Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/2056(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0173/2006

Debatten :

PV 31/05/2006 - 13
CRE 31/05/2006 - 13

Stemmingen :

PV 01/06/2006 - 7.11
CRE 01/06/2006 - 7.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0238

Debatten
Donderdag 1 juni 2006 - Brussel Uitgave PB

8. Stemverklaringen
PV
  

- Verslag-Chatzimarkakis (A6-0180/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk.(EN) Gezien het belang van dit verslag heb ik voorgestemd, maar ik ben het niet eens met de opmerking over belastingharmonisatie in dit overigens uitstekende verslag. Aangezien wij maar één stem tot onze beschikking hadden, kon ik mijn bedenkingen over het harmonisatievoorstel niet afzonderlijk van de eindstemming laten vastleggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sérgio Marques (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Ik wil de heer Chatzimarkakis gelukwensen met zijn uitstekende verslag over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013), dat op een goed tijdstip komt. Ik steun dit verslag, en dat geldt vooral voor het idee om het kaderprogramma af te stemmen op eventuele aanvragers. Dat zijn immers de rechtstreeks belanghebbenden.

Eventuele kandidaten moeten inderdaad nog voor ze een aanvraag indienen informatie kunnen verkrijgen over de steun die ze uit hoofde van dit kaderprogramma kunnen ontvangen.

Ik ben het met de rapporteur eens dat we in de context van dit kaderprogramma moeten proberen één “loket” te creëren. Dat zal het contact met de belanghebbenden vergemakkelijken.

Ik ben het ook met hem eens dat we de aanvraagprocedures moeten vereenvoudigen.

Tot slot wil ik er graag op wijzen dat dit kaderprogramma heel belangrijk is voor KMO’s in de verschillende regio’s van de Europese Unie, en dan met name voor KMO’s in de ultraperifere regio’s. De KMO’s uit laatstgenoemde regio’s moeten steun ontvangen uit hoofde van dit kaderprogramma, dat tot doel heeft ze te helpen bij het overwinnen van de problemen waarmee ze kampen op grond van artikel 299, lid 2, van het EG-Verdrag.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Ik sta achter de inhoud van dit verslag, maar ben van mening dat het door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken voorgestelde amendement 21, waarin de Europese Commissie wordt opgeroepen maatregelen te identificeren ter coördinatie van het belasting- en premiebeleid van de lidstaten, niet thuishoort in een verslag waarvan men beweert dat het de innovatie en het concurrentievermogen stimuleert; integendeel, alleen door in de gehele EU meer concurrentie tussen KMO's en andere bedrijven aan te moedigen ten aanzien van hun uiteenlopende fiscale verplichtingen en andere variabele marktomstandigheden zal een echt concurrerende en innovatieve markt voor alle Europese bedrijven worden verwezenlijkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (NI), schriftelijk. – (FR) Kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s) vormen de economische spil waar onze lidstaten om draaien; zij scheppen banen en welvaart. Daarom kunnen we het streven van de rapporteur om ze een prominentere plaats te geven in het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie alleen maar toejuichen. Vanwege de moordende economische concurrentie die heden ten dage wereldwijd woedt, kunnen KMO’s heel vaak alleen overleven dankzij technologische vooruitgang, hoe gering ook, die altijd geld kost en waaraan voortdurend moet worden gewerkt.

Daarom zouden we graag zien dat kleine bedrijven nu echt eens toegang krijgen tot dit programma. Kleine ondernemingen moeten doeltreffend voorgelicht worden over de steun die ze kunnen krijgen, en niet alleen ondernemingen die de financiële armslag hebben om specialisten in te schakelen voor het binnenhalen van subsidies. De regels voor deelname aan deze programma’s moeten echt eenvoudig en transparant zijn, en het samenstellen van dossiers moet voor KMO’s geen exorbitant hoge kosten met zich meebrengen. Consistentie en complementariteit met andere Europese programma’s, en vooral met het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, moet worden gewaarborgd. De vraag naar betere communautaire regelgeving die eenvoudiger is en nauwer aansluit op het subsidiariteitsbeginsel mag niet meer de eindeloos herhaalde maar nooit toegepaste slogan zijn die het in de afgelopen twintig jaar is geweest. We zullen zien hoe het gaat als we het in de praktijk brengen.

 
  
  

- Verslag-Schröder (A6-0151/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Roland Clark (IND/DEM), schriftelijk.(EN) Ik geef mijn volledige steun aan alle initiatieven die tot doel hebben de groei van het midden- en kleinbedrijf in ontwikkelingslanden te bevorderen. Wij kunnen dit verslag echter niet steunen omdat de tenuitvoerlegging van EU-praktijken en -beleid in veel gevallen juist heeft geresulteerd in de verarming van ontwikkelingslanden. De UK Independence Party is sterk van mening dat ontwikkelingslanden meer hebben aan overeenkomsten met individuele natiestaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Er bestaat geen twijfel over dat kleine en middelgrote ondernemingen een zeer belangrijke rol spelen in de economie van landen. In ontwikkelingslanden waar geen grote ondernemingen zijn, is het vanzelfsprekend belangrijker om te zorgen voor een institutioneel kader dat het kleine en middelgrote ondernemingen mogelijk maakt om er te opereren. Het is echter niet de taak van het Europees Parlement om te dicteren welke voorwaarden zouden moeten gelden in de ontwikkelingslanden. Ieder land, zowel in de EU als in de rest van de wereld, heeft recht op zijn eigen ontwikkelingen en heeft het recht deze vorm te geven. Daarom heb ik vandaag tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (NI), schriftelijk. – (FR) Aanhoudende economische problemen in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, staan groei in de weg en, erger nog, lokken oorlogen en hongersnoden uit. Naast de mondialisering is de voornaamste oorzaak van de problemen gelegen in wijdverbreide corruptie op nationaal en lokaal niveau. Deze misstand houdt overigens verband met gebrekkig toezicht op en oneigenlijk gebruik van nochtans omvangrijke internationale hulp.

Net als bij ons moeten gezinnen daar kunnen leven van hun werk. Landbouw, nijverheid en industrie moeten het hoofd boven water houden, terwijl ook de tertiaire sector moet groeien binnen een gezond maatschappelijk kader, waardoor een deugdelijke economische en sociale kringloop mogelijk wordt. Dit ideaal mag geen excuus zijn voor dagdromerij. Ja, we willen en moeten kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s) in ontwikkelingslanden steunen, maar zolang "samenwerking" gepaard gaat met "corruptie" zal het onmogelijk zijn deze landen te helpen de verantwoordelijkheid te nemen voor de welvaart van hun bevolking.

Het opnieuw definiëren van gecontroleerde en voorwaardelijke samenwerking mag niet als excuus worden gebruikt om deze landen in de watten te leggen, maar is bedoeld om ze op eigen benen te laten staan en een verantwoordelijkheidsgevoel te ontwikkelen. Deze nieuwe samenwerking zal jongeren in deze landen weer hoop geven, zodat ze uiteindelijk niet als illegale immigranten aanspoelen op de kusten van een Europa dat zich al geen raad weet met zijn eigen werklozen.

 
  
  

- Verslag-Grossetête (A6-0171/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Vittorio Agnoletto (GUE/NGL) . (IT) Mijnheer de Voorzitter, met betrekking tot de stemming over geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik wil ik slechts opmerken dat, nadat het patent dat wordt verleend aan farmaceutische multinationals in de eerste lezing met zes maanden is verlengd, ik van mening ben dat het veel te ver zou gaan om de overgangsperiode waarbinnen het aanvullende beschermingscertificaat aangevraagd kan worden, te verlengen van twee naar vijf jaar.

Ik heb daarom tegen amendement 18 gestemd, ook omdat de voordelen voor de pediatrische populatie niet wetenschappelijk onderbouwd kunnen worden. Daarbij zou de aanneming van het amendement wel eens kunnen aanzetten tot onderzoek naar pediatrische indicaties voor medicijnen voor volwassenen, hetgeen compleet tegen de doelstellingen van de verordening indruist.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE-DE), schriftelijk.(PT) In de Europese Unie is er in de openbare gezondheidszorg al lange tijd sprake van een lacune, als gevolg waarvan we in sommige gevallen afhankelijk zijn geweest van de Amerikaanse of Aziatische farmaceutische industrie. Dit voorstel van de Commissie is bedoeld om die lacune te vullen.

Het is beter om voor kinderen specifieke geneesmiddelen te ontwikkelen, in plaats van lagere doses van voor volwassenen bestemde geneesmiddelen toe te dienen. Zulke specifieke medicijnen zijn beter afgestemd op hun stofwisseling; ze zullen dus beter en sneller werken.

We creëren hiermee een heel belangrijke maatregel die eventuele risico’s zoveel mogelijk moet wegnemen en moet verzekeren dat de behandeling van een kwetsbare groep – kinderen – doeltreffend kan verlopen. Vastgelegd is ook dat er een risicobeheerssysteem moet zijn opgezet voordat dergelijke geneesmiddelen op de markt kunnen worden gebracht.

De rapporteur legt er de nadruk op dat er het nodige onderzoek moet worden uitgevoerd om te garanderen dat dergelijke geneesmiddelen door kinderen gebruikt kunnen worden. Die voorwaarde mag de ontwikkeling van geneesmiddelen voor volwassen evenwel niet hinderen of vertragen. In bepaalde gevallen is het dus toegestaan een verzoek in te dienen om het plan voor pediatrisch onderzoek uit te stellen, zonder dat dit gevolgen heeft voor het op de markt brengen van de voor volwassenen bestemde versie van het geneesmiddel in kwestie.

Ik steun daarom het voorstel van de Commissie en dit verslag van mevrouw Grossetête.

