Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Waarschuwing
Woensdag 5 september 2007 - Straatsburg Uitgave PB

13. Vragenuur (vragen aan de Raad)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vragenuur (B6-0138/2007).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

Vraag 1 van Manuel Medina Ortega (H-0517/07)

Betreft: Globale aanpak van de immigratie

In de conclusies van de Raad algemene zaken die op 17 en 18 juni plaatsvond in Luxemburg wordt gewezen op de noodzaak van een meer globale aanpak van de immigratie en op de moeite die het kost om tot een permanente intergouvernementele samenwerking op dit gebied te komen. Welke maatregelen kunnen volgens de Raad genomen worden om een doeltreffender beleid van de Unie op dit gebied te ontwikkelen, in het bijzonder door aan de Commissie of aan Frontex daadwerkelijke beslissingsbevoegdheden toe te kennen op gebieden als het lanceren van proefprojecten voor associatie?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) De instellingen van de EU leggen de reeks maatregelen die zijn voorzien in de conclusies van de Raad van 18 juni 2007 ten uitvoer binnen de grenzen van hun bevoegdheid zoals die bij het Verdrag aan hen zijn toegekend. Ze doen dat in samenwerking met de lidstaten en waar nodig met de betrokken derde landen.

De verantwoordelijkheid voor de controle en bewaking van buitengrenzen ligt bij de lidstaten. Het is echter in het belang van alle lidstaten die het Akkoord van Schengen hebben ondertekend, niet slechts van hen die buitengrenzen hebben, om ervoor te zorgen dat de controles van de buitengrenzen effectief zijn; daarom zijn er bepaalde maatregelen getroffen om solidariteit en samenwerking tussen lidstaten op dit terrein te bevorderen.

De vestiging van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, een agentschap dat algemeen bekend staat als Frontex (Verordening (EG) nr. 2007/2004), was een belangrijke stap bij het bevorderen van die solidariteit.

Op dezelfde wijze werd de capaciteit van het bureau Frontex verder versterkt met de aanvaarding op 12 juni van dit jaar van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een mechanisme voor de oprichting van snelle grensinterventieteams, evenals de nog in 2007 op te zetten centrale registratie van bij de lidstaten beschikbare technische uitrusting, die beheerd wordt door de lidstaten en die geschikt is voor gebruik door andere lidstaten – bekend als de “toolbox”.

Gezamenlijke operaties en proefprojecten worden gelanceerd in overeenstemming met de betrokken lidstaten. De snelle grensinterventieteams worden ingezet in reactie op een verzoek van een of meer lidstaten. Frontex coördineert deze activiteiten.

Er zijn op het moment geen plannen om de omvang van de besluitvormingsbevoegdheid van de Commissie of van Frontex in dit verband uit te breiden. De goedkeuring van Beschikking nr. 574/2007/EG van het Europees Parlement en van de Raad tot instelling van het Buitengrenzenfonds voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene programma “Solidariteit en beheersing van migratiestromen” is een andere belangrijke stap voor de bevordering van solidariteit en zal nieuwe middelen voor uitbreiding van financiële hulp aan de lidstaten die de bepalingen van het Schengenakkoord op hun buitengrenzen toepassen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega (PSE).(ES) Fungerend voorzitter, dank voor de informatie die u mij gaf. Ik ben mij bewust van de constitutionele beperkingen bij de ontwikkeling van deze samenwerkingsmaatregelen en ook van het verzet van veel lidstaten om grotere verplichtingen op zich te nemen, maar we lopen altijd het risico dat de woorden van de Europese Unie niet door de feiten worden bevestigd, en in het bijzonder bij het functioneren van het Frontex-mechanisme. Als een gevolg van de strikt intergouvernementele en vrijwillige aard van de samenwerking zijn de woorden van de Europese Unie vaak slechts woorden, met andere woorden, een programma gaat van start en wordt onderbroken, omdat de regeringen niet de materiële middelen hebben verstrekt of deze na verstrekking intrekken, hetgeen betekent dat we eindigen met herhaalde verklaringen die werkelijk teleurstellend voor het publiek zijn, met de aankondiging dat de middelen worden ingetrokken zodra de operatie van start is gegaan of na zeer beperkte of korte perioden.

Ik hoop dat het voorzitterschap de consolidatie van een systeem zal aanmoedigen dat een grotere duurzaamheid voor dit soort operaties zal geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik begrijp uw bezorgdheid. Ik vind dat we in elk geval ook hier met een positieve blik naar de gemaakte vordering moeten kijken. Als we voor ogen houden waar we vandaan kwamen en waar we zijn, is de oprichting van bureau Frontex in mijn ogen al vooruitgang en een stap voorwaarts in de samenwerking binnen de Europese Unie bij zaken die het beheer van de buitengrenzen betreffen.

We kunnen, zoals u zegt, de capaciteiten en bevoegdheden van Frontex ontwikkelen als de lidstaten dat wensen. Een woord is hier echter ook op zijn plaats, denk ik, en dat is niet een intergouvernmenteel woord maar een fundamenteel woord, een woord, waarvan ik zou zeggen dat de Unie daarop is gebouwd, en dat woord is solidariteit.

