Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/2134(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0389/2005

Debatten :

PV 01/02/2006 - 11
CRE 01/02/2006 - 11

Stemmingen :

PV 02/02/2006 - 8.4
CRE 02/02/2006 - 8.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0037

Debatten
Donderdag 2 februari 2006 - Brussel Uitgave PB

9. Stemverklaringen
PV
  

- Verslag-Markov (A6-0005/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Gyula Hegyi (PSE). – (HU) Ik was zeer verheugd te kunnen stemmen voor arbeidsvoorwaardenwetgeving voor chauffeurs die werkzaam zijn in het wegvervoer. Het doet mij deugd dat het chauffeurs wordt toegestaan minimale rustpauzes te nemen. Ik ben ervan overtuigd dat het ook van belang is dat het naleven van die rustpauzes wordt gecontroleerd. Ik moet echter benadrukken dat het toegenomen wegvervoer in strijd is met het basisprincipe van duurzame ontwikkeling. Verkwistend energieverbruik, ernstige luchtverontreiniging en de achteruitgang van de wegen en het milieu zijn de directe gevolgen van een toename van het vrachtverkeer. De Europese Unie zou daarom moeten streven naar het ontwikkelen van alternatieve vervoerswijzen. Afgezien van het verbeteren van de arbeidsomstandigheden van chauffeurs, moeten we ons ook bezighouden met de omstandigheden van de burgers die in steden en dorpen wonen waar dag en nacht vrachtwagens doorheen ratelen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik verheug mij over de nieuwe verordening, die op de eerste plaats bedoeld is om de sociale wetgeving voor chauffeurs in het wegvervoer te versterken en te verbeteren.

De verordening omvat vier belangrijke elementen. Er wordt in vastgelegd dat alle nieuwe voertuigen moeten worden uitgerust met digitale tachografen en dat een "normale dagelijkse rusttijd" een ononderbroken rustperiode is van ten minste elf uur, die kan worden opgesplitst in twee perioden. Daarnaast is overeenstemming bereikt over een nieuwe definitie van "rijtijd", evenals over de bepalingen in de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg, die nu in overeenstemming worden gebracht met die van de verordening. Tot slot wordt in de verordening onderkend dat de maximale wekelijkse arbeidstijd van zestig uur per week moet worden geëerbiedigd.

Al met al kan ik het standpunt onderschrijven dat de verordening een aanzienlijke bijdrage levert aan de verbetering van de verkeersveiligheid in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Het verslag-Markov, waarover we vandaag in het Parlement gestemd hebben, roept een aantal vragen op met betrekking tot landen die zich geografisch gezien in de periferie van Europa bevinden, zoals Portugal, Spanje en Griekenland.

Ik weet dat men bij de onderhandelingen heel consciëntieus te werk is gegaan. Ik wil daar echter wel bij aantekenen dat deze kwestie op een zodanige wijze moet worden aangepakt dat niet alleen de verkeersveiligheid op de Europese wegen verbeterd wordt. We moeten er namelijk ook voor zorgen dat de ontwikkeling en groei van de vervoersector zich in alle lidstaten in een context van economische gelijkheid kan afspelen.

Bij het lezen van de tekst ben ik tot de slotsom gekomen dat de onderhandelaars weliswaar al het mogelijke hebben ondernomen, maar dat ze bij het formuleren van deze voorstellen toch aan vervoersondernemingen uit Midden-Europa hebben gedacht. Deze vervoerders leggen gewoonlijk minder lange trajecten af.

Als gekozen vertegenwoordiger voor Portugal moet ik tegen deze regeling stemmen en duidelijk maken dat bij de voltooiing van de interne markt rekening moet worden gehouden met vervoerders in landen die langere trajecten moeten afleggen en dat elke regeling de belangen van alle lidstaten moet dienen, zonder enige uitzondering.

 
  
  

- Verslag-Markov (A6-0006/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) De Europese afgevaardigden van de Portugese Communistische Partij voeren samen met de vertegenwoordigende organisaties van de werknemers in het weg- en stadsvervoer al geruime tijd actie om de arbeidsvoorwaarden van beroepschauffeurs te verbeteren en te garanderen dat de voorschriften voor de wettelijke werktijden en rustperioden worden nageleefd. We proberen daarmee te verhinderen dat deze rechten in naam van de heilig verklaarde mededinging (lees: onverzadigbare zucht tot uitbuiting) worden ondermijnd.

De vakbonden hebben erop gewezen dat deze verordening in een aantal lidstaten weliswaar tot een verbetering van de arbeidsomstandigheden kan leiden, maar dat ze toch niet zover gaat als de collectieve regeling zoals die thans in Portugal geldt met betrekking tot de werktijden, de bepaling van de dagelijkse en wekelijkse rustperioden en het toezicht op deze zaken.

Om een voorbeeld te noemen: deze verordening blijft een onderscheid aanhouden tussen twee begrippen, “rijtijd” en “werktijd”. De werknemers worden daar de dupe van. Daar komt bij dat het “nieuwe” begrip bekorte rusttijden het moeilijker maakt om te controleren of de voorschriften voor minimumrusttijden worden nageleefd. De kans dat chauffeurs veel te lange werkdagen en –weken zullen moeten maken neemt daardoor toe. We hopen daarom dat de goedkeuring van deze verordening niet tot gevolg zal hebben dat men deze wetgeving als (onaanvaardbaar) excuus gaat gebruiken om een volgende aanslag op de rechten van de werknemers te rechtvaardigen, want dat is niet juist.

(Stemverklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. – (DE) Doel van de verordening tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer was de invoering van uniforme regels voor arbeidsomstandigheden en veiligheid in het wegvervoer, iets wat al lang had moeten gebeuren. Of de sociale voorwaarden voor de betrokken chauffeurs op basis van het nu bereikte compromis inderdaad worden verbeterd, valt echter nog te bezien. Er is weliswaar eindelijk overeenstemming bereikt over uniforme rij- en rusttijden in het wegvervoer, maar punten die voor mij belangrijk zijn, zoals een uitvoerige verwijzing naar de arbeidstijdenrichtlijn, zijn niet in het definitieve document opgenomen.

Ik betreur het ten zeerste dat beloning op basis van afstanden en hoeveelheden lading niet door de vandaag aangenomen verordening wordt verboden. Ik heb me enorm ingezet voor een flinke verbetering van de sociale voorwaarden voor vrachtwagenchauffeurs. Voor iedere werknemer is een vast loon de beste bescherming van zijn sociaal-economische positie. Ik vind dat ook het personeel dat in het wegvervoer werkzaam is, daar recht op heeft.

De harmonisatie van sociale normen in het Europese wegvervoer is in algemene zin een verstandige beslissing. Vergeleken met mijn aanvankelijke verwachtingen omtrent de verbeteringen voor de chauffeurs zelf, is het resultaat echter ontnuchterend. Ik kan daarom niet anders dan beide dossiers afwijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE), schriftelijk. – (DE) De harmonisatie van sociale normen in het Europese wegvervoer moet in het algemeen ten zeerste worden toegejuicht. Die harmonisatie moet echter wel leiden tot een verbeterring van de sociale voorwaarden voor vrachtwagenchauffeurs. Dat is nu niet gebeurd en daarom heb ik tegen deze dossiers gestemd.

Doel van de verordening tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer is de invoering van uniforme regels voor arbeidsomstandigheden en veiligheid in het wegvervoer, iets wat al lang had moeten gebeuren. Er is weliswaar eindelijk overeenstemming bereikt over uniforme rij- en rusttijden in het wegvervoer, maar belangrijke punten, zoals een uitvoerige verwijzing naar de arbeidstijdenrichtlijn, zijn niet in het definitieve document opgenomen.

Helaas zal beloning op basis van afstanden en hoeveelheden lading niet door de vandaag aangenomen verordening worden verboden. Voor iedere werknemer is een vast loon echter een belangrijke bescherming van zijn sociaal-economische positie. Natuurlijk heeft ook het personeel dat in het wegvervoer werkzaam is, daar recht op.

 
  
  

- Verslag-Toubon (A6-0412/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  James Hugh Allister (NI), schriftelijk. (EN) Ik heb vandaag tegen een voorstel van de Commissie gestemd betreffende de uniformiteit en de toepassing van het metrieke stelsel op voedingsmiddelen, waaronder brood en melk. Het gevolg hiervan zou zijn geweest dat er een einde was gekomen aan de Britse gewoonte om melk in pints te verkopen. Ook de standaardmaat van ons brood zou zijn veranderd.

