Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2002(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0248/2006

Ingediende teksten :

A6-0248/2006

Debatten :

PV 25/09/2006 - 19
CRE 25/09/2006 - 19

Stemmingen :

PV 26/09/2006 - 7.6
CRE 26/09/2006 - 7.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0368

Debatten
Maandag 25 september 2006 - Straatsburg Uitgave PB

19. Totstandbrenging van een Europees kader voor kwalificaties (debat)
PV
MPphoto
 
 

  Voorzitter. Aan de orde is het verslag van de heer Mann, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over de totstandbrenging van een Europees kader voor kwalificaties (2006/2002(INI)) (A6-0248/2006).

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann (PPE-DE), rapporteur.(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte Commissaris Figel’, beste collega’s! We kunnen in de Europese Unie de concurrentie niet aangaan met de lage lonen en de lage sociale normen van opkomende landen. In plaats daarvan moeten we onze kansen op hoogwaardig werk verder uitbouwen. Gekwalificeerde opleidingen en bijscholing zijn daarvoor de essentiële voorwaarden. In maart 2005 verklaarden de ministers voor onderwijs van de 25 lidstaten van de EU dat ze bereid waren hun nationale systemen te moderniseren. Het individu moet de kansen krijgen om zich aan te passen aan de nationale en de internationale arbeidsmarkt, die steeds meer eisen stelt.

Er bestaan nog torenhoge hindernissen in de toegang tot onderwijs en opleiding tussen de instellingen en de lidstaten. Kennis en vaardigheden kunnen ook niet efficiënt gebruikt worden en de kwalificaties zijn niet transparant. Het gevolg is dat een diploma in het buitenland nog onvoldoende erkend wordt. Hoe overzichtelijker schoolsystemen worden, hoe gemakkelijker het wordt om een specifiek model uit een lidstaat te beoordelen – bijvoorbeeld in Duitsland de kwaliteit van het duale systeem en de waarde van een vakdiploma.

Het Europees kwalificatiekader of EQF is een metakader met drie bedoelingen. Ten eerste moet het de nationale en de internationale kwalificaties met elkaar verbinden. Ten tweede moet het ervoor zorgen dat bekwaamheden erkend worden en dat ze vergelijkbaar en overdraagbaar worden. Ten derde moet het kader zorgen voor meer transparantie, soepelheid en mobiliteit. De basis voor het EQF zijn acht referentieniveaus waarmee beschreven wordt wat een persoon kent. De niveaus beginnen bij de basisvaardigheden voor eenvoudige opdrachten en gaan tot duidelijk ontwikkelde vaardigheden voor een academische opleiding. Op elk van deze acht niveaus moet het mogelijk zijn beroepsvaardigheden te verwerven, ongeacht het opleidingssysteem waarin dit gebeurt. De sociale partners, de kamers van koophandel en fabrieken, de kamers van ambacht, onderwijsgevenden, docenten aan beroepsopleidingen, stagiairs en leerlingen in het leerlingstelsel en hun docenten, waren het er allemaal mee eens. Iedereen weet immers dat de maatregelen van de lidstaten niet vervangen moeten worden, maar op een deskundige manier aangevuld. Deze omzetting moet bovendien op vrijwillige basis gebeuren.

Als rapporteur van het Europees Parlement heb ik op enkele punten uit het voorstel van de Commissie kritiek uitgeoefend. Dit betrof vooral punten waar te veel belang gehecht werd aan de academische opleiding en waar de beroepsopleiding niet voldoende in aanmerking werd genomen. Ik mis ook nog een duidelijke verwijzing naar de arbeidsmarkt. Het EQF moet gericht zijn op de doelen van Lissabon-II, groei en werkgelegenheid. In dat verband moet het EQF aandacht besteden aan het concurrentievermogen van bedrijven en anderzijds aan de arbeidsinzetbaarheid van individuen, dus de inzetbaarheid van werknemers. Ik heb mijn bezwaren uiteengezet in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en ik was zeer verheugd over de voorstellen van mijn collega's – velen onder hen zijn hier vandaag ook aanwezig – en over de goedkeuring met eenparigheid van stemmen en drie onthoudingen.

