Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/2134(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0389/2005

Ingediende teksten :

A6-0389/2005

Debatten :

PV 01/02/2006 - 11
CRE 01/02/2006 - 11

Stemmingen :

PV 02/02/2006 - 8.4
CRE 02/02/2006 - 8.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0037

Debatten
Woensdag 1 februari 2006 - Brussel Uitgave PB

11. Perspectieven van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voor 2006 - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - 2004
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het gecombineerd debat over:

– de verklaring van de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB over de perspectieven van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voor 2006; en

– het verslag van Elmar Brok (A6-0389/2005), namens de Commissie buitenlandse zaken, over het jaarlijks verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Unie - 2004 (2005/2134(INI)).

Voordat ik de sprekers het woord geef, wil ik mijn dank betuigen aan mevrouw De Keyser, voorzitter van de EU-waarnemingsmissie in de Palestijnse gebieden, en de heer McMillan-Scott, voorzitter van de waarnemersdelegatie van het Europees Parlement van 27 afgevaardigden, voor het werk dat zij hebben verricht. We zullen tijdens het debat ongetwijfeld horen wat zij te zeggen hebben, maar op dit moment wil ik alvast benadrukken dat onze leden een belangrijke rol hebben vervuld door een objectieve blik te werpen op de vitaliteit van het verkiezingsproces in de Palestijnse gebieden.

Daarnaast denk ik dat dit een goede gelegenheid is om onze hoop uit te spreken dat de omstandigheden president Mahmoud Abbas er niet van zullen weerhouden om de uitnodiging van het Europees Parlement te accepteren en ons te bezoeken, wanneer hij maar wil.

 
  
MPphoto
 
 

  Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, graag wil ik me allereerst aansluiten bij uw woorden en de persoon die tijdens de verkiezingswaarneming in Palestina de belichaming is geweest van het Europees Parlement en heel de Europese Unie, mevrouw De Keyser - een goede vriendin van ons allen en ook een goede vriendin van mijzelf - feliciteren met het werk dat zij heeft verricht in deze moeilijke tijd, waarin de waarnemingsmissie zo enorm belangrijk is geweest. Ik weet niet of mevrouw De Keyser aanwezig is, maar ik wil hoe dan ook mijn bewondering en erkenning uitspreken en haar nogmaals mijn vriendschap en sympathie betuigen.

(Applaus)

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik moet u eerlijk zeggen dat het voor mij erg moeilijk is om deze vergadering van 1 februari 2006 te beginnen. Als we één maand teruggaan in de tijd, naar 1 januari van dit jaar, en terugblikken op wat er de afgelopen dertig dagen allemaal is gebeurd in de wereld, zien we dat het erg nuttig kan zijn om hier, in dit Parlement, over bepaalde zaken na te denken. Wij moeten nadenken over het politieke vermogen van de Europese Unie, met name op internationaal vlak, en over onze gezamenlijke plicht om uit de gebeurtenissen van de afgelopen dagen een aantal conclusies te trekken in verband met de vraag wat we wel en wat we niet meer moeten doen. Graag wil ik u er kort aan herinneren wat er in de voorbije dertig dagen allemaal is gebeurd.

De eerste nacht van 2006 hebben velen van ons hun nachtrust opgeofferd om een oplossing te vinden voor een zeer ernstig probleem, dat ook ons aanging: het probleem tussen Oekraïne en Rusland dat moeilijk op te lossen viel omdat er geen energieovereenkomst bestond tussen beide landen. Als die energieovereenkomst er ook niet was gekomen en het conflict was blijven bestaan, zou dat uitermate ernstige gevolgen hebben gehad voor de energievoorziening van veel landen van de Europese Unie. Dat was nacht één van het jaar.

In de derde nacht van 2006 nam de Iraanse regering de zeer ingrijpende beslissing om te beginnen met het verrijken van uranium. Nog geen week later werden de zegels verbroken die waren aangebracht door het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie in Wenen overeenkomstig de resoluties van de Veiligheidsraad en de Raad van gouverneurs van het Agentschap.

Een paar dagen nadien werd premier Sharon opgenomen in een kliniek in Jeruzalem, en helaas is hij nog altijd niet volledig hersteld. Ik wil de familie van premier Sharon vanaf deze plaats - en, als u mij toestaat, namens ons allen - laten weten dat wij hem een spoedig herstel toewensen. Ongeacht de meningsverschillen en misverstanden die er in het verleden zijn geweest, ongeacht de moeilijkheden die we hebben gehad, verdienen al degenen, die samen met ons hebben gestreden en gewerkt, erkenning in moeilijke tijden.

Slechts een aantal dagen later ontstonden er ernstige problemen bij het begin van de verkiezingen in Palestina, en weer stond mevrouw De Keyser klaar om een oplossing te vinden. Aan het eind van de maand vonden de Palestijnse verkiezingen plaats, en de uitslag veroorzaakte grote opschudding.

Een aantal dagen nadien kwam - in de context van een andere kwestie die van wezenlijk belang is voor de Europese Unie - de president van Kosovo, de heer Rugova, onverwacht te overlijden.

Tijdens de laatste dagen van de maand vond er een belangrijke bijeenkomst plaats van de Afrikaanse Unie, waarmee we zeer intens samenwerken om een oplossing te vinden voor de ernstige problemen in Darfur.

En een paar dagen geleden, in dezelfde maand, vroeg de secretaris-generaal van de Verenigde Naties ons of wij ons klaar wilden maken voor een beslissing over de mogelijkheid dat de Europese Unie een rol gaat spelen bij het waarborgen van een veilig verloop van de verkiezingen die over enkele maanden in Kongo plaatsvinden.

Dames en heren, als we heel even stilstaan bij de gebeurtenissen van de afgelopen dertig dagen, zien we dat ze belangrijke lessen voor ons bevatten. De meeste lessen hebben te maken met de invloed die de Europese Unie in de wereld van vandaag uitoefent. In alle - let wel: alle - kwesties die ik heb genoemd, heeft de Europese Unie namelijk een wezenlijke rol moeten spelen: in de belangrijke kwestie van de continuïteit van de energievoorziening, die ons heel 2006 zal achtervolgen; in de kwestie-Iran, waarmee we ons de komende dagen en ongetwijfeld ook daarna zullen bezighouden; bij de verkiezingen in Palestina en de gevolgen ervan; in de situatie in Kosovo na het overlijden van president Rugova en de gevolgen die dat in 2006 - en laten we hopen alleen in 2006 - zal hebben voor het bereiken van een overeenkomst inzake de status van Kosovo, en in de kwesties die het gevolg zijn van de veranderingen die zich hebben voltrokken in de Afrikaanse Unie, waarmee we hechte vriendschapsbanden onderhouden en nauw samenwerken.

Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag kort ingaan op al deze kwesties. Zij waren de belangrijkste gebeurtenissen van de afgelopen maand en zullen in 2006 ongetwijfeld een stempel blijven drukken op de agenda van dit Parlement en van de Europese Unie. Eerst en vooral wil ik echter de Voorzitter en de leden van het Parlement nogmaals het volgende zeggen. Het staat buiten kijf dat de Europese Unie een fundamentele speler is in de internationale politiek, en dat ook moet blijven. De ervaring leert ons dat we dat - of we het leuk vinden of niet - moeten zijn. In die korte tijdspanne van dertig dagen hebben we ons met zo onvoorstelbaar veel kwesties moeten bezighouden, dat het er ons af en toe van duizelde - zo druk is de afgelopen maand geweest.

Dames en heren, vanochtend ontving de Commissie buitenlandse zaken van dit Parlement twee belangrijke gasten uit Oekraïne: de minister van Buitenlandse Zaken, de heer Tarasyuk, en Yulia Timoshenko, een zeer gerespecteerd parlementslid. De Commissie buitenlandse zaken heeft kunnen vernemen - en ik hoop dat u er ook een en ander over heeft kunnen zeggen - in wat voor moeilijke situatie Oekraïne zich bevindt. Oekraïne is een bevriend land, dat cruciaal is voor de stabiliteit en de veiligheid in Europa. Ongeveer een jaar geleden probeerden wij allemaal, het Europees Parlement en ikzelf, een oplossing te vinden voor een zeer ernstig probleem in Oekraïne. Vandaag, een jaar later, zien we dat veel van de problemen die destijds speelden, niet meer zo ernstig zijn als toen, maar helaas wel ernstig genoeg om ons ertoe aan te zetten onze inspanningen voort te zetten, eerst en vooral om ervoor te zorgen dat dit grote land niet van koers raakt en de weg blijft volgen van economische en politieke vooruitgang, van veiligheid en toenadering tot Europa. Dat is immers wat wij allemaal willen. De afgevaardigden die vanochtend naar de minister van Buitenlandse Zaken en mevrouw Yulia Timoshenko hebben geluisterd, hebben kunnen vaststellen dat het helaas om een zeer ernstig probleem gaat en dat wij daar bijzondere aandacht aan moeten schenken.

In de paar minuten spreektijd die ik voor deze eerste toespraak heb, zal ik niet verder in detail treden. Ik wil echter wel nog zeggen dat de verkiezingen die niet over een jaar, maar over twee maanden in Oekraïne plaatsvinden, van fundamentele betekenis zullen zijn voor ons allemaal: niet alleen voor de Europese Unie, maar natuurlijk ook voor Oekraïne zelf en alle landen in het oostelijk deel van ons continent. De verkiezingsresultaten zullen op allen van invloed zijn.

Het zou uitermate jammer zijn als wat we een jaar geleden de Oranjerevolutie noemden, ophield een oranje revolutie te zijn en een revolutie van een andere aard, of een stap terug werd, na de reeks stappen vooruit die het land een jaar geleden heeft gezet.

Dan wil ik nu, mijnheer de Voorzitter, graag overgaan op het tweede punt waarover ik het wilde hebben: de kwestie-Iran. Ik geloof dat de afgevaardigden goed op de hoogte zijn van wat er sinds drie januari dit jaar, dus heel kort geleden, in Iran is gebeurd, en vooral van wat er sinds dertien januari is gebeurd, toen de Europese Unie in Berlijn besloot om een buitengewone vergadering te beleggen van de raad van gouverneurs van het Internationaal Atoomagentschap, en vervolgens de raad van gouverneurs verzocht om het dossier Iran door te verwijzen naar de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Sindsdien is er veel gebeurd, want de dagen lijken seconden en de maanden uren. Ik kan u mededelen dat de vertegenwoordigers van China en Rusland op dit moment in Teheran zijn, met een mandaat van de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad plus de Europese Unie. Tijdens de bijeenkomst die op 2 februari, dat wil zeggen morgen, zal plaatsvinden, zullen zij een laatste poging doen om tot overeenstemming te komen. Ik kan u zeggen dat de lidstaten van de Europese Unie en de Verenigde Staten eergisteren tot diep in de nacht een mijns inziens belangrijke vergadering hebben gehad met Rusland en China, en pogingen hebben gedaan om een akkoord te bereiken over een mogelijke ontwerpresolutie. Ik kan u eveneens mededelen dat er een akkoord is bereikt, en dat het vanmiddag nog in Wenen gepresenteerd zal worden, zodat het debat morgen van start kan gaan.

Dames en heren, in deze ontwerpresolutie worden de volgende oproepen gedaan. Ten eerste wordt Iran verzocht om terug te keren naar de situatie van voorheen, dat wil zeggen, af te zien van zijn aspiraties om uranium te verrijken en weer plaats te nemen aan de onderhandelingstafel. Ten tweede wordt verzocht om aanneming van de resolutie die vanmiddag met de steun van Rusland en China ter tafel wordt gebracht, en deze resolutie samen met alle bijbehorende resoluties die de laatste maanden zijn aangenomen door te verwijzen naar de Veiligheidsraad. Tevens wordt de Veiligheidsraad verzocht geen enkele resolutie meer aan te nemen tot de buitengewone vergadering in maart van de raad van gouverneurs. Op die manier proberen we een duidelijk signaal af te geven aan de Iraanse regering en tegelijkertijd een zo groot mogelijke consensus te bereiken binnen de internationale gemeenschap.

Het gaat om een kwestie van fundamenteel belang, die samenhangt met de proliferatie van massavernietigingswapens. Daarom vinden wij het absoluut noodzakelijk om een zo breed mogelijke consensus te bereiken onder de leden van de internationale gemeenschap en met name onder de leden van de raad van gouverneurs van het Internationaal Atoomagentschap. Ik zeg niet dat ik optimistisch ben, want over een zaak als deze kun je moeilijk optimistisch zijn, maar ik geloof dat er de voorbije uren een ware krachtsinspanning is geleverd, niet alleen door ons maar door alle leden van de internationale gemeenschap, die zich daarbij ongetwijfeld hebben laten leiden door de standpunten die de Europese Unie al jarenlang inneemt.

(Applaus)

We hopen daarom dat het debat, dat morgen van start gaat en beslist langer dan een dag zal duren, zal helpen Iran te bewegen tot een redelijker opstelling ten aanzien van nucleaire kwesties.

Mijnheer de Voorzitter, het derde punt waarover ik het heel kort wil hebben - want de tijd tikt door - zijn de verkiezingen in Palestina. Ik heb al gewag gemaakt van het goede werk dat de Europese Unie geleverd heeft bij de verkiezingswaarneming, maar ik wil daar enkele opmerkingen over de uitslag aan toevoegen. De uitslag, dames en heren, kwam voor iedereen onverwacht: voor Hamas, voor Fatah, voor Israël en voor de internationale gemeenschap.

Natuurlijk lag het in de lijn der verwachting dat Hamas het beter zou doen dan de laatste keer, maar niemand - noch Hamas, noch Fatah, noch de internationale gemeenschap - verwachtte dat Hamas een dergelijk succes zou boeken.

Wat moet mijns inziens ons standpunt op dit moment zijn? En ik heb het dan niet over een persoonlijk standpunt, maar over het standpunt dat op maandagochtend - zeer recentelijk dus - werd afgesproken door de ministers van Buitenlandse Zaken in de Raad algemene zaken en op maandagavond met onze Russische en Amerikaanse vrienden en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, in het Kwartet.

Dames en heren, wij geloven - en ik denk terecht - dat we president Abu Mazen moeten blijven steunen. Hij heeft deelgenomen aan deze verkiezingen met een programma waar wij achter stonden. Hij wil de weg van vrede bewandelen, erkent de noodzaak van onderhandelingen met Israël, vindt dat er een einde moet komen aan de intifada, en dat de routekaart in gang moet worden gezet. Dat waren de standpunten van president Abu Mazen, waarvoor hij massale steun kreeg van zijn medeburgers in Palestina.

Vervolgens zijn er verkiezingen gehouden, die Hamas met een forse, ja zelfs absolute meerderheid heeft gewonnen, en met een ander programma dan dat van president Abbas. Daarom zullen zich in de toekomst - wanneer een regering is gevormd, na de onderhandelingen die naar alle waarschijnlijkheid over enkele weken zullen plaatsvinden, hetgeen betekent dat we op zijn vroegst over twee, drie maanden een regering zullen hebben - ongetwijfeld botsingen voordoen tussen de twee partijen, tussen de opvattingen van president Abu Mazen en die van Hamas.

In de verklaring die de Raad buitenlandse zaken op maandag heeft afgelegd, en die vervolgens werd onderschreven tijdens de bijeenkomst van het Kwartet, hebben we een aantal mijns inziens belangrijke zaken gezegd, zaken die bekend zouden moeten zijn en bovenal uitgelegd moeten worden. We hebben duidelijk gesteld dat, volgens het verslag van de waarnemers en hun voorzitter, de verkiezingen op een transparante, nette en eerlijke wijze zijn verlopen. Verder zeggen we in de verklaring dat Europa zonder meer bereid is om te blijven samenwerken met onze Palestijnse vrienden, zoals we al jaren doen, sinds het proces van Oslo, waarin wij Europeanen in economisch maar ook in politiek en psychologisch opzicht heel veel hebben geïnvesteerd. We zijn bereid om dat te blijven doen, zeker tot de nieuwe regering is gevormd. Als er echter een nieuwe regering komt onder leiding van Hamas, dan zal dit Parlement goed moeten nadenken en een aantal voorwaarden moeten stellen.

Het Europees Parlement en de Europese Unie in haar geheel moeten onze Palestijnse vrienden een aantal zaken heel duidelijk maken - drie zaken om precies te zijn. Ten eerste kunnen geweld en democratisch gekozen partijen niet samengaan. In een democratie moeten de gekozen partijen afzien van geweld en zich aan de democratische spelregels houden.

(Applaus)

Ten tweede moeten we onze Palestijnse vrienden, met dezelfde genegenheid en vriendschap als altijd, duidelijk maken dat, als ze de steun van de Europese Unie willen, zij er absoluut voor moeten zorgen dat hun beleid verenigbaar is met het standpunt dat dit Parlement en de Europese Unie hebben ingenomen sinds de akkoorden van Oslo, sinds 1993. Wij willen twee staten die in vrede en welvaart naast elkaar bestaan; we willen dat er langs vreedzame weg - en niet langs andere wegen - wordt onderhandeld, en daarom vragen we beide partijen elkaar te erkennen, want dat is wat we willen. De expliciete erkenning door alle Palestijnse autoriteiten, wie dat ook zijn, van het feit dat Israël een realiteit is waarmee een dialoog moet worden gevoerd en een overeenkomst moet worden bereikt, zal een absolute voorwaarde zijn voor de steun van dit Parlement.

