, komen overeen met deze wetenschappelijke modellen. Benadrukt moet echter worden dat er nog veel onduidelijkheid is over de huidige ontwikkelingen op het gebied van de vernietigingskracht van orkanen en het mogelijke verband met de opwarming van de aarde, doordat de metingen betrekking hebben op een betrekkelijke korte periode en gebaseerd zijn op grove klimaatmodellen.
In oktober 2005 heeft de Commissie het Tweede Europese Klimaatveranderingsprogramma (ECCP II) gelanceerd. Door middel van een speciaal opgerichte werkgroep moeten aanpassingsstrategieën tot stand worden gebracht. Het is de algemene doelstelling van de werkgroep om de rol van de EU bij de totstandkoming van aanpassingsbeleid te omschrijven, opdat de aanpassing volledig in relevante Europese beleidsterreinen kan worden geïntegreerd, en om goede, rendabele praktijken voor de ontwikkeling van aanpassingsbeleid vast te stellen.
De Commissie heeft ook voorstellen gedaan om de responscapaciteit en de paraatheid van het Europese Civiele Beschermingsmechanisme te versterken zodat hulp kan worden geboden ingeval een ramp niet kan worden voorkomen. Deze voorstellen liggen momenteel ter beoordeling bij de Raad.
Binnen het regionale en landbouwbeleid en de financieringsgebieden van de EU bestaan mogelijkheden voor lidstaten om maatregelen te ondersteunen die bedoeld zijn om de gevolgen van extreme weersomstandigheden op te vangen of te verzachten. In geval van grote rampen kan het Solidariteitsfonds van de EU ook financiële steun bieden. De Gemeenschap heeft met name via het Vijfde en Zesde Kaderprogramma (KP) klimaatonderzoek gefinancierd en zal dit blijven doen in het Zevende KP. Als onderdeel van deze onderzoeksactiviteiten is het ten behoeve van de totstandbrenging van een adequate beleidsrespons op klimaatgevolgen op regionaal en lokaal niveau vooral van belang dat klimaatmodellen worden toegespitst op de regionale situatie.
Hoe kan de Commissie haar bewering staven dat in haar wetgevings- en werkprogramma voor 2006 voor de EU evenwicht wordt aangebracht tussen maatregelen om de burgers te beschermen en hun vrijheden te bevorderen, terwijl er, vergeleken met het aantal maatregelen voor het opvoeren van de veiligheid, een zeer gering aantal voorstellen wordt overwogen voor het behoud van vrijheid?
Het Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2006 bevat een aantal voorstellen die van invloed zullen zijn op de bescherming van burgers en de bevordering van hun vrijheid in het kader van de vier strategische doelstellingen die de Commissie aan het begin van haar mandaat heeft aangenomen (welvaart, solidariteit, veiligheid en de externe dimensie van de EU).
Voorstellen in het kader van de veiligheidsdoelstelling zijn gericht op betere samenwerking om Europese burgers te beschermen tegen ernstige dreigingen, waaronder terrorisme. Deze initiatieven worden tevens voorgesteld ter bevordering van de naleving van de fundamentele mensenrechten, zoals het recht op leven, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bewegingsvrijheid of het recht om niet tweemaal voor hetzelfde strafbare feit te worden berecht of te worden gestraft. Andere onderdelen die zijn voorgesteld om de veiligheid te bevorderen, zijn bijvoorbeeld gericht op het versterken van de consumentenbescherming of de bestrijding van seksueel geweld tegen kinderen.
In het kader van de andere doelstellingen stelt de Commissie maatregelen voor ter uitbreiding van het recht op bewegingsvrijheid van burgers, bijvoorbeeld door de rechtsgeldigheid ervan in de hele EU te erkennen, en maatregelen om de rechten van het kind in de Unie en daarbuiten ten uitvoer te leggen. Ook zal worden gekeken naar kwesties op het gebied van stemrecht bij parlementsverkiezingen en de publicatie van verkiezingsresultaten.
Het Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2006 zorgt voor het juiste evenwicht tussen maatregelen om de vrijheid van de burgers te bevorderen en maatregelen om hen te beschermen tegen ernstige bedreigingen. In lijn met het voorstel voor nieuwe beleidsinitiatieven legt de Commissie veel nadruk op de evaluatie van de tenuitvoerlegging en de resultaten van beleid. Een van de voornaamste aandachtspunten van de Commissie in dit verband is om ervoor te zorgen dat er sprake is van evenwicht tussen vrijheid en veiligheid.
Volgens het onderzoek van de Internationale Arbeidsorganisatie "Human Trafficking and Exploitation in Germany" wonen 360 000 van de 12,3 miljoen mensen in de wereld die als moderne slaven worden beschouwd, in de industrielanden en verblijven naar schatting 15 000 van deze mensen in Duitsland. Aangezien Duitsland in 2006 de wereldkampioenschappen voetbal organiseert, bestaat de reële bezorgdheid dat het aantal vrouwen dat met het oog op gedwongen prostitutie naar dit land verhandeld worden, aanzienlijk zal toenemen. Welke initiatieven kan en zal de Commissie ontplooien om deze flagrante schending van de mensenrechten te voorkomen?
De preventie en bestrijding van de mensenhandel voor seksuele uitbuiting en gedwongen arbeid heeft de voortdurende aandacht van de Commissie. Recentelijk, op 18 oktober 2005, heeft de Commissie een mededeling gepubliceerd inzake de "Bestrijding van mensenhandel – een geïntegreerde benadering en voorstellen voor een actieplan"(1). In dit verband heeft de Commissie benadrukt dat de mensenhandel alleen kan worden bestreden door middel van een geïntegreerde benadering op grond van de eerbiediging van de mensenrechten en als rekening wordt gehouden met het feit dat het een wereldwijd fenomeen is. Deze benadering vereist beleidscoördinatie op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, externe betrekkingen, ontwikkelingssamenwerking, werkgelegenheid, gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie. Daarnaast is de mededeling is bedoeld om de dialoog tussen de overheid en de samenleving op dit gebied te stimuleren.
De mededeling van de Commissie vormde een belangrijke bijdrage aan het actieplan inzake mensenhandel, dat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op 1 december 2005 heeft aangenomen. Volgens het actieplan moeten de EU-instellingen en de lidstaten genderspecifieke preventiestrategieën bevorderen als een sleutelelement in de strijd tegen vrouwen- en kinderhandel. Dit betreft onder meer de toepassing van gendergelijkheidsbeginselen en de uitroeiing van de vraag naar alle vormen van uitbuiting, waaronder seksuele uitbuiting en uitbuiting voor huishoudelijke arbeid. In 2006 zal onder meer campagnemateriaal worden ontwikkeld gericht op het terugdringen van de mensenhandel. De Commissie zet zich in voor de snelle tenuitvoerlegging van het actieplan, dat, zo nodig, zal worden herzien en geactualiseerd. Voorts evalueert de Commissie momenteel de tenuitvoerlegging van bestaande EU-wetgeving gericht tegen mensenhandel, met name het Kaderbesluit van de Raad van 2002 inzake de bestrijding van mensenhandel. Er zal binnenkort een verslag worden gepubliceerd.
Kan de Europese Commissie mededelen welke initiatieven zij ontplooit om het gebruik van de biometrie in Europa te bevorderen?
De Commissie bevordert geen specifieke technologieën maar ondersteunt het onderzoek naar en de evaluatie van nieuwe technologieën en de praktische en economische toepassing ervan in het algemeen. Dit omvat onder meer onderzoek naar de voor- en nadelen ervan en de mogelijkheden die ze bieden om de concurrentiepositie van Europa direct of indirect te verbeteren.