We moeten ook hier op die solidariteit vertrouwen, solidariteit met de lidstaten die op een of ander moment daar behoefte aan hebben. Dat woord – er is geen substituut voor – is een woord dat niet verwijst naar een intergouvernementele situatie maar eerder naar een unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik zal wat concreter worden. Het idee achter Frontex is uitstekend, maar de uitvoering is slecht. Een van de redenen is dat de lidstaten niet het personeel en materieel leveren dat zij hebben toegezegd. De heer Frattini heeft gezegd dat daarin slechts voor 10 procent is voorzien. Ik wil graag weten – en ik vraag u het Parlement daarover te informeren – welke lidstaten het door hen toegezegde personeel en de technische uitrusting die ze hebben beloofd, daadwerkelijk hebben geleverd en welke lidstaten dat niet hebben gedaan. Welke maatregelen wilt u als fungerend voorzitter van de Raad nemen om ervoor te zorgen dat alle lidstaten eindelijk hun toezeggingen nakomen zodat Frontex het hele jaar door functioneert?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad – (PT) Ik begrijp ook de vraag van de geachte afgevaardigde. We moeten de verplichtingen in gedachten houden die we binnen het gebied van Frontex hebben afgesproken in de vorm van uitrusting, financiën of personeel, en we moeten instaan voor onze verplichtingen. Ik wijs erop dat het voorzitterschap niet heeft nagelaten om de aandacht voor deze aspecten te vragen.

Als we er niet in slagen de verplichtingen na te komen, moeten we dat met spoed rechtzetten. Dat is de enige manier om het bureau Frontex in staat te stellen effectief de rol te vervullen en de bevoegdheden die het heeft gekregen uit te oefenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Ik ben benieuwd of men eraan heeft gedacht om hierbij ook kleine en middelgrote ondernemingen te betrekken, die immers veel aan de werkgelegenheid in Europa bijdragen. Men kan hierbij met name denken aan werkgelegenheid voor vrouwen, zoals in Amerika gebeurt, waardoor extra uitvoering wordt gegeven aan de agenda van Lissabon. Heeft de Raad maatregelen getroffen om dit soort arbeidskrachten in het programma te integreren?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Wat betreft het management van het bureau Frontex en het algemenere vraagstuk van immigratie merk ik op dat de primaire doelen van het Portugese voorzitterschap zijn het effectiever bestrijden van illegale immigratie en het verbeteren van de aanpassing, integratie en levenskwaliteit van hen die in ons midden werken en legaal bijdragen aan de onze economische en sociale ontplooiing.

Het Portugese voorzitterschap heeft verschillende initiatieven over dit aspect voor ogen. We moeten denken aan maatregelen die fundamenteel en essentieel zijn op dit gebied voor wat betreft onze betrekkingen met derde landen. Immigratie staat altijd op de agenda van het voorzitterschap en de Raad in hun dialoog met derde landen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 2 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0520/07)

Betreft: Modernisering van de arbeidswetgeving middels opname van een verwijzing naar de gelijkheid van vrouwen en mannen

Welke verschillen in behandeling ziet de Raad tussen vrouwen en mannen op het gebied van de betaalde arbeid?

Hoe ziet het geografische plaatje van discriminatie in de lidstaten eruit?

Hoe denkt de Raad er in het kader van de discussie over de modernisering van de arbeidswetgeving aan bij te dragen dat discriminatie wordt aangepakt en dat vrouwen en mannen gelijke toegang tot kwalitatief hoogwaardig werk krijgen, mét waarborgen betreffende arbeidsflexibiliteit en -zekerheid?

Is het mogelijk zowel veiligheidsclausules voor het beschermen van het moederschap, als voor het combineren van het beroeps- en het privéleven in de particuliere sector in te bouwen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad.(PT) Wat betreft de verschillen in behandeling tussen mannen en vrouwen met betrekking tot bezoldigd werk is er al primaire wetgeving goedgekeurd waaronder bepaalde richtlijnen die voorzien in de gelijke behandeling met betrekking tot loon, toegang tot banen, beroepsopleiding, promotie en arbeidsomstandigheden.

De Commissie en Eurostat zijn voorts verantwoordelijk voor het monitoren van de situatie in deze sector in de verschillende delen van de Europese Unie. Om beleid te formuleren is het duidelijk dat er een primaire behoefte bestaat aan kwalitatief goede gegevens die de hele Europese Unie bestrijken. Ik ben blij als ik denk aan de overeenkomst die onlangs is bereikt tussen de Raad en het Parlement over het oprichten van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, dat exact op dat terrein zal gaan werken.

Wat betreft het onderwerp modernisering van arbeidswetgeving kan de Raad alleen activiteiten ontplooien op basis van een wetgevingsvoorstel van de Commissie. Niettemin past de Raad ook vrijere methoden toe voor de coördinatie krachtens de Europese werkgelegenheidsstrategie. Op dit beleidsterrein is onze aandacht momenteel gericht op de recente mededeling van de Commissie over flexizekerheid die gendergelijkheid specifiek noemt als een van mogelijke gezamenlijke beginselen voor overeenstemming op Europees niveau.

We verwelkomen ook het feit dat de lentebijeenkomst 2007 van de Europese Raad instemde met het in het leven roepen van een verbond voor het gezin dat dient als platform voor uitwisseling van inzichten en kennis over goede praktijkvoorbeelden en beleid voor gezinnen.

Wat betreft de vraag over het invoeren van veiligheidsclausules voor het beschermen van moederschap en het combineren van het beroeps- en privéleven in de particuliere sector noem ik graag de belangrijke richtlijnen die al zijn vastgesteld op het gebied van moederschapsverlof en de bescherming op het werk van moeders en pas geboren kinderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de fungerend voorzitter van de Raad voor het herhalen van de maatregelen die, zoals we weten, zijn getroffen in het belang van de gelijkheid. Ik heb een vraag over de positieve discriminatie in de wetgeving van sommige lidstaten. Er zijn bijvoorbeeld lagere pensioendrempels voorzien voor moeders; wordt dit vandaag afgekeurd door de Europese Commissie die deze lidstaten voor het Europees Hof brengt? Gaat de Raad besluiten ten gunste van een dergelijke positieve discriminatie?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Een zorgvuldige bestudering van de programma’s van de Duitse, Sloveense en Portugese voorzitterschappen laat zien dat sociale vraagstukken, vooral vraagstukken over gendergelijkheid en de bescherming van het gezin zeer hoog genoteerd staan op onze lijst van zaken.

