Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2208(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0270/2006

Ingediende teksten :

A6-0270/2006

Debatten :

PV 28/09/2006 - 5
CRE 28/09/2006 - 5

Stemmingen :

PV 28/09/2006 - 7.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0382

Debatten
Donderdag 28 september 2006 - Straatsburg Uitgave PB

5. Het pakket 2006 inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU (debat)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0270/2006) van Alain Hutchinson, namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking, over “Meer en beter samenwerken: het pakket 2006 inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU” (2006/2208 (INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Alain Hutchinson (PSE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het verslag dat wij vandaag, naar ik hoop, zullen aannemen is een direct vervolg op de drie mededelingen van de Commissie die samen het zogenaamde “pakket inzake de doeltreffendheid van de bijstand van de EU” vormen en maakt dus deel uit van het bredere kader van het streven de Europese ontwikkelingssamenwerking te verbeteren. Tot zover de achtergrond van dit verslag.

Wat de inzet betreft, ik zou zelfs willen zeggen de uitdaging, deze is zo helder als glas: hoe gaan wij, Europeanen, een significante verbetering bewerkstelligen van de daadwerkelijke steun die wij aan de landen in het zuiden verlenen? Anders gezegd: hoe gaan wij ervoor zorgen dat de bijstand die wij de landen in het zuiden verlenen, meer consequent tot concrete verbeteringen leidt, verbeteringen van dien aard dat ze het leven van miljoenen mensen die onder menselijkerwijs onaanvaardbare omstandigheden leven, werkelijk kunnen veranderen?

Er heerst inmiddels een collectief besef dat onze bijstand voor verbetering vatbaar was. Er zijn politieke verbintenissen aangegaan, op basis waarvan dit vraagstuk tot prioriteit kan worden gemaakt van ons ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Er bestaat een Europese consensus voor ontwikkelingssamenwerking en er is een nieuwe strategie voor Afrika. Dat is allemaal prachtig. Bovendien begint het legislatieve en technische kader concreet vorm te krijgen. Rest ons nog – als ik het zo mag zeggen – om dit alles in de praktijk te brengen.

Onder de vele vraagstukken die wij hebben behandeld in dit verslag zijn: de definitie van ontwikkelingssamenwerking, en dus van hetgeen iedere lidstaat gerechtigd is onder de noemer officiële ontwikkelingshulp op te voeren; het minimum aan bijstand dat moet worden gehaald om onze verbintenissen na te komen; de ontkoppeling van de bijstand, die de lidstaten – sommigen althans – duidelijk slechts met tegenzin toepassen; het ontbreken van indicatoren waarmee de werkelijk geboekte vooruitgang bij de verbetering van de Europese bijstand kan worden gemeten; en de ongerustheid bij de mensen in het veld, die een zekere terughoudendheid vaststellen in het betrekken van de begunstigde landen bij de strategieën en programma's die voor hen bestemd zijn.

Behalve deze specifieke vraagstukken die ons er een idee van geven hoeveel ons nog te doen staat voor wat betreft de concrete verbetering van onze bijstand, vormen de 3 C's – complementariteit van de acties, coördinatie van de programma's en coherentie in het beleid – eveneens een werkkader en een buitengewoon belangrijk schema voor ons optreden in de komende jaren op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.

Feit is dat, wat de complementariteit van de acties aangaat, zowel sectorieel als geografisch, de verdeling van het werk op heel wat weerstand en moeilijkheden stuit. Door openheid en durf moeten we deze problemen kunnen overwinnen. Het debat mag niet beperkt blijven tot een tegenstelling tussen het protectionisme van de lidstaten en het centralisme van Brussel, ook al is het inderdaad niet overbodig om te waarschuwen voor een al te centralistische aanpak in de vorm van een top down-programmering met als voornaamste kenmerk een kleinere rol voor de partnerlanden en maatschappelijke organisaties bij het bepalen van strategieën en prioriteiten.

Dit neemt niet weg dat er ontegenzeglijk voordelen zouden zijn verbonden aan een gecentraliseerde coördinatie tussen lidstaten en Commissie. Hierdoor zou met name vermeden kunnen worden dat in een en hetzelfde land of gebied een hele reeks verschillende actoren hetzelfde doen, wat op dit moment wel gebeurt. In de EU-Donoratlas wordt bijvoorbeeld duidelijk de aandacht gevestigd op het bestaan van vergeten crises ofwel de zogenaamde verwaarloosde landen, naast situaties zoals na de tsunami, waar de begunstigde landen de massale hoeveelheid bijstand ineens niet kunnen verwerken.

Er wordt weliswaar al jaren over coördinatie gesproken, maar harmonisering van de procedures en een betere coördinatie van de verschillende ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's van de Unie blijven ons voor enorme uitdagingen stellen. Daarnaast heeft de beleidssamenhang zowel te maken met de gevolgde benadering op het niveau van de verschillende geografische zones waarop ons ontwikkelingsbeleid van toepassing is, als op het niveau van de verschillende communautaire beleidsvormen zelf. Het Finse voorzitterschap heeft dit laatste aspect op zijn agenda geplaatst en heeft besloten er een belangrijk deel van zijn werkzaamheden aan te wijden.