Afgezien van het feit dat beide voorstellen ertoe zouden hebben geleid dat er zinloze uniformiteit was voorgeschreven, zouden ook de kosten voor Britse broodmakers en melkproducenten enorm hoog geweest zijn, vanwege de nieuwe machines die noodzakelijk zouden zijn geweest. Ik heb een ontmoeting gehad met vertegenwoordigers van de broodindustrie in Noord-Ierland en twijfel er niet aan dat hiermee een veel te zware en kostbare belasting gepaard zou gaan.

Ik ben dan ook zeer opgetogen dat het Europees Parlement dit aspect van het meest recente idiote voorstel van Brussel heeft verworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek en Cecilia Malmström (ALDE), schriftelijk. (SV) Om een goed functionerende Europese markt voor goederen tot stand te brengen is het belangrijk dat de belangen van de consument gewaarborgd zijn. De wijzigingen die de Commissie interne markt en consumentenbescherming van het Europees Parlement heeft aangebracht in het voorstel van de Commissie tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten dragen evenwel niet bij aan deze doelstelling. De rapporteur voorziet in voorschriften voor de verpakking van onder meer boter, melk, deegwaren en rijst. Ik ben van oordeel dat Europese consumenten een keuze moeten kunnen maken uit een groot aantal producten. Het heeft mijns inziens geen zin om regels uit te vaardigen waarmee de bestaande Zweedse melkpakken van bijvoorbeeld 300 ml van de markt zouden verdwijnen. Consumenten zijn tegenwoordig heel goed in staat om zelf uit te maken wat zij willen kopen door prijzen te vergelijken. Wij moeten wetten maken om de basisvoorwaarden voor concurrentie te verbeteren en de consumentenbescherming te vergroten. Anderzijds moeten wij, overeenkomstig de ambitie van de Commissie, alle overtollige voorschriften overboord gooien. Daarom heb ik mijn stem gegeven aan een smallere maar meer gerichte Europese Unie, waarin geen plaats is voor overbodige regelingen die de voedingsindustrie nodeloos op kosten jagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Het voorstel voor een richtlijn waarover we vandaag gestemd hebben maakt deel uit van de door de Commissie gesteunde strategie om de wetgeving op het gebied van de interne markt te vereenvoudigen. Dit voorstel is bedoeld om alle bestaande wetgeving onder te brengen in één enkele tekst en de nu gebruikte verpakkingsmaten af te schaffen (of te dereguleren).

Voor bepaalde sectoren zal echter de bestaande, op volledige harmonisatie gebaseerde regeling blijven gelden. Volgens dit voorstel is het gebruik van verplichte reeksen gerechtvaardigd in heel specifieke sectoren, zoals wijnen, sterke drank, oploskoffie, spuitbussen en witte suiker. Voor deze sectoren golden volgens de communautaire regels reeds vaste en geharmoniseerde verplichte verpakkingsmaten.

Het Parlement heeft ook bepaald dat de richtlijn niet van toepassing is op voorverpakt brood, smeerbare vetten of thee. Voor deze producten blijven de nationale regels voor nominale hoeveelheden van kracht. In alle overige sectoren mogen producten worden aangeboden (en gekocht) in een – theoretisch – oneindig aantal verschillende verpakkingsmaten.

Voor andere essentiële voedingsmiddelen (koffie, boter, zout, rijst, deegwaren en consumptiemelk) zouden de verplichte reeksen moeten blijven gelden, hetgeen betekent dat de liberalisering op deze producten niet van toepassing is.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) In het verslag is sprake van zowel deregulering als harmonisatie van de toegestane omvang van voedselverpakkingen. Enerzijds kan het in het kader van de interne markt nuttig blijken om over normen te beschikken die de consument ten goede komen. Anderzijds omvat het verslag een voorstel voor een verstrekkende, gedetailleerde Europese regelgeving.

In een van de amendementen die in de bevoegde commissie zijn goedgekeurd, wordt gerefereerd aan een reeks studies van de Commissie waaruit blijkt dat de informatie over de prijs per maateenheid over het algemeen niet wordt gebruikt en begrepen door de consument. Dergelijke uitspraken suggereren dat de Europese burgers niet in staat zouden om hun eigen boontjes te doppen en getuigen derhalve van een negatieve houding ten aanzien van de bevolking.

Ik heb vandaag tegen het verslag gestemd omdat het betrekking heeft op de regulering van een kwestie waarover niet op Europees maar op nationaal niveau moet worden beslist.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Het streven van de Commissie naar vereenvoudiging van de wetgeving is lovenswaardig. De economische efficiëntie van de EU-lidstaten ondervindt vooral hinder van overdadige wetgeving en verwarrende regels – van alles wat in het Engels “red tape” heet.

Ik ben voorstander van dit voorstel tot vereenvoudiging en liberalisering. Het is door de heel zorgvuldig overwogen amendementen van het Parlement enigszins afgezwakt. Van volledige liberalisering wordt afgezien als die naar alle waarschijnlijkheid geen enkel doel zou dienen of haaks zou staan op de belangen van de consumenten. Ik heb daarom voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Een aantal voorstellen van de Commissie zou negatieve gevolgen hebben gehad voor verschillende bedrijfstakken in de EU, in het bijzonder de Whisky-industrie in Schotland. Daarom ben ik blij dat de Commissie interne markt en consumentenbescherming een aantal wijzigingen heeft doorgevoerd, die ik van harte ondersteun. De interne markt heeft producenten in de EU enorme voordelen opgeleverd, en wij in dit Parlement moeten ervoor zorgen dat die voordelen voorop blijven staan.

 
  
  

- Verslag-Brok (A6-0389/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, op dit moment hebben we te maken met twee crisissituaties die onze volledige aandacht vragen en veel tact vereisen. De problemen zullen in ieder geval niet verdwijnen door mooie woorden zoals we die van het huidige Oostenrijkse voorzitterschap horen.

Aan de ene kant kunnen we niet om de verkiezingsoverwinning van Hamas heen, aangezien het volkomen duidelijk is dat daarin de democratische wil van het Palestijnse volk tot uiting komt. Aan de andere kant gaat het om een beweging die het geweld nog niet heeft afgezworen. Het Palestijnse volk heeft de Europese hulp – inclusief de financiële steun – echter meer dan ooit nodig. Wanneer Hamas een regering vormt, zal Hamas uiteraard op haar beurt het geweld moeten afzweren.

Wat de kwestie-Iran betreft: hopelijk is het nog niet te laat voor een oplossing, bij voorkeur een diplomatieke oplossing, waarvoor natuurlijk afstemming met Rusland en China nodig is. Aangezien Iran bereid lijkt te zijn met Rusland besprekingen over uraniumverrijking te voeren, moeten we eerst die weg maar eens bewandelen. Tegelijkertijd is het echter belangrijk dat we ons verzetten tegen de nucleaire samenwerking tussen de Verenigde Staten en India. Het schijnheilige optreden van de Verenigde Staten lijkt immers een bevestiging te zijn van het negatieve beeld dat Teheran van Amerika heeft als “zelfverklaarde politieagent van de wereld”.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik zal vóór het verslag-Brok over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid stemmen. We hebben in Europa gezien hoe zich successievelijk een industriële, sociale en economische, en monetaire Unie hebben ontwikkeld. We hebben nu een Unie die groter is dan de VS, met 451 miljoen burgers en een economie die sterker is dan de Amerikaanse. Toch spreken we op mondiaal niveau nog altijd niet met één stem.

Het ontbreekt Europa aan een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat ons die stem geeft. Het verslag van de heer Brok is een stap in de goede richting. We zullen nog de nodige strijd moeten leveren over de details van een dergelijk beleid. Maar we hebben dit nodig en het moet er komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Wij hebben het hier vandaag maar weer eens over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, het zogeheten GBVB. De Junilijst is er rotsvast van overtuigd dat de kwesties die betrekking hebben op het buitenlands en veiligheidsbeleid niet op Europees niveau maar op het niveau van de lidstaten moeten worden behandeld.