In samenwerking met de Commissie en met iedereen binnen de kring van onze verantwoordelijkheid zullen we natuurlijk maatregelen presenteren die gunstiger kunnen zijn en feitelijk onze betrokkenheid bij sociale kwesties weerspiegelen. Deze betrokkenheid is essentieel in een moderne samenleving zoals de EU waarbij rekening wordt gehouden met de respectieve bevoegdheden van de EU en de lidstaten.

Laat ik de geachte afgevaardigde geruststellen dat sociale kwesties, in het bijzonder die met betrekking tot de bescherming van het gezin, prioriteit krijgen van alle drie voorzitterschappen en in dit specifieke geval van het Portugese voorzitterschap. Ik hoop dat we haar omstreeks december op dit gebied niet hebben teleurgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT) Nog in 1975 nam de Europese Unie wetgeving aan die discriminatie verbood bij de betaling van salarissen en eiste dat mannen en vrouwen voor dezelfde banen op dezelfde wijze werden betaald. Er zijn al dertig jaar voorbij gegaan en nog steeds zijn deze wetten niet ten uitvoer gelegd. Ik vraag de Raad zijn mening hierover te geven. Kunnen lidstaten zelf kiezen welke wetten zij ten uitvoer leggen en welke niet? Hoe is de situatie in Portugal?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Opnieuw moet ik hier wijzen op hetgeen onder de bevoegdheid van de EU valt, namelijk beleid en wetgeving, en wat de verantwoordelijkheid is van de lidstaten – hier moet rekening mee worden gehouden – ik wil graag zeggen dat gendergelijkheid voor Portugal een belangrijk vraagstuk is.

Ik moet ook zeggen dat in de Eu en in dit speciale geval in het nieuwe hervormingsverdrag – zoals in het Constitutionele Verdrag al werd weerspiegeld – gelijkheid voor ons een primair en fundamenteel vraagstuk is bij Europese integratie en deel uitmaakt van het acquis van die fundamentele beginselen die zeker altijd tot onze eerste zorg behoren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 3 van Chris Davies (H-0523/07)

Betreft: Palestina

Wat is op dit moment het standpunt van de Raad ten aanzien van rechtstreeks contact met gekozen vertegenwoordigers van het Palestijnse volk die werkzaam zijn in het bestuur van de Gazastrook?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik herinner het Parlement eraan dat de Raad in zijn conclusie van 23 en 24 juli 2007 zijn volledige steun aan president Abbas en de regering onder leiding van premier Fayyad heeft herhaald.

De Raad bevestigde opnieuw zijn standpunt over de gebeurtenissen in Gaza: de enige manier om Palestina’s nationale doelstellingen met vreedzame, wettelijke en democratische middelen te bereiken, is door verzoening en nationale eenheid op basis van het door president Abbas opgestelde vredesprogramma.

De Raad verklaarde ook dat de EU tegenstander is van elke opdeling van de Palestijnse gebieden en bevestigde dat de EU bereid is om samen te werken met alle Palestijnse partijen wier beleid en daden de beginselen van het Kwartet weerspiegelen.

De EU hervatte de betrekkingen met de instellingen van de Palestijnse Autoriteit. We gingen onmiddellijk financiële en technische hulp aan de Palestijnse regering verstrekken. De Raad heeft in zijn conclusies van 23 en 24 juli 2007 opnieuw zijn aanbod bevestigd om hulp te verlenen bij de oprichting van de instellingen en het opzetten van de economie van de toekomstige Palestijnse staat en de noodzaak onderstreept de economie in bezette Palestijnse gebieden volledig te ontwikkelen, onder meer door de samenwerking te stimuleren met de Palestijnse particuliere sector.

De Raad bevestigde zijn steun aan de Palestijnse politie door de missie van de EUPOL COPPS opnieuw in stelling te brengen. De Commissie riep ook Israël op om de voorwaarden te scheppen die voor een dergelijke missie zijn vereist.

 
  
MPphoto
 
 

  Chris Davies (ALDE). (EN) Het beleid van de Europese Unie is sinds de Palestijnse verkiezingen steeds geweest geen gesprek aan te gaan met de gekozen vertegenwoordigers die een binding hebben met Hamas. Telkens als Hamas een kleine stap heeft gezet die zou kunnen worden geïnterpreteerd als zijnde in onze richting, hebben we de deur dichtgesmeten.

Uit gesprekken die ik in Lissabon had met enkele collega’s van de fungerend voorzitter van de Raad weet ik dat er leden van de Portugese regering zijn die geloven dat dit beleid een rampzalige mislukking is. Maar in dit geval is het zijn taak om namens de Raad te spreken en het onverdedigbare te verdedigen. Kan hij het Parlement vertellen in welke opzichten de Raad gelooft dat zijn beleid een succes is gebleken?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik wil erop wijzen dat het Vredeskwartet voor het Midden-Oosten kortgeleden in Lissabon bijeen is geweest. We hebben er vertrouwen in en geloven dat we in staat zullen zijn maatregelen op te stellen binnen het werkterrein van het kwartet en ook binnen het werkterrein van de Europese Unie, maatregelen die kunnen bijdragen aan de vooruitgang in de vredesproces in het Midden-Oosten. De situatie daar bleef gedurende vele jaren onveranderd en we weten dat het een complexe en moeilijke situatie is die niet van de ene dag op de andere kan worden opgelost.