Hoewel het ons dus verstandiger leek om ons in ons verslag te beperken tot het benadrukken van het belang hiervan, in afwachting van hetgeen de nabije toekomst voor ons in petto heeft, zou ik de gelegenheid die mij hier wordt geboden te baat willen nemen om dit punt ter sprake te brengen, omdat ik het een essentieel punt vindt dat uiteindelijk raakt aan de basis van iedere samenwerking, ja zelfs van ieder beleidsproject.

Zoals we weten – we hebben het er geregeld over – blijven er op dit moment bootjes aan de Spaanse kusten aankomen, aan onze kusten, met honderden personen aan boord die iedere dag weer proberen een lot te ontvluchten, waarvan zij hebben besloten het, met gevaar voor eigen leven, niet te accepteren. Deze situatie doet natuurlijk vragen rijzen omtrent het beheer van migratiestromen, de controle van de grenzen of het integratiebeleid voor geïmmigreerde bevolkingsgroepen, maar ook – op zeer dringende wijze – omtrent de doeltreffendheid van ons ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en de samenhang daarvan met het overige beleid dat wij voeren.

Ik wil niet in een karikatuur vervallen, maar wat stelt een ontwikkelingssamenwerking voor, een samenwerking van meer dan veertig jaar, als aan het einde daarvan de bevolkingsgroepen die wij bedoelden te helpen, slechts één ding willen, namelijk tegen elke prijs hun levensomstandigheden ontvluchten? Laten we niet bang zijn om bepaalde woorden in de mond te nemen: mijns inziens zou dat kunnen worden aangemerkt als een mislukking. Wat kan een ontwikkelingssamenwerkingsbeleid met een jaarbudget van 50 miljard euro betekenen voor de landen in het zuiden als deze gebonden zijn aan een beleid dat hun verplicht een schuld te betalen waarvan de jaarlijkse afbetaling viermaal zo hoog is als dat bedrag?

Hoe kunnen we nog in alle toonaarden blijven verklaren dat we vastbesloten zijn ons in te zetten voor de ontwikkeling van de landen in het zuiden, terwijl we hun tegelijkertijd de regels van de vrijhandel blijven opdringen, waartegen zij geenszins zijn opgewassen in de omstandigheden die wij hun opleggen? Hoe kunnen we afspreken de armoede te bestrijden terwijl er ondertussen niets wordt ondernomen om de structurele oorzaken van die armoede te bestrijden?

Eerlijk gezegd zal het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid alleen, hoe doeltreffend ook, er nooit in slagen om het hoofd te bieden aan de vele uitdagingen die zich voordoen in de landen in het zuiden van de wereld. En juist daarin schuilt de noodzaak om het te verbeteren, want hoe doeltreffender de Europese ontwikkelingssamenwerking, hoe meer dat betekent dat Europa zich bewust wordt van de noodzaak om een omvattend beleid te voeren dat helemaal gericht is op het streven naar één gemeenschappelijk prioritair doel: de totstandkoming van een meer rechtvaardige, meer solidaire wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik spreek namens mijn collega, de heer Michel, die hier vanochtend niet aanwezig kan zijn. Ik wil om te beginnen de rapporteur, de heer Hutchinson, en de Commissie ontwikkelingssamenwerking bedanken voor een constructief verslag over de doeltreffendheid van de ontwikkelingshulp, een onderwerp dat van essentieel belang is voor het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie.

Het verbeteren van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van onze hulp is zeker een van kerndoelen van de Europese Consensus inzake ontwikkeling, die in 2005 door alle lidstaten, de Commissie en het Parlement is bekrachtigd. De Consensus is een cruciaal document voor ons allemaal. In de eerste plaats creëert de Consensus een nieuwe dimensie voor samenwerking tussen de 25 lidstaten en de Commissie. In de tweede plaats worden in de Consensus, voor het eerst in de geschiedenis van de EU, onze collectieve Europese visie en de beginselen en doelstellingen die aan ons ontwikkelingsbeleid ten grondslag liggen op een samenhangende wijze beschreven. In de derde plaats wordt het comparatieve voordeel van de Commissie uiteengezet, evenals de doelstelling om de activiteiten van de lidstaten te hergroeperen teneinde betere synergieën te realiseren, die we hard nodig hebben.

Zoals is gebleken tijdens alle debatten over de Europese Consensus, moet de Commissie de invloed van Europa op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking vergroten en de doeltreffendheid van de hulp hoger op de agenda zien te krijgen. De Europese Unie moet een leidersrol vervullen in de internationale fora die zich bezighouden met de doeltreffendheid van de hulp, met name in de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waarvan de Commissie statutair lid is. Een sterke EU zorgt voor een sterke DAC.

Met dit in gedachten heeft commissaris Michel een pakket concrete maatregelen voor het vergroten van doeltreffendheid van de hulp voorgesteld dat per direct kan worden geïmplementeerd en dat in het voorjaar van 2006 is goedgekeurd door de Raad. De ideeën van de Commissie ten aanzien van de doeltreffendheid van de hulp zijn gebaseerd op lessen die geleerd zijn in het veld, goede praktijken en de verwachtingen van de partnerlanden. Ze zijn geworteld in de beginselen van harmonisatie, eigen inbreng, minder versnippering en het bereiken van resultaten, zoals dat ook in de Verklaring van Parijs is verwoord.