In het verslag wordt tevens gesteld dat het Europees Parlement aan het begin van elk jaar geraadpleegd moet worden met het oog op de vaststelling van de richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Op die manier probeert het Parlement meer macht naar zich toe te trekken, een ontwikkeling waartegen de Junilijst zich met kracht verzet.

Daarom heb ik hier vandaag tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE), schriftelijk. (EN) De Labour Party in het Europees Parlement beveelt het verslag van de heer Brok aan vanwege het engagement dat erin wordt betoond met een sterk GBVB, waarin de nadruk ligt op conflictbeheer, de strijd tegen de armoede en het ondersteunen van de mensenrechten. We bedanken de rapporteur voor zijn condoleances met betrekking tot de bomaanslagen in Londen. Ik wil echter ook onze steun laten optekenen voor de handels- en hulpverordeningen voor Noord-Cyprus, in plaats van de formulering in amendement 1, evenals ons aloude verzet tegen het opnemen van militaire uitgaven op de begroting van de Gemeenschap.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik verheug mij over dit verslag, waarin wordt vastgelegd dat het Parlement het recht eist om op doeltreffender wijze te worden geraadpleegd en om een actievere rol te vervullen in het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en het Europees veiligheids- en defensiebeleid. In het verslag van de Commissie buitenlandse zaken worden de prioriteiten opgesomd die noodzakelijk zijn om conflicten te voorkomen en een vorm van internationale samenwerking op te bouwen die gegrondvest is op de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal recht.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Ik heb vóór dit verslag gestemd, omdat ik het eens ben met de grote lijnen, of het nu gaat om de vraag wat internationaal gezien de belangrijkste redenen voor bezorgdheid zijn (en moeten zijn), of om de vraag wat de prioriteiten van de Europese Unie op dit gebied behoren te zijn.

Met een aantal punten ben ik het niet helemaal met het verslag eens, vooral als het institutionele vraagstukken betreft. Ik meen echter wel dat het wereldbeeld dat hier geschetst wordt correct is. Ik geloof verder dat de internationale rol van de EU vooral ligt in praktische actie en dus afhangt van ons vermogen om te begrijpen welke vraagstukken ons allemaal zorgen baren. Discussies over theoretische modellen zijn van veel minder belang. Bij het buitenlands beleid geldt doorgaans dat de realiteit machtiger is dan om het even welke theoretische overweging.

Tot slot doet het me deugd vast te mogen stellen dat de transatlantische partners het weer vaker met elkaar eens zijn. Volgens mij is dat een absolute voorwaarde voor het bewerkstelligen van vrede, democratie en welvaart in de wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. (EN) De Britse Conservatieven kunnen hun steun geven aan sommige bepalingen in dit verslag, zoals de aanbevelingen om het wapenembargo tegen China te handhaven, de onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen nieuw leven in te blazen en ervoor te ijveren dat Afrikaanse regeringen hun toezeggingen inzake democratie en rechtsstatelijkheid nakomen.

Het verslag bevat echter ook voorstellen waar we vierkant tegen zijn. Over het algemeen wordt erin geprobeerd de reikwijdte van het GBVB uit te breiden naar alle gebieden van het nationaal buitenlands beleid. In paragraaf 4 worden schaamteloos de maatregelen opgesomd die reeds zijn genomen "ter voorbereiding van de toepassing van sommige bepalingen van het Grondwettelijk Verdrag", ondanks het feit dat de Grondwet - gelukkig - is verworpen. In paragraaf 10 wordt "binnenlandse defensie" onterecht beschouwd als "een cruciaal onderdeel van de Europese veiligheidsstrategie", terwijl dit het domein is van de nationale regeringen. De NAVO, al meer dan een halve eeuw de hoeksteen van de Europese defensie en de voornaamste organisatie op het gebied van militaire missies in het kader van internationaal crisisbeheer, wordt in dit verslag nauwelijks genoemd. Alleen in paragraaf 12 krijgt de NAVO op misleidende wijze een rol toebedeeld "in het Europees buitenlands en veiligheidsbeleid". We maken verder bezwaar tegen het idee om een militaire EU-missie naar de Democratische Republiek Congo te zenden, evenals tegen een EU-defensiebegroting.

We hebben ons daarom bij de eindstemming van stemming onthouden.

 
  
  

- Verslag-Carlshamre (A6-0404/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Anna Hedh, Ewa Hedkvist Petersen, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. (SV) Wij hebben voor het verslag gestemd. Wij interpreteren het concept ‘minimuminkomen’ in paragraaf 4, letter f) als het waarborgen van een redelijke levensstandaard, aangezien wij kunnen instemmen met het waarborgen van een redelijke levensstandaard, maar gekant zijn tegen het invoeren van door de staat gereguleerde minimumlonen.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. (SV) De delegatie van de Zweedse conservatieven heeft besloten zich hier vandaag van stemming te onthouden over het verslag van mevrouw Carlshamre over de huidige situatie ten aanzien van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en mogelijke toekomstige actie. Wij hebben het verslag niet kunnen steunen vanwege de onaanvaardbare pogingen om kwesties die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen onder de Europese besluitvorming te brengen. Wij zijn er sterk van overtuigd dat beslissingen inzake gendergelijkheid en misdaadbeleid op nationaal niveau moeten worden genomen, aangezien de lidstaten in de beste positie verkeren om dergelijke problemen aan te pakken. De conservatieven hebben op nationaal niveau voor een groot deel van de maatregelen die in het verslag worden besproken de toon aangegeven.

Wij zijn van oordeel dat de staat zijn basisplicht moet vervullen, namelijk het beschermen van de burgers tegen criminele praktijken, ongeacht het geslacht van het slachtoffer en de dader. Wij moeten de nadruk leggen op de verantwoordelijkheid van de individuele geweldpleger in plaats van te handelen op basis van een maatschappijvisie waarin de verantwoordelijkheid van het individu beperkt wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Het is heel belangrijk dat het Parlement zijn bezorgdheid over geweld tegen vrouwen tot uitdrukking brengt. Vrouwen van alle leeftijdsgroepen, ongeacht opleidingsniveau of sociale achtergrond, kunnen met dit verschijnsel te maken krijgen, al is het wel zo dat bepaalde vormen van geweld nadrukkelijk samenhangen met armoede en sociale uitsluiting.

Wij staan achter de aanbeveling aan de lidstaten om bij het aanpakken van alle vormen van geweld tegen vrouwen uit te gaan van een zero tolerance-beleid. Dat betekent dat er doeltreffende mechanismen moeten worden gevonden voor zowel preventie als bestraffing. Er zullen bovendien maatregelen moeten worden getroffen voor de bewustmaking omtrent het probleem en de bestrijding ervan.

We mogen niet vergeten dat geweld van mannen tegen vrouwen een fenomeen is dat verband houdt met de ongelijke verdeling van de macht en de bevoegdheden tussen de beide geslachten. Dat is één van de redenen waarom dit type delicten niet vaak genoeg wordt aangegeven en openlijk veroordeeld.

Van de voorstellen die wij hebben ingediend is er een aantal aangenomen, en daar ben ik blij om. Dat geldt vooral voor de erkenning dat armoede en marginalisering de onderliggende oorzaken zijn bij de toename van de vrouwenhandel. Belangrijk is ook dat erkend wordt dat prostitutie niet als “gewoon een baan” mag worden beschouwd.

Ons voorstel om hulpmiddelen te creëren voor het ontwikkelen van doeltreffende programma’s voor de herintegratie van vrouwen die in de prostitutie werkzaam zijn geweest, met als doel prostitutie aldus terug te dringen en uiteindelijk geheel uit te bannen, is helaas verworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Ik kan mij grotendeels vinden in de standpunten van de rapporteur. Het is uitermate belangrijk dat het publieke bewustzijn ten aanzien van deze problematiek in de lidstaten wordt versterkt. Ik heb voor het verslag gestemd, omdat niet uitdrukkelijk wordt aangedrongen op Europese wetgeving. Er worden aan zowel de Commissie als de lidstaten aanbevelingen gericht om geweld tegen vrouwen te bestrijden. Ik ben van oordeel dat het aan de nationale parlementen is om op dit vlak de nodige wetgevingsmaatregelen vast te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Filip Andrzej Kaczmarek (PPE-DE), schriftelijk. - (PL) Geweld tegen vrouwen is een traumatische ervaring; niet alleen voor de vrouwen zelf, maar ook voor hun kinderen, hun familie en zelfs voor degenen die de slachtoffers proberen hulp te bieden. Ik heb hier persoonlijk ervaring mee. Ik heb ooit een vrouw die door haar man in elkaar was geslagen naar het ziekenhuis en het politiebureau gereden. Op dat moment werd ik door een gevoel overvallen dat vrouwen waarschijnlijk vaak ervaren. Het was een onmachtige woede. Je voelt dezelfde woede als je hoort dat een dronken man, die veroordeeld is voor geweld tegen zijn familie, door de politie naar het huis van zijn voormalige echtgenote wordt gebracht, waarbij de politie haar optreden rechtvaardigt door te verklaren dat het laatste adres waar de man geregistreerd stond, het adres van zijn voormalige echtgenote is.

