Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/0133(COD)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0155/2007

Debatten :

PV 23/05/2007 - 3
CRE 23/05/2007 - 3

Stemmingen :

PV 23/05/2007 - 5.2
CRE 23/05/2007 - 5.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0199

Debatten
Dinsdag 10 juli 2007 - Straatsburg Uitgave PB

10. Stemverklaringen
PV
  

- Verslag-Jacek Saryusz-Wolski (A6-0216/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) Velen denken dat Kiev heel duidelijk op een “Brusselse koers” ligt, maar dat is helemaal niet zo duidelijk. Wanneer het land zich werkelijk afwendt van Rusland, wat Loekaschenko al een hele tijd lijkt voor te bereiden, zou dat gevolgen hebben, zeker ook voor olie en gas. Wanneer die sector uit zijn evenwicht raakt, zou dat ook gevolgen hebben voor de Europese Unie.

De laatste uitbreiding heeft aangetoond dat we aan de grenzen van onze mogelijkheden terecht zijn gekomen. Desondanks is nog steeds niet duidelijk of we de Russische invloedssfeer in het gebied van de vroegere Sovjet-Unie respecteren, of blind achter de Amerikanen aan blijven lopen, die hun hegemonie ook in Oost-Europa willen vestigen. Dat leidt tot een zigzagkoers, en tot politieke spanningen in Oekraïne. Desondanks zou het verstandig zijn om de relatie met onze Oekraïnse buren te verbeteren. We hebben een voorschot gegeven in de vorm van visumfaciliteiten, dus moeten we nu eisen dat het oude schandaal volledig wordt opgehelderd, en dat dergelijke gevallen van misbruik niet meer voorkomen.

 
  
  

- Verslag-Jean-Marie Cavada (A6-0265/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Krachtens de Akte van Toetreding van Bulgarije en Roemenië uit 2005 is er een vereenvoudigde regeling tot stand gekomen waardoor die landen kunnen toetreden tot overeenkomsten en protocollen die zijn afgesloten op basis van artikel 34 VEU of artikel 293 EGV. Daarom is het niet meer nodig te onderhandelen over en over te gaan tot de sluiting van specifieke protocollen voor toetreding tot die overeenkomsten. Dat betekent dat de bureaucratische rompslomp die gepaard zou gaan met de ratificatie door 27 lidstaten wordt bespaard.

In de bijlage bij de Akte staat een lijst met zeven overeenkomsten en protocollen op het vlak van justitie en binnenlandse zaken, waaronder deze Overeenkomst.

Ik ben verheugd over dit soort initiatieven, die beogen zowel de communautaire bureaucratie als de overdreven hoeveelheid tijd die in zulke eenvoudige zaken wordt gestopt, te verminderen.

Ik geef dan ook mijn steun aan dit Raadsbesluit, dat bepaalt wanneer de Overeenkomst van 26 juli 1995 inzake het gebruik van informatica op douanegebied en de desbetreffende protocollen in Bulgarije en Roemenië in werking moeten treden.

 
  
  

- Verslag-Genowefa Grabowska (A6-0260/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. (PL) Ik stem voor het verslag van mevrouw Grabowska betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europol-overeenkomst van 26 juli 1995.

Bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië is een vereenvoudigde regeling ingevoerd voor de toetreding van deze twee landen tot verdragen en overeenkomsten die door de lidstaten gesloten zijn op grond van artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. In het licht van de bovengenoemde regeling is het niet langer noodzakelijk te onderhandelen over specifieke toetredingsprotocollen. Die zouden bovendien door alle lidstaten van de Gemeenschap geratificeerd moeten worden. Het is enkel nodig dat de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, een besluit aanneemt waarin de datum wordt vastgelegd waarop de Europol-overeenkomst in werking zal treden, samen met de nodige protocollen.

De Raad zou eveneens nieuwe termijnen in overweging moeten nemen voor de inwerkingtreding van de drie protocollen die dateren van 30 november 2000, 28 november 2002 en 27 november 2003.

 
  
  

- Verslag-Alexander Stubb (A6-0215/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het uitstekende verslag van mijn collega, de heer Stubb, gestemd inzake het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over de uitgaven van Commissie, Parlement en Raad voor vertaling. Ik ben blij een amendement te hebben kunnen laten indienen waarin wordt betreurd dat steeds meer documenten of mededelingen, met name compromisamendementen op het moment dat hierover gestemd wordt binnen de commissie of bijvoorbeeld bijlagen bij verslagen, slechts in één taal worden voorgelegd. Deze tendens strookt niet met de noodzaak om een democratisch werkmodel van onze Unie te behouden dat diverse volken met verschillende talen en culturen bijeenbrengt. Ons model kan van nut zijn voor andere gebieden ter wereld, met name het gebied rond de Middellandse Zee, en wij moeten het gebruik van talen volledig respecteren. Ik heb jammer genoeg niet kunnen voorkomen dat het verslag de parlementaire commissies en delegaties, voor zover mogelijk, aanspoort de teksten alleen aan te leveren in de talen van hun gewone en plaatsvervangende leden, waarbij als eis wordt gesteld dat andere taalversies op aanvraag beschikbaar worden gesteld. De laatstgenoemde beperking zal ertoe leiden dat afgevaardigden de verrichtingen van andere commissies dan die waarin ze zelf zitting hebben, niet meer kunnen volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het respecteren van de officiële talen van de lidstaten van de Europese Unie staat in de Verdragen. Toch wordt het idee gestimuleerd dat een aantal vertalingen gemist kan worden. Daarvoor gebruikt men financiële argumenten en doet men een beroep op de noodzaak prioriteiten en beperkingen vast te leggen, zoals de omvang van documenten. Dergelijke richtsnoeren druisen in tegen de eerbiediging van de meertaligheid en zijn daarom voor ons onaanvaardbaar.

Daarom bevestigen wij dat wij elke poging het gebruik van een officiële of werktaal van de EU te beperken met als argument de hoge kosten, krachtig van de hand wijzen. Een voorbeeld van dat argument vormen de bestaande criteria voor het gebruik van de talen tijdens de Parlementaire Vergaderingen EU-ACS, die op discriminerende wijze het gebruik van het Portugees onmogelijk hebben gemaakt. Wij hebben dat toen ook aan de kaak gesteld.