Het Parlement heeft in eerdere resoluties en nu ook weer in dit verslag duidelijk gemaakt dat het achter de pogingen van de Commissie staat om de coördinatie en de coherentie van de acties van zowel de Commissie als de EU-lidstaten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking te versterken. In het verslag worden drie belangrijke gebieden aangegeven waarop vooruitgang moet zijn geboekt in 2007 en ik wil daar kort enkele opmerkingen over maken.

Ten eerste het versterken van de complementariteit en de werkverdeling: dit zijn cruciale punten voor de Commissie. In de Donoratlas van de EU worden de lacunes en overlappingen in de donoractiviteiten die de effectiviteit van de hulp in de weg staan inderdaad benadrukt. Om deze zwakke punten te verbeteren heeft de Commissie samen met de lidstaten een proces in gang gezet dat als doel heeft operationele beginselen aan te nemen die tot een betere werkverdeling tussen de EU-donoren moeten leiden. De besprekingen hierover lopen op dit moment en dit initiatief moet operationeel gemaakt worden in de conclusies van de Raad in 2007.

Ten tweede de gezamenlijke programmering van de hulp: de EU heeft nu een gemeenschappelijk kader tot haar beschikking, dat afgelopen voorjaar is aangenomen. Dit kader voorziet in het maken van gemeenschappelijke diagnoses en analyses in partnerlanden en in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaten, om op die manier gemeenschappelijke operationele oplossingen te vinden. De partnerlanden en het maatschappelijk middenveld spelen een belangrijke en actieve rol in dit proces. Het maatschappelijk middenveld wordt allesbehalve uitgesloten van deze besprekingen: het wordt juist sterk betrokken bij de diagnose van een land, wat de eigen inbreng van het desbetreffende land moet waarborgen. Deze aanpak is volledig in overeenstemming met de aanpak die we in onze eigen programmering hanteren.

Ten derde enkele woorden over een essentieel instrument voor het verbeteren van de werkverdeling en de coördinatie van het werk, namelijk medefinanciering. In 2007 zal de Commissie komen met specifieke voorstellen voor de versterking van het gebruik van medefinanciering als instrument om de werkverdeling tussen de donoren te bevorderen en om die lidstaten te helpen bij het opbouwen van hun ontwikkelingscapaciteit. Het Parlement heeft er consequent en terecht bij de Commissie op aangedrongen dat zij de coördinatie tussen de lidstaten op zich neemt, om op die manier de doeltreffendheid van de financiering van de ontwikkelinghulp te versterken. Zoals u kunt zien, heeft de Commissie duidelijk een proactieve houding aangenomen en zal zij, in nauwe samenwerking met de lidstaten, alle instrumenten aanwenden die zij tot haar beschikking heeft om een grotere doeltreffendheid van de hulp te realiseren. Ik kan er alleen maar voor pleiten dat het Europees Parlement de gezamenlijke bijeenkomst met de nationale parlementen over ontwikkeling, die in oktober zal worden gehouden, zal aangrijpen om de steun voor deze initiatieven te vergroten.

Het is voor de EU van groot belang dat haar politieke ambities overeenkomen met haar financiële status als ’s werelds grootste donor. In dit opzicht heeft het Parlement een grote rol te spelen bij het helpen van de lidstaten om hun hervormingsproces te versnellen en de cultuurveranderingen door te voeren die deze nieuwe samenwerking met zich meebrengt. Succes op dit front is van groot belang voor de verwezenlijking van onze ontwikkelingsdoelstellingen, en ook om op mondiaal niveau een leidersrol te kunnen spelen in de ontwikkelingssamenwerking.

Laten we niet vergeten dat het uiteindelijke doel het winnen van de strijd tegen de armoede is. Alleen door samen te werken en zo goed mogelijk gebruik te maken van alle middelen die we tot onze beschikking hebben, kan succes gewaarborgd worden. Dankzij de Europese Consensus hebben we nu alle instrumenten die we nodig hebben om dit doel te bereiken. We moeten ervoor zorgen dat dit hoog op de politieke agenda blijft staan en dat we deze reële kans om onze ambitieuze politieke doelen te verwezenlijken niet laten voorbijgaan. Het gaat om veel meer dan alleen politiek; het gaat om collectieve geloofwaardigheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Margrietus van den Berg (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. Voorzitter, dank op de eerste plaats aan collega Hutchinson voor dit belangrijke verslag. Effectieve ontwikkelingshulp veronderstelt coherentie tussen de hulpaanpak van de EU en de handelsaanpak van de EU. Willen we de millenniumdoelen in 2015 realiseren, dan kunnen en moeten hulp en handel elkaar aanvullen. Helaas is de werkelijkheid vaak anders. Hulp- en handelsbeleid, inclusief landbouw, werken nog steeds maar al te vaak langs elkaar heen. Op deze manier zal het zeker in Afrika nog honderd jaar duren voordat we armoede tot de geschiedenis laten behoren.