Ten derde willen we onze Palestijnse vrienden zeggen - dat heb ik sinds de verkiezingen zelf al meermaals gedaan, en ik spreek de president bijna dagelijks - dat het heel goed zou zijn indien de nieuwe regering die over drie maanden als gevolg van de verkiezingen zal worden gevormd, alle akkoorden zou erkennen die de afgelopen jaren door de Palestijnse Autoriteit zijn ondertekend. Het zou absurd zijn indien wij, na al het werk dat in al die jaren door u en door ons is verricht, weer van nul zouden moeten beginnen.

Dames en heren, dat is wat wij willen zeggen, en ik denk dat iedereen dat moet begrijpen. Ik denk en hoop dat onze Palestijnse vrienden, van welke partij ze ook mogen zijn, welke partij of groepering ze ook mochten vertegenwoordigen tijdens deze verkiezingen, zullen begrijpen dat wij de zaken niet proberen te forceren of onze wil proberen op te leggen, maar dat wij op een duidelijke, eenvoudige manier uiteen willen zetten wat het standpunt van de Europese Unie is, niet sinds kort, maar sinds 1993, toen de akkoorden van Oslo werden ondertekend. Ik geloof dat we die taak eensgezind moeten aanvaarden. Ik geloof dat we vastberadenheid moeten tonen, net als we in de Raad Algemene Zaken hebben gedaan, net als het Kwartet maandagavond na de Raad Algemene Zaken heeft gedaan. Wat niet wil zeggen dat we in deze moeilijke tijd - waarin op president Abu Mazen de enorme verantwoordelijkheid rust om een regering te vormen, om te gaan praten met alle politieke groeperingen - geen hulp moeten bieden, of dat we president Abu Mazen niet moeten helpen waar we kunnen, nu hij de situatie nog onder controle heeft, zodat er in de drie maanden die hij waarschijnlijk nodig zal hebben om een nieuwe regering te vormen, geen economisch bankroet ontstaat.

Mijns inziens begaan we een enorme fout als we president Abu Mazen nu in economisch opzicht in de steek laten, als de middelen niet gebruikt worden of hun bestemming niet bereiken, en als we het risico nemen dat de Palestijnse Autoriteit juist op een moment als dit in een zeer moeilijke situatie verzeild raakt.

(Applaus)

Dit is een oproep aan ons allen en aan het Europees Parlement om - als de Europese Commissie op een bepaald moment een verzoek, een aanbeveling in deze zin doet aan het Parlement, en ik hoop dat dat gebeurt - vrijgevig te zijn en president Abu Mazen de komende maanden te steunen tot er een nieuwe regering is, zodat hij en zijn overtuigingen vaste grond onder de voet krijgen. Ik geloof dat we volmondig ‘ja’ moeten zeggen, zodat dat in de toekomst gebeurt.

We zullen te maken krijgen met een nieuwe situatie. Het zal moeilijk zijn, het zal niet gemakkelijk zijn, maar ik geloof dat we ons vastberaden moeten blijven inspannen om dit vredesproces vooruit te helpen onder de voorwaarden die ik eerder heb genoemd. Zoals ik al eerder zei, zijn het geen absurde voorwaarden. Ze komen niet uit de lucht vallen, maar zijn het resultaat van jarenlange inspanningen, van jarenlange samenwerking, van jarenlange pogingen om samen met onze Palestijnse vrienden vooruitgang te boeken in het vredesproces.

Mijnheer de Voorzitter, ik wil nog kort iets zeggen over de situatie in Kosovo na het overlijden van president Rugova. Ik had de droevige taak - hoewel ik er graag heen ben gegaan - om de begrafenis van president Rugova bij te wonen. De familie vroeg me toen om namens de Europese Unie te spreken. Dat heb ik gedaan, en daarbij heb ik proberen te spreken namens u allen, en namens alle burgers van Europa, die op dat moment ongetwijfeld met hun gedachten bij president Rugova waren. Laten we onszelf echter niets wijsmaken: we staan aan het begin van een moeilijk proces. Dit proces was al moeilijk toen president Rugova nog leefde en als het ware optrad als ‘beschermheer’ van de hele politieke operatie die voor ons ligt. Dus kunt u zich voorstellen hoe het zal zijn zonder hem. In mijn toespraak heb ik de politieke leiders, en de burgers van Kosovo in het algemeen, opgeroepen tot grootmoedigheid, eenheid en verantwoordelijkheid, zodat er vooruitgang kan worden geboekt. Ik geloof dat die woorden, of ze nu door mij of door anderen zijn uitgesproken, weerklank hebben gevonden. Vandaag hebben we - veel eerder dan ik verwachtte - al iemand die president Rugova vervangt en die ook het team zal aanvoeren dat onder leiding van de heer Ahtisaari, voormalig president van Finland, de onderhandelingen met onze Servische vrienden zal voeren.

Laten we dus hopen dat we deze weg kunnen bewandelen en relatief snel vorderingen kunnen maken. Ik wil echter wel nog eens onderstrepen dat het veel inspanning zal kosten om een definitieve oplossing te vinden voor de situatie in Kosovo. Een dergelijke oplossing zou echter ongetwijfeld een fundamentele stap zijn in de richting van stabiliteit in de Balkanlanden, die we tijdens de top van Thessaloniki en vele malen nadien perspectief op een toekomst binnen Europa hebben geboden.

Mijnheer de Voorzitter, ik geloof dat mijn tijd er bijna op zit, en ik zou het jammer vinden als ik niets meer zou kunnen zeggen over de andere kwesties waarover ik het met u wilde hebben, in het licht van alles wat er de afgelopen twintig dagen is gedaan. Ik wil u zeggen dat we nauw blijven samenwerken met de Afrikaanse Unie om een oplossing te vinden voor het vredesproces in Darfur. We hebben veel vorderingen gemaakt bij de Noord/Zuid-onderhandelingen en een overeenkomst bereikt, maar helaas zit er ook geen schot in het Abuja-proces. We doen wat we kunnen. Gelukkig is men tijdens de bijeenkomst van de Afrikaanse Unie overeengekomen dat de president van Kongo-Brazzaville voorzitter wordt van de Afrikaanse Unie, en niet de president van Soedan, hetgeen een groot probleem zou zijn geweest voor de toekomstige onderhandelingen. We zullen met groot genoegen alles doen wat in onze macht ligt om het Abuja-proces vooruit te helpen, en tegelijkertijd zullen we een begin maken met het plannen - want wij zullen een belangrijke rol moeten gaan spelen - van de overgang van de door de Afrikaanse Unie geleide troepenmacht, die nu ter plaatse is, naar een troepenmacht die vroeg of laat, op zijn laatst over een paar maanden, zal bestaan uit blauwhelmen van de Verenigde Naties, en waarmee we beslist zullen moeten blijven samenwerken.

Mijnheer de Voorzitter, om af te ronden nog het volgende. U weet, dames en heren, dat we - althans, de Voorzitter en ik - een verzoek hebben ontvangen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om na te aan of we kunnen helpen bij de komende verkiezingen in de Democratische Republiek Kongo, die de laatste impuls zullen geven aan het democratiseringsproces in Kongo. Een goede afloop zou stabiliteit brengen in een belangrijk deel van de ruggengraat van Afrika. Deze kwestie is dus voor ons allen van fundamenteel belang. Men heeft ons om hulp gevraagd, en vandaag is er in Kinshasa een fact finding-missie aan het werk die naar ik hoop op zeven februari, over een paar dagen dus, verslag zal uitbrengen. Dan kunnen wij bekijken of de lidstaten van de Europese Unie kunnen beslissen om de Verenigde Naties te steunen en in te gaan op hun verzoek. Dat zou een goede beslissing zijn.

Dames en heren, mijnheer de Voorzitter, hier laat ik het bij. Er zijn eindeloos veel dingen die ik met u zou willen bespreken op deze eerste dag van de maand februari van 2006, een jaar dat in een razend tempo van start is gegaan, en waarin we allemaal keihard zullen moeten werken, met een energie, capaciteit en toewijding zoals we in de Europese Unie zelden hebben gezien.

De Europese Unie moet, met de wil van de leden van dit Parlement, met de wil van de burgers van Europa en met de wil van de Europese regeringen, een fundamentele speler zijn op het wereldtoneel. Toen ik zojuist opsomde wat er de afgelopen maand is gebeurd kon u, dames en heren, vaststellen dat we, of we het leuk vinden of niet, geen andere keus hebben: we mogen onze ogen niet sluiten voor de problemen die zich voordoen in de wereld, en ik wil u zeggen dat de wereld ook wil dat Europa optreedt. Overal kom je mensen en politieke leiders tegen die op Europa’s deur kloppen en zeggen: ‘Treedt op, treedt op! Wij vinden jullie manier van optreden goed. Wij kunnen ons vinden in jullie manier van optreden. Jullie manier van optreden is beter voor de wereld, voor de multilaterale wereld die de burgers van de Europese Unie voor ogen hebben.’

De eurobarometer, mijnheer de Voorzitter, vertelt ons iedere dag, iedere maand, of iedere twee maanden, iedere keer dat we ernaar vragen, wat dit Parlement wil. Laten we daarom dit pad blijven bewandelen. Laten we ervoor zorgen dat het Parlement en alle instellingen samenwerken, want we zijn noodzakelijk voor een betere wereld.

Mijnheer de Voorzitter, ik zou nog veel meer willen zeggen, maar ik weet dat dat niet mogelijk is. Dus rond ik nu af en wacht de vragen af die de leden me willen te stellen. Ik zal mijn best doen om ze zo goed mogelijk en met evenveel respect en sympathie als altijd te beantwoorden. Dames en heren, dank u wel.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, mijnheer de voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, dames en heren, als we de uitgangspositie van het Europees buitenlands en veiligheidsbeleid van enige jaren terug onder ogen nemen, stellen we vast dat degenen die daarbij betrokken waren, geweldige resultaten hebben bereikt, en dat op de Balkan, door de Trojka van de EU, en op veel andere terreinen resultaten zijn behaald, die eerder niet mogelijk waren, en dat de Europese Unie met haar uitbreidingsbeleid, haar nabuurschapsbeleid, het mediterrane beleid en nog veel meer, een grote bijdrage heeft geleverd aan de stabiliteit in de wereld.

Het Europees Parlement heeft dit werk steeds ondersteund en is zich ervan bewust dat het - net als elk ander parlement - geen actief buitenlands beleid kan voeren, want het buitenlands beleid is de taak van uitvoerende macht. Het Parlement moet echter de mogelijkheid hebben om controle uit te oefenen. We bevinden ons evenwel in een situatie waarin we die controle niet in voldoende mate kunnen uitoefenen, omdat we meestal achteraf worden geïnformeerd en niet a priori bij de discussie worden betrokken. Op dat punt moeten we aan verbetering werken en de zaken, overeenkomstig deze interpretatie van artikel 21, bespoedigen. Ik hoop dat wij dit bij de Raad en de Commissie met vreedzame middelen erdoor kunnen krijgen.

We moeten echter ook inzien dat het Parlement tot nu toe bijna uitsluitend budgettaire argumenten kon gebruiken om iets te verwezenlijken. We zullen een einde aan die situatie moeten maken en ervoor moeten zorgen dat de positie van het Parlement met betrekking tot controle en raadpleging wordt verbeterd.

Een voorbeeld: hoe is de situatie in Kongo? We hebben allen in de kranten gelezen dat men overweegt om in Kongo ook militair actief te worden. Niemand heeft echter in enig stadium het Europees Parlement of de desbetreffende commissie daarmee benaderd. Ik ben van mening dat dat niet de weg is die we moeten volgen.

Ik zei dat er veel positiefs is bereikt. Je kunt echter een glas als halfvol of als halfleeg beschouwen. In vergelijking met een jaar geleden is de situatie veel ingewikkelder, niet ten gevolge van het Europees beleid, maar eenvoudigweg omdat de zaken er zo voor staan. De heer Solana heeft daar reeds op gewezen met een aantal voorbeelden van het begin van het jaar. Je hoeft maar te kijken naar de situatie in Iran. Wij proberen daar moeizaam om de draad van het gesprek weer op te nemen, maar niemand kan een goed antwoord geven op de vraag hoe een escalatie van de ontwikkelingen kan worden voorkomen, nu de mogelijkheid bestaat dat Irak een Sjiitische regering krijgt, die zich zou kunnen aansluiten bij Iran, nu de verkiezingen in Palestina zijn gewonnen door Hamas, die banden heeft met Iran, omdat de organisatie door Iran wordt gefinancierd, en er ook nog een Hezbollah is, met alles wat daarmee te maken heeft. Als je bedenkt wat dit scenario voor de wereldvrede, maar ook bijvoorbeeld voor onze energievoorziening betekent, en als je tevens constateert dat een herrezen Rusland energie gebruikt als politiek instrument, zodat aan de Europese Unie grenzende landen vrezen voor hun onafhankelijkheid en zelfbeschikkingsrecht, dan is dat een erg deprimerend scenario. En dit is maar een klein deel van het geheel. Dit scenario laat zien dat we, wat het buitenlands beleid betreft, er slechter voor staan dan een jaar geleden, en dat we daarom een passende strategie moeten ontwikkelen. We moeten veel actiever worden en bijvoorbeeld in het geval van Oekraïne, maar ook in het energiebeleid in het algemeen, de zaken zo met elkaar verbinden, dat niet één land afzonderlijk gestraft kan worden, maar dat we gezamenlijk onze belangen behartigen. De lidstaten en onze buurlanden moeten begrijpen dat we alleen onze belangen veilig kunnen stellen als we dat gezamenlijk doen, en niet ieder voor zich. Niemand kan het alleen redden. Alleen gezamenlijk kunnen we onze belangen behartigen. Dat moet veel duidelijker worden gemaakt.

(Applaus)

We moeten ook een bijdrage leveren aan de ontwikkelingen in de Balkan, waar dit jaar met het referendum in Montenegro en de onderhandelingen over de status van Kosovo belangrijke besluiten zullen worden genomen. De vraag hoe we daarbij Servië gaan betrekken, is van groot belang en niet eenvoudig te beantwoorden. De transatlantische betrekkingen moeten afdoende worden verbeterd, zodat wat ik hiervoor als scenario heb beschreven, op basis van de gemeenschappelijk waarden die ons verbinden, kan worden verwezenlijkt.

Dat betekent ook dat we sterk genoeg moeten zijn om het Amerikaans beleid te beïnvloeden, om de preventieve werking van de politiek, de dialoogaspecten van de politiek te versterken, en om in een multilaterale wereld een grotere mate van veiligheid te bereiken.

Dat betekent dat we een aantal instrumenten zullen moeten bijslijpen. We hadden graag de heer Solana op 1 januari 2007 als Minister van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie gezien. Dat is ons met de grondwet niet gelukt. Dat betekent echter wel dat de instrumenten moeten worden verbeterd, opdat de instellingen in hoge mate slagvaardig worden en niet tegenover elkaar komen te staan.

De heer Solana zei dat de wereld een Europees buitenlands beleid wil, ook vanwege zijn multilateraal uitgangspunt. De burger wil een Europees buitenlands beleid. Geen terrein ligt de burger zo na aan het hart. Dus moeten wij op dit punt gemeenschappelijk handelen. Vanuit die verantwoordelijkheid moeten we samen met de nationale parlementariërs proberen kortzichtigheid te overwinnen en punten van overeenkomst te vinden, zodat we het recht op leven van onze burgers kunnen waarborgen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Hoge Vertegenwoordiger heeft er in de inleiding van zijn verklaring op gewezen dat de eerste eenendertig dagen van dit jaar, en daarmee ook het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad, een turbulente tijd zijn geweest. Dat was het inderdaad. De agenda van de eerste bijeenkomst van de Raad onder voorzitterschap van de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, twee dagen geleden, heeft dat laten zien.

Het was belangrijk dat we in de Raad de onderwerpen, die de heer Solana grotendeels aan de orde heeft gesteld, hebben behandeld en dat we besluiten hebben genomen met een duidelijke boodschap. Het is inderdaad belangrijk dat de Europese Unie bij de grote hedendaagse vraagstukken naar buiten toe gesloten, helder en duidelijk optreedt. We doen dat vanzelfsprekend gezamenlijk met de Commissie, en we willen ook een dialoog en besprekingen met u in het Europees Parlement. Ik wil graag in herinnering brengen dat gedurende de afgelopen eenendertig dagen van het Oostenrijkse voorzitterschap de minister van Buitenlandse Zaken, veel andere voorzitters van de Raad en ikzelf al meerdere malen in de gelegenheid zijn geweest om met het Europees Parlement van gedachten te wisselen over veel vraagstukken die u interesseren. Ik wil ook graag in herinnering roepen dat ik gisteren in de gelegenheid was om in de Commissie buitenlandse zaken verslag te doen van de aspecten van het buitenlands beleid die tijdens de eerste vergadering van de Raad onder Oostenrijks voorzitterschap aan de orde zijn geweest. Het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad wil deze bereidheid tot overleg blijven aanbieden en ook met het Europees Parlement in gesprek blijven.

