Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Woensdag 14 juni 2006 - Straatsburg Uitgave PB

11. Vragenuur (vragen aan de Raad)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het vragenuur (B6-0224/2006).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

Eerste deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 1 van Bernd Posselt (H-0411/06):

Betreft: Toetredingsonderhandelingen met Kroatië

Hoe schat het voorzitterschap van de Raad de kansen in dat de toetredingsonderhandelingen van de EU met Kroatië niet alleen de iure, maar ook de facto worden losgekoppeld van de onderhandelingen met Turkije, met name wat betreft het openen en sluiten van de afzonderlijke hoofdstukken?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, op de vraag van de heer Posselt - die al eens eerder in die vorm is gesteld - kan ik alleen maar herhalen wat ik al heb geantwoord: er is geen koppeling tussen toetredingsonderhandelingen. Uiteraard ontstaan er bij de hantering in de praktijk van het tijdschema voor toetredingsonderhandelingen met meerdere kandidaat-lidstaten parallelle situaties. De toetredingsprocedures - de screening, de analytische controle en niet in de laatste plaats de onderhandelingen zelf - worden uiteraard voor elk land afzonderlijk ten uitvoer gelegd.

Laat mij er nogmaals op wijzen dat een van de basisprincipes van toetredingsonderhandelingen is dat de onderhandelingen zijn gebaseerd op de prestaties van elk afzonderlijk land waarmee wordt onderhandeld. Er wordt geen verband gelegd met andere kandidaat-lidstaten. Ook het tempo van de voortgang van de onderhandelingen hangt enkel en alleen af van de vooruitgang die de afzonderlijke kandidaten boeken bij het voldoen aan de voorwaarden voor lidmaatschap.

Er is om praktische redenen een overlap geweest, omdat de Commissie de eerste voortgangsverslagen voor Turkije en Kroatië bijna gelijktijdig heeft ingediend, waardoor deze ook gelijktijdig zijn behandeld.

Toch waren er duidelijke verschillen in behandeling en resultaten - zoals ook twee dagen geleden bleek -, en mijns inziens kunnen we ook in de toekomst een scheiding de facto bereiken - de jure is er sowieso geen sprake van een koppeling - als de Europese Commissie bijvoorbeeld slechts voor een van beide landen benchmarks voor het openen van hoofdstukken voor onderhandeling voorstelt, die dan ook door de Europese lidstaten worden bevestigd, of als beide toetredingskandidaten op verschillende momenten aan deze benchmarks voldoen.

We staan pas aan het begin van deze onderhandelingen. In totaal gaat het om 36 hoofdstukken, inclusief other business, en dus zullen de onderhandelingen met de afzonderlijke kandidaat-lidstaten zich ook in de praktijk weldra in verschillende stadia bevinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). - (DE) In theorie heeft het principe van own merits altijd gegolden, en toch hebben we in de praktijk vaak meegemaakt dat landen collectief werden beoordeeld. Daarom vraag ik nogmaals: zal de Raad erop aandringen dat de Commissie deze twee kwantitatief en kwalitatief totaal verschillende landen bij de screening verschillend behandelt, en zal de Raad de procedures formeel onafhankelijk van elkaar voeren, wat zeker gezien de meest recente dreigementen van Turkije in de kwestie Cyprus hoog tijd is?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer Posselt, er is geen sprake van een formele koppeling, en die kan er ook niet zijn. In het reglement van orde en de werkwijze van de Raad is hier helemaal geen ruimte voor. Ik geloof ook niet dat het zinvol is bij de Commissie ergens op aan te dringen.

De onderhandelingen zullen vanzelf een verschillend ritme krijgen, want u merkt terecht op dat de uitgangsposities en ontwikkelingen in beide landen totaal verschillend zijn. Om die reden zal voor de onderhandelingen in beide landen in de praktijk weldra een ander tijdschema gelden.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, u merkte terecht op dat er geen koppeling bestaat. Anderzijds is juist Kroatië een land dat - althans gedeeltelijk - omringd wordt door potentiële kandidaat-lidstaten en landen die deze status ambiëren.

Welke gevolgen zouden de toetredingsonderhandelingen met Kroatië kunnen hebben voor de hele Westelijke Balkan, waar grote behoefte is aan stabiliteit?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer Rack, ik ben er inderdaad van overtuigd dat de onderhandelingen met Kroatië een belangrijke voorbeeldfunctie zullen vervullen. Veel landen op de Balkan - zo weet ik na vele gesprekken met vertegenwoordigers uit de regio - zien Kroatië als voorbeeld. Kroatië heeft een voortrekkersrol en vormt, gezien de vooruitgang die het op het gebied van de economie en het sociaal beleid heeft geboekt, zeker een stimulans voor andere landen in de Balkanregio.

Mag ik eraan herinneren dat Kroatië sinds kort de voorzittershamer heeft overgenomen van Griekenland in het South Eastern European Cooperation Process. Ook dit is een belangrijke impuls voor de voorbeeldfunctie die Kroatië samen met andere landen tot op zekere hoogte zal vervullen - dit forum bestaat immers uitsluitend uit landen in de regio. Ik persoonlijk heb hooggespannen verwachtingen van de onderhandelingen met Kroatië, ook voor de overige landen op de Balkan.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI). - (DE) De economische ontwikkeling van Kroatië verloopt al geruime tijd zeer positief, waardoor toetreding vanuit economisch oogpunt allang had kunnen plaatsvinden. Er schijnen alleen problemen te zijn bij de slepende omzetting van EU-relevante wetten, waarbij de wetsvoorstellen eerst aan de Commissie moeten worden voorgelegd, wat het proces vertraagt. Is het niet mogelijk de Kroatische regering hierbij actief te ondersteunen?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer Mölzer, volgens mij gebeurt dit al. Wij als Europese Unie, als Oostenrijk, als voorzitter van de Raad, staan Kroatië terzijde bij zijn inspanningen. We hebben zeer geregeld, intensief contact. Mijns inziens is het niet eerlijk de Commissie ervan te betichten dat zij de procedure onnodig rekt. De Commissie handelt conform de regels, en volgens mij verlopen de onderhandelingen op zich ook zeer voorspoedig.

Wij zullen Kroatië uiteraard blijven steunen bij zijn inspanningen lid te worden van de Europese Unie. Net als u ben ik van mening dat niet alleen de economische gegevens positief zijn, maar het land en de bevolking ook nagenoeg klaar zijn voor toetreding, en de onderhandelingen daarom relatief snel kunnen worden gevoerd. Daar gaan we ook als Raad van uit!

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 2 van Robert Evans (H-0424/06):

Betreft: Handel in menselijke organen en weefsels

In oktober 2003 stemde het Parlement met overweldigende meerderheid in met het verslag over een kaderbesluit van de Raad betreffende de voorkoming en bestrijding van de handel in menselijke organen en weefsels (CNS/2003/0812). Kan het Oostenrijks voorzitterschap meedelen waarom de Raad dit besluit nog altijd niet heeft goedgekeurd?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) De Raad wil de heer Evans mededelen dat hij het noodzakelijk acht in deze kwestie meer informatie in te winnen bij deskundigen. We moeten namelijk vaststellen of een wettelijke regeling nodig en vanuit sociaal oogpunt raadzaam is. De Raad heeft om die reden de onderhandelingen over het voorstel opgeschort totdat hij over deze informatie beschikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE), ter vervanging van de vraagsteller. - (EN) De illegale handel in menselijke nieren is een industrie geworden met vele miljoenen euro’s omzet. Europese patiënten wier leven in gevaar is, zoeken wanhopig op het internet naar donoren. In veel te veel gevallen maken zij in feite misbruik van arme mensen in ontwikkelingslanden. Het motief voor die donoren is geld, en niet de gezondheid en levenskwaliteit die de ontvangers kunnen verwachten.

Als ik uw antwoord beluister, mijnheer de fungerend voorzitter, moet ik u eraan herinneren dat die handel maar al te vaak gekoppeld is aan mensenrechtenschendingen in de vorm van onvrijwillige verwijdering van organen bij ter dood veroordeelde gevangenen in China. Drie jaar na onze stemming over dit onderwerp in het Europees Parlement is een antwoord dat u meer informatie wilt inwinnen bij deskundigen echt onvoldoende. Ik verzoek u in de Raad uw uiterste best te doen om ervoor te zorgen dat dit uiterst belangrijke voorstel wordt goedgekeurd.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Ik ben het persoonlijk volledig met u eens, en ik weet zeker dat veel van mijn collega’s in de Raad er net zo over denken. Ik wil u erop wijzen dat het voorstel van de agenda is gehaald, niet ingetrokken. Het is een belangrijk voorstel, maar het moet heel zorgvuldig worden bestudeerd. Ik heb echter goed nota genomen van uw gevoel van urgentie en ik zal dat zeker aan mijn collega’s in de Raad overbrengen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 3 van Gay Mitchell (H-0446/06):

Betreft: De nucleaire ambities van Iran

Kan de Raad zich uitspreken over de thans gevoerde onderhandelingen tussen enkele lidstaten en de Iraanse regering over het vermogen een kernwapen te ontwikkelen?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) De vraag van de heer Mitchell is natuurlijk uitermate actueel, en daarom geef ik graag antwoord.

De Raad heeft zich de afgelopen maanden intensief met deze kwestie beziggehouden en heeft, sinds voor het eerst diplomatieke inspanningen werden ondernomen om tot een oplossing in deze kwestie te komen, geregeld conclusies over dit onderwerp aangenomen, voor het laatst op 15 mei. Hiermee wilde de Raad - en daar wil ik met nadruk op wijzen - ook een gemeenschappelijke houding van de Europese Unie naar buiten toe uitdragen. De Unie kan immers alleen een blijvende indruk op Iran achterlaten als zij naar buiten toe eensgezind optreedt. De onderhandelingen zijn de afgelopen maanden weliswaar door drie lidstaten gevoerd, maar het is de Raad in zijn geheel die - ook via Hoge Vertegenwoordiger Solana - niet alleen op de hoogte werd gehouden, maar ook heeft deelgenomen aan de onderhandelingen en deze heeft gesteund, en dus ook mede verantwoordelijk is voor de conclusies die er zijn getroffen.