We geloven echter dat de politieke voorwaarden nu zodanig zijn dat ze ons in staat stellen positieve voortgang te boeken. Het Portugese voorzitterschap wil daaraan werken en dat geldt ook voor de Raad en de Europese Unie.

We moeten het moment en de gelegenheid met beide handen aangrijpen. We moeten voordeel trekken uit de politieke context en een grote mate van spoed aan de dag leggen om dit probleem op te lossen waarvan ik denk dat we vinden dat dit op het moment met betrekking tot het vredesproces in het Midden-Oosten aanwezig is. We moeten realistisch zijn en toch vertrouwen hebben en niet aan opgeven denken.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE). (EN) Laat mij de zeer goede vraag van de heer Davies opnieuw formuleren. Gelooft de Raad dat we vooruitgang in het Midden-Oosten kunnen boeken zonder Hamas aan tafel te brengen? Tenzij Hamas bij de besprekingen wordt betrokken, kan het Kwartet bijeenkomen zoveel als het wil, maar zal er geen oplossing komen. Accepteert de Raad dat hij op een dag direct tegenover Hamas komt te zitten om deze situatie op te lossen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Zoals u weet stemde de Raad in met beginselen en beleidslijnen voor het vredesproces in het Midden Oosten dat hij voornemens is overeind te houden; de Raad gelooft in deze beginselen en in deze beleidslijnen dat zijn politieke handelingen vormgeven en hij is voornemens daaraan vast te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aangezien de auteur niet aanwezig is komt vraag 4 te vervallen.

Vraag 5 van David Martin (H-0526/07)

Betreft: Aid for trade

Het Fins en het Duits voorzitterschap verdienen felicitaties voor de prioriteit die zij hebben gegeven aan hulp voor handel.

Wat zal het Portugees voorzitterschap ondernemen om ervoor te zorgen dat de uitgaven voor handelsgerelateerde hulp van de Commissie en in het bijzonder van de lidstaten in de lijn blijven liggen van het streefcijfer van jaarlijks 1 miljard euro in 2010? Heeft het voorzitterschap inzicht of zal het inzicht verwerven in de financiële toezeggingen van afzonderlijke lidstaten met betrekking tot het streefdoel van 1 miljard euro?

Hoe gaat het Portugees voorzitterschap ervoor zorgen dat de lidstaten en de Commissie de juiste bijstand verlenen voor die aspecten van hulp voor handel die in 2006 door de task force aid for trade van de WTO zijn benoemd, zoals handelsgerelateerde aanpassingen en handelsgerelateerde infrastructuur, die buiten de definitie van handelsgerelateerde bijstand en daarom buiten het streefdoel van 2 miljard euro vallen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Het Portugese voorzitterschap is vastbesloten het succesvolle werk van de Finse en Duitse voorzitterschappen voort te zetten en de conclusies over hulp voor handel (Aid for Trade) die de Raad op 15 mei 2007 goedkeurde, ten uitvoer te leggen, vooral voor wat betreft het tijdig finaliseren van de EU-strategie hulp voor handel zodat deze kan worden meegenomen in de volgende mondiale evaluatie van de WTO inzake hulp voor handel die plaatsvindt in november 2007.

Een van de doelstellingen van het voorzitterschap is het daadwerkelijk tot overeenstemming komen in de oktoberbijeenkomst van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen over de EU-strategie “Hulp voor handel” (Aid for Trade), met inbegrip van een samenvatting van de specifieke stappen die zijn voorzien bij het verkrijgen van de overeengekomen 2 miljard euro voor handelsbijstand in 2010, met name de 1 miljard euro van de lidstaten voor de behoeften van de ontwikkelingslanden.

Het voorzitterschap vertrouwt erop dat deze doelstelling zal worden bereikt. De strategie is ook erop gericht een bijdrage te leveren aan een bredere agenda voor hulp voor handel en aan de bepaling van de ten uitvoer te leggen maatregelen.

Het Portugese voorzitterschap presenteert daarom op 5 juli 2007 een ontwerpstrategie voor hulp voor handel die in bespreking is in de betreffende structuren van de Raad. De ontwerpstrategie moet gezien worden in de context van het vervolg op de aanbevelingen in 2006 van de taskforce van de WTO inzake hulp voor handel.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE). (EN) Ik voel mij zeer bemoedigd door de reactie van de fungerend voorzitter van de Raad en wens hem, het beste voor de oktober-bijeenkomst. Ik hoop dat hij een succesvol onderhandelpakket krijgt.