In deze korte verklaring wil ik me concentreren op twee punten. In de eerste plaats wil ik ingaan op het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB - waar dit agendapunt over gaat -, en in de tweede plaats wil ik ingaan op de relatie tussen het Europees Parlement en de Raad met het oog op de budgettaire aspecten van het GBVB.

Wat het eerste onderwerp betreft, stelt de Raad een verslag op waarin de belangrijkste aspecten en de fundamentele keuzen van het GBVB, met inbegrip van de financiële gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Unie, aan de orde worden gesteld. Dat is conform het Interinstitutioneel Akkoord van 1999 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure. Dienovereenkomstig heeft de Raad het Europees Parlement in april 2005 het verslag over het jaar 2004 voorgelegd, dat nu op de agenda staat. Met dit verslag probeert de Raad tegemoet te komen aan het verzoek van het Europees Parlement om gedachten te ontwikkelen over de Europese veiligheidsstrategie. In het verslag wordt dan ook in het bijzonder aandacht geschonken aan de belangrijke onderwerpen van de veiligheidsstrategie. Met name de volgende punten van het GBVB worden behandeld: crisisbeheersing en conflictpreventie, bestrijding van terrorisme, ontwapening en non-proliferatie van massavernietigingswapens en handvuurwapens, buitenlandse betrekkingen in verschillende geografische regio's, enzovoort.

Wij hebben geprobeerd een uitvoerig verslag samen te stellen waarin de resultaten en activiteiten op het terrein van het GBVB volledig worden weergegeven. Daarmee komen wij tegemoet aan onze verplichting tot verslaglegging, en dragen wij bij aan meer inzicht in en transparantie van het werk op het terrein van de GBVB. Wij hebben ook geprobeerd rekening te houden met de opvattingen van het Europees Parlement, en daarom is een apart hoofdstuk opgenomen waarin een blik vooruit wordt geworpen op de toekomstige activiteiten, en waarin de uitgangspunten staan voor de activiteiten in het komende jaar, evenals voor een mogelijk respons op crises.

Over het tweede onderwerp, de financiële aspecten van het GBVB, wil ik het volgende opmerken. De ontwikkeling van het gemeenschappelijke buitenlands en veiligheidsbeleid is zonder twijfel een van de succesverhalen van de Europese Unie. De missies voor crisisbeheersing op de Balkan, in Afrika, Azië en het Midden-Oosten hebben bijgedragen aan een versterking van de positie van de Europese Unie in de internationale gemeenschap. Het is een prioriteit om deze weg in harmonie met de Europese veiligheidsstrategie te blijven volgen. Om slagvaardig te kunnen optreden en onze prioriteiten recht te kunnen doen, hebben we een passende financiering nodig. In de conclusies van het akkoord over de nieuwe financiële vooruitzichten roept de Europese Raad “de begrotingsautoriteit op te zorgen voor een substantiële verhoging van de middelen voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vanaf 2007 om te voorzien in de voorspelbare werkelijke behoeften, beoordeeld op basis van de jaarlijks door de Raad opgestelde prognoses, met een redelijke marge voor onvoorziene acties.”

De in de trialoog bereikte overeenstemming over de verhoging van het GBVB-budget met veertig miljoen euro voor het lopende jaar 2006, tot een totaal van 102,6 miljoen euro, is een stap in de goede richting. We zien ons echter gesteld voor grote uitdagingen. Het optreden van de Europese Unie in Kosovo zal waarschijnlijk substantiële middelen vergen, die niet door het huidige GBVB-budget voor 2006 kunnen worden gedekt. Er wordt momenteel gewerkt aan oplossingen voor het probleem hoe met een dergelijke situatie moet worden omgegaan.

In het verslag van het voorzitterschap aan de Europese Raad over het EVDB wordt het Oostenrijkse voorzitterschap uitgenodigd om het werk voort te zetten en te komen tot een adequate financiering van de civiele EVDB-missies met de GBVB-begroting. Het voorzitterschap verheugt zich op een constructieve samenwerking daarbij met het Europees Parlement. Zoals tijdens de trialoog over de begroting 2006 was afgesproken, zal het voorzitterschap daarover binnenkort voor het eerst informatie verstrekken. Waarschijnlijk zal de vertegenwoordiger van het Politiek en Veiligheidscomité daarvan in maart van dit jaar verslag doen.

Afsluitend wil ik nogmaals benadrukken dat het voorzitterschap uitkijkt naar een constructieve samenwerking met het Europees Parlement, in de hoop dat wij in de onderhandelingen over het toekomstige Interinstitutioneel Akkoord en de begrotingsprocedure 2007 samen het doel van een hogere en efficiëntere GBVB-begroting zullen kunnen bereiken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in 2004 en 2005 werden we geconfronteerd met het rampscenario van de tsunami. Ik ben het met de heer Solana eens dat er dit jaar specifieke politieke uitdagingen in het verschiet liggen.

Ik wil graag beginnen met Oekraïne en Rusland, omdat ik op die manier een bijzonder belangrijk punt aan de orde kan stellen. Zoals u weet, heeft de Commissie - voorzitter Barroso, commissaris Piebalgs en ik - zich zowel op de achter- als op de voorgrond ingespannen om de dialoog tussen Oekraïne en Rusland op gang te houden. Het belangrijkste is ten eerste dat wij - evenals zij - een oplossing hebben gevonden. Ten tweede hebben we hieruit ook een zeer belangrijke les getrokken, namelijk dat het energievraagstuk van groot belang is en veel hoger op onze politieke agenda moet worden geplaatst. De energiekwestie omvat de veiligstelling van de energievoorziening, diversificatie en manieren waarop we in de toekomst met deze kwestie omgaan. De Commissie zal daarom een mededeling opstellen over dit onderwerp, waarin met al deze kwesties rekening zal worden gehouden.

Het tweede punt dat ik wilde maken betreft de Palestijnse verkiezingen. Ik wil mijn waardering uitspreken voor mevrouw De Keyser. We hebben elkaar twee weken geleden ontmoet in de Gazastrook, onder moeilijke omstandigheden, toen de veiligheidssituatie nog steeds onduidelijk was. We dachten dat Hamas dertig tot veertig procent van de stemmen zou halen. Net als iedereen, werden ook wij verrast. Toch moet ik zeggen dat het feit dat de verkiezingen vrij en eerlijk waren en onder relatief veilige omstandigheden hebben plaatsgevonden, het allerbelangrijkste is. Dit is een prestatie op zich. Hieruit concludeer ik dat verkiezingswaarnemingsmissies steeds belangrijker worden. We zien het in Sri Lanka, Palestina, de Gazastrook en Afghanistan, om maar enkele voorbeelden te noemen. In de toekomst zullen er verkiezingswaarnemingsmissies vertrekken naar Kongo en naar Haïti. Dit is een uiterst belangrijk instrument, dat we zonder meer willen inzetten ten behoeve van al onze Europese vrienden in het Parlement en de Raad en ten behoeve van het Europese publiek.

Dan kom ik nu terug op Palestina. We hebben maandag een zeer belangrijke bijeenkomst van de Raad gehad en maandagavond een bijeenkomst van het Kwartet. De heer Solana heeft u al op de hoogte gesteld van de strekking van de drie belangrijkste beginselen: men moet het gebruik van geweld afzweren, de nieuwe Palestijnse regering moet de staat Israël erkennen, en zij moet verder de bestaande verplichtingen nakomen, met andere woorden de akkoorden van Oslo en de routekaart.

We worden echter tevens voor een uitdaging gesteld. De demissionaire regering zou nog twee of drie maanden kunnen aanblijven. Wat doen we, in het bijzonder met betrekking tot financiële steun? Wij zullen als Commissie oplossingen moeten zien te vinden. Ik heb al gezegd dat we zullen proberen 10 miljoen euro vrij te maken uit onze infrastructuurfaciliteit - daarin is wat geld beschikbaar. We hebben verder gezegd dat we zouden helpen met de openbare voorzieningen, waarvoor we rechtstreeks aan de Israëli's zouden betalen om zo ook die regering te helpen.

We moeten echter ook bekijken wat wij kunnen doen met het geld in ons World Bank Trust Fund. Dit was geblokkeerd. Dat geld was niet beschikbaar gesteld omdat nog niet was voldaan aan de benchmarks. Er zal daar een missie van de Wereldbank naar toe gaan, en dan zullen wij moeten bekijken wat wij kunnen doen. Dit betekent dat we op coherente manier zullen proberen samen te werken met de voorzitter, de Raad, het secretariaat van de Raad en de heer Solana om te bekijken welke instrumenten het best kunnen worden ingezet om het buitenlands beleid zo snel mogelijk coherenter, sneller en doelmatiger te maken.

Nu we het toch over het buitenlands beleid hebben, wil ik nog vermelden dat binnenkort verkiezingen in Oekraïne worden gehouden. Ik heb nog geen uur geleden Boris Tarasyuk ontmoet. We weten hoe belangrijk deze verkiezingen zullen zijn. Wederom zal een verkiezingswaarnemingsteam van de OESO, wellicht met uw steun, belangrijk zijn.

We kunnen ook zeggen dat er in 2005 veel is bereikt, bijvoorbeeld met betrekking tot de status van de markteconomie, waarbij we met de Oekraïners samenwerken. We kunnen werken aan een groot aantal belangrijke kwesties, zoals vereenvoudiging van visumverlening en terugname. We hopen dat we hun na vrije en eerlijke verkiezingen een betere overeenkomst kunnen aanbieden, wellicht zelfs een vrijhandelsovereenkomst. Daardoor zou hun houding ten opzichte van ons en de manier waarop ze ons bejegenen zelfs nog kunnen worden verbeterd.

Dit alles brengt mij bij de vraagstukken van meer algemene aard. Zowel de heer Brok als de heer Winkler, de fungerend voorzitter van de Raad, hebben het belang benadrukt van coherentie tussen de verschillende instrumenten die de Europese Unie ter beschikking staan in de eerste en de tweede pijler. Ik ben het roerend met hen eens. Wij zijn van mening dat het een zeer belangrijke taak is om ervoor te zorgen dat alle beleidsinstrumenten van de EU - ontwikkelingshulp, diplomatie, handelsbeleid, civiel en militair crisisbeheer, institutionele opbouw, humanitaire hulp - functioneren als onderdeel van een samenhangend geheel, alsof het tandwielen waren in een goedgeoliede machine. Dat is immers de gedachte achter een Commissie die "volledig betrokken" is bij het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Hierin komt tevens de richting tot uitdrukking waarin het Grondwettelijk Verdrag ons voerde. Zoals in het verslag van de heer Brok wordt onderstreept, omspannen de veiligheidsrisico's waarmee we worden geconfronteerd terreinen die onder alledrie de EU-pijlers vallen.

Veiligheid heeft niet alleen te maken met defensie en het inzetten van militairen, maar ook met civiel crisisbeheer en het verstandig omgaan met bilaterale betrekkingen, en daarvan hebben we er nogal wat. Hierbij komt ook de volksgezondheid kijken: denkt u bijvoorbeeld aan de vogelgriep. Hierbij komt het milieu kijken: denkt u maar aan het Protocol van Kyoto. Het gaat verder om de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad. Gisteren vond de conferentie over Afghanistan plaats. Het gaat ook om de noodzaak van een betere samenwerking op het vlak van de institutionele opbouw en de drugsbestrijding. We hebben zo veel instrumenten die we tegelijk kunnen inzetten en toepassen. Het gaat niet alleen om de toevoer en prijs van energie, maar ook om de strijd tegen de armoede in de wereld, en om ons vermogen om onze immigranten te laten integreren.

Steeds vaker wordt de Europese Unie gevraagd deze mondiale verantwoordelijkheden op het vlak van vrede en veiligheid te nemen. We beschikken daarvoor inmiddels over een indrukwekkend instrumentarium. Een goed instrumentarium is echter nutteloos als er geen sprake is van een zeer nauwkeurige afstemming tussen de instrumenten. Dat moet dan ook ons doel zijn. Om doeltreffend op een crisissituatie te kunnen reageren, moet men kunnen beschikken over instrumenten die elkaar aanvullen. We hebben robuuste communautaire instrumenten nodig die werken in combinatie met de instrumenten van het GBVB. Dat kan een formule zijn die werkt. Onze bijdrage aan het vredesproces in Atjeh bestaat bijvoorbeeld uit een combinatie van GBVB- en communautaire instrumenten. De Commissie heeft bijvoorbeeld ook de vredesonderhandelingen van oud-president Ahtisaari gefinancierd door gebruik te maken van het snellereactiemechanisme. We hebben dus geprobeerd flexibel te zijn.

Uit het GBVB is de waarnemingsmissie in Atjeh voortgekomen die moet toezien op de naleving van het vredesakkoord. Tegelijkertijd hebben de Commissie en de lidstaten, in samenwerking met de internationale gemeenschap, bijvoorbeeld een pakket maatregelen aangenomen om het vredesproces op lange termijn te ondersteunen. Een ander voorbeeld is de missie voor het verlenen van bijstand bij het grensbeheer in Moldavië en Oekraïne, waarbij de Commissie de inzet van mobiele teams financiert die advies en praktijktraining geven aan Moldavische en Oekraïnse grenswachten en douanebeambten.

De doelstelling op lange termijn om een oplossing van het conflict over Transnistrië mogelijk te maken strookt met die van de bijzondere vertegenwoordiger van de EU. De missie voor de verlening van bijstand bij het grensbeheer en de bijzondere vertegenwoordiger werken dan ook nauw samen. Het hoofd van onze missie fungeert tevens als zijn belangrijkste politieke adviseur, en een lid van zijn team is gestationeerd in het gebouw van onze missie. De eerste resultaten zijn buitengewoon positief. De communautaire hulp vergroot het effect van de hulp uit hoofde van het GBVB, en omgekeerd.

In geen van beide gevallen zou de bijdrage van de Europese Unie allesomvattend of zinvol zijn geweest als geen gebruik was gemaakt van zowel communautaire als GBVB-instrumenten en, wat het belangrijkst is, het effect ervan ter plaatse - op het dagelijks leven van de mensen - zou aanzienlijk kleiner zijn geweest.

We moeten verder de bestaande EU-instrumenten versterken om onze doelstellingen op veiligheidsgebied te ondersteunen. Diplomatie vereist zowel stimulansen als sancties, of we het nu hebben over massavernietigingswapens of het bevorderen van stabiliteit en welvaart in onze directe omgeving. Toegang tot de grootste interne markt van de wereld of tot onze omvangrijke hulpprogramma's is een aanzienlijke stimulans. Dit gecombineerde gebruik van communautaire en GBVB-instrumenten dient de regel te worden, in plaats van de uitzondering.

In 2006 hebben wij allen - Parlement, Raad en Commissie - tot taak te werken aan het verbeteren van de samenhang tussen onze verschillende pijlers en beleidsvormen. Deze kwestie zal ook worden behandeld in het conceptdocument over het externe project van de EU, dat Commissievoorzitter Barroso in Hampton Court heeft aangekondigd, en waarover volgens de huidige planning tijdens de Europese Raad van juni zal worden gesproken. De Commissie zal zich met name richten op het opbouwen van haar capaciteiten op het gebied van crisisbestrijding. Binnen het DG Externe Betrekkingen zal een "crisisplatform" zowel de coördinatie van het interne als het externe beleid verbeteren, en tevens zorgen voor een doelmatiger tenuitvoerlegging van projecten en operaties. Het crisisplatform zal een aanvulling vormen op onze bestaande instrumenten, zoals het mechanisme voor civiele bescherming, de humanitaire hulp en het snellereactiemechanisme.

We willen daarnaast voortbouwen op onze strategie voor alertheid en paraatheid in geval van rampen. In het kader van de nieuwe financiële vooruitzichten zal het stabiliteitsinstrument er ook toe bijdragen dat de continuïteit tussen korte- en langetermijnoptreden wordt gewaarborgd. We hebben ons ten doel gesteld flexibele en gepaste oplossingen te ontwikkelen voor crisissituaties, om zo een betere partner te kunnen zijn voor de militaire component van de crisisrespons.

Tot slot zullen we ook zeer nauw samenwerken met de twee takken van de begrotingsautoriteit, opdat er voldoende middelen worden uitgetrokken voor het GBVB. De Commissie verheugt zich over de aanzienlijke stijging van de middelen voor het GBVB in 2006. Daarmee kan worden voldaan aan concrete nieuwe behoeften, en we weten dat er nieuwe behoeften zullen ontstaan.