We hebben meermaals zeer betreurd dat de Iraanse regering niet die stappen heeft genomen die met name de Raad van Beheer van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als essentieel beschouwen, en onlangs nog heeft gedreigd dit ook in de toekomst niet te zullen doen. We hebben de Iraanse regering opgeroepen volledig met de IAEA samen te werken. Nu heeft de Raad niet ontkend dat Iran het recht heeft om kernenergie te gebruiken voor vreedzame doeleinden, conform de verplichtingen in het kader van het non-proliferatieverdrag. Op grond van de voorstellen van augustus 2005, die in de conclusies van februari 2006 zijn bekrachtigd, was - en is - de EU bereid de ontwikkeling van een veilig, duurzaam civiel atoomprogramma conform de beginselen van non-proliferatie te ondersteunen, mits - en dit is de andere kant van het verhaal - volledig rekening wordt gehouden met de belangen van de internationale gemeenschap en het vertrouwen, en dan vooral het vertrouwen in de intenties van Iran, is hersteld.

De Raad blijft vastberaden in zijn streven naar een vreedzame oplossing langs diplomatieke weg, en heeft dit volgens mij ook erg duidelijk naar buiten toe kenbaar gemaakt en steeds weer benadrukt.

De EU hoopt haar betrekkingen met Iran op basis van vertrouwen en samenwerking te ontwikkelen. Zoals u weet, heeft Hoge Vertegenwoordiger Solana Iran onlangs een pakket maatregelen van de Europese Unie aangeboden, dat ook door de andere leden van de Veiligheidsraad wordt ondersteund - mijns inziens een essentieel punt - en de eerste reacties kunnen voorzichtig positief worden genoemd. We hopen dat op basis van dit pakket - een goed pakket - een vreedzame oplossing voor dit conflict kan worden bereikt, en we hopen, dat deze potentieel gevaarlijke kwestie zeer spoedig van de agenda verdwijnt en dat we een uitgebreide overeenkomst en goede verstandhouding met Iran kunnen bereiken. Op basis hiervan kunnen we de betrekkingen met Iran vervolgens op alle terreinen verder intensiveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Ik ben blij dat inspanningen worden ondernomen om een oplossing te vinden voor wat de fungerend voorzitter omschreef als gevaarlijke ontwikkelingen. Wat voor precedent schept dit voor andere dwarsliggers in de directe omgeving van Europa, als iemand die met een nucleair programma dreigt, xenofobe taal uitslaat over een naburig land en de internationale veiligheid bedreigt, een pakket maatregelen krijgt aangeboden?

Kan de fungerend voorzitter ons vertellen waaruit dat pakket bestaat? Wat hebben de gesprekken van de heer Solana opgeleverd, en wat was de reactie van de Iraniërs? Kan hij ons een idee geven over wat er precies wordt besproken en wat Iran in deze situatie wordt aangeboden?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) De inhoud van dit pakket is geheim, en met Iran is afgesproken dat de details van de inhoud van het pakket voorlopig, voor de duur van deze onderhandelingen, niet openbaar worden gemaakt. Die onderhandelingen bevinden zich momenteel in een kritiek stadium.

Wat de reactie van Iraanse zijde betreft, heb ik gezegd dat het pakket niet is afgewezen. Dit is op zichzelf al een vooruitgang, want zoals wij weten heeft Iran alle voorstellen die in het verleden door de Europese Unie en andere internationale spelers zijn gedaan, steeds resoluut van de hand gewezen. Nu wordt dit pakket door Iran bestudeerd en wij kunnen slechts hopen, niet alleen in ons eigen belang, maar ook in dat van Iran zelf, dat dit aanbod zal worden aanvaard.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi (PPE-DE). - (EN) Toen de heer Larijani vorige week voor het eerst in het openbaar op het aanbod van de heer Solana reageerde, zei hij dat het pakket een aantal dubbelzinnigheden bevatte. Kunt u zeggen om wat voor dubbelzinnigheden het ging? Zijn die al weggenomen?

Hij zei ook dat de Europese Unie Iran enkele weken, en geen maanden, de tijd had gegeven om te reageren. Wanneer verwachten wij een reactie van de Iraniërs?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) U hebt het antwoord in feite zelf al gegeven.

In de eerste plaats is het niet aan de Raad om te verduidelijken wat de heer Larijani heeft gezegd. Als er sprake is van dubbelzinnigheden, dan hebben wij heel duidelijk gezegd dat hij maar weinig tijd heeft - zoals u al zei, denken we niet aan maanden maar aan weken - om toe te lichten wat die dubbelzinnigheden zijn en wat er nodig is om het standpunt van de Europese Unie te verduidelijken. Wij hopen dus van Iran te horen op welke punten het precies nadere informatie wil ontvangen, en dan zullen wij die informatie geven. Ik hoop dat wij die dubbelzinnigheden tot tevredenheid van Iran zullen kunnen ophelderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI). - (DE) Mijnheer de staatssecretaris, de Europese Unie stuit juist bij internationale conflicten steeds weer op het probleem dat de een of andere lidstaat zijn eigen plan trekt en zich tegen het Europese belang in aan de kant van de VS schaart. Hebben we de garantie dat de Europese Unie juist in het Iran-conflict met één stem spreekt en dat alle EU-lidstaten hier dan ook achter staan?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Op de vraag van de heer Mölzer kan ik met een duidelijk ‘ja’ antwoorden. Ik heb aan alle debatten in de Raad deelgenomen - de laatste vond slechts enkele dagen geleden plaats - en ik kan u zeggen dat alle lidstaten er zonder uitzondering naar streven een gemeenschappelijk standpunt op te stellen, dat niemand dit gemeenschappelijke standpunt ooit in twijfel heeft getrokken en dat de Europese Unie in deze aangelegenheid uitermate eensgezind optreedt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 4 van Miguel Angel Martínez Martínez (H-0465/06):

Betreft: Strategie voor Afrika, ontwikkeling en migratie

In zijn conclusies van december 2005 wees de Europese Raad in het kader van de EU-strategie voor Afrika en de algehele aanpak van migratie op het toenemende belang van migratievraagstukken voor de EU. De Raad benadrukte dat er een evenwichtige, algehele en coherente aanpak moet komen, waarvan beleidsmaatregelen ter bestrijding van illegale immigratie een onderdeel vormen en waarbij de voordelen van legale migratie benut worden. De Raad wees er tevens op hoe belangrijk het is dat deze beleidsmaatregelen van passende financiële middelen worden voorzien en dat de diepere oorzaken van migratie worden aangepakt.

Kan de Raad meedelen welke vorderingen zijn gemaakt met de verwezenlijking van de doeleinden van de Afrika-strategie?

Wij denken hierbij met name aan de verhoging van de openbare ontwikkelingshulp tot 0,56% van het BNP in 2010, waarbij Afrika 10 miljard euro extra ontvangt; kwijtschelding van een bedrag van 42 miljard euro buitenlandse schuld van de Afrikaanse landen; verhoging van de hulp met 1 miljard euro per jaar ter verbetering van het handelsverkeer; en de sluiting van economische associatieovereenkomsten met groepen Afrikaanse landen, die als instrument voor ontwikkeling dienen, de regionale integratie bevorderen en de toegang van deze landen tot de Europese markten verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Allereerst wil ik zeggen dat ik bijzonder verheugd ben een vraag van mijn oude vriend Miguel Martínez Martínez te kunnen beantwoorden. Ik doe dat graag, omdat juist de afgelopen weken de kwestie van een strategie voor Afrika, de kwestie van ontwikkeling en migratie het belangrijkste punt op de agenda van de Europese Unie was. Vanochtend hebben we tijdens het debat over de toekomst en het debat over de voorbereiding van de Europese Raad al over migratie gesproken. Ik heb er toen op gewezen - en dat doe ik nu nog een keer bij het beantwoorden van deze vraag - dat het van groot belang is dat we ons bij het onderwerp migratie bezighouden met niet alleen illegale immigratie - al is dit uiteraard een belangrijk thema - maar ook met de ontwikkelingspolitieke aspecten van dit vraagstuk.

Tijdens de bijeenkomsten van de Trojka met de Afrikaanse Unie en met ECOWAS stond migratie hoog op de agenda. Er werd een ministeriële conferentie EU-Afrika over migratie aangekondigd, en met ECOWAS is afgesproken dat er voor dit onderwerp een ad-hocwerkgroep zal worden ingesteld.

Een Europees-Afrikaanse regionale conferentie over migratieroutes op 10 en 11 juli in Rabat is ons inziens zeer belangrijk, en in dit kader steunen we in het bijzonder Spanje. De voorbereidingen voor deze conferentie zijn zover gevorderd dat een gemeenschappelijk actieplan kan worden aangenomen.

In deze context lijkt ons ook artikel 13 van de Overeenkomst van Cotonou van belang, waarin sprake is van een verplichting tot terugname van illegale immigranten en van een dialoog met de betrokken landen. Met deze dialoog is nu een begin gemaakt, en wel met Mauritanië en Senegal.

De Europese Raad zal morgen en overmorgen besluiten om meer vaart te zetten achter de dialoog met Afrika. In totaal gaat het om tien landen in West-Afrika en vier in Oost-Afrika. Deze bilaterale gesprekken en de uitkomsten daarvan moeten regionaal en in heel Afrika worden vastgelegd, de follow-up voor de conferentie van Rabat moet worden geregeld en er moet een hele serie regionale conferenties over dit onderwerp worden gehouden.

Met betrekking tot uw vraag over ontwikkelingssamenwerking wil ik opmerken dat het monitoringverslag van de Europese Unie van dit jaar heeft aangetoond dat de EU hard op weg is aan de verplichtingen te voldoen die zij in maart 2002 in Barcelona op zich heeft genomen, en de omvang van de officiële ontwikkelingshulp tot 2006 te verhogen tot 0,33 procent van het bruto nationaal product voor elke lidstaat en tot 0,39 procent als gemiddelde van de EU. Ik herhaal hier nogmaals dat we alle doelstellingen waarover we op de Millenniumtop overeenstemming hebben bereikt, uiteraard ook moeten realiseren. Dit zijn verplichtingen waaraan we ons moeten houden. De afzonderlijke lidstaten hebben duidelijke verplichtingen op dit vlak.

Met betrekking tot de economische partnerschapsovereenkomsten met groepen van Afrikaanse landen ben ik mij er terdege van bewust dat de kwestie van de EPO’s ook in onze dialoog met Afrika een belangrijk punt is. Een aantal dagen geleden hebben we in Port Moresby in Papoea-Nieuw-Guinea tijdens de onderhandelingen over het Financieel Protocol bij de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst juist in deze kwestie verplichtingen geformuleerd. De Commissie was bereid om middelen uit het huidige en het volgende Europese Ontwikkelingsfonds ter beschikking te stellen. Wij weten hoe belangrijk economische partnerschapsovereenkomsten met Afrika en met ontwikkelingslanden in het algemeen zijn. Op basis van de eerste uitgebreide evaluatie die in de tweede helft van dit jaar zal worden uitgevoerd, zullen we de stand van zaken bij de onderhandelingen grondig analyseren en onze werkzaamheden vervolgens snel en hopelijk zeer efficiënt kunnen hervatten.

