De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0020/2006) van Mechtild Rothe, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over verwarming en koeling met behulp van hernieuwbare energiebronnen (2005/2122(INI)).
Mechtild Rothe (PSE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, commissaris Piebalgs, u kunt ervan uitgaan, geachte commissaris, dat het Europees Parlement de Commissie vandaag met een grote meerderheid zal oproepen om een wetgevingsvoorstel voor te leggen inzake verwarming en koeling met behulp van hernieuwbare energiebronnen. Wij hebben bewust voor het zeer zelden gebruikte instrument van het wetgevingsinitiatiefverslag gekozen, waarvoor een absolute meerderheid is vereist. Wij hebben specifiek voor dit instrument gekozen omdat wij het belang dat wij aan dit initiatief hechten, nog duidelijker naar voren wilden laten komen. Ons verslag is in de Commissie industrie, onderzoek en energie unaniem en met slechts weinig onthoudingen goedgekeurd. Dat betekent dat alle fracties een breed gesteunde oproep aan de Commissie doen om eindelijk actie te ondernemen. Ik zeg “eindelijk” omdat u eigenlijk allang actie had moeten ondernemen uitgaande van het voorstel in de mededeling van de Commissie van mei 2004 inzake het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de EU. In die mededeling staat heel duidelijk dat het niet halen van de doelstelling met betrekking tot een verdubbeling, tot uiterlijk 2020, van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het totale energieverbruik “moet worden toegeschreven aan de trage groei van de hernieuwbare-energiemarkten voor verwarming en koeling”.
Op dit moment bedraagt het aandeel van de hernieuwbare energiebronnen - d.w.z. zonnewarmte, biomassa en geothermie - in de warmteproductie ongeveer 10 procent. Dat is veel minder dan de helft van het bruikbare potentieel voor de middellange en lange termijn. Deskundigen gaan er vanuit dat tot 2020 minstens 25 procent van de verwarmings- en koelingsbehoefte met hernieuwbare energiebronnen kan worden gedekt. Die verwarmings- en koelingscapaciteit kan echter alleen uit hernieuwbare energiesystemen worden verkregen indien de kadervoorwaarden veranderen. De financiële steun die, in ieder geval in sommige lidstaten, wordt gegeven, is echter afhankelijk van de overheidsbegroting en heeft uitsluitend tot "stop and go"-marktontwikkelingen geleid en niet tot een duurzame uitbreiding van het aandeel van de nieuwe energiebronnen. Wij moeten ervoor zorgen dat er op basis van een Europese kaderrichtlijn een bredere marktpenetratie wordt bewerkstelligd.
Het is niet zinvol om hiervoor een Europees stimuleringsstelsel als uitgangpunt te nemen. Dat hebben wij dan ook niet gedaan. De wijze waarop die stimulering plaatsvindt, dient door de lidstaten bepaald te worden. Het is van doorslaggevend belang dat de lidstaten stimuleringsmaatregelen nemen en belemmeringen voor die uitbreiding, zoals administratieve belemmeringen, uit de weg ruimen. De betreffende bevoegdheden dienen op transparante wijze te worden vastgelegd en er moet gebruik worden gemaakt van ondubbelzinnige en versnelde procedures voor het verlenen van vergunningen.
Met dit verslag roepen wij de Commissie op om een voorstel voor een richtlijn in te dienen op basis waarvan de lidstaten verplicht worden om wetgevingsmaatregelen te nemen voor verwarming en koeling uit hernieuwbare energiebronnen. Daarnaast dienen de lidstaten ook actieplannen voor de uitbreiding van die energiebronnen op te stellen. De maatregelen dienen aan effectieve nationale doelstellingen gekoppeld te worden, waardoor voor de gehele EU uiterlijk 2020 minimaal een verdubbeling wordt gerealiseerd.
Mijnheer de commissaris, veel mensen in de EU wachten op maatregelen van de Commissie. Dat zijn mensen die zich zorgen maken over het milieu en het klimaat. Hetzelfde geldt voor veel kleine en middelgrote ondernemingen die over een groot banenpotentieel beschikken en die dat potentieel met name op het gebied van de productie van warmte uit zonne-energie, geothermie en biomassa willen gebruiken.
Wij hebben met genoegen kennis genomen van het feit dat in het actieplan voor biomassa een voorstel voor een richtlijn wordt aangekondigd. Ik ben daarna echter weer geschrokken toen ik een voorontwerp van het Groenboek over energievoorziening las, dat thans in de wandelgangen in Brussel circuleert. In dat voorontwerp wordt op geen enkele manier aandacht besteed aan de noodzaak van nieuwe activiteiten voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor verwarming. De hernieuwbare energiebronnen zijn in dit ontwerp voor een Groenboek sowieso vrijwel onvindbaar.
Commissaris Piebalgs, ik hoop dat u mijn bezorgdheid weg kunt nemen, die mij na het lezen van dit ontwerp van een Groenboek bekroop. Ik hoop eveneens dat u de betrokkenheid die wij van u kennen op het gebied van efficiënte en hernieuwbare energiebronnen, ook hier aan de dag zult leggen. Tot slot hoop ik dat u vandaag zult aankondigen dat de Commissie dit jaar met een voorstel zal komen voor een richtlijn betreffende de vergroting van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen ten behoeve van verwarming en koeling.
(Applaus)
Andris Piebalgs, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank mevrouw Rothe voor haar werk en haar enorme inzet voor hernieuwbare energie. Mijn dienst is reeds begonnen met de voorbereiding van een effectbeoordeling van een maatregel inzake verwarming en koeling met behulp van hernieuwbare energie. Het zeer volledige en evenwichtige verslag dat mevrouw Rothe heeft ingediend, zal de Commissie ongetwijfeld goed van pas komen bij de voorbereiding van maatregelen op dit nieuwe terrein.
De internationale energiesituatie, onze sterke afhankelijkheid van import en de strijd tegen klimaatverandering herinneren ons eraan dat de aan hernieuwbare energie gerelateerde kwesties met spoed onze aandacht vereisen. Zoals u weet, is de Commissie van plan om op 8 maart een Groenboek over een veilig, duurzaam en concurrerend energiebeleid goed te keuren. Wat u tot op heden ook gezien hebt, een Groenboek was het niet. Het Groenboek zal op 8 maart door het hele college worden goedgekeurd, en daarmee zal geen stap terug worden gezet als het gaat om energie-efficiency en hernieuwbare energiebronnen. In het Groenboek zal ook duidelijk worden gemaakt dat al deze maatregelen nodig zijn om ons in staat te stellen een zekere bevoorrading te garanderen, klimaatverandering te bestrijden, milieudoelstellingen te realiseren en ons concurrentievermogen te verbeteren. We zullen streven naar een evenwichtige benadering, maar dat betekent niet dat we terugkrabbelen. Zo zien we dat zeker niet. Het duurt echter nog enige tijd voordat de Commissie haar werk aan het Groenboek kan afronden.
