Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/0071(AVC)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0469/2006

Debatten :

PV 17/01/2007 - 13
CRE 17/01/2007 - 13

Stemmingen :

PV 18/01/2007 - 9.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0002

Debatten
Donderdag 18 januari 2007 - Straatsburg Uitgave PB

10. Stemverklaringen
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de stemverklaringen.

 
  
  

Verslag-Ribeiro e Castro (A6-0469/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het uitmuntende verslag van mijn Portugese collega José Ribeiro e Castro gestemd, dat betrekking heeft op de wetgevingsresolutie inzake het voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging, in het kader van de vijfjaarlijkse herziening, van de overeenkomst die op 23 juni 2000 te Cotonou werd ondertekend, tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds.

De nieuwe procedure voor de politieke dialoog, de versterkte rol voor de parlementen, de verwijzing naar het Internationaal Strafhof, de regionale samenwerking, de verwijzing naar de millenniumdoelstellingen en ten slotte de samenwerking inzake de bestrijding van massavernietigingswapens geven deze herziening meer glans dan men had durven hopen. Bovendien betekent het financiële akkoord ten bedrage van 26 miljard euro voor de periode 2008-2013, dankzij het compromis van de gezamenlijke Raad ACS-EU van juni 2006, dat dit besluit goed nieuws is voor de plaats van de Europese Unie onder de partners van de ACS-landen.

 
  
  

Verslag-Jarzembowski (A6-0475/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb gestemd voor de hoofdzaken van het uitstekende verslag van mijn Duitse collega Georg Jarzembowski, dat betrekking heeft op de aanbeveling voor de tweede lezing betreffende de wijziging van de richtlijn uit 1991 inzake de ontwikkeling van de spoorwegen en die uit 2001 inzake de spoorweginfrastructuur (het “Derde spoorwegpakket”). We kunnen niet langer wachten met het invoeren van meer concurrentie in het personenvervoer per spoor, in het verlengde van hetgeen geheel terecht voor het vrachtvervoer is gedaan. Het betreft een essentiële voorwaarde voor meer dienstverlening tegen een eerlijke prijs.

Net als mijn partij, de UMP (de Franse Unie voor een Volksbeweging), ben ik echter geen voorstander van een te hoog liberaliseringstempo voor het interne verkeer in de lidstaten, want de traditionele vervoerders moeten gelegenheid krijgen om zich op de concurrentie voor te bereiden. Ik hoop dat het Parlement tot overeenstemming kan komen over een aanvaardbaar compromis om deze sector snel van de administratieve economie naar de sociale markteconomie over te brengen. De ontwikkeling van railvervoer van personen tegen een eerlijke prijs, evenals dat van goederen, is een van de essentiële voorwaarden voor het goed functioneren, de ontwikkeling en het concurrentievermogen van onze Europese interne economische markt, die een bron van welvaart is en een sociale noodzaak voor onze medeburgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik zal stemmen vóór het verslag-Jarzembowski over de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap. Het spoornetwerk in mijn eigen regio is van vitaal belang voor de verbindingen met Londen en de rest van het land, met name vanuit Devon en Cornwall, waar de wegen smal en verstopt zijn, we te maken hebben met een aantal knelpunten, en de vliegvelden klein zijn en door weinig toestellen worden aangedaan. Toch dreigen kusterosie en stijgende zeeniveaus de verbinding bij Dawlish in Devon te ontregelen en uiteindelijk te verbreken.

Ik ben dankbaar voor de toezegging van vicevoorzitter Barrot om te pogen manieren te vinden waarop de Commissie op dit vlak kan helpen, hetgeen, als het werkt, een bijzonder praktische demonstratie zou zijn van de beginselen die hier worden belichaamd.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Goebbels (PSE), schriftelijk. – (FR) De vervoersbepalingen in het Verdrag hebben betrekking op het internationale vervoer, de toelatingsvoorwaarden voor vervoersondernemers die in een andere lidstaat gevestigd zijn, en ten slotte de vervoersactiviteiten op de interne markt. Waarom zou de Europese Unie zich dan ook moeten bemoeien met lokaal, regionaal of zelfs nationaal vervoer binnen een land, wanneer de organisatie van die netwerken los staat van de handel op de interne markt? Het verslag-Jarzembowski gaat te ver in het streven naar ongebreidelde liberalisering.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (ITS), schriftelijk. – (FR) Ook in dit verslag over het Derde spoorwegpakket laat de door Brussel uitgedragen ultraliberale ideologie zich weer gelden.

Waar het hier om gaat is een versnelde liberalisering van het internationale passagiersvervoer voor 2010 en van het nationale vervoer voor 2017.

Als het doel de middelen heiligt, valt de zwakte te betreuren van de in dit verslag voorziene middelen en voorzorgen om te vermijden dat de ondernemingen en de werknemers in de spoorwegsector, die nu nog beschermd worden door hun publieke status, worden uitgeleverd aan de moordende concurrentie van de mondiale spoorwegmarkt.

Commissie, Raad noch Parlement lijken lering te hebben getrokken uit de privatisering van de Britse spoorwegen in 1993, die geleid heeft tot een verveelvoudiging van het aantal treinongelukken, vertragingen, achteruitgang van de infrastructuur, verhoging van de tarieven en ontslag van de helft van het rijdend personeel. Het is zo erg dat veel mensen in Groot-Brittannië vandaag de dag pleiten voor renationalisering van de spoorwegen.

Dit is niet het soort Europa dat er moet komen. Europa mag niet worden opgebouwd ten koste van zekerheden, werkgelegenheid en beroepskwalificaties. Wij verwerpen deze antinationale filosofie, die nationale banen vernietigt en steevast buitenlandse krachten voorrang geeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het valt te betreuren dat de meerderheid van het Europees Parlement heeft gestemd tegen ons voorstel om deze richtlijn te verwerpen, terwijl het enige doel van de richtlijn is het spoorvervoer van passagiers tussen de verschillende landen van de Europese Unie te liberaliseren en te privatiseren.

Voor een aantal EP-amendementen met de meest schadelijke gevolgen was er niet de noodzakelijke meerderheid om aangenomen te kunnen worden. Dat was bijvoorbeeld het geval met de voorstellen die nu al het jaar 2017 wilden vastleggen voor de liberalisering van het passagiersvervoer. Toch heeft de meerderheid van het EP, met de stemmen van de leden van de Portugese socialistische partij, de Portugese sociaaldemocratische partij en de Portugese volkspartij, ook aan dit derde pakket voor de liberalisering van het spoorvervoer in de EU haar steun gegeven.

Dit liberaliseringsproces maakt deel van de neoliberale richtsnoeren van de zogenaamde “Lissabonstrategie”. Het doel daarvan is op termijn deze en andere openbare diensten te privatiseren. Het valt te betreuren dat de Portugese regering in een verklaring van 24 juli 2006 “haar steun aan het doel het spoorvervoer te liberaliseren” heeft herhaald.