Een aantal jaren geleden voltrok zich in mijn eigen woonplaats een drama. Er was een man ontsnapt uit een van de opvangcentra waar dronkaards naartoe worden gebracht om te ontnuchteren. Deze opvangcentra zijn geen gevangenissen. De man was in staat een aantal kilometers te lopen, vermoordde zijn vrouw en gooide haar lichaam uit het raam. Ik wil niet dat er nog eens zoiets gebeurt.

Geweld is geen privé-aangelegenheid. Het kan nooit worden gerechtvaardigd of gerelativeerd. De gehele maatschappij moet zich verzetten tegen geweld. We kunnen niet aan de zijlijn blijven staan of het maatschappelijk belang van dit probleem onderschatten. Ook mogen we de schaal waarop dit verschijnsel voorkomt niet bagatelliseren.

Ik heb het verslag van mevrouw Carlshamre gesteund, omdat we alles moeten doen wat in onze macht ligt om het geweld tegen vrouwen te stoppen. Een zero tolerance-beleid is niet altijd nodig, maar in dit geval is het volstrekt noodzakelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Timothy Kirkhope (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Ik en mijn collega's van de Britse Conservatieven betreuren elke vorm van geweld tegen vrouwen. Uiteraard betreuren we geweld tegen beide seksen dat wordt gepleegd door beide seksen, of door wie dan ook tegen wie dan ook. Voorts geloven we dat vrouwen moeten worden beschermd tegen gewelddaden en dat degenen die verantwoordelijk zijn voor dergelijke daden hun straf niet mogen ontlopen.

We hebben ons echter onthouden van stemming over dit verslag, aangezien het een gemiste kans is om een serieus probleem aan te pakken. Het onstuimige taalgebruik doet afbreuk aan de belangrijke boodschap die men met het verslag probeert af te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik juich dit verslag toe, aangezien erin wordt bevestigd dat geweld van mannen tegen vrouwen een schending van de mensenrechten is en dat de daders van dergelijk geweld net zo streng moeten worden vervolgd als de daders in gevallen waarin het geweld gericht is tegen mannen. Er bestaat namelijk verschil in de wijze waarop geweldsmisdrijven worden behandeld en bestraft naar gelang het geslacht van het slachtoffer. Of dergelijk geweld zich voordoet in een openbare ruimte of in de privé-sfeer zou niet relevant moeten zijn voor de aanpak van deze vorm van geweld als strafbaar feit.

Hoewel wordt onderkend dat de Verklaring over de uitbanning van geweld tegen vrouwen, die in 1993 is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, een belangrijke mijlpaal was voor de erkenning van het probleem van huiselijk geweld tegen vrouwen, wordt in dit verslag benadrukt - en terecht - dat er in EU-verband meer kan worden gedaan.

Ik steun in het bijzonder de oproepen tot het uitvoeren van een fundamentele analyse van de omvang van het probleem, naar aanleiding van studies die zijn verricht in drie EU-landen en waaruit naar voren is gekomen dat 40 tot 50 procent van de vrouwen op enig tijdstip in hun leven slachtoffer is geweest van geweld door een man. We hebben in de EU op grond van de rechtsstaat de plicht om het recht van vrouwen op leven en op fysieke veiligheid te erkennen en te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. – (DE) De massale toestroom van mensen uit andere culturen heeft – onder andere op het gebied van vrouwenrechten – geleid tot problemen die onder de noemer van een verkeerd begrepen tolerantie decennialang zijn genegeerd. Wanneer men bedenkt dat in de Europese Unie één op de vier vrouwen slachtoffer wordt van geweld door een mannelijk familielid, de helft van alle moorden in familiekring plaatsvindt en er zo’n half miljoen gevallen van genitale verminking zijn, is het de hoogste tijd voor restrictievere maatregelen.

In dit verband is het toch eigenlijk schandalig dat men in een Europese Unie die de kromming van komkommers en bananen regelt, niet in staat is uniforme richtsnoeren te ontwikkelen voor het strafrechtelijk vervolgen van geweld tegen vrouwen. Net zo verwerpelijk is het wanneer de autoriteiten polygamie gedogen of zelfs stimuleren, waardoor deze schending van de mensenrechten alleen maar verder wordt aangemoedigd.

In het licht van deze feiten valt het weliswaar te prijzen dat het Raadsvoorzitterschap zich krachtiger voor de vrouwenrechten wil inzetten, maar met een beetje voorlichting aan artsen, onderwijzers of de politie zijn we er niet. Kern van het probleem is het rolmodel voor mannen: het concurrentiemodel van de westerse samenleving is niet bepaald ideaal, maar in de islamitische ideologie wordt via het rolmodel zelfs vrouwenhaat gepredikt. Daar moeten we beginnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ten minste één op de drie vrouwen in Europa wordt op enig moment in haar leven het slachtoffer van lichamelijk of seksueel geweld - dat is het verontrustende cijfer uit het uitstekende verslag van mijn liberale collega, Maria Carlshamre.

Geweld tegen vrouwen is uitgegroeid tot een alledaags verschijnsel, en er is maar één passend en ferm antwoord op die escalatie, namelijk een aanpak waarbij geen enkele vorm van geweld, noch binnen noch buiten het huwelijk, wordt getolereerd.

Bovendien heeft Europa zijn verantwoordelijkheid genomen in de bestrijding van deze vorm van geweld, die vrouwen in alle geledingen van de samenleving treft. Voor de periode 2004-2008 is in het kader van het Daphne II-programma 50 miljoen euro uitgetrokken voor de bescherming van diegenen van ons die het grootste risico lopen; een symbolisch bedrag, want wij weten heel goed dat het beleid van preventie van geweld en hulp aan slachtoffers op nationaal niveau moet worden gevoerd, wil het doelmatig zijn.

Het is dan ook verbijsterend te vernemen dat ieder jaar tussen de 5 en 10 miljoen kinderen dergelijke onmenselijke daden gepleegd zien en horen worden.

Daarom is het essentieel dat kinderen voortaan evengoed als hun moeder als slachtoffers worden aangemerkt in de nationale strafwetgeving van de 25 lidstaten.

In onze samenleving is de ernst van geweld tegen vrouwen lange tijd onderschat. Aan die slapheid moet een einde komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (PSE), schriftelijk. (EN) Mijn redenen om steun te geven aan dit verslag zijn talrijk en zwaarwegend. Voor de meeste mensen in de maatschappij is geweld tegen vrouwen een gruwel, maar we weten dat het bestaat.

Met geweld tussen mensen die elkaar kennen, zoals partners, moet door de autoriteiten uiterst serieus worden omgegaan. Ik steun de acties die worden voorgesteld om veranderingen te vergemakkelijken, met name op het gebied van vrouwenhandel en huiselijk geweld.

 
  
  

- Verslag-Estrela (A6-0401/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het uitstekende verslag van mijn collega Edite Estrela over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie gestemd, en ik ben blij dat het Europees Parlement het nagenoeg unaniem heeft aangenomen.