De Europese Unie werkt al sinds 1997 toe naar het doel om het aandeel van hernieuwbare energie in de energiebalans tot 2010 op te trekken tot 12 procent, maar tot nu toe hebben we slechts de helft van dit doel bereikt. Er is wetgeving inzake het bevorderen van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energie en het bevorderen van biobrandstoffen, maar bij de productie van warmte en koeling met behulp van hernieuwbare energie - de derde pijler van het portfolio hernieuwbare energie - ontbreekt het aan een specifieke strategie. Zonder een krachtige ontwikkeling van hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingssector zal het algehele doel van 12 procent hernieuwbare energie niet worden gehaald.
Het bevorderen van verwarming en koeling met behulp van hernieuwbare energie zal bijdragen aan een aantal belangrijke doelstellingen: onze afhankelijkheid van externe energie zal afnemen, de uitstoot van broeikasgassen zal worden teruggedrongen, er zal een Europese industrie ontstaan en de lokale werkgelegenheid zal worden bevorderd. Het zal ons dus helpen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Strategie van Lissabon.
Ik wil graag ingaan op een aantal van de kwesties die mevrouw Rothe in haar verslag naar voren brengt. Ik ben het ermee eens dat we praktische stappen moeten nemen om verwarming en koeling met behulp van hernieuwbare energie krachtiger te bevorderen. Ik kan u beloven dat we hard zullen werken en zo snel mogelijk een wetgevingsvoorstel zullen indienen, in ieder geval voor het eind van dit jaar. Dat voorstel is reeds opgenomen in het werkprogramma voor 2006. We moeten hierbij echter een andere benadering hanteren dan bij eerdere richtlijnen, omdat de belangrijkste problemen eerder liggen bij het marktvertrouwen en de houding van de markt dan bij de kosten.
Subsidiariteit is ook een belangrijke kwestie. Al deze energievormen zijn van nature gedecentraliseerd en zullen dus op lokaal niveau moeten worden geproduceerd. We moeten onze wetgeving hierop afstemmen.
Los van het wetgevingsaspect kan het ook interessant zijn om te evalueren wat voor voordelen normalisatie kan bieden. Ik ben ervan overtuigd dat we de industrie in staat moeten stellen om een markt voor dit soort apparatuur te ontwikkelen.
Het verslag van mevrouw Rothe levert een bijdrage aan de doelstellingen van het Europese energiebeleid en dat juich ik van harte toe.
(Applaus)
VOORZITTER: JACEK EMIL SARYUSZ-WOLSKI Ondervoorzitter
Lambert van Nistelrooij, namens de PPE-DE-Fractie. - Voorzitter, commissaris Piebalgs, verwarming en koeling, we weten het, zijn goed voor bijna de helft van het energieverbruik in de Europese Unie en toch is op dit vlak nog niets voor een efficiënter gebruik van de energie geregeld. Deze richtlijn is eigenlijk het sluitstuk van het Europese energiebeleid. Het verslag van mevrouw Rothe, een initiatief van het Parlement, komt dan ook precies op tijd.
De PPE-DE-Fractie in het Europees Parlement kiest voor een verdubbeling van het huidige aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de energieconsumptie voor verwarming en koeling in 2020. Deze energie kan vaak ter plaatse worden opgewekt, de technieken zijn essentieel verbeterd. Dat geldt zowel voor zon als voor wind, water, biomassa en bodemwarmte.
Europa loopt, als het om technologische kennis gaat, voorop, maar als het om de uitvoering gaat, blijven we achter. Op het vlak van productinnovatie en commercialisering moet Europa koploper worden. Als deze ontwikkeling in de sector voortgaat, ontstaan bovendien veel banen. Kijk naar een Duits voorbeeld: tussen 1998 en 2002 is de werkgelegenheid in de energiesector hierdoor verdubbeld tot circa 125 000 banen.
Voor de uitvoering van dit beleid moeten de lidstaten haalbare nationale doelstellingen voorstellen en binnen de perken van hun eigen mogelijkheden voor een energiemix zorgen. De PPE-DE-Fractie is tegen overregulering, tegen bindende doelstellingen op dit moment. Ambitieus ja, maar vooral realistisch, en daarom kiezen wij voor de formulering effectieve nationale doelstellingen en haalbare targets.
Ten slotte zou ik commissaris Piebalgs graag willen vragen de mogelijkheden voor financiële ondersteuning uit de Structuurfondsen in de periode 2007-2013 beter te benutten. De richtsnoeren voorzien in mogelijkheden, maar de lidstaten beslissen vrij of zij deze benutten. Voor deze prioriteitstelling moeten we ook op dit stimuleringsbeleid, met de bestaande middelen van de Unie en de lidstaten, zorgen. Deze harteschreeuw wil ik u graag meegeven.
Reino Paasilinna, namens de PSE-Fractie. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, mijn dank aan mevrouw Mechtild Rothe. Wij steunen haar benadering en natuurlijk haar idee voor een kaderrichtlijn.
De afgelopen maanden hebben duidelijk aangetoond hoe belangrijk het is alternatieve energiebronnen te ontwikkelen en aan energiebesparing te doen. Het is beslist noodzakelijk de Europese afhankelijkheid van geïmporteerde fossiele brandstoffen en energie eens voor al te verminderen. Hoe kunnen wij het hoofd bieden aan een afhankelijkheid van 70 procent in 2030? Als wij deze situatie niet veranderen, ligt onze toekomst dus in handen van buitenstaanders.
In de Europese Unie moet steun komen voor nieuwe technologie en innovaties waarbij gebruik wordt gemaakt van alternatieve energievormen voor verwarming en koeling. Deze innovaties kunnen het aantal verschillende energiebronnen aanzienlijk vergroten. Het gebruik van biomassa en nieuwe technologieën creëert arbeidsplaatsen en bedrijfsmogelijkheden en zijn dus ook in dit opzicht goed. Ik ben blij dat de Commissie zojuist het werkprogramma heeft goedgekeurd waarmee een begin wordt gemaakt met de tenuitvoerlegging van het programma Intelligent Energy Europe. Ik denk dat het Parlement zijn steun aan deze maatregel verleent.
In het kader van dit programma werden op initiatief van de Europese Unie een aantal SWOT-analysen uitgevoerd. Deze zijn er specifiek op gericht verwarming en koeling met behulp van hernieuwbare energiebronnen en warmtepompen te bevorderen. Nu al is gebleken dat deze nieuwe technologie een manier is om het gebruik van elektriciteit bij verwarming en koeling aanzienlijk, maar liefst met eenderde, te verminderen. Met dergelijke apparatuur, die gemakkelijk waar dan ook in een gebouw geplaatst kan worden, kunnen wij veel energie besparen. Ik ben van mening dat je het beste de consumptie kunt verminderen - een goede raad overigens ook voor het leven in het algemeen.
Dit was in het kort wat ik wilde zeggen. Ik denk dat onze commissaris onze stem nu heeft gehoord.