 
  
MPphoto
 
 

  Miguel Ángel Martínez Martínez (PSE). - (ES) Dank u, mijnheer Winkler. Natuurlijk is uw antwoord bevredigend. Ik zou u alleen willen vragen hoe de beloften die we zijn aangegaan, en die u nogmaals bevestigd heeft, naar uw mening te rijmen zijn met de financiële vooruitzichten die we hebben goedgekeurd, want volgens ons klopt daar iets niet. Dat wil zeggen, het lijkt ons niet haalbaar om binnen de financiële vooruitzichten met hun bezuinigingen die beloften overeind te houden.

Verder zou ik willen weten of u in Wenen zelf deel zult nemen aan de bijeenkomst van de Paritaire Parlementaire Vergadering, die we volgende week zullen houden, want daar zullen we met collega’s uit Afrika, de Cariben en het gebied rond de Stille Oceaan kunnen spreken over de kwestie van de EPA’s bijvoorbeeld. Tevens stel ik u voor en verzoek ik u om op de Conferentie van Rabat waarnemers uit te nodigen van de Paritaire Vergadering ACS-EU en van de Euro-mediterrane Vergadering, omdat ik denk dat de aanwezigheid van deze afgevaardigden ...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Het zal mij een groot genoegen zijn om bij de bijeenkomst van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in Wenen aanwezig te mogen zijn. Helaas is mijn optreden uitgerekend gepland op de dag dat ook andere zaken plaatsvinden, zoals het bezoek van de Amerikaanse president aan Wenen, waardoor het wellicht moeilijk zal worden de vergaderzaal te bereiken. Ik zal echter mijn best doen, en ik verheug me nu al op de bijeenkomst met de leden van het Europees Parlement en de afgevaardigden uit de ACS-landen.

Met betrekking tot de financiële middelen wil ik allereerst opmerken dat het Europese Ontwikkelingsfonds geen onderdeel uitmaakt van de begroting van de Europese Unie, maar wordt gefinancierd uit de nationale begrotingen van de lidstaten. Ik wil erop wijzen dat het tiende EOF 35 procent meer middelen ter beschikking heeft dan het negende EOF, al zijn nu in Port Moresby weer onderhandelingen en debatten gevoerd over de omvang. Dit is toch een zeer aanzienlijke stijging: we hebben het hier over 22,6 miljard euro, verdeeld over zes jaar - dit moet toch eens duidelijk naar voren worden gebracht. Mijns inziens komt de Europese Unie hiermee haar verplichtingen, ook haar morele verplichtingen, ruimschoots na.

De toezegging dat de hulp voor Afrika wordt verhoogd met 10 miljard euro moet tussen 2006 en 2010 worden gerealiseerd. Op dit moment is het waarschijnlijk nog te vroeg voor een algemeen oordeel over de nakoming van deze toezegging door de Europese Unie. Ik ben van mening dat het tiende EOF een goed pakket is dat voldoende middelen bevat om tegemoet te komen aan de behoeften van de ontwikkelingslanden in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan. Het gaat er vooral om - het moet nog eens gezegd worden - hoe de middelen worden ingezet: het geld moet efficiënt worden besteed. We zien telkens weer dat een aanzienlijk deel van de middelen aan het einde van de periode overblijft. We moeten dus ook de capaciteit van de besteding van deze middelen verbeteren. Het gaat niet alleen om de hoogte van het bedrag, maar ook om de manier waarop de middelen worden ingezet. Wij en vooral ook de Commissie houden ons daarmee bezig.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Is de fungerend voorzitter van de Raad het met mij eens dat er zowel egoïstische als onbaatzuchtige redenen zijn voor ons versterkt engagement voor de ontwikkelingslanden? In één generatie tijd zal de wereldbevolking met twee miljard mensen toenemen, en 90 procent van die mensen zal geboren worden in wat nu de ontwikkelingslanden zijn. Als wij geen verandering brengen in de huidige situatie, zullen wij onze kinderen een vreselijke erfenis nalaten.

Anderzijds kunnen deze mensen ook onze handelspartners worden. Is de minister op de hoogte van de activiteiten van China in de ontwikkelingslanden? Is de Europese Unie van plan daarbij toe te kijken en toe te laten dat China binnen één generatie de handelspartner van de ontwikkelingslanden wordt?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Laat ik tegen de heer Mitchell zeggen dat ik mij om te beginnen niet geroepen voel om hier morele uitspraken te doen over de vraag of wij egoïstisch zijn of niet, maar het is inderdaad wel duidelijk in ons belang om die landen te helpen. Het gaat niet alleen om handel, het gaat ook om de veiligheid in de wereld en om migratie, onderwerpen waarover wij vandaag en in de afgelopen maand hebben gesproken, en waarover wij ook in de toekomst weer zullen spreken.

Het is in veel opzichten in ons belang dat deze landen zich ontwikkelen. Daar is geen enkele twijfel over mogelijk, en wij moeten dat niet alleen doen omdat wij zo royaal zijn, al moeten wij zeker royaal zijn, en volgens mij zijn we dat ook.

Wat u zegt over China is inderdaad een heel interessant punt. Nog maar een week geleden heb ik een Trojkamissie naar China geleid, en wij hebben daar een zeer interessante politieke dialoog gevoerd met de Chinezen. Een van de onderwerpen waarover wij hebben gesproken, was juist het onderwerp dat u noemt: de activiteiten van China, vooral in Afrika, maar ook in andere ontwikkelingslanden, in het bijzonder op het gebied van energie en handel. Wij hebben gezegd dat wij bezorgd zijn over het feit dat de waarden die wij met elkaar, en naar wij hopen ook met China, delen met betrekking tot goed bestuur en mensenrechten niet worden geëerbiedigd. Wij zijn ons dus terdege bewust van dit vraagstuk. Wij stellen het aan de orde met betrekking tot onze partners en wij hebben het aan de orde gesteld met betrekking tot China, en dat zullen wij ook in de toekomst doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE). - (DE) Het staat buiten kijf dat economische partnerschapsovereenkomsten een positieve stap vormen om immigratie als zodanig tegen te gaan, en illegale immigratie in het bijzonder tegen te gaan. Wordt er, gezien dit feit, aan gedacht om deze overeenkomsten te koppelen aan voorwaarden ten aanzien van de terugkeer van illegale immigranten? Denkt u ook in deze richting?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer Rack, hoe het zit met de terugkeer van illegale en andere immigranten is nog onbekend, en ik kan niet zeggen of het al dan niet formeel wordt gekoppeld aan de economische partnerschapsovereenkomsten. De Commissie voert onderhandelingen over dit onderwerp. Maar dat dit iets is wat de Raad en de lidstaten wensen, staat buiten kijf, en de Commissie stuurt daar eveneens op aan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 5 van Laima Liucija Andrikienė (H-0497/06):

Betreft: Toekomstig beleid EU met betrekking tot de onlangs tussen de EU en Rusland ondertekende overeenkomst inzake versoepeling van de afgifte van visa

Op 25 mei 2006 zijn op de Top EU-Rusland tussen de EU en Rusland overeenkomsten ondertekend inzake versoepeling van de afgifte van visa en overname.

Na de ondertekening van de overeenkomst inzake versoepeling van de afgifte van visa merkte de Russische president Vladimir Poetin op dat dit besluit de eerste stap is in de richting van de invoering van een visavrije regeling voor burgers van Rusland en de Europese Unie.

Wat is het standpunt van de EU met betrekking tot deze uitspraak? Wat zijn de richtlijnen inzake het toekomstige EU-beleid inzake een visaregeling voor burgers van Rusland en de Europese Unie? Zal de overeenkomst inzake versoepeling van de afgifte van visa nieuwe trends zetten in het beleid inzake de betrekkingen EU-Rusland?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) De visumfaciliterings- en overnameovereenkomst die op 25 mei op de Top EU-Rusland in Sotsji is ondertekend - waarover gisteren ook is gesproken in het debat over de Top in Sotsji - zijn gesloten met de bedoeling de contacten tussen mensen en het reizen tussen de Europese Unie en Rusland te vergemakkelijken. Dat is niet alleen in het belang van Rusland, maar ook in ons eigen belang.

Tegelijk is het de bedoeling dat deze overeenkomst - uitgaande de routekaart voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - waarborgt dat mensen legaal en probleemloos de grens kunnen oversteken en legaal in beide gebieden kunnen blijven.

Volgens deze routekaart worden deze overeenkomsten - die echter eerst moeten worden geratificeerd en ten uitvoer gelegd - gezien als een eerste stap in een proces dat erop is gericht om het vrije verkeer van personen en hun terugkeer gemakkelijker te maken.

In deze routekaart is verder opgenomen dat er een dialoog over visa op gang wordt gebracht met het oog op de toetsing van de voorwaarden voor de invoering van bilaterale visumvrijstelling, maar wel als langetermijnproject waarvoor geen concreet tijdstip is vastgesteld.