 
  
MPphoto
 
 

  Gérard Deprez (ALDE), schriftelijk. (FR) Met het goedkeuren van deze aanbeveling betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en dankzij de bereikte overeenstemming tussen het Parlement en de Raad, kunnen kinderen voortaan beschikken over geneesmiddelen die afgestemd zijn op hun specifieke stofwisseling in plaats van dat ze lage doses voorgeschreven krijgen van medicijnen die bedoeld zijn voor volwassenen.

Ik geloof dat we hierbij geprobeerd hebben alle voorwaarden te combineren die noodzakelijk zijn om in Europa specifiek voor kinderen bedoelde farmaceutische vormen in te voeren: bepalingen betreffende subsidies voor innovatie en onderzoek door laboratoria (met vooral het beschermingscertificaat dat zes maanden langer geldig is), het in kaart brengen van specifieke therapeutische behoeften binnen de pediatrie, de eis om van nieuwe geneesmiddelen ook een pediatrische vorm te ontwikkelen, maatregelen om ervoor te zorgen dat geneesmiddelen in alle lidstaten verspreid worden wanneer ze eenmaal ontwikkeld zijn, maar ook speciale afwijkingen om te garanderen dat de ontwikkeling van pediatrische producten het aanbod van geneesmiddelen voor volwassenen niet in gevaar brengt.

Dit is een concreet voorbeeld van de toegevoegde waarde van een communautaire verordening: één lidstaat zou zelf nooit in staat zijn geweest een dergelijk beleid voor specifieke medicijnen te bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk.(PT) Ik heb in de tweede lezing vóór het verslag-Grossetête over geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik gestemd. De stofwisseling bij kinderen wijkt af van die van volwassenen en daarom geloof ik dat een goed idee is om de ontwikkeling van specifieke geneesmiddelen voor kinderen te bevorderen.

De oprichting van een Comité pediatrie binnen het Europees Geneesmiddelenbureau zal ertoe bijdragen dat we het wetenschappelijk onderzoek op dit gebied kunnen volgen. Belangrijk is vooral dat het aantal wetenschappelijk tests beperkt blijft tot het absoluut noodzakelijke aantal.

 
  
  

- Verslag-Niebler (A6-0165/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) In overeenstemming met zijn reactie op deze zaak in eerste lezing stemt Junilistan uit principiële overwegingen tegen het verslag. Wij zijn er volledig voor dat vrouwen en mannen gelijk worden behandeld in arbeid en beroep. Dit is een essentieel terrein waarop internationale organisaties als de IAO goed werk verrichten. Wij vinden dat de EU dit soort kwesties niet dient te reguleren in vergaande verslagen die veel weg hebben van politieke programma’s. De EU moet geen zeggenschap hebben over werktijdenregelingen, ouderschapsverlof en andere belangrijke nationale onderwerpen. Dit zijn zaken die de lidstaten beter onafhankelijk kunnen behandelen in overeenstemming met reeds aanvaarde internationale overeenkomsten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (NI), schriftelijk. (FR) Aangezien een vrouw die hetzelfde werk doet 11 procent minder verdient dan een man, moge het duidelijk zijn dat we ons meer inspanningen moeten getroosten om iedereen te doen beseffen wat ons te doen staat, niet om gelijkheid en egalitarisme tussen mannen en vrouwen van bovenaf op te leggen, want dat zou belachelijk zijn, maar om te komen tot een rechtvaardige en sociaal evenwichtige situatie.

Vooruitgang op dit gebied zal niet worden geboekt door fanatiek feminisme of dwangmaatregelen om vrouwen in representatieve organen of leidinggevende functies te krijgen, veel te vaak, zoals we maar al te goed weten, zonder te kijken naar hun competenties of kwaliteiten.

Laten we blijk geven van intelligentie en de positie van vrouwen in de samenleving verbeteren, met name door ze een echte keus te bieden tussen privé- en beroepsleven en ook door ze in staat te stellen werk en kinderen met elkaar te combineren. Vandaag de dag hebben veel te veel vrouwen deze mogelijkheid helaas niet.

 
  
MPphoto
 
 

  José Albino Silva Peneda (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Als we kijken naar wat er op de arbeidsmarkt gebeurt, moeten we helaas vaststellen dat er op een aantal gebieden sprake is van ernstige discriminatie tussen mannen en vrouwen, of het nu gaat om beloning, de toegang tot het arbeidsproces, beroepsopleidingen, arbeidsomstandigheden of carrièremogelijkheden.

Ik heb vóór dit verslag gestemd. Het is een stap in de goede richting wat betreft de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en een gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep.

Ik steun dit verslag ook omdat er meer initiatieven genomen zullen moeten worden om mensen te helpen hun privé- en beroepsleven beter op elkaar af te stemmen.

Er is nu een hele reeks initiatieven op het gebied van gelijke behandeling bijeengebracht in één enkel document. Dat zal het bestaande rechtskader vereenvoudigen. Door de verwerking van de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie zal het beschermingsniveau worden verhoogd.

Ik betreur het echter dat gelijke behandeling, een principe dat toch in het EU-Verdrag en verschillende richtlijnen is vastgelegd, niettemin een onvervulde droom blijft – een nogal vaag politiek beginsel waarvan de praktische toepassing nog veel te wensen overlaat.

 
  
  

- Verslag-Hennicot-Schoepges (A6-0168/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Gyula Hegyi (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb vóór het verslag over het Europees Jaar van de interculturele dialoog gestemd en ik ben blij met de inhoud van het verslag.

Eén aspect van de interculturele dialoog moet echter worden benadrukt: wij spreken vaak over onszelf als "Europa" en "Europeanen", waarbij we vergeten dat een zeer groot deel van Oost-Europa, waaronder de grootste Europese natie – Rusland – niet bij de Europese Unie hoort. We delen dezelfde Europese cultuur en hetzelfde Europese erfgoed, maar we zijn nauwelijks bekend met elkaars hedendaagse kunst en cultuur. In de media wordt een verkeerd beeld geschetst van het leven van alledag in die landen, dat bol staat van de dubieuze clichés. We moeten gebruik maken van de mogelijkheid die het Europees Jaar van de interculturele dialoog ons biedt om een juist beeld te krijgen van de rijke cultuur van Rusland en Oekraïne, en ook van die van de republieken van het voormalige Joegoslavië. Door jonge kunstenaars, studenten en journalisten uit te nodigen en de culturele uitwisseling tussen de lidstaten en Oost-Europese naties aan te moedigen, zullen we onze gezamenlijke Europese identiteit kunnen versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Tomáš Zatloukal (PPE-DE). (CS) Mijnheer de Voorzitter, net als de meesten onder u was ik zeer gechoqueerd door een aantal racistische moorden die zich de laatste tijd in een aantal Europese landen hebben voorgedaan. Het gaat hier om de meest in het oog springende en meest afgrijselijke uiting van racisme en vreemdelingenhaat. Er bestaan echter andere, minder zichtbare vormen, die daarentegen een groter aantal mensen treft. Ik wil graag geloven dat de beoogde acties ter ondersteuning van het Europees Jaar van de interculturele dialoog, en vooral de interculturele dialoog zelf, de nationalistische gevoelens die er in de hele Unie leven zullen weten te temperen. De timing van het jaar 2008 is eveneens goed gekozen, aangezien de EU tegen die tijd al 27 lidstaten tellen zal. De initiatieven die zullen worden ontplooid dienen echter gebaseerd te zijn op praktische en duurzame projecten die doorlopen tot na dat jaar. Om deze redenen beschouw ik het zojuist aangenomen verslag als een stap in de goede richting.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (NI). – Voorzitter, mijn collega Koen Dillen zal straks wijzen op een Duitse studie in de Frankfurter Allgemeine Zeitung die wijst op een gebrek aan aanpassingswil bij veel immigranten. Veel andere peilingen wijzen op dezelfde tendens. Zo wees een Oostenrijkse studie uit dat liefst 45 procent van de moslims zeer vijandig staat tegenover de idee van integratie. Zou het officieel Europa dus niet beter een ander signaal sturen en om te beginnen van 2008 het jaar van het respect voor de Europese normen en waarden maken? Met de voorbije Europese capitulatie voor de intimidatie in de kwestie van de Deense cartoons in het achterhoofd, maak ik mij weinig illusies. Vooral als ik ook denk aan de peiling die is uitgevoerd in Groot-Brittannië in opdracht van de Sunday Times waaruit blijkt dat 40 procent van de moslims in Groot-Brittannië voorstander is van de invoering van de sharia.

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (NI). – Mijnheer de Voorzitter, mijn collega's en ik hebben tegen dit verslag-Hennicot-Schoepges gestemd, want met het zogenaamd Europees Jaar van de interculturele dialoog, een initiatief dat nota bene 10 miljoen euro gaat kosten, toont het officiële Europa nog maar eens hoe blind het is voor de werkelijke realiteit van de burgers. Deze realiteit is dat Europa plaats biedt aan een steeds groter wordende groep van moslims die niet alleen weigeren om zich aan te passen aan de gemeenschappelijke Europese waarden, maar die bovendien ook hun eigen wereldbeeld en hun manier van leven willen opdringen.

De Duitse publieke opinie gelooft bijvoorbeeld niet meer in een dialoog met een religie die elementaire waarden zoals de gelijkheid tussen man en vrouw weigert te aanvaarden. De Duitsers hebben genoeg van de eremoorden, het grootschalige geweld op scholen en de boerka's op de straat. Zo wees een recente opiniepeiling van de Frankfurter Allgemeine Zeitung uit dat meer dan 71 procent van de Duitsers vindt dat de islam intolerant is. 91 procent van de Duitsers stelt de islam gelijk met geweld tegen vrouwen. Het officiële Europa zou er dan ook beter aan doen om deze signalen wat serieuzer te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. (SV) We hebben vandaag vóór het verslag over het Europees Jaar van de interculturele dialoog gestemd. Culturele uitwisseling is van nature verrijkend en belangrijk om het begrip tussen mensen te vergroten.