Op dit moment is er van coherentie van ons Europees beleid weinig sprake. De handelsonderhandelaars van Commissaris Mandelson preken vrijhandel met mondiale regels, de ontwikkelaars van Commissaris Michel werken aan de millenniumontwikkelingsdoelstellingen en het landbouwsubsidiebeleid gaat dan weer in tegen de doelstellingen van beide kampen. Ik zou de verschillende beleidsterreinen willen vergelijken met 'ships that pass in the night'.

Hierbij raakt de ontwikkelingskant helaas maar al te vaak in het gedrang. Bijvoorbeeld bij de economische partnerschapsovereenkomsten, de beroemde of soms wel beruchte EPA's, overheerst veel te sterk de handelskant. Voor de ontwikkelingskant wordt te vaak verwezen naar al bestaande hulpfondsen. Van een echt geïntegreerde aanpak waarbij daadwerkelijk extra geld en nieuwe ontwikkelingsplannen op tafel komen, is vaak veel te weinig sprake. Dit terwijl juist met behulp van de EPA's de effectiviteit van hulp zou kunnen toenemen dankzij de versterkte lokale samenwerking waar ze van uitgaan.

Daarbij moeten we er van uitgaan dat op het gebied van de ontwikkelingskant uiteraard wel voor de zwakke onderhandelingspartijen de nodige voorzieningen worden getroffen dat er eerlijke afspraken en een realistisch tijdschema uit de EPA's voortkomen. De vervanging van fiscale grensovergangsopbrengsten bijvoorbeeld naar een hervormd belastingsysteem, institutionele versterking van publieke diensten en sociale sectoren, onderwijs, gezondheidszorg, is voorwaarde voor een echte handels take-off. Het huidige gebrek aan coördinatie en coherentie is niet alleen ineffectief maar ook strijdig met artikel 178 van het Verdrag en dus onacceptabel.

Een van de oorzaken is dat kennis en expertise bij de handelsexperts, of andersom bij de ontwikkelaars, over elkanders werkterrein vaak ontbreken. Ook het ontbreken van de bereidheid om de reële kosten en baten van geïntegreerde ontwikkeling op een rij te zetten en hiervoor gezamenlijk – dus ook in de Raad gezamenlijk – nieuw geld te zoeken, speelt een rol. Sterker nog, diverse Europese politieken, landbouw, handel, ontwikkeling en ook andere, werken elkaar vaak regelrecht tegen. Landbouw dumpt met exportsubsidie zijn producten in Noord-Afrika doordat de werkloosheid daar toeneemt. Migratie klaagt over de stroom van economische vluchtelingen uit die regio om ze vervolgens weer terug te sturen met hulpgeld in plaats van dat er aan goede afspraken over de regionale arbeidsmarkt wordt gewerkt.

Alleen een Europese coherentieagenda van de Commissie en de Raad zou de situatie wezenlijk verbeteren. Mondiale handel is belangrijk en van groot nut om ontwikkelingslanden uit hun vicieuze armoedecirkel te krijgen. Dat proces zou niet in de weg mogen staan van hun ontwikkeling en daarom is er veel te winnen bij goede combinatie van hulp en handel. Zo zouden we de millenniumdoelstellingen kunnen realiseren. Ik roep op tot de Europese coherentieagenda. Laat het nieuwe ontwikkelingssamenwerkingsinstrument daarvoor het nieuwe kader leveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Tokia Saïfi, namens de PPE-DE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, om te beginnen zou ik de rapporteur, Alain Hutchinson, willen bedanken voor de kwaliteit van zijn werk over dit belangrijke onderwerp dat van een zo cruciaal belang is voor onze toekomst. Mijn complimenten.

Er is in 2005 veel gebeurd dat van doorslaggevend belang is voor het vraagstuk van de ontwikkelingshulp. Nu er daadwerkelijk middelen zijn vrijgemaakt, moeten we de daad bij het woord voegen. De inspanningen van de Europese Unie en sommige lidstaten voor een aanmerkelijke verhoging van de ontwikkelingshulp kunnen wij dan ook alleen maar toejuichen. Maar hoewel het vanzelf spreekt dat doeltreffende bijstand zonder financiële middelen niet mogelijk is, zijn financiële middelen alleen niet afdoende.

Zo is er strikt toezicht nodig op de praktijk van de ontwikkelingssamenwerking, om precies op de hoogte te blijven van de tenuitvoerlegging van dit beleid. Uit de ontwikkelingshulp moet een kwalitatieve ambitie spreken, van eenzelfde niveau als de financiële ambitie, om concrete resultaten te boeken als het gaat om het terugdringen van de armoede. In dat verband wil ik de nadruk leggen op het belang van de tenuitvoerlegging van innoverende financieringsmechanismen, waarmee stabiele en voorspelbare bronnen kunnen worden aangeboord. Ik ben dan ook blij met de oprichting van Unitaid tijdens de afgelopen VN-top, waarmee ontwikkelingslanden gemakkelijker toegang kunnen krijgen tot geneesmiddelen. Laten we nu, terwijl dit mechanisme zich nog in het beginstadium bevindt, hopen dat het qua doeltreffendheid volledig tot zijn recht komt en dat veel landen zich zullen aansluiten bij de landen die al meedoen, in navolging van Frankrijk.