Wij wijzen tevens van de hand dat met misleidende begrotingsargumenten het aantal tolken en vertalers verminderd wordt en hun arbeidsvoorwaarden bij het Parlement, de Commissie en de Raad onzekerder en slechter worden. De instellingen stimuleren de uitbesteding van die diensten, die onmisbaar zijn voor het adequaat functioneren van deze instellingen en het garanderen van de toegang tot relevante informatie voor de burgers van de lidstaten van de Europese Unie in hun eigen taal.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún en Mary Lou McDonald (GUE/NGL), schriftelijk. - (EN) Wij hebben vandaag tegen het verslag van de heer Stubb gestemd, omdat wij vrezen dat het begrip “gecontroleerde integrale meertaligheid” gebruikt zou kunnen worden om de hoeveelheid schriftelijk materiaal die voor Ierse sprekers beschikbaar is, te beperken ten opzichte van sprekers in andere officiële en werktalen. Op dit moment is een aantal diensten die wel in het Iers aangeboden zou kunnen worden, toch niet in onze taal beschikbaar omdat de administratie van het Europees Parlement dat zo heeft beslist. Dergelijke onnodige beperkingen van de Ierse taal als werktaal dienen opgeheven te worden.

Sommige voorstellen in het verslag van de heer Stubb zijn overigens positief, zoals de eerbiediging van de meertaligheid, de kwaliteitscontrole, de tevredenheid van de gebruikers, de vertaalgeheugensystemen en een gemeenschappelijke terminologiedatabase.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) De Europese Rekenkamer heeft bekritiseerd dat de kosten van de vertaling van 2003 tot 2005 met 25 procent gestegen zijn. De stijging van het aantal officiële talen van 11 naar 21 op zich is geen verklaring voor dit feit, dus moeten we die kritiek nog eens goed bekijken. In dit verband zou het werkelijk de moeite waard zijn om te overwegen of we de kosten van de vertalingen van nu af aan opsplitsen per doeltaal, zodat duidelijker zichtbaar wordt hoeveel vraag er naar vertalingen is. We moeten ook een strategie bedenken voor de pre-toetredingsgesprekken die op dit moment plaatsvinden. Alleen Macedonië heeft al zes officiële talen, en als het zo doorgaat hebben we hier binnenkort een Babylonische spraakverwarring.

Zodra alle gegevens beschikbaar zijn zal zeker duidelijk worden waar zonder meer kan worden bezuinigd. We mogen deze revisie echter niet misbruiken om nog meer belangrijke EU-documenten in te delen als “werkdocument” of als “bijlage”, om via die achterdeur de verplichte volledige vertaling te omzeilen. Vooral moeten we vaker gebruik maken van het Duits, de meest gesproken moedertaal, en op één na de belangrijkste vreemde taal.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. Voorzitter, ik heb voor het verslag-Stubb gestemd omdat ik het eens ben met de hoofdlijnen ervan.

Het uitgangspunt van ons handelen moet de volledige meertaligheid blijven uit respect voor de beginselen van gelijkheid van alle burgers, omwille van een optimale communicatie en omwille van de democratie. Tegelijk moeten we echter behoedzaam omgaan met de kosten, anders riskeren we de maatschappelijke draagkracht voor de veeltaligheid van onze instelling te verliezen.

 
  
  

- Verslag-Jan Mulder (A6-0275/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn collega Jan Mulder gestemd over het minimaliseren van uit Europese wetgeving voortvloeiende administratieve lasten. De doelstelling “beter wetgeven” van de Europese Commissie moet worden aangemoedigd en bewaakt. Onnodige administratieve lasten zijn de plaag van onze samenlevingen die gebaseerd zijn op de rechtsorde en die zich niet altijd beseffen dat de inflatie van het recht leidt tot de depreciatie ervan, want burgers passen geen onnodige en dure regels toe. Een reductie van 25 procent van de administratieve lasten tussen nu en 2013 is best haalbaar, op voorwaarde dat we goed kijken om wat voor uitgaven het gaat en niet uit het oog verliezen dat loze bezuinigingen veel duurder kunnen uitvallen.

Iedereen weet dat middelmaat op de lange termijn veel duurder is dan kwaliteit. Als we voortdurend moeten strijden tegen alle zinloze wetten en de daarmee gepaard gaande administratieve lasten, moeten we op zorgvuldige en oordeelkundige wijze regels opstellen voor economische activiteiten, waarbij het belang van consumenten en producenten voorop staat.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) Wanneer we steeds meer nieuwe EU-agentschappen uit de grond stampen, die vaak ook nog dubbel werk doen, alleen maar om nationale wensen te bevredigen, mag het ons toch echt niet verbazen dat er verwijten komen over een grenzeloze bureaucratie, over teugelloze overheidsbemoeienis en gerichte verplaatsing van arbeidsplaatsen. We streven naar een burgervriendelijkere Gemeenschap, maar dat betekent meer dan e-government en dergelijk pr-spektakel, dat betekent dat we dubbel werk moeten vermijden, of verminderen.

We moeten ook gebruik maken van de bestaande mogelijkheden om te bezuinigen. We kunnen ons bijvoorbeeld beperken tot één enkele zetel voor het Parlement, alleen daadwerkelijk gemaakte onkosten terugbetalen, de fraude effectief bestrijden en ten onrechte betaalde subsidies ook echt weer terugvorderen. We kunnen ook miljarden besparen bij al die uitbreidingen, die tegen de wil van de burger plaatsvinden. In ieder geval mag de EU niet nadoen wat er in bepaalde lidstaten lijkt te gebeuren, en wel dat meer migranten in overheidsdienst worden genomen. Dat zou ernstige en onomkeerbare schade veroorzaken voor ons doel om een Europese identiteit te ontwikkelen.

 
  
  

- Verslag-Diana Wallis (A6-0257/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Ik heb voor het verslag van mijn collega, mevrouw Wallis, gestemd over de gemeenschappelijke ontwerptekst van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen (Rome II). Met dit uiterst complexe dossier wordt een stap gezet in de richting van de harmonisatie van de collisieregels van de lidstaten die van toepassing zijn op niet-contractuele verbintenissen, dat wil zeggen de gevolgen van verkeersongevallen, oneerlijke concurrentie, milieuschade, laster en, meer in het algemeen, schending van persoonsrechten, enzovoort.

Over het geheel genomen is het Europees Parlement onvoldoende gehoord door de lidstaten, en de talloze studies en rapporten waarin de gevolgen van deze overeenkomst moeten worden beoordeeld, zullen van essentieel belang zijn als wij op deze belangrijke kwestie terugkomen. Bijvoorbeeld als het gaat om verkeersongevallen: hoe kunnen wij er genoegen mee nemen dat het recht van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden wordt toegepast, en niet dat van het land waar het slachtoffer woont? En zijn wij er zeker van dat de rechtbanken zich louter door de overwegingen van deze verordening zullen laten leiden bij het vaststellen van de schade? Hoe houden wij laster onder controle in een pers die steeds internationaler wordt en zich op het digitale vlak begeeft? En zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Er staat ons nog veel werk te wachten, wat deze thema’s betreft.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (ITS), schriftelijk. – (FR) Ik wil de rapporteur graag feliciteren met de evenwichtige tekst die ze ons voorlegt. Deze tekst streeft naar de totstandbrenging van een coherent juridisch kader voor de relaties tussen internationale civiele wetten en andere communautaire instrumenten.