We zijn het er onder andere over eens dat het kwalificatiekader zich nu meer op de resultaten van leerprocessen moet gaan richten. Dit is een duidelijke ommekeer ten opzichte van de beoordelingen tot nu toe, waarin enkel aandacht besteed werd aan de duur van de studie en de aard van het diploma. Voor ons is het van het grootste belang dat beroepsopleiding en academische opleiding gelijkwaardig worden. Het zijn immers twee zijden van dezelfde medaille, namelijk het proces van Bologna aan de ene kant, waarmee één gemeenschappelijke Europese ruimte voor hoger onderwijs gecreëerd moet worden en het proces van Kopenhagen aan de andere kant, dat moet zorgen voor een versterkte Europese samenwerking op het vlak van beroepsopleiding. Het Europees Kwalificatiekader kan pas een succes zijn wanneer in alle lidstaten nationale kwalificatiekaders opgesteld worden, wanneer deze verder ontwikkeld kunnen worden zodat zij in het jaar 2009 op een slimme manier aan het EQF gekoppeld kunnen worden. Ik hoop dat de inhoud van dit kader bekend zal worden bij het grote publiek – wij kunnen daar met het Europees Parlement zeker een rol in spelen – en dat sociale partners, scholen en instellingen in onderling vertrouwen kunnen samenwerken. Dan pas beschikken we over een goed instrument voor onderwijsinstellingen en voor het werken in de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is een pakket dat aantoont dat onderwijs en opleiding in beweging komen. Ik weet zeker dat het EQF een van de hoofdpunten zal zijn voor de komende jaren. Toen mij werd gevraagd wat de komende vijf jaar de belangrijkste kwesties waren in mijn portefeuille, heb ik gezegd dat EQF daar een van was, en ik geloof dat we die belofte nu inlossen; niet alleen maar erover praten.

Om te beginnen wil ik mijn dank uitspreken aan de rapporteur en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken voor het uitstekende verslag dat in overleg met andere commissies is opgesteld en dat een afspiegeling vormt van het raadplegingsdocument van de Commissie van vorig jaar. Het biedt ons de mogelijkheid na te denken over het formele voorstel dat deze maand is aangenomen, omdat ik zeker weet dat levenslang leren en mobiliteit essentieel zijn voor ons concurrentievermogen en de sociale samenhang in de Europese Unie.

De Commissie heeft altijd positieve stappen gezet om op dit terrein vooruitgang te boeken. In de praktijk worden mensen in Europa echter nog maar al te vaak geconfronteerd met obstakels als zij voor studie of werk van het ene land naar het andere proberen te reizen, en wanneer zij in de Unie burgers proberen te worden in plaats van toeristen. Ze worden ook met problemen geconfronteerd als ze proberen voort te bouwen op eerder onderwijs en bijvoorbeeld van beroepsonderwijs willen doorstromen naar hoger onderwijs. Het EQF zal helpen dat probleem op te lossen. Het zal de transparantie vergroten en de verschillende nationale kwalificatiesystemen of kwalificatiekaders in Europa beter begrijpelijk maken. Door ondersteuning van de communicatie tussen verschillende systemen zal het de toegang tot onderwijs en opleidingen vergemakkelijken en de mobiliteit bij studie en werk vergroten. Het zou ook van pas kunnen komen buiten Europa, want toen ik in Moskou was, of in juni in Canada, toonden beide landen - Rusland en Canada - interesse en wilden ze meer weten om hun eigen beleid te versterken.

We beschikken al over de juridische instrumenten, zoals de richtlijnen voor onderlinge erkenning van beroepskwalificaties. Het Europass-initiatief is vandaag genoemd, en daarmee worden vergelijkbare doeleinden nagestreefd. Deze instrumenten zijn echter niet toereikend en daarom is het EQF een belangrijke volgende stap ter verbetering van de situatie.

In ons voorstel is al veel van het commentaar en de aanbevelingen uit het verslag van de heer Mann geïntegreerd. Ik weet zeker dat we het daarover eens zijn. Ik ga er dan ook van uit dat het Parlement en de Commissie in deze kwestie overwegend dezelfde lijn volgen. Het document waarbij u commentaar leverde, was een raadplegingsdocument van juli vorig jaar. Sindsdien zijn we verdergegaan op de weg naar een praktischer en gemakkelijk te gebruiken instrument.