Er zijn echter details in het verslag waar wij sceptisch tegenoverstaan. We geloven dat het instellen van een dag, week of jaar van generlei praktische waarde is voor mensen. Door dergelijke initiatieven kunnen wellicht wel de doelstellingen uitkristalliseren waarop de inspanningen van onze instellingen zijn gericht. Zoals altijd staan we sceptisch tegenover centraal bedachte campagnes en centrale meningsvorming, en constateren we dat het verslag de Commissievoorstellen in dit opzicht aanscherpt. Tegenstemmen zou betekenen dat er meer geld beschikbaar komt voor de instellingen van de EU en voor pr-campagnes.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Junilistan is van mening dat het hele idee van een Europees Jaar voor dit of dat onnodig is en niet iets is waarvoor de belastingbetalers in de EU zouden moeten betalen.

Tien miljoen euro investeren in een Europees Jaar van de interculturele dialoog zou bijzonder laakbaar zijn, en het is moeilijk, zo niet simpelweg onmogelijk om het nut hiervan in te zien.

Hoe ongelooflijk het ook moge lijken, de Commissie cultuur en onderwijs van het Europees Parlement wenst het EU-aandeel in de subsidies voor dit soort nationale acties en initiatieven te verhogen van 50 naar 80 procent (amendement 33).

Ik stem tegen dit verslag als geheel.

 
  
MPphoto
 
 

  Marine Le Pen (NI), schriftelijk. – (FR) Hoe is culturele uitwisseling met een ander mogelijk zonder de eigen identiteit te kennen? U erkent dat "religieuze identiteit (…) een essentieel onderdeel van de identiteit van ons allen, zelfs van onze niet-gelovige medeburgers" is. Maar u weigerde uw christelijke wortels te erkennen in uw Grondwet, die, gelukkig voor ons, dood en begraven is. Waar hebben we het dan over? In amendement 9 gaat het over "interculturele wellevendheid", maar dat is een contradictio in terminis, of anders betekent wellevendheid niets meer! Het aaneenrijgen van mooie en hoogdravende woorden leidt uiteindelijk juist tot holle frasen.

Het resultaat van uw aanpak is relativisme en verraad: u wilt het Europees Jaar van de interculturele dialoog promoten op de Olympische Spelen van Peking en daarmee als reservewiel dienen voor een communistische dictatuur (amendement 38)! Wat een schande! U gaat zeker praten over de interculturele dialoog met Tibet? Dit initiatief alleen al maakt dat uw voorstel niet serieus te nemen valt.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. (SV) Ik stem vóór het verslag omdat het voornaamste doel ervan, namelijk de bestrijding van discriminatie, bijzonder positief en noodzakelijk is. Ik stem echter tegen een verhoging van de begroting, alsmede tegen amendement 18 dat buitengewoon ongelukkig is in de neokoloniale wens om zienswijzen en waarden te exporteren.

 
  
  

- Verslag-Sonik (A6-0068/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE-DE), schriftelijk.(PT) We kunnen er zeker nu, op Wereldkinderdag, niet genoeg op wijzen dat het recht, de lidstaten en de Unie de bescherming van de rechten van kinderen als prioriteit moeten aanmerken. Zij vertegenwoordigen onze toekomst en vormen samen één vijfde van de bevolking van de Unie.

Ik steun dit kaderbesluit betreffende de erkenning en handhaving in de Europese Unie van verbodsbepalingen die voortvloeien uit veroordelingen voor seksueel misbruik van kinderen. Ook de door de rapporteur ingediende amendementen kunnen op mijn steun rekenen.

Dit is een zeer belangrijke stap voorwaarts bij de verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten ten behoeve van de bescherming van kinderen. Dit besluit dient een tweeledig doel. Beoogd wordt:

- de informatie over verbodsbepalingen toegankelijker te maken door de verplichting deze in het strafregister op te nemen

- de handhaving van deze verbodsbepalingen verplicht te stellen.

Het wordt dus mogelijk om te verhinderen dat iemand die in één lidstaat wegens pedofilie is veroordeeld en aldaar geen activiteiten mag uitoefenen waarbij hij in contact kan komen met kinderen, zich aan die verbodsbepaling onttrekt door zich in een andere lidstaat te vestigen.

Een in één bepaalde lidstaat uitgesproken vervallenverklaring zal dus rechtsgevolgen hebben in een andere lidstaat, hetgeen betekent dat het beginsel van wederzijdse erkenning van vervallenverklaringen en verbodsbepalingen ruimere toepassing gaat krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gérard Deprez (ALDE), schriftelijk. (FR) Ik juich het initiatief van het Koninkrijk België van harte toe, omdat het een onontbeerlijk aspect is van doeltreffende samenwerking tussen lidstaten teneinde kinderen te beschermen tegen seksueel misbruik.

Het minste wat men kan zeggen is dat dit initiatief een lacune, een vacuüm – wat zeg ik! – een gapende kloof dicht.

Momenteel is het zo – en België realiseerde zich terdege hoe ernstig de zaak was toen de gruwelijke zaak-Fourniret aan het licht kwam – dat wanneer iemand in een lidstaat wordt veroordeeld voor pedofiele handelingen en in die lidstaat een verbod krijgt opgelegd om activiteiten te ontplooien die hem mogelijk in aanraking brengen met kinderen, hij alleen maar hoeft te verhuizen naar een andere lidstaat om dit verbod te omzeilen!

Voorlopig is er dan ook geen garantie dat een in de ene lidstaat opgelegd verbod enig rechtsgevolgen heeft in de andere lidstaten. In het licht van een zo verbijsterende situatie was het tijd om een systeem op te zetten waarbij de staat van verblijf van de wegens seksueel misbruik van kinderen veroordeelde persoon de in het buitenland opgelegde verbodsbepalingen erkent en binnen zijn eigen grondgebied toepast.

Ik ben ervan overtuigd dat deze tekst kinderen behoedt voor de meest afgrijselijke dingen.

 
  
  

- Ontwerpresolutie B6-0301/2006

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk.(EN) Ik steun deze resolutie en ook het besluit van de Commissie en de Raad om zaken te doen met de wettelijk gekozen regering van Palestina, zelfs als het beleid van die regering anders is dan wij misschien zouden willen. Er kan niets goeds voortkomen uit het in een financiële chaos storten en ruïneren van Palestina. Het beleid van Europa zou als voorbeeld voor de toekomst moeten dienen voor de Verenigde Staten en andere landen.

De opname van paragraaf 9 in de resolutie heb ik echter niet gesteund. Hoewel ik de eis van onmiddellijke stopzetting van de verdere uitbreiding van de nederzettingen – of liever gezegd de eis om die te ontmantelen – en het verder bouwen aan de muur altijd heb gesteund en ook zal blijven steunen, heb ik het gevoel dat hij niet goed in deze resolutie past, die in wezen over een totaal andere kwestie gaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) De meest recente ontwikkelingen in Israël zelf zijn positief, zeker als men kijkt naar de resultaten die zijn bereikt door een partij die duidelijk voorstander is van de dialoog en van het zoeken naar een vergelijk. Hetzelfde kan evenwel niet worden gezegd van de verkiezingsuitslag in de Palestijnse Autoriteit. De daar behaalde overwinning mag vanuit het oogpunt van electorale legitimiteit regelmatig zijn, toch is zij om twee redenen zorgwekkend. Eerst en vooral omdat er op deze manier een politieke groepering aan de macht is gekomen die het bestaansrecht van Israël niet erkent en dus niet aan de minimumvereisten voor het vredesproces voldoet. Het verkiezingsresultaat toont bovendien aan dat het volk dat onder de jurisdictie van de Palestijnse Autoriteit valt niet bereid is geweest om met zijn stem prioriteit te geven aan een via de onderhandelingstafel bereikte oplossing van dit al zo lang lopende conflict.

Tegen deze achtergrond moeten de EU en de rest van het Kwartet overeenstemming zien te bereiken over de volgende stappen. We moeten de regering van de PA stevig aanpakken, maar openstaan voor president Mahmoud Abbas en zijn initiatieven om algemene overeenstemming te bereiken over de enige aanvaardbare oplossing, namelijk het vreedzaam naast elkaar bestaan van twee staten.

Laten we, met het oog op de belangrijke rol die de EU als donor vervult, hopen dat "Europa" op dit buitenlandse front opgewassen blijkt tegen zijn taak en op een positieve manier invloed kan uitoefenen op de situatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE), schriftelijk. (EN) De Britse Conservatieven hebben tegen paragraaf 9 gestemd omdat het woord "veroordeelt" in geen enkel ander deel van de tekst over bijvoorbeeld de steun van Hamas aan de recente terroristische aanslagen voorkwam. Bovendien houden het probleem van de nederzettingen en de omstreden status van Oost-Jeruzalem niet direct verband met de humanitaire crisis in de Palestijnse gebieden.

Tot slot is het veiligheidshek, dat het aantal terroristische zelfmoordaanslagen in Israël zelf aanzienlijk heeft doen afnemen, niet noodzakelijkerwijs de definitieve grens tussen de twee staten. Het is op last van het Israëlische hooggerechtshof al verplaatst om tegemoet te komen aan de behoeften van de lokale Palestijnse bevolking. Waar het hek uiteindelijk zal komen te staan zal afhangen van de succesvolle en onderhandelde uitkomst van het vredesproces.

 
  
  

- Ontwerpresolutie B6-0295/2006

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Wij zijn ervan overtuigd dat we bij de bestrijding van het terrorisme onverbiddelijk en hard dienen op te treden. Daarbij kunnen en mogen we echter onder geen beding afbreuk doen aan de waarden en beginselen die aan onze beschaving ten grondslag liggen.