Gelijke kansen maken deel uit van de grote republikeinse principes van Frankrijk en ik strijd voor de inachtneming ervan op Europees niveau, in overeenstemming met, onder meer, het Verdrag van Rome tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Iedere vorm van ongelijkheid tussen personen op basis van geslacht is een bron van onrecht, sociaal geweld en miskenning tussen onze medeburgers. Op de Europese Unie rust de plicht toe te zien op een gelijke behandeling van alle mensen, welk beginsel een bron is van harmonie, vrede en vooruitgang. Dit zal de hele wereld tot voorbeeld strekken als het gaat om het bevorderen van de menselijke waarden die wij hooghouden en die een van de pijlers vormen van het Europees project.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. (SV) De delegatie van de Zweedse conservatieven heeft besloten zich hier vandaag van stemming te onthouden over het verslag van mevrouw Estrela over de gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie. Wij, conservatieven, hechten veel belang aan de bestrijding van het gebrek aan vrijheid dat veroorzaakt wordt door ongelijkheid en vooroordelen. Het is echter niet aan de Europese Unie om te beslissen welke maatregelen de lidstaten of de andere sociale actoren terzake moeten nemen. Wij kunnen dan ook geen steun geven aan een verslag waarin tal van voorstellen worden gedaan die de bevoegdheden van de lidstaten aantasten, zoals voorstellen die betrekking hebben op het inrichten van zorgvoorzieningen voor kinderen, een terrein waar de tradities en culturele kenmerken van de lidstaten sterk uiteenlopen.

Erger nog, de rapporteur waagt zich zelfs op terreinen die niet eens door de lidstaten gereguleerd zouden mogen worden, bijvoorbeeld waar het gaat om de vraag of politieke partijen al dan niet strategieën ontwikkelen om meer vrouwen in de partijstructuur op te nemen. Het verslag bevat echter ook een reeks andere belangrijke punten, waaronder de noodzaak om vergelijkbare statistische gegevens te verzamelen betreffende lonen van mannen en vrouwen en discriminatiebestrijding.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Wij zijn het met de inhoud van dit verslag eens en hebben daarom voor gestemd. We zijn ons er echter terdege van bewust dat dit niet meer is dan – wederom – een intentieverklaring van het Parlement, en één die zich slecht verhoudt met het gevoerde beleid, dat in sommige gevallen een aantasting inhoudt van het principe van gelijke rechten en discriminatie verergert, zoals, bijvoorbeeld, op de arbeidsmarkt.

Een van de voorstellen betrof een aansporing aan het adres van de Commissie om het Parlement op de hoogte te houden van de vorderingen die in de verschillende lidstaten zijn gemaakt met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het Actieplatform van Peking, met name op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid. In datzelfde voorstel werd ook gepleit voor het openbaar maken van de statistische gegevens over alle lidstaten. Dat voorstel is gelukkig aangenomen.

We hopen verder dat het Europees Instituut voor gelijkheid van mannen en vrouwen de nodige middelen zal krijgen om een positieve bijdrage te kunnen leveren aan de bevordering van gelijke rechten en te verzekeren dat vrouwen behandeld worden met het respect dat ze verdienen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik verheug mij over het initiatiefverslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid over de toekomst van de strategie van Lissabon vanuit genderperspectief. Ik ben het ermee eens dat er maatregelen moeten worden genomen om de werkgelegenheid voor vrouwen te bevorderen, en om de aanhoudende ongelijkheid tussen vrouwen en mannen te verkleinen.

In het verslag wordt de ongelijkheid benadrukt die nog altijd bestaat met betrekking tot onderliggende factoren als werkgelegenheid, de loonkloof, levenslang leren en opleiding. Voorts worden de manieren beoordeeld waarop beroeps-, gezins- en privé-leven op succesvolle wijze met elkaar kunnen worden gecombineerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. (FR) Als we ons bezighouden met de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, betekent dat eerst en vooral dat we ons moeten realiseren hoeveel vooruitgang er is geboekt sinds de eerste feministische golf van meer dan een eeuw geleden, maar het betekent ook dat we moeten bedenken hoeveel er nog gedaan moet worden voordat gendergelijkheid in het dagelijks leven is verwezenlijkt.

Daarom ben ik ingenomen met de aanneming deze middag van het verslag van mevrouw Estrela, waarin wordt gewezen op de verschillende vormen van discriminatie waarvan de leden van het vrouwelijk geslacht het slachtoffer zijn en die dus even zo vele uitdagingen vormen die moeten worden aangegaan. Om er maar twee te noemen: een loonkloof van naar schatting 16 procent en een stagnerende arbeidsparticipatie van vrouwen van 15 tot 24 jaar, ondanks een hoger opleidingsniveau.

Uiteraard houdt het wegnemen van obstakels voor de deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt in dat er voldoende openbare dan wel particuliere opvangstructuren moeten worden opgezet voor jonge kinderen, ten minste tot de leerplichtleeftijd, evenals de toepassing in de praktijk van gelijke rechten inzake de ouderlijke macht. Voor al deze verbeteringen voor het dagelijks leven van mensen moet de Europese Unie de beste standaarden voorstaan en de blik omhoog richten naar de succesvolle aanpak van gendergelijkheid in de Scandinavische landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. - (EL) De Communistische Partij van Griekenland heeft tegen het verslag gestemd, omdat men de maatschappelijke problemen van de arbeidersklasse aangrijpt om de kapitalistische herstructurering, die zowel mannen als vrouwen treft, te versnellen en uit te breiden.

Om de werkloosheid van vrouwen te kunnen bestrijden wordt voorgesteld “flexibele vormen van werkgelegenheid” uit te breiden. Het gebrek aan openbare sociale voorzieningen moet worden opgevangen door de verantwoordelijkheid te verschuiven; die wordt gelegd op de schouders van het gezin, en wel met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel. Dat betekent dat ook de man deeltijdwerk moet gaan doen om het gebrek aan overheidsvoorzieningen voor reproductie, ouderenzorg of zorg voor gehandicapten op te kunnen vangen. Uiteindelijk zal het dan voor arbeidersgezinnen onmogelijk worden om in de eigen elementaire behoeften te voorzien.

Wat gepresenteerd wordt als een stap op weg naar afschaffing van het onderscheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt, is niet meer dan een alibi om rechten af te schaffen die samenhangen met de specifieke behoeften van vrouwen wegens hun reproductieve taken.

Praten over een andere man-vrouwverhouding in de machtsstructuren keuren wij af; dat zijn loze, vage woorden. Beleid wordt niet bepaald door het geslacht. De macht van de plutocratie verandert niet als er meer vrouwen komen in de instellingen die deze plutocratie dienen.

De problemen van de vrouwen spruiten voort uit het kapitalistische systeem, dat vrouwen en mannen uitbuit, dat misbruik maakt van de gender- en leeftijdproblematiek om toepassing van het kapitalistisch beleid op zowel mannen als vrouwen te garanderen.

Het fundament voor gendergelijkheid kan alleen worden gelegd als het volk de macht in handen heeft, zodat de productiemiddelen en de geproduceerde goederen in dienst staan van de welvaart van het volk.

 
  
  

- Verslag-Ferber (A6-0390/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE).(PT) Met betrekking tot de stemming over de richtlijn voor de postdiensten wil ik graag opmerken dat het heel belangrijk is dat we het idee van een gegarandeerde universele dienst handhaven. Bij de voltooiing van de interne markt moeten we niet alleen rekening houden met het economische belang van de sector, maar ook met de onvervangbare territoriale en sociale dimensie.

De door het postkantoor geleverde plaatselijke diensten spelen in alle lidstaten een niet te vervangen sociale rol. We moeten deze diensten behouden. Daarom moeten we bij het nemen van besluiten over de hervorming van de sector bijzondere aandacht schenken aan de territoriale en sociale aspecten van de postnetwerken. Die beslissingen kunnen immers verstrekkende gevolgen hebben als de postdiensten volledig worden opengesteld voor mededinging. Het is daarom heel belangrijk dat in het kader van het geplande onderzoek wordt gecontroleerd of de bepalingen van de richtlijn voor de postdiensten voldoende duidelijk zijn met betrekking tot de verplichting om een universele dienst te leveren en of er voor de lidstaten zo een adequaat kader wordt geschapen.