De heer Mann heeft gelijk als hij zegt dat we meer moeten doen aan beroepsonderwijs en -opleidingen. Ik zou graag in herinnering willen roepen dat het in de Verdragen is opgenomen bij het Verdrag van Rome in 1957, en dat hoger onderwijs pas in het Verdrag van Maastricht is opgenomen. In 1999 is het Bologna-proces van start gegaan en nog later het Kopenhagen-proces. We hebben nu twee parallel lopende processen die een goede invoer leveren voor het kwalificatiekader, maar we zullen het zover moeten krijgen dat we kunnen beginnen met de werkelijke implementatie van belangrijke bepalingen uit de Verdragen. Dat doen we nu: in het Bologna-proces 45 landen, in het Kopenhagen-proces 32. Twee weken geleden was ik in Zwitserland, waar men ook wil deelnemen aan het Kopenhagen-proces. Dat zijn goede berichten voor ons werk.

Het EQF zal alleen vrucht dragen als het op de juiste manier door de lidstaten wordt geïmplementeerd. Ze zullen hun kwalificatiesystemen moeten koppelen aan het EQF. Ik ben ervan overtuigd dat ons voorstel de gemeenschappelijke taal en de middelen biedt die nodig zijn voor het ontwikkelen van het wederzijdse vertrouwen, wat de basis vormt voor daadwerkelijke implementatie van een dergelijk instrument. Die strategie helpt werkgevers en anderen ook bij het vergelijken van kwalificaties in de Unie en tussen verschillende onderwijs- en opleidingssystemen

Ik weet zeker dat dit belangrijke initiatief mensen in Europa helpt de uitdagingen aan te gaan en de vruchten te plukken van de kenniseconomie. We zien verlangend uit, niet alleen naar toekomstige discussies, maar ook naar verdere samenwerking in aansluiting op de recente aanneming van het voorstel.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Stefano Zappalà (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, de Lissabon-strategie heeft tot doel het moderniseringsproces van onze Europese onderwijs- en opleidingsstelsels te versnellen teneinde de Europese economie uiterlijk in 2010 tot de meest concurrerende economie van de wereld te maken.

Grotere mobiliteit op de arbeidsmarkt en een efficiënt systeem voor levenslang leren vormen daarvoor de essentiële en onmisbare voorwaarden. De tekortschietende communicatie en samenwerking tussen de nationale autoriteiten en tussen de onderwijsstelsels op de diverse niveaus vormen een belemmering voor een efficiënt gebruik van de reeds verworven competenties en kennis. Daartoe moet een zekere wisselwerking tussen de stelsels voor algemeen en beroepsonderwijs bevorderd worden.

Zoals de commissaris al heeft aangestipt, is in zekere zin via richtlijn 36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, waarvoor ik rapporteur was, al een proces gestart dat met de introductie van een Europees kwalificatiekader zijn natuurlijke integratie en voortzetting krijgt. Dat kader zal het instrument zijn om het wederzijds vertrouwen tussen de verschillende stelsels te verbeteren en te consolideren door de mobiliteit en het levenslang leren te bevorderen. Het moet een flexibele structuur bieden die makkelijk te integreren valt met de dienovereenkomstige nationale structuren, terwijl tegelijkertijd de specifieke kenmerken van elk stelsel worden gerespecteerd. Zoals collega Mann terecht stelt, moet het kader de erkenning, de verenigbaarheid en de overdracht van kwalificaties van algemeen en beroepsonderwijs zekerstellen.

Dat zal meer en betere uitwisseling van informatie inhouden over titels, kwalificaties, certificering en erkende beroepservaring in de lidstaten.

Zoals het Commissievoorstel nu is geformuleerd, is het Europees kwalificatiekader echter niet helemaal duidelijk. Het moet inzichtelijker gemaakt worden door bepaalde aspecten te herzien die nu onsamenhangend lijken. Daarom doen we de Commissie de suggestie het voorstel te wijzigen en te herformuleren zonder evenwel de doelstellingen te veranderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Milan Gaľa (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie cultuur en onderwijs.(SK) Het doet mij deugd te merken dat het hele gebied van levenslang leren en opleidingen sinds kort niet meer een ondergeschoven kindje is, maar een volwaardige plaats heeft toebedeeld gekregen. De herziening van de Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid en de noodzaak de doelstellingen ervan te verwezenlijken zijn in dit verband een belangrijke stimulans geweest. Al in 2000 werd een belangrijke stap gezet met de aanneming van het werkprogramma “Onderwijs en opleiding 2010”, dat niet alleen tot doel heeft de kwaliteit en efficiëntie van onderwijs- en opleidingsstelsels te verbeteren, maar ook om ze beter en voor een groter publiek toegankelijk te maken.