Ik sluit me aan bij al degenen die in het Parlement hun bezorgdheid hebben geuit met betrekking tot de situatie in Guantánamo. Ik steun daarom het verzoek om aan dit soort situaties een einde te maken en alle detentiecentra van dit type onverwijld te sluiten.

De wijze waarop deze gevangenen zijn opgepakt en de omstandigheden waarin ze nog steeds gevangen worden gehouden zijn onverenigbaar met de bepalingen in het Verdrag van Genève en andere internationale humanitaire instrumenten.

Wat voor maatregelen er ook worden genomen met betrekking tot deze gevangenen – ze dienen de mensenrechten en de rechtstaat te allen tijde te eerbiedigen. Iedere gevangene moet formeel in staat van beschuldiging worden gesteld met vermelding van de misdrijven die hem ten laste worden gelegd om vervolgens op een rechtvaardige wijze berecht te worden door een bevoegd, onpartijdig en onafhankelijk gerecht. Indien het tot een veroordeling komt, dient de veroordeelde een straf te worden opgelegd die de ernst en de onmenselijkheid van de door hem begane misdaden weerspiegelt.

Ik hoop dat we bij de volgende, in Wenen te houden Top EU-VS van de gelegenheid gebruik zullen maken om de VS te bewegen Guantánamo te sluiten en een snellere en rechtvaardiger oplossing te vinden voor de ongeveer vijfhonderd gevangenen die daar worden vastgehouden.

 
  
MPphoto
 
 

  José Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Ik herhaal wat ik in oktober 2004 over dit onderwerp heb gezegd. Wij zijn fel gekant tegen het terrorisme en telkens wanneer we stilstaan bij het leed van de slachtoffers en hun naasten zijn we onverdeeld solidair. Er is geen twijfel mogelijk dat deze weerzinwekkende en barbaarse aanval op de grondrechten thans de ernstigste bedreiging vormt voor democratische regimes. De dramatische gebeurtenissen van 11 september en 11 maart zijn daarvan de duidelijkste voorbeelden – ze staan onuitwisbaar in ons geheugen gegrift.

We bevestigen echter ook dat het Westen in deze strijd de strengst denkbare morele normen dient aan te houden. We moeten ondubbelzinnig aangeven welke waarden wij voorstaan. Daarom willen we graag opheldering over die gevallen waarin naar verluidt de mensenrechten, de fundamentele garanties en de door het Westen ondertekende universele verdragen zijn geschonden. We dringen aan op eerbied voor de beschavingswaarden waarin wij geloven.

Daarom heb ik mijn steun uitgesproken voor uitstel van de stemming, zodat we over twee weken in Straatsburg en beter geïnformeerd en beter overdacht besluit kunnen nemen.

 
  
  

- Verslag-Brok (A6-0173/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Ondanks de vriendelijke betrekkingen die we vanzelfsprekend met de Verenigde Staten onderhouden, dansen we niet naar hun pijpen om belangen te behartigen die niet de onze zijn. Dat zouden zij graag willen. Wij niet.

Het is in ons belang om een Europese munt te hebben, als de euro in de huidige vorm al noodzakelijk is, die de referentievaluta vormt ten opzichte van de dollar en niet het omgekeerde; het is in ons belang dat ontwikkelingslanden zich evenwichtig ontwikkelen, zij het in de luwte van terughoudend protectionisme; het was in ons belang om met de NAVO een tegenhanger van het Warschaupact te hebben, maar sinds het Warschaupact is verdwenen, is de legitimiteit van de NAVO als instrument van Amerikaanse overheersing niet meer te rechtvaardigen; het is in ons belang om niet deel te nemen aan oorlogen waarin we ons niet hoeven mengen; het is ons belang dat Latijns-Amerika, vanwege haar banden met Portugal en Spanje, geen achtertuin vormt van de Verenigde Staten.

Dat alles wil niet zeggen dat ik een vijand van de Verenigde Staten ben, maar wel dat ik vaderlandslievend ben en me zorgen maak om mijn eigen land.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL), schriftelijk. (DE) De EU belooft de VS om de bewapening te verbeteren en de militaire samenwerking uit te breiden. Is dat een nieuw partnerschap?

Het Europees Parlement heeft vandaag met een grote meerderheid gestemd vóór een nieuw transatlantisch partnerschap, en vooral ook voor nauwe militaire samenwerking tussen de EU en de VS. We horen echter geen echte kritiek op het voortduren van de bezetting van Irak en op de escalatie van de oorlog in Afghanistan. De martelvluchten van de CIA en het gebruik van de Amerikaanse militaire bases in Europa voor de conflicten in het Midden-Oosten mogen het nieuwe partnerschap niet storen. Ook de permanente plaatsing van Amerikaanse kernwapens in lidstaten van de EU mag niet aan de orde komen tijdens de Top EU-VS die binnenkort in Wenen zal plaatsvinden.

Het officieel aangekondigde Amerikaans-Europese wapenbroederschap bereikt zijn hoogtepunt in de belofte van "vergroting van de militaire competenties van Europa" "met het oog op een betere partnerschapsrelatie tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten op politiek en militair gebied". Deze belofte is duidelijk, we willen ook in de toekomst samen met de VS oorlogen voeren, en ze in de huidige oorlogen blijven steunen. Desondanks blijft het eigenlijke doel van degenen die verantwoordelijk zijn voor het militaire beleid van de EU om ook volledig zelfstandig, zonder hulp van de NAVO en de VS, overal ter wereld militaire interventies uit te kunnen voeren, zoals nu in Congo. Het Europees Parlement heeft al lang afscheid genomen van het concept van een civiel Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) De Verenigde Staten van Amerika zijn Europa’s belangrijkste en beste bondgenoot. Elk debat over de betrekkingen tussen de twee zijden van de Atlantische Oceaan dient te zijn gebaseerd op dit gegeven en op twee andere cruciale punten. Dat we op een aantal gebieden concurrenten kunnen zijn, doet niets af aan ons bondgenootschap. En het feit dat we zulke goede bondgenoten zijn betekent niet dat we onze ogen sluiten voor de werkelijkheid. We zijn verschillende entiteiten en onze plannen, voorstellen en belangen vallen niet altijd samen. Desalniettemin zijn we partners, met dezelfde ideeën over de maatschappij en eenzelfde opvatting over de gemeenschap der mensen.

De afgelopen jaren zijn er problemen gerezen die voor het merendeel oplosbaar zijn gebleken. De voorstelling als zouden de Verenigde Staten een interne breuk binnen Europa hebben veroorzaakt is onjuist. Het is gewoon zo dat de EU niet één monolithisch geheel is, met één enkele visie op de wereld van de buitenlandse betrekkingen. Laten we ons daarom concentreren op al die factoren die onze betrekkingen sterk maken. Wanneer de Atlantische bondgenoten elkaar ontmoeten, doen zich altijd geschillen voor en dan blijkt steeds weer welke ideologische vooroordelen men koestert. Laten we die vooroordelen opzij zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE), schriftelijk.(EN) Ik en mijn collega’s van de Britse Conservatieven zijn grote voorstanders van sterke transatlantische betrekkingen, zowel op politiek als op economisch gebied. Een totaal verbod op de doodstraf blijft echter een gewetenszaak voor iedere individuele afgevaardigde. Dat neemt niet weg dat we het misplaatste en excessieve gebruik van de doodstraf in landen als China en Iran veroordelen.

Wij vinden dat schendingen van het internationaal humanitair recht niet door het Internationaal Strafhof moeten worden behandeld, maar door ad-hoctribunalen van de VN.

Bovendien vinden wij niet dat onmiddellijke sluiting van Guantánamo Bay wenselijk of haalbaar is zolang de strijd tegen het terrorisme een prioriteit blijft voor zowel de Verenigde Staten als de Europese Unie. Op de lange termijn zou het echter in het belang van de Verenigde Staten zijn om wel tot sluiting over te gaan.

 
  
  

- Verslag-Erika Mann (A6-0131/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk.(EN) Ik wil mijn collega, Erika Mann, feliciteren met haar verslag over de economische betrekkingen tussen de EU en de VS, maar terwijl ik dat doe, wil ik echter een voorbehoud maken. Ik heb me altijd op het standpunt gesteld dat verdieping van de Unie even belangrijk, zo niet belangrijker is dan verbreding. In dit verslag wordt opgeroepen om tegen 2015 een vrijhandelszone met de Verenigde Staten te creëren. Ik ben daar in principe niet tegen. Het hangt af van andere ontwikkelingen. Ik heb niet gestreden om de sociale dimensie van de Unie, die van vitaal belang is voor gewone Europeanen, te behouden om deze later via de achterdeur in de uitverkoop te doen door een gigantische vrijhandelszone te creëren. Ik heb altijd tegen progressieve tegenstanders en vakbondsmensen in de OG van de NAFTA gezegd dat ze de plank misslaan. Ze zouden niet tegen een verdere economische integratie met Mexico of Canada moeten zijn, want die integratie is een onvermijdelijk gevolg van de globalisering, maar ze zouden er beter aan doen om de democratisering van de NAFTA te eisen, door een parlementaire vergadering binnen de NAFTA op te richten, om op die manier te werken aan een sociale dimensie.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. (FR) Het verslag van mevrouw Mann is erg kritisch over het beleid van de Verenigde Staten, dat naar haar smaak te veel gericht is op nationale belangen. Ik respecteer haar mening, hoewel ik deze niet deel, maar ik zou graag evenveel eisen en verontwaardiging zien wanneer dit Parlement debatteert over de betrekkingen van Europa met landen waar concentratiekampen en dwangarbeid nog altijd voorkomen.