We hebben ook gekeken naar de conclusies van de Europese Raad met betrekking tot de toekomstige financiële vooruitzichten. Ons gemeenschappelijke doel moet zijn voldoende middelen te verkrijgen om alle prioriteiten op het vlak van de externe betrekkingen te verwezenlijken. Daarbij moet rekening worden gehouden met de bezuiniging van 20 procent in rubriek 4, die in het voorstel van de Commissie is opgenomen. Gelet op de ervaringen uit het verleden zal het van groot belang zijn voldoende flexibiliteit te waarborgen om te kunnen reageren op onvoorziene situaties. Ik hoop verder dat de steun voor ons stabiliteitsinstrument zal worden voortgezet, opdat wij in staat zijn echte voortgang te boeken op het gebied van crisisreacties en bij de coherentie van ons beleid.

Dit is in grote lijnen hoe we in 2006 aan de slag willen gaan en hoe we de politieke uitdagingen dit jaar het hoofd willen bieden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  João de Deus Pinheiro, namens de PPE-DE-Fractie. - (PT) Voor mij is dit niets nieuws: wat de heer Solana en mevrouw Ferrero-Waldner zojuist zeiden, is al sinds jaar en dag mijn overtuiging. Waar ik het echter niet mee eens ben is de voorstelling dat de middelen die ons ter beschikking staan, voldoende zouden zijn om - in de woorden van heer Solana - de EU op het wereldtoneel een rol van betekenis te laten spelen. En dat is toch wat onze partners en onze burgers van ons verwachten. We zijn daartoe evenwel niet afdoende toegerust, of het nu om de middelen gaat of over onze organisatorische capaciteiten. We zouden ons dus moeten afvragen hoe we de instrumenten die het Verdrag van Nice ons ter hand stelt, het best kunnen gebruiken om onze acties en interne organisatie beter te coördineren.

Om het tekort aan middelen het hoofd te bieden, moeten we prioriteiten vaststellen. De steun van de instellingen is daarbij van fundamenteel belang. Als we een consensus willen bereiken is het vooral belangrijk dat het Parlement van tevoren wordt geraadpleegd, in plaats van achteraf geïnformeerd. Wat we van de Raad horen met betrekking tot de richtsnoeren verschilt niet wezenlijk van hetgeen we van de Commissie horen. Toch mogen we niet vergeten dat zelfs de beste koks - keukenmeesters als Bocuse of Alain Ducas - geen behoorlijke omeletten kunnen maken als ze niet over voldoende eieren beschikken.

Overeenstemming tussen de Europese instellingen is niet voldoende. Het is tegenwoordig ook van fundamenteel belang dat we strategische partnerschappen onderhouden met onze belangrijkste partners. Het transatlantische partnerschap komt dan voorop, gevolgd door de strategische partnerschappen met Rusland en China en - op een daarop volgend niveau - India, Brazilië, Indonesië en Pakistan. Dat is bij de internationale aangelegenheden waar we het nu over hebben - het witwassen van geld of drugssmokkel - van wezenlijk belang. Om ervoor te zorgen dat dit ook werkelijk gebeurt, zullen er voor de verschillende vertakkingen van deze structuur echter wel voldoende middelen beschikbaar moeten zijn.

Dan kom ik nu, mijnheer de Voorzitter, op een ander punt dat mevrouw Ferrero-Waldner zojuist even heeft aangeroerd: immigratie. De bevolking van de EU vergrijst, en dat betekent dat er de volgende decennia veel immigranten via het zuiden en het oosten zullen moeten worden aangetrokken. We zullen de ontwikkelingen op dit vlak zorgvuldig in de gaten moeten houden en daarbij ook vooruit moeten denken. We zullen een binnenlands beleid moeten formuleren om deze immigranten op te vangen en op een geschikte wijze te integreren. De buitengrenzen zullen efficiënter moeten worden gecontroleerd. De uitbreiding heeft deze buitengrenzen immers verlegd.

Met betrekking tot de meest omstreden punten van dit debat - Iran en Palestina - zijn we het volgens mij eens. We moeten voorzichtig en verstandig te werk gaan, maar ons wel resoluut aan onze principes houden. We mogen de beginselen die we ten aanzien van deze kwestie vanaf het begin van de jaren negentig hebben aangehouden, onder geen beding opgeven. Van belang is wel dat de we andere kant enige manoeuvreerruimte gunnen. In het debat over Iran en het Midden-Oosten moeten steeds de woorden “vastberadenheid” en “voorzichtigheid” doorklinken. Wat Kosovo betreft: deze regio zal binnen de context van de Balkan nog vele jaren een belangrijke rol spelen. We moeten er voortdurend op aandringen dat de territoriale integriteit van Kosovo behouden blijft en dat minderheden met respect worden behandeld. Deze twee principes moeten in Kosovo steeds worden geëerbiedigd. Anders zal het heel moeilijk worden de stabiliteit in deze regio te verzekeren.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het zekerstellen van de energievoorziening is natuurlijk een technische aangelegenheid, maar het is tegenwoordig ook een politieke kwestie geworden. De vraag zal immers stijgen, terwijl het aanbod de nu volgende jaren eerder gelijk zal blijven. Dat zal aanleiding geven tot grotere spanningen. Ik stel daarom voor dat we doen wat de grote landen doen als het om hun vitale belangen gaat, en dat is dat we samen een uitgebreid onderzoek doen naar de mogelijke scenario’s. Dan kunnen we strategieën vaststellen om daarop te reageren. Als we dat niet doen, staan ons verrassingen te wachten.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Schulz, namens de PSE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, we hebben van de heer Solana een ontnuchterende openingsbalans voor het jaar 2006 te horen gekregen. De heer Winkler heeft in principe onderstreept dat we dit jaar naar de inschatting van het fungerend voorzitterschap zware tijden tegemoet gaan. Mevrouw Ferrero-Waldner heeft vanuit haar optiek hetzelfde gezegd. We staan dus voor uitdagingen.

Het moet de Europeanen duidelijk zijn dat hetgeen Solana, Winkler en Ferrero-Waldner beschrijven, niets anders is dan het nabuurschapsbeleid van de Europese Unie. De crisisregio's die worden genoemd, liggen immers naast de voordeur van de Europese Unie. De crisisachtige ontwikkelingen brengen risico's met zich mee, die iedere afzonderlijk burger van de Unie bedreigen, want zo moet je het wel noemen.

Als ik daar de beschrijving tegenover zet die Elmar Brok als rapporteur van het verslag over de toestand van het Europese buitenlands beleid met betrekking tot de uitvoerende organen geeft van het instrumentarium dat de organen en onszelf ten dienste staat, dan is de balans even ontnuchterend.

Het buitenlands beleid van de Europese Unie is meer dan ooit tevoren een kernbestanddeel van de Europese politiek - overigens wel een kernbestanddeel, zoals Elmar Brok terecht zei, dat door de bevolking wordt gewenst en gesteund. Laten we echter eerlijk zijn tegen onszelf: de instrumenten die nodig zijn voor een efficiënt, doelmatig Europees beleid, zijn niet in voldoende mate beschikbaar. Daarom moeten we er als Europees Parlement op aandringen dat daar verbetering in komt.

Nemen we als voorbeeld Oekraïne. We hebben allen een jaar geleden gezien hoe slagvaardig we kunnen handelen als we met onze capaciteiten, in hun moduleachtige samenstelling, ter plaatse zijn. Zo hebben we Javier Solana, de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie, die namens allen kan handelen en spreken, de Poolse president Kwaśniewski, president van een onmiddellijk buurland met grote invloed in het land en voortdurende terugkoppeling naar andere staatshoofden, die op hun beurt weer vanuit de Europese Unie hun invloed kunnen doen gelden op andere betrokkenen, bijvoorbeeld de Russische regering - zij hebben ertoe bijgedragen dat deze oranjerevolutie tot een vreedzaam einde is gekomen. Nu is er een jaar voorbij en nu krijgen we te horen dat er sprake is van een tegenbeweging. Mensen die hier vanuit Oekraïne op bezoek waren, hebben verteld dat veel verworvenheden van het afgelopen jaar, worden bedreigd. Aan de beschrijving van de dreigende situatie op het gebied van de energievoorziening, waar Oekraïne sterk bij betrokken is, hoef ik niets toe te voegen.

Hoe is het eigenlijk mogelijk dat het binnen één jaar tijd zo ver kon komen dat wat wij een jaar geleden zo enthousiast hebben begroet, nu wordt bedreigd? Daarover zullen we moeten nadenken. De heer Winkler heeft gelijk met zijn opmerking dat we daarover ook in het kader van de financiële vooruitzichten moeten nadenken. Want het mag niet zo zijn dat de Raad bij al zijn bijeenkomsten met luide stem verkondigt dat we ons internationaal moeten laten gelden, en vervolgens fors het mes zet in de middelen die voor een dergelijk engagement nodig zijn.

(Applaus)

Daarom is ook met betrekking tot de financiële situatie één ding heel duidelijk: we moeten doen wat nodig is om financieel in het Midden-Oosten de stabiliteit te herstellen, voor zover we die kunnen herstellen. Hamas moet afzien van geweld, ja zeker! Maar de EU moet zich ook aan haar woord houden! En wie niet de fout wil maken, die in Algerije is gemaakt, namelijk de uitslag van een legitieme verkiezing niet erkennen, die zal met Hamas moeten praten. Dat moet voor ons duidelijk zijn. Dat wij ons aan ons woord houden, is ook een bijdrage aan de vrede. Dan kunnen we ook vragen dat andere partijen, in het bijzonder Hamas, zich ontwikkelen in de richting van democratie. Ik hoop dat het lukt.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa streeft een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid na dat de Europese waarden in de wereld bevordert en vrede en veiligheid brengt in onze buurlanden. Het is echter overduidelijk dat de Europese leiders op dat terrein tekortschieten.

Als onze Unie had samengewerkt, had zij haar invloed kunnen gebruiken om democratie en stabiliteit te bevorderen. In plaats daarvan heeft zij met haar beleid stilzwijgend steun verleend aan dictatoriale regimes als in Tunesië, Egypte en Syrië. We hebben aan het onderhouden van diplomatieke contacten nooit de voorwaarde verbonden dat democraten als Ayman Nour in Egypte zouden worden vrijgelaten,; of in Azië dat de in ballingschap levende oppositieleider Sam Rainsy het recht zou krijgen om ongehinderd terug te keren naar zijn land, ofschoon we wel de dictatuur van Hun Sen financieel steunen.

Mevrouw Ferrero-Waldner, mijnheer Solana, waarom verbaast de uitslag van de Palestijnse verkiezingen u? De Europese Unie heeft in de Palestijnse gebieden lopen leuren met beloften van democratie, vrede en mensenrechten, terwijl onze ontwikkelingshulp in de zakken van Al-Fatah verdween. Overigens zijn het de leden van deze partij die nu afbeeldingen verbranden van een van onze premiers, en hebben de vredesonderhandelingen intussen niets opgeleverd. Europa vervult alles behalve een sleutelrol, mijnheer Solana, en de gevolgen van de onmacht van Europa op dat punt kunnen niemand ontgaan zijn.

Israël trekt onverschrokken een muur op rond Oost-Jeruzalem, hetgeen in strijd is met zijn verplichtingen in het kader van de routekaart, en met het internationaal recht. De Palestijnen, die de trage voortgang en de schandalige sociale voorzieningen zat zijn, hebben tijdens de verkiezingen hun heil gezocht bij Hamas. En nu zijn de vooruitzichten somberder dan ooit tevoren. Na hun roep om democratie hebben bepaalde EU-leiders het nu over het isoleren van een van de weinige democratisch gekozen regeringen in de Arabische wereld! Uiteraard moet Hamas het geweld afzweren en zich verplichten tot het vinden van een twee-statenoplossing. Maar dat geldt net zo goed voor Israël. Zoals Leila Shahid, de algemeen vertegenwoordiger van de Palestijnse Autoriteit vandaag zei: "It takes two to tango".

De commissaris heeft gesproken over een beleid op basis van de mensenrechten, de rechtsstaat en democratische beginselen, maar waaruit blijkt de nadruk op die verheven zaken? Pragmatisme zonder enige principes is immers aan de orde van de dag.

Een mondiale campagne voor vreedzame conflictoplossing zou een goed tegenwicht kunnen zijn voor de harde lijn van de VS. Daarmee zouden de veiligheid, de welvaart en de mondiale reputatie van Europa kunnen worden gewaarborgd. Ook zouden wij daarmee veel meer invloed kunnen verwerven in microstaten als de Maldiven of de Seychellen, waar regeringen aan de macht zijn die de mensenrechten schenden, ondanks het feit dat zij bijna volledig afhankelijk zijn van onze hulp en onze handel. Daarom is de ALDE-Fractie van mening dat de tijd rijp is voor een Europees buitenlands beleid dat te verantwoorden valt, naar behoren wordt gefinancierd en gebaseerd is op waarden. Volgens een Eurobarometerpeiling wordt deze wens gedeeld door 70 procent van onze burgers.

Mijnheer Solana, de ALDE-Fractie is het er helemaal niet mee eens dat de standpunten van het Parlement worden genegeerd of veronachtzaamd als het gaat om zaken van mondiaal belang. We zouden u graag wat minder op televisie zien en wat vaker in deze vergaderzaal. Ook hebben we genoeg van de vertrouwelijke aard van de vergaderingen van de Raad en zijn minachting voor het recht van het Parlement om over de prioritaire beleidsterreinen van tevoren te worden geraadpleegd. Deze rechten zijn immers verankerd in artikel 21 van het Verdrag en in het Interinstitutioneel Akkoord van 1999.

We staan voor een groot aantal serieuze uitdagingen: het democratiseren van onze directe omgeving - met name de voormalige sovjetrepublieken die momenteel met hun rug tegen de muur staan vanwege het Russische energiebeleid -, het waarborgen van vrije en eerlijke verkiezingen in Wit-Rusland, en garanderen dat de referenda in Kosovo en Montenegro niet uitmonden in gewelddadigheden.

Het buitenlands beleid moet echter een bredere rol gaan vervullen. Ik heb begrepen dat de verkoop van wapens aan China weer op de agenda van de Raad staat. Toch heeft China nooit spijt betuigd over het bloedbad op het Tiananmen-Plein, noch heeft het inmiddels 16 jaar na dato alle gevangen van destijds vrijgelaten. Daarom eisen we van u, mijnheer Winkler, de verzekering dat het Oostenrijkse voorzitterschap het wapenembargo van de Unie niet zal intrekken.

(Applaus)

De kwestie-Iran is de meest urgente. De raad van gouverneurs van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA) komt morgen bijeen om te beslissen of de kwestie-Iran moet worden doorverwezen naar de Veiligheidsraad. Ons doel moet zijn Iran ervan te weerhouden kernwapens te produceren. Daarom moet Europa zich ertoe verbinden de bevindingen van de IAEA, die in maart worden verwacht, te eerbiedigen. De wijze waarop we echter het duidelijkste en meest overtuigende signaal kunnen afgeven is door vooruitgang te boeken bij de ontwapening van de huidige kernmachten, in overeenstemming met de toezeggingen die we hebben gedaan. Een Europa dat leert hoe het zijn spierballen moet gebruiken om goed te kunnen doen, zal pas echt een speler zijn om rekening mee te houden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Marc Cohn-Bendit, namens de Verts/ALE-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Ferrero-Waldner, mijnheer Solana, mijnheer Winkler, dames en heren,

Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, dames en heren, het is inderdaad moeilijk - en ik benijd niemand die daarmee is belast - om op dit moment in Palestina of Iran te interveniëren. Ik geloof dat de enige kans die de Europese Unie heeft, duidelijkheid is, duidelijkheid en ondubbelzinnigheid. We moeten ondubbelzinnig zijn. Ja, het handvest van Hamas uit 1988 is verschrikkelijk. En wie alleen dat handvest leest, zal huiveren. Maar Hamas heeft nu de verkiezingen gewonnen en we moeten in deze discussie duidelijk maken dat voor het buitenlands beleid, voor de relatie tot Israël niet Hamas verantwoordelijk is, maar president Abbas. We moeten hem eindelijk een kans geven. We moeten tegen Israël zeggen: geef hem de kans te bewijzen dat er een alternatief is voor Hamas. Als we dat niet bereiken, dan verliezen we.

We moeten ons ondubbelzinnig opstellen ten opzichte van Hamas, niet alleen in het vredesvraagstuk, maar ook op het terrein van het fundamentalisme. Het gaat om het gevaar van een fundamentalistische maatschappij. We kunnen echter alleen geloofwaardig zijn als we ons ook ten opzichte van Israël ondubbelzinnig opstellen. Verovering en bezetting bieden geen toekomst voor de Palestijnen. Dat moet Israël begrijpen. Israël moet ook anders handelen in deze politiek. Een muur die verovering betekent, is geen muur die meer zekerheid biedt.

(FR) Als we kijken naar ons eigen verleden, naar dat van u bijvoorbeeld - ooit demonstreerde u tegen de organisatie waarvan u later secretaris-generaal werd, namelijk de NAVO - of naar het verleden van mijzelf of dat van Joschka Fischer, zien we dat een mens uiteindelijk altijd kan veranderen, en dat geldt ook voor Hamas.