Het voorgestelde Europees kwalificatiekader waarover wij vandaag debatteren, is een concreet initiatief dat uit het werkprogramma voortvloeit. Naar mijn mening is het een constructieve stimulans die aanmerkelijk zal bijdragen aan de transparantie van de omzetting en erkenning van kwalificaties op Europees niveau. Tevens kan het Europees kwalificatiekader de hervorming van nationale en sectorale hervormingen met het oog op levenslang leren in de hand werken en tegelijkertijd de mobiliteit van studenten en werknemers in belangrijke mate helpen bevorderen. Ik wil in het debat van vandaag met name de aandacht vestigen op het nieuwe element dat met het Europees kwalificatiekader geïntroduceerd wordt, namelijk de erkenning van niet-formeel en informeel leren. Dit maakt dat de beoordeling, die van oudsher gebaseerd is op de duur van het onderwijs of het soort instelling, vanuit een ander perspectief plaatsvindt, waarbij de nadruk meer komt te liggen op prestatie, kennis, vaardigheden en vakkundigheid.

Ik wil mijn dank betuigen aan collega Mann, de rapporteur van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, voor zijn werk aan het verslag over de totstandbrenging van een Europees kwalificatiekader, en ook aan de hier aanwezige commissaris voor onderwijs, opleiding, cultuur en meertaligheid, de heer Figeľ, en zijn team dat aan de beleidsnotitie heeft gewerkt. Het is goed nieuws dat de Europese Commissie tijdens haar vergadering van 5 september haar goedkeuring heeft gehecht aan het voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor levenslang leren. Ik reken erop dat het Europees Parlement het verslag van collega Mann in deze vergadering zal aannemen, wat ons in staat zal stellen te debatteren over een nieuw document van de Commissie over het Europees kwalificatiekader.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská, namens de PPE-DE-Fractie. (SK) Ik beschouw het als een belangrijke taak van de EU Europese wetgeving vast te stellen die de regulering van het ondernemingsklimaat formeel en informeel verbetert. Menselijk kapitaal is een essentieel onderdeel van dit klimaat, en ondernemersverenigingen noemen de richtlijn over de erkenning van beroepskwalificaties dan ook de meest positieve maatregel die de Europese Unie in deze zittingsperiode heeft genomen.

Een andere maatregel die bijzondere aandacht verdient is de totstandbrenging van het Europees kwalificatiekader, dat een transparante beoordeling van onderwijs moet garanderen, ongeacht de methode aan de hand waarvan de onderliggende kwalificaties zijn behaald. Ik ben ook vol lof over het nieuwe element, dat wil zeggen, de erkenning van niet-formeel en informeel leren, inclusief het verwerven van beroepservaring. In dit verband wil ik graag mijn collega’s Mann, Gaľa en Zappalà bedanken voor het feit dat zij als rapporteurs een consistent verslag hebben opgesteld. Ik ben het eens met de aanbeveling van de rapporteurs de acht referentieniveaus die de essentie vormen van het kwalificatiekader te vereenvoudigen en transparanter te maken.

Ik ben van mening dat met het Europees kwalificatiekader, ook al wordt het op vrijwillige basis toegepast, in combinatie met nationale kwalificatiekaders een stelsel tot stand zal worden gebracht waarmee hindernissen op de arbeidsmarkt van de Europese Unie uit de weg kunnen worden geruimd. Ik ben ervan overtuigd dat het bedrijfsleven dit initiatief van de Europese Commissie eveneens op prijs zal stellen, omdat het de diverse nationale kwalificaties en certificeringen inzichtelijker maakt. Werkgevers zullen het Europees kwalificatiekader daardoor als referentie kunnen gebruiken bij het selecteren van hooggekwalificeerd personeel op grond van opleiding, vaardigheden en vakbekwaamheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, de Unie krijgt met het Europees kwalificatiekader een instrument in handen dat zeker voor verbetering vatbaar is, maar ook essentieel voor de verbetering van de mobiliteit in de Europese Unie.