(Applaus)
Lena Ek, namens de ALDE-Fractie. - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil net als dit initiatiefverslag de Commissie oproepen om zo snel mogelijk een wetsvoorstel te presenteren inzake het aandeel van hernieuwbare energie in de sector verwarming en koeling. Hier in het Parlement bestaat brede consensus over wat zo'n richtlijn moet inhouden. Inhakend op de ambitie die de Commissie heeft vastgelegd in haar Witboek voor een communautaire strategie en een actieplan "Energie voor de toekomst: duurzame energiebronnen" uit 1997, willen wij graag de twee richtlijnen inzake de bevordering van hernieuwbare energiebronnen met betrekking tot elektriciteit en transport aanvullen met een derde richtlijn, namelijk een richtlijn met betrekking tot warmte.
Van het totale energieverbruik in Europa gaat bijna de helft op aan verwarming. Gegeven de huidige waarschuwingssignalen met betrekking tot klimaatverandering, en wel wetend dat wij zo afhankelijk zijn van import van traditionele energiebronnen, met een grote CO2-uitstoot als gevolg, is het uitermate belangrijk dat wij het enorme potentieel en onze bestaande ressources aan hernieuwbare energiebronnen in Europa gebruiken. Er zijn grote winsten te behalen als wij het aandeel van deze bronnen in de sector verwarming en koeling vergroten. Laat mij er enkele noemen: wij reduceren de CO2-uitstoot, verkleinen onze afhankelijkheid van import, vergroten de mate van zelfvoorziening in Europa en worden minder kwetsbaar voor energiecrises in andere delen van de wereld. Bij het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen moeten wij innovatie en technologische ontwikkeling op dit gebied stimuleren. Dat zal leiden tot een nog doeltreffender en schoner energieverbruik. Wanneer bij de keuze van een hernieuwbare energiebron rekening wordt gehouden met de behoeften van elke lidstaat, leveren wij een bijdrage aan de regionale ontwikkeling. Wij creëren op die manier veel arbeidsplaatsen. Dit is een van de weinige terreinen in Europa waarop wij concreet zien dat wij nieuwe arbeidsplaatsen creëren en de goede kant uit gaan, namelijk in de richting van meer groei.
Dit zijn de behoeften en voordelen, maar hoe kunnen wij aan deze behoeften voldoen en deze voordelen bereiken? Ik denk dat nationaal bindende doelstellingen voor het aandeel van hernieuwbare energie een eerste stap is, maar het is nog niet toereikend. Ik hoop dat de Commissie ook de basisvoorwaarden schept die nodig zijn voor ondernemingen om langetermijninvesteringen te kunnen doen in technologie die voor een toenemend gebruik van hernieuwbare energiebronnen kan zorgen. Ik hoop ook dat de Commissie het cruciale onderzoek de financiële middelen geeft die nodig zijn om nieuwe technologie te ontdekken en te ontwikkelen. Ik roep de Commissie op deze maatregelen te nemen.
Tot slot wil ik de aandacht vestigen op een al bestaande technische oplossing, waarmee wij de energie die wij gebruiken voor het verwarmen van woningen efficiënter kunnen gebruiken, namelijk afstandsverwarming. Technische oplossingen en keuze van energiebronnen gaan hand in hand. De moderne en technisch ontwikkelde afstandsverwarming is een deel van de oplossing en kan ook worden gecombineerd met de elektriciteitsproductie die trigeneration wordt genoemd.
Dit initiatiefverslag toont helder en duidelijk aan wat het Parlement van een toekomstig wetsvoorstel verwacht. Ik hoop dat de Commissie dit initiatief snel opvolgt, zodat wij zo snel mogelijk de stimulansen krijgen die nodig zijn voor het omschakelen naar een steeds groter aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het verwarmen of koelen van Europa.
Zoals Einstein eens zei, is er een heel nieuwe manier van denken nodig om de problemen op te lossen die wij hebben gecreëerd met onze oude manier van denken. Het Parlement heeft belangrijke bijdragen in deze richting geleverd. Wij hopen nu dat de Commissie dit werk voltooit.
Claude Turmes, namens de Verts/ALE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik heb slechts één minuut de tijd dus ik moet het kort houden. Ik wil allereerst mevrouw Rothe bedanken voor al het goede werk dat zij heeft verricht als onvermoeibare voorvechtster voor hernieuwbare energiebronnen. Staat u mij toe om een voorbeeld van de mogelijkheden te geven. In Oberösterreich worden per jaar 1 500 huizen gebouwd. Tot tien jaar geleden werden 1 200 van die huizen voorzien van oliegestookte verwarmingen. Dit jaar zijn er in Oberösterreich nog maar zeven huizen van een oliegestookte verwarming voorzien. Alle andere woningen maken gebruik van verwarmingsnetwerken of van verwarmingssystemen op basis van biomassa of houtpallets. Dat heeft tot meer werkgelegenheid in de bosbouw en de landbouw geleid en tot meer werk voor lokale installateurs. Zelfs de oliehandelaren handelen tegenwoordig in pellets.
Dat is waar wij naartoe moeten, d.w.z. wij moeten de goede praktijken op lokaal en regionaal niveau vertalen naar Europees niveau. Overigens is er ook in Denemarken op dit gebied voortreffelijk werk verricht. Wij zullen vanmiddag in dit Parlement met onze steun een flinke zet in de goede richting geven. U zult daar een praktisch vervolg aan moeten geven.
Dan nog even iets over het Groenboek. Mijnheer de commissaris, als wij de steun van de Europeanen willen verwerven, zullen wij toch een hoofdstuk aan het Groenboek moeten toevoegen onder de titel Winning the hearts of Europeans, going on with renewals! Dat is wat de Europese burgers van ons verwachten, en met minder mag u geen genoegen nemen.
(Applaus)
Vladimír Remek, namens de GUE/NGL-Fractie. - (CS) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, in de eerste plaats wil ik onderstrepen dat de rapporteur met haar verslag uitstekend werk heeft geleverd. De tekst voorziet in een nauwkeurig overzicht van de huidige situatie met betrekking tot hernieuwbare energiebronnen voor verwarming en koeling. Anderzijds heeft het Europees Parlement herhaaldelijk aangedrongen op de noodzaak om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te bevorderen, en heeft het terzake correcte beslissingen genomen en pertinente aanbevelingen gedaan, evenwel zonder veel succes. Politici dringen sterker aan op het gebruik van hernieuwbare energiebronnen dan degenen die op dit vlak de uiteindelijke beslissing nemen, namelijk het grote publiek. Een van de redenen van dit gebrek aan belangstelling is wellicht dat de lidstaten niet in staat zijn gebleken om de juiste voorwaarden te scheppen voor het bevorderen van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en dat zij de mensen niet overtuigd hebben van het nut van dit soort energie. Gevolg hiervan is dat het noordelijk gelegen Denemarken bijvoorbeeld meer zonne-energie gebruikt wordt dan het zuiderse Italië. Daarom wordt in de aanbevelingen bijzonder belang gehecht aan het voorlichten en het overtuigen van de bevolking. De burgers zullen zich echter slechts laten overreden als de hernieuwbare energiebronnen voor hen voordeliger uitvallen dan de traditionele energiebronnen. Daarom speelt ook de prijs een belangrijke rol in het geheel van voorwaarden dat tot stand moet worden gebracht om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te stimuleren. In dit verband wil ik hier even een actueel voorbeeld uit de Tsjechische Republiek aanhalen, dat weliswaar niet rechtstreeks betrekking heeft op het gebruik van hernieuwbare energiebronnen maar wel bijzonder instructief is. Toen het Tsjechische publiek werd aangespoord om voor verwarming het milieuvriendelijkere aardgas te gebruiken, liet het antwoord niet op zich wachten. Niet alleen particulieren maar ook lokale en gemeentelijke autoriteiten schakelden over op gas na vergelijking van deze energiebron met andere brandstoffen. Zij werden daartoe aangemoedigd door tal van steunmaatregelen. Ten gevolge van de scherpe stijgingen van de gasprijzen nemen zij thans echter opnieuw hun toevlucht tot brandstofsoorten die bijzonder schadelijk zijn voor het milieu, zoals goedkope koolsoorten van slechte kwaliteit, om nog maar te zwijgen van het inefficiënte verbrandingsproces van hout en zelfs van plastic en autobanden dat in plaatselijke warmtevoorzieningsbedrijven plaatsvindt. Om kort te gaan, de Tsjechen kunnen zich geen gas meer veroorloven. Uiteraard moeten wij gunstige voorwaarden scheppen, maar het is net zo belangrijk dat wij verstandige beslissingen nemen, gebruik maken van de verschillende beschikbare energiebronnen en energiebesparende maatregelen ondersteunen. Anders staat ons hetzelfde lot te wachten als de mot die in haar drang naar licht en warmte vaak de dood vindt.