De spoorwegen zijn een strategische sector voor de sociaaleconomische ontwikkeling van Portugal. Uit respect voor de rechten van de werknemers en de reizigers zullen wij actief het spoorvervoer als openbare dienst blijven verdedigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (ITS), schriftelijk. – (FR) Nu het Tweede spoorwegpakket over goederenvervoer is goedgekeurd, stelt de Commissie niets meer en niets minder voor dan de totale liberalisering van alle internationale en nationale passagiersvervoerdiensten voor 2010 en 2017.

Deze ultraliberale stroomversnelling doet zich voor juist nu er vraagtekens worden geplaatst bij de levensvatbaarheid van de liberalisering van het Franse goederenvervoer per spoor. In december 2006 constateerde de SNCF dat, ondanks de maatregelen op Europees niveau om het vervoer over de weg af te remmen, het volume van het goederenvervoer per spoor in een vrije val was geraakt.

Wat voor gevolgen kunnen we verwachten van het Derde pakket? We stevenen recht af op een voorspelbaar economisch en sociaal fiasco, hetgeen onze Europese bestuurders toch zouden moeten weten, al was het maar door zich de rampzalige ervaring te herinneren van de liberalisering van de Britse spoorwegen in 1993. Laten we niet diezelfde fouten opnieuw maken door de antinationale ideologie te verkiezen boven nationale banen, en laten we de eenheid van de Franse spoorwegen bewaren.

De liberalisering van de spoorwegen betekenen een veiligheidsrisico. Er zullen te veel private spelers op eenzelfde spoornet actief zijn. De veiligheid moet te allen tijden prevaleren boven louter rentabiliteit. De spoorwegen zijn van dermate groot belang dat ze een weliswaar financieel houdbare, maar voor alles veilige openbare dienst moeten blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Noëlle Lienemann (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor de intrekking van dit verslag gestemd, want de liberalisering en de deregulering van de openbare diensten moet dringend een halt worden toegeroepen, vooral als het gaat om het passagiersvervoer. Als de EU weigert een openbare evaluatie van de situatie uit te voeren, moet zij zich goed rekenschap geven van de negatieve gevolgen van haar beleid en van de toenemende weerstand die het bij de burgers oproept.

We mogen geen enkele openstelling tot concurrentie aanvaarden zolang er geen kaderrichtlijn is voor de openbare diensten waarin garanties worden gesteld voor de gelijkheid tussen de regio's en de ruimtelijke ordening, geen prijsbeleid voor de onontbeerlijke nivellering van de prijzen en geen lange-termijninvesteringen om de modernisering en de kwaliteit van de infrastructuur te waarborgen.

Alles wijst erop dat de veiligheid van het spoorvervoer in Europa zal afnemen en dat de dienstregelingen, vooral daar waar de rentabiliteit laag is, zullen worden teruggesnoeid. Dit zal ten koste gaan van de doelstellingen van de bestrijding van het broeikaseffect en leiden tot meer ongelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Bart Staes (Verts/ALE), schriftelijk. Het is verkeerd om vanuit Europa aan alle lidstaten op te leggen hoe zij hun nationale spoorwegen moeten organiseren. Prima dat concurrentie op het spoor in Duitsland resulteert in betere dienstverlening, lagere prijzen en goede veiligheid, maar dit hoeft niet gunstig uit te pakken voor het spoornetwerk in België.

In veel landen is er reden tot ontevredenheid over de dienstverlening op het spoor. Daarom graag een onderzoek naar de voor- en nadelen van concurrentie op het spoor: goede en slechte ervaringen inzake de privatisering van spoorwegen moeten naast elkaar gelegd worden om na te gaan welke vormen van liberalisering wel en welke niet functioneerden.

Niemand vraagt om dit soort liberalisering vandaag: de vakbonden niet, de consumentenorganisaties niet en evenmin de Vereniging van Europese spoorwegondernemingen. Ik had, zoals het was gepland, dit verslag samen behandeld willen zien met dat van Erik Meijer waarbij goede procedures kunnen worden afgesproken om lidstaten en regio’s toe te laten delen van het netwerk te gunnen aan één welbepaalde maatschappij in het kader van openbare dienstverleningscontracten: dit betekent de mogelijkheid één concessie te geven aan één dienstverlener voor een bepaalde periode, maar met een scherp omschreven eisenpakket inzake optimale dienstverlening, veiligheid en zorg om het milieu.

 
  
MPphoto
 
 

  Marc Tarabella (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb besloten tegen het gemeenschappelijk standpunt van de Raad te stemmen, dat in het verslag- Jarzembowski wordt goedgekeurd. Het gemeenschappelijk standpunt behelst namelijk de goedkeuring van het tijdsschema voor de internationale liberalisering van het passagiersvervoer voor 2010.

Ik ben mordicus tegen deze liberalisering die – in tegenstelling tot wat de fervente voorstanders van de ongebreidelde vrije markt beweren – geen betere dienstverlening tegen een betere prijs zal opleveren, maar juist de openbare dienstverlening in de lidstaten in gevaar zal brengen. De overgrote meerderheid van de gebruikers, die klanten worden, zullen worden geconfronteerd met een stijging van de tarieven en een verslechtering van de dienstverlening. De plattelandsgebieden zullen eens te meer de dupe zijn.

Daarbij komt dat de liberalisering de spoorwegondernemingen van de kleine lidstaten in gevaar zal brengen en rampzalig zal uitpakken voor de arbeidsomstandigheden en -voorwaarden van de werknemers bij het spoor in de gehele Europese Unie.

Ter bescherming van de openbare dienstverlening, de gebruikers en de werknemers van het spoor in heel Europa heb ik dus voor de verwerping van het gemeenschappelijk standpunt gestemd en tegen de amendementen die voor deze liberalisering zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Lars Wohlin (PPE-DE), schriftelijk. (SV) De beginselen van wederkerigheid moeten worden gerespecteerd, en het is belangrijk om passagiers over landsgrenzen heen te kunnen vervoeren. De lidstaten moeten echter zelf mogen beslissen of het nationale spoorvervoer moet worden geprivatiseerd. Geprivatiseerde spoorwegen die niet geïntegreerd zijn met de spoorweginfrastructuur van het betreffende land hebben in veel gevallen geleid tot ondermaatse prestaties en hogere kosten voor de belastingbetalers (zoals in het Verenigd Koninkrijk).

Daarom steun ik het gemeenschappelijke standpunt van de Raad, dat minder ver gaat, en stem ik dus tegen de amendementen van het Parlement.