Om terug te komen op de kern van de zaak, ik zou er geen bezwaar tegen hebben de economische banden tussen de Verenigde Staten en de landen van Europa aan te halen, als dat voor beide partijen voordelig zou zijn. Aan de andere kant heeft het geen zin hiertoe een "obstakelvrije transatlantische markt" tot stand te brengen, een echte interne markt naar Europees model, met alle wet- en regelgevende harmonisaties van dien, die zich mogelijk uitstrekt over het hele Amerikaanse continent. We hebben het niet langer over een vrijhandelszone, maar wis en waarachtig over totale economische eenwording. Voorafgaand aan politieke eenwording?

Dit verslag is symptomatisch voor een Europa dat weigert de belangen van lidstaten te behartigen en ze tegelijkertijd integreert, van hun identiteit berooft en laat opgaan in één grote mondiale eenheidsbrij.

We kunnen het verslag alleen maar verwerpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez (NI), schriftelijk. (FR) Een vrijhandelszone is een zone zonder obstakels, met name obstakels op douanegebied. Het is een gemeenschappelijke markt, bijna net als die van Europa. De transatlantische vrijhandelszone is dan ook een gemeenschappelijke markt die loopt van Warschau tot San Francisco, van Helsinki tot Patagonië en van Malta tot Alaska. Terwijl de Europese publieke opinie zich voorstelt dat het politieke debat gaat over de toekomst van de Europese Grondwet, is de werkelijkheid dat we van 2010 tot 2015, over vijf jaar dus, doodgemoedereerd een politiek en economisch orgaan in het leven gaan roepen dat bestaat uit 45 landen van de 193 landen op aarde.

Het verslag van mevrouw Mann luidt stiekem een overgang in van Europese eenwording naar de politieke eenwording van een kwart van de wereld. Dit zou betekenen een Parlement van 45 landen, een gemeenschappelijk handelstribunaal en de aanzet tot gemeenschappelijke wetgeving.

Negentig jaar na dato komt de voorspelling van Paul Valéry uit dat "Europa bestuurd wil worden door een Amerikaanse commissie".

Vaarwel Europa, hallo wereld! Mevrouw Mann brengt ons een dubbele boodschap: de dood van de Europese gedachte en de geboorte van een wereldorganisatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Met transatlantische betrekkingen bedoelen we meer dan uitsluitend betrekkingen in economische zin. Daarmee moeten we rekening houden als we over dit onderwerp praten. De Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika spelen een unieke rol in de context van de wereldhandel. Bij elk debat over dit onderwerp moeten we daarom rekening houden met drie aspecten, die volgens mij van cruciaal belang zijn.

In de eerste plaats: loyaliteit. De handelsbetrekkingen tussen de VS en de EU moeten gebaseerd zijn op goede trouw, het daadwerkelijk nakomen van afspraken en de doeltreffende bescherming van de Europese en Amerikaanse economische subjecten (en daarmee bedoel ik zowel producenten als consumenten).

In de tweede plaats: samenwerking op internationaal niveau. Het is maar al te duidelijk op welke punten we het wel en op welke punten we het niet eens zijn en op welke punten we met elkaar concurreren. Toch moet het mogelijk zijn tot een zinnig vergelijk te komen met betrekking tot het bevorderen van een eerlijker en transparanter wereldhandel, het soort handel dat kan bijdragen tot ontwikkeling over de gehele wereld.

Het laatste aspect houdt verband met het feit dat de grote uitdagingen waarvoor de VS en de EU zich gesteld zien gedeelde uitdagingen zijn. Dat geldt zowel voor de economie (denk hierbij bijvoorbeeld aan het energievraagstuk, de opkomst van economische mogendheden als China en India, en de armoede in de wereld), als voor veiligheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Marc Tarabella (PSE), schriftelijk. (FR) Ik wilde u hier uitleggen waarom ik tegen het verslag van mevrouw Mann over de transatlantische economische betrekkingen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie heb gestemd.

Over het algemeen beslaat het verslag te veel totaal verschillende sectoren die naar mijn mening in aparte verslagen behandeld moeten worden. Ik denk dan ook dat het verslag inhoudelijk beter had moeten worden afgebakend.

Los daarvan zou dit verslag ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor Europa. Het effent namelijk de weg voor een vrijhandelszone tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie, waardoor het Amerikaanse agro-industriële model in Europa verder voet aan de grond zou krijgen.

Dit druist in tegen een principe dat ik als socialist hoor te verdedigen: een sociaal Europa gebaseerd op solidariteitsbeginselen!

 
  
  

- Verslag-Langen (A6-0191/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Zsolt László Becsey (PPE-DE).(HU) Mijnheer de Voorzitter, ik heb uiteindelijk vóór het verslag-Langen gestemd, maar alleen omdat we ook het mondelinge amendement van mevrouw Starkevičiūtė hebben aanvaard. Met betrekking tot de amendementen 2 en 16 heb ik anders gestemd dan de meerderheid van mijn fractie. Het ene is een inflatiecriterium, en het andere is het besluit van de Commissie met betrekking tot Litouwen.

Ik wil graag zeggen dat de reden hiervoor is dat de manier waarop het Parlement deze kwestie behandelt, zonder hierover zelfs maar serieus te debatteren, volstrekt walgelijk is. Het is walgelijk dat de Commissie een strategisch besluit neemt en voor het eerst een straf oplegt in het belang van de uitbreiding van de eurozone.

De Commissie heeft een strategisch besluit genomen, want zij heeft dit niet eens aan ons voorgelegd om over te debatteren. Dit is onaanvaardbaar, met name nu de Commissie dit heeft gedaan op basis van dubieuze inflatie- en andere criteria, en een land tot de orde roept dat juist vele offers heeft gebracht om te voldoen aan criteria die vier of vijf lidstaten voortdurend aan hun laars lappen.

Ik vind dat deze hele procedure niet alleen de geloofwaardigheid van het Europees Parlement aantast, maar ook de geloofwaardigheid van de Europese Unie en van de eurozone ondermijnt in de staten die in 2004 zijn toegetreden of dat in de toekomst zullen doen. Daarom draagt zowel de Commissie als dat deel van het Parlement dat geen langer debat wilde wijden aan het eenzijdige besluit van de Commissie een zware verantwoordelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Vytautas Landsbergis (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het besluit van de Commissie om Litouwen buiten de eurozone te houden en het de daaraan verbonden kansen voor snelle integratie met de meer ontwikkelde landen zodoende te onthouden, was gebaseerd op een formele kennisgeving van het feit dat Litouwen niet voldeed aan de gestelde inflatienorm, al was dat slechts met een minimale en omstreden marge.

De regering in Vilnius is gisteren gevallen, onder de druk die het gevolg was van grotere fouten en vergissingen dan een gebrek aan alertheid en aandacht voor het aan de goede kant van de streep houden van de inflatie en het vermijden van het risico dat het inflatiecijfer met getallen achter de komma boven de norm uit zou komen. Litouwen zou niet maar net aan de normen moeten halen bij het betreden van het Europese toneel, vooral niet omdat het nieuw is en niet zo groot.

Hier moet ik helaas zeggen dat de ongelijke behandeling van lidstaten op de hoogste niveaus van de Europese Unie, inclusief de Commissie, evident is. Toen twee grotere lidstaten zich niet aan het Stabiliteits- en groeipact hielden – en daarbij ging het niet om een klein verschil, zoals in het geval van Litouwen – werden die niet beschuldigd en niet gestraft, maar juist gezegend. Het financiële wangedrag werd niet veranderd – de wet werd veranderd zodat hij overeenstemde met het wangedrag. In ons geval heeft de Commissie niet onze vorige regering gestraft, maar de hele natie terzijde geschoven.

Bovendien is er iets verontrustends gebeurd met de oostgrens van de EU nadat het Rusland van president Poetin de bindende afspraak van de top van 2003 met de Europese Unie brak om de overeenkomsten met Estland en Letland op zeer korte termijn af te ronden, een afspraak waar hij zijn handtekening onder had gezet. Rusland maakte zelfs bezwaar tegen een document dat al was geratificeerd door het Estse parlement. Het standpunt dat de Europese Unie innam, was nogal beschamend: in plaats van zich vierkant achter haar lidstaat op te stellen, liet zij Estland weer alleen opboksen tegen Big Brother.

Ik zou mijn land, Litouwen, niet alleen graag zien toetreden tot de eurozone, maar ook tot de gemeenschappelijke Europese ruimte van energiezekerheid. In het geval van de eurozone heeft het Europees Parlement een aantal positieve standpunten ingenomen in kritische amendementen aan het adres van de Commissie en daarom ben ik van mening veranderd en heb ik vóór het verslag van de heer Langen gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, de Europese eenheidsmunt is nuttig voor het bevorderen van een gemeenschappelijke Europese identiteit, en in zoverre is de toetreding van de Republiek Slovenië ongetwijfeld een goede zaak.

De euro mag echter zeker niet worden gebruikt om politieke spelletjes te spelen met historische symbolen. Als Slovenië bijvoorbeeld vasthoudt aan het gebruik van Oostenrijkse symbolen, zoals de Fürstenstein in Karinthië, voor zijn euromunten, is dat een provocatie. Daarmee wordt immers geïnsinueerd dat Laibach, ofwel Ljubljana, met historische argumenten aanspraak zou kunnen maken op bepaalde gebieden.

We hebben al problemen gehad met Turkse munten, dus moeten we volgens mij strengere regels vastleggen voor het ontwerp van de euromunten. Daarom heb ik tegen het verslag-Langen gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Ewa Hedkvist Petersen, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. (SV) Wat betreft Amendement 9: Zweden heeft invoering van de euro als zijn munt in 2003 van de hand gewezen in een referendum. Deze kwestie is dus wat Zweden betreft geregeld voor de nabije toekomst.

Naar onze mening dient de EU de mening van het Zweedse volk niet te herzien door een standpunt in te nemen voor of tegen een mogelijke "opt-out"-clausule.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE), schriftelijk. (MT) De invoering van de euro dient op van tevoren vastgelegde criteria te zijn gebaseerd. De periode die een land heeft om te voldoen aan de toetredingscriteria alsook de convergentieperiode, dienen te zijn vastgelegd. De totale verblijfsduur van een land in het ERM II-mechanisme dient te worden bepaald. Ook moet er een convergentiefactor worden vastgesteld.