Deze verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) streeft er namelijk naar de nationale collisieregels te harmoniseren. Deze regels bepalen welk recht van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, zoals bij bijvoorbeeld bij verkeersongevallen, productaansprakelijkheid, oneerlijke concurrentie of milieuschade.

Wij zijn voorstander van het principe om standaardregels in te voeren als het gaat om collisie, zij het dat ze wel, laten we dat niet vergeten, voldoende duidelijk en nauwkeurig moeten zijn. Dat was niet het geval bij de omstreden bepalingen betreffende laster door de media. Vrijheid van meningsuiting en persvrijheid moeten worden beschermd en onvoorwaardelijk kunnen worden uitgeoefend. In dit geval was het bij gebrek aan regels die redactionele onafhankelijkheid beschermen zinvol de bepalingen betreffende schending van de privésfeer door de media uit te sluiten van de werkingssfeer van ‘Rome II’.

Wij zullen dan ook voor dit verslag stemmen.

 
  
  

- Verslag-Antonios Trakatellis (A6-0184/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Het verheugt mij zeer dat het met de Raad bereikte compromis over het tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid 2007-2013 is aangenomen.

De Europese Unie kan niet meer zonder een gemeenschappelijk gezondheidsprogramma met gemeenschappelijke publieke investeringen. Het is betreurenswaardig dat de begroting naar beneden is bijgesteld. We moeten vele investeringen doen voordat we kunnen beschikken over preventieve en technische middelen. Voorkomen is beter dan genezen en goede informatie over levensstijlen of gezondere voeding om de mortaliteit als gevolg van ernstige ziekten te verminderen, is een essentiële voorwaarde. We moeten tevens technische oplossingen voor noodsituaties algemeen beschikbaar maken. Het op grote schaal ter beschikking stellen van defibrillatoren is een van vele voorbeelden.

Gezondheid is echter niet een louter boekhoudkundige kwestie. Zij is ook en vooral een goed voor iedereen. Meer verantwoordelijkheid geven aan patiënten is een belangrijk aspect. Het opstellen van duidelijke en toepasbare bepalingen in alle lidstaten van de Europese Unie is ontegenzeglijk de belangrijkste stap op weg naar de toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. - (EL) Het in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van de EU opgenomen actieprogramma heeft niet tot doel de volksgezondheid te beschermen en te verbeteren, maar de problemen te beheren, de commercialisering en privatisering van de gezondheidsdiensten verder uit te breiden en tot slot de particuliere concerns te helpen bij de verovering van deze voor het kapitaal winstgevende sector.

De verantwoordelijkheid van de staat en de verplichting om de volksgezondheid te beschermen en te verbeteren worden overgeheveld naar de lokale overheden, naar ngo’s en het “maatschappelijk middenveld”, en tegelijkertijd wordt de individuele verantwoordelijkheid naar voren geschoven als een fundamentele factor voor de manier waarop de volksgezondheid vorm krijgt.

De kapitalistische hervormingen in de volksgezondheidssector maken deel uit van het meer algemeen volksvijandig beleid van de EU. Men wil de verzekeringsvoorwaarden verslechteren en de pensioengerechtigde leeftijd voor de werknemers verhogen. Wij zijn vierkant tegen de arbeidersvijandige voorstellen die zijn opgenomen in het communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid.

De Communistische Partij van Griekenland strijdt voor een uitsluitend openbare volksgezondheid en voor uitsluitend openbare voorzieningen, die tegemoet kunnen komen aan de hedendaagse behoeften van het arbeidersgezin.

 
  
  

-Verslag-Maria Sornosa Martínez (A6-0218/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Ivo Belet (PPE-DE). – Voorzitter, ik zit hier in het midden. Een kleine kanttekening bij het terugschroeven van het gebruik van kwik. Daar is iedereen voor. Dat is een goede zaak, want in veel sectoren is het gebruik van kwik voorbijgestreefd en moet het inderdaad worden vervangen door andere materialen. Maar een totaal verbod op ambachtelijke voorwerpen, zoals de traditionele kwikbarometer, gaat volgens ons te ver.

Ik ben onlangs op bezoek geweest bij het bedrijf Dingens in de Belgische gemeente Leopoldsburg en dat bedrijf bewijst al decennia lang dat kwikbarometers op een duurzame, ecologisch verantwoorde manier kunnen worden geproduceerd. Zo'n traditionele barometer heeft trouwens een onbeperkte levensduur in tegenstelling tot zijn opvolger, de digitale barometer, die op batterijen werkt en dus energie verbruikt. De producenten van traditionele barometers hebben zich bovendien bekwaamd in het duurzaam onderhoud van deze toestellen. Er komt geen kwik van barometers in het afvalcircuit terecht.

Ik roep daarom de Commissie op, mevrouw de Voorzitter - en dan ga ik stoppen - en ik roep ook alle betrokkenen op om nu al een signaal te geven aan de betrokken sector en bij de evaluatie, die nu twee jaar duurt, rekening te houden met die terechte specifieke situatie van de kwikbarometerproducenten, opdat zij, hopelijk, het recht blijven behouden op een uitzonderingsregime.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (ITS). – Dank u, mevrouw de Voorzitter, ik heb voor de amendementen 1 en 2 gestemd, omdat ik van oordeel ben dat de productie van traditionele barometers mogelijk moet blijven. Ik verzet mij tegen elke vorm van Europese bemoeizucht die ertoe leidt dat er niet alleen traditionele gebruiken en productiemethodes verloren gaan, maar ook werkgelegenheid.

Bovendien is het zeer de vraag of het verbieden van kwikbarometers een effectieve maatregel zou zijn. Andere vormen van kwikgebruik zijn veel omvangrijker en veel problematischer dan die bij de productie van barometers. Bovendien hebben kwikbarometers geen batterijen nodig en zijn ze permanent actief.

Het Parlement heeft vandaag weer eens een kans gemist om rekening te houden met een concrete realiteit, namelijk dat kleine en middelgrote ondernemingen een zeer belangrijke plaats innemen in onze economie en in Europa. En het laatste wat die KMO's nodig hebben, is nog meer Europese regelgeverij en bemoeizucht.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI), schriftelijk. - (EN) Ik heb vandaag mijn steun gegeven aan de amendementen om barometers uit te zonderen van deze veel te dicterende wetgeving. Die amendementen zijn echter verworpen en daarom heb ik tegen het verslag gestemd.

Door een totaal verbod op kwikhoudende meettoestellen zou een aloude traditionele ambachtelijke sector in het Verenigd Koninkrijk verdwijnen als gevolg van een obsessieve bemoeizucht met allerlei zaken vanuit Brussel op een manier die veel verder gaat dan wat noodzakelijk of verstandig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik ben ingenomen met het verstandige besluit dat genomen is in verband met het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, waarin de meeste amendementen van het Europees Parlement zijn overgenomen. Het voornaamste verschil tussen het standpunt van het Parlement en dat van de Raad betreft kwikbarometers en de toe te passen ontheffingen, gelet op het feit dat het verbod dat vervolgens zou worden ingesteld alleen van toepassing zou zijn op nieuwe kwikbarometers, aangezien barometers die al in gebruik zijn nog altijd kunnen worden verkocht, gerepareerd en onderhouden.