Wil hij in dat geval overwegen om tegen het eind van dit jaar bekend te maken hoeveel iedere individuele lidstaat heeft bijgedragen in de vorm van hulp voor handel (Aid for Trade)? We weten dat de 1 miljard euro van de Commissie zeer transparant is en dat het bijzonder duidelijk is hoe het wordt uitgegeven. Het is niet zo helder waarvandaan de 1 biljoen euro van de lidstaten geacht wordt te komen, of dit feitelijk gebeurt en van wie het komt. Wil de Raad in overweging nemen dat in november of december openbaar te maken?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik bedank de geachte afgevaardigde voor zijn bemoedigende woorden en zijn vertrouwen. Het Voorzitterschap en de Raad zullen bij deze kwestie passende maatregelen treffen volgens de gebruikelijke praktijk, voorwaarden en bestuursmaatregelen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 6 van Esko Seppänen (H-0527/07)

Betreft: Beleid inzake de noordelijke dimensie

Het Portugese voorzitterschap van de Raad heeft verklaard te zullen gaan werken aan de bevordering van de samenwerking van de EU met de landen rond de Middellandse Zee. Hoe gaat de Raad, aangezien de EU ook een noordelijke dimensie heeft, tegelijkertijd het beleid inzake de noordelijke dimensie van de EU en de tenuitvoerlegging daarvan bevorderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) We hebben het beleid inzake de noordelijke dimensie sinds het begin van dit jaar ingevoerd uit op basis van twee documenten die op de top over de noordelijke dimensie in Helsinki in november 2006 zijn goedgekeurd.

Het document met het beleidskader en de politieke verklaring die in Helsinki zijn goedgekeurd, betekenen een keerpunt voor de noordelijke dimensie voor zover zij het beleid omzetten in een gezamenlijk beleid dat gedeeld wordt door alle partners van de noordelijke dimensie, te weten de EU, Rusland, Noorwegen en IJsland. Gezamenlijke aanvaarding van het nieuwe beleid is een belangrijke doelstelling en omvat de volledige participatie van Rusland in alle structuren en activiteiten van de noordelijke dimensie.

De andere belangrijke participanten en deelnemers in de noordelijke dimensie, in het bijzonder de vier noordelijke regionale raden en de internationale financieringsinstellingen, zullen ook bij het proces worden betrokken. De noordelijke dimensie functioneert nu als permanent platform voor de bespreking van noordelijke vraagstukken en aangelegenheden.

Het Portugese voorzitterschap zal zeker zijn werkzaamheden op dit gebied voortzetten. Een bijeenkomst van de stuurgroep is gepland voor eind september, begin oktober in Reykjavik. De stuurgroep draagt zorg voor de continuïteit tussen de bijeenkomsten van ministers en van hoge ambtenaren. Een bijeenkomst van hoge ambtenaren is gepland tijdens het Portugese voorzitterschap en wordt 21 november in Rusland gehouden.

Als mediterraan land wil Portugal graag een intensiever en breder politiek debat zien met onze partners aan de zuidelijke kusten van de Middellandse Zee binnen het verband van Euromed. De landen van de EU en Euromed delen gezamenlijke belangen en staan voor soortgelijke uitdagingen.

Het is in ons eigen belang om de samenwerking van de EU met deze landen te verbreden, vooral met betrekking tot de aanpak van migrantenstromen en sociale ontwikkeling. Tegelijkertijd gaan we door met de tenuitvoerlegging van het nieuwe beleid van de noordelijke dimensie. In het geval van Euromed kon veel worden bereikt door praktische samenwerking gebaseerd op goed nabuurschap, een partnerschap van gelijkheid, gezamenlijke verantwoordelijkheid en transparantie.

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen (GUE/NGL). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, fungerend voorzitter van de Raad, de rol van Rusland is cruciaal in de ontwikkeling van de noordelijke dimensie. De betrekkingen van de Europese Unie met Rusland zijn in dat verband belangrijk. Is het voorzitterschap voornemens om deze herfst besprekingen met Rusland over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst te bevorderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Zoals u weet gaat het Portugese voorzitterschap tijdens zijn ambtsperiode een top met Rusland organiseren in Mafra, een stad niet ver van onze hoofdstad Lissabon. We hopen tijdens die top aandacht te besteden aan alle vraagstukken met betrekking tot samenwerking en de betrekkingen tussen EU en Rusland op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied, alsmede op gebieden die direct betrekking hebben op het vrije verkeer van personen op Europees grondgebied.

We beschouwen het als belangrijk en strategisch om met Rusland een wederzijds voordelige en heilzame relatie te vestigen die gebaseerd is gezamenlijk beginselen en waarden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 7 van Bernd Posselt (H-0530/07)

Betreft: Frontex

Welke ervaringen heeft de Raad in de afgelopen maanden vergaard over Frontex, en wat denkt hij van het idee om daaruit een werkelijke Europese grensverdediging te ontwikkelen naar het voorbeeld van de Duitse Bundesgrenzschutz?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, bekend als Frontex, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2007/2004, dat ik eerder noemde, is bedoeld om het geïntegreerd beheer van de buitengrenzen van de EU te verbeteren.

De rol en de functies van Frontex zijn geregeld in de Verordening die rekening houdt met het feit dat de lidstaten verantwoordelijkheid blijven behouden voor de beheersing en bewaking van de buitengrenzen. De bevoegdheden van Frontex werden op 12 juni 2007 versterkt door goedkeuring van het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad waarbij een mechanisme wordt ingesteld voor de oprichting van snelle grensinterventieteams (Rapid Border Intervention Teams - RABIT).

De Europese Raad verwelkomde in zijn conclusies van juni 2007 de overeenkomst inzake de snellegrensinterventieteams en de oprichting van het Europees patrouillenetwerk en de instelling van een gecentraliseerd instrumentarium (“toolbox”) van door lidstaten beschikbaar gestelde technische uitrusting.