De dialoog tussen de Europese Unie en Rusland over visumaangelegenheden zal eveneens op deze basis worden voortgezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). - (EN) Hartelijk dank voor uw antwoord. Ik wil u nog een vraag stellen. In de overeenkomst die in Sotsji is ondertekend, staat dat beide partijen hun voornemen om de visumplicht af te schaffen voor reisverkeer tussen de Europese Unie en Rusland nog eens bevestigen. Mijn vraag is: bent u werkelijk van mening dat met een visumvrije regeling voor reisverkeer tussen de Russische Federatie en de EU de belangen van de EU worden gediend? En zo ja, welke belangen zijn dat dan?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Eerlijk gezegd kan ik deze vraag vandaag niet beantwoorden. Zoals ik al eerder heb gezegd, is dit een zaak van de lange termijn. Er is op dit moment geen antwoord op deze vraag, want er zitten heel veel verschillende aspecten aan, niet alleen aspecten betreffende de buitenlandse betrekkingen, maar ook met betrekking tot het migratiebeleid. De situatie moet door zowel de Raad als de Commissie heel nauwkeurig worden bekeken om uiteindelijk tot een conclusie te kunnen komen. Dit is ongetwijfeld een zaak van jaren en het is niet iets waar wij vandaag een besluit over hoeven nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). - (LT) Ik wilde de minister graag een vraag stellen. Tijdens het Oostenrijks voorzitterschap heeft de Europese Unie besloten om de visumkosten te verhogen tot 62 euro. Dit zal geen enkele weerslag hebben op de ‘nieuwe Russen’ maar wel de kansen voor de normale Russische burgers verminderen - om van de Oekraïeners, de Wit-Russen en de inwoners van andere landen buiten de EU maar te zwijgen - om landen van de Europese Unie te bezoeken. Aangezien Oostenrijk het voorzitterschap van de EU bekleedt, wilde ik vragen hoe Oostenrijk deze stap ziet en wat volgens hem de gevolgen daarvan zullen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Allereerst zal ik ingaan op de vraag over de verhoging van de visumkosten. Deze was noodzakelijk geworden door de invoering van biometrische gegevens, die de verstrekking van visa en de bijbehorende procedures aanzienlijk complexer hebben gemaakt. Ik hoop uw vraag echter te beantwoorden als ik zeg dat, in de discussie over de verhoging van de visumkosten, de mogelijkheid van derogatie werd geboden, niet alleen voor de landen van de Westelijke Balkan - die een bijzondere prioriteit vormen voor het Oostenrijkse voorzitterschap - maar ook voor de landen waarvoor het Europees nabuurschapsbeleid geldt, op grond van het grote belang van beide.

Daarom bevat de betreffende wetstekst onder andere de bepaling dat het visumtarief niet wordt verhoogd voor personen met de nationaliteit van de landen waarmee visumfaciliteringsovereenkomsten zijn gesloten, waartoe ook Rusland behoort.

Zoals u weet, wordt er eveneens naar gestreefd om visumfaciliteringsovereenkomsten met andere landen te sluiten. Ik had vandaag al de gelegenheid om erop te wijzen dat visumfaciliteringsovereenkomsten indien mogelijk ook met de landen van de Westelijke Balkan volgend jaar van kracht zullen worden.

Er is eerder al zorg voor gedragen dat de landen waarmee wij buitengewoon nauwe betrekkingen wensen te onderhouden, niet onder de verhoging van de visumtarieven dienen te lijden, tarieven die worden - en zijn - verhoogd om redenen die objectief volstrekt begrijpelijk zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de fungerend voorzitter, ik probeer op dit moment een visum voor Rusland te krijgen. Dat is een buitengewoon omslachtig proces: het duurt vijftien werkdagen en kost 71 euro. Ik heb nog de meeste moeite met de moeilijkste bepaling dat je een pasfoto moet inleveren waarop je niet glimlacht. Zo’n foto is niet te vinden.

Niettemin is mijn vraag - een wat gevaarlijke vraag, aangezien ik uit Finland kom, dat een 1300 km lange grens met Rusland heeft: wanneer zal naar uw gefundeerde inschatting de visumvrije zone zijn beslag krijgen?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Ik zou de heer Stubb willen vragen of hij ooit heeft geprobeerd een visum te krijgen voor de Verenigde Staten, al dan niet glimlachend. Dat is waarschijnlijk nog moeilijker te krijgen dan een visum voor Rusland!

Reagerend op uw vraag ben ik bang dat ik geen gefundeerde inschatting kan maken. Ik vraag uw begrip daarvoor. Ik kan u werkelijk geen antwoord geven. Ik ben niet de vertegenwoordiger van de Raad van de Europese Unie voor dit gebied. Ik houd niet van speculaties en ik wil op dit punt dan ook liever niet speculeren.

 
  
  

Tweede deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aangezien de vragen 6 en 7 over een soortgelijk onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld:

Vraag nr. 6 van Fiona Hall (H-0055/06):

Betreft: Duurzame productie van biobrandstoffen

Onderschrijft de Raad de opvatting dat de productie van biobrandstoffen moet plaatsvinden op een duurzame wijze die de biodiversiteit niet in gevaar brengt, die voorkomt dat natuurlijke habitats getransformeerd worden in land waarop intensief gewassen worden verbouwd en die garandeert dat de hele productiecyclus, zowel in de EU als daarbuiten, met inbegrip van het vervoer van de brandstoffen, in ieder geval koolstofneutraal is, en wat doet de Raad om te komen tot de certificering van de duurzame productie van biobrandstoffen?

Vraag nr. 7 van Agnes Schierhuber (H-0494/06):

Betreft: Biomassa en biobrandstoffen

Welke vorderingen verwacht het Oostenrijkse Voorzitterschap van het door de Commissie ingediende Actieplan voor biomassa en de Europese strategie voor biobrandstoffen?

Welk potentieel voor de Europese landbouw verwacht het Oostenrijkse Voorzitterschap van een groter accent op het gebruik van duurzame grondstoffen o.a. door een groter gebruik van biomassa en biobrandstoffen?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Het vraagstuk van het duurzame gebruik van biobrandstoffen is in het algemeen genomen belangrijk voor de strategie van de Europese Unie met betrekking tot duurzame energie. Feit is dat wij tijdens het Oostenrijkse voorzitterschap heel bewust een signaal hebben afgegeven dat Europa voortaan, uitgaande van zijn politieke grondbeginsel, meer vooruitgang dient te boeken op het terrein van het duurzame gebruik van biobrandstoffen

Met het actieplan voor biomassa en met de Europese strategie voor biobrandstoffen zijn er mededelingen aan ons voorgelegd die diepgaand zijn besproken en die vervolgens op gepaste wijze zijn opgepakt door de Raad. Het gaat erom hoe biobrandstoffen in de toekomst kunnen worden gebruikt als mengstoffen dan wel als nieuwe brandstoffen voor algemeen gebruik. Het is naar onze mening een onomstotelijke waarheid - een waarheid ook die wij gezamenlijk in heel Europa dienen te verkondigen - dat de productie van biobrandstoffen en bio-energie, in het gehele scala van biodiesel tot ethanol, niet kan functioneren indien dit schadelijk is voor het milieu. In onze Europese Unie dient de productie van biobrandstoffen ook te zijn gegrondvest op het beginsel van duurzaamheid. Ik heb de afgelopen maanden diverse milieuconferenties bezocht, en ik weet hoe belangrijk het is dat wij erop toezien dat er rekening wordt gehouden met het duurzaamheidsbeginsel in de internationale handel in biobrandstoffen die worden geproduceerd volgens het hele scala aan methoden en met de meest uiteenlopende grondstoffen.

Tijdens dit voorzitterschap - en vooral tijdens de bijeenkomst van maart 2006 - hebben wij gediscussieerd over hoe wij met het Europese energiebeleid een nieuwe richting kunnen inslaan, met name met betrekking tot brandstoffen. De Raad en de Commissie hebben op 8 juni 2006 in een conclusie opgeroepen tot voorstellen ter bevordering van een kostenefficiënt en duurzaam gebruik van biomassa voor verwarmings- en koelingsdoeleinden, tot een herziening van de wettelijke voorschriften voor dierlijke bijproducten, tot de bevordering van het gebruik van landbouwbijproducten en de productie van levensmiddelen als hernieuwbare energiebron - want biogas wordt in de toekomst een belangrijk onderwerp -, tot de vereenvoudiging van de beheersprocedures voor de bio-energieproductie en het gebruik daarvan in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en tot de evaluatie van de mogelijke uitbreiding tot alle lidstaten van de regelgeving voor energiegewassen: dat zijn de hoekstenen van het toekomstige energiebeleid. Dat is van cruciaal belang, vooral na de uitbreiding van de Europese Unie met tien lidstaten.

De Commissie heeft ook het voornemen kenbaar gemaakt om eind 2006 - in mijn ogen een cruciaal tijdstip - een mededeling te doen over de regeling inzake energiegewassen, en deze mededeling zou praktische voorstellen voor deze sector moeten bevatten. Daarmee bedoel ik dat we met de landbouwhervorming van 2003, met het oog op de duurzaamheid en het scheppen van een nieuwe inkomstenbron voor de plattelandsgebieden in Europa, maatregelen hebben genomen om gebruik te maken van 1,5 miljoen hectare duurzame grondstoffen voor een hele reeks van alternatieve vormen van energie op alle terreinen, en het is ons nu wel duidelijk dat we die 1,5 miljoen hectare bij lange na niet volledig benutten.

Het potentieel is aanwezig en zou mogelijk nog kunnen groeien, en we wachten met belangstelling de uitkomsten van de evaluatie en het voorstel van de Commissie af. We zullen ons zowel in de Landbouw- als in de Milieuraad de komende maanden en jaren intensief moeten bezighouden met de uitdagingen van een duurzaam energiebeleid. De productie van duurzame en hernieuwbare energie is de sleutel tot Europa’s onafhankelijkheid in energiekwesties en tot zijn toekomstige projecten op het terrein van energieproductie.

 
  
MPphoto
 
 

  Fiona Hall (ALDE). - (EN) Hartelijk dank, mijnheer de fungerend voorzitter. Ik ben heel blij dat het Oostenrijkse voorzitterschap op dat punt zo voortvarend te werk ik gegaan.

Ik wil alleen graag terugkomen op de certificering, waar mijn oorspronkelijke vraag over ging. Vanochtend vertelde commissaris Piebalgs in een vraag-en-antwoordvergadering dat er certificering zal worden ingevoerd om de duurzaamheid van biobrandstoffen te garanderen. Er heerst zeker bezorgdheid over illegale houtkap en de moeilijkheid om de certificering in de praktijk goed te regelen, ook als alles er op papier goed uitziet. Ik zou daar graag iets meer over willen horen van u.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, hartelijk welkom hier. Mijn vraag gaat in de volgende richting: wordt ook in de Raad nagedacht over hoeveel meer men moet gaan investeren in onderzoek en ontwikkeling op dit specifieke terrein? Ik ben ervan overtuigd dat dit soort energieproductie werkgelegenheid zal scheppen en daarmee zal helpen de Lissabon-strategie ten uitvoer te leggen. Heeft het voorzitterschap van de Raad schattingen over het aantal banen dat hierdoor bij benadering zal worden geschapen in plattelandsgebieden?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Ik begin met uw eerste vraag, mevrouw Schierhuber, over certificering en etikettering. Bij het scheppen van een nieuw energiebeleid voor Europa staan we nog helemaal aan het begin, en niet alleen op Europees, maar ook op mondiaal niveau. Het is aan ons om ervoor te zorgen dat wij, via de invoering van certificatiesystemen, duurzame alternatieve energiebronnen uit andere delen van de wereld zekerstellen, daar alle zaken waarnaar u verwees - het kappen van het regenwoud, de productie van palmolie volgens sociale en ecologische criteria - in onze ogen onwenselijk zijn.