Gezien de uiterst gevaarlijke eigenschappen van kwik en de veel grotere hoeveelheid kwik in traditionele barometers vergeleken met bijvoorbeeld koortsthermometers, vormt de door de Raad voorgestelde oplossing om een beperkte ontheffing te verlenen een evenwichtig compromis: het doel is in feite een tijdelijke ontheffing toe te kennen om de fabrikanten van traditionele barometers de gelegenheid te geven zich aan de nieuwe regels aan te passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik juich het toe dat het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft de beperking van het op de markt brengen van bepaalde kwikhoudende meettoestellen is aangenomen.

Ik ben voor het beperken van het op de markt brengen voor het grote publiek van kwikhoudende meettoestellen, die in Frankrijk sinds 1998 verboden zijn.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, dat het Parlement heeft aangenomen, leidt tot een evenwicht waarmee wij de verspreiding van kwik in het milieu kunnen reduceren en een overgangsperiode kunnen instellen voor bepaalde producten zoals traditionele barometers. Dankzij een overgangsperiode van twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn kunnen de betreffende ondernemingen hun technologie verder ontwikkelen om toestellen zonder kwik te produceren.

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Ik ben geschokt dat wij nog steeds wetgeving maken waardoor banen verloren dreigen te gaan terwijl daar geen echte voordelen voor het milieu tegenover staan. Net als in andere lidstaten is de barometerproductie in het Verenigd Koninkrijk een sector met een eeuwenlange traditie. Er bestaat geen twijfel over dat er adequaat controle uitgeoefend moet worden op het gebruik van kwik. De afgelopen jaren hebben wij ook aanzienlijke vooruitgang geboekt met betrekking tot zaken als de opslag en de uitvoer. Het moet echter toch mogelijk zijn om de traditionele barometerproductie in stand te houden door het gebruik van efficiënte veiligheidswaarschuwingen en dergelijke. Het is niet nodig om een aloud, traditioneel ambacht kapot te maken, alleen maar omdat het gemakkelijker is om een wetgeving te gebruiken op basis van het adagium “deze jas past ons allemaal”. Een sociaal Europa betekent niets als dat betekent dat mensen in traditionele ambachten hun baan verliezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. Voorzitter, collega's, kwik is een gevaarlijk product waar omzichtig mee moet worden omgesprongen. Niemand in dit Parlement twijfelt daaraan. Helaas heeft het Europees Parlement deze stelling vandaag bij de stemming over het verslag-Sornosa Martínez tot in het absurde doorgetrokken. Ik betreur dat zeer.

Door vast te houden aan een totaal verbod op de productie van traditionele barometers heeft de Commissie, hierin vandaag gevolgd door een meerderheid van dit Parlement, de doodsteek gegeven aan een sector die staat voor 360 jaar Europese traditie. Het feit dat alle barometerfabrikanten in de Europese Unie slechts luttele tiende procenten van het jaarlijkse kwikverbruik voor hun rekening nemen, kwik dat op de koop toe 100 procent gerecycleerd wordt, maakt de zaak dubbel zo erg. Vandaag is hier duidelijk niet de keuze van het gezond verstand gemaakt.

 
  
  

Verslag-Asa Westlund (A6-0153/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. - (SV) De stemmingen over de verslagen van mevrouw Westlund gaan niet alleen over de vraag welke levensmiddelenadditieven mogen worden gebruikt. Zij gaan vooral over de vraag wie in individuele kwesties met betrekking tot levensmiddelenadditieven besluiten mag nemen.

In tegenstelling tot de rapporteur vinden wij als Zweedse conservatieven niet dat het Europees Parlement individuele levensmiddelenadditieven moet evalueren en over de goedkeuring ervan moet beslissen, bijvoorbeeld op basis van details zoals de risico’s van individuele levensmiddelenadditieven voor mensen met een allergie. Dat zou de politisering betekenen van belangrijke kwesties waarover op wetenschappelijke basis en op het niveau van de bevoegde autoriteit moet worden beslist. Wij verwerpen daarom het voorstel met betrekking tot meer medebeslissingsbevoegdheid voor het Parlement.

Als gevolg hiervan hebben wij in de stemming van vandaag tegen een te gedetailleerde regulering gestemd.

 
  
  

- Verslag-Asa Westlund(A6-0154/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). – (CS) Geachte commissaris, ik heb gepleit voor een meer flexibele toelating van toevoegingen in levensmiddelen, en in dit kader ben ik van mening dat de Commissie ook direct moet toezien op de invloed hiervan op het milieu en de gezondheid. Graag wil ik u attent maken op de grote groep mensen die allergisch zijn voor gluten, en wier leven afhangt van het volgen van een glutenvrij dieet. Naast speciale bakproducten kopen ze gewone levensmiddelen die normaliter geen gluten bevatten, en daarom is het van belang dat de toevoegingen op de juiste wijze voor de consument worden aangegeven. Producenten en controlerende instanties hebben vaak lak aan het feit dat in de markering van elk product expliciet vermeld moet worden of dit al of niet gluten bevat. Hierdoor krijgen de honderdduizenden Europeanen die aan deze voedselallergie lijden onvoldoende zekerheid bij de aankoop van levensmiddelen, zodat ze onnodig in de keuze van de levensmiddelen beperkt worden of – erger nog – hun gezondheid in gevaar brengen. Ik wil hier graag een beroep doen op de Commissie om erop toe te zien dat er consequent onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van gluten in additieven en om zorg te dragen voor een volledige markering van alle levensmiddelen, zodat ook Europeanen met een glutenvrij dieet hierbij baat hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Ik heb voor het uitstekende verslag gestemd van mijn Zweeds medelid, mevrouw Westlund, over levensmiddelenadditieven. Hoewel het normaal is de taak van de Europese Commissie te vergemakkelijken door ermee akkoord te gaan dat besluiten over toelating van voedseladditieven via de comitologieprocedure worden vastgesteld, moet de Commissie in de nieuwe verordening inzake levensmiddelenadditieven en in de nieuwe verordening tot vaststelling van een uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s rekening houden met de kanttekeningen die het Parlement de afgelopen jaren telkenmale heeft gemaakt.