(DE)We mogen echter in deze zaak niet eenvoudigweg afwachten. We moeten deze verandering bij Hamas afdwingen, omdat zij voor onze veiligheid noodzakelijk is. We kunnen dat alleen maar afdwingen, als Israëli's en Palestijnen werkelijk inzien dat er geen debat voor de Europese Unie mogelijk is: het bestaansrecht van Israël staat niet meer ter discussie, en wij accepteren daarover ook geen discussie.

(Applaus)

Het recht op een Palestijnse staat staat niet meer ter discussie, en wij accepteren daarover ook geen discussie. Beide zijn onscheidbaar! Als wij dat bereiken, hebben we ook de mogelijkheid om in deze moeilijke situatie te handelen.

Met Iran is het net zo gesteld! Iran heeft een recht op een veilige energievoorziening. Ik ben als groen politicus niet voor atoomenergie, maar we kunnen niet leven met staten, die zelf bij atoomenergie zweren, en tegelijkertijd tegen Iran zeggen: dat mogen jullie niet! Dat is immoreel, volstrekt immoreel! ‘Nee’ tegen de atoombom, ja, maar dan moeten we Iran ook zekerheid bieden voor zijn grondgebied, omdat dat de grote angst is, sinds Irak Iran is aangevallen. Dat is onze taak: duidelijkheid en zekerheid bieden, dan zullen we succesvol zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Francis Wurtz, namens de GUE/NGL-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Solana, mevrouw Ferrero-Waldner, mijnheer Winkler, ik zou deze bijzondere gelegenheid - het gebeurt niet vaak dat de heer Solana in deze zaal aanwezig is - willen aangrijpen om enkele aspecten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid naar voren te brengen waar mijn fractie grote moeite mee heeft. Ik zal me daarbij met name baseren op het operationele programma van de Raad voor 2006, aangezien dat het meest recente referentiedocument is. Wat valt er op aan dat programma?

Ten eerste, er wordt buitensporig veel waarde gehecht aan de militaire dimensie van het GBVB. De strijdkrachten, de operaties van de snelle-interventiemacht, de gevechtsgroepen, het Europees Defensieagentschap, het strategisch partnerschap tussen de EU en de NAVO - op bijna verlekkerde toon worden ze hier één voor één opgesomd. De Vijfentwintig denken kennelijk dat ze zo mee kunnen spelen met de groten; dat is, behalve een hoogmoedige, misplaatste gedachte, ook een volstrekte illusie.

Onderbelicht daarentegen - en dat is mijn tweede opmerking - blijven de grote open wonden in enkele van de meest gevoelige regio's van de wereld, terwijl die nu juist vragen om een proactief Europees optreden, als tegenwicht tegen het onverantwoordelijke gedrag van de Amerikaanse leiders en hun bondgenoten. Op de GBVB-agenda is daarvan echter nauwelijks iets terug te vinden. Zo wordt het Midden-Oosten in het operationele programma voor 2006 afgehandeld in nog geen tweeënhalve regel - op in totaal veertien pagina's tekst - waarin ons duidelijk wordt gemaakt dat, ik citeer, "de Europese Unie haar inspanningen voor de uitvoering van de routekaart zal voortzetten". Geen woord over het feit dat de Israëlische leiders gekozen hebben voor een unilaterale strategie die haaks staat op datgene wat met de routekaart beoogd wordt en die iedere ontwikkeling naar vrede onmogelijk maakt. En zo is ook Irak goed voor slechts drie regels; over de oorlog, en over het echec van de Bush-strategie, waardoor we allemaal in een hopeloze situatie verstrikt zijn geraakt, lezen we niets.

Dat brengt me op ons belangrijkste punt van kritiek, een punt dat ik vanaf deze plaats al eens eerder naar voren heb gebracht, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, namelijk in juni 2003, naar aanleiding van de publicatie van uw verslag over de Europese veiligheidsstrategie, die nog steeds van kracht is. Daarin geeft u een apocalyptische beschrijving van de nieuwe bedreigingen waaraan wij blootstaan, zonder dat u ingaat op de diepere oorzaken daarvan. Er staat ook het volgende in - je moet echt twee keer lezen voordat je gelooft wat er staat: "Tezamen optredend kunnen de Europese Unie en de Verenigde Staten een ontzagwekkende kracht ten goede in de wereld vormen."

Hoe ziet u de zaken nu dan, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, nu we twee jaar verder zijn met de tenuitvoerlegging van deze strategie? Is de wereld er inderdaad veiliger en rechtvaardiger op geworden? Een goed criterium voor het juiste antwoord op die vraag is, dunkt me, de situatie in het Midden-Oosten. Daar wil ik dan ook even op ingaan.

Overigens, staat u me toe de collega's er in dit verband op te wijzen dat mevrouw Leïla Shahid, de nieuwe algemeen vertegenwoordiger van Palestina bij de Europese Unie, vandaag op de tribune zit. Ik heet haar hierbij hartelijk welkom.

(Applaus)

Nog voor de Palestijnse verkiezingen had ik gevraagd om op de agenda van het Parlement de kwestie betreffende het - strenge, maar eerlijke - verslag van Europese diplomaten over Jeruzalem op te nemen, een verslag dat de Raad achtergehouden had om de relatie met Israël niet in gevaar te brengen.

Hoe staan de zaken er op dit moment voor? Net als een aantal collega's ben ik net terug uit Palestina, waar wij de verkiezingen als waarnemers hebben bijgewoond. Tot ons genoegen hebben we kunnen vaststellen dat de stembusgang zonder enige wanklank is verlopen, en we waren geroerd door de feestelijke stemming op straat, ondanks de bezetting, en door de warme ontvangst die ons buitenlanders ten deel viel. Het Palestijnse volk heeft willen laten zien dat het in staat is zijn eigen democratie op te bouwen, en de trots die daaruit spreekt is een belangrijke troef voor de toekomst - dat is iets wat de uitslag van de verkiezingen ons niet mag doen vergeten. Hetzelfde geldt voor het streven naar vrede met buurland Israël - twee volken, twee staten - dat in alle gesprekken die we gevoerd hebben naar voren kwam. Degenen die pleiten voor opschorting van de onmisbare hulp, waardoor deze vrouwen, mannen en kinderen in een situatie van honger terecht zouden kunnen komen of zouden kunnen radicaliseren, zouden dus heel wat uit te leggen hebben. Laten we ons daarom juist richten op de krachten die streven naar democratie en rechtvaardige vrede. Die zijn op dit moment veruit in de meerderheid in de Palestijnse samenleving. Geen enkele Palestijnse regering kan het zich veroorloven die te negeren. De toekomst van het partnerschap tussen beide regio's staat hier op het spel.

Wat de verkiezingsuitslag betreft, moeten we waken voor een louter Palestijns-Palestijnse analyse. Natuurlijk, de bevolking heeft Fatah een gevoelige klap toegebracht. Daar waar sprake is van hegemonie, treedt altijd verwijdering tussen de leiders en de samenleving op. Niemand zal echter kunnen ontkennen dat de Palestijnse autoriteit in de ogen van de bevolking haar geloofwaardigheid eerst en vooral verloren heeft omdat ze er niet in is geslaagd de Palestijnen een beter leven en nieuwe perspectieven te bieden vanwege de impasse in het vredesproces. Tien jaar geleden hadden de Palestijnen nog hoop, maar inmiddels is voor velen de maat vol, met de aanhoudende bezetting, het nederzettingenbeleid, de bouw van de muur, de gerichte moordaanslagen, de arrestaties, de weigering gevangenen in vrijheid te stellen, het dagelijks geweld en de verslechtering van de levensomstandigheden als gevolg van de omsingeling van de Palestijnse gebieden. Wat de Palestijnse staat en Jeruzalem betreft, is voor velen toch het beeld dat de Palestijnse Autoriteit veel geaccepteerd en heel weinig bereikt heeft.

Wat moet er dan gebeuren? In ieder geval is het zaak, mijnheer de hoge vertegenwoordiger, om, zoals u hebt gezegd, druk uit te oefenen op Hamas om ervoor te zorgen dat er een einde komt aan het geweld en de aanslagen. Maar wat gaat u tegen de Israëlische leiders zeggen? Daar heb ik niets over gehoord. We moeten toch ook duidelijk maken dat er in onze ogen niet zoiets als een internationaal recht "met variabele geometrie" bestaat. Israël heeft net als ieder ander land de plicht de resoluties van de Veiligheidsraad na te leven. Ook moet het land gevolg geven aan de aanbevelingen van het Internationaal Hof van Justitie en zijn verplichtingen in het kader van de routekaart nakomen.

Gezien dit alles, mijnheer de Voorzitter, geldt voor onze houding ten aanzien van het verslag van onze diplomaten over Jeruzalem meer dan ooit dat de enige optie is: erop aandringen dat dat verslag zo snel mogelijk openbaar gemaakt wordt en dat de aanbevelingen die het bevat uitgevoerd worden, en, in meer algemene zin, dat er eindelijk gekozen wordt voor een strategie die een echt alternatief inhoudt voor de aanpak van president Bush, want die heeft in het Nabije Oosten en ook daarbuiten, in het Midden-Oosten, nadrukkelijk gefaald. Laten we niet doof blijven voor de noodkreten die ons bereiken vanuit samenlevingen waar de wanhoop bijna tastbaar is.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Ik neem aan dat alle sprekers op de hoogte zijn van het feit dat op onze agenda voor vandaag ook een punt staat dat specifiek betrekking heeft op de analyse van de situatie in het Midden-Oosten, de resultaten van de verkiezingen in Palestina en de vraag of het verslag waarnaar de heer Wurtz verwees openbaar gemaakt dient te worden. U hebt ervoor gekozen het debat op deze wijze te organiseren en op te splitsen. Ik neem aan dat u zich realiseert dat u de agenda in feite wijzigt en onderwerpen bespreekt die eigenlijk later pas besproken zouden worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. - Voorzitter, als waarnemer van het Europees Parlement bij de Palestijnse verkiezingen, precies een week geleden, trok één reusachtig verkiezingsspandoek mijn bijzondere aandacht. Daar bij Ramallah zag ik Ayatollah Khomeini samen met Hamasleiders Yassin en Rantisi afgebeeld. De politieke boodschap is zonneklaar: geen vergelijk, geen vrede met de joodse staat, maar zijn uitwissing van de bladzijde van de geschiedenis. Wijze woorden van Khomeini, zo oordeelt de huidige Iraanse president Ahmadinejad.

Voeg daaraan toe, de uiterst ongeloofwaardige vreedzame nucleaire aspiraties van het Mollah-regime in Teheran en de test voor de westerse wereld, EU en VS, is getekend. Terecht commentarieerde de historicus Dan Diner de uitslag van de Palestijnse parlementsverkiezingen met de woorden "met Hamas in Ramallah is Iran een stuk dichter naar Israël opgerukt". Veel westers georiënteerde Iraniërs, zo las ik deze dagen vanuit Teheran, beschouwen deze ontwikkeling als de geleidelijke overwinning van de barbarij op de beschaving. Naar ik van harte hoop, delen de Europese instellingen deze berusting geenszins, maar staan ze pal voor het bestaansrecht van Israël en daarmee voor onze eigen beschaving.

 
  
MPphoto
 
 

  Inese Vaidere, namens de UEN-Fractie. - (LV) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil de aandacht van de Raad en de Commissie vestigen op vier onderwerpen waarvoor snelle en consequente maatregelen vereist zijn binnen het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

De eerste prioriteit betreft het nabuurschapsbeleid en wel de ontwikkelingen in verband met Rusland en Oekraïne. Daarbij moeten wij rekening houden met het feit dat Rusland op dit moment met geen enkel buurland goede betrekkingen onderhoudt. Dat komt omdat Rusland die betrekkingen niet baseert op wederzijds respect en wederzijds voordeel, maar op economische en energiesancties. Daarnaast weigert Rusland ook om grensovereenkomsten te ondertekenen. Op dit moment blokkeert Rusland de uitvoer van voedselproducten uit Oekraïne. Ik dring er dan ook bij de heer Solana en de Commissie op aan om onverwijld maatregelen te nemen opdat deze blokkade wordt opgeheven en om Rusland erop te wijzen dat een dergelijk actie duidelijk in strijd is met de voorschriften van de Wereldhandelsorganisatie, aangezien Rusland te kennen heeft gegeven zich bij de WTO te willen aansluiten.

Ten tweede heeft de crisis rondom de gasleveringen aan Oekraïne, Moldavië en Georgië Europa als het ware wakker geschud. Die crisis heeft namelijk aangetoond dat deze leveringen niet gegarandeerd zijn en dat een diversificatie van de gastoevoer noodzakelijk is. Dat geldt ook voor de coördinatie tussen het beleid van de Europese Unie en de lidstaten wat de energie en de leveringswaarborgen betreft.

Ten derde dient in dit verband ook aandacht te worden besteed aan de overeenkomst met betrekking tot de Noord-Europese gasleiding. De voormalige Duitse bondskanselier heeft een toppositie aanvaard bij het betreffende consortium, hetgeen vragen oproept in verband met eventuele politieke corruptie. Als dit voorval niet consequent genoeg vanuit de eigen optiek van de Europese instellingen wordt geëvalueerd, wordt niet alleen het vertrouwen van de burgers van de EU aangetast, maar ook ons recht van speken over het bestrijden van corruptie elders in de wereld.

Staat u mij toe om de aandacht nu op een andere regio te richten, namelijk China. Op dit moment maakt China een snelle ontwikkelingsfase door en wil het land een hoge prioriteit geven aan het opzetten van een samenwerking met de Europese Unie. Als onze dialoog met China niet opener en constructiever wordt, zou dat land wel eens met een andere partner dan de EU nauwere betrekkingen aan kunnen knopen.

Tot slot zouden wij wat de Raad en het Parlement betreft graag zien dat wij niet alleen door de Raad geraadpleegd werden, maar dat er ook daadwerkelijk met de standpunten van het Europees Parlement rekening werd gehouden, met name in verband met het zogeheten “spreken met een en dezelfde stem”.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (NI). - Voorzitter, de strijd tegen het terrorisme moet een van de prioriteiten zijn van het gemeenschappelijk buitenlands en defensiebeleid. Zeer terecht wordt in het verslag gewezen op het belang van de eerbiediging van de mensenrechten en de burgerlijke vrijheden. Ik maak dan ook van de gelegenheid gebruik om mijn totale en onvoorwaardelijke solidariteit uit te spreken met de eerste minister van Denemarken, die momenteel onder zware druk staat om op te treden tegen cartoonisten die het aangedurfd hebben om zowaar de profeet Mohammed af te beelden.

Islamitische landen, waaronder EU-kandidaat-lidstaat Turkije, eisen excuses en sancties en kondigen zelfs een boycot af van Deense producten. Eerste minister Rasmussen heeft overschot van gelijk, wanneer hij stelt dat er zonder vrije meningsuiting geen democratie kan bestaan. De Raad, de Commissie en het Parlement moeten als één man staan achter de verdediging van onze vrijheden. En als dat niet gebeurt, dan is het in feite niet meer de moeite waard om zelfs nog maar te praten over een veiligheids- en defensiebeleid, want dan rest er helemaal niets meer om te verdedigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogdan Klich (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, we hebben de heer Solana vandaag horen zeggen dat de Europese Unie wereldwijd actief moet zijn. Daarvoor moet natuurlijk wel het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden geconsolideerd, en de problemen rond het Grondwettelijk Verdrag hebben daar niet toe bijgedragen. Cohesie bereiken we echter niet alleen dankzij gemeenschappelijke instellingen. Cohesie bereiken we met name dankzij een gemeenschappelijke politieke wil. In dat opzicht zal veel dit jaar afhangen van de persoonlijke inzet, het inzicht en de creativiteit van de heer Solana en mevrouw Ferrero-Waldner.

De commissaris heeft ons een speciale mededeling beloofd over de energiezekerheid van de Europese Unie, en de heer Brok wijst in zijn verslag op de noodzaak om een strategie voor energiezekerheid uit te stippelen. Dit zijn eigenlijk maar halve oplossingen. Wat de Europese Unie echt nodig heeft, is een heus gemeenschappelijk beleid voor energiezekerheid. Alleen zo kunnen we een situatie voorkomen zoals we twee jaar geleden hebben gezien, toen de Russische leveranciers Wit-Rusland in een wurggreep hielden, of aan het begin van deze maand, toen Rusland Oekraïne chanteerde. Deze laatste daad heeft ook de EU-lidstaten uit Midden-Europa schade berokkend. Willen we in de toekomst blootstaan aan dergelijke chantage of willen we soms bevriezen, zoals nu de Georgiërs bevriezen? Zo niet, dan moet er een gemeenschappelijk energiebeleid komen.

Ten slotte moeten we nu ons beleid jegens Rusland veranderen. We moeten eisen stellen op die punten waar onvoldoende vooruitgang geboekt wordt. In het verslag van de heer Brok worden twee van dergelijke punten genoemd: de mensenrechtenproblematiek en de wapenontmanteling in Kaliningrad. En er zijn er nog veel meer, zoals het oplossen van regionale conflicten, met name in Transnistrië en in Zuid-Kaukasië, evenals het hele Kaliningradpakket.