Op dit ogenblik zijn er geen andere voorstellen om de Frontex-verordening te wijzigen. Het Haags Programma ter versterking van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid nodigt de Commissie uit om tegen het eind van 2007 een evaluatie van het agentschap aan de Raad te presenteren. Die evaluatie moet de functies van het agentschap analyseren en aangeven of het agentschap andere verantwoordelijkheden met betrekking tot aspecten van grensbeheer moet krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). - (DE) Het ging mij niet zozeer om de verordening als wel om de achterliggende visie. In 1998 presenteerde ik hier een verslag over uitbreiding en interne veiligheid, waarin ik het voorstel deed voor een Europese grenspolitie. De Top in Tampere nam dit voorstel over, evenals het idee van een politieacademie. Frontex was bedoeld als een eerste stap. Is de fungerend voorzitter van de Raad van plan om Frontex en de interventieteams verder te ontwikkelen in de richting van een echte Europese grenspolitie voor de gemeenschappelijke bewaking van de buitengrenzen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik ben van mening dat het Frontex-agentschap zijn verantwoordelijkheden zal uitwerken en verbreden in overeenstemming met de behoeften en natuurlijk met de wil van de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 8 van Sarah Ludford (H-0533/07)

Betreft: Verbetering van de politiesamenwerking

Welke zijn de voornemens van het Portugese voorzitterschap ten aanzien van de voortgang van twee belangrijke Commissievoorstellen om de bescherming van de burgers van de EU tegen misdaad en terrorisme te verbeteren, namelijk COM(2005)0317 definitief betreffende de verbetering van de politiesamenwerking tussen de lidstaten aan de binnengrenzen en COM(2005)0490 definitief betreffende de uitwisseling van informatie volgens het beschikbaarheidsbeginsel?

Niet alle onderdelen van deze twee voorstellen zijn opgenomen in het besluit van Prüm. Is het voorzitterschap niet ook van mening dat het onvermogen van de lidstaten om het hierover eens te worden een slecht signaal doet uitgaan ten aanzien van het belang dat zij hechten aan de uitdaging van de grensoverschrijdende wetshandhaving en de voortvarendheid waarmee zij deze aangaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Het voorzitterschap is het ermee eens dat verbetering van de grensoverschrijdende samenwerking met het doel van wetshandhaving niet alleen belangrijke en urgente zaak is, maar ook een uitdaging.

Het ontwerpbesluit van de Raad over de versterking van grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder bij de bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit – bekend als het besluit van Prüm – waarover de Raad in juni 2007 tot een politieke overeenkomst kwam, toont een aanzienlijke vooruitgang betreffende de tenuitvoerlegging van het beschikbaarheidsbeginsel en de versterking van grensoverschrijdende politiesamenwerking, in het bijzonder door middel van gezamenlijke operaties en bijstandsverlening bij grote evenementen, rampen en ernstige ongevallen.

Het voorzitterschap is van mening dat het besluit van Prüm zo spoedig mogelijk moet worden uitgevoerd om tastbare resultaten te kunnen bereiken. Daarom probeert het voorzitterschap zijn inspanningen erop te richten dat er in de volgende paar maanden vooruitgang wordt geboekt met het ontwerpbesluit van de Raad om het besluit van Prüm te implementeren.

Het voorzitterschap is het eens met de geachte afvaardigde dat niet alle punten in de twee voorstellen van de Commissie – een over het verbeteren van politiesamenwerking en een over het beschikbaarheidsbeginsel – in het besluit van Prüm zijn opgenomen. Een aanzienlijk deel van het voorstel van de Commissie over politiesamenwerking wordt echter door het besluit van Prüm bestreken en het voorzitterschap heeft geen reden om te veronderstellen dat heropening van het debat over de andere delen tot een ander resultaat zou leiden dan tot datgene wat in april 2006 is bereikt.

Terwijl het voorstel van de Commissie over het beschikbaarheidsbeginsel algemene beginselen aangeeft en zes soorten gegevens bestrijkt, gaat het besluit van Prüm alleen over DNA-gegevens, vingerafdrukken en voertuigkentekenregistratie. Het voorzitterschap is van oordeel dat gefaseerde tenuitvoerlegging van het beschikbaarheidsbeginsel het meest realistisch en praktisch is en ook als benadering zeer waarschijnlijk op korte termijn praktische resultaten oplevert voor de dagelijkse politiesamenwerking en een grotere veiligheid voor de burgers van de EU.

Het is ook van oordeel dat deze praktische resultaten een sterk signaal zouden kunnen afgeven over het belang en de urgentie van de grensoverschrijdende samenwerking en daarmee aantonen dat praktische samenwerking mogelijk wordt en wordt uitgevoerd, al is het maar slechts op onderdelen. Dat betekent niet dat we niet hoeven door te gaan met inspanningen om een nog nauwere samenwerking inzake wetshandhaving te bereiken, in het bijzonder door middel van de elementen die in de voorstellen van de Commissie staan vermeld.

De hoop bestaat dat dit echter kan worden gedaan op basis van de tot op heden behaalde resultaten, evenals op die welke voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van het besluit van Prüm

 
  
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, kan de Raad derhalve bevestigen dat de besprekingen in de Raad zowel over het beschikbaarheidsbeginsel als over de maatregel inzake politiesamenwerking zijn opgeschort? U hebt toegegeven dat het verdrag van Prüm minder ambitieus is dan elk van deze besprekingen, dus u hebt ze daarom opgeschort? Waarom kan de Raad doorgaan met wetgeving voor dingen die inbreuk maken op de privacy van mensen, maar kan hij niet doordringen tot de kern van de politiesamenwerking? Een van de hindernissen daarvoor is natuurlijk het ontbreken van een algeheel kader voor gegevensbescherming. Het Duitse voorzitterschap beloofde ons dat een dergelijk instrument dit jaar zou worden aangenomen. Maakt het Portugese voorzitterschap metterdaad voorgang hiermee, en wat zijn de belangrijkste obstakels? De Raad en de lidstaten moeten verder gaan met de praktische politiesamenwerking binnen een hecht kader voor gegevensbescherming.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Het Portugese voorzitterschap handelt op dit gebied op een ambitieuze, maar ook realistische manier. Bij het overwegen van getroffen maatregelen of voorgestelde maatregelen kijken we altijd naar het uitgangspunt en ons beoogd doel en feitelijk ben ik bij deze kwestie van politiesamenwerking van oordeel dat we een opmerkelijke en aanzienlijke voortgang hebben geboekt met betrekking tot ons uitgangspunt. Misschien niet alle voortgang die velen graag zouden hebben gezien, maar er is iets gedaan en dat wordt gedaan als de lidstaten dit wensen.