Die kanttekeningen betreffen vooral het milieu, de volksgezondheid en de zorg voor allergische personen. Het is toe te juichen dat volgens de bestaande wetgeving voor goedkeuring onder meer vereist is dat de consument niet misleid wordt. Desondanks wordt de consument soms in de veronderstelling gebracht dat een product bepaalde vruchten bevat doordat er een bepaalde kleurstof gebruikt is. Op dit punt moet de consumentenbescherming versterkt worden zonder dat dit gevolgen heeft voor fabrikanten.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Wise (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) Hoewel ik het eens ben met de principes die ten grondslag liggen aan de amendementen over de etikettering van GGO’s, heb ik mij van stemming onthouden. Ik ben namelijk van mening dat dergelijke zaken door de nationale regeringen geregeld dienen te worden en niet onder de bevoegdheid van de EU vallen.

 
  
  

- Verslag-Avril Doyle (A6-0177/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Ik heb voor het uitstekende verslag gestemd van mijn gewaardeerde Ierse collega, mevrouw Doyle, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voedingsenzymen en tot wijziging van meerdere bestaande teksten. Om de handelsbelemmeringen uit de weg te ruimen en niet alleen rechtsonzekerheid maar ook uiteenlopende normen met betrekking tot volksgezondheid en consumentenbescherming tussen de verschillende lidstaten te voorkomen, is het van essentieel belang om op communautair niveau de voorschriften te harmoniseren betreffende controle op de toepassing van enzymen in de levensmiddelenindustrie, die de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid is (vervaardiging van brood, kaas, productie van bier, vruchtensappen, verwerking van zetmeel, enzovoorts).

Dankzij grote wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen kunnen wij nieuwe enzymen produceren uit genetisch gemodificeerde micro-organismen. Daarom moeten wij dit vooruitzicht van geharmoniseerde wetgeving betreffende het gebruik van voedingsenzymen in de Europese Unie toejuichen. Dit is in het welbegrepen belang van consumenten en producenten, mits de wetgeving niet te duur is.

 
  
  

- Verslag-Mojca Drčar Murko (A6-0185/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het uitstekende verslag gestemd van mijn Sloveense medelid, mevrouw Drčar Murko, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in of op levensmiddelen en tot wijziging van meerdere bestaande teksten.

Tegenwoordig kan elke natuurlijke geur of smaak synthetisch worden nagemaakt met behulp van 2 600 moleculen met natuuridentieke aromatiseringseigenschappen en er kunnen nieuwe smaken worden gecreëerd, zelfs smaken die in de natuur niet bestaan. De technologische ontwikkelingen in deze sector en de snel veranderende smaken van onze medeburgers moeten ons ertoe aanzetten te waken over de voedselveiligheid en de consumentenbescherming en de betrokken ondernemingen de mogelijkheid te bieden de technologische ontwikkeling voort te zetten met als doel de interne markt te versterken.

Er zijn vele vragen gesteld, en ik juich de compromissen toe die de rapporteur heeft weten te bereiken. Hierdoor is dit voorstel voor een verordening een doeltreffend initiatief geworden, gericht op modernisering en vereenvoudiging van de wetgeving betreffende aroma’s.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik zal dit verslag steunen. Ik ben met name verheugd over de inspanningsverplichting in verband met het etiketteren van GGO’s. De bezorgdheid van een aantal collega’s over de veiligheid van GGO’s kan ik niet helemaal delen. Ik oordeel daar anders over. Als wetenschapper ben ik van mening dat die GGO’s een bepaalde functie moeten vervullen. Desalniettemin accepteer ik dat andere mensen het recht hebben om andere keuzes te maken. Dat betekent dat degenen die een andere mening dan de mijne zijn toegedaan, door die etikettering de keuze hebben om de producten te vermijden waar zij niet van gediend zijn.

 
  
  

- Verslagen van Asa Westlund (A6-0154/2007) en Mojca Drčar Murko (A6-0185/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Gerard Batten (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) Hoewel wij ons kunnen vinden in de uitgangspunten van deze amendementen met betrekking tot de etikettering van GGO’s, heeft de Britse Onafhankelijkheidspartij zich van stemming onthouden omdat dergelijke zaken door de nationale regeringen geregeld dienen te worden en niet onder de bevoegdheid van de EU moeten vallen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nigel Farage (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) Amendement 38, waarin bepaald wordt dat voedsel dat met GGO’s is geproduceerd, geëtiketteerd dient te worden, leidt ondanks de inherente wenselijkheid ervan eerder tot stemonthoudingen (dan ondersteuning) als gevolg van de gevaarlijke en onhervormbare ondemocratische bron (EU-instellingen). Met andere woorden, ik beschouw een gecentraliseerde EU-regelgeving zonder democratische verantwoordingsplicht als een grotere bedreiging voor de beschaving dan ongeëtiketteerde, met GGO’s geproduceerde voedselingrediënten. Dat betekent dat ik mij liever van stemming onthoud dan dat ik mijn steun aan dit amendement geef.

 
  
  

- Verslagen van Asa Westlund (A6-0153/2007 en A6-0154/2007), Avril Doyle (A6-0177/2007) en Mojca Drčar Murko (A6-0185/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het pakket gestemd betreffende de rationalisering van de toelatings- en gebruiksprocedures en de consolidatie van de richtlijnen betreffende additieven en aroma’s alsmede de harmonisatie van de wetgeving inzake enzymen.

Het verheugt mij zeer dat we een aantal aanvullende garanties hebben opgenomen om de transparantie van de besluiten en de consumentenbescherming te waarborgen. De toekomstige wetgeving heeft als doel de consumentenbescherming en de voedselveiligheid te waarborgen alsmede het innovatief vermogen en het concurrentievermogen van de voedingsmiddelenindustrie in stand te houden.

De voedingsindustrie gebruikt vele natuurlijke en kunstmatige aroma’s; er zijn er niet minder dan 2 600 geregistreerd. Bovendien worden steeds meer enzymen gebruikt bij de productie van levensmiddelen, en met de aangenomen teksten willen wij het veilige gebruik van deze stoffen verbeteren.

Wij dienen het concurrentievermogen van de voedingsmiddelenindustrie op de markt in stand te houden. Natuurlijke aroma’s bestaan volledig uit agentia met natuuridentieke aromatiseringseigenschappen. Met de door de Commissie voorgestelde verhouding 90/10 kon een natuurlijk aroma worden geproduceerd met verschillende smaken, afhankelijk van het product, de doelgroep of de cultuur van de lidstaat. Die 10 procent kwam uit natuurlijke bronnen anders dan de betreffende stof.

Ik betreur derhalve dat de zogenaamde arbitraire 95/5-regel is aangenomen die de voedingsmiddelenindustrie kan benadelen maar de consument geen betere informatie verschaft.

 
  
  

- Verslag-Astrid Lulling (A6-0148/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN), schriftelijk. - (EN) Ik heb tegen het verslag betreffende de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken gestemd. De Commissie economische en monetaire zaken was voorstander van een verhoging van de minimumtarieven met 4,5 procent. Aangezien ik tegen elke fiscale harmonisatie of belastingverhoging ben, hoe klein ook, heb ik tegen het verslag van Astrid Lulling gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. Voorzitter, collega's, telkens wanneer we in dit Parlement praten over bier, wijn of andere alcoholische dranken laaien de gemoederen hoog op. Dit was zo voor de brouwerijovereenkomsten. Het is nu niet anders. Vijftien jaar geleden werden in de Raad minimumtarieven afgesproken voor accijnzen op alcoholhoudende dranken. De bedoeling was duidelijk: de sterk uiteenlopende tarieven in de lidstaten naar elkaar toe laten groeien.