 
  
  

Verslag-Savary (A6-0480/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb gestemd voor het uitstekende verslag van mijn collega Gilles Savary betreffende de aanbeveling voor de tweede lezing met het oog op de aanneming van de richtlijn inzake het bevoegdheidsbewijs van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegnet van de Gemeenschap besturen.

Ik ben het ermee eens dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de regeling voor machinisten en die voor ander treinpersoneel. Daarbij is het van belang dat het Europese certificeringsproces voor machinisten snel wordt ingevoerd, opdat deze certificering aansluit op de ontwikkeling van het goederenvervoer per spoor onder invloed van de concurrentie die het gevolg zal zijn van de economische liberalisering van deze sector. Deze overwegingen vormen een garantie voor de kwaliteit en dus ook voor de veiligheid. Ik hoop dat de Raad zo verstandig zal zijn om hier rekening mee te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij begrijpen het belang van een bevoegdheidsbewijs voor het treinpersoneel, met name voor de machinisten. Deze kwestie maakt evenwel deel uit van het liberaliseringsproces van het spoorvervoer dat de instellingen van de EU – dat wil zeggen de Raad (de regeringen), de Commissie en de meerderheid van het Europees Parlement, die het meest enthousiast is – bevorderen.

Niettegenstaande een aantal positieve zaken betreffende de rechten van de werknemers en enkele technische bepalingen, mogen we niet vergeten dat deze maatregelen een onderdeel vormen van de huidige privatiseringsgolf en niet gericht zijn op verbetering van de dienstverlening.

Anderzijds doen zich een hele reeks problemen voor. Die betreffen onder meer de “invoer” door grote multinationale ondernemingen van het personeel dat in een bepaald land moet werken. Uit naam van de “vrije toegang” en het “concurrentievermogen” moeten zij concurreren met plaatselijk personeel. Met het oog daarop worden overeenkomsten geforceerd die nadelig zijn voor de werknemers en sociale dumping in de hand werken. Ook wordt de garantie aangetast van de rechten die deze werknemers reeds hebben verworven. Tot slot bepalen de Commissie en het Agentschap het model en de criteria die de lidstaten vervolgens dienen te erkennen, in plaats van dat de Commissie en het Agentschap het nationale recht en de nationale bepalingen eerbiedigen die de overige lidstaten al hebben erkend.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. (SV) Passagiers moeten goede rechten hebben, maar hier is sprake van een te gedetailleerde regelgeving op EU-niveau. Wat hier wordt voorgesteld haalt het op geen stukken na bij de compensatiewetgeving zoals die in Zweden van kracht is. De poging van het Parlement om – naast het internationale vervoer, waar wel wat te zegen valt voor bemoeienis van de EU – ook het strikt lokale en nationale vervoer op te nemen, is onnodige overregulering. Bovendien bestaat het gevaar dat door deze regels de situatie met betrekking tot de compensatie in Zweden slechter wordt en dat het voor passagiers moeilijker wordt om bij treinvertragingen een taxi of bus te nemen.

 
  
  

Verslag-Sterckx (A6-0479/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb amendement 65 gesteund omdat in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad niet op een toereikende manier wordt omgegaan met de noodzaak om treinstations en rollend materieel stap voor stap aan te passen teneinde hun toegankelijkheid te waarborgen voor mensen die minder valide of minder mobiel zijn. De geleidelijke verbetering van de bestaande infrastructuur en het rollend materieel is absoluut noodzakelijk gezien de levensduur ervan. Verder is er een groot aantal potentiële passagiers dat van het treinvervoer gebruik zou kunnen maken als het toegankelijk was.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dit verslag moet worden geanalyseerd in het kader van de doelstellingen van het beleid van de Europese Unie met betrekking tot de spoorwegen. De afgelopen jaren heeft de Commissie al drie wetgevingspakketten voor deze sector gepresenteerd. Het EU-beleid is er louter op gericht het technische en juridische kader te voltooien om fasegewijs het spoorvervoer volledig te kunnen liberaliseren. Het is met andere woorden de uitverkoop van het spoorvervoer aan grote particuliere belangen ten koste van de ontmanteling van strategische staatsbedrijven.

In die context moeten we de verordening betreffende de rechten en verplichtingen van treinreizigers zien. Het verslag probeert onder meer de werkingssfeer van de verordening te verbreden door niet alleen de rechten en verplichtingen van de reizigers in het internationale maar ook in het nationale treinverkeer te regelen, de informatie te omschrijven die aan de reizigers moet worden verstrekt, de schadevergoeding te bepalen die moet worden betaald bij vertraging, ongeval of overlijden en de voorwaarden te regelen die gelden voor het gebruik van dit vervoersmiddel door mensen met verminderde mobiliteit.

Het kader voor deze definitie van de rechten van de reizigers is een proces dat een van de grondrechten van de reizigers in het geding brengt, namelijk het recht op openbaar vervoer van kwaliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd vanwege het toenemend gebruik van personenvervoer per spoor in de gehele EU. Nu er een duidelijk duurzamere vervoersstructuur wordt opgezet, met name ondersteund door het TEN-proces, moeten spoorwegexploitanten ook gebonden worden door middel van eenvoudige regels en verplichtingen. Vooral de rechten van passagiers “verdwijnen” vaak in het debat over beter functionerende vervoerssystemen. Daarnaast zorgt het probleem van de monopolistische controle over bepaalde spoortrajecten, zoals dat door de Kanaaltunnel, ervoor dat passagiers worden overgeleverd aan één enkel bedrijf. In het licht van deze verbetering van de rechten van internationale treinpassagiers, ben ik bezorgd dat de huidige benadering van bepaalde bedrijven/exploitanten nog altijd meer inspanningen vergt van regelgevende organen teneinde een consistente en eerlijke benadering te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Evangelia Tzampazi (PSE), schriftelijk. (EN) Met betrekking tot de aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het internationale treinverkeer (verslag-Sterckx) wil ik graag toelichten dat de leden van de Griekse delegatie van de PSE (Stavros Arnaoutakis, Panagiotis Beglitis, Maria Matsouka, Stavros Lambrinidis en Evangelia Tzampazi) zich hebben onthouden van stemming over de amendementen 59 en 69 op grond waarvan: “Alle treinen, ook grensoverschrijdende en hoge snelheidstreinen, […] de reizigers de mogelijkheid [moeten] bieden om in een daartoe ingerichte ruimte tegen betaling kinderwagens, rolstoelen, fietsen en sportuitrusting mee te nemen”.

Hoewel we het voor de rest eens zijn met de tenuitvoerlegging van deze bepaling, moet met betrekking tot rolstoelen echter rekening worden gehouden met het feit dat dit voor mensen met een handicap niet slechts een instrument is, maar echt een deel van hun lichaam. Daarom zouden zij voor het vervoer ervan niet extra moeten hoeven betalen.