De Europese Unie moet het voortouw nemen, met het oog op een betere verdeling van de taken op het gebied van ontwikkelingshulp. Deze coördinatie moet zowel op het niveau van de Europese Unie tot stand komen als ter plaatse, door de begunstigde bevolkingen erbij te betrekken. Het pakket maatregelen voor een doeltreffende bijstand vormt een eerste stap. De Europese Unie en haar lidstaten delen eenzelfde ambitie voor de ontwikkelingssamenwerking. Laten we dus gezamenlijk de uitdaging aangaan een doeltreffende en transparante bijstand te verwezenlijken, waarbij we trouw blijven aan onze verplichtingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Miguel Ángel Martínez Martínez, namens de PSE-Fractie. (ES) Mijnheer de Voorzitter, eergisteren, toen we een bijeenkomst hadden met de president van Liberia en haar in het kort probeerden uit te leggen wat de belangrijkste activiteiten van het Europees Parlement op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking zijn, hebben we beklemtoond dat we, wat de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement betreft, een dubbele plicht hebben: het vrijmaken van meer middelen voor deze taak – voor ons een verantwoordelijkheid van de Europese Unie die prioriteit heeft – en het bereiken van maximale efficiëntie in het gebruik van de beschikbare middelen, teneinde tastbare resultaten te krijgen bij het aanpakken van een probleem dat steeds ernstiger wordt en waaraan we ons steeds minder kunnen onttrekken.

In dit verband is het verslag dat mijn collega en vriend Alain Hutchinson heeft geproduceerd een buitengewoon belangrijk document, vanwege de accuratesse en diepgang ervan en vanwege het moment waarop het gepubliceerd wordt: op een moment dat de publieke opinie in de Europese Unie zich er meer en meer van bewust wordt dat zowel op grond van het beginsel van solidariteit als door de exodus van emigranten die vanuit onderontwikkelde gebieden naar onze landen vluchten, ons geen ander alternatief rest dan om vanuit Europa met al onze kracht bij te dragen aan de ontwikkeling en stabilisering van de landen in het zuiden.

Het verslag en de voortreffelijke ontwerpresolutie van collega Hutchinson, die we ongetwijfeld met een overweldigende meerderheid gaan aannemen, vormen niet zomaar een van de vele documenten die we in het Parlement behandelen. Omdat ik het volledig eens ben met de voorstellen in het verslag, zal ik ze hier nu niet gaan herhalen. Wat ik wel wil zeggen is dat ze extra relevant zijn op een dag als vandaag, omdat nog maar een paar uur geleden de onderhandelingen over het nieuwe juridische instrument voor de financiering van onze ontwikkelingssamenwerking tot een goed einde lijken te zijn gebracht.

Ook wil ik zeggen dat het verslag een echt leerstuk vormt en zeer veel ideeën en voorstellen bevat die de Raad en vooral de Commissie goed in overweging moeten nemen, zodat we de effectiviteit van ons werk op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking kunnen blijven vergroten.

Vanuit het Europees Parlement, vanuit onze Commissie ontwikkelingssamenwerking en zeker ook vanuit mijn Sociaal-democratische Fractie moeten wij onszelf ertoe verplichten om de voorstellen van Alain Hutchinson niet te laten verworden tot een waardeloos stuk papier of simpelweg een intentieverklaring. We moeten ons uiterste best doen om hier een soort leidraad voor ons handelen van te maken. We moeten waarborgen dat de effectiviteit die we op dit terrein bereiken bijdraagt aan meer en betere objectieve resultaten, die bovendien zullen rechtvaardigen dat er meer middelen beschikbaar zullen komen voor dit gebied, dat niet langer een secundair of perifeer onderwerp is of iets waarmee we slechts ons geweten sussen. We moeten, tot slot, zorgen dat dit terrein zich ontwikkelt tot een echte prioriteit in het beleid van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Gabriele Zimmer, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren. Geachte collega Hutchinson, om te beginnen mijn dank voor uw uitstekende verslag, dat ook de volledige steun van mijn fractie zal krijgen.

Parlementsleden uit alle fracties hebben zich de afgelopen jaren zeer serieus gewijd aan de taak die de Algemene Vergadering van de VN zich in 2000 ook al gesteld heeft: resultaten meetbaar te maken, doelstellingen te formuleren en behaalde resultaten met bewijzen te staven. De Millenniumdoelstellingen zijn ook voor ons de maatstaf bij de beoordeling van de efficiëntie van onze werkzaamheden op het gebied van ontwikkelingsbeleid.

Het voortgangsverslag van de Verenigde Naties was voor ons alarmerend. De beoogde doelstellingen zijn niet bereikt. We hebben gefaald. Dit falen betekent voor goedbetaalde Europeanen een slecht geweten, maar voor miljoenen mensen die in armoede leven de dood, voor miljoenen jonge meisjes een leven lang zonder opleiding. Dat zou voor de Commissie al reden genoeg moeten zijn om de doeltreffendheid van haar hulp te onderzoeken, en voor ons om de zelfanalyse van de Commissie door te lichten. Collega Hutchinson, nogmaals mijn gelukwensen met uw goede werk. U geeft de Commissie zeer duidelijke aanwijzingen.