Zoveel jaar na datum moeten we vaststellen dat de beslissingen van toen hun doel zijn voorbijgeschoten. Zo passen sommige lidstaten, bijvoorbeeld de Scandinavische landen, omwille van volksgezondheidsredenen tarieven toe die zeer veel hoger liggen dan de minima. Dit is ook helemaal geen schande. Elke lidstaat heeft het recht een accijnsbeleid te voeren dat op één lijn ligt met zijn nationale tradities en beleidsvoorkeuren.

Laat ons dan echter ook maar erkennen dat de door de Commissie voorgestelde inflatiecorrectie van de bestaande tarieven geen zoden aan de dijk zal zetten. De huidige accijnsspreidstand tussen de lidstaten en de bestaande concurrentiedistorsies zullen onverminderd voortduren. Ik heb dan ook rapporteur Lulling gesteund in haar tegenstem.

 
  
  

- Verslag-Jeanine Hennis-Plasschaert (A6-0270/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, ik deel de positieve inschatting door mevrouw Hennis-Plasschaert van het voostel voor een richtlijn. We moeten belangrijke infrastructuur die door meerdere landen wordt gedeeld beschermen tegen terroristische activiteiten. Daarvoor moeten we onderzoeken om welke infrastructuur het gaat, en veiligheidsplannen opstellen.

Het voorstel van de Commissie gaat echter veel te ver. Het schendt het subsidiariteitsprincipe. Het haalt terreurbestrijding en financiële instrumenten door elkaar, en we mogen de Commissie toch wel de vraag stellen of een centraal register van kritieke infrastructuur de terroristen niet in de kaart speelt, en het risico daardoor verhoogt.

Het Europees Parlement heeft constructieve wijzigingsvoorstellen gedaan, en God zij dank heeft een grote meerderheid daar voor gestemd. Daarom zou ik de Europese Commissie willen aanbevelen om deze voorstellen nog eens goed te bekijken. Ik heb voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het uitstekende verslag gestemd van mijn Nederlandse medelid, mevrouw Hennis-Plasschaert, over het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake kritieke infrastructuur. In de eerste plaats juich ik de visie van de Europese Raad van juni 2004 toe, die ten grondslag ligt aan dit voorstel voor een richtlijn. Het is absoluut noodzakelijk dat de Europese Unie de lidstaten ondersteunt bij de bescherming van kritieke infrastructuur tegen de risico’s, inclusief terroristische acties, waarmee wij worden geconfronteerd. Hoewel de verantwoordelijkheid voor dit soort infrastructuur ligt bij de lidstaten en de eigenaren/exploitanten die in de regel met hen verbonden zijn, ligt het voor de hand sommige aspecten van preventie, inventarisatie en aanduiding van kritieke infrastructuur te communautariseren, evenals de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren. Gezien de ontwikkeling van internet en de liberalisering van sommige markten (bijvoorbeeld wat betreft de levering van elektriciteit en gas, telecommunicatie en vrachtvervoer per spoor) moeten wij waakzamer zijn ten aanzien van onze kritieke infrastructuurvoorzieningen, die op Europees niveau steeds meer onderling gekoppeld worden en waarvan de permanente of tijdelijke verstoring of de vernietiging ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de gezondheid, de veiligheid of het economische en sociale welzijn van de Europeanen of voor het efficiënt functioneren van de regeringen van de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het vaststellen van een gemeenschappelijk actiekader voor de bescherming van kritieke Europese infrastructuur confronteert ons eens te meer met het centrale vraagstuk van de overdracht van bevoegdheden, die tot de kern van de soevereiniteit van de lidstaten behoren, naar de EU.

De definitie op communautair niveau van de bescherming van deze infrastructuur uit naam van de zogenaamde “strijd tegen het terrorisme” confronteert de lidstaten met hun verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van bindende maatregelen, zoals trouwens in de toelichting bij dit voorstel staat.

Hoewel de rapporteur de werkingssfeer van het oorspronkelijke voorstel afzwakt, als zij bijvoorbeeld zegt dat “de primaire en uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de bescherming van kritieke infrastructuur bij de lidstaten ligt” en meent “dat een communautaire aanpak alleen kan worden gerechtvaardigd als ten minste drie lidstaten of ten minste twee andere lidstaten dan die waarin de kritieke infrastructuur zich bevindt nadelige gevolgen zouden ondervinden”, doet zij niets af aan de hoofddoelstellingen.

Ook moet nog gezegd worden dat het voorwendsel van de zogenaamde “strijd tegen het terrorisme” geleid heeft – zoals de recente realiteit laat zien – tot maatregelen die rechten, vrijheden en garanties van de burgers aantasten. Laten wij hopen dat het concept van “bescherming van kritieke Europese infrastructuur” niet wordt gebruikt als argument om de legitieme strijd van de werknemers voor de verdediging van hun rechten te beknotten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik stem voor het verslag inzake de inventarisatie en aanmerking van Europese kritieke infrastructuur, en ook voor de beoordeling van de noodzaak om de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren.

Vernietiging of beschadiging van infrastructuur in één lidstaat kan negatieve gevolgen hebben voor meerdere lidstaten, en dus ook voor de hele Europese economie. Daarom is de bescherming van kritieke infrastructuur van het grootste belang voor de binnenlandse veiligheid van de EU.

Ik ben ook voor het voorstel in het verslag om aan de hand van gemeenschappelijke criteria een lijst op te stellen met prioritaire sectoren van kritieke Europese infrastructuur. De lidstaten mogen echter niet verplicht worden om de Commissie heel concreet mee te delen wat hun kritieke infrastructuur is, omdat dit de nationale veiligheid in het gedrang zou brengen.

De wens om in de EU horizontale rechtsvoorschriften vast te leggen, waarbij rekening wordt gehouden met de complexe processen en interfaces van kritieke grensoverschrijdende infrastructuur, is terecht. We moeten echter ook onder ogen zien dat de EU het werk van de lidstaten moet steunen, en niet mag overdoen. Daarom ben ik ook voor het voorstel om een subsidiaire aanpak te kiezen, want nationale instanties weten altijd het best wat er in hun land aan de hand is.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. - (EL) In het verslag wordt volledige instemming betuigd met de strekking van de ontwerprichtlijn. Daarin wordt elke belangrijke, openbare en particuliere infrastructuur waarbij meerdere EU-lidstaten zijn betrokken, gekenmerkt als kritieke Europese infrastructuur, en worden de lidstaten verplicht om een lijst met deze infrastructuur voor te leggen aan de Europese Commissie, die dan een gemeenschappelijke lijst maakt voor heel de EU en in staat is de beveiliging van deze infrastructuur tegen “terroristische daden” te bewaken en controleren.