We hebben ons dan ook van stemming onthouden over de amendementen 59 en 69, om op die manier steun te geven aan het recht van mensen met een handicap om te kunnen reizen zonder extra te hoeven betalen.

 
  
  

Verslag-Jarzembowski (A6-0475/2006), verslag-Savary (A6-0480/2006) en verslag-Sterckx (A6-0479/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Gilles Savary (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag zeggen hoezeer ik ingenomen ben met het feit dat het Parlement zo uiterst verstandig is geweest om de liberalisering van het spoorwegstelsel en de nationale spoorwegstelsels af te wijzen.

Persoonlijk ben ik groot voorstander van de openstelling van de netwerken en ik ben een van de voorvechters van de totstandbrenging van een spoorweg-Europa zonder grenzen, hetgeen metterdaad het einde zou betekenen van de nationale monopolies. Ik ben evenwel van mening dat de manier waarop de Europese Commissie ons deze liberalisering voorstelt, die neerkomt op een strijd van termijnen en data, onaanvaardbaar is, daar deze onvermijdelijk zal leiden tot de concentratie van de spoorwegeconomie rond enkele grote maatschappijen, tot de verdwijning van tal van nationale maatschappijen, tot een fel gevecht om de meest rendabele marktsegmenten, te weten de hogesnelheidslijnen, en waarschijnlijk tot enorme moeilijkheden om de begrotingslijnen die verband houden met ruimtelijke ordening gefinancierd te krijgen.

Het railvervoer omvat namelijk ook de regionale en doorgaande verbindingen, die dikwijls onrendabel zijn en die worden gefinancierd door wat nu de grote internationale verbindingen zijn, en ik vind het zeer zorgwekkend dat met dit aspect niet echt rekening wordt gehouden. Hoe de buitengewoon nuttige kleine spoorlijntjes te financieren als de inkomsten en de marges van de spoorwegmaatschappijen op het spel worden gezet door de openstelling voor de internationale concurrentie? Die vraag moeten wij beantwoorden en daar hebben we tot 2010 de tijd voor. Persoonlijk hoop ik dat de financiering van de openbare dienstverlening en de begrotingslijnen in verband met de ruimtelijke ordening spoedig op de agenda van ons Parlement zullen staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL), schriftelijk. Terwijl de bezuinigingen blijven doorgaan en zowel de regionale diensten als de internationale verbindingen van de spoorwegen blijven verminderen, roepen nu alle politieke stromingen dat er meer passagiersvervoer en meer vrachtvervoer door het spoor moet worden overgenomen. Hun recept daarvoor is dat van het vrachtverkeer over de weg en van de prijsvechters in de luchtvaart. Ze ontkoppelen het beheer van de rails en het uitvoeren van de dienstverlening, en hopen dat privé-ondernemingen zullen leiden tot lagere prijzen, klantvriendelijk optreden en het aantrekken van meer klanten. Ik denk dat die aanpak uiteindelijk niet zal opleveren wat men er nu van verwacht. Alle aandacht zal uitgaan naar kostenverlaging, door middel van het sluiten van lijnen, het uitdunnen van de diensten, het verhogen van de tarieven en het afstoten van de vele verliesgevende klanten.

De liberaliseringsplannen van de heer Jarzembowski worden onvoldoende gecompenseerd door de verslagen-Savary en -Sterckx. Het verslag-Savary is urgent om de sinds de elektrificatie opgetreden technische problemen met grensoverschrijdende treinen terug te dringen. Het verslag-Sterckx gooit de mogelijkheid weg om spoorwegmaatschappijen te dwingen om grensoverschrijdende diensten beter toegankelijk te maken en in stand te houden. Alleen voor mensen met een handicap betekent het wel een verbetering.

 
  
  

Verslag-Wallis (A6-0481/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb gestemd voor het prima verslag van mijn Britse collega mevrouw Wallis betreffende de aanbeveling voor de tweede lezing met het oog op de aanneming van de verordening over niet-contractuele verbintenissen.

Hoewel voor niet-contractuele verbintenissen in de regel de wet van het land waar de schade zich heeft voorgedaan van toepassing is, zal het met dit verslag, als het wordt nageleefd, mogelijk worden om bijvoorbeeld bij lichamelijke schade als gevolg van een verkeersongeval, de wet van het land van het slachtoffer toe te passen. Gezien de mogelijke complexiteit van dergelijke situaties, maakt dit standpunt het mogelijk om personen terug te brengen in de situatie waarin ze zich voor het ongeval bevonden. Er moet alleen nog een compromis worden gevonden voor de vergoeding van schade door laster in de media, want het Parlement wenst dat de wet van toepassing is van het land waarop de publicatie of uitzending in de eerste plaats is gericht of, als duidelijk is dat dat criterium niet toepasbaar is, het land waar het redactionele toezicht is gevestigd. Het zal geen gemakkelijke klus zijn om een compromis te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. (SV) Het verslag-Wallis, A6-0481/06, bevat voorstellen betreffende de keuze van het toepasselijk recht in gevallen van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijkheidsrechten – voorstellen dat dergelijke zaken moeten worden afgehandeld in het land waar de schade zich heeft voorgedaan. Wij stemmen tegen deze voorstellen, omdat hiermee de Zweedse wetgeving inzake de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid worden beperkt. Zo zou een Zweedse krant in andere landen kunnen worden vervolgd op grond van andere wetten dan die welke van toepassing zijn in het land waar de krant wordt uitgegeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (ITS), schriftelijk. – (FR) Deze verordening, Rome II genaamd, heeft als verdienste dat ze de afhandeling van grensoverschrijdende geschillen beoogt te vergemakkelijken, door in meer situaties de algemene regel te hanteren, volgens welke het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen het recht is van het land waar de schade zich voordoet.

Wij zijn voor het harmoniseren van de regels in geval van wetsconflicten, want dat is de enige manier waarop de rechtszekerheid kan worden vergroot. Daarvoor moeten de regels echter wel precies en helder zijn, hetgeen lang niet altijd het geval is.

Als het gaat om de specifieke kwestie van verkeersongevallen, maar ook als het gaat om die van gevallen van laster of schending van de privacy door een geschreven of audiovisueel medium, zijn de voorgestelde regels erop gericht het slachtoffer te beschermen door deze met name in staat te stellen gemakkelijker schadevergoeding te verkrijgen.

Hoewel de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd moeten worden, mogen deze de rechten van de betrokken personen niet te zeer inperken.

Het verslag voorziet in waarborgen door de aanneming van standaardregels in geval van wetsconflicten. Wij zullen voorstemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. (SV) Het verslag Rome II, waar het Europees Parlement vandaag voor heeft gestemd, bevat twee formuleringen die in strijd zijn met de Zweedse wetgeving inzake de persvrijheid. Helaas was het onmogelijk om tegen de amendementen met de betreffende formuleringen te stemmen, omdat die onderdeel waren van een groter blok. Ik heb voor het verslag gestemd, maar ik wil wel mijn bedenkingen tegen amendement 9 en amendement 19, artikel 7 bis kenbaar maken.