Bij deze gelegenheid wil ik ook onze rol als Parlement ter sprake brengen. Het is ook aan ons te wijten dat de nagestreefde doelstellingen niet zijn gehaald. Blijkbaar hebben wij jarenlang begrotingen goedgekeurd die hun doel niet bereikten. Maar waren wij wel in staat geweest betere beslissingen te nemen? Beschikken we wel over voldoende informatie om onze rol als toezichthouder te kunnen vervullen? Ik heb zo mijn twijfels. De Commissie heeft tot op heden geen overtuigend bewijs geleverd dat haar projectbeheer zodanig is dat de acht Millenniumdoelstellingen verwezenlijkt kunnen worden. De begrotingsgegevens die wij moesten goedkeuren, waren onvoldoende uitgewerkt.

In 2005 hebben wij de Europese Investeringsbank om een benchmarking van haar kredietverlening verzocht, dat wil zeggen, alle leningen worden beoordeeld op de bijdrage die ze leveren aan het bereiken van de Millenniumdoelstellingen. Voor de middelen die door onszelf worden gecontroleerd, bestaat geen soortgelijke benchmarking. Er is geen instelling die een uitgebreide controle van de ingezette middelen voor ons zou kunnen uitvoeren. Daarom moeten we ook eisen dat het Europees Parlement eindelijk wordt betrokken bij de totale keten van ontwikkelingssamenwerking, dus ook bij de programmering van het Europees Ontwikkelingsfonds.

We hebben voorstellen nodig die op nationaal niveau maar ook op regionaal niveau concrete doelstellingen en mijlpalen op weg naar het bereiken van de Millenniumdoelstellingen bevatten. De Commissie moet voortaan haar nationale en regionale verslagen indelen naar sector en uitwerken tot op projectniveau. We hebben verslagen nodig waarin ook een lijst met opdrachtgevers en een lijst met betrokken consultantsbureaus is opgenomen alsmede de middelen die zij hebben ontvangen.

Het verslag-Hutchinson bevat 65 belangrijke voorstellen. Dit geeft wel aan dat dit Parlement wel degelijk over de nodige competentie beschikt, die in het vervolg ook benut dient te worden. Naast de al betrokken regeringen van de doelregio’s ligt mijns inziens een tweede competentie bij de uitvoerende instanties in deze regio’s, die een veel grotere rol zouden moeten gaan spelen. In het verslag wordt waardering uitgesproken voor de aanpak waarbij afzonderlijke donoren in een regio een leidende rol in een bepaalde sector op zich zouden moeten nemen. Een dergelijk idee is het overwegen waard: met de financiële mogelijkheden die de Europese Unie in vergelijking met de Verenigde Naties heeft, zou zij een leidende rol voor een van de acht Millenniumdoelstellingen op zich kunnen nemen. Ik stel voor: water.

De Europese Unie zou de verplichting op zich kunnen nemen, samen met lokale partners de drinkwatervoorziening en sanitaire voorzieningen voor het Afrikaanse continent te realiseren. Daarmee zouden we een beter figuur slaan dan met het nieuwste schandaal waarbij Europese bedrijven drinkwater hebben vergiftigd. We moeten de Commissie dus oproepen een tijdschema te presenteren waarin wordt aangegeven binnen welke termijn alle metropolen bezuiden de Sahara voorzien kunnen worden van duurzame drinkwater- en rioleringssystemen. Ook moeten we aandringen op regelmatige tussentijdse rapporten over de voortgang bij het klaren van deze klus.

Ik vraag de Commissie of zij over de structuren beschikt die vereist zijn voor een dergelijke onderneming, en of zij ook vindt dat wij internationaal behoefte hebben aan een dergelijk kenniscentrum. De niveaus praktijk, politiek en geldgevers moeten beter op elkaar worden afgestemd. Ik stel voor dat de Commissie om de twee jaar een internationale Afrika-ontwikkelingsconferentie organiseert die er specifiek op gericht is de eisen en ervaringen uit de praktijk aan de politiek en de donoren voor te leggen. U zou middels een tentoonstelling geslaagde en mislukte projecten aan het publiek kunnen presenteren en succesvolle projecten een onderscheiding kunnen toekennen.

Ook moet van deze gelegenheid gebruik worden gemaakt om meer geschoold personeel, maar vooral ook jongeren voor ontwikkelingssamenwerking te interesseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, als je mensen vraagt de dominante supermacht aan te wijzen, dan noemen ze allemaal de Verenigde Staten. Maar het is de Europese Unie die meer dan de helft van de hulp aan de ontwikkelingslanden verstrekt en zij is de grootste donor op aarde. Helaas wil dit niet zeggen dat Europa de belangrijkste leider is in de internationale arena. We zeggen ‘Unie’, maar we denken in termen van ‘lidstaten’, gezien het feit dat de Europese Raad in december 2005 in Brussel heeft besloten dat 80 à 90 procent van de steun aan de ontwikkelingslanden voortaan moet komen van de lidstaten.