Op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid bestond er, meteen na de gebeurtenissen van 11 september 2001, consensus over het feit dat het gebruik van biometrische gegevens in databases en reisdocumenten moest worden ontwikkeld om de veiligheid te verhogen en het terrorisme effectiever te kunnen bestrijden. Er moet worden onderstreept dat het gebruik van biometrie op dat gebied nodig wordt doordat bij het zoeken in databases van een dergelijke omvang zoekmethoden op basis van uitsluitend alfanumerieke gegevens (zoals naam, geboortedatum) niet langer voldoen. Biometrie komt de mate van precisie bij het vaststellen of controleren van de identiteit van een persoon ten goede en vergroot zo de doelmatigheid van de corresponderende gegevensverwerking. Sindsdien is er belangrijk werk verricht op het gebied van de biometrie, met name in het kader van de veiligheid van reisdocumenten, zoals paspoorten, en op het gebied van het visumbeleid. Wat paspoorten betreft: de doelstelling is om paspoorten veiliger te maken door twee soorten biometrische gegevens op te nemen, namelijk een gedigitaliseerd beeld van het gezicht en een beeld van twee vingerafdrukken. De veiligheid van paspoorten is belangrijk met het oog op grenscontroles: enerzijds kunnen bonafide burgers vlotter door de grenscontrole heen en anderzijds is de kans kleiner dat personen met een vervalst paspoort de EU binnenkomen. Het gaat hier om twee basiselementen van onze ruimte van vrijheid en veiligheid.
Wat betreft het visumbeleid: het is bekend dat de Commissie momenteel werkt aan de ontwikkeling van een visumsysteem, het VIS, dat het mogelijk moet maken om visumgegevens tussen lidstaten uit te wisselen om zo het gemeenschappelijk visumbeleid te verbeteren.
De Commissiediensten hebben een bericht van aanbesteding gepubliceerd voor een Biometric Matching System (BMS) om ervoor te zorgen dat het VIS vanaf eind 2006 voor de verwerking van biometrische gegevens kan worden gebruikt, zodat de lidstaten een VIS dat geschikt is voor biometrische gegevens, in hun nationale visumsystemen kunnen gaan integreren. Het BMS wordt het grootste biometrische systeem ter wereld, met zo’n zeventig miljoen records.
Ook moet opgemerkt worden dat binnen de kaderprogramma’s voor onderzoek de voor- en nadelen van de technologie voortdurend worden onderzocht. In het huidige Zesde Kaderprogramma (KP6) maakte deze activiteit deel uit van het Information Society Technology Programme (IST) getiteld "Towards a global dependability and security framework" (zie http://www.cordis.lu/ist/trust-security/projects.htm). De totale financiering voor biometriegerelateerde projecten die onder KP6 vielen, was ongeveer dertig miljoen euro. Daarnaast is er een portaalsite voor biometrie ontwikkeld (http://www.europeanbiometrics.info), die inmiddels drie maanden operationeel is. Er wordt ook verwacht dat de onderzoekssteun voor biometrische technologie zal worden voortgezet in het Zevende Kaderprogramma waarvoor begin deze zomer de specifieke werkprogramma’s zullen worden ontwikkeld.
De voorbereidende actie voor veiligheidsonderzoek, met name de oproep tot het indienen van voorstellen die begin februari 2006 zal worden gelanceerd, voorziet ook in onderzoek op het gebied van multimodale biometrie.
Ook moet worden benadrukt dat de Commissie bijzondere aandacht besteedt aan de bescherming van persoonsgegevens. De Commissie wijst erop dat Richtlijn 95/46/EG betreffende gegevensbescherming(1) betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens – waaronder biometrische gegevens.
Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.
Kan de Commissie de exacte middelen aangeven van de programma's die zij ondersteunt ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in Europa?
De volgende programma’s zijn van belang:
Het Vijfde Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP5)
Dit programma liep van 1998 tot 2002; een groot aantal van de projecten loopt nog en levert nu resultaten op. De hoofddoelstelling van het programma is het bevorderen van schone en efficiënte energietechnologie op het gebied van hernieuwbare energiebronnen (HEB), energie-efficiency en fossiele brandstoffen. Onder deze HEB vallen fotovoltaïek, thermische energie (zowel zonne-elektriciteit als zonnewarmte), wind, miniwaterkracht, mariene energie, biomassa- en afvalenergie en geothermische energie, alsook technologieën ter ondersteuning van de grootschalige invoering van HEB, waaronder projecten inzake elektriciteitsnetwerken, sociaal-economisch onderzoek, enzovoorts.
Aan HEB is een bedrag van ongeveer 425 miljoen euro besteed.
Het Zesde Kaderprogramma voor onderzoek en technologie (KP6)
Dit programma loopt van 2003 tot 2006. De hoofddoelstelling van het programma is het bevorderen van schone en efficiënte energietechnologie op het gebied van HEB en energie-efficiency zoals omschreven voor KP5.
De vierde oproep tot het indienen van voorstellen is onlangs gelanceerd.
Aangezien we nog wachten op de resultaten van de vorige oproepen, is de totale begroting voor HEB nog niet bekend, maar gezien het bedrag dat bij de vorige oproepen al is toegekend, zal het voorziene bedrag voor HEB rond de 450 miljoen euro uitkomen.
Het ALTENER-programma
Dit programma liep van 1998 tot 2002; een aantal projecten loopt nog. De enige doelstelling van het programma was het bevorderen van HEB, met name door middel van het wegnemen van marktbarrières van niet-technologische aard. Het ALTENER-programma was onderdeel van een groter programma, het Energiekaderprogramma (EKP). Het EKP omvatte ook andere programma’s met dezelfde doelstelling zoals SAVE voor energie-efficiency, CARNOT voor schone kolen, SYNERGIE voor internationale samenwerking en ETAP voor sociaal-economische studies en analyses.
Het ALTENER-programma had een begroting van 78 miljoen euro (ongeveer 45 procent van de totale begroting voor het EKP).
Het Intelligent Energy for Europe-programma (IEE)
Dit programma is gestart in 2003 en loopt af in 2006. Het programma is bedoeld om duurzame energie te bevorderen en doet dit voornamelijk door ondersteuning te bieden bij de tenuitvoerlegging van wetgeving en het wegnemen van marktbarrières van niet-technologische aard. Het programma omvat vier activiteitengebieden:
ALTENER (II) ter bevordering van hernieuwbare energiebronnen (HEB), waaronder fotovoltaïek, thermische energie (hoge en lage temperatuur), wind, miniwaterkracht, mariene energie, biomassa- en afvalenergie en geothermische energie;
SAVE ter bevordering van energie-efficiency in gebouwen en in de tertiaire industrie;
STEER ter bevordering van de energieaspecten van schoon en efficiënt vervoer;
COOPENER ter bevordering van internationale samenwerking met ontwikkelingslanden.
De totale begroting voor het IEE-programma bedraagt 250 miljoen euro. Het voorziene bedrag voor HEB zal liggen rond de 110 miljoen euro. Het IEE-programma loopt na 2006 door in het Concurrentie- en Innovatieprogramma (CIP).
De totale bijdrage voor de ontwikkeling van HEB van alle bovengenoemde programma’s bedraagt ongeveer 1,063 miljard euro. Er moet worden opgemerkt dat de begroting voor KP6 is berekend op basis van HEB-projecten. De begroting voor KP5 is uitsluitend gebaseerd op de financiering van HEB.
Kan de Commissie een uiteenzetting over de vooruitgang bij de invoering van een nieuwe richtlijn op de overdraagbaarheid van pensioenrechten in Europa geven, die de werknemers in de Europese Unie behulpzaam zou zijn om in geval van mobiliteit om beroepsredenen pensioenrechten te verkrijgen, te behouden of over te dragen?
Op 20 oktober 2005 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten(1). Dit voorstel vormt een belangrijke eerste stap om te waarborgen dat in de uitgebreide Europese Unie de aanvullende pensioenregelingen bijdragen aan de op Europees niveau gestelde doelen ten aanzien van het goed functioneren van de arbeidsmarkt en een hoog niveau van sociale bescherming voor werknemers. Bovendien is het volkomen in overeenstemming met de doelstellingen van de strategie van Lissabon.