Leopold Józef Rutowicz (NI). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou mevrouw Rothe willen bedanken voor haar verslag. Verwarming, afkoeling en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen vormen een deel van een groter probleem, namelijk de continuïteit van de energievoorziening in de Europese Unie. Zuinig omgaan met energie is niet alleen goed voor het milieu, maar is ook economisch gezien van wezenlijk belang. Tevens bestaat er een verband met de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.
De omvang van het probleem werd nog eens duidelijk aangetoond door de recente voorbeelden van energieterrorisme. Ik verwijs hierbij naar de verhoging van de brandstofprijzen met alle negatieve gevolgen van dien voor de financiële situatie van het bedrijfsleven en de levensstandaard van de burgers. Ik zou drie punten wat nader willen toelichten.
Ten eerste, het feit dat de programma's op het gebied van energiebesparing pas in 2020 verwezenlijkt moeten zijn, geeft aan dat er voor een statische benadering gekozen is. Er wordt geen rekening gehouden met wat er op de wereldmarkt gebeurt. Dit is pas op de plaats maken.
Ten tweede, alle maatregelen om energie te besparen, te winnen en hernieuwbare energiebronnen aan te boren moeten in aanmerking komen voor belastingvoordelen en een lager BTW tarief.
Ten derde, landbouwgronden die nu niet gebruikt worden vanwege de beperkingen op de landbouwproductie in de Europese Unie of omdat bijvoorbeeld het telen van zacht fruit en groente niet voldoende gesubsidieerd wordt, zouden ingeschakeld moeten worden voor de productie van biomassa en duurzame brandstoffen.
Steeds meer grond zal braak blijven liggen met als gevolg een stijgende werkeloosheid en een verarmde plattelandsbevolking. Een snelle ontwikkeling van de productie van biomassa en brandstoffen creëert werkgelegenheid en zal de continuïteit van de energievoorziening voor onze landen verbeteren.
Jan Březina (PPE-DE). - (CS) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, verwarming en koeling zijn goed voor 49 procent van de energie die in ons continent verbruikt wordt. Ik neem aan dat elk verantwoord energieprogramma een vermindering van de koolstofemissies tot doel heeft. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat met name het gebruik van hernieuwbare energiebronnen ten behoeve van verwarming en koeling ons in de gelegenheid zal stellen om de koolstofemissies in de toekomst terug te dringen, samen met de kerninstallaties, die voornamelijk gebruikt worden voor het opwekken van elektriciteit. Hoe minder fossiele brandstoffen wij voor deze doeleinden gebruiken hoe beter, niet alleen vanuit het oogpunt van de wereldwijde klimaatverandering, maar ook om onze afhankelijkheid van derde landen te beperken. Het gebruik van hernieuwbare energiebronnen heeft overigens ook uitermate positieve gevolgen voor de plattelandseconomie, aangezien de nieuwe energiebedrijven zich in rurale gebieden zullen vestigen en voor werkgelegenheid zullen zorgen.
Dit verslag, dat het resultaat is van gedetailleerde studies en debatten, voorziet in een lange reeks strategische maatregelen, waaraan uitvoering dient te worden gegeven als wij de belemmeringen willen opheffen die een toename van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in de weg staan. Als Europees afgevaardigde van de Tsjechische Republiek moet ik echter onderstrepen dat de positie van de hernieuwbare energiebronnen op de markt verzwakt is na de toetreding tot de Europese Unie. De verplichte toepassing van hogere BTW-tarieven op uit biomassa vervaardigde briketten en pellets, om maar een voorbeeld te noemen, hebben geleid tot een sterke achteruitgang op een markt die veelbelovende tekenen van ontwikkeling begon te vertonen. Alle nieuwe lidstaten bevinden zich in dezelfde situatie. Paradoxaal genoeg zijn in buurlanden als Duitsland en Oostenrijk uitzonderingen van toepassing volgens welke op deze producten een lager BTW-tarief wordt toegepast. Dat heeft tot gevolg dat de Tsjechische Republiek al haar uit biomassa vervaardigde briketten en pellets uitvoert naar deze buurlanden. Tegelijkertijd heeft onze binnenlandse markt te kampen met toenemende energiekosten en in plaats van over te schakelen op hernieuwbare energiebronnen opteert de bevolking voor goedkope energiesoorten, hetgeen in ons geval vaak neerkomt op bruinkool van slechte kwaliteit.
Daarom verleen ik mijn volmondige steun voor de oproep van de Commissie en de Raad om de Zesde BTW-Richtlijn te herzien en een lager BTW-tarief op hernieuwbare energiebronnen toe te passen. Dat kan en moet op Europees niveau gebeuren. Ik onderschrijf het verslag en dank de rapporteur voor haar uitstekende werk. Ten slotte wil ik nog zeggen dat dit initiatief een veelbelovende weg opent voor zowel de Commissie als de individuele lidstaten.
Andres Tarand (PSE). - (ET) Mijnheer de Voorzitter, ik wil benadrukken dat het verslag van mevrouw Mechtild Rothe grote waardering verdient, vooral omdat daarin sprake is van verplichtingen waaraan de lidstaten zich bij het gebruik van hernieuwbare energie moeten houden.
Zoals wij weten, is de huidige energiemarkt in de Europese Unie ernstig verstoord. Dit komt onder andere door ongelijke subsidieverlening en het feit dat de subsidie voor fossiele brandstoffen (kool, bruinkool, brandschalie) en kernenergie aanzienlijk groter is dan die voor hernieuwbare energie. In sommige lidstaten is deze situatie ontstaan door de monopoliepositie van de energiecentrales die fossiele brandstoffen gebruiken. Deze situatie is duidelijk ook de belangrijkste belemmering voor de vorming van een gemeenschappelijk energiebeleid in de Europese Unie.