De invoering van de euro dient de convergentie van nationale economieën te bevorderen. Het leeuwendeel van deze economieën is verbonden met de economieën van de andere landen van de Europese Unie.

De voordelen van toetreding zijn: prijstransparantie tussen landen, meer concurrentie en dus voordeel voor de consument, afschaffing van de transactiekosten, en opheffing van het valutarisico.

De Europese Unie moet ervoor zorgen dat de criteria waaraan een land dient te voldoen om tot de eurozone toe te treden voor alle landen hetzelfde zijn, en dat de beoordeling van de criteria transparant is.

We moeten ervoor uitkijken niet in de val te lopen van misbruik van de toetreding tot de eurozone voor het uitvechten van andere conflicten die hiermee niets te maken hebben. De toetreding tot de eurozone dient te zijn gebaseerd op de criteria van Maastricht en op niets anders dan dat. We moeten ervoor zorgen dat de besluiten die we over bepaalde landen nemen er niet toe bijdragen dat we de eurosceptici, die de besluiten van de Europese Unie gebruiken om de prestaties ervan te ondergraven, in de kaart spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek (ALDE), schriftelijk. (SV) Bij de stemming over de euro heb ik mij onthouden van stemming over de vraag of Zweden, na het referendum, moet worden beschouwd als een land dat in aanmerking komt voor een derogatie. De ontwerpresolutie is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat Zweden gedwongen zal worden tot aanvaarding van de gemeenschappelijke munt ondanks de uitkomst van het referendum. Dat is duidelijk niet het geval. De ontwerpresolutie gaat ook te ver, daar zij uitgaat van het absurde idee dat afzonderlijke landen door middel van referenda onder gedeelten van de Gemeenschappelijke Verdragen uit kunnen komen. Consequente toepassing van een dergelijk beginsel is uiteraard ondenkbaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik verheug mij over het verslag-Langen, maar vanuit Brits perspectief vervult het me met vrees. Het feit dat wij niet zijn toegetreden tot de eurozone kost ons nu al miljarden aan buitenlandse investeringen en tienduizenden banen. De tien nieuwe lidstaten staan al te dringen om toe te treden, iets waarvoor ze nog vóór de toetreding in de afzonderlijke en zonder uitzondering positief uitgevallen referenda gestemd hebben. Het zal een treurige dag voor Groot-Brittannië, de Britten en de Britse economie zijn wanneer landen als Slovenië, Litouwen, Estland en Malta de euro invoeren, terwijl Groot-Brittannië aan de zijlijn hulpeloos staat toe te kijken, afgesneden van de meest succesvolle munteenheid ter wereld, heen en weer geslingerd door een Eurogroep die besluiten neemt die van levensbelang zijn voor onze economie maar waarop wij geen invloed kunnen uitoefenen en waarbij geen rekening wordt gehouden met onze belangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. (FR) Dit is het begin van een nieuwe fase in de vlucht naar voren van de Europese Unie: nieuwe lidstaten die de euro gaan invoeren. In het verslag-Langen wordt geprobeerd een evenwicht te vinden tussen dogmatisch vasthouden aan de criteria van Maastricht en het Stabiliteitspact, lof voor de euro en overwegingen van gezond verstand met betrekking tot de vraag in hoeverre de landen klaar zijn voor de euro en zelfs of de eurozone een uitbreiding aankan die de heterogeniteit en dus ook de problemen ervan alleen maar zal vergroten.

De Europese munt is in hoge mate debet aan de zwakke groei in de lidstaten die de munt hebben ingevoerd (ondoelmatige rentetarieven, ongunstige wisselkoersen). Deze situatie hoeft niet nog meer slachtoffers te maken. Ik vraag me ook af of de burgers van deze landen, die nog maar net het juk van het communisme hebben afgeschud, beseffen dat invoering van de euro gepaard gaat met het onherstelbare verlies van hun soevereiniteit. En vooral, weten ze dat het verlies van hun nationale munteenheid voorzien was in hun Toetredingsverdrag? Het is niet zozeer zaak deze mensen te informeren over de praktische aspecten van de invoering van de euro in hun land als wel ze via een referendum opnieuw te raadplegen over het feit dat ze hun munteenheid kwijtraken.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Hedh (PSE), schriftelijk. (SV) Ik heb vóór amendement 9 gestemd omdat Zweden naar mijn overtuiging dient te verzoeken om een derogatie na het Zweedse referendum over de euro in 2003. Ik geloof echter dat het aan Zweden is om te verzoeken om de derogatie. De EU dient het Zweedse "nee" niet automatisch gelijk te stellen aan een "opt-out"-clausule.

 
  
MPphoto
 
 

  Jules Maaten (ALDE), schriftelijk. Ik heb vóór het Langen rapport over de uitbreiding van de eurozone gestemd, omdat ik van mening ben dat de Europese Commissie streng vast moet houden aan de criteria voor lidmaatschap van de eurozone. Alleen zo kan de euroregio het vertrouwen blijvend waarmaken.

Mijn fractie acht Slovenië en Litouwen in principe klaar voor de euro. De toetreding van deze landen tot de euroregio zou positief zijn voor de gehele Europese economie. De wilskracht waarmee zij de afgelopen jaren economische hervormingen hebben doorgevoerd, zou een stimulans voor alle eurolanden moeten zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Iedereen is het erover eens dat een lidstaat die tot de eurozone wil toetreden behoort te voldoen aan de convergentiecriteria van Maastricht zoals die zijn vastgelegd in het EG-Verdrag. Het Europees Parlement heeft er steeds op aangedrongen dat we ons in zulke gevallen strikt aan deze criteria houden, en dat er geen uitzonderingen worden gemaakt.

De Commissie economische en monetaire zaken heeft besloten zich niet te concentreren op aanbevelingen met betrekking tot de mate waarin bepaalde landen zijn voorbereid. Het is echter wel zo dat het bij deze stemming vooral ging om het negatieve oordeel ten aanzien van Litouwen. Dit land voldoet aan alle convergentiecriteria, met uitzondering van het inflatiecriterium. Op dat punt is sprake van een kleine afwijking van de norm: Litouwen zou de afgelopen twaalf maanden de vastgelegde grenswaarde hebben overschreden, ook al was dat maar met een zeer geringe marge. Dat heeft me bewogen vóór amendement 2 te stemmen, aangezien daarin wordt aangedrongen op een duidelijke en volledige toelichting met betrekking tot de wijze waarop het inflatiecriterium precies berekend is, terwijl de Commissie wordt opgeroepen een bijgewerkt verslag over dit land uit te brengen, opdat het zo spoedig mogelijk tot de eurozone kan toetreden.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. (SV) Ik onthoud mij van stemming als het gaat om de technische manieren waarop landen de overgang naar de euro ten uitvoer dienen te leggen. Ik stem echter tegen de voorstellen die erop zijn gericht een maximale inspanning te leveren in de strijd tegen de inflatie, waarbij andere doelstellingen in het gedrang komen. Ik stem vóór het verslag vanwege de scherpe kritiek op de manier waarop Litouwen is behandeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Sahra Wagenknecht (GUE/NGL), schriftelijk. (DE) Ik heb me van stemming onthouden. Ik ben namelijk van mening dat voor alle lidstaten van de EU dezelfde criteria zouden moeten gelden, en dat naar aanleiding van de uitbreiding van de eurozone geen strengere eisen mogen worden gesteld aan nieuwe lidstaten. Mijn onthouding doet echter niets af aan mijn principiële kritiek op het Stabiliteitspact. Het is volkomen ongeschikt als instrument om de economische en sociale problemen in de EU op te lossen en alleen de grote concerns en de bezittende klassen profiteren hiervan. We hebben geen behoefte aan een pact dat alleen maar gericht is op prijsstabiliteit; we hebben een sociaal pact nodig, een pact voor de werkgelegenheid, gebaseerd op de behoeftes van de bevolking. Van de toetreding tot de eurozone op deze voorwaarden profiteren de mensen in de nieuwe lidstaten net zomin als in de oude lidstaten. Integendeel, ze zullen er de nadelen van ondervinden.

 
  
  

- Verslag-Grech (A6-0188/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Anna Hedh, Ewa Hedkvist Petersen, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. (SV) Wij Zweedse Sociaal-democraten zijn tegen het houden van vergaderperiodes van het Europees Parlement in Straatsburg en vragen ons af waarom het Parlement een aanzienlijke begrotingspost heeft gereserveerd voor de aanschaf van gebouwen aldaar. Dit onderwerp is bijzonder omstreden, daar er nog een onderzoek loopt naar mogelijke onregelmatigheden in verband met de transacties rond de Parlementsgebouwen in Straatsburg.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. (SV) We hebben vóór het verslag over de ramingen van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2007 gestemd. We hechten veel waarde aan de strikte benadering die het beoogt te volgen met betrekking tot de administratie ingediende voorstellen.

Onze goedkeuring op dit punt wil niet zeggen dat wij iedere trend in de begroting omarmen. Wij staan bijvoorbeeld onverminderd sceptisch tegenover de voorlichtingsactiviteiten van het Europees Parlement die de neiging hebben de rol over te nemen van de afgevaardigden en de fracties. Evenmin denken wij dat het gerechtvaardigd is om in Brussel een Huis van Europa te bouwen of dat het Europees Parlement gebouwen aankoopt in Straatsburg.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Dit verslag had veel meer zaken kunnen bevatten die van algemeen belang zijn voor de begroting van het Europees Parlement. In het verslag had duidelijk naar voren moeten komen dat de begroting van het Europees Parlement onder geen beding de tekorten dekt in het pensioenfonds van de leden van het Parlement. Het verslag had ook een verklaring moeten bevatten die erop neerkomt dat het royale systeem van reiskostenvergoedingen voor afgevaardigden dient te worden hervormd en dat alleen werkelijk gemaakte reiskosten, en niets anders, dienen te worden vergoed aan leden van het Europees Parlement in verband met de reizen die zij maken.