Er zijn verschillende benaderingswijzen. In Oostenrijk hebben wij bijvoorbeeld van de landbouwhervorming afgeleide cross-compliance-voorwaarden gedefinieerd als grondslag voor de energieproductie en eveneens voor de bijmenging van biodiesel en bioethanol. Hieruit vloeit voort dat alles dat is geproduceerd volgens ecologisch-sociale criteria en productievoorwaarden en volgens Europese criteria ook kan worden bijgemengd, om het even uit welke delen van de wereld het afkomstig is. In de komende weken zal dit onderwerp uiteraard ook in de WTO aan de orde komen: hoe kunnen certificering en rechtsgrondslagen zo worden ingevoerd dat zij voldoen aan de eisen van de internationale handel en de WTO, en daar is ook gedetailleerde controle noodzakelijk. Commissaris Piebalgs probeert al even energiek als de EU-ambtenaren en degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn op nationaal niveau, duidelijkheid te krijgen op dit terrein. Dit om niet, zoals in het verleden bij andere kwesties soms is gebeurd, een overhaast besluit te nemen, en vervolgens te worden geconfronteerd met problemen op juridisch terrein en zo de markt te verliezen. Certificering en etikettering zijn kernonderwerpen.

Dan uw tweede vraag met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling, alsmede het kaderprogramma voor onderzoek. Er zal meer nadruk worden gelegd op alternatieve energie in de infrastructuur als geheel, als onderdeel van de innovatie- en onderzoeksstrategie, van de grondstofwinning- en productie tot en met de technologische toepassing. Daar zullen wij meer vaart achter zetten, en dat is ook het voornemen op het terrein van onderzoek en ontwikkeling.

Het werkgelegenheidsvraagstuk: wat zijn de schattingen als we meer gaan vertrouwen op alternatieve energiebronnen? Als minister van Landbouw en Milieu van mijn land heb ik het strategische voordeel dat ik mezelf in een absolute win-winsituatie bevindt: het gebruik van alternatieve energiebronnen zorgt niet alleen voor CO2-vermindering, waarmee duidelijk wordt bijgedragen aan de doelstellingen van Kyoto, maar zorgt er ook voor dat er in plattelandsgebieden volledig gebruik wordt gemaakt van de energiebronnen - met name in de afgezonderde gebieden in Europa - en er werkgelegenheid wordt geschapen. Driehonderdduizend extra banen, dat is het cijfer dat uit studies van de Europese Unie en andere organen komt rollen, als we de tenuitvoerlegging van onze doelstellingen met betrekking tot alternatieve energiebronnen consequent doorzetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE). - (EL) De Europese strategie voor biobrandstoffen formuleert doelstellingen voor de Europese Unie en verplichtingen voor de lidstaten. Maar tussen de lidstaten bestaan grote verschillen inzake technologische ontwikkeling, marktomvang, productieschaal en structuur van de brandstoffenmarkt. Dus wil ik de Raad vragen of dat beleid misschien niet aan herziening toe is. Misschien druist het vastleggen van verplichtingen in tegen de huidige economische en technologische realiteit?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) U snijdt iets aan dat niet alleen geldt voor het energiebeleid van Europa, maar ook voor de manier waarop de nationale landen Europese doelstellingen waarnemen en ten uitvoer leggen. Ik kan alleen zeggen dat wij uit de facultatieve doelstelling van 5,75 procent voor biobrandstoffen opmaken dat steeds meer landen nu gaan meedoen. Oostenrijk heeft deze doelstelling verwezenlijkt door middel van wettelijke verplichtingen. De Hongaren zijn bijzonder geïnteresseerd en ook in Duitsland wordt er al wetgeving ontworpen om deze doelstelling te realiseren.

Er gebeurt dus zeer veel, en ik ben er erg optimistisch over dat onze doelstellingen, die wij hebben vastgelegd in zowel de Europese strategie voor biobrandstoffen als het actieplan voor biomassa, consequent worden verwezenlijkt door de lidstaten. Ik geef echter toe dat dit vaak niet alleen een kwestie van politieke wil is, maar dat ook de prijsontwikkeling van fossiele brandstoffen consequent bevestigt dat wij de juiste weg bewandelen. In discussies met de collega’s roepen wij steeds weer in herinnering dat strategieën niet alleen dienen te worden ontwikkeld op Europees niveau, maar ook ten uitvoer gelegd dienen te worden op nationaal niveau. Enkele landen lopen voorop, andere lopen achter, maar uiteindelijk begeven wij ons allemaal in de juiste richting. Ik ben zeer optimistisch.

 
  
MPphoto
 
 

  Glenis Willmott (PSE). - (EN) Biomassa is een buitengewoon belangrijke vorm van energie, die goed is voor 65 procent van de in de EU gebruikte hernieuwbare energie. Het totale percentage van de hernieuwbare energie die in de EU wordt gebruikt, is sinds 1990 echter blijven steken op 6 procent. Is het Oostenrijkse voorzitterschap het daarom niet met mij eens dat wij voor een realistisch gemeenschappelijk energiebeleid niet zonder kernenergie kunnen?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Ik kan het alleen maar met u eens zijn dat het zeker niet uitsluitend de verantwoordelijkheid van het Europees energiebeleid is om de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen af te dwingen. Dit dient te worden ondersteund door een beleid voor de bevoorrading met grondstoffen - dat wil zeggen door een land- en bosbouwbeleid, door biomassa en landbouwproductie - alsmede door actie op het gebied van het milieubeleid en het economische en fiscale beleid. Het moet ons duidelijk zijn dat wij voor de input en de stimulansen voor de productie meer bindende landbouwdoelstellingen nodig hebben. Daarbij komt dat er aan het einde van het jaar over het voorstel van de Commissie zal worden gediscussieerd, en dat is een erg goede zaak. We evalueren hoe ver we zijn en welk potentieel we hebben. In juni - nog tijdens ons voorzitterschap - maken we een begin met het debat over een bosbouwstrategie voor Europa en over de beoordeling van manieren waarop bossen in de toekomst kunnen worden gebruikt. Binnen het economisch en fiscaal beleid op nationaal niveau moeten er ook subsidies komen voor hernieuwbare energiebronnen, of het nu gaat om groene stroom, subsidies voor verwarming, steun in de vorm van installaties en infrastructuur of om onderzoek en ontwikkeling. Dit is een taak voor ons allen gezamenlijk, maar de ontwikkelingen op dit terrein zijn enorm.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI). - (DE) Het is bekend dat het momenteel iets duurder is om biobrandstoffen te produceren dan om fossiele brandstoffen te gebruiken, en om die reden werd alternatieve energie fiscaal bevoordeeld, als gevolg waarvan een jaarlijkse stijging van ongeveer 26 procent wordt verwacht. Zal de door de Commissie gelanceerde verplichte bijmenging er niet toe leiden dat de olie-industrie in sterkere mate haar toevlucht neemt tot goedkope aanbieders zoals Brazilië en daardoor onze Europese boeren in de toekomst nog sterker benadeelt?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Dat zie ik anders. Het is aan de Europese Unie en aan ons allemaal om antwoorden te geven. Zojuist heb ik laten zien hoe de kwestie van de certificering zou kunnen worden behandeld. We hebben in Oostenrijk ter bespoediging van de invoering een bijmenging van 5,75 procent verplicht gesteld, en dat zullen wij in oktober 2008 bereiken.

We zijn echter al een heel eind op weg. Installaties voor de productie van biodiesel en ethanol worden gebouwd. Dat schept werkgelegenheid; alleen al in mijn provincie schept een nieuwe fabriek voor ethanol op dit moment werkgelegenheid voor 180 mensen. Dat hebben wij gedaan, en dat is onze verantwoordelijkheid. We hebben ook in de specificaties duidelijk gedefinieerd dat bijmenging alleen mag plaatsvinden met producten die zijn gemaakt volgens Europese sociale, ecologische en landbouwnormen. Als dergelijke producten kunnen worden geproduceerd in Brazilië, dan is Brazilië onze concurrent. Maar zelfs als Brazilië daartoe in staat is, dan wordt zijn concurrentiekracht verminderd door de lange afstanden waarover de producten moeten worden vervoerd en door andere factoren.

We zijn dus in staat om hierop te reageren, door middel van certificering en door middel van duidelijke maatregelen op de markt die we op WTO-niveau moeten evalueren en verdedigen. Wij willen geen beleid voor duurzame energie in Europa introduceren om vervolgens de producten te importeren uit het buitenland. Onze tien nieuwe lidstaten - waar Roemenië en Bulgarije zich spoedig bij zullen voegen - geven ons een ongelooflijk potentieel, met een zeer groot aantal landbouwpercelen die kunnen worden gebruikt voor de productie van energie in plaats van voor de productie van voedingsmiddelen, en wij hebben in ons landbouwbeleid de specificaties zo gekozen dat dit ook mogelijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Vraag nr. 8 van Eoin Ryan is ingetrokken.

Vraag nr. 9 van Othmar Karas (H-0495/06):

Betreft: Emissie van schadelijke stoffen van personenauto's

Het voorstel van de Commissie voor de Euro 5-verordening betreffende de uitstoot van schadelijke stoffen door personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen getuigt niet van grote ambities, vooral niet op het punt van de grenswaarden voor stikstofoxiden voor diesel-personenauto's.

Wat heeft de Raad in dit verband gedaan en welke vooruitgang werd onder het Oostenrijkse voorzitterschap bereikt?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Het Oostenrijkse voorzitterschap heeft reeds een aantal debatten gevoerd over de bijzonder essentiële kwestie van de minimalisering en beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen door voertuigen in het verkeer. We zijn de onderhandelingen over het voorstel van de Commissie begonnen met als doel om voor de emissie van schadelijke stoffen van auto’s een vooruitstrevende regelgeving voor de betrekkelijk lange termijn tot stand te brengen die zowel - en dat is een belangrijk punt, want wij hebben vandaag erg veel gediscussieerd over duurzaamheid - voldoet aan de eisen van het milieubeleid als de Europese industrie de zekerheid biedt dat zij de technische ontwikkeling vooraf kan plannen. Beide zaken kunnen worden bereikt door de vaststelling op middellange termijn van strenge maximale emissiewaarden voor bijvoorbeeld dieselvoertuigen.