Het doel van dit voorstel is het beperken van de belemmeringen voor zowel het vrije verkeer tussen lidstaten als de mobiliteit binnen een lidstaat die het gevolg zijn van bepalingen van de aanvullende pensioenregelingen. Deze belemmeringen betreffen de voorwaarden voor het verwerven van pensioenrechten, de voorwaarden voor het behouden van slapende pensioenrechten en de overdraagbaarheid van verworven rechten. Verder is het voorstel gericht op verbetering van de informatievoorziening aan werknemers betreffende de wijze waarop mobiliteit de aanvullende pensioenrechten kan beïnvloeden.
Het voorstel is doorgezonden aan het Parlement en de Raad, alsmede aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Eind oktober is de Groep sociale vraagstukken van de Raad onder het Britse voorzitterschap begonnen met het beraad hierover.
Goedkeuring van het voorstel vereist eenstemmigheid in de Raad en medebeslissing met het Parlement.
Kan de Commissie in een verklaring laten weten of ze voorstander van het voortbestaan van het Europees vredesfonds na 2006 is, nu het initiatief met zijn actie om grensoverschrijdende economische en sociale ontwikkelingen in Ierland te bevorderen zoveel tot stand heeft kunnen brengen?
De EU ondersteunt het vredesproces in Noord-Ierland en in Ierland of een deel van Ierland op twee manieren:
Sinds 1989 wordt een financiële bijdrage toegekend aan het Internationale Fonds voor Ierland.
Sinds 1995 loopt het PEACE-programma, een bijzonder programma dat uniek is onder de Structuurfondsen.
In de financiële vooruitzichten 2007-2013, waarover op 16 december 2005 in Brussel overeenstemming is bereikt, is bepaald dat als erkenning voor de bijzondere inspanning voor het vredesproces in Noord-Ierland voor de periode 2007-2013 een totaalbedrag van 200 miljoen euro voor het PEACE-programma zal worden gereserveerd. Bij de tenuitvoerlegging van dit programma zal rekening worden gehouden met het aanvullende karakter van Structuurfondsinterventies.
De Europese Raad heeft bovendien nota genomen van het belangrijke werk dat het Internationale Fonds voor Ierland (IFI) doet ter bevordering van de vrede en verzoening, en heeft de Commissie gevraagd de nodige stappen te nemen met het oog op de voortzetting van de EU-steun voor het fonds dat tussen nu en 2010 in de cruciale fase van zijn werk zit.
Het PEACE-programma en het Internationale Fonds voor Ierland zijn zeer belangrijke instrumenten op het gebied van de Europese solidariteit. De Commissie steunt de voortzetting van de EU-bijdrage aan de vrede en verzoening in Noord-Ierland en heeft nota genomen van de conclusies van de Europese Raad in dezen.
Voorts is het van belang dat alle leden van het Parlement, met name de afgevaardigden uit Noord-Ierland en Ierland, samenwerken om deze doelstelling te bereiken en dat ze de voortzetting van de programma’s steunen.
Vraag nr. 44 van Luis de Grandes Pascual (H-1125/05)
De hogesnelheidsverbinding Madrid-Lissabon is een prioritair project dat is opgenomen in besluit 884/2004/EG(1). Onlangs is bekend geworden dat de Portugese regering heeft besloten het in gebruik nemen van deze spoorwegverbinding - die aanvankelijk was voorzien voor 2010 - met drie tot vijf jaar uit te stellen.
Is de Commissie op de hoogte van de oorzaken voor deze vertraging in een van de belangrijkste projecten van de Trans-Europese vervoersnetwerken? Welke begrotingsgevolgen zou dit kunnen hebben? Is de Commissie niet van oordeel dat de Europese Unie aan geloofwaardigheid inboet als een project van zo groot belang als het bovengenoemde, dat aanvankelijk deel uitmaakte van het programma Quickstart en vervolgens werd aangemerkt als prioritair project, zoveel vertraging oploopt?
De Commissie beschouwt dit project als cruciaal voor de cohesie en de ontwikkeling van de spoorweginteroperabiliteit op het Iberisch schiereiland. Dat is ook de reden waarom het Parlement en de Raad dit project in het kader van Richtlijn 884/2004/EG op de lijst van prioritaire projecten hebben opgenomen.
De Commissie was – tot op heden – nog niet formeel op de hoogte gesteld van eventuele wijzigingen in het tijdschema voor de totstandkoming van dit project of in de financiële verplichtingen die door de Spaanse en Portugese autoriteiten zijn aangegaan. Zij heeft zich daarom tot de Portugese overheid gewend om precieze inlichtingen hieromtrent te verkrijgen.
Hoewel de door de Portugese regering aangegane verplichting voor de totstandkoming van de hogesnelheidsverbinding Madrid-Lissabon werd bevestigd, is de datum die is voorzien voor de voltooiing van de werkzaamheden aan het baangedeelte tussen Lissabon en de Spaanse grens uitgesteld tot 2013. De Spaanse autoriteiten daarentegen hebben aangegeven dat de voltooiing van de uitbreiding tussen Madrid en Badajoz nog steeds voor 2010 gepland staat.
De Commissie heeft evenwel vernomen dat er geen enkele verandering wordt verwacht met betrekking tot de inhoud en de steun die is toegekend in het kader van het TEN-T-budget voor de periode 2001-2006. Deze steun betreft uitsluitend de studies naar de uitbreiding van de verbinding tussen Lissabon en de Spaanse grens (Caia/Badajoz).
De Commissie is nog altijd in afwachting van officiële informatie van de betrokken autoriteiten over de redenen van deze vertraging.
Gelet op artikel 49 van het EG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van diensten, artikel 14, lid 1, onder a) en b), alsmede artikel 17 van de Verordening van de Raad (EEG) nr. 1408/71(1) betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen en eveneens de bepalingen van Richtlijn 96/71/EG(2) betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en met name artikel 3, lid 1 en artikel 1, lid 3 van deze richtlijn, zou ik de Commissie willen vragen of zij nota heeft genomen van het feit dat de Duitse verzekeringsinstantie DVKA van oordeel is dat werknemers uit andere lidstaten die zijn uitgezonden om diensten te verlenen op Duits grondgebied verplicht zijn om sociale verzekeringspremies te betalen aan de DVKA.
Bovenstaande vraag wordt gesteld naar aanleiding van informatie over nieuwe eisen die door de DVKA zijn gesteld, waarover de ZUS (de Poolse verzekeringsinstantie) werd geïnformeerd in het kader van de bilaterale bijeenkomsten op 29 en 30 september jl.
De Commissie is niet op de hoogte van de omstandigheden die de geachte afgevaardigde beschrijft en ook niet van de invoering van nieuwe eisen op grond waarvan de Duitse verzekeringsinstantie DVKA van oordeel is dat werknemers uit andere lidstaten die zijn uitgezonden om in Duitsland diensten te verlenen, verplicht zijn om sociale verzekeringspremies te betalen aan de DVKA. Er moet worden opgemerkt dat de Commissie in haar rol van hoedster van de Verdragen de nodige stappen zal nemen in het geval dergelijke omstandigheden onverenigbaar zijn met Verordening (EEG) nr. 1408/71(3), gesteld dat deze beweringen door verdere documenten of uitgebreidere informatie worden gestaafd.
De geachte afgevaardigde noemde in dit verband ook Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(4) en met name artikel 3, lid 1, en artikel 1, lid 3, van deze richtlijn. Deze richtlijn handelt echter niet over socialezekerheidskwesties.
Wat betreft de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, wijst de Commissie de geachte afgevaardigde erop dat het Gemeenschapsrecht - met name Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72(5) - gericht is op de coördinatie van de verschillende nationale socialeverzekeringsregelingen van de lidstaten en zo de socialezekerheidsrechten van migrantenwerkers beschermt. Een van de hoofdbeginselen van deze coördinatie is vast te stellen welke socialezekerheidswetgeving op een migrantenwerker van toepassing is. In de regel valt zo’n werknemer onder de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar hij of zij werkzaam is.
Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen – PB L 149 van 05.07.1971.
Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen - PB L 074 van 27.03.1972. Laatste geconsolideerde versie: Verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 tot wijziging en bijwerking van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 - PB L 028 van 30.01.1997.
Eind november 2005 heeft de secretaris-generaal van de Europese Scholen voorgesteld de Italiaanse afdeling van "Brussel II" (Sint-Lambrechts-Woluwe) over te plaatsen naar Europese School IV die in Laken is gepland. Het voorstel zal in januari 2006 ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Hoge Raad van de Europese Scholen, waarin de Europese Commissie met stemrecht vertegenwoordigd is.
Het voorstel druist apert in tegen de criteria die de Hoge Raad zelf op 26 oktober jl. heeft aangenomen, met name de criteria F en N betreffende de verdeling van de afdelingen over centrale en perifere scholen, en het in overweging nemen van de woonplaats van de gezinnen die te maken hebben met de gevolgen van het besluit.
Is de Commissie voornemens de Hoge Raad voor te stellen het besluit in kwestie uit te stellen in afwachting van een meer diepgaand onderzoek? Zo niet, hoe zal de vertegenwoordiger van de Commissie in de Hoge Raad over het voorstel stemmen?
De Commissie wil er allereerst op wijzen dat de oprichting van een vierde Europese School in Brussel onvermijdelijk is geworden door de te verwachten toename van het aantal leerlingen, die op korte termijn zal leiden tot een algemene overbezetting van de drie bestaande scholen. Dit schooljaar was het aantal inschrijvingen van kinderen van personeel van de Europese instellingen op de scholen “Brussel II” (Sint-Lambrechts-Woluwe) en “Brussel III” (Elsene) zo hoog, dat niet alle kinderen op de in eerste instantie door hun ouders gekozen scholen konden worden geplaatst.
Op zijn vergadering van 25 en 26 oktober 2005 heeft de Raad van Bestuur Europese Scholen een lijst van criteria aangenomen, enerzijds voor de keuze van de taalafdelingen die naar Brussel IV zullen worden verplaatst en anderzijds voor de wijze waarop te werk zal worden gegaan bij het opzetten van de afdelingen die deel moeten gaan uitmaken van deze school in Laken.
In dit besluit van de Raad van Bestuur(1) is aldus een kader vastgesteld voor een gezamenlijk beraad van alle betrokken partijen om te komen tot een zodanige verdeling van de afdelingen dat de vierde school in september 2009 van start kan gaan, vanaf het moment dat de voorziene locaties in Laken door de Belgische autoriteiten ter beschikking gesteld zullen zijn. Dit beraad wordt gevoerd binnen een werkgroep van het Secretariaat-generaal Europese Scholen, de zogeheten “Groupe de suivi Bruxelles IV”, waarin de ouderverenigingen, de Europese Scholen van Brussel, het onderwijzend personeel en de Commissie zijn vertegenwoordigd.
Het is nu aan deze werkgroep om het dossier voor te bereiden dat aan de Raad van Bestuur zal worden voorgelegd, met daarin de verschillende opties die aan de vastgestelde criteria voldoen en met voor iedere optie voorstellen voor de wijze waarop de overgang geregeld moet worden.
In dat kader heeft de secretaris-generaal van de Europese Scholen aan de Groupe de suivi verschillende mogelijke alternatieven ter discussie voorgelegd die voorzien in verschillende aantallen taalafdelingen op de toekomstige Europese School in Laken.
De werkzaamheden van de Groupe zijn nog niet ten einde. Zijn prioriteit is om na te gaan of de ingediende voorstellen inderdaad voldoen aan de criteria van de Raad van Bestuur.
De werkgroep heeft eveneens tot taak om voor elk scenario een zodanige overgangsregeling vast te stellen dat de met de verhuizing van taalafdelingen gepaard gaande ongemakken voor de kinderen die op dit moment op een van de drie huidige Europese Scholen in Brussel schoolgaan en voor hun ouders zoveel mogelijk kunnen worden beperkt.
Pas als de werkzaamheden van deze werkgroep zijn afgerond, zal het dossier bij de Raad van Bestuur aan de orde komen. Het lijkt de Commissie echter niet alleen van belang dat de voorgelegde opties gepaard gaan met optimale overgangsregelingen, maar ook dat de Raad van Bestuur de noodzakelijke besluiten dermate vlot kan nemen dat de gezinnen zo spoedig mogelijk op de hoogte kunnen worden gebracht.
De Raad van Bestuur van de Europese scholen staat op het punt een besluit te nemen over de verhuizing van de Italiaanse, de Duitse en de Nederlandse taalsectie van de vestiging te Woluwe naar Laeken.
Met welke argumenten denkt de Commissie een eventuele standpuntbepaling, of eventueel ook het afzien van een standpunt, naar aanleiding van deze verplaatsing te onderbouwen?
Is de Commissie bereid de Raad van Bestuur van de Europese scholen te vragen naar de redenen waarom juist deze drie taalsecties moeten verhuizen, en het antwoord daarop vervolgens openbaar te maken?
Is de Commissie bereid de Raad van Bestuur van de Europese scholen te vragen naar de redenen voor eventueel nog volgende besluiten tot verhuizing van andere taalsecties, en ook die openbaar te maken?
De Commissie wil er allereerst op wijzen dat de oprichting van een vierde Europese School in Brussel onvermijdelijk is geworden door de te verwachten toename van het aantal leerlingen, die op korte termijn zal leiden tot een algemene overbezetting van de drie bestaande scholen. Dit schooljaar was het aantal inschrijvingen van kinderen van personeel van de Europese instellingen op de scholen “Brussel II” (Sint-Lambrechts-Woluwe) en “Brussel III” (Elsene) zo hoog, dat niet alle kinderen op de in eerste instantie door hun ouders gekozen scholen konden worden geplaatst.
Voorts verwijst de Commissie de geachte afgevaardigde naar haar antwoord op de mondelinge vraag H-1132/05 van de heer Lapo Pistelli, waarin zij uiteenzet dat de secretaris-generaal van de Europese Scholen de “Groupe de suivi Bruxelles IV” meerdere alternatieven ter discussie heeft voorgelegd die voorzien in verschillende aantallen taalafdelingen op de toekomstige Europese School in Laken.
De werkzaamheden van deze werkgroep, waarin onder andere ouderverenigingen en de Commissie zijn vertegenwoordigd, zijn nog niet ten einde. Zijn prioriteit is om na te gaan of de ingediende voorstellen inderdaad voldoen aan de criteria die de Raad van Bestuur Europese Scholen op zijn vergadering van 25 en 26 oktober 2005 heeft aangenomen.
De werkgroep heeft eveneens tot taak om voor elk scenario een zodanige overgangsregeling vast te stellen dat de met de verhuizing van taalafdelingen gepaard gaande ongemakken voor de kinderen die op dit moment op een van de drie huidige Europese Scholen in Brussel schoolgaan en voor hun ouders zoveel mogelijk kunnen worden beperkt.
Pas als de werkzaamheden van deze werkgroep zijn afgerond, zal het dossier bij de Raad van Bestuur aan de orde komen. De Commissie zal er dan ook uiterst nauw op toezien dat de voorgelegde opties gepaard gaan met optimale overgangsregelingen en dat de Raad van Bestuur de noodzakelijke besluiten dermate vlot kan nemen dat de gezinnen zo spoedig mogelijk op de hoogte kunnen worden gebracht.
De Commissie neemt pas een standpunt in als al deze elementen aan de Raad van Bestuur Europese Scholen zijn voorgelegd, en zal zorg dragen voor een duidelijke en openbare motivering van de uiteindelijke keuzen.
Kan de Commissie uitleggen waarom in de sollicitatieformulieren voor banen bij de Instellingen naar geboortedata wordt gevraagd en kopieën van paspoorten worden verlangd? Stelt de Commissie zich daarmee niet bloot aan beschuldigingen van leeftijdsdiscriminatie?