Mobiliteit van Europese bedrijven en burgers zorgt in feite voor een nieuwe arbeidsmarkt op Gemeenschapsniveau. Voor alle Europese werknemers, of het nu gaat om ingenieurs, technici of arbeiders, is de beroepskwalificatie de enige echte garantie voor hun waarde op de arbeidsmarkt, zowel op nationaal als Gemeenschapsniveau.

Net zoals we de euro nodig hebben, de eenheidsmunt die borg staat voor het soepele verloop en de integratie op Gemeenschapsniveau van de economie, hebben we ook behoefte aan een gemeenschappelijk, op de Europese arbeidsmarkt erkend criterium voor de waarde van beroepskwalificaties. Deze erkenning van de gemeenschappelijke waarde van beroepskwalificaties is nodig voor werkgevers én werknemers. Voor werkgevers is de kwalificatie een garantie dat een werknemer beschikt over voldoende kennis en vaardigheden en geschikt is voor de functie in kwestie; voor de werknemer is zij een waarborg voor dit competentieniveau en een garantie dat dit niveau in de hele Europese Unie als zodanig wordt erkend. Ongeacht de nationale gebruiken garandeert de certificering in alle gevallen dat betrokkene in principe de capaciteiten heeft voor een bepaalde functie en in staat is de daarvoor benodigde kennis en vaardigheden in te zetten. Dit is dan te danken aan kennis die door opleiding of beroepservaring is opgedaan.

Ook ik wil graag benadrukken dat er in een aantal lidstaten vooruitgang is geboekt in de vorm van de erkenning van ervaring die is opgedaan aan het einde van een opleiding, zoals reeds gezegd is. Op termijn zal het Europees kwalificatiekader de bindende factor moeten zijn in dit proces en zullen alle vormen van erkenning hierin ondergebracht moeten worden. De eerstvolgende stap moet zijn dat de sociale partners nu al voorbereid worden op en betrokken worden bij dit proces om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met het EQF in collectieve overeenkomsten, zodat de doorstroming op de arbeidsmarkt wordt omgeven met een echte sociale garantie.

Werk, mijnheer de Voorzitter, wordt pas echt op waarde geschat via de arbeidsovereenkomst en de loonstrook.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne E. Jensen, namens de ALDE-Fractie. – (DA) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, zoals vanavond al meerdere keren is gezegd: besluiten over onderwijs- en opleidingsbeleid moeten op nationaal niveau worden genomen. En zo moet het ook blijven, maar zoals tevens uit het debat van vandaag blijkt, zijn er veel gemeenschappelijke initiatieven om opleidingen in Europa te ontwikkelen door middel van uitwisseling en samenwerking. Dat zijn goede initiatieven, en het is belangrijk dat daarover op ruime schaal informatie aan de bevolking wordt verschaft.

In de ALDE-Fractie sluiten we ons van harte aan bij het opstellen van een Europees kwalificatiekader, dat kortweg het EQF wordt genoemd. Dit kader is bedoeld om de erkenning en het gebruik van reeds verworven kwalificaties en competentie te bevorderen en daarmee de toegang tot levenslang leren voor alle burgers te vergemakkelijken. Nu er 32 landen aan deze vorm van samenwerking deelnemen, biedt dat de mogelijkheid voor een breed gerichte ontwikkeling van onderwijs, opleidingen en werkgelegenheid in Europa. De specifieke aandacht voor reeds verworven kwalificaties is een belangrijke doorbraak. De aandacht gaat nu uit naar het resultaat, de feitelijke competentie, en niet alleen naar de manier waarop die wordt bereikt. Daardoor wordt rekening wordt gehouden met de zeer verschillende opbouw van vooral de beroepsopleidingen in Europa, terwijl we tegelijkertijd gemeenschappelijke doelen stellen. Ik wil in dat verband met nadruk wijzen op de eis die de heer Mann heeft gesteld, namelijk dat we meer aandacht moeten besteden aan de beroepsopleidingen, inclusief de nascholing. We moeten ons niet alleen richten op de universitaire opleidingen.