Gezien het feit dat onze externe voorzieningszekerheid ook gebrekkig is, kunnen wij nu alleen maar hopen dat de les die Rusland Europa begin dit jaar heeft geleerd een extra stimulans is voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie in de Europese Unie en dat betere samenwerking tussen de lidstaten daadwerkelijk leidt tot een gemeenschappelijk Europees energiebeleid.
Patrizia Toia (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik voer het woord in plaats van collega Fiona Hall, die vanochtend afwezig is omdat ze een afspraak met commissaris Mandelson had die niet uitgesteld kon worden. Ik wil mevrouw Hall danken voor het waardevolle werk dat zij voor deze resolutie heeft verricht. Mijn dank gaat ook uit naar de andere schaduwrapporteurs en natuurlijk naar de rapporteur zelf, die via een knap bemiddelingswerk een tekst tot stand heeft gebracht die een brede consensus in dit Parlement heeft gekregen.
Het doel dat het Europees Parlement met deze resolutie nastreeft, is naar mijn mening ambitieus. In de eerste plaats is het qua methode ambitieus. Het Parlement neemt namelijk via de procedure overeenkomstig artikel 39 een actieve rol op zich. Het vraagt de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen teneinde een leemte op te vullen, om dat stukje in te voegen dat nog ontbrak in het wetgevings- en juridisch kader. Op die manier kan er een grote stap vooruit worden gezet in de richting van hernieuwbare energiebronnen, met name voor de sector verwarming en koeling.
Ik geloof dat wij allemaal de oren spitsen als wij vernemen dat 50 procent van de energiebehoefte in Europa bestemd is voor verwarming. Daaruit blijkt overduidelijk dat er een regeling moet komen, want anders kan de sector niet groeien. Dat wordt ook als zodanig erkend door de Commissie in haar verslag over efficiënt energiegebruik. Bovendien moet de sector zekerheid gegeven worden. Als er geen zekerheid is over een mogelijke groei, komen er geen investeringen, dan komt er geen wetenschappelijk onderzoek en zal er dus geen sprake zijn van concentratie van middelen en energie waarmee de sector normaliter een kwaliteitssprong kan maken.
In de tweede plaats is het doel van het Parlement ook belangrijk en ambitieus, omdat het jaar 2020 als deadline wordt opgegeven. Sommigen denken wellicht dat deze termijnstelling niet erg bemoedigend is en veel te beperkt, maar ik geloof dat wij hiertegen aan moeten kijken als een doel dat voorbijgestreefd moet worden.
Mijnheer de commissaris, geachte collega’s, als wij het hebben over een aandeel van meer dan 20 procent, mikken wij op een hoog percentage, want dat is ruim twee keer zoveel als het huidige aandeel van hernieuwbare energiebronnen.
Kortom, volgens mij blijkt duidelijk dat het Parlement zijn best wil doen. Datzelfde geldt voor een aantal collega’s. Ik zie bijvoorbeeld dat Vittorio Prodi hier aanwezig is voor het thema van de biomassa. Wij vragen dan ook de Commissie om nu hard aan het werk te gaan. Hetzelfde vragen wij vervolgens de lidstaten bij de toepassing van de richtlijn. Wij moeten de energieafhankelijkheid verminderen die een serieuze belemmering vormt voor onze toekomst van groei en ontwikkeling.
Peter Liese (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, de kwestie van een continue energievoorziening heeft in de afgelopen weken en maanden voortdurend in de schijnwerpers gestaan. Om op dit vlak uitkomst te bieden hebben wij een aantal dingen nodig. Naar mijn idee moet ook de verwarming met behulp van hernieuwbare energiebronnen midden in de schijnwerpers worden geplaatst. Waarom? Omdat het potentieel bijzonder groot is. De bond van ondernemers in deze sector in het land dat ik het beste ken - Duitsland - beweert dat wij het percentage installaties dat op hernieuwbare energie werkt, binnen tien jaar kunnen vertienvoudigen: van 8 naar 80 procent. Dat wil niet zeggen dat wij het aandeel in het energieverbruik hebben vertienvoudigd, maar wel het aandeel in de nieuwe installaties. Deze uitspraak is niet van Greenpeace afkomstig, maar van een bond van ondernemers. Het verwarmen met hernieuwbare energie is daarnaast goedkoper dan met andere energiebronnen. Ik noem als voorbeeld zonne-energie en fotovoltaïsche cellen. Het prijsverschil kan zich verhouden van 1 tot 45. Wij hebben dus in feite de minste steun gegeven aan het traject dat de meeste mogelijkheden biedt. Daar moeten wij verandering in brengen.
Volgens mij is dat niet alleen een nationale kwestie, maar ook een Europese kwestie. De reden waarom verwarming en koeling met behulp van hernieuwbare energiebronnen nog niet echt op de agenda staat, is namelijk niet dat de techniek over het algemeen zo ingewikkeld is. Veeleer is er behoefte aan een veel hogere penetratiegraad en een kritische massa, zodat de installaties voor de eindgebruikers voordeliger in het gebruik worden. Een dergelijke kritische massa kunnen wij uiteraard op Europees niveau sneller realiseren dan wanneer ieder land dat afzonderlijk zou doen.
Naar mijn idee is steun voor het verslag-Rothe niet in strijd met mijn standpunt en dat van mijn fractie met betrekking tot kernenergie. Ik geloof dat wij beide vormen van energie nodig hebben: hernieuwbare energie en kernenergie. Er is geen sprake van een tegenstelling, en van dat idee moeten wij dan ook af. Die tegenstelling moet ook uit het Groenboek worden geschrapt en daarom steun ik ook de opmerkingen die hier over dat Groenboek zijn gemaakt. Wij hebben op korte termijn een voorstel van de Commissie nodig. Ik bedank de heer Piebalgs dan ook dat hij heeft aangekondigd dat er in 2006 inderdaad een concreet voorstel gedaan zal worden. Daardoor kunnen wij ettelijke miljarden die de Europese consumenten aan de invoer van energie uitgeven, besparen en in zinvollere zaken investeren.
Vladimír Maňka (PSE). - (SK) Ik wil mevrouw Rothe bedanken voor haar voortreffelijke verslag. Er zijn slechts enkele regio’s in Europa die strategieën voor de winning van energie uit hernieuwbare bronnen succesvol hebben geformuleerd en ten uitvoer gelegd. Ontwikkelingsverschillen hebben minder te maken met verschillende mogelijkheden dan met verschillende politieke agenda’s. De enige manier om vooruit te komen, is samen kerndoelen vast te stellen, ik herhaal het woord ‘samen’, en door te controleren of deze ook worden bereikt.
Ik zou willen onderstrepen dat het belangrijk is om financiële prikkels te geven aan investeerders die zich richten op hernieuwbare energie. Eén van die financiële prikkels, die ook werd genoemd door de heer Březina, zou een lager BTW-tarief zijn. Dit zou een goede prikkel zijn, maar anderzijds werkt het bij landen met een forfaitair tarief niet motiverend. Ik denk niet dat Europa zich in de toekomst in de richting van een forfaitair tarief zal bewegen. Niettemin dienen wij rekening te houden met het feit dat landen die het forfaitaire tarief al hebben ingevoerd, deze niet zullen willen terugdraaien.