Met de ontwerprichtlijn:

krijgen particulieren, dat wil zeggen de monopolistische ondernemingen, bevoegdheden voor vraagstukken die vallen onder de nationale veiligheid en die voorheen onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de staat vielen;

wordt het pad geëffend om het etiket “terroristische daden” te plakken op de manifestaties van de arbeiders- en massabeweging die invloed uitoefenen op ongeacht welke infrastructuur van “Europees belang”, zelfs particuliere installaties (bijvoorbeeld stakingen in cruciale sectoren - energie, telecommunicatie, enzovoort - het symbolisch bezetten van fabrieken, ondernemingen, enzovoort, manifestaties, het posten bij stakingen, enzovoort);

worden de nationale veiligheid en de soevereiniteit van de lidstaten op beslissende wijze ondermijnd, aangezien de lidstaten verplicht zijn om een lijst met alle voor de veiligheid en de beveiligingsplannen kritieke infrastructuur in de EU in te dienen.

Het voorwendsel van “terroristische dreiging” is eens te meer het opportune vehikel van de EU voor de voltooiing van haar reactionair institutioneel kader, dat gericht is tegen de volksbewegingen en de macht van het Europees kapitaal verstevigt, via de nog grotere ondermijning van de nationale soevereiniteit van de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Er bestaat geen Europese kritieke infrastructuur, dergelijke infrastructuren bestaan uitsluitend op nationaal niveau. De bescherming van die infrastructuren is dan ook de verantwoordelijkheid van de nationale regeringen, met name gezien de terroristische dreigingen waarmee democratieën tegenwoordig worden geconfronteerd.

Ik ben uiteraard voorstander van maatregelen die de veiligheid daadwerkelijk verbeteren. Deze richtlijn vormt echter weer een volgende stap in de pogingen van de EU om haar invloed uit te breiden tot het veiligheids- en defensiebeleid. Dat is ook het element waar het grootste bezwaar aan kleeft. De Commissie lijkt veiligheid te beschouwen als een middel om te waarborgen dat de stabiliteit van de interne markt wordt gehandhaafd en daar slaat zij de plank mis. Het voorgestelde systeem om risico- en bedreigingsbeoordelingen aan de Commissie te rapporteren, levert uitsluitend extra bureaucratische lasten en structuren op. De verplichting voor lidstaten om de Commissie van specifieke kritieke infrastructuren in kennis te stellen, is contraproductief, aangezien hierdoor een overzicht van bepaalde kritieke doelen wordt gecreëerd dat veel belangstelling van de verkeerde mensen zal trekken.

 
  
  

- Verslag-Alejo Vidal-Quadras (A6-0249/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Markus Pieper (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik heb tegen het verslag van de heer Vidal-Quadras gestemd. Ik ben natuurlijk niet tegen het openen van de gas- en elektriciteitsmarkt, integendeel. Ik kan echter niet instemmen met één van de hoofdeisen, en wel eigendomsontvlechting. Dat wil zeggen, ik kan daarmee nog niet instemmen, en wel om drie redenen. Ten eerste moeten we bepaalde nationale regelgevende instanties meer tijd geven voor het opbouwen van een doelmatige controle op de mededinging. Ten tweede is volgens mij nog niet bewezen dat de eigendomsontvlechting tot meer investeringen in netwerken leidt. Ten derde geldt het voorstel voor de ontvlechting, zoals we weten, niet wanneer het net en de opwekking zich nog in handen van de staat bevinden.

Juist in die situaties zouden we een ambitieuze liberalisering moeten voorschrijven voor diegenen die zich tot nu toe aan de concurrentie hebben onttrokken, en niet met een absolute verplichting tot eigendomsontvlechting de positie verzwakken van diegenen die zich op de juiste weg bevinden, de weg van de markteconomie.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het verslag gestemd van mijn Spaanse collega, de heer Vidal-Quadras, over de vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt. Dankzij dit verslag hebben wij dit onderwerp in kaart kunnen brengen na een lang proces van liberalisering van de energiemarkten en met name na de goedkeuring door de Europese Raad van maart 2006 van een “energiepakket” dat gericht is op waarborging van de zekerheid van de energievoorziening, de concurrerendheid en de duurzaamheid voor het milieu in het kader van het energiebeleid van de EU. Ik betreur dat het Parlement het door mijn collega’s - de heer Reul, mevrouw Laperrouze, mevrouw Trautmannn en anderen - ingediende amendement, waar ik voor had gestemd, niet heeft overgenomen omdat het voorzag in een evenwichtig alternatief voor alleen maar eigendomsontvlechting van netwerken, waarbij de onafhankelijkheid van die ontvlechting gewaarborgd werd. Het politieke debat over deze onderwerpen is nog lang niet ten einde. Hetzelfde geldt voor de rol van de regelgevende instanties, voor het wegnemen van de belemmeringen voor de interconnecties, voor de ontwikkeling van nieuwe massale opwekking uit hernieuwbare energiebronnen, voor de grote investeringen in infrastructuur om tegemoet te komen aan de groeiende behoeften, enzovoorts.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernadette Bourzai (PSE), schriftelijk.(FR) Ik heb tegen het verslag gestemd van de heer Vidal-Quadras over de vooruitzichten voor de gas- en elektriciteitsmarkt, dat vooruitloopt op de presentatie in september aanstaande door de Commissie van een derde “liberaliseringspakket”.

Om te beginnen ben ik tegen het dogmatische liberale beginsel van eigendomsontvlechting (eigendom en beheer van het netwerk) omdat dit geen garantie biedt ten aanzien van investeringen, levering, veiligheid of toegang van derden en van hernieuwbare energiebronnen tot het netwerk. Het garandeert niet dat de burgers kunnen beschikken over energie tegen de beste prijs en het voldoet evenmin aan de openbare- dienstverplichtingen. Waarom halen we dan de bestaande organisatie overhoop, die goed functioneert en de effectieve onafhankelijkheid van de systeembeheerders waarborgt omdat met name de regelgevende instanties streng kunnen optreden en er strikte voorschriften bestaan zodat alle gebruikers van de netwerken, zelfs degenen die wonen in regio’s met een natuurlijke handicap en in ultraperifere gebieden, verzekerd zijn van een gelijke behandeling en van kwalitatief hoogstaande diensten?

Bovendien denk ik dat het probleem van de onafhankelijkheid van de transportsysteembeheerders niets te maken heeft met het eigendomsstatuut maar met de regelgeving. Waarom vragen we dan om opheffing van de publieke status van actoren op de energiemarkt?

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE), schriftelijk.(FR) Ik betreur dat de eigendomsontvlechting waarvoor de vurige voorstanders van de ontmanteling van grote ondernemingen pleiten, is aangenomen.