We mogen de verwezenlijking van de centrale doelstelling van de richtlijn niet in gevaar brengen. Het gaat er immers om te garanderen dat er overal in de Gemeenschap binnen een redelijke afstand voor iedereen toegankelijke minimumdiensten worden geleverd, en die diensten moeten betaalbaar zijn en van afdoende kwaliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) De liberalisering van de postdiensten maakt deel uit van de zogeheten “strategie van Lissabon”. Het is de bedoeling dat deze sector wordt geopend voor particulier kapitaal. Het uiteindelijke doel bestaat erin deze openbare sector te privatiseren. Men begint dan met de meest winstgevende onderdelen, die “uiteraard” subsidies uit openbare middelen zullen blijven ontvangen (op dezelfde wijze als dat bijvoorbeeld gebeurd is met het ziekenhuisbeheer).

Het verzet van de werknemers in de sector – die daarin gesteund zijn door de bevolking (ik heb het dan in de eerste plaats over de talrijke demonstraties tegen de sluiting van postkantoren en de manifestaties gericht op het garanderen van de postbezorging) – heeft ertoe geleid dat deze ontwikkeling is vertraagd en hier en daar, waar het de meest ongunstige aspecten betrof, gestuit.

Dit verslag van het Parlement bevat een analyse van de gevolgen die de liberalisering in de lidstaten van de EU tot nu toe gehad heeft. Die analyse gaat vooraf aan nieuwe initiatieven van de Commissie gericht op het verdiepen van de liberalisering.

De rapporteur laat na kritiek te leveren op het huidige liberaliseringsproces en aandacht te besteden aan de schadelijke gevolgen ervan, zoals de sluiting van postvestigingen, het terugbrengen van de dagelijkse bezorgingen en het verdwijnen van banen; in feite doet hij precies het tegenovergestelde. Hij verzuimt verder vragen te stellen bij het idee om de liberalisering van deze sector in 2009 te voltooien. In plaats daarvan pleit hij voor het openstellen van de sector en verdedigt hij het primaat van de mededinging.

We hebben daarom tegen gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. – (DE) In 1997 begon het proces van liberalisering van de Europese postmarkt. Doel daarvan is om in de thans 25 lidstaten een open, voor iedere aanbieder toegankelijke markt tot stand te brengen.

Onder druk van het proces van liberalisering van de Europese postmarkt zijn de nationale postbedrijven begonnen hun organisatiestructuur aan te passen en zich opnieuw te positioneren.

Ondanks alle vooruitgang moet de omzetting van de richtlijn op nationaal niveau echter nauwlettend in de gaten worden gehouden. Het is bijvoorbeeld onaanvaardbaar dat de Oostenrijkse postwet buitensporig strenge sancties voorschrijft wanneer men zijn brievenbus niet aanpast. Een dergelijke maatregel valt niet te rechtvaardigen door te verwijzen naar de Europese postrichtlijn van 2002. Daarin zijn dergelijke sancties op nationaal niveau immers niet vastgelegd. Wie een richtlijn op dergelijke wijze omzet, moedigt de EU-scepsis onder de burgers alleen maar verder aan: zij houden hiervoor immers uitsluitend Brussel verantwoordelijk.

Ik verzoek de Europese Commissie dringend om er bij de omzetting van de Europese postrichtlijn met name op toe te zien dat de voorgenomen strafrechtelijke bepalingen in de lidstaten niet buitensporig streng zijn en geen schade toebrengen aan de werking van de postmarkt. Dit moet ook met voorrang in de geplande verkennende studie worden onderzocht.

Aangezien mijn verzoek in het verslag is opgenomen, juich ik het initiatiefverslag van het Parlement toe.

 
  
  

- Ontwerpresolutie: Situatie in het Midden-Oosten (RC-B6-0086/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) De situatie is uitermate gecompliceerd. De verkiezingsuitslagen mogen evenwel niet gebruikt worden om de onvervreemdbare rechten van het Palestijnse volk ter discussie te stellen – het recht op vrijheid, het recht op een onafhankelijke en soevereine staat, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, en het recht om zich tegen de bezetting te verzetten. De uitslag mag ook niet gebruikt worden om de financiële steun aan de Palestijnse Autoriteit stop te zetten. Deze steun is voor het voorzien in de basisbehoeften van de Palestijnse bevolking van groot belang. En de uitslag mag niet dienen als excuus om de Amerikaanse militaire inmenging in het Midden-Oosten op te voeren. Het is ook nu weer van groot belang dat we ons solidair tonen met de Palestijnse nationale beweging en de heroïsche strijd van het Palestijnse volk.

Tot slot wil ik graag zeggen dat ik het betreur dat de meerderheid van dit Parlement de door onze fractie ingediende amendementen heeft verworpen. We riepen Israël daarin op om de resoluties van de Verenigde Naties en de aanbevelingen van het Internationaal Gerechtshof te respecteren. We wezen er in onze amendementen bovendien op dat de volgende kwesties van fundamenteel belang zijn: er moet een einde worden gemaakt aan de blokkering van het vredesproces, de militaire bezetting, de nederzettingen, de muur, de moorden, de arrestaties, de weigering gevangenen vrij te laten, het geweld waaraan de Palestijnen worden onderworpen en de drastische verslechtering van hun levensomstandigheden.

(Stemverklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór de gezamenlijke ontwerpresolutie over de situatie in Palestina gestemd. Hoewel we Hamas terecht oproepen om Israël te erkennen en een einde te maken aan het terrorisme, mogen we geen vraagtekens plaatsen bij het resultaat van vrije en eerlijke democratische verkiezingen. De EU moet steun blijven geven aan de Palestijnse bevolking en zich als lid van het Kwartet volledig blijven inzetten om de "routekaart naar vrede" te promoten.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Als de democratie een ongewenst resultaat oplevert, komen we in de verleiding om het idee dat zo'n uitkomst mogelijk is af te wijzen. Dat is een begrijpelijke reactie, maar ze levert weinig op. Wat de democratie moet proberen te bewerkstelligen, is dat mensen zich niet meer bij dit soort bewegingen aansluiten.

Ook al worden er regelmatig verkiezingen gehouden, het is maar sterk de vraag of er in Palestina een democratie bestaat. Dat is waar we op moeten letten. We moeten ons beleid ten aanzien van deze regio steeds toetsen aan de criteria van democratie en rechtstaat – en dat betekent, onder andere, vreedzame coëxistentie met andere landen, niet streven naar de vernietiging van je buren en, uiteraard, afzien van terrorisme.

Wat ook de aard moge zijn van de beweging die nu de Palestijnse verkiezingen heeft gewonnen, waar het nu om gaat is dat we eisen dat de gekozen regering van de Palestijnse Autoriteit de internationale overeenkomsten respecteert en de beginselen eerbiedigt die aan een vreedzaam naast elkaar bestaan van de twee landen ten grondslag liggen. Als dat niet gebeurt, kunnen we de Palestijnen niet helpen. Ook al weerspiegelt de verkiezingsuitslag de wil van het volk, de gevolgen ervan kunnen heel ernstig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) De verkiezing van Hamas was een uiting van de democratische wil van de Palestijnse bevolking, en ook al heb ik ernstige bedenkingen bij het beleid van deze organisatie, het staat als een paal boven water dat zij de wettige regering vormt. De hulp die de EU geeft aan het vredesproces kan, en moet zelfs, gekoppeld worden aan de eis dat voortdurend inspanningen geleverd worden op weg naar vrede. Als de hulp nu wordt stopgezet, bestaat echter het gevaar dat de EU zich vervreemdt van een organisatie waarmee zij in gesprek dient te blijven. Ik ben ervan overtuigd dat de uitoefening van niet-aflatende druk van de zijde van de EU zal bijdragen tot het vinden van een langetermijnoplossing. We kunnen ons op dit moment niet afzijdig houden vanwege onze afkeer van individuele partners waarmee we zullen moeten samenwerken.

 
  
  

- Ontwerpresolutie: Cuba (RC-B6-0075/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  James Hugh Allister (NI), schriftelijk. (EN) Ik heb vandaag vóór de gezamenlijke resolutie over Cuba gestemd, al had ik liever gezien dat hierin de stopzetting van de sancties in 2005 expliciet was betreurd.

Aangezien de Cubaanse maatschappij gegrondvest is op het imperatief van de marxistische heerschappij, is het geen verrassing dat Cuba een bastion van onderdrukking is, waar afwijkende meningen de kop worden ingedrukt en mensen hun vrijheden worden ontzegd.