Tot slot een voorbeeld. De stad waarvan ik de afgelopen zeven jaar burgemeester ben geweest, wint 15 procent van de energie uit hernieuwbare energiebronnen. Deels dankzij de structuurfondsen zal dat aandeel over twee jaar stijgen tot 50 procent, en hiervoor wil ik mijn dankbaarheid betuigen.
Alejo Vidal-Quadras Roca (PPE-DE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, beste collega’s, de recente stop van de levering van aardgas in Oekraïne heeft ons met de neus op een probleem gedrukt waaraan we misschien niet het belang hebben gehecht dat het verdiende.
De afgelopen weken heeft de koers van een vat ruwe olie geschommeld tussen de 60 en 65 dollar, een prijs die we jaren geleden niet voor mogelijk hadden gehouden.
De onstabiele situatie in het Midden-Oosten meegerekend komen we tot de voor de hand liggende conclusie dat de Europese Unie dringend actie moet ondernemen. We kunnen niet langer gezapig blijven constateren dat we op energiegebied afhankelijk zijn van externe bronnen. We moeten op intelligente en doortastende wijze actie ondernemen, want er is geen tijd te verliezen.
Voor mij staat het vast dat de door de commissaris aangekondigde initiatieven belangrijke voordelen zullen opleveren voor de toekomst van de Unie, maar we mogen niet de wetgeving vergeten die al van kracht is geworden, en die sommige lidstaten niet strikt genoeg in hun nationale recht hebben omgezet.
De huidige olieprijzen zijn ongetwijfeld een referentiepunt voor de haalbaarheidsdrempels van de vervangende technologieën: dit is een goede gelegenheid voor de hernieuwbare energiebronnen om hun prijzen concurrerend te maken met overheidssteun, in overeenstemming met de wetgeving voor overheidssteun.
Zoals de commissaris in zijn diagnose terecht heeft opgemerkt, is de naleving van de richtlijn betreffende hernieuwbare energiebronnen een moeilijke zaak. Een fundamentele rol is weggelegd voor de biomassa, waarvan het potentieel immers onderbenut wordt. De richtlijn betreffende doelmatig energiegebruik in gebouwen bevat al een aantal bepalingen inzake het gebruik van biomassa bij verwarming, die zullen moeten worden uitgediept.
Wij vinden dat een nieuwe richtlijn betreffende verwarming en koeling, waarin rekening wordt gehouden met het uitstekende verslag van mevrouw Rothe en dus met de mogelijkheden van de hernieuwbare energiebronnen, doelstellingen dient te omvatten die zowel ambitieus als realistisch zijn: duidelijke richtsnoeren inzake de financieringsmechanismen en een voortrekkersrol van de publieke sector.
We twijfelen er niet aan dat de Commissie de verwachtingen opnieuw zal waarmaken.
Justas Vincas Paleckis (PSE). - (LT) Graag wil ik rapporteur Mechtild Rothe en de Commissie industrie, onderzoek en energie gelukwensen. Dit initiatief zal de lidstaten van de EU aanmoedigen om zich te richten op het gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor verwarming en koeling, en om hiervoor economische prikkels in het leven te roepen.
Wat betreft de normen van energie-efficiënte in gebouwen, is het de moeite waard om een algemeen probleem in Litouwen, in alle Baltische landen en in enkele andere nieuwe lidstaten van de EU te benadrukken. Een groot deel van de stadsbevolking aldaar woont in flatgebouwen van slechte kwaliteit, die 20 tot 40 jaar oud zijn, zo niet ouder. Deze gebouwen zijn amper voorzien van warmte-isolatie, warm water komt uit een centrale boiler en de bewoners kunnen de gewenste temperatuur niet instellen. Zowel de nationale regeringen als de Europese Commissie dienen meer aandacht te schenken aan dit probleem. De Unie en de structuurfondsen moeten geld uittrekken voor de renovatie van dergelijke gebouwen om ervoor te zorgen dat de huizen efficiënt worden verwarmd. De Commissie zou de beste voorbeelden van dergelijke renovaties kunnen verzamelen om de nationale regeringen te helpen bij het besluit of zij dergelijke gebouwen moeten renoveren of slopen.
Den Dover (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen feliciteer ik de rapporteur met dit zeer duidelijke verslag, en met name met de toelichting waarin ook afbeeldingen staan. Dat is prachtig. Dat zouden we vaker in verslagen moeten doen.
Ik spreek als voorzitter van het forum voor de bouw in het Europees Parlement. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk goede isolatie van gebouwen is en, zoals mijn collega zojuist zei, hoe belangrijk het is om een eind te maken aan de energieverspilling in die enorme flatgebouwen in de Oost-Europese landen, die nu deel van de Europese Unie uitmaken. Op dat gebied moeten nodig maatregel worden getroffen.
Ik verontschuldig me namens het Verenigd Koninkrijk voor het feit dat het ten opzichte van andere landen achter loopt bij het nemen van maatregelen voor hernieuwbare energie, verwarming en koeling. Ik weet zeker dat we de komende jaren in de ranglijst zullen stijgen.
Ik sta volledig achter het punt van de rapporteur dat er nationale steunmaatregelen moeten komen. Ze onderstreept het feit dat de lidstaten dergelijke maatregelen in principe kunnen nemen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel. Ze wijst erop dat de steun beperkt in de tijd moet zijn en geleidelijk moet worden afgebouwd. Daar ben ik het roerend mee eens. Vervolgens zegt ze dat er stimuleringsinstrumenten moeten komen om een hoge mate van marktpenetratie te bewerkstelligen en tot slot dat de bijbehorende verwarmings- en koelingsnetwerken moeten worden gestimuleerd.
Dit verslag moet door de industrie en het Europees Parlement worden toegejuicht en zal ervoor zorgen dat er in de toekomst sprake is van veilige en gegarandeerde bevoorrading.
Bernadette Bourzai (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, om te beginnen wil ik mevrouw Rothe graag feliciteren met haar uitstekende initiatiefverslag, waarin de Europese Commissie duidelijk wordt gevraagd om voor juli 2006 een wetgevingsvoorstel te doen voor de verhoging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen ten behoeve van verwarming en koeling op te stellen. Verwarmings- en koelingsnetwerken en biomassa, met name uit hout, vormen een belangrijk afzetgebied voor de houtverwerkingssector, passen perfect in een duurzame Europese strategie voor de bosbouw en kunnen de Europese inspanningen op het gebied van duurzame ontwikkeling ondersteunen, met name de doelstelling dat het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in 2010 twaalf procent moet bedragen van het totale energieverbruik. Er bestaat momenteel echter geen wetgeving die de productie van verwarmings- en koelingssystemen op basis van hernieuwbare energiebronnen regelt, en na de publicatie van het actieplan inzake biomassa van de Europese Commissie op 7 december 2005 moet deze leemte worden opgevuld.