Bovendien is het belangrijk dat we zorgen voor een systeem dat niet al te ingewikkeld is. Het zou fijn zijn als het eenvoudiger en duidelijker is dan in het werkdocument is geschetst. Wil het EQF een succes worden, dan is het bovendien belangrijk, zoals de commissaris al heeft aangegeven, dat alle landen uit vrije wil meedoen en dat zij hun eigen internationale – of voor zover relevant regionale – kadersystemen voor de waardering van kwalificaties introduceren. Het is belangrijk om voort te bouwen op het werk dat reeds is verricht met het oog op de waardering van de kwaliteit van opleidingen, en om de opbouw van onnodige bureaucratie te vermijden. Dat zal niet gemakkelijk zijn, maar we stellen ons vanavond ambitieuze doelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sepp Kusstatscher, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter! De Raad en de Commissie hebben de bedoeling om de vaardigheden, bekwaamheden en competenties die iemand op school, in het beroepsleven en in de vrije tijd verwerft zo veel mogelijk wederzijds te erkennen, en dat is een zeer positief streven. Ik ben ook voorstander van de voorstellen van rapporteur, de heer Mann, voor wie ik hiermee mijn respect wil uitspreken, met name het voorstel om veel meer belang te hechten aan de beroepsopleiding, naast de academische opleiding.

In de minuut die ik hier ter beschikking gekregen heb, wilde ik nog iets kwijt met betrekking tot de problemen bij het erkennen van kwalificaties. Het grootste probleem is dat weten en kennen geen materiële goederen zijn die gemeten kunnen worden en waarvoor normen opgesteld kunnen worden. Heel goede scholieren falen vaak in het beroepsleven omdat de kwalificaties die op school gemeten worden en waaraan punten toegekend worden, erg verschillen van wat in het beroepsleven van belang is. Wie succes wil boeken in zijn beroepsleven heeft vooral emotionele, creatieve en sociale vaardigheden nodig. Hij moet beschikken over moed, enthousiasme, praktische intelligentie, doorzettingsvermogen, draagkracht – kwaliteiten die op school helaas niet erg gestimuleerd worden of kunnen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Guntars Krasts, namens de UEN-Fractie. (LV) Allereerst wil ik de rapporteur bedanken voor zijn uitstekende en evenwichtige verslag. Het lijdt voor mij geen enkele twijfel dat een effectief functionerende EU-arbeidsmarkt nog slechts een kwestie van tijd is. Het Europees kwalificatiekader zal een belangrijke stap in die richting zijn, doordat het de noodzakelijke voorwaarden creëert voor een gemeenschappelijke arbeidsmarkt en een gemeenschappelijke opleidingsomgeving. Ik geloof stellig dat de vergelijkbaarheid van kwalificaties niet alleen de mobiliteit van werknemers zou bevorderen, maar de arbeidsmarkt ook een andere hoedanigheid zou geven door een effectieve spreiding van de beroepsbevolking te bewerkstelligen. Het kwalificatiekader zou bevorderen dat de nationale onderwijsstelsels van de lidstaten en de eisen van de EU-arbeidsmarkt veel meer op elkaar zijn afgestemd. Deze maatregelen hangen nauw samen met de Lissabonstrategie en de Lissabondoelstellingen. De meest recente uitbreiding veroorzaakte een ongekende toename van de mobiliteit van werknemers binnen de Europese Unie. Mensen reisden vanuit diverse nieuwe lidstaten in Midden- en Oost-Europa, op zoek naar een baan, naar het Verenigd Koninkrijk en Ierland – oude lidstaten, die als enige hun arbeidsmarkten zonder beperkingen openstelden. Wat betreft de noodzaak te beoordelen in hoeverre Europese kwalificaties vergelijkbaar moeten zijn, is de situatie op dit moment in feite uniek. De aanzienlijke salarisverschillen hebben duizenden hooggekwalificeerde werkzoekenden uit Midden- en Oost-Europa gestimuleerd eenvoudig werk aan te nemen waarvoor slechts lage kwalificaties nodig zijn. Uit een onderzoek dat onlangs is uitgevoerd door het Ierse ministerie van Ondernemingen, Handel en Werkgelegenheid blijkt dat de meeste werknemers een lagergekwalificeerde functie vervullen dan ze op grond van hun beroepsopleiding zouden kunnen doen. Een niet onaanzienlijk aantal universitair opgeleide werknemers heeft een baan waarvoor een basisopleiding van slechts een paar uur nodig is. Dat zijn de problemen waarmee het vergelijken van volkomen verschillende onderwijsstelsels gepaard gaat. Het gaat hier zowel om hulpbronnen die verloren gaan voor de landen waar de werkzoekenden vandaan komen, als verspilde hulpbronnen in de landen waarin de werkzoekenden hun beroepsopleiding niet kunnen benutten. Ik hoop dat het Europees kwalificatiekader die lidstaten waartussen een druk verkeer van werknemers is, zal stimuleren een pioniersrol op zich te nemen door het kader in de praktijk toe te passen en kwalificaties te vergelijken, en dat deze lidstaten niet de enige zullen zijn. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Tadeusz Masiel (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de heer Mann willen gelukwensen met zijn interessante verslag. Mobiliteit is een van de belangrijkste beginselen van het gemeenschappelijke Europa. De mobiliteit van studenten en werknemers wordt echter pas een feit wanneer de problemen met betrekking tot de erkenning van getuigschriften en diploma’s eindelijk worden weggewerkt. Met het oog hierop dient de Europese Unie een gemeenschappelijk Europees kader voor kwalificaties uit te werken. De werkzaamheden die werden aangevat in Bologna, Barcelona, Kopenhagen en Maastricht moeten worden voortgezet. We moeten er zo snel mogelijk voor zorgen dat werknemers afkomstig uit een ander EU-land nooit meer van de plaatselijke administratie te horen krijgen dat er wel werk voor hen is, maar dat hun diploma ongeldig is.