In een tijd waarin onderzoek en ontwikkeling topprioriteit hebben voor de EU, wordt sollicitanten voor banen die ressorteren onder het 6e Kaderprogramma nog steeds gevraagd hun geboortedatum op te geven. Kan dit niet worden gezien als discriminatie van oudere wetenschappers en zal het hen er niet van weerhouden hun bijdragen te leveren op dit voor de EU zo waardevolle gebied?
De sollicitatieformulieren voor banen bij de Commissie bevatten velden die door iedereen die zich opgeeft voor deelname aan een vergelijkend examen of een selectieprocedure moeten worden ingevuld, te weten naam en voornaam, adres, woonplaats, geboorteplaats en -datum, nationaliteit en geslacht. Deze velden zijn slechts bedoeld om de identiteit van de persoon in kwestie vast te stellen, en hebben noch tot doel noch tot gevolg dat gediscrimineerd wordt op grond van leeftijd, nationaliteit of geslacht.
Als identiteitskenmerk is de geboortedatum van nut om de identiteit van een persoon eenduidig te kunnen vaststellen (in geval van naamgenoten). In de praktijk kan het gebruik van dit gegeven te pas komen bij het raadplegen van gegevensbanken en de kans op fouten tot een minimum beperken.
Het identiteitsdocument waarvan een kopie wordt verlangd dient tot bewijs van de identiteit en de nationaliteit van de houder (aangezien EU-25-burgerschap een eis is om toegelaten te worden tot de examens en selectieprocedures).
Elke vorm van discriminatie in verband met leeftijd is uitgesloten, daar het bij de werving van personeel niet is toegestaan om voor sollicitanten een leeftijdsgrens te hanteren waarboven zij niet meer voor een functie in aanmerking komen. Buiten dit verbod op het vaststellen van een leeftijdsgrens is het bovendien ook in meer algemene zin verboden om leeftijd op welke wijze dan ook als wervingscriterium te gebruiken.
Het is echter gerechtvaardigd de leeftijd van sollicitanten te controleren wanneer hiermee een objectief en redelijk doel gediend wordt (in het licht van het personeelsstatuut en de verplichting om na te gaan of de in dienst genomen persoon meerderjarig is en nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt).
Bij alle sollicitatieprocedures voor betrekkingen als evaluatiedeskundige, als arbeidscontractant of als ambtenaar worden de bovengenoemde non-discriminatieregels en -beginselen in acht genomen.
De Europese Commissie geeft op woensdag 7 december haar goedkeuring gegeven voor het herstructureringsplan en de kapitaalsverhoging bij de Belgische logistieke groep ABX, voordien onderdeel van de Belgische Spoorwegmaatschappij NMBS. ABX heeft de Belgische belastingbetaler in totaal meer dan 1 miljard euro gekost. Deze herstructurering en bijkomende financiële injecties zouden ABX en vooral haar Duitse en Nederlandse filialen weer levensvatbaar moeten maken en zekerheid moeten geven aan de 10.000 werknemers.
Welke garanties heeft de Commissie dat het bedrijf, eventueel met een overnemer, inderdaad in de toekomst concurrentieel zal zijn en voldoende winst kan maken om te kunnen overleven in een sector die toch zeer competitief is?
Het besluit van de commissie van 7 december 2005 om akkoord te gaan met de financiële aspecten van het herstructureringsplan van ABX Logistics is voornamelijk gebaseerd op de regels voor goedkeuring van herstructureringssteun aan ondernemingen die zich in moeilijkheden bevinden, regels die de belangrijke voorwaarde omvatten dat de onderneming in kwestie weer levensvatbaar moet worden.
In dit verband heeft de Commissie erop gewezen dat de steun aan de NMBS is toegekend in het kader van een plan voor strategische industriële herstructurering dat bedoeld is om de rentabiliteitsproblemen van de groep bij de wortel aan te pakken; zij heeft tevens vastgesteld dat de resultaten van de groep tussen 2002 en 2004 reeds aanmerkelijk zijn verbeterd, en dat er opnieuw operationele winst wordt gemaakt. Ten slotte is de Commissie ervan uitgegaan dat de overdracht van het gehele ABX-kapitaal aan een particuliere investeerder die een substantiële financiële bijdrage aan de ABX-groep zal leveren, er eveneens met zekerheid op wijst dat de onderneming opnieuw financieel levensvatbaar wordt.
De Commissie herinnert ten slotte aan het beginsel van de eenmalige steun, op grond waarvan de ABX-groep de komende tien jaar niet in aanmerking komt voor nieuwe steun.
Kan de Commissie meedelen of zij kan instemmen met het feit dat de bepalingen van de herziene bilaterale luchtruimovereenkomst tussen Ierland en de Verenigde Staten van Amerika kunnen worden opgenomen in de algemene overeenkomst inzake de open luchtvaartruimte en dat de fundamentele wijziging voor Shannon Airport waar het hier om gaat, verenigbaar is met de EU-beginselen met betrekking tot regionaliteit, perifere ligging en subsidiariteit?
De algemene overeenkomst over een open luchtruim tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten is tot stand gekomen via onderhandelingen waarbij de Commissie de Europese Gemeenschap en de lidstaten heeft vertegenwoordigd. Deze overeenkomst omvat speciale overgangsregelingen voor lijnvluchten en passagiersvluchten op de verbindingen tussen Ierland en de Verenigde Staten, waarmee wordt beoogd een gepaste overgang te waarborgen voor Shannon Airport, in overeenstemming met de doelstellingen van het regionaal beleid.
Vraag nr. 51 van Georgios Karatzaferis (H-1142/05)
Betreft: Schrapping uitkering van het Orgaan voor de arbeidsvoorziening voor Griekse burgers van Pomakische afkomst
Volgens berichten in de Griekse pers betaalt het Orgaan voor de arbeidsvoorziening aan ongeveer 500 werklozen (van Pomakische afkomst) niet de seizoensuitkering ten belope van 740 euro uit die de werknemers van de scheepsbouw en -raparatiezone in Perama één keer per jaar ontvangen. Alle Pomaken zijn Griekse moslimburgers en geboren in Grieks Thracië. Het besluit hen de seizoensuitkering niet uit te betalen, heeft tot hevig verzet geleid van de kant van de vijf werknemersorganisaties in de 'zone', die spreken van "discriminatie op grond van ras van werklozen door de regering en de directeur van het Orgaan voor de arbeidsvoorziening". De meeste van de betrokken Pomaken zijn zandstralers, ze hebben volgens de regels via de werknemersorganisaties hun bewijsstukken ingeleverd en de beschuldiging luidt dat de uitkering alleen wordt uitbetaald aan personen met een christelijke naam. De werknemersorganisaties hebben reeds contact opgenomen met de directeur van het Orgaan voor de arbeidsvoorziening, de heer Vernadakis.
Het gaat om een geval van walgelijk racisme tegen Griekse burgers, die Turkije, middels het consulaat in Thracië, reeds vele jaren op indringende wijze voor zich probeert te winnen. Wat kan de Commissie doen om aan dit overduidelijke geval van onrecht een eind te maken?
In het kader van de controle op de tenuitvoerlegging van het communautair bestek voor Griekenland en de daaronder vallende operationele programma’s, en met name van het regionale operationele programma voor "Oost-Macedonië – Tracië" hebben de Griekse autoriteiten de Commissie herhaaldelijk op het hart gedrukt dat de medegefinancierde maatregelen gericht zijn op de uiteindelijke begunstigden ongeacht hun etnische achtergrond of religieuze overtuiging.
De Commissie was niet op de hoogte van het besluit van de Griekse Orgaan voor de arbeidsvoorziening (OAED) om de seizoensuitkering niet uit te betalen, waarnaar de geachte afgevaardigde verwees. Hoewel deze uitkering niet valt onder de maatregelen die door het Structuurfonds worden medegefinancierd, heeft de Commissie de Griekse autoriteiten verzocht om informatie over dit geval te verstrekken en de Commissie zal de uitkomst van dit verzoek zo spoedig mogelijk bekendmaken.