Ik wil drie punten onderstrepen die in mijn ogen belangrijk zijn. Allereerst heeft de Ecofin-Raad op 28 januari jongstleden een politiek akkoord gesloten om het experiment met het verlaagde BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten te verlengen tot 2010. Belangrijk nieuws voor het onderwerp dat ons bezighoudt is dat stadsverwarming zal worden opgenomen in de keuzemogelijkheid waarin artikel 12, lid 3, onder b), van de zesde BTW-richtlijn voorziet, op dezelfde gronden als de levering van aardgas en elektriciteit. De lidstaten kunnen nu dus een eind maken aan deze fiscaal ongelijke behandeling tussen de verkoop van calorisch vermogen en het vastrecht voor verwarmings- en koelingssystemen op basis van hernieuwbare energiebronnen enerzijds en de levering van aardgas en elektriciteit anderzijds.
Ik sta volledig achter de aanbeveling van de rapporteur inzake het gebruik van de structuurfondsen, het Cohesiefonds en het Europees landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (FEADER).
Romana Jordan Cizelj (PPE-DE). - (SL) Het gebruik van hernieuwbare energiebronnen aanmoedigen betekent rechtstreeks werk maken van de doelstellingen van de Strategie van Lissabon. Op de voorgrond treden namelijk de zorg voor het milieu en het stimuleren van innovatie en infrastructuur, waarmee concurrentievermogen en zelfs een onafhankelijke groei in Europa mogelijk moeten worden.
Hernieuwbare energiebronnen zijn een natuurlijke rijkdom van de Europese Unie. Daarmee kunnen wij onze afhankelijkheid van import verminderen en ons milieu verbeteren. Door het gebruik ervan neemt de verscheidenheid aan energiebronnen toe en wordt de energievoorziening betrouwbaarder. We moeten daar gebruik van maken niet alleen voor elektriciteitsopwekking, maar ook voor verwarming en koeling van gebouwen, aangezien alleen daarvoor al meer dan veertig procent van de energie in Europa wordt gebruikt.
Een recent Eurobarometeronderzoek heeft aangetoond dat de bevolking steun geeft aan een gemeenschappelijk Europees energiebeleid. Daarom moeten we in Europa ook op het vlak van verwarming en koeling duidelijke richtsnoeren en impulsen geven. We moeten een gemeenschappelijk doel nastreven, maar de vaststelling van redelijke en bindende doelstellingen op nationaal niveau aan de lidstaten overlaten. Die doelstellingen moeten rekening houden met de natuurlijke omstandigheden van de afzonderlijke landen, aangezien deze niet overal dezelfde zijn, bijvoorbeeld voor het gebruik van zonne-energie of biomassa.
Zeker voor biomassa moeten we heel goed opletten op welke manier we het gebruik ervan stimuleren. Biomassa is namelijk ook een grondstof voor de houtverwerkende industrie, die voor vele arbeidsplaatsen en een hoge toegevoegde waarde zorgt. Door het gebruik van hout als natuurlijk materiaal wordt minder energie verbruikt bij de vervaardiging van het eindproduct en tegelijkertijd worden er minder broeikasgassen uitgestoten. Hout bevat ook koolstofdioxide dat gedurende vele jaren in de boom is opgeslagen.
Tot slot nog dit: het is verstandig om voor energiedoeleinden enkel houtafval dat niet geschikt is voor recycling, te gebruiken en de rest om te vormen tot bruikbare grondstof. Ook het Europees energiebeleid moet daaraan tegemoet komen.
Péter Olajos (PPE-DE). - (HU) Europa is de grootste energie-importeur ter wereld. Echter, de prijs van geïmporteerde energie stijgt en energie wordt geïmporteerd uit politiek en economisch instabiele regio’s. Deze feiten dwingen ons om onze afhankelijkheid van geïmporteerde energie en kwetsbaarheid te verminderen en daar zo mogelijk een einde aan te maken. Om dat te bereiken moeten wij, naast het rationaliseren en efficiënter maken van ons energieverbruik, ook het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in Europa intensiveren.
De stappen die in dit verband in het afgelopen decennium door de Europese Unie zijn ondernomen, zijn geslaagd gebleken: met betrekking tot windenergie heeft de EU eind vorig jaar al haar doelstelling voor 2010 gehaald, biomassa-energiecentrales schieten als paddestoelen uit de grond en biobrandstoffen winnen op spectaculaire wijze terrein. Wat is het geheim van dit succes? Ik ben ervan overtuigd dat dit voornamelijk te danken is aan de EU-regelgeving en de verplichte normen die hier in het Parlement zijn aanvaard. Ik ben tegen overregulering, maar men kan moeilijk ontkennen dat de wettelijke beperkingen die door de Europese Unie zijn opgelegd en de doelstellingen die we gezamenlijk hebben vastgesteld, efficiënte middelen zijn om ervoor te zorgen dat de lidstaten er vaart achter zetten. Koeling en verwarming in huishoudens vormen 40 procent van onze huidige energieconsumptie. Gemiddeld wordt er in 10 procent van de Europese huishoudens gebruik gemaakt van hernieuwbare energie, maar dit cijfer is slechts te danken aan de uitstekende prestaties van een paar landen, zoals Oostenrijk, Duitsland, Griekenland, etc. In andere landen, inclusief het mijne, wordt amper hernieuwbare energie gebruikt. Zij geven geen steun aan investeringen op dit terrein en kennen geen overheidsprogramma’s. Integendeel, ze werpen administratieve drempels op.
Dit terrein dient te worden gereguleerd op Europees niveau, teneinde ons in staat te stellen om op efficiënte en betrekkelijk goedkope wijze het gebruik van fossiele brandstoffen in huishoudens, de uitstoot van broeikasgassen en onze afhankelijkheid van energie te verminderen. Daarom ben ik voorstander van een richtlijn met betrekking tot dit vraagstuk.
Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik wil in de eerste plaats mevrouw Roth bedanken voor haar toegewijde inzet voor de hernieuwbare energiebronnen. Ik wil ook de heer Turmes bedanken voor de lofzang op de Oostenrijkse provincie waar ik vandaan kom, omdat daar op voorbeeldige wijze wordt gestreefd naar gebruik van hernieuwbare energie. Dat streven vindt overigens plaats binnen een groter nationaal economisch kader, omdat wij waarde hechten aan een voordelige, veilige en schone energieproductie. Deze drie zaken dienen altijd in een gemeenschappelijke context te worden bekeken.
In dit verband is overigens ook de uitspraak “think globally, act locally” van toepassing. Wij moeten enerzijds voortdurend de mondiale situatie voor ogen houden maar anderzijds ook de maatregelen kunnen omzetten. Installaties die op hernieuwbare energie functioneren en die daardoor ook de doelstellingen van Kyoto ondersteunen, dienen in de toekomst bij de ambtelijke toewijzingsprocedures principieel voorrang te krijgen als het gaat om bouwvergunningen en vergunningen voor landontwikkeling. Het voorstel dat er binnen twee maanden na indiening van een aanvraag een besluit moet zijn genomen, heeft voor mij absolute prioriteit. De tijd dringt namelijk, en op dit punt moeten wij eigenlijk voor de overheidsinstanties een omkering van de bewijslast gaan hanteren indien zij een project afwijzen.