Tegen deze achtergrond werden de onderhandelingen in de Raad gevoerd, in de hoop om in juni 2006 - zeer binnenkort dus - politieke overeenstemming in de Raad te bereiken, in de veronderstelling dat dit mogelijk zou zijn binnen het tijdschema, met name ook van het Parlement. Uit de onderhandelingen - als ik een beknopte samenvatting mag geven - die, in overeenstemming met het initiatief van het Oostenrijkse voorzitterschap, vergezeld gingen van twee specifieke informatieseminars voor de lidstaten - op het eerste, dat plaatsvond in februari, kwamen vooral de milieueisen ten aanzien van de stand van de techniek voor het verwijderen van stofdeeltjes uit auto-uitlaatgassen, met name NOx bij dieselpersonenauto’s, aan de orde, en het tweede seminar zal op 22 juni plaatsvinden - bleek dat een brede meerderheid van de lidstaten zich uitsprak voor deze doelstelling, waarover met de vastlegging van de Euro 6-grenswaarden reeds concrete en bindende discussies zullen plaatsvinden.

Wij zullen achter de behandeling van dit onderwerp uiteraard consequent vaart blijven zetten. Het is van absoluut vitaal belang dat zowel de luchtstrategie als de tenuitvoerlegging van Euro 5 en Euro 6 worden besproken op de volgende Milieuraad eind juni. Wij willen een ambitieuze aanpak van deze zaken. Gezien de discussie over de PM10-kwestie, over vervuiling door stofdeeltjes, met name in Centraal-Europa, en NOx-waarden is het van belang om een ondubbelzinnige regelgeving in te stellen, omdat wij moeten beseffen dat onze industrie zekerheid nodig heeft om vooruit te kunnen plannen en omdat wij eveneens moeten beseffen dat onze industrie wereldwijd moet concurreren met andere autofabrikanten, van wie enkele al met bijzonder ambitieuze antwoorden zijn gekomen.

Binnen deze ontwikkeling willen wij vooruitkomen in het belang van de ecologische veiligheid, van de levenskwaliteit in Europa en ook van de gezondheid van de mensen in de betrokken gebieden. Wij zullen dus het wankele evenwicht proberen te behouden tussen Euro 5 en Euro 6 als perspectieven, alsmede mogelijkerwijs NOx en PM10 als middel om milieudoelstellingen te bereiken, en anderzijds de wens om de Europese automobielindustrie concurrerend te houden. Dit is de weg die wij willen bewandelen, en wij zullen in de Milieuraad buitengewoon intensief over deze twee kwesties - luchtstrategie en Euro 5, en ook wat er daarna gaat gebeuren - discussiëren, en daar zullen verschillende commissarissen bij aanwezig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Othmar Karas (PPE-DE). - (DE) Allereerst wil ik u hartelijk danken voor de precisie van uw antwoorden. Dat is zeer verfrissend. Kunt u mij ook zeggen wat u in verband met deze planning verstaat onder ‘vooruitstrevend’ en onder ‘lange termijn’ en of u verdere plannen in gedachten heeft voor zware bedrijfsvoertuigen?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Ik kan op dit moment alleen verslag uitbrengen over het algemene gevoelen met betrekking tot de specifieke vereisten. Het belangrijkste dat naar voren kwam uit het algemene debat in de Raad was dat het voorstel om de maximale waarden voor stofdeeltjes voor particuliere dieselvoertuigen te verlagen tot 5 mg per kilometer unaniem werd gesteund door de ministers van Milieu, terwijl de door de Commissie voorgestelde verlaging van 20 procent van de maximale NOx-waarden als onvoldoende werd beschouwd.

Dit is de huidige stand van het debat, dat wij in juni zullen voortzetten. Een brede meerderheid van de lidstaten heeft zichzelf al uitgesproken voor een tweede fase van de NOx-reductie met betrekking tot Euro 6. Dat wil zeggen dat men de NOx-vermindering ambitieuzer wil aanpakken - op het terrein van de maximale emissiewaarden gaat dit in onze ogen al heel ver - en dit combineert met de visie dat er nu al een waarborg dient te komen voor de industrie, opdat zij ook na Euro 5 de zekerheid heeft om vooruit te kunnen plannen, ongeacht hoe de maximale waarden er in detail zullen uitzien. Het volgende debat moet dan over twee of drie jaar plaatsvinden. Bovenal moeten wij een signaal afgeven aan de industrie over hoe wij de ontwikkelingen voor de toekomst zien. Dit is naar mijn mening een verstandige weg, en zo willen wij het ook aanpakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Euro 5 is een belangrijke stap in de juiste richting. We moeten ook zien met hoeveel procent vermindering wij het kunnen redden in welke tijdsspanne. Zijn er in dit vroege stadium al ideeën over het tijdschema en de overgangstermijnen?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Wat betreft het tijdschema en de overgangstermijnen: het is vermoedelijk te vroeg om hierover indicaties te geven, hoewel ik gesprekken voer met de meeste lidstaten. Bij het laatste algemene debat deed zich het probleem voor dat wij de gegevens van de Commissie als leidraad namen en deze als grondslag gebruikten voor de evaluatie. We zijn echter nog niet zover dat ik u een beeld kan schetsen van het algemene gevoelen over de hoogte van het verminderingspercentage voor welke termijn. Maar het is mijn bedoeling om voor een periode van jaren - zeg maar tien jaar - een visie te schetsen en de stadia aan te geven waarin deze zaken concreet ten uitvoer worden gelegd, maar ook om nu al vast te leggen in welke stappen wij met Euro 6 de uitvoeringsfase denken te bereiken. De heldere boodschap luidt dus: wij willen Euro 5 niet slechts met een compromis afsluiten en vlak daarna met iets nieuws beginnen, maar we willen bovenal een duidelijk signaal afgeven.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 10 van Seán Ó Neachtain (H-0416/06):

Betreft: Steun voor bosbouwprogramma's in Europa

Kan de Raad mededelen hoeveel middelen de Europese Unie wil uittrekken voor financiële steun aan bosbouwprogramma's in Europa in het algemeen en Ierland in het bijzonder in de periode 2007-2013?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Wat de kwestie van de Europese bosbouw betreft, zijn wij van plan om nog tijdens het Oostenrijkse voorzitterschap in juni een doorbraak te forceren door een discussie over een bosbouwstrategie voor Europa in gang te zetten. Tot op heden hebben wij op dit gebied nog geen gemeenschappelijke discussies gevoerd. Die zijn nu echter van meer belang dan ooit, aangezien wij middels de besluitvorming over het stimuleren van de ontwikkeling van de plattelandsgebieden de mogelijkheid kunnen creëren om voor de periode 2007-2013 een ontwikkelingsprogramma voor de plattelandsgebieden ten uitvoer te leggen, inclusief de bescherming van de bossen. De financiering daarvan vindt plaats via het Europees Fonds voor de landbouw en de ontwikkeling van de plattelandsgebieden. Met deze maatregel op bosbouwgebied dient met name - en dat is belangrijk - de concurrentiepositie van de bosbouw verbeterd te worden, zoals ook is neergelegd in artikel 20. Daarnaast dient het duurzame beheer van beboste gebieden bevorderd te worden.

Met betrekking tot de middelen die daarvoor aan de lidstaten beschikbaar worden gesteld, dient bedacht te worden dat in Verordening nr. 1698/2005 een cofinanciering door de Gemeenschap en de lidstaten is voorzien.

De bijdrage van de Gemeenschap aan de strategie en ondersteuning van de bosbouw zal ongeveer tussen de 50 en 55 procent bedragen. In de bijlage bij de verordening zijn daarvoor eenduidige maximumbedragen opgenomen. Het totale bedrag aan steun dat in de periode 2007-2013 bijvoorbeeld voor Ierland beschikbaar is, zal door de bevoegde instanties aldaar eerst in kaart worden gebracht en vervolgens aan de Europese Unie voorgelegd worden. In die plannen dienen niet alleen de nationaal beschikbare middelen opgenomen te zijn, maar ook de middelen die in overeenstemming met de wetgeving betreffende de plattelandsontwikkeling voor cofinanciering door de Europese Unie in aanmerking komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain (UEN). - (EN) Ik wil de fungerend voorzitter bedanken voor zijn antwoord. Ik wil hem vragen of hij van mening is dat de bijproducten van de Europese bosbouwindustrie in de toekomst mogelijk een belangrijke rol kunnen spelen in de voorziening in hernieuwbare energiebronnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Ik vind dat een absoluut noodzakelijk scenario. Wij mogen in Europa niet de fout maken die wij op nationaal niveau soms hebben gemaakt door alleen maar te discussiëren over ambitieuze doelstellingen. Dat is bijvoorbeeld bij het energiebeleid gebeurd: hoe groot dient het aandeel van hernieuwbare energie in de energietaart te zijn? Over welk duurzaam potentieel beschikken wij in Europa om uit biomassa, hout, biogas, windenergie of water hernieuwbare energie op te wekken? Wat is het haalbare potentieel als wij rekening houden met de duurzaamheid en op welke manier willen wij middelen in de plattelandsontwikkeling steken om dit potentieel aan hulpbronnen op een milieuvriendelijke, effectieve en rendabele manier op de markt voor de energievoorziening te brengen?

Dergelijke vragen willen wij aan de orde stellen in het kader van de bosbouwstrategie die wij nu in gang gaan zetten, mede tegen de achtergrond van het actieplan voor biomassa. Voor het Finse voorzitterschap zal de bosbouwstrategie van centrale betekenis zijn; wij geven daarvoor nu in juni alvast het startschot. Ook met betrekking tot de plattelandsontwikkeling dient er tijdens de discussies meer aandacht aan de hulpbronnen besteed te worden. In Oostenrijk gebeurt dat al. Ons grondoppervlak bestaat voor 47 procent uit bos. Wij zullen in de toekomst dan ook prioriteit geven aan de duurzame productie van biomassa als grondstof. Daarvoor zullen wij onder andere fondsen voor de plattelandsontwikkeling gebruiken op basis van een programma dat specifiek voor dit doel is ontworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 11 van Emanuel Jardim Fernandes (H-0501/06):

Betreft: Europese bosbouwstrategie

Gelet op de artikelen 2 en 6 van het EG-Verdrag, volgens welke de milieubescherming gezien moet worden als een horizontale doelstelling, alsook op Verordening (EG) nr. 2152/2003(1) inzake de bewaking van bossen en milieu-interacties in de Gemeenschap, de mededeling van de Commissie over een bosbouwstrategie voor de Europese Unie (COM(1998)0649 def.) en de resoluties van het EP over natuurrampen, inzonderheid de regionale aspecten (2005/2193 (INI)), de milieuaspecten (2005/2192 (INI)) en de landbouwaspecten ervan (2005/2195 (INI)), en overwegende dat, volgens gegevens van de Verenigde Naties, de natuurrampen in de Europese Unie tussen 1980 en nu aan 65 000 mensen het leven hebben gekost en voor 124,2 miljard euro aan economische schade hebben veroorzaakt, wilde ik de Raad het volgende vragen:

Welke maatregelen heeft het Oostenrijkse voorzitterschap genomen om de duurzaamheid van het Europese bosbestand te waarborgen?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) De communautaire maatregelen voor de bevordering van een duurzaam bosbeheer in de Europese Unie maken deel uit van de bosbouwstrategie van de Europese Unie, die uit meerdere componenten bestaat. Zo richt die strategie zich op de ontwikkeling van de plattelandsgebieden, op het beschermen van en het toezicht op het bosbestand, op het behoud van de biologische diversiteit en op het terugdringen van de gevolgen van de klimaatverandering.