Vraag nr. 52 van Justas Vincas Paleckis (H-1148/05)
Betreft: De betrekkingen tussen de Europese Unie en Wit-Rusland
De Europese Unie ondersteunt niet het beleid tot afsluiting van het land, dat door de Witrussische autoriteiten gevoerd wordt. Zij is echter tot op heden niet zo goed erin geslaagd contacten te ontwikkelen met de bevolking van Wit-Rusland, en met name met de jongeren.
Ik zou willen weten welke maatregelen de Europese Unie neemt, of van plan is te nemen, om een zo groot mogelijk aantal leerlingen, studenten en andere Witrussische jongeren in staat te stellen naar de landen van de Europese Unie te reizen om daar te studeren, en de jongeren uit onze landen in staat te stellen om naar Wit-Rusland te reizen.
De Europese Unie, die steeds meer streeft naar een uniform visabeleid, wenst de formaliteiten bij het passeren van de grenzen tussen Wit-Rusland en zijn buurlanden tot een minimum te beperken, en deze zo gemakkelijk, eenvoudig en goedkoop mogelijk te maken voor de burgers. Na onderhandelingen met Wit-Rusland hebben Litouwen en Polen, op wederzijdse basis, besloten de kosten voor de verstrekking van visa te verminderen. Welke maatregelen denkt de Europese Commissie te nemen om soortgelijke regelingen te treffen op het vlak van de Europese Unie?
In november 2004 heeft de Raad conclusies aangenomen waarin grote bezorgdheid wordt geuit over het feit dat de parlementsverkiezingen en het referendum van 17 oktober 2004 in Wit-Rusland niet vrij en eerlijk zijn verlopen en waarin de aanvallen op vreedzame betogers, individuele oppositieleiders en journalisten die na 17 oktober plaatsvonden, krachtig worden veroordeeld.
De Raad heeft ook besloten een visumverbod af te kondigen tegen de ambtenaren die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de verkiezingen en het referendum die zo frauduleus zijn verlopen, en tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor de ernstige mensenrechtenschendingen tijdens de acties tegen vreedzame betogers.
De Commissie is van mening dat het in dit stadium niet verstandig is om met Wit-Rusland te onderhandelen over een algemene overeenkomst over de procedures inzake de verstrekking van visa, waaronder een vrijstelling van de kosten in verband met de verstrekking van visa.
De Commissie wijst erop dat de diplomatieke missies en consulaatsposten in de lidstaten op grond van de huidige gemeenschappelijke consulaire instructies in individuele gevallen krachtens de nationale wetgeving kunnen besluiten tot vermindering of vrijstelling van de kosten, indien culturele belangen op het gebied van buitenlandbeleid of ontwikkelingsbeleid of andere wezenlijke publiek belangen met deze maatregel gediend zijn.
Wat betreft uitwisselingen tussen universiteiten in Wit-Rusland en die van de lidstaten, ondersteunt de EU al sinds 1994 gemeenschappelijke Europese projecten met Wit-Rusland in het kader van Tempus. Deze projecten voorzien ook in mobiliteitsbeurzen. Voor 2005-2006 is een bedrag van 1,9 miljoen euro gereserveerd voor het Tempus-programma met Wit-Rusland en de Commissie is van plan zich in de volgende programmaperiode te richten op uitwisselingsprogramma’s tussen universiteiten bedoeld voor professoren en studenten. Dergelijke programma’s zijn een zinvol instrument om de Europese democratische waarden in Wit-Rusland te voeden, met name omdat ze gericht zijn op de jonge generatie.
De Amerikaanse multinational Delphi heeft onlangs aangekondigd een van zijn bedrijven, de kabelfabriek in Linhó, te zullen sluiten waardoor ongeveer 320 werknemers hun baan verliezen, hoewel bekend is dat deze multinational grote winsten maakt en dat de totale winst van zijn fabrieken in Portugal vele miljoenen euro's bedraagt.
Hoeveel communautaire steun ontvangt de Delphi-groep voor zijn fabrieken in de EU-lidstaten en de kandidaatlanden?
Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen om een einde te maken aan deze onaanvaardbare situatie, de rechten van de werknemers te beschermen, de werkgelegenheid van de vrouwen te waarborgen en de belemmering van de regionale ontwikkeling tegen te gaan?
De diensten van de Commissie zijn op dit moment bezig bij de nationale autoriteiten de gegevens te verzamelen met betrekking tot de structuurfondsen waaruit de Delphi-groep middelen ontvangen zou kunnen hebben. De Commissie zal de geachte afgevaardigde zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen van de informatie die zij heeft verkregen.
De Commissie is zich bewust van de negatieve gevolgen die de sluiting van een fabriek, wanneer deze komt vast te staan, met zich meebrengt voor de betrokken werknemers, hun gezinsleden en de regio. Het is echter niet aan haar om zich uit te spreken over dan wel zich te mengen in de besluitvorming binnen ondernemingen, tenzij er sprake is van een schending van het Gemeenschapsrecht. Er zij in dit verband op gewezen dat het communautaire kader voorziet in tal van voorschriften met betrekking tot de rechtvaardiging van herstructureringen, met inbegrip van de sluiting van fabrieken, en een adequaat management daarvan, met name Richtlijn 98/59/EG van de Raad betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag(1), Richtlijn 2001/23/EG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen(2), Richtlijn 94/45/EG van de Raad inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers(3), Richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 80/987/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever(4) en Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap(5).
Op 31 maart 2005 heeft de Commissie een mededeling goedgekeurd getiteld “Herstructureringen en werkgelegenheid”(6), waarin zij voor de Europese Unie een alomvattende en samenhangende benadering formuleert ten aanzien van herstructureringssituaties. Zij omschrijft daarin uitvoerig de communautaire beleidsinstrumenten voor het anticiperen op en het begeleiden van economische veranderingen, het ondersteunen van de werkgelegenheid en het bevorderen van de regionale ontwikkeling. In de door de geachte afgevaardigde te berde gebrachte situatie zijn het industriebeleid van de Commissie in de automobielsector, de werkgelegenheidsstrategie, de acties op het terrein van gelijke kansen en de bijstand uit de structuurfondsen in het bijzonder van belang. Bovendien is zeer onlangs nog door de Europese Raad van 15 en 16 december 2005 het beginsel goedgekeurd inzake oprichting van een aanvullend fonds voor aanpassing aan de mondialisering, waarmee werknemers die zijn ontslagen na een plotselinge ingrijpende verandering als gevolg van de mondialisering kunnen worden geholpen zich te scholen en nieuw werk te vinden.
Begin 2005 hebben het Luxemburgse voorzitterschap en het DG Onderwijs en cultuur van de Commissie, op basis van het communautair kader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties, de Europass ingevoerd. De afzonderlijke lidstaten van de Europese Unie moesten vervolgens Nationale Europass Centra oprichten. In welk stadium zijn de lidstaten op dit moment met de uitvoering van de Europass?
Op 15 december 2004 is beschikking 2241/2004/EG van het Parlement en de Raad betreffende een enkel communautair kader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties (Europass) aangenomen. Europass is ontwikkeld om de mobiliteit en levenslang leren in een uitgebreid Europa te stimuleren. Het is bedoeld om burgers vanaf 2010 te helpen in heel Europa hun kwalificaties en competenties beter kenbaar te maken.
Naar aanleiding van het verzoek van de Commissie hebben alle lidstaten en de drie EVA/EER(1)-landen in de eerste paar maanden van 2005 hun Nationale Europass Centra ingesteld.
Op 3 maart 2005 heeft de Commissie de Nationale Europass Centra uitgenodigd om een aanvraag in te dienen voor een exploitatiesubsidie voor de periode mei-december 2005. De meeste Nationale Europass Centra waren vanaf 1 mei 2005 operationeel. Vier centra zijn een paar weken later begonnen.