We dienen onszelf af te vragen of we voortaan de schuldenvermindering voor bepaalde landen, pas geleden nog voor Irak en Nigeria, willen beschouwen als een vorm van ontwikkelingshulp. Het is een gemakkelijke oplossing voor de Unie, maar in werkelijkheid leidt dit tot een vermindering van de hulp aan de ontwikkelingslanden. De kwijtschelding van schulden buiten beschouwing gelaten, is de hulp aan arme landen het afgelopen jaar met vijf miljard euro gestegen. Sommigen zeggen ‘slechts vijf miljard’, anderen zeggen ‘maar liefst vijf miljard’.

Tot slot wil ik als vertegenwoordiger van een nieuwe lidstaat van de Europese Unie opmerken dat de nieuwe en armere lidstaten van de Unie zich in een volstrekt ongebruikelijke situatie bevinden. Wij maken deel uit van de Europese Gemeenschap en willen de bijbehorende verplichtingen graag aanvaarden. Onze landen moeten inzien dat er landen zijn die nog armer zijn dan wij.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de rapporteur feliciteren met zijn uitmuntende verslag. In de 65 punten behandelt hij veel onderwerpen en factoren die voor een omvangrijke en betere hulpverlening nodig zullen zijn. Hij licht de innovatieve bronnen voor de financiering van ontwikkelingshulp toe evenals de noodzaak een aanpak te hanteren die de kwijtschelding van schulden behelst, zodat ontwikkelingslanden meer armslag hebben in de strijd tegen armoede. Uiteraard wijst hij ook op het feit dat coherentie tussen afzonderlijke beleidsterreinen nodig is. Onze hulp kan alleen doeltreffend zijn als beleidsterreinen beter op elkaar zijn afgestemd.

Het staat buiten kijf dat efficiëntie geen afbreuk mag doen aan de noodzakelijke verantwoordingsplicht. Juist als er steeds meer middelen als directe begrotingssteun naar ontwikkelingssamenwerking gaan, zijn er voldoende middelen nodig om een onafhankelijk en kritisch maatschappelijk middenveld op te bouwen. Als donorlanden de doelmatigheid van hun hulp willen verhogen, zijn ze op veel gebieden aangewezen op niet-gouvernementele organisaties om ervoor te zorgen dat verleende hulp ook daadwerkelijk wordt ingezet voor armoedebestrijding en terechtkomt bij de arme en minderbedeelde bevolking in de partnerlanden.

De lidstaten wordt in het verslag gevraagd de aangegane verplichtingen wat betreft de financiering van ontwikkelingshulp na te komen, dat wil zeggen 0,56 procent van het bruto nationaal product in 2010 en 0,7 procent in 2015. In dit licht wil ik erop wijzen dat verleende kwijtscheldingen van schulden niet in deze berekeningen mogen worden opgenomen. Uit de meest recente cijfers van de OESO-Commissie voor Ontwikkelingsbijstand blijkt dat de Europese Unie met name de schuldenverlichting voor Irak en Nigeria van 2005 als ontwikkelingshulp heeft opgevoerd, ook al bepaalt de Consensus van Monterrey uitdrukkelijk dat financiële middelen voor schuldenverlichting niet uit fondsen voor ontwikkelingshulp mogen komen, die doorgaans direct aan ontwikkelingslanden worden uitgekeerd.

Het Europees Parlement roept de lidstaten daarom op elk jaar een lijst samen te stellen waarop precies wordt aangegeven welke bedragen direct voor ontwikkelingshulp zijn gereserveerd. De rapporteur heeft gezegd dat de hulp van de Europese Unie en de lidstaten complementair gecoördineerd en coherent moet zijn. Veel partnerlanden kunnen het grote aantal donors niet aan. Parallelle projecten leiden vaak tot onnodige overlap en zijn soms zelfs contraproductief. We kunnen dit probleem alleen oplossen als we de ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap en die van de lidstaten beter op elkaar afstemmen.

In het verslag wordt een werkgroep voorgesteld waaraan vertegenwoordigers uit het maatschappelijk middenveld actief zouden moeten deelnemen. Aan de hand van concrete casestudies moet worden aangetoond op welke gebieden de zaken goed geregeld zijn en waar nog heel wat te verbeteren valt.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE).(LT) Ik feliciteer de rapporteur en steun de essentie van zijn verslag. De Europese Unie kan, en moet, een vooraanstaande plaats gaan innemen met betrekking tot niet alleen de draagwijdte van de steun maar ook de effectiviteit ervan. Wij kunnen blijven klagen over onvoldoende steun aan derde landen, maar eerst en vooral moeten wij ons ervan vergewissen dat de steun die wordt gegeven, effectief wordt gebruikt. Wij moeten de steunverlening beter coördineren, de overbodige formaliteiten afschaffen en de controle verscherpen om onszelf in staat te stellen in te spelen op de zich steeds veranderende situatie. De rol van de Europese Commissie daarbij mag alleen maar toenemen, vooral als het gaat om de coördinatie van de steunverlening. Dit is zeer belangrijk voor de nieuwe lidstaten, aangezien hun bijdrage tot de steunverlening aan de ontwikkelingslanden geleidelijk aan wordt vergroot. Litouwen, bijvoorbeeld, begint al een andere status binnen de Wereldbank te krijgen doordat het transformeert van een begunstigd land tot een donorland, waardoor mijn land gemakkelijker zal kunnen deelnemen aan de ontwikkelingsprogramma’s van de Bank.