Naar mijn mening hebben de liberale rechtse partijen opnieuw een slag toegebracht aan de principiële taak van openbare diensten, die de Europese burgers zo dierbaar is.

Ik vind dat de eigendomsontvlechting geen garantie biedt ten aanzien van investeringen, veiligheid of toegang van derden (inclusief de hernieuwbare energiebronnen, die het kind van de rekening dreigen te worden vanwege de hoge kosten ervan). Hiermee wordt evenmin gewaarborgd dat de burgers kunnen beschikken over energie tegen de beste prijs.

Ik denk dat we er beter aan zouden hebben gedaan een systeem te handhaven zoals het Franse, dat functioneert op basis van de wettelijke voorschriften uit vorige Europese richtlijnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dit is weer een van de stappen richting liberalisering van de interne gas- en elektriciteitsmarkt in het kader van de strategie van Lissabon. De sleutelwoorden in dit verslag zijn “liberalisering” en “markt”. Het uitgangspunt is steeds weer de premisse dat de markt alleen het probleem van de voorziening en het verbruik van energie kan oplossen, terwijl talloze voorbeelden dat idee al hebben weerlegd. Die premisse schijnt steeds heftiger te worden verdedigd om te verdoezelen dat het alsmaar moeilijker wordt te negeren dat de “markt” slechts voor enkelen – die fabelachtige winsten hebben kunnen accumuleren – heeft gefunctioneerd maar niet voor de consumenten die met stijgende energierekeningen te kampen hebben.

De energiesector is een strategische sector voor een land en daarmee van levensbelang voor zijn onafhankelijkheid en soevereiniteit. Die sector ondergeschikt maken aan nationale of transnationale particuliere belangen is een krenking van de soevereiniteit van de volkeren, de rechten van de werknemers en van de bevolking in het algemeen.

Daarom spreken wij ons nogmaals uit tegen de liberalisering van de gas- en de elektriciteitsmarkt en bepleiten wij de handhaving van die sector als publieke sector als enige garantie voor de toegang tot een continue dienstverlening van kwaliteit tegen betaalbare prijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Goebbels (PSE), schriftelijk.(FR) Ik heb tegen de liberalisering van de gas- en elektriciteitssector gestemd omdat ik vind dat ontvlechting van eigendom bij de transmissie niet het efficiëntste middel is om investeringen in deze infrastructuur te bevorderen. Het verslag erkent dat "dit model wellicht geen oplossing (biedt) voor alle kwesties, zoals interconnecties en knelpunten". Feit is dat de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt aanzienlijke investeringen vergen. De Europese Unie kan haar leveringszekerheid niet waarborgen door de grote marktpartijen uit te schakelen. Het blijft een vreemde zaak dat de Europese landen die het meest hebben geliberaliseerd, tevens de hoogste consumentenprijzen kennen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún en Mary Lou McDonald (GUE/NGL), schriftelijk. - (EN) Sinn Féin heeft het verslag-Vidal-Quadras over de interne gas- en elektriciteitsmarkt verworpen vanwege de nadruk die daarin wordt gelegd op privatisering en “ontvlechting”. Lidstaten dienen het recht te behouden om eigen energiesystemen in eigendom te houden en te exploiteren als zij daar de voorkeur aan geven.

Als een all-Ireland-partij zien wij uit naar de ontwikkeling van een waarlijk Ierse energiemarkt die volledig geïntegreerd is en die beheerd wordt op een manier waarover volledige verantwoordelijkheid afgelegd wordt. Koppelingen tussen noord en zuid zijn belangrijke infrastructurele elementen voor een waarlijk Ierse economie.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk.(FR) De delegatie van de Unie voor de Presidentiële Meerderheid (UMP) wil erop wijzen en onderstrepen dat de eigendomsontvlechting niet de beste reactie is op het slechte functioneren van de markten.

Gezien de sterke concurrentie, waardoor machtige niet-Europese partijen op het toneel verschijnen, vinden wij het gevaarlijk de Europese energiebedrijven te ontmantelen in het kader van een dogmatische benadering van het mededingingsbeleid, die zeer ver af staat van de industriële strategieën waarmee wij de Europese Unie sterker zouden moeten maken in de wereldwijde concurrentiestrijd.

Daar de Europese energievoorziening een strategisch langetermijndoel is, moeten wij de leveringszekerheid langer waarborgen dan de looptijd van één overeenkomst. Die veiligheid van de bevoorrading is afhankelijk van investeringen, die reeds duidelijk beneden de maat zijn. Zij moeten aanzienlijk stijgen om te voorzien in onze toekomstige behoefte, of het nu gaat om gas of om elektriciteit.

Eigendomsontvlechting betekent dat de traditionele actoren op de energiemarkt niet in staat zullen zijn die investeringen in de energienetwerken te doen. Het is zeer gevaarlijk en zeer zorgwekkend dat wij deze mogelijkheid bieden aan nieuwkomers, die niet per definitie beschikken over de noodzakelijke financiële middelen, of aan niet-Europese ondernemingen, die niet per definitie onze inschatting van onze toekomstige behoeften delen.

Onder deze omstandigheden verwacht de UMP-delegatie van de Europese Commissie dat zij een alternatieve benadering ontwikkelt ten aanzien van de eigendomsontvlechting.

 
  
  

- Verslag-Struan Stevenson (A6-0155/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dierlijke eiwitten maken geen deel uit van het natuurlijke dieet – met de nadruk op “natuurlijke” – van bijvoorbeeld een volwassen rund.

Velen schijnen tegenwoordig te vergeten – of doen alsof ze het vergeten zijn – wat de gevolgen waren van de “gekkekoeienziekte” – BSE – voor de menselijke en dierlijke gezondheid en wat de sociaaleconomische gevolgen waren voor de intensieve veehouderij die aan de wieg stond van die crisis.

Dit verslag beoogt het verbod op het gebruik van vismeel en visolie in het voer voor herkauwers op te heffen. De bedoeling is de winsten van de agro-industrie en de grote landbouwers verder te doen toenemen.

Wij spreken ons uit tegen die opzet. Die maatregel past namelijk in het kader van de versterking van de intensieve productie en de verticalisering van de landbouwproductie. De industriële visserij ter vervaardiging van vismeel en visolie voor het voederen van herkauwers wordt erdoor gestimuleerd, terwijl er sprake is van schaarse visbestanden die juist zouden moeten worden gebruikt voor menselijke voeding. Wij keren ons echter vooral tegen de maatregel omdat er nog steeds risico’s bestaan voor de menselijke en dierlijke gezondheid.

Daarom vinden wij het noodzakelijk het voorzorgsprincipe toe te passen en betreuren wij het dat ons voorstel het huidige verbod niet op te heffen is verworpen.

 
Laatst bijgewerkt op: 20 september 2007Juridische mededeling