Het zegt veel over de totalitaire en marxistische realiteit op Cuba, die schuilgaat achter een democratische façade, dat Sinn Fein/IRA er een vertegenwoordiger heeft. Die realiteit kwam in 2001 met veel ophef aan het licht toen die vertegenwoordiger, Niall Connolly, op schandalige wijze trainingen bleek te organiseren voor de FARC-guerrilla's in Colombia. Deze trainingen werden verzorgd door hemzelf en anderen.

De stopzetting van de EU-sancties in 2005 is een volslagen mislukking gebleken. Het aantal mensenrechtenschendingen is gestegen, in plaats van gedaald. Zoals dat altijd gaat met marxistische extremisten, of we het nu hebben over Castro of Sinn Fein, profiteren zij van de concessies en gaan zij vervolgens op de oude voet verder. Ik ben van oordeel dat het tijd is om onze lessen te trekken en ons weer harder op te stellen tegenover dit afgrijselijke regime.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder (IND/DEM), schriftelijk. In Cuba bestaan grote tekortkomingen betreffende de fundamentele vrijheden. Zowel de mondelinge vraag als de onderhavige, overigens adequate resolutie geven dat zonneklaar aan.

Er is één zaak die ik prominent aan de orde zou willen stellen: de positie van de huiskerken. Nieuwe wetgeving, vervat in Richtlijn 43 en Resolutie 46, verplicht alle opererende huisgemeenten tot registratie bij de autoriteiten. Aanvragen tot registratie leiden regelmatig tot buitengewoon gecompliceerde onderhandelingen met de overheid. Zo moet gedetailleerde informatie over de gemeenteleden en de voorgangers worden doorgegeven. Deze nieuwe wetgeving heeft al geleid tot de sluiting van diverse huiskerken.

In 1992 heeft de Cubaanse overheid de grondwet gewijzigd. De zelfkarakterisering van het land veranderde van een atheïstische in een seculiere staat. Dat was een eerste stap in de goede richting. De nieuwe wetgeving lijkt een tendens weer te geven in de richting van nieuwe restricties. Terwijl de Cubaanse grondwet het recht van de burgers op vrijheid van godsdienst erkent, zijn de facto in toenemende mate restricties van kracht. Waarom worden christelijke kerken, ook de geregistreerde, zo nauwlettend gevolgd, gecontroleerd en zelfs geïnfiltreerd? Echte vrijheid van godsdienst bestaat dus niet in Cuba.

Ik verzoek Raad en Commissie ook deze problematiek aan te snijden in de gesprekken met de Cubaanse autoriteiten.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Ik heb tegen deze resolutie gestemd, omdat ik bezwaren heb tegen de inhoud ervan. Er wordt namelijk volstrekt geen rekening gehouden met de context waarin Cuba al heel lang gedwongen is te overleven, namelijk het VS-embargo, en de aanvallen die Cuba heeft moeten doorstaan.

De resolutie bevat ook geen verwijzing naar het feit dat er in Guantánamo een VS-basis bestaat waar de regering-Bush mensen zonder enige vorm van proces vasthoudt. De regering-Bush maakt zich daarmee schuldig aan schending van de mensenrechten en niet-naleving van het Verdrag van Genève.

Er wordt al evenmin verwezen naar het gegeven dat er in de VS vijf Cubaanse burgers worden vastgehouden, ofschoon het gerechtshof van Atlanta de uitspraak die tot hun arrestatie heeft geleid nietig heeft verklaard. Sommige van deze gevangenen mogen geen bezoek van hun familie ontvangen.

Het standpunt van de meerderheid van dit Parlement is er één van twee maten en twee gewichten. Het sluit aan bij de lijn die de VS volgt, en die bestaat in het steeds maar weer uitoefenen van druk op mensen en regeringen die niet bereid zijn de VS te volgen en die zich verzetten tegen onderdrukking.

Teleurstellend is ook dat met geen woord gerept wordt over de belangrijke bijdrage die Cuba levert aan de sociale ontwikkeling van volkeren in Latijns-Amerika en Afrika. Jonge mensen uit deze regio’s gaan naar Cuba om daar onderwijs te volgen en getraind te worden. Cuba stuurt bovendien duizenden artsen en andere specialisten naar andere landen.

(Stemverklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik stem met tegenzin vóór deze resolutie. De mensenrechtensituatie op Cuba is bij lange na niet perfect en bij sommige gelegenheden hebben de Cubaanse autoriteiten zich hun eigen ergste vijand betoond, zoals onlangs nog, toen ze weigerden vertegenwoordigers van de Damas de Blanco toestemming te geven om naar Straatsburg te reizen om hun deel van de Sacharovprijs in ontvangst te nemen. Toch ben ik van mening dat er in Havana geen klimaat van angst heerst, zoals ik dat heb meegemaakt in Kasjmir of, tot voor kort, in Atjeh.

Dit is een kwestie van proportionaliteit. Jazeker, Cuba schendt de mensenrechten, maar niet in de mate waarin dat in Colombia met zijn doodseskaders het geval is, of op Haïti met zijn anarchie van criminele bendes en gewelddadige politiek, waarbij meer dan duizend doden zijn gevallen. Hopelijk zullen de verkiezingen van volgende week daar het begin van het einde van die anarchie inluiden. Hoe staat het eigenlijk met de voortdurende bezorgdheid van het Parlement over deze en andere mensenrechten in de regio rond Cuba? Hoe staat het met onze bezorgdheid over het "bezette" deel van Cuba, oftewel Guantánamo Bay, waarover in rapporten wordt gemeld dat de situatie er veel slechter is dan in de ergste Cubaanse gevangenissen?

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Ik ben uiteraard van oordeel dat Cuba een parlementaire democratie zou moeten zijn. Ik ben echter ook van oordeel dat het buitenlands beleid een nationale aangelegenheid is en dat multilaterale kanalen, zoals de Verenigde Naties, het enige aanvaardbare alternatief zijn om invloed uit te oefenen op landen die zich niet in de onmiddellijke omgeving van de Europese Unie bevinden.

Daarom heb ik tegen de resolutie gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Dit is wederom een manoeuvre in het kader van het discriminerende beleid dat de EU ten aanzien van Cuba voert om de VS te bevredigen. Met de tweehonderd woorden die me ter beschikking staan, kan ik die manoeuvre om Cuba te isoleren nooit ongedaan maken.

Dit is dezelfde EU die – dat mogen we niet vergeten – in haar gemeenschappelijk standpunt van 1996 opriep tot verandering van het politieke systeem op Cuba. Dat komt neer op inmenging in een aangelegenheid die onder de exclusieve bevoegdheid van het Cubaanse volk valt.

In een wel erg cynische manoeuvre heeft dit Parlement tot opheffing van het VS-embargo tegen Cuba opgeroepen en tegelijkertijd verlangd dat de EU de sancties die zij Cuba heeft opgelegd, voortzet. Daar komt bij dat in deze resolutie nagelaten wordt solidariteit te tonen met de vijf Cubaanse patriotten die in de VS worden vastgehouden omdat ze hun land tegen terrorisme verdedigden.

De meerderheid van dit Parlement kan niet verkroppen dat Cuba voor miljoenen mannen en vrouwen symbool staat voor de hoop op – en het vertrouwen in – een behoorlijk bestaan. Cuba is er in 2005 niettegenstaande het embargo in geslaagd de hoogste economische groei in 45 jaar te realiseren. Dit is het land dat het voorzitterschap van de niet-gebonden landen op zich zal nemen en de in 2006 te houden top van die beweging zal organiseren. Dit is het land dat duizenden artsen, docenten en sportcoaches naar andere landen uitzendt – in plaats van legers om die landen te bezetten, uit te buiten en te onderdrukken.

(Stemverklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Cuba vormt het bewijs dat in het Westen nog niet alle muren der schaamte zijn gevallen. Tussen de twee uitersten die worden gevormd door het absurde idealisme van sommigen en het schaamteloze pragmatisme van anderen, zijn er nog steeds mensen die weigeren in te zien dat er in Cuba geen democratie is, geen mensenrechten, geen vrijheid – niets van al die dingen die wij als de fundamentele bouwstenen van onze maatschappijen beschouwen. Dromerige romantiek of pragmatisme kunnen nooit een rechtvaardiging vormen voor een wijziging van de kern van ons standpunt: consistente veroordeling van Cuba en oproep tot democratisering. Zolang aan deze eis niet voldaan wordt, kunnen we geen nauwe betrekkingen onderhouden met dit – inderdaad tirannieke – bewind.