Een van de zaken waar het verslag zich een voorstander van betoont is een toename van 4 miljoen euro van de kredieten voor de fracties en de Europese partijen. Dit is niet iets wat ik kan steunen, en dat is een van de redenen dat ik tegen het verslag in zijn geheel zal stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Ik vind de strekking van paragraaf 46 misplaatst, aangezien de instellingen en de lidstaten van de EU afspraken hebben gemaakt over de status van extra talen en hun gebruik als werktalen in deze instellingen, met name met betrekking tot de Ierse taal. Er zijn financiële maatregelen genomen om deze initiatieven te financieren en die moeten dienovereenkomstig worden uitgevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. (SV) Zij die tegen paragraaf 4 stemmen (50 miljoen euro voor de aankoop van de gebouwen in Straatsburg en 25 miljoen euro voor propaganda) beïnvloeden de begroting niet, maar doen slechts een poging om spilzucht te verbergen voor de kiezers. Ik stem echter tegen het verslag omdat ik niet wil dat het betreffende geld wordt verspild.

 
  
  

- Verslag-Markov (A6-0179/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Zaleski (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, als schaduwrapporteur wil ik zeggen dat de oorspronkelijke vooronderstelling in het verslag van de heer Markov was dat handel armoede heeft veroorzaakt. Dat is een standpunt dat wij als fractie nooit zouden kunnen overnemen. Voor ons is handel een van de belangrijkste instrumenten in de strijd tegen armoede.

We hebben een sociale verantwoordelijkheid tegenover de armste landen. Wij vinden dat we om de millenniumdoelstellingen te bereiken een handelsklimaat moeten scheppen waarin ontwikkelingslanden werkelijk toegang hebben tot de markten van de ontwikkelde landen. Wij geloven dat er een verband bestaat tussen de welvaart in een land en de economische vrijheid die er in dat land heerst. We steunen hulpprogramma’s, maar die moeten wel effectief zijn. We moeten die programma’s koppelen aan het economische en sociale klimaat in de ontvangende landen en ze moeten gericht zijn op het verbeteren van het democratisch bestuur.

(PL) Het koppelen van handel aan ontwikkeling is bedoeld om mensen te steunen, zeker die mensen die in armoede leven. In plaats van grote bedragen te besteden aan directe hulp, kunnen we arme landen beter helpen door economische samenwerking, waaronder de handel en de uitwisseling van goederen, diensten en kennis, zodat die landen zelf kunnen werken aan welvaart. Een geleidelijke liberalisering in het huidige stadium van economische differentiatie is een verstandig uitgangspunt. Een abrupte liberalisering heeft zich bijvoorbeeld ook in China niet voorgedaan. De toonzetting van het verslag is te maatschappelijk, maar het verslag bevat veel voorstellen, die de ontwikkeling op constructieve wijze kunnen bevorderen via vrije en eerlijke internationale handel. Ondanks de voorbehouden van de leden van de PPE-DE-Fractie heb ik als schaduwrapporteur voorgesteld dit verslag aan te nemen. Als dit verslag door marktdeelnemers op een verantwoordelijke en verstandige manier wordt gebruikt, kan het een grote bijdrage leveren aan het nivelleren van de levensomstandigheden, en het verbeteren van de situatie in de armste samenlevingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI). – Voorzitter, ik sluit mij graag aan bij de voorgaande spreker die reeds zeer beklijvende dingen heeft gezegd over het verslag-Markov. Ik zou daar ook nog aan willen toevoegen dat het ook mijn mening is dat het pleidooi voor het massale kwijtschelden van de derdewereldlanden in mijn ogen weinig zoden aan de dijk zal zetten, op zich geen oplossing brengt en zelfs een pervers effect zou kunnen hebben, omdat de zelfs toch al beperkte controle op die ontwikkelingslanden, op het bestuur van die ontwikkelingslanden door organisaties als het IMF en andere internationale instellingen dan helemaal onmogelijk of veel moeilijker zou worden; naar mijn mening zouden enkel de zeer corrupte, onbekwame en spilzieke Afrikaanse en andere leiders daarvan profiteren en nog rijker worden. Ik weet het, Louis Michel, Bob Geldof en Bono kunnen misschien klaarstaan met hun belerend vingertje, maar ik blijf erbij – en dat is de waarheid – dat het grote drama van talrijke ontwikkelingslanden in met name zwart Afrika, is dat ze worden geplunderd en bestolen door hun eigen leiders; ik geloof dat dat de eerste vaststelling is die wij moeten maken, vooraleer wij tot reële hulp aan arme mensen kunnen overgaan.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk.(EN) Ik verheug mij over dit verslag, waarin de rol wordt behandeld die het handelsbeleid heeft gespeeld en in potentie zou kunnen spelen in de ontwikkelingssamenwerking en bij het verminderen van de armoede, rekening houdend met de complexe relatie die er tussen die twee bestaat.

De meest in het oog springende punten van het verslag hebben betrekking op het feit dat terwijl er op wereldschaal een algemene stijging van het BBP per hoofd van de bevolking heeft plaatsgevonden, het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft eveneens is gestegen. Het verslag stelt daarom dat er een radicale wijziging van het beleid nodig is, zowel in de ontwikkelde landen als in de ontwikkelingslanden, om de problemen achter deze permanente toename van de armoede aan te pakken.

De boodschap is dus heel duidelijk: wanneer we het hebben over de voordelen van liberalisering, mogen we de concrete werkelijkheid van de enorme verschillen in welvaart die er in de wereld van vandaag bestaan, niet uit het oog verliezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Handel is beslist een belangrijk instrument voor het bevorderen van ontwikkeling en het tegengaan van armoede, maar het is ook zo dat er met de verwezenlijking van die doelstellingen geen werkelijke vooruitgang kan worden geboekt als er op internationaal vlak geen eerlijke regels worden vastgesteld. Het is echter geen eenvoudige opdracht het handelsbeleid zodanig vorm te geven dat het bijdraagt tot het uitbannen van armoede.

Het openen van de grenzen voor de internationale handel is heel voordelig voor de ontwikkeling van maatschappijen. We hebben echter kunnen vaststellen dat arme landen niet altijd klaar zijn om zich te beschermen tegen de mogelijke negatieve gevolgen van de openstelling van hun grenzen. Ze zijn ook niet altijd in staat geweest om van de aldus ontstane mogelijkheden te profiteren.

Ik geloof daarom dat er bij de handelsbesprekingen in het kader van de WTO kleine aanpassingen moeten worden gedaan met betrekking tot het milieu, de landbouw, grondstoffen, openbare diensten, gezondheidszorg en industrialisering. Dat zou moeten volstaan om de eerder genoemde landen in staat te stellen meer profijt te trekken van de mogelijkheden die de handel biedt.

Tot slot moeten we steun blijven geven aan de ontwikkeling en de democratisering van de ontwikkelingslanden om de bevolking van deze landen fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en het uitzicht op groei te bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Anders Wijkman (PPE-DE), schriftelijk. (SV) Globalisering biedt een aantal kansen, met name voor het tegengaan van armoede. Handel en technische samenwerking dragen bij aan de versterking van de economieën van arme landen. Tegelijkertijd is er sprake van risico’s en problemen. De armste landen zijn vaak niet in staat om deel te nemen aan economische samenwerking vanwege een gebrek aan capaciteit en dergelijke, en zij lopen het risico nog verder achterop te raken.

Bovendien laat de milieuwetgeving op internationaal niveau, en ook in veel arme landen, veel te wensen over. Dit leidt tot een snelle toename van afvalproducten, alsmede tot uitputting en niet-duurzaam gebruik van een groot aantal natuurlijke hulpbronnen zoals bossen en vis, en al deze ontwikkelingen worden versneld door een snel groeiende handel. We moeten deze problemen zo snel mogelijk onder controle krijgen, willen de voordelen van globalisering niet omslaan in nadelen.

 
  
  

- Verslag-Vidal-Quadras (A6-0160/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik zou willen toelichten waarom ik niet heb kunnen instemmen met het verslag-Vidal-Quadras. Al in 1997 heeft de EU besloten om voor 2010 12 procent van haar energie uit hernieuwbare energiebronnen te halen. Het ziet er echter naar uit dat we hoogstens 8 procent zullen halen. Gezien deze cijfers is het zeer de vraag of we voor 2020 ons energieverbruik met 20 procent kunnen verlagen, wat ons streefdoel is.

In plaats van steeds meer geld ter beschikking te stellen voor het Europees programma voor nucleair onderzoek, moeten we dit geld volgens mij gebruiken voor technologieën die de toekomst hebben, zoals hernieuwbare energie en energie-efficiëntie.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Het Groenboek inzake energie-efficiëntie dient als basis voor het Actieplan voor energie-efficiëntie van de Commissie. Dat is een heel belangrijk document, aangezien het een cruciale rol speelt bij – onder andere – het bestrijden van klimaatsverandering en milieuvervuiling, het tegengaan van misbruik van natuurlijke hulpbronnen en het waarborgen van de energievoorziening.

De rapporteur vermeldt een aantal punten die heel belangrijk zijn voor de verwezenlijking van de door de Europese Commissie voorgestelde doelstelling – het terugdringen van het energieverbruik in de Europese Unie met 20 procent tegen 2020.

Bewustmakingscampagnes om de burgers te informeren en te bewegen hun gedrag in verband met energieverbruik te wijzigen; het bevorderen van warmtekrachtkoppeling; een voortrekkersrol voor de openbare sector (gebruik van schone voertuigen, efficiënte verlichting en energiebesparingscontracten) – het zijn allemaal eenvoudige maatregelen die kunnen bijdragen tot een aanzienlijke besparing van energie.