Een factor van doorslaggevend belang is overheidssteun, die tot nu toe niet zo groot is als ze zou moeten zijn. Wij moeten onder de lidstaten het besef versterken dat wij door de ontwikkelingslanden te helpen ook onszelf helpen. In deze tijd van globalisering herinnert de wereld ons eraan dat armoede en honger, onrust en natuurrampen in Afrika of Azië ook een impact hebben op de stabiliteit en de levensstandaard in Europa of Amerika. De begunstigde landen moeten echter ook aantonen dat zij in staat zijn de hun toevertrouwde middelen behoorlijk te beheren. De leden van dit Parlement moeten, evenals de EU en de begunstigde landen, dit vraagstuk hun allergrootste aandacht schenken

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt vandaag om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Filip Kaczmarek (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de toelichting van het verslag van de heer Hutchinson begint met de dramatische verklaring dat er wereldwijd iedere minuut elf kinderen sterven van honger en armoede.

Er valt moeilijk een betere reden aan te wijzen om het vraagstuk aan te pakken van de doeltreffendheid van de ontwikkelingshulp van de Europese Unie. Je kunt het alleen maar eens zijn met de uitspraak dat het slechts zin heeft om de omvang van de bedragen voor de ontwikkelingshulp te verhogen indien er een beduidende verhoging van de doeltreffendheid ervan plaatsvindt. Ik ben ervan overtuigd dat de burgers van Europa voorstanders van hogere bedragen voor de ontwikkelingshulp zullen zijn. Maar zij zullen geen verspilling, ondoeltreffendheid, gebrek aan transparantie en fictieve activiteiten tolereren. Vandaar dat het zo belangrijk is om de doeltreffendheid te verbeteren.

Het is van wezenlijk belang dat alleen daadwerkelijke bijstand wordt geclassificeerd als bijstand. Daarom ben ook ik van mening dat vermindering van de schulden van de arme landen los dient te worden gezien van de uitgaven voor ontwikkelingshulp. Het HIPC-initiatief, het initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast, heeft inderdaad geen duurzame oplossing aangedragen voor het schuldenvraagstuk van arme landen. Anderzijds is het van groot belang dat een zo groot mogelijk deel van de financiële bijstand rechtstreeks aan de ontvangende landen wordt gestuurd. Het is van belang om niet de indruk te wekken dat een groot deel van deze bedragen wordt gebruikt om bemiddelaars te betalen, zoals ambtenaren en adviseurs. Daarom verdient het streven naar een intensievere, gedecentraliseerde, rechtstreekse samenwerking met de plaatselijke autoriteiten in de ontwikkelingslanden onze steun.

 
  
  

(In afwachting van de stemmingen wordt de vergadering om 11.55 uur onderbroken en om 12.05 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: GÉRARD ONESTA
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Emine Bozkurt (PSE). – Voorzitter, ik wil een punt van orde stellen. Er is op dit moment tegen Lívia Járóka, een collega van ons die zich keihard inzet voor Roma-rechten en die genomineerd is voor de MEP-award, een hele lelijke racistische actie gaande via de e-mail. Er is ook sprake van vrouwonvriendelijke taal. Ik vind dat dit totaal niet hoort bij het Europees Parlement. Ik wil graag dat hier notie van genomen wordt, want dit kan niet.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik denk dat het applaus wel aangeeft dat onze collega's het met u eens zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Doris Pack (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik sluit mij aan bij de woorden van mevrouw Bozkurt. Ik vind het ongehoord dat een Bulgaarse waarnemer probeert de waardigheid van mevrouw Járóka onderuit te halen. Want dat is wat hij in zijn e-mail doet. Ik verwacht dat het Voorzitterschap rigoureuze stappen neemt. Hij heeft in deze zaal niets te zoeken.

(Langdurig applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, een punt van orde, ik wil protesteren tegen de toespraak die premier Siniora van Libanon gisteren voor de Conferentie van voorzitters heeft gehouden. Het was een volkomen bevooroordeelde, eenzijdige toespraak en er was geen gelegenheid om direct te reageren op zijn woorden. Het was allemaal voorgekookt door de fracties – en daar is misschien ook niets mis mee. Maar ik wil de Conferentie van voorzitters vragen, in het belang van een eerlijke en evenwichtige rapportage, om de premier of de minister van Buitenlandse Zaken van Israël een uitnodiging te sturen, zodat we ook de andere kant van het verhaal te horen krijgen.

(Luid applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dit alles zal worden voorgelegd aan de bevoegde organen.

 
Laatst bijgewerkt op: 28 november 2006Juridische mededeling