Het Europees kader voor kwalificaties zal niet enkel de kwaliteit van de opleidingen in alle EU-landen ten goede komen en ons in staat stellen de uitdagingen van de mondialisering aan te gaan, maar zal tevens het concurrentievermogen op de arbeidsmarkt vergroten. Er is eveneens een belangrijke psychologische dimensie in het spel. Als we op basis van een beroepscertificaat of een universitair diploma iemands kwalificaties erkennen, impliceert dit dat de inspanningen, die dat individu voor zijn opleiding heeft geleverd, worden erkend. Wanneer men in een bepaalde lidstaat weigert om een opleiding als gelijkwaardig te beschouwen, is dat een vorm van vernedering en discriminatie.

We moeten ons echter geen illusies maken. Het Europees kwalificatiekader is geen eenvoudige aangelegenheid. Vaak slagen universiteiten, hogescholen en andere opleidingscentra in eenzelfde land er met moeite in om een onderling akkoord te bereiken. Het is dus niet verwonderlijk dat we op Europees niveau met dezelfde moeilijkheden worden geconfronteerd. Beslissingen in deze kwestie moeten bijgevolg op politiek, op communautair niveau worden genomen en in veel mindere mate op academisch niveau. Zo zou het Poolse diploma van een metselaar in Duitsland erkend moeten zijn en dat van een Duitser in Polen. Het spreekt misschien voor zich dat een diploma psychologie van de universiteit van Oxford in de hele Europese Unie wordt erkend. Voor een diploma psychologie, afgeleverd door een minder gerenommeerde universiteit in een kleiner land, zou echter net hetzelfde moeten gelden. Plaatselijke beroepsverenigingen mogen dit beginsel niet in vraag stellen. In België bijvoorbeeld bestaat er op dit moment niet eens een orgaan dat bevoegd is om de geldigheid van de kwalificaties van een zelfstandige Poolse metselaar of schilder te controleren. Om die reden kan een groot aantal personen er niet aan het werk.

De totstandbrenging van het Europees kwalificatiekader is van fundamenteel belang voor de burgers van de nieuwe lidstaten. Zij zullen immers ook in de nabije toekomst in andere EU-landen eerder hun beroepskwalificaties aanbieden dan er te investeren. Een gemeenschappelijke noemer voor kapitaalinvesteringen bestaat al, de euro.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Matsouka (PSE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het is een feit dat Europa in de loop van zijn geschiedenis vele uitdagingen en ernstige bedreigingen heeft gekend, zoals werkloosheid, armoede of werkonzekerheid. Maar die onrustwekkende tendensen tot maatschappelijke ontwrichting vormen geen wetmatigheid waarbij we ons zomaar moeten neerleggen. We moeten totaal andere oplossingen zoeken dan de opvatting dat het concurrentievermogen nu eenmaal moet groeien ten koste van waardige arbeid.