De bossen vervullen een gevarieerd scala aan functies. Het beleid voor de ontwikkeling van de plattelandsgebieden is het belangrijkste instrument voor het uitvoeren van de bosbouwstrategie van de Gemeenschap, zoals ik ook al in het antwoord op de vorige vraag heb toegelicht. Voor de periode 2006-2010 heeft de Gemeenschap in het kader van de ontwikkeling van de plattelandsgebieden bijna 4,8 miljoen euro ter beschikking gesteld voor maatregelen gericht op de Europese bosbouw. Dat is 10 procent van het totale aantal middelen dat voor de ontwikkeling van de plattelandsgebieden beschikbaar is. In de nieuwe verordening krijgt de bosbouw met het oog op het bevorderen van de ontwikkeling van de plattelandsgebieden in de periode 2007-2013 zelfs nog meer aandacht. Dit is een duidelijke steunbetuiging, niet alleen aan de bosbouw zelf, maar ook aan de producenten en consumenten op bosbouwgebied.

Welke gebieden in de bosbouw komen volgens ons dan in de toekomst voor steun in aanmerking? In de eerste plaats zijn dat het bebossen van landbouwgronden, het opzetten van agrarische bosbouwsystemen op landbouwgronden en de bebossing van niet-agrarische stukken grond, voorts de betalingen (ook uit hoofde van Natura 2000), de betalingen voor milieugerichte bosbouwmaatregelen, de wederopbouw van het bosbouwpotentieel, het invoeren van preventieve maatregelen en steun voor niet-productieve investeringen.

Van belang voor het bepalen van de richting die wij in de toekomst moeten inslaan, is dat wij in het debat over de bosbouwstrategie één ding niet uit het oog verliezen, namelijk dat bossen vele belangrijke taken vervullen. Zo zijn bossen van belang voor de biodiversiteit van flora en fauna en bieden zij ruimte voor recreatie. Bossen spelen daarnaast een rol op milieugebied, zij ondersteunen ons bij de klimaatbescherming, zij leggen de basis voor een duurzame energievoorziening en tot slot zijn de bossen in Europa ook een economische factor van betekenis. Het is van doorslaggevend belang dat dit totaalbeeld voor ogen wordt gehouden. Over deze kwesties dient in het kader van de bosbouwstrategie dan ook uitvoerig gediscussieerd te worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE). - (PT) Ik ben zeker tevreden met uw antwoord. Intussen hebben we wel een verantwoordelijkheid op het gebied van milieubescherming. Het Parlement heeft zelfs een aantal resoluties aangenomen over natuurrampen en de gevolgen daarvan voor de betrokken regio’s, het milieu en de landbouw. In die resoluties is het drama dat zich vooral in de mediterrane regio afspeelt treffend beschreven. Het ergst was wel de situatie in mijn land, Portugal, en Spanje het afgelopen jaar. Die heeft geleid tot de vernietiging van opnieuw grote stukken bos, met alle gevolgen van dien voor de duurzaamheid: het platteland loopt leeg en de groei en ontwikkeling van de betrokken regio’s wordt geschaad. Daarom wil ik vragen, mijnheer Pröll, of er nog een aantal …

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Geachte afgevaardigde, u verwijst met uw vraag naar een regio die historisch gezien op bosbouwgebied heel veel problemen kent. Ik verwijs in eerste instantie naar de bosbranden, maar ik denk ook aan alle andere problemen die kenmerkend zijn voor het Middellandse-Zeegebied. Het is duidelijk dat de bosbouwstrategie niet uitsluitend bedoeld kan zijn voor Europese landen met een productieve bosbouw en landen met uitgestrekte bosgebieden. Wij moeten in die strategie ook rekening houden met de probleemgebieden waar u naar verwezen heeft.

Ik ga er dan ook vanuit dat onder het Finse voorzitterschap en zijn opvolgers uitgebreid aandacht wordt besteed aan de kwestie van de bebossing, milieumaatregelen, brandbeveiliging en dergelijke, en dat met name in die landen en regio’s die u heeft genoemd, mijnheer Fernandes. Wij moeten ook voor de meest benadeelde regio’s adequate maatregelen ontwikkelen. Dat ligt mij na aan het hart. Die bosbouwstrategie is dus niet alleen bedoeld voor landen als Zweden, Finland en Oostenrijk, maar dient rekening te houden met de omstandigheden in heel Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE). - (DE) U heeft Natura 2000 als een van de mogelijke bronnen voor bebossingsstrategieën genoemd. Bij deze kwestie zijn wij tot nu toe altijd weer op het probleem gestuit dat veel grondbezitters plotseling aan allerlei verplichtingen moeten voldoen zonder dat zij daarbij voldoende ondersteuning krijgen. Zijn er op dit punt in het kader van het programma of bij de financiële vooruitzichten ook voldoende financiële voorzieningen getroffen?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer Rack, dit is een onderwerp dat niet zo zeer de Europese Unie direct raakt, maar veel meer te maken heeft met de omzetting in de lidstaten. Het is echter wel belangrijk om in het kader van de bosbouwstrategie “Natura 2000” en van alle andere maatregelen die gevolgen voor eigendommen hebben - en het staat buiten kijf dat beschermende maatregelen voor flora en fauna dergelijke gevolgen hebben - de grondbezitters te betrekken bij het ontwikkelingsproces en de concrete omzetting ter plaatse. Dat is de taak van degenen die verantwoordelijk zijn voor de omzetting van Natura 2000. Door gebrek aan ervaring zijn er in het verleden veel fouten gemaakt, waardoor Natura 2000 zichzelf in de ruimste zin van het woord vaak een slechte naam heeft bezorgd. In de regio’s en landen waar die omzetting echter wel goed is verlopen, zowel bij de gesprekken met grondbezitters over het ontwikkelen van beheersplannen als bij het doen van een passend aanbod voor directe betalingen, is het systeem wel effectief gebleken. Er zijn talloze voorbeelden die dat onderstrepen. De eigenaren moeten echter wel bij de ontwikkeling van de strategie en bij de beheersplannen betrokken worden. Bovendien moet er een helder aanbod worden gedaan: als hun grond voor het milieu gebruikt moet worden, dan moet daar ook in de bosbouw een passende compensatie tegenover staan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 12 van Péter Olajos (H-0075/06):

Betreft: Schuim op de rivier de Raab

De Raab, die vanuit Oostenrijk Hongarije binnenstroomt, ondervindt sinds 2001 grote problemen door schuimvorming als gevolg van verontreiniging met naftaleen-sulfonaat afkomstig van afvalwater van de Oostenrijkse bedrijven Boxmark in Jennersdorf en Feldbach en Schmidt in Wollsdorf, dat wordt geloosd in hoeveelheden die de grenswaarden overschrijden. Vanuit Hongarije is al meermalen geprotesteerd (bijvoorbeeld door de Oostenrijks-Hongaarse grenswatercommissie, op regeringsniveau, actiegroepen, enz.) tegen de activiteiten van deze bedrijven, die al vijf jaar schade toebrengen aan de natuur en de omwonenden. Al vijf jaar lang gebeurt er niets, maar de Oostenrijkse minister van Milieu vraagt om "geduld". Hoe wil Oostenrijk, dat op dit moment het Raadsvoorzitterschap bekleedt, een voorbeeld stellen voor de andere lidstaten? Hoe zal het de rechtsregels betreffende de kwaliteit van het oppervlaktewater en het Verdrag van Helsinki inzake grensoverschrijdende waterlopen naleven?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Dit is een zeer specifieke vraag die ik als voorzitter van de Raad zal trachten te beantwoorden, maar waarop ik met name ook als Oostenrijkse minister zal moeten reageren. Het Europees Parlement en de Raad hebben op basis van Richtlijn nr. 2060/EG een uitgebreid regelgevingskader gecreëerd voor maatregelen van de Gemeenschap op het gebied van het waterbeleid. Deze richtlijn heeft onder andere tot doel om stapsgewijs te voorkomen dat gevaarlijke stoffen in het water terechtkomen. In de richtlijn wordt er ook vanuit gegaan dat er een samenwerking tussen de lidstaten zal plaatsvinden met betrekking tot grensoverschrijdende waterlopen. In noodgevallen kan de Commissie daarbij als bemiddelaar optreden.

Wat de concrete vraag van u over de Raab betreft, kan ik alleen maar meedelen dat de schuimvorming in die rivier over het algemeen slechts af en toe optreedt, qua locatie zeer beperkt is en met name stroomafwaarts bij veiligheidsdammen optreedt. Tot nu toe is niet gebleken dat dit schuim nadelige gevolgen heeft voor het waterecosysteem van de Raab. Desalniettemin heeft Oostenrijk - niet in het minst dankzij de werkzaamheden van mijn deskundigen - in overeenstemming met artikel 5 van de waterkaderrichtlijn tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, een verslag opgesteld over de analyse van de verontreinigende belasting en de effecten daarvan op het betreffende gedeelte van de Raab. In het verslag wordt geconstateerd dat, gezien de chemische toestand van dat riviergedeelte, het risico bestaat dat het water niet voldoet aan de norm voor kwalitatief goed water. In overeenstemming met de regeling zoals die in de waterkaderrichtlijn voorzien is, zullen er aanvullende monsters worden genomen om de oorzaken en de omvang van het probleem en de eventuele oplossingen daarvoor te onderzoeken. Op die manier kan er een goed gefundeerd actieprogramma opgesteld worden.