 
  
MPphoto
 
 

  Pasqualina Napoletano (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, als Europeanen kunnen wij niet anders dan de uitslag van de vrije verkiezingen in Palestina respecteren en meewerken aan de formatie van een regering die - zoals president Abu Mazen aangaf - de weg van de onderhandelingen kiest, Israël erkent en van geweld afziet.

Deze verkiezingsuitslag geeft ook uiting aan het leed en de vernederingen die de mensen door de bezetting in hun dagelijkse leven moeten ondergaan, met checkpoints, nederzettingen en een muur, en brengt eveneens serieuze kritiek aan het adres van de Palestijnse politieke klasse tot uitdrukking. De unilaterale terugtrekking uit de Gazastrook heeft de rol van president Abu Mazen verzwakt, om voor de hand liggende redenen. Daaruit vloeien twee absolute voorwaarden voort: het perspectief van via onderhandelingen tot stand gebrachte vrede mag niet over boord worden gegooid en men moet beide partijen vragen af te zien van daden die vrede onmogelijk zouden maken.

Daarom ga ik akkoord met de duidelijke voorwaarden die u, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, de Palestijnen stelt. Ik blijf in dezelfde geest en vraag u of u Israël helemaal niets te verwijten hebt. Israël heeft immers nooit geaccepteerd te handelen volgens de Road Map. Daarover is een debat gaande in de Israëlische samenleving. Anderzijds heeft Hamas aangetoond in staat te zijn een met onderhandelingen tot stand gekomen wapenstilstand gedurende een heel jaar te eerbiedigen. Mijns inziens moet Israël een eind maken aan de nederzettingen en daden in de richting van annexatie van Oost-Jeruzalem voorkomen.

Wat de financiële hulp betreft ben ik het volledig met u eens. Wij moeten voorkomen dat alles in duigen valt, en de situatie beoordelen naarmate deze zich ontwikkelt. Juist met het oog daarop wilde ik u, Hoge Vertegenwoordiger, en de Raad en de Commissie vragen of het niet noodzakelijk is druk uit te oefenen op de Israëlische autoriteiten opdat zij afzien van het blokkeren van belastingsterugbetalingen aan de Palestijnen. Dat is Palestijns geld en mijns inziens is dit een daad die in de situatie zoals nu alleen maar olie op het vuur kan gooien.

 
  
MPphoto
 
 

  Annemie Neyts-Uyttebroeck (ALDE). - Voorzitter, ik dacht dat men mijn spreektijd met één minuutje had verlengd, maar misschien kunt u dat nakijken, terwijl ik aan het praten ben. Mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, mevrouw de commissaris, mijnheer de Voorzitter, wij hebben bij het begin van dit debat een adembenemend overzicht gekregen van wat er zich de jongste 30 dagen allemaal heeft voorgedaan; ik wil graag zowel de heer Javier Solana als commissaris Ferrero-Waldner en het voorzitterschap feliciteren met de wijze waarop zij zich onvermoeibaar hebben ingezet om zo goed mogelijk aan de rampen die zich hebben voorgedaan, aan al die pijnlijke gebeurtenissen, tegemoet te komen. Ik wil me ook heel graag aansluiten bij de gelukwensen aan de verkiezingswaarnemingszendingen van de Europese Unie in het algemeen en aan degenen die actief geweest zijn in de Palestijnse gebieden in het bijzonder, want dat is zeker erg moeilijk geweest.

Ik geloof dat uit het overzicht dat Javier Solana ons gaf, twee lessen te trekken zijn. Les nummer één: dat de Europese Unie alleen maar effectief kan zijn, wanneer ze eensgezind is. Ik was dan ook bijzonder blij, toen ik eergisteren hoorde, dat de Raad algemene zaken tot een eensgezind besluit was gekomen in verband met de voorwaarden waaronder men verder financiële steun zou kunnen verstrekken aan de Palestijnse Autoriteit en ook erg tevreden dat er die avond een spoedbijeenkomst is geweest van het Kwartet. Ik mag er namelijk niet aan denken wat er zou zijn gebeurd, indien het ene regeringshoofd dit zou gezegd hebben, een andere minister iets anders en een derde eerste minister nog met een andere boodschap voor de dag was gekomen.

Het is duidelijk dat dat bijzonder nefast zou zijn geweest, maar dat is dus niet gebeurd en ik mag hopen dat dat zo blijft. En vanzelfsprekend hebben wij nood aan eensgezindheid in alle dossiers. Daarnaast moet er voldoende geld worden voorzien. Ik ben minder gerust dan mevrouw de commissaris dat dit in de financiële perspectieven 2007-2013 wel degelijk het geval zal zijn, maar net zoals zij wil ik graag onderstrepen dat er voldoende moet worden voorzien inzake flexibiliteit. Tenslotte ben ik het ermee eens dat, voorzover mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, mevrouw de commissaris, mijnheer de Voorzitter, u het Parlement regelmatig zult betrekken bij uw werkzaamheden, u op onze steun zult kunnen blijven rekenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Beer (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, in mijn reactie op de woorden van de heer Solana over de Balkan, wil ik opmerken dat wij van ganser harte steun geven aan de inspanningen die worden ondernomen in een gebied waar wij een directe verantwoordelijkheid dragen als het om vrede in Europa gaat. Dat kan niemand anders voor ons doen en wij moeten geloofwaardig en zonder omwegen het Europees perspectief voor deze regio tot ontwikkeling brengen.

Ik wil u feliciteren met de beslissing die u maandagavond heeft genomen. Daarmee is het u gelukt om de zeer uiteenlopende zaken die in Europa over Iran zijn gezegd, samen te brengen. Ik wil er bij iedereen op aandringen om, juist nu wij de geplande weg zijn ingeslagen, toch voldoende ruimte voor diplomatieke middelen en onderhandelingen open te laten. Het is goed nieuws dat nu de ontmoeting van Iran met China en Rusland plaats gaat vinden. Wij moeten ons er echter eveneens van bewust zijn dat de beslissing of de rode lijn is overschreden en of de wereldvrede nu gevaar loopt, niet door de heer Schüssel of door de heer Steinmeier wordt genomen, maar enkel en alleen door de Verenigde Naties.

Wij kunnen de situatie niet alleen controleren en het is lastig om bij een haatprediker zoals Ahmadinejad te blijven zoeken naar wegen om hem tot rede te brengen. De rede is echter een belangrijk onderdeel van de Europese veiligheidsstrategie die u heeft uitgezet, en die is gebaseerd op non-proliferatie. Wij weten dat een escalatie van de situatie in Iran een enorme bedreiging zou zijn voor de belangen die wij vertegenwoordigen, namelijk het voorkomen dat kernwapens in Iranese handen terechtkomen, het reduceren van de bedreiging van Israël en het verhogen van de veiligheid voor dit land. Derhalve hoop ik dat wij erin slagen daar de weg naar vrede te vinden, ook al zal dit niet eenvoudig zijn.

Als voorzitter van de delegatie wil ik opmerken dat er andere stemmen opgaan in Iran. Ik weiger diplomatieke betrekkingen...

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 
 

  Gerard Batten (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, gisteren is de honderdste Britse militair gesneuveld in Irak. Deze moedige mannen hebben het ultieme offer gebracht door hun leven te geven voor hun vaderland. Zij zijn echter misleid. Zij zijn de oorlog ingestuurd op basis van de leugens en verzinsels van premier Blair. Dit is gebeurd om één eenvoudige reden: premier Blair en de Labour-regering hebben geen idee hoe zij de Britse nationale belangen het best dienen.

Nu wil premier Blair het Britse volk weer doen geloven in een andere leugen en een ander verzinsel. Die leugen is dat de nationale belangen van Groot-Brittannië het best gediend zijn met iets wat het Europees gemeenschappelijk buitenlands beleid wordt genoemd.

Gisteren vond er overigens nog een belangrijke gebeurtenis plaats. In Londen sprak Javier Solana namens de Europese Unie over de Palestijnse kwestie. Hij deed dit in feite in de hoedanigheid van de minister van Buitenlandse Zaken van Europa, ondanks het feit dat het Europees gemeenschappelijk buitenlands beleid dood en begraven zou moeten zijn vanwege de verwerping van de Europese Grondwet. Dit is een duidelijk signaal dat de Labour-regering de macht over haar buitenlands beleid in handen geeft van de Europese Unie.

Kanselier Bismarck heeft ooit de beroemd geworden opmerking gemaakt dat de hele Balkan hem nog niet de dood waard was van één enkele Pommerse grenadier. Evenzo zijn het hele Europees gemeenschappelijk buitenlands beleid en het geplande Europese leger nog niet de dood waard van één enkele Britse militair.

 
  
MPphoto
 
 

  Ģirts Valdis Kristovskis (UEN). - (LV) Mevrouw Ferrero-Waldner, mijnheer Solana, dames en heren, het debat van vandaag gaat over de vraag hoe het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU transparanter, effectiever en verantwoordelijker kan worden. Wij kunnen in ieder geval met tevredenheid constateren dat er in de afgelopen jaar veel goed werk is verzet met betrekking tot de civiele troepenmacht.

Helaas bevat het verslag-Brok nog steeds te veel oningevulde leemten en onopgeloste problemen met betrekking tot het GBVB. Het innemen van duidelijke standpunten ten aanzien van het Europees Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (EGVDB) en het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) gaat gepaard met serieuze moeilijkheden. Het beleid op deze gebieden heeft te lijden onder een ernstig tekort aan middelen en een gebrek aan democratische parlementaire controle. En dat zijn nog maar een paar van de onderwerpen die voor het huidige debat van belang zijn.

Het is dus aan het Europees Parlement om hierin verandering te brengen, mede door het tot stand brengen van een adequate beleidscoördinatie met het oog op een intensieve dialoog over deze kwesties tussen het Parlement en de Raad. Wij zijn ons ervan bewust dat dit niet eenvoudig zal zijn, maar het is wel belangrijk omdat hierbij de institutionele invloed en ontwikkeling van het Europees Parlement in het geding is. Door de duidelijke steun van de Europese burgers voor gemeenschappelijk Europees optreden op veiligheidsgebied kan het Europees Parlement er niet omheen zijn institutionele invloed en zijn betrokkenheid bij de besluitvorming uit te breiden. De veiligheid kan alleen maar worden vergroot, indien de boodschap van de heer Chirac, de heer Solana of mevrouw Merkel en de besluitvorming rondom massavernietigingswapens, terrorismebestrijding of energie voorspelbaar zijn en het Europees Parlement zich hierdoor niet laat overrompelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Tadeusz Masiel (NI). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, met een gemeenschappelijk buitenlands beleid hadden we misschien de energiecrisis in Oost-Europa kunnen afwenden. Misschien zouden dankzij een dergelijk beleid de bezwaren van Polen tegen de aanleg van een gasleiding tussen Rusland en Duitsland over de bodem van de Oostzee gehoord zijn, en zouden de belangen van Polen erkend zijn als Europese belangen. De burgers van de Europese Unie en van de hele wereld verwachten van ons een gezamenlijk buitenlands beleid, en een verdediging van de zwakkere landen, met of zonder Europese Grondwet. Israël mag geen monopolie hebben op het buitenlands beleid in het Midden-Oosten. Hamas wil het geweld graag afzweren en daarmee het terrorisme in de wereld verminderen, mits er een Palestijnse staat komt. Ik ben tegen atoomwapens, net als de heer Cohn-Bendit, maar ik begrijp niet waarom Israel wel een atoombom mag hebben en Iran niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, als ik hoor met wat voor een waslijst aan crises en problemen wij geconfronteerd zijn, raak is zeer bezorgd over het feit dat volgens zo veel afgevaardigden het antwoord daarop een grotere rol voor de Europese Unie is. De ambities en pretenties van de EU op het gebied van het buitenlands beleid omvatten inmiddels alle terreinen, van defensie tot immigratie tot de energievoorziening, en toch heeft dit maar weinig positieve resultaten opgeleverd. Ik geef de voorkeur aan een bescheidener aanpak, waarbij de Europese Unie zich uitsluitend richt op die terreinen waarop zij daadwerkelijk en concreet toegevoegde waarde kan creëren door humanitaire en ontwikkelingshulp te verlenen, verkiezingswaarnemingsmissies te sturen, enzovoort.

Ik moet verder zeggen dat we in deze gevaarlijke tijden, waarin zich nieuwe krachten manifesteren die een bedreiging vormen voor de kernwaarden van onze vrije samenlevingen, behoefte hebben aan meer solidariteit tussen de democratieën en minder promotiecampagnes voor de EU. De lessen die we de afgelopen jaren hebben kunnen leren, zeggen ons dat wanneer de westerse democratieën verdeeld zijn, hun belangen worden geschaad. De vijanden van de democratie zullen deze verdeeldheid uitbuiten voor hun eigen doeleinden.

Ik ben onlangs teruggekeerd uit de door Palestijnse Autoriteit bestuurde gebieden en Oost-Jeruzalem, waar ik heb deelgenomen aan de verkiezingswaarnemingsmissie. De verkiezingsuitslag was een noodkreet van het volk. U zei terecht dat de exacte samenstelling van de nieuwe regering van de gebieden die onder de Palestijnse Autoriteit vallen, nog enige tijd onduidelijk zal blijven, maar de regering zal ongetwijfeld een afspiegeling zijn van de nieuwverworven macht van Hamas. Het is absoluut cruciaal om geen steun te geven aan die regering, tenzij zij het geweld afzweert, het bestaansrecht van Israël erkent en een positieve rol vervult in het vredesproces.

Ik heb in het verleden mijn bezorgdheid uitgesproken over de aard van de EU-financiering en over de vraag of de waarborgen om misbruik van onze fondsen te voorkomen wel volstonden. Deze bezorgdheid zal nu nog veel groter worden. Garanderen dat de financiële hulp transparant is en niet gebruikt kan worden ter ondersteuning van terrorisme en extremisme, is niet het enige: het eveneens dringend noodzakelijk om ervoor te zorgen dat ons geld doeltreffender wordt ingezet, zodat het rechtstreeks ten goede komt aan het Palestijnse volk.

Tot slot moeten we ons meer inspanningen getroosten om te voorkomen dat er verschillen ontstaan tussen de aanpak van de Europeanen en die van de Verenigde Staten. We hebben immers een gemeenschappelijk belang bij vrede en stabiliteit in het Midden-Oosten.

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Marinus Wiersma (PSE). - Voorzitter, we hebben met aandacht geluisterd naar de toespraak van de heer Solana, met name naar het begin waarin hij uiteenzette wat er in de maand januari allemaal gebeurd was. Ik hoop niet dat dat een patroon zal zijn voor de rest van het jaar en dat we elke maand moeten vaststellen dat er steeds weer nieuwe elementen aan de buitenlandse agenda worden toegevoegd. Zijn belangrijkste punt vond ik zelf de opmerkingen, die hij met name in het begin maakte, over de situatie die in Europa is ontstaan na de problemen met de gasaanvoer naar Oekraïne en andere landen.

En ik denk dat de energiepolitiek door dat wat er begin januari gebeurd is, veel hoger op onze agenda is komen te staan. Ik trek een aantal conclusies uit die gebeurtenissen van de afgelopen tijd. Ten eerste kom ik tot de vaststelling dat we ons als consumenten misschien niet goed georganiseerd hebben. Onze energievoorziening is kwetsbaar, zo blijkt. Te kwetsbaar, want de gevolgen van een onverwacht energietekort kunnen rampzalig zijn. En ten tweede stel ik vast dat sommige lidstaten kwetsbaarder zijn dan andere en dat is toch een beetje strijdig met de solidariteitsgedachte die we binnen de Europese Unie kennen.

En er zijn zeker landen kwetsbaar in onze directe omgeving, zoals gebleken is, en de vraag van de onderlinge solidariteit, ook bij onze buren, stelt zich daarom duidelijk. Daarnaast is het natuurlijk ook een technische kwestie, we kunnen investeren in betere en meer gediversifieerde verbindingslijnen naar onszelf toe. Een derde punt wat ik hier wil maken, en dat is eigenlijk het belangrijkste, is dat energievoorraden en het beschikken daarover worden ingezet als politiek wapen, in dit geval tegen Oekraïne, maar ook tegen Moldavië en in feite ook tegen Georgië.

In het verleden hebben we daar al voor gewaarschuwd. De Russen hebben al eerder gedreigd dat te zullen doen en ik denk dat we op dat punt heel hard moeten zijn richting Rusland; dat dat inacceptabel is en dat we ook zelf moeten zorgen dat we niet zo afhankelijk worden van Rusland dat we op een gegeven moment zelf niks meer durven te zeggen tegen Rusland, onze mond houden omdat we te afhankelijk zijn geworden.