 
  
  

Terdoodveroordeling van het in Libië vastgehouden medisch personeel: EN B6-0024/2007

 
  
MPphoto
 
 

  Димитър Стоянов (ITS). – Аз гласувах "за" това предложение, но пред себе си имам един текст, който е изпълнен с тежък изказ. В него няма нищо, което реално да се казва. Тази резолюция трябваше да бъде приета преди осъждането на българските медицински сестри на смърт, а не сега постфактум. И защо, когато бяха осъдени, висшите представители на Съюза се правеха, че са паднали от небето и че за осем години те не са разбрали, че има такова нещо. Или може би им беше по-лесно да си затварят очите, защото европейските държави въртят една много хубава търговия с Либия.

Искам да Ви кажа, уважаеми колеги, че ние сме изправени съвсем очевидно пред един тежък диктаторски режим. И с такъв режим единственият начин, по който може да се справяш, е с решителност, твърдост и непоколебимост. Затова аз настоявам, всички европейски държави да прекратят незабавно търговските си отношения с Либия, което ще бъде оказване на истински натиск върху тази тоталитарна държава.

В заключение, бих искал да кажа, че ако това не стане, това ще означава, че в Европа се е открил нов вид програма – "петрол срещу човешки животи".

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI), schriftelijk. (EN) Ik heb gestemd vóór deze resolutie ter ondersteuning van degenen die het slachtoffer zijn van het onrecht dat hun door de inhumane Libische autoriteiten is aangedaan. Ik neem echter afstand van de eis in de ontwerpresolutie met betrekking tot een algeheel verbod op de doodstraf overal ter wereld. Ik ben van mening dat de doodstraf gepast en noodzakelijk kan zijn indien er sprake is van volstrekt betrouwbare en correcte juridische processen die worden ondersteund met een volledige reeks beroepsmogelijkheden. In Libië is van dat alles zeker geen sprake.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb gestemd voor de resolutie van de fracties die hun veroordeling uitspreken over het vonnis van de Libische rechtbank die vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts schuldig heeft bevonden en ter dood heeft veroordeeld omdat zij opzettelijk vijfhonderd kinderen zouden hebben besmet met het aidsvirus. Deze resolutie biedt mij de gelegenheid om nogmaals mijn radicale afwijzing van de doodstraf uit te spreken. De afschaffing daarvan draagt bij tot een grotere eerbied voor de menselijke waardigheid en tot de bescherming van de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben voor deze resolutie gestemd, omdat wij tegen de doodstraf zijn en ons derhalve keren tegen de uitspraak van de Libische rechtbank waarmee vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts tot terechtstelling door een vuurpeloton zijn veroordeeld. Wij verzetten ons natuurlijk ook tegen de bekrachtiging van deze uitspraak op 19 december 2006.

Wij zijn ook ernstig bezorgd over de gronden waarop de verdachten zijn veroordeeld en over de behandeling die zij in voorlopige hechtenis hebben ondergaan.

Wij herhalen ons verzet tegen de doodstraf en wijzen erop dat de afschaffing van de doodstraf bijdraagt aan de versterking van de menselijke waardigheid en aan de geleidelijke ontwikkeling van de mensenrechten. Daarom roepen wij op de doodstraf in de hele wereld af te schaffen.

Wij sluiten ons ook aan bij het verzoek aan de bevoegde Libische autoriteiten alle nodige maatregelen te nemen ter herziening en nietigverklaring van het vonnis en de weg vrij te maken voor een snelle oplossing van de kwestie op humanitaire gronden.

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Muscat (PSE), schriftelijk. (MT) Ik heb voornamelijk voor deze resolutie gestemd omdat ik onder alle omstandigheden tegen de doodsstraf ben.

Ik ben van mening dat de jarenlange pogingen van veel landen, waaronder Malta, om Libië dichter naar de internationale gemeenschap toe te trekken, niet simpelweg naar de prullenbak mogen worden verwezen. Dit geval laat zien dat er meer – en niet minder – dialoog tussen de twee partijen nodig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het proces dat geleid heeft tot de terdoodveroordeling van vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts toont aan dat sommige staten niet aarzelen buitenlandse onderdanen te gijzelen.

Hoewel we ons best hebben gedaan de Libische beschuldigingen te doorgronden, toont het bewijsmateriaal ten overvloede aan dat de ter dood veroordeelden onschuldig zijn. De processen zijn ondertussen evenwel voortgegaan. De enige uitleg die wij hieraan kunnen geven, is dat deze buitenlandse staatsburgers voor binnenlandse en/of buitenlandse politieke doeleinden worden gebruikt.

Dat is geen verrassing voor een land dat nog lang geen democratie is en ook geen greintje respect toont voor de regels van de rechtsstaat. Daar komt nog bij dat sinds 1 januari er onder de veroordeelden vijf Europese staatsburgers zijn. Dat verplicht ons tot een nog grotere inzet voor de verdediging van de gerechtigheid en de eerbieding van de algemene rechtsbeginselen bij deze zaak.

Libië is geen haar veranderd, maar gedraagt zich, ingegeven door overwegingen van realpolitik, anders. Libië dient te begrijpen dat het voor ons onaanvaardbaar is dat deze veroordeelden gegijzeld worden voor politiek gewin.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Het Libische doodsvonnis tegen de Bulgaars verpleegsters en de Palestijnse arts is afschuwelijk en maakt de tragedie van hun onterechte opsluiting gedurende de afgelopen acht jaar nog vreselijker. Wij hebben ons altijd in de voorste linies bevonden van degenen die hun vrijlating eisten.

Helaas, en in weerwil van mijn advies, bleven de Groenen en de communisten vasthouden aan het opnemen van een paragraaf over het bredere onderwerp van principieel verzet tegen de doodstraf in deze resolutie. Ook al hebben velen van ons tegen deze paragraaf gestemd, hij blijft deel uitmaken van een tekst die we verder sterk hebben gesteund. Veel conservatieven, waaronder ikzelf, verzetten ons echter niet principieel tegen de doodstraf. Integendeel, we zouden deze straf in ere hersteld willen zien onder bepaalde uiterst specifieke en strikt gewaarborgde omstandigheden. We willen derhalve duidelijk maken dat onze steun voor deze uitstekende resolutie op geen enkele manier betekent dat we het eens zijn met paragraaf 2.

 
  
  

Verslag-Romeva i Rueda (A6-0439/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik wil mijn collega, de heer Romeva i Rueda, feliciteren met zijn verslag over dit jaarrapport. Ik was zelf meer dan een decennium geleden in de toenmalige Subcommissie veiligheid en ontwapening van de Commissie buitenlandse zaken verantwoordelijk voor het eerste verslag over dit onderwerp.