Ik kan u vanaf deze plaats de verzekering geven dat ik er groot belang aan hecht om middels een gestructureerde en positieve samenwerking met ons buurland een oplossing te vinden in overeenstemming met hetgeen in de communautaire planning voor het waterbeleid in Europa is vastgelegd. Ik zal in overleg met de verantwoordelijke functionarissen in de betreffende regio’s - en dan hebben we het concreet over twee Oostenrijkse deelstaten - alles in het werk stellen om te zorgen dat dit probleem serieus wordt genomen en dat er een voor Hongarije aanvaardbare oplossing tot stand wordt gebracht. Ik hecht daar zeer groot belang aan en ik zal zorgen dat die oplossing er komt. Inmiddels heb ik in Oostenrijk al de eerste stappen genomen om dat te bewerkstelligen.

 
  
MPphoto
 
 

  Péter Olajos (PPE-DE). - (HU) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister, ik wilde u en de Oostenrijkse regering bedanken voor al hetgeen u hebt gedaan en voor uw belofte dat met ingang van 1 juli het verontreinigde water van de leerfabriek in Jennersdorf niet meer geloosd zal worden in de rivier Raab. Wij zijn het denk ik met elkaar eens dat de Oostenrijks-Hongaarse grens een groenzone is van een specifiek soort en een bolwerk van ecotoerisme zou moeten worden. Daarom wil ik u vragen of wij misschien ook niet het probleem van het geothermisch project in Fürstenfeld zouden kunnen oplossen, dat via de rivier Freistritz de rivier Lapincs (Lafnitz) verontreinigt.

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) In beide gevallen, en zeker in de door u aangekaarte Raab-kwestie, hebben wij er via een bilaterale commissie voor gezorgd dat wij gezamenlijk uw bezwaren weg konden nemen. Vanaf de door u genoemde datum kan er nu met betrekking tot de fabriek die u met naam heeft genoemd, aan een verbetering van de situatie worden gewerkt. Ik heb daartoe ook rechtstreeks contact opgenomen met de betreffende autoriteiten in de regio.

Ik hecht er veel belang aan dat deze kwesties opgelost worden en ik zal ervoor zorgen dat wij daar in beide gevallen ook gezamenlijk in zullen slagen. Ik heb er als minister van Milieuzaken van de republiek Oostenrijk immers net zo veel belang bij dat mijn mening ook in het kader van uw procedures wordt gehoord, bijvoorbeeld met betrekking tot de kerncentrale in Paks. Wij zijn buurlanden, wij hebben gemeenschappelijke belangen in de regio en het blijft uiteindelijk een kwestie van geven en nemen. Ik hoop dat dat niet alleen voor water, maar ook voor kernenergie geldt.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Oostenrijk staat bekend om zijn schone meren en schone rivieren. Daarom ben ik benieuwd hoe de Europese regelgeving zich tot de Oostenrijkse regelgeving verhoudt. Zijn de controles op Europees niveau strenger dan in Oostenrijk of omgekeerd?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) In verhouding tot andere landen presteert Oostenrijk wat de waterkwaliteit betreft zeer goed. Er doen zich echter wel af en toe problemen voor - daar bestaat geen twijfel over - en in dit geval moeten wij hiervoor samen met Hongarije een oplossing zien te vinden. Over het algemeen is de waterkwaliteit in Oostenrijk echter uitstekend. Dat kan ook concreet gemeten worden aan de hand van de Europese richtlijn betreffende de kwaliteit van het zwemwater.

In maart 2003 is de richtlijn over de kwaliteit van het zwemwater waarin de betreffende normen zijn vastgelegd, voor het eerst besproken. Dat was in het kader van de debatten in de Milieuraad, die ik toentertijd voor de eerste keer als jonge minister bijwoonde. Tegen die achtergrond kan ik hier dan ook verklaren dat wij constant verbeteringen hebben kunnen doorvoeren in de kwaliteit van ons stromend water. Alle Oostenrijkse meren hebben zwemwaterkwaliteit en de meeste zelfs drinkwaterkwaliteit. Dat heeft ons weliswaar miljarden euro’s aan investeringen voor zuiveringsinstallaties gekost, maar dit is dan ook een belangrijk onderwerp. In de geest van die ontwikkeling willen wij samen met Hongarije ook voor het probleem rondom de Raab een passende oplossing vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 13 van Antonios Trakatellis (H-0293/06):

Betreft: Milieubescherming in het gebied van de Middellandse Zee in het kader van de partnerschapsovereenkomsten en het proces van Barcelona

Het gebied van de Middellandse Zee is de belangrijkste toeristische bestemming in de wereld en de natuurlijke rijkdom van de regio is het onderwerp van een groot aantal activiteiten met een groot sociaal-economisch belang voor alle lidstaten van de Unie en voor de landen in het gebied.

Jaar-in jaar-uit verslechtert het milieu in het gebied van de Middellandse Zee (zie de rapportages van het Europees Milieuagentschap), met name door stedelijk en industrieel afval en maritieme activiteiten. De verslechtering bestaat uit achteruitgang van de natuurlijke rijkdommen en het niet-milieuvriendelijke beheer van de visbestanden. Welke maatregelen is de Raad van plan te gaan nemen naast de bevordering van de regionale samenwerking 'actieplan voor de Middellandse Zee' van het milieuprogramma van de VN, enerzijds met het oog op de effectieve toepassing van de communautaire wetgeving op het grondgebied van de lidstaten en anderzijds ter bevordering van de toepassing van het acquis communautaire op het gebied van milieu- en waterbescherming in de landen rond de Middellandse Zee? Gaat de Raad akkoord met bindende clausules en maatregelen in de partnerschapsovereenkomsten met de landen rond de Middellandse Zee en in het proces van Barcelona?

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) In de jaarlijkse bijdrage van de Raad aan de Voorjaarstop van de Europese Raad van maart 2005 is uitdrukkelijk onderstreept dat de Raad onder andere prioriteit geeft aan de wijze waarop het milieurecht van de Europese Gemeenschap in de praktijk wordt toegepast en aan een verdere verbetering van de Europese beleidsvorming, waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de economische, sociale en ecologische aspecten.

Tijdens de Euro-mediterrane ministersconferenties wordt regelmatig aandacht besteed aan de complexe thema’s rondom de duurzaamheid van het milieu in het Middellandse-Zeegebied. Er hebben inmiddels twee Euro-mediterrane ministersconferenties over het milieu plaatsgevonden, namelijk in november 1997 in Helsinki en in juli 2002 in Athene. Bij het omzetten van de resultaten van die conferenties ligt de nadruk op het vastleggen van een strategisch kader en op het bevorderen van een gezamenlijke aanpak en gemeenschappelijke initiatieven om de institutionele en technische capaciteiten in de regio te verbeteren. Daartoe dient er voornamelijk meer aandacht te worden besteed aan synergieën met andere programma’s dan in het verleden het geval is geweest.

Op de zevende Conferentie van ministers van Buitenlandse Zaken op 30 en 31 mei in Luxemburg is het initiatief van de Commissie om de vervuiling in de Middellandse Zee uiterlijk in 2020 uit de weg te hebben geruimd, nogmaals bekrachtigd. Dit initiatief beoogt alle vervuilingsbronnen aan te pakken, inclusief industriële emissies, stedelijk afval en met name stedelijk afvalwater. Dit moet leiden tot een verbetering van de perspectieven voor het toerisme en een groei van de visbestanden. Hierdoor moet tevens een veilige drinkwatervoorziening voor miljoenen burgers in de regio worden gecreëerd. De mediterrane partners dienen daartoe de beschikking te krijgen over een adequate financiële ondersteuning. De genoemde doelstellingen zijn ook tijdens de Euro-mediterrane Top in Barcelona nogmaals bevestigd. Tevens is er gevraagd een tijdschema op te stellen om te waarborgen dat de vervuiling van de Middellandse Zee uiterlijk 2020 verleden tijd is. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met vergelijkbare ervaringen met duurzame ontwikkelingen zoals in het gebied rond de Baltische Zee, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee.

In het kader van het Europese nabuurschapsbeleid is er over vijf actieplannen onderhandeld die uiteindelijk ook formeel zijn aangenomen. Het gaat om actieplannen met Israël, Jordanië, Marokko, Tunesië en de Palestijnse Autoriteit. Soortgelijke onderhandelingen met Egypte en Libanon zijn nog aan de gang. In dit verband ligt de grootste nadruk niet alleen op milieubescherming en watervoorziening, maar ook op de verwerking van afvalwater, de ervaringen van de EU met milieueffectrapportages en de activiteiten van het Europees Milieuagentschap. Het is onze intentie ervoor te zorgen dat een intensievere bilaterale samenwerking in ieder geval ook de tenuitvoerlegging omvat van multilaterale milieuovereenkomsten over de bescherming van de Middellandse Zee en over klimaatveranderingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonios Trakatellis (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Zoals u al heeft gezegd, is het Middellandse Zeegebied de belangrijkste toeristische bestemming, en daarom is het beleid voor het mariene milieu ook zo belangrijk.

Is de Raad bijgevolg van plan via de procedures waarnaar u eerder heeft verwezen, zoals partnerschapsovereenkomsten en het proces van Barcelona, iets in de trant van de kaderstrategie voor de zee te bevorderen, die in de Europese Unie al via de gelijknamige richtlijn wordt uitgevoerd? Ik vraag dat omdat de betreffende richtlijn al een strategie bevat. Zijn wij dus van plan deze strategie ook via onze partnerschapsbetrekkingen in het Middellandse Zeegebied te bevorderen? Ik denk dat het mariene milieu op die manier veel doelmatiger beschermd zou worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Josef Pröll, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Ik sta absoluut op het standpunt dat wij in het kader van de partnerschapsovereenkomsten ook meer aandacht moeten besteden aan de wijze waarop de financiële steun vorm wordt gegeven. Wij hebben in het verleden immers al van ondersteuningsmechanismen gebruikt gemaakt om het gehele Middellandse-Zeegebied te ondersteunen, zodat het niet alleen zijn zeer uiteenlopende, fundamentele functies kan uitvoeren, maar ook berekend is op de eisen die de bijzondere kenmerken en kwetsbaarheden van dit gebied met zich meebrengen, zeker ook met betrekking tot de ecosystemen. De Raad zal zich dus ook intensiever over de kwestie van de directe ondersteuning moeten buigen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.15 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: LUIGI COCILOVO
Ondervoorzitter

 
  

(1) PB L 324 van 11.12.2003, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 10 augustus 2006Juridische mededeling