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór de gezamenlijke ontwerpresolutie over Cuba gestemd, maar hierin wordt wel voorbijgegaan aan een aantal belangrijke feiten in de politieke context.

Het voornaamste probleem in verband met de situatie inzake Cuba is het gevolg van de door de VS geleide boycot en de dreigingen met geweld van de VS aan het adres van Cuba.

Het opheffen van de boycot en het beëindigen van de geweldsdreiging door de VS zou de belangrijkste stap zijn om een klimaat te scheppen waarin betere mogelijkheden zouden ontstaan om echte democratie op Cuba te verwezenlijken.

Het agressieve beleid van de VS is niet de enige reden voor de strikte inperking van de vrijheid van meningsuiting en de democratie op Cuba. De Cubaanse regering draagt hiervoor ook haar eigen politieke verantwoordelijkheid.

Een van de voorbeelden hiervan is het besluit om de winnaars van de Sacharovprijs, de Damas de Blanco, te verbieden het land te verlaten om de prijs in Straatsburg in ontvangst te nemen.

Ik heb vóór de resolutie gestemd, maar ik teken protest aan tegen het reisverbod van de Cubaanse regering voor de Damas de Blanco.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonas Sjöstedt (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór de voorgestelde resolutie over Cuba gestemd, ook al wordt hierin voorbijgegaan aan een aantal belangrijke feiten in de politieke context.

Het voornaamste probleem in verband met de situatie inzake Cuba is het gevolg van de door de VS geleide boycot en de dreigingen met geweld van de VS aan het adres van Cuba.

Het opheffen van de boycot en het beëindigen van de geweldsdreiging door de VS zou de belangrijkste stap zijn om een klimaat te scheppen waarin betere mogelijkheden zouden ontstaan om echte democratie op Cuba te verwezenlijken.

Het agressieve beleid van de VS is niet de enige reden voor de strikte inperking van de vrijheid van meningsuiting en de democratie op Cuba. De Cubaanse regering draagt hiervoor ook haar eigen politieke verantwoordelijkheid.

Een van de voorbeelden hiervan is het besluit om de winnaars van de Sacharovprijs, de Damas de Blanco, te verbieden het land te verlaten om de prijs in Straatsburg in ontvangst te nemen.

Ik stem vóór de resolutie, ondanks de tekortkomingen ervan, omdat ik protest wil aantekenen tegen het reisverbod van de Cubaanse regering voor de Damas de Blanco.

 
  
MPphoto
 
 

  Sahra Wagenknecht (GUE/NGL), schriftelijk. – (DE) Ik wijs de voorliggende ontwerpresolutie over Cuba af. Ze is eenzijdig en doet op geen enkele manier recht aan de complexe Cubaanse realiteit. Wie Cuba veroordeelt,

- negeert dat Cuba streeft naar een andere wijze van ontwikkeling, die het tegen allerlei vormen van tegenwerking verdedigt;

- miskent de grote verworvenheden die Cuba voor zijn bevolking heeft gerealiseerd en die het – ondanks het Amerikaanse embargo en ondanks grote economische problemen – tot op heden kan handhaven;

- ontkent dat het voortbestaan van het Cubaanse systeem een sprankje hoop betekent voor die mensen in de zogenaamde derde wereld die in een op marktwerking en winst gerichte geglobaliseerde wereld de verliezers zijn.

De voorliggende ontwerpresolutie biedt een reductionistische visie op het concept van de mensenrechten en getuigt door de wijze waarop ze de mensenrechten gebruikt, van een onverdraaglijke dubbele moraal. Het doel van de ontwerpresolutie is niet, voor mensenrechten op te komen. Het doel is het Cubaanse systeem te veroordelen en een bijdrage te leveren aan de afschaffing ervan. Daaraan zal ik niet meewerken.

 
  
  

- Ontwerpresolutie: Verklaringen inzake nationaal beheer – Verantwoordelijkheid van de lidstaten voor wat betreft de uitvoering van de begroting van de Unie (RC-B6-0074/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) De uitvoering van de Gemeenschapsbegroting - dat wil zeggen: ervoor zorgen dat politieke besluiten ook werkelijk ten uitvoer worden gelegd - is een heel belangrijke zaak.

Helaas wordt de voor de begroting gevolgde procedure echter steeds gefragmenteerder en ondoorzichtiger. Als gevolg daarvan is het niet eenvoudig vast te stellen waar de middelen nu eigenlijk terechtkomen.

Er zijn uit hoofde van het Stabiliteits- en groeipact en op aandringen van de grootste nettobetalers bezuinigingen doorgevoerd. Dat heeft ertoe geleid dat na goedkeuring van de jaarlijkse begroting steeds weer blijkt dat er voor veel prioriteitsgebieden onvoldoende middelen zijn gereserveerd. En dat heeft weer geleid tot een beleid waarbij middelen opnieuw worden verdeeld en her en der, in alle begrotingsonderdelen, kortingen worden doorgevoerd, met een hele reeks gewijzigde begrotingen. Het niet uitvoeren van de begroting op sommige gebieden wordt dus aangemoedigd om het beleid op andere gebieden te kunnen financieren, wat de goedgekeurde begroting ook moge voorschrijven.

Er zijn ook andere factoren die bijdragen tot niet-uitvoering van de begroting, zoals bepaalde typen beleid en instrumenten als het Stabiliteits- en groeipact. De Commissie en de Raad zijn medeverantwoordelijk voor de toestand, gezien de voortdurende daling van het aantal betalingen ten opzichte van de betalingsverplichtingen.

Uitvoering in de lidstaten moet geschieden op basis van nationaal te definiëren prioriteiten. Dat geldt zeker voor de structuurfondsen. Wat de nu voorgestelde instrumenten ook mogen inhouden, wij geloven niet dat de onderhandelingen over de nieuwe financiële vooruitzichten mogen worden gekoppeld aan het al dan niet goedgekeurd worden van deze instrumenten.

(Stemverklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)

 
  
  

- Ontwerpresolutie: Visbestanden (RC-B6-0076/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) De ontwerpresolutie waarover we zojuist gestemd hebben toont aan dat er nieuwe beheersmaatregelen moeten worden genomen voor de Middellandse Zee. Van belang is dat we vasthouden aan het beginsel van duurzame exploitatie van de visbestanden. Alleen zo kunnen we garanderen dat de visserij economisch rendabel blijft, dat de vloten kunnen blijven vissen, dat banen behouden blijven en dat vissersgemeenschappen zich kunnen ontwikkelen.

Daarom geloven wij dat de Raad deze beheersverordening, waarover het Parlement zich heeft uitgesproken, moet goedkeuren.

De huidige situatie kan evenwel discriminatie tussen vissers die in andere wateren opereren tot gevolg hebben. Daarom geloven wij dat er daadwerkelijk moet worden gedecentraliseerd. De belangrijkste belanghebbenden – de vissers en de organisaties die hen vertegenwoordigen – moeten betrokken worden bij de besluitvorming over het beheer. Praktische maatregelen moeten immers een weerslag zijn van de specifieke omstandigheden in elke viszone of -regio.

We geloven verder dat deze beheersverordening gepaard moet gaan met maatregelen om te compenseren voor de sociale en economische gevolgen die de verordening teweeg zal brengen. Dat dient met Gemeenschapsmiddelen te geschieden. En alle maatregelen moeten gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek.

 
  
MPphoto
 
 

  Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Er zijn vele voorbeelden van situaties waarin een EU van 25 staten geen zin heeft, en een standaardaanpak niet meer werkt – als dat ooit al het geval is geweest. Er is geen enkele reden waarom ik als Schotse afgevaardigde in dit Parlement iets te zeggen zou moeten hebben over de Middellandse Zee, en ik heb mij dan ook van stemming onthouden. De EU moet nieuwe werkwijzen zien te vinden om de legitimiteit van onze besluiten te waarborgen. Voortgaan op basis van de notie dat iedereen overal even veel belang bij heeft is onhoudbaar en brengt de EU zelf in diskrediet.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Hiermee zijn de stemverklaringen beëindigd.

 
Laatst bijgewerkt op: 20 april 2006Juridische mededeling