Ten slotte nog één opmerking over de agenda van dit jaar. Die agenda dekt zichzelf af. De Europese Unie kan niet voor haar verantwoordelijkheid weglopen. Ik zal vooral de Raad en de Commissie willen vragen zich toch nog eens te willen buigen over de vraag hoe het kan dat na zo'n succes als in Georgië, daarvoor al in Servië, en in Oekraïne, de zaak nu weer de andere kant dreigt op te gaan. Hebben wij fouten gemaakt? Ik denk dat dat ook een onderwerp van analyse zou moeten zijn.

 
  
  

VOORZITTER: INGO FRIEDRICH
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Bronisław Geremek (ALDE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil erop wijzen dat Europa bij het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid ook moet nadenken over de ideologie die daarin wordt gevolgd. Ik denk dat Europa wanneer het gaat om de veiligheid, en dus om de vrede, moet uitgaan van het begrip "human security". Daarmee bedoel ik een brede opvatting van veiligheid, waarin ook wordt gezocht naar oplossingen voor ernstige problemen als honger, mensenrechtenschendingen of schendingen van de democratie.

Ook het beleid voor energiezekerheid beschouw ik als een van de kernonderdelen van een Europees veiligheidsbeleid. Mag ik wijzen op het feit dat Europa tot nog toe geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de kwestie van de energiebevoorrading een instrument wordt in een imperiaal beleid? Het gaat er niet om dat er dan onvoldoende gas of olie is, maar dat grote energievoorraden worden gebruikt als element in een imperiaal beleid. Ik denk dat dit een grote uitdaging is waar Europa nog niet op heeft gereageerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Karatzaferis (IND/DEM). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik heb het verslag gelezen en ook met aandacht naar de heer Solana geluisterd. Ik weet niet of de belangen van Europa op het eerste plan komen. Ik heb het gevoel dat wij nog steeds de Amerikaanse belangen dienen, en dat is een probleem. Wij worden meegesleurd in een vijandige houding jegens Rusland, in een oorlogszuchtige houding jegens China, en ook jegens Iran.

Wij mogen niet verstrikt raken in de redeneringen van de Verenigde Staten. Als wij een inhoudelijk buitenlands beleid willen, moeten wij ‘nee’ leren zeggen tegen de Amerikanen. Ik begrijp trouwens ook niet hoe dat beleid gemeenschappelijk kan zijn voor Zweden en Griekenland, voor Cyprus en Estland. Onze landen zijn immers met sterk uiteenlopende problemen geconfronteerd.

De heer Schulz zei dat er een dreiging is in de onderbuik van Europa. Inderdaad, er is een dreiging. De ‘casus belli’ van Turkije tegen Griekenland is een dreiging. De onophoudelijke, dagelijkse schending van het Griekse luchtruim door Turkse militaire vliegtuigen is een dreiging. De muur in Nicosia is een dreiging. De muur in Jeruzalem is een dreiging. Kunnen wij dan niet zeggen dat alle bezettingslegers weg moeten uit de landen waar zij zich bevinden? Weg met het bezettingsleger op Cyprus, weg met het bezettingsleger van Israël…..

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, in het debat over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zijn al veel belangrijke punten genoemd. Willen we dat de burgers van Europa zich veilig voelen, dan denk ik dat we die veiligheid op drie domeinen moeten bieden.

Ten eerste energiezekerheid. Daar heeft de hele Unie problemen mee, maar ook individuele lidstaten, waaronder Polen. Er lijkt nu geen enthousiasme te zijn voor een gemeenschappelijk beleid. Duitsland heeft een overeenkomst getekend met Rusland voor de aanleg van de Noordelijke Gasleiding om zijn eigen energietoevoer veilig te stellen, maar helaas gaat dit wel ten koste van de Poolse belangen. Tot nog toe heeft de Unie nog niet gereageerd op deze kwestie, ook al is duidelijk dat Rusland de levering van energiegrondstoffen gebruikt als een belangrijk instrument om invloed te winnen in andere landen. Het dichtdraaien van de leiding naar Oekraïne en Georgië toont wel aan hoe doeltreffend dit instrument werkt.

Ten tweede voedselzekerheid. Daarvoor hebben we het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar helaas wordt dat steeds verder betwist. En tenslotte de fysieke veiligheid van de burgers, die ook duidelijk is afgenomen door de dreiging van het terrorisme. Als we op deze drie domeinen geen duidelijke vooruitgang boeken, kunnen we nauwelijks spreken over een Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid. Ik wil deze overwegingen meegeven aan de heer Solana en aan commissaris Ferrero-Waldner.

 
  
MPphoto
 
 

  Alojz Peterle (PPE-DE). - (SL) Het is duidelijk dat de politieke situatie in de wereld, in de verschillende landen en regio’s, niet strookt met onze waarden, ambities en verwachtingen. Deze komt niet tot rust en wordt ook niet democratisch. Tegelijkertijd horen we echter uit verschillende hoeken van de wereld de uitdrukkelijke vraag naar méér Europa. In Mongolië noemen ze de Europese Unie hun derde buur. Wanneer ik de Balkanlanden, Latijns-Amerika, Trans-Kaukasië of het Midden-Oosten bezoek, hoor ik overal hetzelfde: meer Europa.

Terwijl verschillende partners vragen om méér Europa, staren wij ons steeds vaker, op onproductieve wijze, blind op onze eigen zorgen. We vergeten de fundamentele ideeën van Schuman en de andere vaders van Europa. We zouden méér Europa graag met minder geld willen opbouwen. Het verwondert me niet dat onze partners en burgers de toespraken over de verschillende pijlers van ons beleid niet begrijpen. Ze merken echter duidelijk wanneer we eensgezind zijn en wanneer verdeeld en inefficiënt.

De ervaring met de energievoorziening heeft ons geleerd dat een louter nationaal beleid ons noch meer interne veiligheid, noch meer externe invloed zal brengen. Ik heb de indruk dat de ontwikkelingen en gebeurtenissen vandaag de dag al meer gemeenschappelijk beleid vereisen dan met een geratificeerd Grondwettelijk Verdrag mogelijk zou zijn. Als we echt een rol willen spelen als belangrijke partner in de Balkan, in het oosten van Europa of elders, moeten we krachtigere uitdrukkingen vinden voor ons gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Meer respect voor de rol van het Europees Parlement, dat zich een dynamische en verantwoordelijke partner heeft getoond, zou daartoe ook zeker bijdragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hannes Swoboda (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik kan bijna verdergaan waar de heer Peterle ophield. Immers, als velen in Europa ons vragen om actie - zoals u heeft gezegd, mijnheer Solana - dan is het inderdaad tijd dat wij in actie komen.

Laat ik twee voorbeelden geven van hetgeen ik bedoel. Zonder enige vorm van leedvermaak moet ik constateren dat het grootse Amerikaanse initiatief voor het grote Midden-Oosten feitelijk is ingestort, en dat de interventie in Irak de situatie er niet beter op heeft gemaakt. De gebrekkige en weifelende ondersteuning van het vredesbeleid en het vredesinitiatief in het Midden-Oosten heeft mede bijgedragen aan de verkiezingsoverwinning van Hamas. Overigens wil ik daar slechts terloops aan toevoegen dat de Fatah daar zelf eveneens debet aan is. Wat betreft Iran: wij weten allemaal dat een grotere betrokkenheid van de VS bij het veiligheidsbeleid in de gehele regio een belangrijke rol zou kunnen spelen om Iran ervan te overtuigen af te zien van de ontwikkeling van eigen kernwapens. Derhalve moet de Europese Unie - in samenwerking mét de VS in plaats van tégen de VS, hetgeen werkelijk absurd zou zijn - duidelijk aangeven hoe een uitgebreid buitenlands beleid met name in het Midden-Oosten eruit zou moeten zien. In dat beleid moet alles zijn inbegrepen: van een nadrukkelijk vredesbeleid tot de ondersteuning van de burgermaatschappij in de afzonderlijke landen.

Het tweede voorbeeld is het energiebeleid. Er is reeds opgemerkt dat wij een grote consument zijn en ons derhalve sterker als een verenigd front op de wereldmarkt moeten profileren. Wij moeten ons mobiliseren en coalities vormen met andere consumenten. Wij hebben immers goed kunnen zien wat er gebeurt als wij niet gezamenlijk optreden, zoals in de kwestie-Iran. Indien Rusland ertoe overgaat het energiebeleid tot instrument van het nationaal beleid te maken, dan moeten wij ons energiebeleid - of in ieder geval een deel daarvan - meer Europees maken.

Mevrouw de commissaris, wij wachten met spanning op het verslag. Ik heb u destijds reeds tijdens de hoorzitting over deze kwestie aangesproken. Het is uiterst belangrijk dat dit verslag er nu komt, en dat wij duidelijk maken dat er een nationaal energiebeleid moet komen. Dit moet echter worden aangevuld en uitgebreid met een sterk Europees energiebeleid, dat tevens een wezenlijk instrument van het buitenlands beleid is.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de rol van de Europese Unie als internationale speler is belangrijk en in de afgelopen jaren versterkt. De Europese Unie bereikt resultaten met zachte middelen, dat wil zeggen door onderhandelingen, debatten, overredingskracht en crisisbeheersing. Dat gaat soms langzaam, maar schept een stevige basis voor duurzame oplossingen en een goed functionerende samenleving. In haar buitenlands beleid benadrukt de Europese Unie het belang van democratie. Wij willen democratie propageren. In dit verband zou de Europese Unie volgens mij sterker moeten benadrukken dat er zonder geletterdheid en eerbiediging van de vrouwenrechten geen democratie kan bestaan. Wij moeten daarom meer doen om ervoor te zorgen dat kinderen, jongeren en vrouwen overal ter wereld leren lezen. Dat schept een duurzame basis voor democratie, vrede en de eerbiediging van de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Mirosław Mariusz Piotrowski (IND/DEM). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, door de afwijzing van het Grondwettelijk Verdrag voor Europa in de referenda in Frankrijk en Nederland is dit hele document eigenlijk niet meer relevant. Voor sommigen is het heel moeilijk te aanvaarden dat dit concept, waaraan jaren is gewerkt, is geflopt. In dit Verdrag speelde het hoofdstuk over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid een grote rol, maar zoals ik al heb gezegd, is de tekst ondubbelzinnig verworpen. Daarom verbaast het ons dat men maar blijft proberen zich te beroepen op een dood, achterhaald document, zoals we nu weer zien in het verslag van collega Brok. Met dit verslag maken we ons niet alleen belachelijk, maar uiteindelijk vertrappen we er ook de democratie mee in de Europese Gemeenschap. De denkpauze waartoe besloten werd nadat het Verdrag ten grave was gedragen, moeten we niet benutten voor het clandestien binnensmokkelen van losse deeltjes van de Grondwet, maar voor een evaluatie van gemeenschappelijk internationaal optreden, met meer aandacht voor onder andere de gezamenlijke energiezekerheid, de dreiging van epidemieën en van het terrorisme.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Wojciechowski (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Unie heeft eigenlijk een efficiënt gemeenschappelijk veiligheidsbeleid, namelijk het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Al jarenlang verzekert dit beleid de burgers, volkeren en staten in Europa en heel de Gemeenschap van voedselzekerheid. Nu is Europa verzadigd, en vergeet men helaas, wie en wat die overvloed geboden heeft. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid ligt onder vuur en er wordt op onverantwoordelijke manier mee geëxperimenteerd. Een voorbeeld hiervan is de hervorming van de suikermarkt, waardoor Europa binnenkort afhankelijk zal zijn van suiker uit andere delen van de wereld. De bescherming van de Europese landbouwmarkten verdwijnt, zoals onze boeren maar al te goed merken. In Polen worden vooral de fruittelers getroffen.

Een ondoordachte uitholling van het landbouwbeleid betekent dat we onze voedselzekerheid prijsgeven, een van de pijlers waar Europa op rust. Er is nog tijd om in te grijpen, maar dat vereist een kentering in de politieke benadering van de landbouwkwesties. De Poolse boerenorganisaties bezigen vaak slogans die verwijzen naar de historische deelname van de boeren aan de strijd voor de vrijheid van het vaderland. Bij de discussie en de beslissingen over landbouwzaken mogen we nooit vergeten dat onze boeren ons voeden en verdedigen, dat zij de echte bewakers zijn van de veiligheid in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb aandachtig geluisterd en dacht alles wel zo ongeveerd gehoord te hebben. Toen ik Daniel Cohn-Bendit echter hoorde verklaren dat hij voorstander was van kernenergie - al is het in Iran - was ik eerlijk gezegd toch enigszins geschokt. Wie zegt dat Joschka Fischer is veranderd? Ik denk dat "rode Danny" zelf ook een beetje is veranderd!

Ik wil deze kwestie vanuit een institutioneel perspectief bekijken en drie punten aanstippen. Ten eerste zijn het GBVB en defensie terreinen die voor ons in de toekomst van cruciaal belang zullen zijn. We zijn een supermacht op het gebied van handel en hulp, maar heel vaak zijn we volstrekt onzichtbaar als het gaat om het GBVB en defensie. Hieraan moet iets worden gedaan, en ik ben het dus niet eens met de heer Piotrowski. Allereerst hebben we een grondwet nodig.

Mijn tweede punt is dat we behoefte hebben aan drie dingen. Ten eerste hebben we een gemeenschappelijke defensie nodig. We hebben behoefte aan de veiligheidsgaranties die de Grondwet ons zou bieden. Ten tweede moeten we met één stem spreken. Daarom hebben we een president en een minister van Buitenlandse Zaken nodig. Ten derde moeten we de begroting voor het GBVB verhogen. Van deze dingen zou één pakket moeten worden gemaakt. Als we daar voldoende politieke wil achter krijgen, denk ik dat we ooit wel tot een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid kunnen komen.

Het derde punt is dat we echt moeten gaan nadenken over de verschillende elementen van de Grondwet en deze in twee delen moeten bekijken. Er zijn dingen die we nu al ten uitvoer leggen, zoals het Europees Defensieagentschap, de gevechtsgroepen en de solidariteitsclausule in geval van terrorisme, maar er zijn ook dingen die we zo snel mogelijk na de inwerkingtreding van de Grondwet ten uitvoer moeten leggen. Daarbij gaat het onder meer om kwesties als een president, een minister van Buitenlandse Zaken, een gemeenschappelijke dienst voor buitenlandse betrekkingen en voorafgaande raadpleging van het Parlement.

Het laatste punt dat ik aan de orde wil stellen is dat wij, in plaats van ons te beperken tot de institutionele strijd tussen Commissie, Raad en Europees Parlement in GBVB-aangelegenheden, ons klaar moeten stomen. Laten wij de mouwen opstropen en samen aan de slag gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Poul Nyrup Rasmussen (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik kon bijna de pijn van mijn goede vriend de heer Solana voelen, toen hij uiteenzette wat er de eerste maand van dit jaar is gebeurd. Stel dat de rest van het jaar net zo zal zijn als de eerste maand! Dan wordt het niet eenvoudig! Maar ik wilde nog een ander punt aan de orde stellen.

Ik denk dat wat u, mijnheer Solana, hebt gezegd, in wezen betekent dat de wereld in 2006 nogmaals voor een fundamentele keuze zal worden gesteld: de keuze tussen preventieve oorlogsvoering en preventief beleid. Ik heb geen enkele twijfel: als ik luister naar wat u zegt en kijk naar hetgeen duidelijk is geworden uit uw ervaringen, dan volgt daar zonder meer uit dat we in 2006 behoefte hebben aan preventief beleid. De waarden van deze Europese Unie op het vlak van het buitenlands beleid komen immers in essentie neer op het voeren van preventief beleid. Dat zal wellicht de moeilijkste keuze zijn, als we de instrumenten bekijken die de commissaris zo nauwgezet heeft opgesomd, maar ook de keuze waarmee in het verleden successen zijn behaald. We mogen dat in deze moeilijke tijden niet vergeten.

Tegen u, mijnheer Solana, wil ik zeggen dat er in de Palestijnse gebieden op dit moment heel veel mensen zijn die het voortouw nemen, maar een verkeerde richting inslaan. Daarom heeft het arme Palestijnse volk behoefte aan een krachtige Europese stem. Wat u zei klopt: we moeten blijk geven van geduld, evenals van wijsheid en evenwichtigheid. Het verheugde mij zeer u te horen zeggen dat wij niet degenen moeten zijn die de Palestijnen failliet laten gaan, omdat u net als ik weet dat er andere landen zijn die dit zullen voorkomen, onder andere Iran en Egypte. Dit is niet ons doel, en daarom hebt u mijn vertrouwen. We zullen u terzijde staan en samen met de Commissie en fungerend voorzitter Winkler garanderen dat Europa zal zorgen voor open deuren en dialoog. En hopelijk zullen deze deuren ook de komende drie maanden geopend blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Marek Maciej Siwiec (PSE). - (PL) Mijnheer de voorzitter, ik ben dankbaar voor alles wat er over Oekraïne is gezegd, maar we mogen nu onze aandacht niet laten verslappen. In de komende twee maanden wordt beslist of de vruchten van de oranjerevolutie optimaal kunnen rijpen, of dat ze als onrijpe appels van de boom vallen. In deze maanden heeft Oekraïne juist een sterke Europese impuls nodig. De Europese instellingen moeten duidelijk aanwezig zijn. We moeten een voortdurende dialoog voeren met de leiders van Oekraïne en de maatschappij. In Oekraïne moet een pro-Europees front gevormd worden.