Met eerbied voor de Europese waarden en onze sociale gevoeligheden en met kennis als speerpunt kunnen wij de weg naar groei openen, in de overtuiging dat de globalisering van de economie, sociale vooruitgang en milieubescherming gegrondvest zijn op de voortdurende ontwikkeling van nieuwe vaardigheden en het gebruik van nieuwe technologieën.

Als wij onze onderzoekscentra omvormen tot pijlers van innovatie en het verwerven van beroepservaring zullen wij het levenslange leren tot ieders nut efficiënt maken. De nieuwe vaardigheden van de werknemers moeten beantwoorden aan gemeenschappelijke Europese beoordelingscriteria, zodat zij op bredere basis kunnen worden ingezet.

Vanuit die invalshoek en met eerbied voor de specifieke kenmerken van de verschillende beroepsgroepen en regio's moeten wij op duidelijke, uitgesproken en geïntegreerde wijze de hoofdlijnen en vooruitzichten bepalen van het Europees kader voor kwalificaties, met kennis als kernwaarde en sociaal goed, niet als handelsobject.

Tot slot wil ik de heer Mann gelukwensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. (SK) Niet alleen het debat, maar ook het verslag zelf en de sfeer waarmee kwalificaties in Europa omgeven zijn, stellen ons voor de grote uitdaging een ruimte met een nadrukkelijker Europese dimensie te creëren. Dat zou betekenen dat er regels en normen worden vastgesteld waarmee een bepaalde kwaliteit, en daarmee mobiliteit, voor burgers wordt gecreëerd.

Ik zou daarom een aantal aspecten willen uitlichten die van belang zijn voor dit hele vraagstuk. Het eerste betreft het creëren van ruimte. Dit heeft niet alleen betrekking op de beschikbaarheid en de kwaliteit van primair onderwijs, hoger onderwijs en opleidingen, maar houdt ook in dat er ruimte moet zijn voor vervolgopleidingen, permanent of levenslang leren en voor de erkenning van niet-formele en informele leercontexten. Dat is precies de richting die we uitgaan met het Europees kwalificatiekader. Het tweede belangrijke aspect is dat deze maatregel een vervolg is op wat we al gedaan hebben: kwalificaties worden transparanter, mede dankzij de Europass, die dit Parlement heeft aangenomen,, maar het kwalificatiekader zal van essentieel belang zijn bij het op elkaar afstemmen en vergelijkbaar maken van kwalificaties en zal op die manier de omzetting van kwalificaties mogelijk maken. Dat is een zeer belangrijke verschuiving.

Als het ons lukt dit kader definitief aan te nemen, zullen we niet alleen een goed kader hebben voor werkgevers en werknemers, maar ook voor aanbieders van onderwijs en opleidingen, omdat het deze ruimte openstelt en als gevolg daarvan de druk om de kwaliteit te verbeteren zal toenemen. Openheid heeft alles te maken met het bevorderen van onderwijs en opleidingen van een hogere kwaliteit. Mevrouw Jensen had het over 32 landen. Ik denk dat dat aantal geleidelijk zal groeien naarmate wij erin slagen het proces van Kopenhagen en het proces van Bologna verder uit te werken en geloofwaardigheid, hoge standaarden en gegarandeerde kwalitatieve parameters kunnen bieden. Ik ben ervan overtuigd dat de EU als geheel, maar ook haar burgers en instellingen, daarvan zullen profiteren. Volgens mij zal dit er in belangrijke mate toe bijdragen dat bijvoorbeeld een loodgieter, of die nu uit Polen komt of uit een ander land, niet gezien wordt als een bedreiging, maar als iemand die een zeer essentiële bijdrage levert aan de mobiliteit en de concurrentiekracht in een gemeenschappelijk Europa. Laten we zo doorgaan – het kwalificatiekader is onze inzet waard.

 
  
MPphoto
 
 

  Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.30 uur plaats.

 
Laatst bijgewerkt op: 29 november 2006Juridische mededeling