In 2005 lag de prioriteit van de Nationale Europass Centra bij de vaststelling van de uitvoeringsstructuren en invoering van het initiatief in eigen land. De meeste Nationale Europass Centra hebben Europass gelanceerd via specifieke nationale conferenties, die vaak waren gekoppeld aan regionale seminars of workshops. Belanghebbenden waren zeer geïnteresseerd in deelname aan dergelijke evenementen. De meeste centra hebben reeds een nationale internetsite geopend als aanvulling op de Europese portal. In 2005 zijn een paar duizend Europass-Mobility-documenten afgegeven voor burgers die gebruik wilden maken van een leerperiode in een ander land.
De Commissie is van plan tegen juni 2006 een activiteitenverslag op te stellen over Europass in 2005.
Is de Commissie van mening dat, als een bedrijf tijdelijk diensten verricht in een ander EU-land, de arbeidsmarktregels en collectieve overeenkomsten in het land van oorsprong van het bedrijf van toepassing zijn of de arbeidsmarktregels en collectieve overeenkomsten die gelden in het land waar de werkzaamheden worden uitgevoerd?
Als een bedrijf uit een lidstaat tijdelijk diensten verricht in een andere lidstaat en in verband daarmee werknemers naar deze andere lidstaat uitzendt, blijft dezelfde wet van toepassing op de bestaande arbeidsrelatie tussen de uitgezonden werknemer en zijn werkgever, het bedrijf dat de dienst verricht.
Om de verschillende nationale regels te coördineren die als gevolg van eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie van toepassing kunnen zijn, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden, voorziet Richtlijn 96/71/EG van het Parlement en van de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(1) in een "harde kern" van duidelijk omschreven regels waaraan de verrichter van de diensten moet voldoen.
Daarom moet gedurende de periode waarin de werknemers ter beschikking worden gesteld worden voldaan aan een aantal belangrijke beschermende bepalingen inzake bepaalde arbeidsvoorwaarden, waaronder de minimumvergoeding, maximale werktijden, minimale rustperioden en het minimum aantal betaalde verlofdagen per jaar, die van toepassing zijn in de lidstaat waar het werk wordt verricht en die zijn vastgelegd in wetten, regels of bestuursrechtelijke bepalingen of, voor zover het de bouwsector betreft, in collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die universeel van toepassing zijn verklaard in de zin van artikel 3, lid 8, van Richtlijn 96/71/EG.
Alcohol is een van de factoren die een bijzonder ongunstige uitwerking hebben op de volksgezondheid in de EU. De ontwikkeling van een strategie voor het alcoholbeleid in de EU duurt nu al bijna vijf jaar. Wanneer denkt de Commissie de strategie te presenteren?
Naar aanleiding van verzoeken van de Raad in 2001 en 2004 is de ontwikkeling van een uitgebreide communautaire strategie ter beperking van aan alcohol gerelateerde schade thans in een beslissende fase.
Gezien de brede reikwijdte en complexiteit van de kwestie is de strategie ontwikkeld in nauwe samenwerking met deskundigen van de lidstaten en vertegenwoordigers van de belangrijkste belanghebbenden.
Tijdens het raadplegingsproces is vastgesteld op welke terreinen versterking van gezamenlijke of gecoördineerde maatregelen op communautair niveau nodig is. Het is de bedoeling dat een mededeling van de Commissie wordt omgezet in maatregelen op zes kerngebieden:
Bewijs verzamelen,
Jongeren beschermen,
Derden beschermen,
Rijden onder invloed bestrijden,
Aan alcohol gerelateerde schade bij volwassenen voorkomen,
Voorlichting en bewustmaking over de gevolgen van alcohol.
De strategie voor het alcoholbeleid is opgenomen in het wetgevingsprogramma voor 2006 van de Commissie. Het is de bedoeling dat de strategie in september 2006 wordt aangenomen. momenteel wordt een effectbeoordeling uitgevoerd van de economische, sociale en ecologische gevolgen, waarna het voorstel zal worden afgerond. Zodra de strategie is aangenomen wordt deze naar de andere instellingen gezonden, waaronder het Parlement.
Appeltelers in de EU maken zich ernstig zorgen over de hoeveelheid geïmporteerde appels uit derde landen. De website van de douanediensten van de EU gaf op 30/6/05 aan dat er 276 000 ton was geïmporteerd. Andere bronnen getuigden van ongeveer 700 000 ton.
Deze vaststelling maakt dat de door de EU-reglementering voorziene mechanismen om de interne markt te beschermen onbruikbaar zijn, daar hun werking gebaseerd is op verkeerde informatie. Hoe kan de Commissie er voor zorgen dat de lidstaten juiste importcijfers aanleveren? En is het mogelijk om de importplafonds omwille van de foutenmarge te laten dalen?
Bovendien werden er appels aangeboden tegen 3€ en 8€ per 18kg. Deze prijs dekt zelfs de transportkosten niet. Overweegt de Commissie een onderzoek naar en een oplossing voor deze dumpingpraktijken?
Hoe staat de Commissie ten aanzien van een - jaarlijks te evalueren - maatregel die het mogelijk maakt om de EU-markt slechts open te stellen voor importappels vanaf 1 juni?
Kan de communautaire preferentie conform het Verdrag van Rome niet ingeroepen worden om importeurs van appels te verplichten om de totaliteit van hun appels te verkopen alvorens in augustus de eigen Europese oogst arriveert?
In 2005 zijn er problemen geweest ten gevolg van het te laat of incorrect melden van importgegevens door lidstaten.
Begin 2007 wordt een nieuw systeem voor het doorgeven van gegevens in gebruik genomen, en mag worden verwacht dat dit soort problemen zich niet meer zal voordoen.
Om een situatie als die van 2005 in 2006 te voorkomen, is tijdens de vergadering van het beheerscomité van 13 december gekeken naar een eerste ontwerp voor de invoering van importvergunningen.
Indien ingevoerd, zal deze overgangsmaatregel waarschijnlijk resulteren in het correct melden van alle geïmporteerde hoeveelheden vanwege een nieuwe borgsom van EUR 15/ton. De maatregel zou op 1 februari 2006 van kracht kunnen worden.
De Commissie mag alleen een speciale vrijwaringsclausule gebruiken indien de hoeveelheden geïmporteerde appels – zoals gemeld door de nationale douanediensten – het respectieve "trigger volume" bereiken en wanneer aan alle relevante bepalingen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is voldaan.
Deze procedure, inclusief de methode voor het berekenen van het "trigger volume", is in overeenstemming met artikel 5 van de Overeenkomst inzake landbouw van de Uruguay-ronde over internationale handel.
Wanneer een inbreuk op de regels inzake internationale handel van de WTO onder de aandacht van de Commissie wordt gebracht, komt zij direct in actie. Dit geschiedt bijvoorbeeld in het geval van bewijs van dumpingpraktijken.
Op dit moment beschikt de Commissie evenwel niet over concreet bewijsmateriaal van mogelijke dumpingpraktijken.
Wat de vraag betreft over maatregelen om de import of het in de handel brengen van appels uit derde landen te beperken, vestigt de Commissie uw aandacht op de regels inzake internationale handel en met name de WTO-bepalingen, waar de EU zich volledig aan heeft te houden. In dit licht bezien, zou het beperken van import tot een bepaalde periode van het jaar (bijvoorbeeld vanaf 1 juni) niet stroken met onze internationale en WTO-verplichtingen.
Kan de Commissie aangeven in hoeverre bedrijven momenteel verplicht zijn om informatie voor de consument ook in braille te verstrekken?
De wetgeving inzake consumentenbescherming op Europees niveau, die bedoeld is om de gemiddelde consument te beschermen, voorziet niet in een algemene verplichting voor bedrijven om consumenteninformatie in braille te verstrekken.