De huidige ontwikkelingen in Oekraïne staan in het teken van een ongeëvenaarde bemoeienis van Rusland, dat de gastoevoer als wapen heeft ingezet. Er moet een nieuwe grondwet komen en het volgende parlement zal beslissen of Oekraïne koers zet naar Europa, of pas op de plaats maakt, zoals al vaak is gebeurd. De leiders van de politieke partijen die nu campagne voeren voor de parlementsverkiezingen verdienen onze steun, zodat ze een sterk, pro-Europees front kunnen vormen. Op die manier krijgen wij een goede partner voor de komende vier jaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Helmut Kuhne (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de heer Wurtz vroeg de heer Solana wat er in de afgelopen twee jaar is verbeterd, alsof de Europese Unie bij machte zou zijn doorslaggevende verbeteringen aan te brengen in de wereld. Degenen die een multipolaire wereld wilden zien ontstaan, een wereld met minder macht voor de enige supermacht ter wereld, mogen nu eigenlijk niet verbaasd opkijken dat dit inderdaad het geval is. De woorden van een aantal afgevaardigden weerspiegelen hun Eurocentrische wereldbeeld en de teleurstelling over de plaats die wij innemen in deze multipolaire wereld. Daarop kan ik hen alleen maar hartelijk welkom heten in een wereld die er helaas niet mooier op is geworden nu ze multipolair is en er nieuwe machten op globaal en regionaal niveau aan het ontstaan zijn.

In het licht van deze situatie komen wij Europeanen er niet eens zo slecht van af, en ik sluit mij aan bij degenen die de heer Solana hebben gefeliciteerd met het gezamenlijk besluit met China en Rusland ten aanzien van de vraag of de wil van Iran om kernwapens te produceren een zaak is voor de Veiligheidsraad. Ik kan slechts hopen dat daarmee resultaten worden bereikt, maar de nu ingeslagen weg is mijns inziens helemaal zo verkeerd nog niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Libor Rouček (PSE). - (CS) In zijn inleidende opmerkingen heeft de heer Solana gerefereerd aan bepaalde gebeurtenissen die vorige maand hebben plaatsgevonden, en aan de uitdagingen die Europa te wachten staan. Hij noemde het geschil over de gastoevoer uit Rusland, de verkiezingen in Palestina en de situatie in het Midden-Oosten, de uitzichtloze situatie in Irak, de crisis rondom het Iraanse kernprogramma en de nog onopgeloste kwestie van de status van Kosovo. Door al deze ontwikkelingen en moeilijkheden loopt een rode draad: geen enkel Europees land, hoe groot ook, is in staat om deze problemen op eigen houtje aan te pakken. Anders gezegd, als wij voor deze kwesties een oplossing willen vinden, moeten wij de handen ineenslaan en een gemeenschappelijk beleid ten uitvoer leggen op het gebied van buitenlandse zaken, veiligheid en defensie. Dat is de wens van tal van politici uit diverse landen en, zoals hier reeds door andere sprekers is gezegd, van de Europese burgers.

Het verslag van de heer Brok, dat morgen in stemming wordt gebracht, gaat over de vooruitgang die is geboekt in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, ofschoon tevens gewag wordt gemaakt van een reeks problemen, waaronder de geringe betrokkenheid van het Parlement bij de vaststelling van het buitenlands beleid. Daarom verzoek ik de Raad zich te houden aan artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Parlement aan het begin van elk jaar te raadplegen over de gemaakte vorderingen en plannen in plaats van eenvoudigweg een samenvatting van het vorige jaar te presenteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil ingaan op enkele vragen die zijn gesteld.

De belangrijkste kwestie, zoals velen van u hebben gezegd, is dat we vandaag de dag behoefte hebben aan een sterker Europa op het terrein van het buitenlands beleid. Voor een sterker Europa op het terrein van het buitenlands beleid is het nodig dat wij samenwerken. We moeten met name samenwerken bij de onderwerpen die op dit moment erg actueel zijn. Een daarvan is het energiebeleid, dat velen van u reeds hebben genoemd. Zoals ik al eerder heb gezegd, werken we daar op dit moment aan. Uiteraard moeten we een beter energiebeleid voeren, en misschien moeten wij zelfs een gemeenschappelijk extern beleid op dat gebied voeren. Ik weet dat we hier in ieder geval naar moeten streven, en we hebben daarvoor al veel waardevolle instrumenten, met inbegrip van politieke dialogen en specifieke energiedialogen. Dan zijn er nog de multilaterale dialogen. We moeten de OPEC daarbij betrekken. We zullen meer met de OPEC moeten spreken, evenals met de Samenwerkingsraad van de Golf.

Zoals ik al heb gezegd, zal de diversificatiestrategie voor ons allemaal van cruciaal belang zijn. We moeten nagaan hoe wij de energiemarkten van onze buurlanden kunnen integreren in de Europese energiemarkt, wellicht naar voorbeeld van de Energiegemeenschap voor Zuidoost-Europa. We beschikken verder over een heel scala aan financiële instrumenten waarmee wij bundeling van energiekwesties kunnen bevorderen. Zoals ik al gezegd heb, is een zekere energietoevoer van cruciaal belang. Ik beloof u dan ook dat we hieraan zullen werken, en zodra de mededeling is uitgebracht, zullen we hierop terugkomen.

Zoals de heer Rasmussen zei, mogen wij de preventieve diplomatie niet uit het oog verliezen. Die is van cruciaal belang, en ik ben het met hem eens. Uiteraard is in een dergelijke diplomatie soms geduld vereist. Het is immers onmogelijk om armoede van de ene dag op de andere uit te roeien, en je kunt onmogelijk met alle verschillende soorten crisisbeheer of zelfs post-crisisbeheer tegelijk aan de slag gaan en onmiddellijk een verandering bewerkstelligen. Daarvoor zijn duurzame en samenhangende stappen vooruit nodig.

Ook migratie is een zeer belangrijk nieuw onderwerp op het vlak van het buitenlands beleid. Nogmaals, we zullen allemaal moeten samenwerken met de landen van herkomst, met de doorgangslanden. Daarbij moet de Europese Unie de juiste manier zien te vinden om het binnenlands en het buitenlands beleid op elkaar af te stemmen.

Terreurbestrijding, drugsbestrijding: al deze zaken zullen ons vele jaren kosten, maar bij dergelijke gevechten zal het steeds noodzakelijker worden een gesloten front te vormen. Massavernietigingswapens, democratiebevordering, rechtsstaat en vrije en eerlijke verkiezingen: al deze onderwerpen komen aan de orde in ons nabuurschapsbeleid, en we zullen die dan ook zeer serieus nemen. Ons programma van Barcelona bijvoorbeeld bevat hiervoor positieve stimulansen, maar we hebben daarnaast alle steun nodig als wij in staat willen zijn om met dit beleid daadwerkelijke vooruitgang te boeken.

De strategische partnerschappen met de grootmachten - zoals de trans-Atlantische betrekkingen, de betrekkingen met China, India en Brazilië, en de buitengewoon goede betrekkingen met Latijns-Amerika - zijn allemaal belangrijk, omdat deze ons de mogelijkheid bieden om samen te werken binnen een multilateraal kader. Hetzelfde geldt overigens voor de samenwerking met de Verenigde Naties, waar ook gewag van werd gemaakt. Het is uiteraard ook belangrijk dat we in staat zijn onze inspanningen voor onze gemeenschappelijke waarden te bundelen en op te nemen in de multilaterale strategie.

Het nabuurschapsbeleid vormt een belangrijk onderdeel van de veiligheidsstrategie. Wij proberen echt stabiliteit te exporteren door samen te werken met Oekraïne, de landen van de zuidelijke Kaukasus en in het Middellandse-Zeegebied. We hebben dan ook grote ambities en willen Europa veiliger maken. We weten dat er veel uitdagingen in het verschiet liggen, maar ik zie maar één weg voorwaarts: onze instrumenten verbeteren en ons inzetten voor een gemeenschappelijk Europa, een Europa dat gegrondvest is op gemeenschappelijke, met de rest van de wereld gedeelde waarden.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, geachte afgevaardigden, het is onmogelijk om in korte tijd nogmaals in te gaan op elk van de talrijke onderwerpen dat zijn aangekaart. Ik zou echter wel een aantal punten willen behandelen die voor mij, als vertegenwoordiger van de Raad, belangrijk zijn.

De Hoge Vertegenwoordiger heeft als eerste opgemerkt - en velen van u hebben dit herhaald - dat er wereldwijd behoefte bestaat aan Europees buitenlands beleid, ook onder de Europese burgers. Wij - Raad, Commissie en Europees Parlement - moeten dan ook gezamenlijk ervoor zorgen dat aan deze behoefte tegemoet wordt gekomen. De heer Watson zei dat wij de Europese Unie moeten opbouwen op waarden. Dat geldt uiteraard ook, en met name, voor het buitenlands beleid. Daarmee moeten wij een voorbeeld stellen, als we vrede en stabiliteit in de wereld willen bereiken. Daar kan ik het slechts volledig mee eens zijn, en ik kan u verzekeren dat het Oostenrijkse voorzitterschap - evenals de voorgaande en volgende voorzitterschappen hebben gedaan - zich gedurende deze zes maanden zal inzetten voor deze waarden: voor de bescherming van de mensenrechten, de grondvrijheden, maar ook - zoals de heer Geremek heeft gezegd - voor hetgeen in het algemeen human security wordt genoemd, namelijk het streven naar gezondheid, de strijd tegen bewapening en herbewapening.

De Europese Unie voert een vreedzaam buitenlands beleid. Wij zijn in die zin geen militaire macht. Preemptive diplomacy vormt het wezenlijke uitgangspunt. Binnen het kader van het multilaterisme, waartoe wij ons verbonden hebben, proberen wij met vreedzame middelen te handelen overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en het volkerenrecht. Alleen op die manier kunnen wij onze geloofwaardigheid in de wereld behouden.

Er zijn diverse kwesties aangekaart waarop ik kort wil ingaan. Het energiebeleid is meermaals aan bod gekomen. Mevrouw Ferrero-Waldner heeft daar het een en ander over gezegd, en ik zou graag hetgeen zij zei willen aanvullen. De Commissie speelt hierin uiteraard een zeer belangrijke rol, en het voorzitterschap van de Raad werkt zeer nauw met de Commissie samen. De kwestie van een Europees energiebeleid zal tijdens de Europese Raad in maart een centrale rol gaan spelen. Daarvoor heeft het Brits voorzitterschap reeds de grondslag gelegd. Wij willen het begonnen werk voortzetten. Continuïteit van energievoorziening, waarover hier is gesproken, is daarbij een zeer belangrijk thema. Daarbij gaat het om diversificatie van energiebronnen en -netwerken, evenals om een vermindering van de eenzijdige afhankelijkheid van energieleveranciers en -netwerken, en met name om de stimulering en actieve bevordering van hernieuwbare energie en alternatieve energiebronnen. Ook dat is een kwestie waar wij uiteraard onze aandacht op zullen richten.

In dit verband wordt ook steeds opnieuw Rusland genoemd. Het Europees nabuurschapsbeleid in het algemeen en het Europees beleid ten aanzien van Rusland zijn beide van wezenlijk belang. Rusland is een belangrijke partner. Wij moeten derhalve in de dialoog met Rusland ook aandringen op de waarden die ik noemde, en uiteraard moet met Rusland ook over het onderwerp mensenrechten worden gesproken. Dat gebeurt ook, en wel in een zeer intensieve dialoog. Mijns inziens moeten wij ons er echter van bewust zijn dat Rusland, net als de Verenigde Staten, een belangrijke strategische partner is voor de Europese Unie.

Ik ben mevrouw Beer er bijzonder dankbaar voor dat zij over de Balkan heeft gesproken. De heer Solana heeft dat eveneens in zijn inleiding gedaan. De Westelijke Balkan heeft voor het Oostenrijks voorzitterschap van de Raad deze zes maanden bijzondere prioriteit. Dit is in het belang van de stabiliteit in deze regio en dus in het belang van de vrede en de stabiliteit in heel Europa.

Wat het Europees buitenlands beleid betreft, werd eveneens opgemerkt dat wij ons voornamelijk op het nabuurschap moeten richten. Dat doen wij ook, en het is belangrijk dat dat gebeurt. Er is immers geen crisis, geen situatie ter wereld die niet ook van invloed is op de belangen en de stabiliteit van de Europese Unie. Derhalve is de Europese Unie een global player, en derhalve moet de Unie zich de vereiste middelen verschaffen om deze rol als global player te kunnen vervullen. De Hoge Vertegenwoordiger reist, in het belang van de vrede, onvermoeibaar - in de ware zin van het woord - de hele wereld rond. Dat doet hij in het belang van een geloofwaardig Europees buitenlands beleid, in ons eigen belang en ook in het belang van de stabiliteit en de vrede in Europa.

Ik wil graag nog een onderwerp aansnijden dat voor onze burgers bijzonder belangrijk is, en dat ook een van de prioriteiten van het Oostenrijks voorzitterschap van de Raad is, te weten de bescherming van Europese burgers in derde landen. De recente gebeurtenissen en crises hebben aangetoond dat de Europese Unie de verantwoording draagt voor de bescherming van onze burgers in derde landen. Het Oostenrijks voorzitterschap wil een bijdrage leveren aan een beter georganiseerde samenwerking tussen consulaten, opdat onze burgers beter beschermd worden als ze in het buitenland zijn. Wij willen ook helpen daarvoor de noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen.

Tot slot is China aan bod gekomen. Met betrekking tot het wapenembargo wil ik slechts opmerken dat er ten aanzien van deze kwestie nog geen consensus binnen de Raad bestaat. Deze kwestie staat niet op de agenda, maar ongeacht de beslissing die wordt genomen, hanteert de Raad het principe dat ook voor het Europees beleid geldt: er zullen niet meer wapens naar China worden geëxporteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil nog even heel kort afsluiten, omdat veel van wat ik algemeen gezegd heb, een herhaling was van wat wij denken. We proberen in andere bewoordingen dat te herhalen wat de meerderheid van de mensen denkt over het buitenlands beleid van de Europese Unie. In plaats van bij iedere ontmoeting een waslijst aan onderwerpen te behandelen, zou ik mij liever willen concentreren op een beperkt aantal onderwerpen en deze diepgaand behandelen. We hebben nu immers alle wereldproblemen in een uur of twee de revue laten passeren, met ik weet niet hoeveel sprekers. We willen hier een nuttig debat van maken, en daarom dank ik de heer Watson voor zijn goede raad om minder op televisie te verschijnen en in plaats daarvan meer hiernaartoe te komen. Ik beloof u dat ik iedere keer voordat ik op televisie kom, u van tevoren zal bellen, zodat u kunt noteren hoe lang ik op televisie ben en hoe veel uur ik hier doorbreng! Noteert u dat!

Dit in alle vriendelijkheid tegen mijn goede vriend gezegd zijnde wil ik, als dat mogelijk is, een debat organiseren, zodat we de problemen diepgaander kunnen behandelen, want dat is zeer belangrijk. Ik zal me proberen te concentreren op een klein aantal zeer belangrijke onderwerpen.

We kunnen wel spreken over een gemeenschappelijk buitenlands beleid, maar als we daarin tekortschieten, is er van een gemeenschappelijk buitenlands beleid geen sprake. We kunnen de tent net zo goed sluiten als we geen succes boeken. Kijkt u eens naar de Balkan: als we niet bereid zijn orde op zaken te stellen op de Balkan - of we kunnen net zo goed zeggen in Iran, of waar dan ook - dan zullen successen uitblijven, en dat wil ik niet. Daarom zal ik mij continu blijven inzetten. Dat is wat ik probeer, en dat is wat ik zal blijven doen.

Bedankt voor de vriendelijk woorden, die een aantal van u over mijn werk heeft gesproken. Ook bedank ik degenen die mijn inspanningen niet kunnen waarderen. Daarnaast wil ik Leïla Shahid bedanken voor de vriendelijke woorden die zij de afgelopen dagen over mij heeft gezegd omdat ik, net zoals zij, de positie heb verdedigd van president Abu Mazen, die wij zoveel mogelijk moeten proberen te helpen. Ik ben van mening dat hij de belangrijkste persoon is die we op dit moment moeten ondersteunen.

Wat de andere kwesties betreft, moeten we afwachten wat er gebeurt. In de komende uren zullen we waarschijnlijk enkele buitengewoon belangrijke keuzen moeten maken. Als de tijd het toelaat, en u bereid ben te komen, zal ik gaarne een verklaring afleggen om het een en ander toe te lichten, mocht er iets van groot belang gebeuren. Mijnheer de Voorzitter, dat laat ik aan u over. Als u op dit aanbod wilt ingaan, moet u dat doen; zo niet, dan niet.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen plaats.

 
Laatst bijgewerkt op: 20 april 2006Juridische mededeling