De rapporteur wijst er terecht op dat de energiemarkt instabiel is en dat de recente stijgingen van de olieprijs tot gevolg hebben gehad dat de werkelijkheid van vandaag niet langer overeenstemt met het kader waarin het Groenboek van de Commissie tot stand is gekomen.

Ik steun daarom het verslag van de heer Vidal-Quadras.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún, Ole Krarup, Jonas Sjöstedt en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) Wij zijn tegen de liberalisering van de energiemarkten. Wij geloven niet dat dit van essentieel belang is om de concurrentie te vergroten, de energieprijzen aan te pakken en de zekerheid van de energietoevoer en de energie-efficiëntie te vergroten. We hebben echter besloten om vóór het verslag te stemmen omdat het positieve voorstellen bevat over energie-efficiëntie, het behoud van energie en de toegang tot energie voor minder bevoorrechte leden van de samenleving.

 
  
  

- Verslag-Járóka (A6-0148/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Het verslag gaat over de situatie van de Roma-vrouwen in de Europese Unie en de complexe, meervoudige discriminatie waarmee deze vrouwen worden geconfronteerd in de lidstaten van de EU. Junilistan pleit voor toegang van Roma-vrouwen tot betere bescherming van hun reproductieve en seksuele gezondheid.

Het uitgangspunt van Junilistan is dat zowel gelijkheidsvraagstukken als vraagstukken met betrekking tot etnische discriminatie hoge prioriteit dienen te krijgen, omdat beide terreinen veel aandacht nodig hebben. Dat betekent echter niet dat dit een taak van de EU is. Junilistan is ervan overtuigd dat dit werk het best op nationaal niveau kan worden uitgevoerd.

De lidstaten zijn zeer verschillend qua cultuur en tradities. Daarom geloven wij dat het mogelijk is om op nationaal niveau tot een flexibeler en meer pluralistische benadering te komen van de doelstelling om gelijke kansen voor vrouwen en mannen te bewerkstelligen.

Daarom heb ik ervoor gekozen om tegen het rapport als geheel te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Timothy Kirkhope (PPE-DE), schriftelijk.(EN) Ik en mijn collega’s van de Britse Conservatieven zijn grote voorstanders van gelijke kansen voor alle vrouwen, met inbegrip van Roma-vrouwen in heel Europa.

We hebben ons vandaag echter onthouden van stemming over dit verslag omdat wij tegen het oprichten van steeds weer nieuwe EU-agentschappen en -instituten zijn (zie paragraaf 1), die leiden tot lastenverzwaring voor de belastingbetaler en tot meer bureaucratie, zonder dat er enig bewijs is dat de mensen die ervan zouden moeten profiteren er daadwerkelijk baat bij hebben.

 
  
  

- Verslag-De Keyser (A6-0159/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. (SV) Wij hebben ons onthouden van stemming over het verslag over de situatie van de vrouw in gewapende conflicten. Uiteraard zijn wij net zo bezorgd als de rapporteur over de gruwelen van oorlog en over het menselijk lijden dat wordt veroorzaakt door oorlog en terrorisme.

De grondslag van het verslag is echter van dien aard dat het aanleiding geeft tot enkele merkwaardige argumentaties waarin het lijden van mannen en vrouwen in twee groepen wordt ingedeeld en er niveaus van schuld en verantwoordelijkheid worden vastgesteld, op grond waarvan er quota worden toegewezen aan vrouwen in verschillende omstandigheden. Pogingen om conflicten te voorkomen en een einde te maken aan het terrorisme dienen slechts daarop te zijn gericht, en de beste methoden dienen te worden gebruikt om die doelstellingen te verwezenlijken. De vele voorstellen in het verslag hoe legitiem ze ook mogen zijn dreigen ertoe te leiden dat men zich minder gaat richten op de doelstellingen van het vredeswerk dan op de vorm waarin dat dient te gebeuren. De doelstelling van het voorkomen van lijden dreigt in het gedrang te komen door het toewijzen van quota aan vrouwen in vredeshandhavings- en interventietroepen en bij vredesonderhandelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk.(PT) Ik heb vóór het verslag-De Keyser gestemd, omdat het een goede beoordeling van de situatie bevat. Het verslag belicht drie aspecten: de vrouw als slachtoffer, de vrouw als uitdrager van de vrede en de vrouw als uitdrager van de oorlog.

In het verslag wordt erop gewezen dat ondanks alle resoluties, oproepen en aanbevelingen van verschillende internationale en Europese instellingen vrouwen nog steeds niet ten volle zijn betrokken bij conflictpreventie en -oplossing en bij vredeshandhavingsoperaties, enzovoorts. De aanbeveling om een specifiek actieprogramma op te stellen en zo vast te stellen wat de obstakels zijn is dan ook volledig gerechtvaardigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Timothy Kirkhope (PPE-DE), schriftelijk.(EN) Ik en mijn collega’s van de Britse Conservatieven zijn grote voorstanders van het geven van hulp aan slachtoffers van seksueel geweld en andere misdaden tijdens en na gewapende conflicten. Wij steunen de maatregelen die worden beschreven in dit verslag, met inbegrip van het vervolgen van de verantwoordelijken voor genocide en oorlogsmisdaden en andere misdaden die worden genoemd in het verslag.

We hebben ons vandaag echter onthouden van stemming over dit verslag omdat wij tegen willekeurige quota van mannen en vrouwen zijn, in welke context dan ook, met inbegrip van wat in dit verslag wordt voorgesteld. Wij zijn van mening dat het principe van quota vernederend is voor vrouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ole Krarup (GUE/NGL), schriftelijk.(EN) Ook al is het verslag als geheel vooruitstrevend als het gaat over de situatie van de vrouw in gewapende conflicten en haar rol in de wederopbouw en het democratisch proces in landen die zich in een postconflictsituatie bevinden, hebben wij besloten ons te onthouden van stemming vanwege de paragrafen waarin steun wordt gegeven aan het Europees veiligheids- en defensiebeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL), schriftelijk. (DE) Onder het mom van de inzet voor vrouwen in gewapende conflicten wordt de militarisering van de EU bespoedigd.

Het verslag van mevrouw De Keyser gaat in de kern over de positie van de vrouw in gewapende conflicten, en inhoudelijk is het al met al goed. De rapporteur gaat echter niet alleen in op het eigenlijke onderwerp, ze maakt ook algemene opmerkingen over het militaire beleid van de EU. In maar liefst zeven passages staan positieve opmerkingen over het EVDB. Dat doet afbreuk aan het verslag, en maakt het mij onmogelijk ervoor te stemmen. In één punt wordt er zelfs bij de EU op aangedrongen "om meer aandacht te schenken aan de presentie, voorbereiding, training en uitrusting van politiemachten binnen haar militaire missies, aangezien politie-eenheden het voornaamste middel vormen om de veiligheid van de burgerbevolking, en met name die van vrouwen en kinderen te garanderen". Wat de ideologie van de zogenaamde "humanitaire interventie" met dit verslag te maken heeft blijft het geheim van de grote coalitie in het Europees Parlement, die voor een onvoorwaardelijke militarisering van de EU is. Onder het mom van de inzet voor vrouwen in gewapende conflicten wil men overeenstemming bereiken over het militariseren van de EU. Daarom heb ik NEE gezegd tegen het verslag van mevrouw De Keyser. Het is fout om steeds meer geld uit te geven voor onderzoek naar wapentechnologie, en de EU dusdanig te bewapenen dat ze voorbereid is op oorlogvoering overal ter wereld. We moeten alle pogingen om de militarisering van de EU te legitimeren met zogenaamd humanitaire motieven krachtig van de hand wijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Ik heb als rapporteur over ditzelfde onderwerp (maar dan in het kader van de Parlementaire Vergadering ACS-EU) de gelegenheid gehad mij te verdiepen in kwesties die verband houden met het herstel in een postconflictsituatie.

We waren destijds van mening dat het beginsel van gendergelijkheid een zeer belangrijke rol moest krijgen bij het voorkomen en oplossen van conflicten, en dat vrouwen betrokken moesten worden bij het politieke besluitvormingsproces en het vaststellen van strategieën voor conflictoplossing.

Ik stel ook nu weer dat we alle mogelijk hulp moeten geven aan vrouwelijke strijders, vluchtelingen en vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van geweld, verkrachting of seksueel misbruik. Wij moeten voortdurend bedacht zijn op dit soort schokkende toestanden en bij ons optreden meer doortastendheid en solidariteit tonen.

Ik betreur het dat de rapporteur het leed van vrouwen in conflictsituaties aangrijpt om haar eigen concept van “seksuele en reproductieve gezondheid”, met inbegrip van het aanmoedigen van abortus, te exporteren en op te leggen, terwijl dit zeker niet in alle landen wordt aanvaard. Zoals ik altijd heb volgehouden, kan ik niet stemmen vóór een tekst waarin dit concept niet duidelijk wordt uitgelegd en meer inhoudt dan het voorkomen van seksueel overdraagbare ziekten (met inbegrip van HIV/aids) en het garanderen van gunstige omstandigheden voor vrouwen tijdens de zwangerschap, bij de bevalling en daarna.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonas Sjöstedt en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk.(EN) Ook al is het verslag als geheel vooruitstrevend als het gaat over de situatie van de vrouw in gewapende conflicten en haar rol in de wederopbouw en het democratisch proces in landen die zich in een postconflictsituatie bevinden, hebben wij besloten ons te onthouden van stemming vanwege de paragrafen waarin steun wordt gegeven aan het Europees veiligheids- en defensiebeleid.

 
Laatst bijgewerkt op: 13 september 2006Juridische mededeling