Destijds was een van de problemen dat het onvermogen om een interne Europese wapenmarkt op te zetten tot een situatie leidde waarin gescheiden nationale markten het noodzakelijk maakten wapens uit te voeren. Dit betekende dus dat Europese wapens terechtkwamen in handen van weerzinwekkende types en zoals we maar al te kort geleden nog hebben kunnen zien, werden we in Irak inderdaad geconfronteerd met onze eigen wapens in vijandelijke handen.

Een ander probleem dat speelde was het ontbreken van een rechtsgrondslag voor onze Gedragscode betreffende wapenuitvoer, gedeeltelijk omdat bepaalde lidstaten niet wilden dat hun verkopers een strobreed in de weg zou worden gelegd op de wapenmarkten van de wereld.

Uit het verslag van de heer Romeva i Rueda blijkt dat dezelfde problemen nog altijd spelen. Hoe langer we het vinden van oplossingen uitstellen, des te meer ellende zal de vrije markt voor wapens over de wereld uitstorten en des te hoger zullen de kosten voor ons zijn in termen van inefficiëntie en vluchtelingen en asielzoekers die hun heil elders zoeken vanwege de niet natuurlijke rampen waarvoor wijzelf uiteindelijk verantwoordelijk zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Gaubert (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Het initiatiefverslag over het zevende en het achtste jaarrapport van de Raad over de Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer is zojuist met een ruime meerderheid aangenomen. Ik feliciteer de rapporteur met de kwaliteit van het werk dat hij heeft geleverd en met de consensus die over deze tekst is bereikt.

Met scherp inzicht wordt in dit verslag gewezen op de noodzaak de Gedragscode als gemeenschappelijk standpunt goed te keuren om de juridische effecten ervan op het toezicht op de wapenuitvoer te versterken en om de nationale wetgevingen op dit gebied te harmoniseren.

Om dezelfde reden worden de Europese Unie en haar lidstaten opgeroepen hun steun te geven aan een internationaal wapenhandelsverdrag binnen het kader van de Verenigde Naties, iets dat mij zinnig lijkt.

Daarnaast bevat het verslag een aantal welkome verduidelijkingen van de inhoud en de reikwijdte van de Gedragscode en wordt terecht gevraagd dat eerbiediging van de mensenrechten een algemeen criterium wordt voor de uitvoer van wapens.

De Europese Unie moet, meer dan ooit tevoren, alles op alles zetten om zich op te stellen als een verantwoordelijke speler op het wereldtoneel die bekend staat om zijn inspanningen voor de bestrijding van de proliferatie van wapens, die een bron vormt van vele conflicten en ernstige mensenrechtenschendingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Lambert (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd. Ik verheug me met name over het verlangen van het Parlement dat de EU zich inzet voor een internationaal verdrag inzake wapenhandel. We onderkennen dat geld uitgeven aan wapens ons afleidt van de verwezenlijking van de millenniumdoelen. Geen enkel bedrijf in geen enkel land mag profiteren van de ellende en de mensenrechtenschendingen die we bijvoorbeeld zien in Darfur. Landen die de taal van de diplomatie spreken mogen niet profiteren van het aanwakkeren van het conflict. Zoals in het verslag wordt gesteld, moeten we betere manieren zien te vinden om ervoor te zorgen dat het eindgebruik binnen ons vergunningenstelsel ook het beoogde gebruik is, en dat wapens niet via omwegen terechtkomen bij regimes of verzetsbewegingen die mensen inhumaan behandelen.

Ook verheug ik mij over de verwijzingen naar uitvoergaranties door middel van leningen, maar ik had graag gezien dat het verslag verder was gegaan. Lidstaten zouden niet garant mogen staan voor wapenverkopen. Dit is op zijn minst een verstoring van de concurrentie en kan leiden tot corruptie. In het ergste geval wordt hierdoor de schuldenlast groter en wordt het, zoals we onlangs in Tanzania hebben gezien, voor arme landen moeilijker om te investeren in gezondheid, onderwijs en echt duurzame ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Iedere lidstaat moet toezicht houden op zijn eigen wapenuitvoer via zijn nationale wetgeving en door samenwerking in het kader van de VN. Ik ben absoluut tegen de plannen voor de oprichting van een EU-agentschap voor de controle op de wapenuitvoer. Het verslag gaat over de opstelling van een bindende Gedragscode voor de wapenuitvoer binnen het kader van de EU. Het bevat een voorstel om een nieuw EU-orgaan op te richten dat de wapenuitvoer van de lidstaten moet gaan controleren. Nog afgezien van een eventuele principiële stellingname hierover, moeten we ons afvragen of dit wel zal leiden tot een restrictiever beleid, en dat is toch het doel. Tegelijkertijd dringt het Europees Defensieagentschap aan op meer coördinatie en liberalisering van het exportbeleid van de lidstaten. Ik ben van mening dat de VN, gezien zijn ervaring, kennis en mondiale karakter, de meest aangewezen instantie is om de wereldwijde activiteiten op het gebied van ontwapening voort te zetten en ervoor te zorgen dat een zo goed mogelijke Gedragscode wordt nageleefd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De wapenindustrie is niet per definitie de meest smerige en gecorrumpeerde vorm van zakendoen. De praktijk laat echter vaak het tegendeel zien.

Daarom meen ik dat wij het gedrag van de publieke en particuliere actoren strikt moeten controleren om enig effect te kunnen bereiken met pressie via wetgeving en andere middelen.

Ik stem in met het bindend karakter van deze gedragscode, waar ik al lange tijd voorstander van ben.

Tot slot wil ik het nog hebben over China. Elk jaar houden wij dit debat. China biedt ons geen enkele garantie dat het militair materieel overeenkomstig onze regels wordt gebruikt. Integendeel juist. Dat argument zou op zich al moeten volstaan. Daar komt nog bij dat het toenemend belang van deze mondiale actor vereist dat wij er een partner van proberen te maken om de wereld minder gewelddadig en conflictueus te maken. Dat bereiken we niet door uit naam van de economie steeds weer concessies te doen. Soms kan dat de aangewezen weg zijn, maar hier is dat niet het geval.

Tot slot betreur ik het dat het verslag China, Colombia, Ethiopië, Eritrea, Indonesië, Nepal en Israël op één hoop gooit. Daarmee worden zaken met elkaar verward die juist duidelijk gescheiden zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Hoewel een groot deel van het verslag-Romeva niet controversieel is, wordt hierin vastgehouden aan een wettelijk bindende Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer en wordt onvermijdelijk gepoogd de bevoegdheid van de EU uit te breiden. In plaats daarvan zouden we ons moeten richten op een internationaal verdrag waarin de nadruk ligt op die landen die terroristen en opstandelingen blijven bewapenen en die lijken te ontsnappen aan de aandacht van degenen die altijd zo veel kritiek hebben op de westerse democratieën. We hebben ons derhalve onthouden van stemming over deze resolutie.