De farmaceutische sector kent wel de verplichting om consumenteninformatie in braille te verstrekken, met name voor etiketten en bijsluiters – Richtlijn 2004/27/EG tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG. Artikel 56a van de richtlijn schrijft voor dat de naam van het medische product ook in braille op de verpakking wordt vermeld. De houder van de vergunning voor het in de handel brengen dient ervoor te zorgen dat de bijsluiter op verzoek van patiëntenorganisaties beschikbaar wordt gesteld in voor blinden en slechtzienden geschikte formaten. Op 13 april 2005 hebben de diensten van de Commissie richtsnoeren voor bedrijven gepubliceerd omtrent het verplichte brailleschrift voor etiketten en bijsluiters: http://pharmacos.eudra.org/F2/pharmacos/new.htm.
Is de Commissie zich bewust van het ernstige en groeiende probleem van de misleidende presentatie van diensten die aan ondernemingen in de EU verkocht worden?
Het geval van de European City Guides, onderwerp van een schriftelijke verklaring in het Europees Parlement, is een duidelijk voorbeeld hiervan: zij geven een misleidend beeld van hun product en richten zich vooral tot kleine ondernemingen. Vervolgens eisen zij betaling van deze ondernemingen op basis van hun oorspronkelijk frauduleus aanbod.
Hoewel de interne markt over het algemeen grote voordelen heeft opgeleverd voor zowel de ondernemingen als de consumenten, zijn bovengenoemde activiteiten een voorbeeld van hoe de interne markt de ondernemingen kan opzadelen met ernstige problemen, waarvoor geen doeltreffende oplossing bestaat.
Kan de Commissie haar standpunt ten aanzien van deze kwesties uiteenzetten? Is de Commissie van plan nieuwe wetgeving of amendering van de bestaande wetgeving voor te stellen om dit zwakke punt van de interne markt uit de weg te ruimen?
De Commissie is op de hoogte van het probleem waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst. Ze heeft zowel rechtstreeks van bedrijven als via parlementsleden meerdere klachten ontvangen in verband met de praktijken van de European City Guide.
In het algemeen gaat het bij praktijken zoals de geachte afgevaardigde in zijn vraag beschrijft, om misleidende reclame, waarover Richtlijn 84/450/EEG van de Raad betreffende misleidende en vergelijkende reclame handelt. De richtlijn voorziet in de toepassing van stakingsbevelen of andere juridische maatregelen om voortzetting van het gebruik van misleidende reclame te verbieden.
Het is aan de bevoegde rechter en/of publieke handhavingsinstanties van de lidstaten om per geval te bepalen of een commerciële mededeling als misleidend mag worden beschouwd, en om de nodige handhavingsmaatregelen tegen personen of bedrijven te treffen.
In het geval van de European City Guide werd de Commissie medegedeeld dat de Catalaanse autoriteiten in 2003 hadden besloten het bedrijf te sluiten en het een boete op te leggen. De European City Guide is tegen deze beslissing in beroep gegaan en blijkt zijn activiteiten van Barcelona naar Valencia te hebben verlegd.
De Commissie kan niet in individuele gevallen interveniëren, maar zij zal de activiteiten van de nationale handhavingsinstanties blijven volgen. De commissaris voor volksgezondheid en consumentenbescherming heeft zijn Spaanse tegenhanger persoonlijk een brief geschreven waarin hij haar aandacht vestigt op de kwestie en vraagt of de Spaanse autoriteiten verdere maatregelen hebben getroffen.
Wat betreft de vraag van de geachte afgevaardigde of de Commissie van plan is nieuwe wetgeving of amendering van de bestaande wetgeving voor te stellen: de Commissie sluit deze mogelijkheid in de toekomst niet uit, maar niet voordat is vastgesteld dat de communautaire wetgeving mazen of onduidelijkheden vertoont en dat aanvullende communautaire wetgeving de beste oplossing is. Tot nu toe is echter nog niet gebleken dat de problemen te wijten zijn aan tekortkomingen in de wetgeving.
Volgens cijfers van het Griekse controle- en preventiecentrum voor ziektes (KEELPNO) is er in Griekenland in 2005 sprake van een opmerkelijke stijging van het aantal aids-gevallen, met name met meer dan 18% ten opzichte van 2004 en met bijna 30% ten opzichte van 2002. Uit dezelfde cijfers blijkt verder dat de overdracht van het virus via seksueel contact tussen hetero's aanzienlijk is toegenomen, met bijna 25% ten opzichte van 2002, terwijl er ook een stijgende tendens wordt waargenomen van het aantal besmette vrouwen. Ook het VN-jaarverslag 2005 over aids maakt gewag van een wereldwijde toename van het aantal aids-gevallen, die in grote mate te wijten is aan het verslappen van de preventiemaatregelen en aan steeds grotere onvoorzichtigheid.
Is de Commissie van plan aanzienlijk meer maatregelen te treffen voor een correcte voorlichting van het publiek, preventie en behandeling van aids-patiënten? Bestaan er initiatieven voor de ontwikkeling van nationale actieplannen in de lidstaten en welke maatregelen zal de Commissie treffen om deze te financieren?
De Commissie dankt de geachte afgevaardigde voor haar vraag over de belangrijke kwestie van de HIV/aids-epidemie in Europa en met name over de bewustmaking van Europeanen over HIV/aids.
Het is onze gemeenschappelijke taak de HIV/aids(1)-epidemie te bestrijden. Samenwerking biedt een echte mogelijkheid om expertise en kennis te bundelen om zo de beste instrumenten voor preventie, steun, behandeling en zorg te kunnen vaststellen.
De Commissie heeft onmiddellijk gereageerd op de hernieuwde toename van HIV in Europa door de belanghebbenden en de lidstaten te mobiliseren en door in december 2004 in het werkdocument inzake de gecoördineerde en geïntegreerde aanpak van de bestrijding van HIV/aids binnen de EU en haar buurlanden op een rij te zetten welke stappen moeten worden genomen. U zult in het werkdocument lezen dat de Commissie een groot voorstander is van onmiddellijke maatregelen.
Deze maatregelen worden nu in samenwerking met partners in de lidstaten ten uitvoer gelegd. De voortgang en vervolgstappen zijn vervat in de mededeling van de Commissie over het bestrijden van HIV/aids binnen de EU en haar buurlanden die op 15 december 2005 is aangenomen. In de mededeling wordt voortgebouwd op de prioriteiten die in het werkdocument worden genoemd en worden de hoofdlijnen aangegeven voor tot eind 2009 te nemen maatregelen, gericht op de gebieden waar met spoed extra inspanningen nodig zijn.
De geachte afgevaardigde wijst er terecht op dat het van belang is om alle op preventie gerichte activiteiten te versterken, door middel van onderwijs en bewustmaking, en ook door het gebruik van condooms te bevorderen en te zorgen voor risicoverlagende voorzieningen voor spuitende drugsgebruikers, zoals het beschikbaar stellen van schone injectienaalden en -spuiten.
In dit verband heeft de Commissie samen met de lidstaten en partners zoals de Wereldaidscampagne, de European Broadcasting Union (EBU), MTV en andere ondersteunende bedrijven een langlopend initiatief opgezet gericht op het publiek met een belangrijke boodschap over stigmatisering en discriminatie.
De Commissie heeft structuren vastgesteld om de HIV/aids-activiteiten te coördineren binnen de diensten die gaan over relevante beleidsgebieden en ook met de lidstaten, buurlanden, internationale organisaties en de civiele maatschappij. De HIV/aids-denktank is de structuur die alle externe partners coördineert.
De denktank is een platform geworden waar ervaringen en informatie kunnen worden uitgewisseld over diverse zaken, zoals geactualiseerde en/of nieuwe nationale HIV/aids-plannen. De Commissie beraadt zich thans over de wijze waarop een en ander verder gestalte kan worden gegeven teneinde de ontwikkeling van nationale plannen in de lidstaten en in de buurlanden mogelijk te maken.
De Commissie heeft een poging gedaan om de lidstaten te helpen meer geld vrij te maken voor gezondheidsactiviteiten, zoals de tenuitvoerlegging van het nationale HIV/aids-actieplan, door volksgezondheid vanaf 2007 naar voren te brengen als een van de belangrijkste financieringsterreinen van het Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds. Het is nu echter aan de Raad en het Parlement om deze kans te grijpen.