Het Portugese voorzitterschap zal daarom de maatregelen steunen, ontwikkelen en ten uitvoer leggen die werden overeengekomen en die naar onze opvatting een positieve vooruitgang in politiesamenwerking ten opzichte van de vorige situatie laten zien.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 9 van Dimitrios Papadimoulis (H-0536/07)

Betreft: Het oecumenisch karakter van het patriarchaat van Constantinopel

Ik ga hier een reeks voorvallen vermelden, die aantonen welke inspanningen de Turkse autoriteiten zich getroosten om twijfel te laten rijzen aan het oecumenische karakter van het Patriarchaat van Constantinopel. De Turkse minister van Buitenlandse Zaken heeft expliciet uitgesloten dat de Turkse regering het oecumenische karakter van dit patriarchaat zal erkennen. Ook is het aan Turkse functionarissen verboden om een receptie van de patriarch van Constantinopel bij te wonen, omdat daarop verklaard wordt dat deze patriarch een “oecumenisch patriarch” is. Dan is er nog de nieuwe veiligheidsdoctrine van Turkije, die inhoudt dat “pogingen om de bestaande status van het patriarchaat te verhogen tot alle prijs moeten worden verhinderd”. Tenslotte heeft nog eergisteren (op 26 juni 2007) het Hoogste Gerechtshof van Turkije de uitspraak gedaan dat het Patriarchaat van Constantinopel geen enkel oecumenisch (de ganze Christenheid betreffend) karakter heeft en dat de patriarch alleen het hoofd is van de Grieks-orthodoxe gemeenschap van Istanboel.

Is de Raad van oordeel dat het standpunt van de Turkse autoriteiten tegenover het Patriarchaat van Constantinopel in overeenstemming is met de criteria van Kopenhagen en de toezeggingen die Turkije heeft gedaan in het kader van de associatieprocedure voor dit land? Welke stappen denkt hij te ondernemen bij de Turkse autoriteiten?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) De Raad heeft herhaaldelijk het belang benadrukt dat hij hecht aan vraagstukken van godsdienstvrijheid in Turkije. Religieuze minderheden en gemeenschappen worden nog steeds geconfronteerd met moeilijkheden die verband houden met rechtspersoonlijkheid, eigendomsrechten, scholen, intern beleid en opleiding, woon- en werkvergunningen betreffende Turkse en niet-Turkse geestelijken naast de mogelijkheid van buitenlandse geestelijken die gekozen zijn als leiders van religieuze gemeenschappen.

De specifieke problemen waarmee het orthodoxe patriarchaat wordt geconfronteerd, in het bijzonder het gebruik van de kerkelijke titel van oecumenisch patriarch, moeten ook in die context worden onderzocht. Die omstandigheden moeten niet de rechten aantasten die door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens worden gewaarborgd. Godsdienstvrijheid is een fundamenteel gebied waarop met spoed tastbare voortgang moet worden geboekt; dit vergt ook specifieke maatregelen voor het aannemen en ten uitvoer leggen van geëigende wetgeving in overeenstemming met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens.

Een van de kortetermijnprioriteiten in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije is meer in het bijzonder de vaststelling van wetgeving die in overeenstemming is met de betreffende Europese maatstaven en dit geeft antwoord op alle problemen waarmee minderheden en religieuze niet-moslimgemeenschappen mee worden geconfronteerd. Tegelijkertijd dient sociale tolerantie te worden ontwikkeld.

In dat verband kan ik de geachte afgevaardigde verzekeren dat de kwestie van godsdienstvrijheid steeds nauwlettend in het oog wordt gehouden als onderdeel van de onderhandelingen voor toetreding in de context van hoofdstuk 23, Rechterlijke macht en fundamentele rechten, en van het lopende hervormingsproces in Turkije. Dit onderwerp komt op alle niveaus ter sprake wanneer dat relevant is. Dat was het geval op de ministeriële Trojkabijeenkomst tussen de Europese Unie en Turkije die op 4 juni in Ankara werd gehouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL).(EL) Mijnheer de Voorzitter, fungerend voorzitter van de Raad, in de twee-en-een-halveminuut die u hebt gesproken, hebt u het probleem bevestigd dat ik u in mijn vraag voorlegde, maar u hebt geen duidelijk standpunt ingenomen.

Op 22 augustus zei commissaris Rehn, sprekend namens de Commissie, dat het de patriarch en het patriarchaat vrij moest staan de kerkelijke titel “oecumenisch” te voeren en hij voegde eraan toe dat Turkije moest zorgen dat de niet-moslimgemeenschappen een wettelijke status konden krijgen.