 
  
  

Verslag-Hedkvist Petersen (A6-0449/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bradbourn (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Conservatieven vinden verkeersveiligheid een buitengewoon belangrijk onderwerp, maar kunnen dit verslag niet steunen omdat hierin wordt opgeroepen tot pan-Europese maatregelen via harmonisatieprocessen en niet tot intergouvernementele samenwerking in verband met een beperkt aantal grensoverschrijdende kwesties. Geografische overwegingen, traditie en cultuur zijn ook van invloed op dit terrein en aangezien het Verenigd Koninkrijk al behoort tot de hoogst scorende landen in Europa wat betreft verkeersveiligheid, zien we niet in waarom het noodzakelijk zou zijn dat aan veel van de maatregelen een EU-dimensie wordt gegeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Goebbels (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb tegen dit verslag gestemd en tegen veel van de amendementen, omdat het Europees Parlement het subsidiariteitsbeginsel met voeten treedt door in heel Europa dezelfde door de politie te handhaven regels op te leggen, waarvan de doeltreffendheid lang niet bewezen is.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (ITS), schriftelijk. – (FR) Het verslag van mijn collega laat zien hoeveel vooruitgang er is geboekt op het gebied van verkeersveiligheid en in de strijd tegen verkeersongevallen. Tussen 2001 en 2005 is het aantal doden op de Europese wegen met 17,5 procent gedaald. Dat is weliswaar een verheugende ontwikkeling, maar het is natuurlijk niet voldoende, want jaarlijks worden er in de Europese Unie nog meer dan 40 000 verkeersdoden geteld.

De talrijke voorstellen die in dit verslag worden gedaan op het gebied van verkeersveiligheid zijn verbazend genoeg niet louter repressief, zoals de aanpak in Frankrijk, maar zijn voornamelijk gericht op opleiding, kwaliteit van het wagenpark en de staat van de wegeninfrastructuur. Wij steunen deze voorstellen.

Zeker, het aantal verkeersdoden in Frankrijk neemt ieder jaar af, maar de woede van degenen van wie het rijbewijs is ingenomen neemt evenredig toe. Los van de “angst voor de politie”, zijn automatische boetes voor snelheidsovertredingen, zelfs voor overschrijdingen van maar 1 km/h, aan de orde van de dag.

Van de 36 miljoen automobilisten zijn er 3,5 miljoen punten kwijtgeraakt en zijn er bijna 70 000 rijbewijzen ingenomen. Hoewel het einddoel van veilig verkeer verwezenlijkt moet worden, moet de jacht op de automobilist ophouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het Europees actieprogramma voor de verkeersveiligheid dat in 2003 is goedgekeurd, heeft als doel het aantal dodelijke verkeersslachtoffers tegen 2010 te halveren. Dat betekent dat er in dat jaar niet meer dan 25.000 doden mogen vallen. Hoewel tussen 2001 en 2005 het aantal doden is gedaald, verwacht men dat het onmogelijk is het gestelde doel te halen.

De strijd tegen verkeersongevallen dient zich op verschillende terreinen af te spelen: educatie van de automobilisten, de staat van de wegen en de voertuigen en ontmoedigingsmaatregelen. Dat dient allemaal deel uit te maken van een brede strategie voor de vervoerssector.

Daarvoor dienen gerichte maatregelen genomen te worden. Verkeerseducatie in het onderwijs en de rijscholen dienen gebruik te maken van nieuwe onderwijsmethoden om het maatschappelijk bewustzijn van de burgers te vergroten. Er moet controle zijn op het rijgedrag van de automobilisten en de staat van de voertuigen. Daar die controle vooral een preventieve en vormende werking dient te hebben, mag deze zich niet beperken tot de jacht op boetes. De kwaliteit van de wegen en goede en begrijpelijke verkeerstekens spelen ook een belangrijke rol, evenals de grote toename van het autoverkeer ten koste van het openbaar vervoer. Daarom is het belangrijk dat dit vraagstuk deel uitmaakt van een ware strategie voor de vervoerssector, die het gebruik van het openbaar vervoer stimuleert.

 
  
MPphoto
 
 

  Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Ik stem tegen dit verslag, omdat het mijns inziens uitgaat van een verkeerde redenering over het beleidsniveau dat verantwoordelijk is voor de verkeersveiligheid. De Zweedse partij Junilistan is van mening dat de lidstaten de eerstverantwoordelijken zijn om te beslissen welke juridische maatregelen moeten worden genomen om de verkeersveiligheid te verbeteren. Een betere verkeersveiligheid kan worden bereikt doordat de lidstaten de strategieën die in verschillende EU-landen succesvol zijn gebleken, overnemen. De opvattingen van het Europees Parlement zijn misschien prijzenswaardig, maar zij voegen in dit verband zeer weinig toe.

Het verslag bevat een reeks voorstellen die onvoldoende rekening houden met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Hiertoe behoren onder andere de voorstellen dat kinderen van drie tot achttien jaar gedurende hun hele schoolperiode les moeten krijgen in verkeersveiligheid door middel van een speciaal EU-actieplan, dat de Commissie in de lidstaten voorlichtingscampagnes moet voeren tegen vermoeidheid bij bestuurders en dat de Commissie ook een onderzoek moet instellen naar de effecten van vermoeidheid bij bestuurders op de verkeersveiligheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. (SV) Snelheidslimieten zijn een zaak voor de afzonderlijke lidstaten, en aangezien zij van veel verschillende factoren afhankelijk zijn, moeten besluiten daarover op nationaal niveau worden genomen. Hoe graag ik ook, in het belang van het milieu en de veiligheid, regels zou willen invoeren om de Autobahnen van de Duitsers aan banden te leggen, zou het een averechts effect hebben als we dergelijke regels van buitenaf zouden opleggen, en het zou de politieke krachten in Duitsland die voor dezelfde zaak strijden, juist verzwakken.

Een promillage van 0,5 is te hoog en is hoe dan ook onacceptabel.