Uiteindelijk gaat het ook om de return on investment van projecten. Op dit punt kunnen wij terugvallen op een breed scala aan mogelijkheden. Naar mijn idee biedt juist die energievoorziening in de toekomst uitstekende kansen voor de kleine en middelgrote ondernemingen. Een aantal sprekers heeft er eerder al op gewezen dat alle lidstaten met name op grensoverschrijdend energiegebied - mede met het oog op de dienstenrichtlijn die wij deze week zullen aannemen - met volledig nieuwe uitdagingen geconfronteerd zullen worden. Daarom hebben wij eenvoudigere procedures nodig. Het is met name van groot belang dat de administratieve belemmeringen uit de weg worden geruimd.
Tot slot dienen wij het gebruik van binnenlandse energiebronnen met een kleine kringloop te stimuleren. Dat is het doel dat wij samen met de Commissie willen verwezenlijken.
(Applaus)
Herbert Reul (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, wij hebben in dit Parlement veelvuldig gediscussieerd over de eisen die de energieproblematiek aan ons stelt. Wij hebben het gehad over de levensduur van hulpbronnen, over de natuurlijke vraag - die beperkt is - en ook over de aanvullende vraag als gevolg van de opkomst van nieuwe grote industrielanden. Sinds januari debatteren wij ook over de afhankelijkheid van afzonderlijke leveranciers, en wij hebben geconstateerd dat wij ook op dit vlak actie moeten ondernemen. Wij vragen ons dan ook terecht af hoe wij op verwarmings- en koelingsgebied extra capaciteit kunnen creëren. Dat is een goede en belangrijke zaak, en ik ben dan ook blij met de vele amendementen die in het verslag zijn opgenomen.
Op één punt ben ik echter nog niet gerustgesteld. Ik ben namelijk bang dat onze terechte doelstelling ons blikveld vernauwt en ons doet geloven dat er maar één juiste, verstandige en zaligmakende weg is. Ik refereer daarbij natuurlijk aan de doelstelling dat wij moeten bezuinigen op het energiegebruik en tegelijkertijd aanvullende en ook hernieuwbare energiebronnen moeten aanboren.
Ik maak mij zorgen als opvattingen worden geuit die de mensen de indruk geven dat alle problemen opgelost zijn als wij die ene weg maar volgen. Wat de heer Turmes zojuist zei, ging bijvoorbeeld die richting uit. Ik ben er echter vast van overtuigd dat juist die collega’s gelijk hebben die zeggen dat het hier om een extra mogelijkheid gaat waar wij gebruik van kunnen maken. Tegelijkertijd moeten wij er ons echter niet van laten weerhouden om ook op andere vragen antwoord te geven, zoals op de vraag: “Wat is onze houding ten opzichte van kernenergie?” of: “Hoe kunnen wij de bestaande fossiele energiebronnen op een schonere manier gebruiken?”
Ik zet ook vraagtekens bij de methode aan de hand waarvan wij in de toekomst gaan werken en bij de manier waarop wij straks nieuwe regelgeving tot stand gaan brengen. De vraag dringt zich namelijk op of wij wel de juiste koers volgen als wij er vanuit gaan dat de oplossing van politieke problemen alleen gelegen is in de opstelling van nieuwe voorschriften of in het nemen van besluiten in dit Parlement, waarna wij genoegzaam achterover leunen en denken dat daardoor alle problemen de wereld uit zijn. Oplossingen komen er niet met Europese richtlijnen waarmee wederom nieuwe verplichtingen aan de lidstaten worden opgelegd.
Wij hebben vanochtend van de commissaris gehoord dat er alleen al op energiegebied 42 richtlijnen zijn aangenomen, waarvan 22 richtlijnen uitsluitend betrekking hebben op energie-efficiëntie! Desalniettemin zijn wij nog steeds niet tevreden en zeggen wij dat wij niet voldoende vorderingen maken. Het komt eigenlijk op het volgende neer: de koers die wij moeten volgen, dient uitgestippeld te worden op basis van het stimuleren van nieuwe technologieën en benchmarks en door het ontwikkelen van normen en indicatoren. Alleen op die manier krijgen degenen die uiteindelijk moeten besluiten of zij nieuwe wegen zullen inslaan, de mogelijkheid om vergelijkingen te maken en vast te stellen of die nieuwe wegen ook nieuwe kansen en persoonlijk voordeel opleveren.
Met dromen zullen wij ons doel niet verwezenlijken. Wij hebben ambitieuze maar wel realistische doelstellingen nodig die gebaseerd zijn op de situatie in de verschillende lidstaten en afgestemd worden op de natuurlijke omstandigheden en de afzonderlijke markten. Standaardantwoorden lossen dan ook niets op.
Andris Piebalgs, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank u voor dit zeer belangwekkende debat, en ook dank ik nogmaals de rapporteur, mevrouw Rothe, en alle schaduwrapporteurs voor hun werk. Ik weet dat u allen hartstochtelijke belangstelling koestert voor dit onderwerp, en dit is zeker niet de enige oplossing waar we naar moeten zoeken in de energiesector. Ik koester eveneens een intense belangstelling voor dit verslag. Uit de stemming in de Commissie industrie, onderzoek en energie en het debat van vandaag blijkt dat er heel veel steun is voor de ideeën in dit verslag.
Mijns inziens heeft de Commissie reeds duidelijke stappen in die richting gezet. In december 2005 heeft de Commissie in het actieplan inzake biomassa een initiatief aangekondigd voor verwarming en koeling met behulp van hernieuwbare energiebronnen. Zoals enkele parlementsleden al aangaven, hechten we tegelijkertijd echter veel waarde aan betere en goed uitvoerbare wetgeving en respecteren we het subsidiariteitsbeginsel. Daarom heb ik mijn diensten gevraagd om op dit terrein een effectbeoordeling uit te voeren, omdat het later in het debat van groot belang zal zijn dat we het voorstel aan de hand van een goede effectbeoordeling kunnen bijsturen. Als ik een besluit moet nemen over de vraag hoe we verder moet werken aan dit belangrijke onderwerp, ga ik uit van die effectbeoordeling.
Ik kan u tevens echter mededelen dat de Commissie aan uw verwachtingen tegemoet zal komen - om op de woorden van de heer Vidal-Quadras Roca in te gaan - en dat we ook werken aan de tenuitvoerlegging van de wetgeving. Tot mijn vreugde kan ik de Commissie industrie vandaag zeggen wat we in dit verband precies gaan doen. We hebben het reeds door mij genoemde actieplan inzake biomassa goedgekeurd en onlangs hebben we de mededeling inzake biobrandstoffen goedgekeurd. Hieruit blijkt dat de Commissie een grotere marktpenetratie van hernieuwbare energiebronnen in de Europese energiemix zeer serieus neemt.
Ik dank u voor uw grote belangstelling voor dit debat en ik hoop tegen het einde van het jaar een wetgevingsvoorstel aan dit Parlement te kunnen presenteren.
(De vergadering wordt om 11.55 uur onderbroken en om 12.05 uur hervat)