Op EU-niveau beslissen over attentielichten zou even dwaas zijn als het Verenigd Koninkrijk te dwingen rechts te gaan rijden. Als daarmee 5 000 levens worden gespaard, moet het toch eenvoudig zijn om deze maatregel op nationaal niveau door te voeren. Ik stem niettemin voor de oproep aan de lidstaten om gevaarlijk rijgedrag bij vrachtwagenchauffeurs te voorkomen, omdat op die manier respect wordt getoond voor de rechten van de nationale parlementen. Bovendien is het goed voor het milieu als vrachtwagens niet langer kunnen concurreren met treinen door het niet al te nauw te nemen met de veiligheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Gary Titley (PSE), schriftelijk. (EN) De delegatie van de Labour Party in het Europees Parlement verheugt zich over het beginsel dat ten grondslag ligt aan het verslag, namelijk halvering van het aantal dodelijke verkeerslachtoffers in de EU tegen 2010. Het verslag is positief wat betreft het feit dat hierin de aandacht wordt gevestigd op de toenemende verschillen in verkeersveiligheid tussen bepaalde lidstaten. Ook wordt erin aangedrongen op versterkte samenwerking tussen belanghebbenden en de uitwisseling van beste werkwijzen.

Pogingen om verkeersveiligheidsinitiatieven als attentielampen en geharmoniseerde alcoholpromillages in te voeren zullen echter weinig uitrichten ter verbetering van de verkeersveiligheid in de EU. Er zijn bewijzen waaruit blijkt dat attentielampen juist meer gevaar zouden opleveren voor motorrijders en voetgangers. Lidstaten zouden zich niet moeten richten op het veranderen van de alcoholpromillages, maar op het handhaven van bestaande wetten en het doeltreffend straffen van overtreders. We hebben derhalve besloten ons te onthouden van stemming over dit verslag.

 
  
  

Verslag-Záborská (A6-0478/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het is belangrijk dat we het voorstel hebben goedgekeurd dat de geïntegreerde benadering van de gelijkheid van mannen en vrouwen de reorganisatie, verbetering en evaluatie van de politieke processen vereist. Zo kunnen degenen die gewoonlijk betrokken zijn bij deze beleidsvorming ervoor zorgdragen dat de gelijkheid van mannen en vrouwen aan bod komt op alle beleidsterreinen, op alle niveaus en in alle fases zonder de geïntegreerde benadering van de gelijkheid van mannen en vrouwen te veronachtzamen bij het specifieke beleid dat ten doel heeft situaties te corrigeren die het gevolg zijn van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Het gelijkheidsbeleid aan de ene kant en de geïntegreerde benadering van de gelijkheid van mannen en vrouwen aan de andere kant vormen een tweeledige en complementaire strategie. Daarom moeten beide op elkaar afgestemd zijn, zodat het doel gelijkheid van mannen en vrouwen bereikt kan worden, zoals de aangenomen resolutie stelt.

In elke lidstaat dienen de voorwaarden geschapen te worden om op de verschillende terreinen daadwerkelijk gelijkheid tot stand te brengen en niet alleen bij het verdelen van de politieke ambten. Daarom vinden wij het positief dat de plenaire vergadering het voorstel heeft verworpen waarmee het verslag quota voor politieke partijen bij de samenstelling van hun kandidatenlijsten voor alle vertegenwoordigende organen verplicht wilde stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lissy Gröner (PSE), schriftelijk. (DE) Dit verslag is een evaluatie van het beleid ten aanzien van gendermainstreaming en het borduurt voort op mijn verslag over dat onderwerp (A5-0060/2003).

Het nu gepresenteerde verslag over ‘de geïntegreerde benadering van de gelijkheid van mannen en vrouwen in de werkzaamheden van de commissies’, ofwel gendermainstreaming, pakt onderwerpen op uit het verslag van 2003, beoordeelt de inspanningen die tot nog toe zijn verricht en het probeert toekomstperspectieven naar voren te halen voor de praktische tenuitvoerlegging van gendermainstreaming. Het stemgedrag van Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten heeft ertoe geleid dat enkele essentiële passages zijn geschrapt uit het door de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid unaniem goedgekeurd verslag, waaronder bijvoorbeeld de passages waarin het belang wordt onderstreept van de Groep op hoog niveau, gender budgetting en personeelsbeleid. Daar ik ervan overtuigd ben dat het verslag- Záborská op wezenlijke punten minder ver gaat dan de resolutie van 2003, stem ik tegen het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (ITS), schriftelijk. – (FR) Hoewel een geïntegreerde benadering voor gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zeker op werkgelegenheidsgebied, noodzakelijk is, geldt dat zeker niet voor de autoritaire en gedwongen tenuitvoerlegging en handhaving daarvan.

Helaas is dat is echter wel wat mijn geachte collega, mevrouw Záborská, in haar verslag voorstelt. Ten behoeve van de waardigheid en de gelijkheid van vrouwen, vraagt zij van ons dat wij voor een verplichtend quotumsysteem voor lijsten van politieke partijen stemmen. Ik denk dat we niet moeten zwichten voor de verleiding om alles te laten wijken voor de genderideologie. Een dergelijke benadering zou contraproductief zijn en uiteindelijk het imago van vrouwen schaden, daar zij via diezelfde ideologie het hardnekkige vooroordeel zouden bevestigen dat het hun, ongeacht hun kwaliteiten, aan zowel competentie als legitimiteit ontbreekt.

Het is zeker noodzakelijk om de toegang voor vrouwen tot bepaalde banen of functies waar zij tot nu toe van worden uitgesloten of waar ze ondervertegenwoordigd zijn, te bevorderen, maar laten we niet doorschieten en in demagogie vervallen, want zo’n aanpak zal zich uiteindelijk tegen de vrouw keren.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Nu we de balans opmaken van de afgelopen twee jaar parlementair werk van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, wil ik Voorzitter Borrell, voorzitter van de Groep op hoog niveau, bedanken voor de verstandige en diplomatieke wijze waarop hij onze werkzaamheden heeft gesteund, en ook mevrouw, vicevoorzitter, voor de vele aandacht die zij heeft besteed aan de werkzaamheden van deze groep, die een onmisbaar instrument voor transversale samenwerking is.

De bevoegdheden van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, die zijn vastgesteld in het reglement van onze instelling, maken dat de afgevaardigden verantwoordelijk zijn voor de controle op alles wat verband houdt met gelijkheid in het Europees Parlement, waaronder in de wetgeving over gelijkekansenbeleid, de begroting, het voorlichtingsbeleid met betrekking tot vrouwen, alsmede voor de samenwerking met de administratie bij de tenuitvoerlegging en voortzetting van de gendermainstreaming op alle terreinen, waaronder het personeelsbeleid.

Daarnaast wil ik graag zeggen hoezeer ik de oplettendheid van alle collega’s waardeer, en in het bijzonder van mevrouw Gröner, die aan de wieg stond van dit initiatief en die in haar verslag onderstreepte dat de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid het belangrijkste orgaan is van het Europees Parlement als het gaat om kwesties in verband met vrouwenrechten, gelijke kansen en een geïntegreerde benadering. Ik hoop dat deze vruchtbare samenwerking onze verdere werkzaamheden zal blijven inspireren.

 
Laatst bijgewerkt op: 23 maart 2007Juridische mededeling