Deelt de Raad dit ondubbelzinnige standpunt dat door de Commissie is ingenomen? Als dat zo is, waarom zegt u dat niet zo duidelijk? Als dat niet het geval, wat zijn dan de redenen? Waarom bent u zo terughoudend?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Mijnheer Papadimoulis, ik ben van oordeel dat het voorzitterschap en de Raad over de kwestie van mensenrechten in onze betrekkingen met Turkije zowel nu als in het verleden duidelijk, veeleisend en resoluut duidelijk zijn geweest en dat ook in de toekomst zullen zijn. Ik vind daarom dat het misschien ongepast is om twijfel, bedenkingen of scepsis over deze kwestie te uiten.

We moeten ons standpunt in onze besprekingen met Turkije handhaven, met name in het onderhandelingsproces over de toelating van Turkije tot de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). - (DE) Dit onderwerp is al in menig vragenuur aan de orde geweest. Mijn vraag is wanneer de Turkse wet inzake religieuze stichtingen nu eigenlijk wordt aangenomen. Dat is ons al meer dan een jaar geleden toegezegd, maar er is niets gebeurd. Dit is een heel concreet punt, niet alleen met het oog op toetredingsonderhandelingen, maar ook als Turkije wil voldoen aan de politieke criteria van Kopenhagen. Een staat heeft niet het recht om zich te mengen in de interne aangelegenheden van een kerk en haar willekeurig iedere juridische status te onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Zoals de geachte afgevaardigde weet, is er een soort jaarlijkse evaluatie van het toetredingsproces van Turkije tot de EU. Die evaluatie of inventarisatie van het proces vindt in de tweede helft van ieder jaar plaats en bevat een analyse van en een debat over al deze kwesties op basis van verslagen van de Commissie.

Dat zal dit jaar opnieuw plaatsvinden tijdens het Portugese voorzitterschap en een geschikte gelegenheid vormen, bovendien de juiste gelegenheid voor het debat over deze kwesties – want er zullen debatten over plaatsvinden – door de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aangezien de auteur niet aanwezig is komt vraag 10 te vervallen.

Vraag 11 van Mairead McGuinness (H-0540/07)

Betreft: Resultaten van de top EU-Brazilië

Kan de Raad een beoordeling geven van de resultaten van de top EU-Brazilië van 4 juli 2007, vooral op het gebied van de economische en handelsbetrekkingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Zoals u weet werd de top EU-Brazilië op 4 juli in Lissabon gehouden met de bedoeling een bilateraal strategisch partnerschap aan te gaan voor meer samenwerking tussen de twee partijen op een breed terrein met gemeenschappelijke belangen.

Er werd een gezamenlijke verklaring aanvaard die uiteenlopende gebieden bestrijkt waarop onze bilaterale betrekkingen dienen te worden versterkt en er werd overeengekomen dat dit partnerschap met Brazilië operationeel en toekomstgericht moet zijn. De EU en Brazilië werkten samen aan de opstelling van een actieplan dat praktische, gezamenlijke, gecoördineerde voorstellen bevat over kwesties die zullen bijdragen aan het opstellen van een gezamenlijke agenda.

Het belangwekkende debat bestreek bilaterale betrekkingen tussen de Europese Unie en Brazilië, regionale vraagstukken, vooral de ontwikkelingen in Europa en Latijns-Amerika, maar ook wereldvraagstukken zoals de Doha-ontwikkelingsagenda, effectief multilateralisme, klimaatverandering, bestrijding van armoede en sociale uitsluiting plus zaken die betrekking hebben op energie.

Voor de handelsbetrekkingen was de top in Lissabon niet het geschikte forum voor technische onderhandelingen, maar er vond een interessante uitwisseling van standpunten plaats. De commissaris voor de handel, Peter Mandelson, herhaalde dat het behalen van positieve resultaten in de Doha-ontwikkelingsronde een prioriteit voor de EU was en zal blijven.

Ondanks de teleurstellende resultaten van de recente ontmoeting van de G4 in Potsdam, werden de besprekingen in Genève voortgezet en niemand wilde de kans missen om te komen tot een ambitieuze, evenwichtige en veelomvattende overeenkomst.

Brazilië was van mening dat de twee opstellingen in de onderhandelingen niet zover uiteen liepen. Voortzetting van het debat en een nauwere afstemming zou het mogelijk maken een overeenkomst te bereiken. Beide partijen waren het erover eens dat het bereiken van een overeenkomst in Doha zou helpen om een overeenkomst af te sluiten tussen de EU en Mercosul.

Over de onderwerpen klimaatverandering en energie verwezen beide partijen naar de internationale conferentie over biobrandstoffen die op 5 en 6 juli in Brussel werd gehouden, als een stap in de goede richting om de kritiek te weerleggen dat het gebruik van biobrandstoffen naar verluidt schadelijk is.

Tegen deze achtergrond noemde de voorzitter van de Commissie, José Manuel Barroso, drie essentiële gebieden: de opstelling van gezamenlijke technische maatstaven voor een duurzame internationale markt voor biobrandstoffen, biobrandstoffen als een middel om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en het tot stand brengen van veiligheid van voedselvoorraden.

President Lula legde op zijn beurt in het debat de verbinding met klimaatverandering om de milieuvervuiling te verminderen. Hij verklaarde dat gecombineerde aanpak van energie die de afgelopen twintig jaar in Brazilië is gevolgd, had bewezen vriendelijker en gezonder voor het milieu te zijn dan de geavanceerde technologische machines van de EU. Voorts weersprak hij de beschuldigingen van bedreigingen voor Amazonewoud en voor de zekerheid van voedselvoorraad.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). (EN) Dank u zeer voor de complete samenvatting van de reeks onderwerpen die aan de orde kwamen. Het is duidelijk dat landbouw daartoe behoorde, maar mag ik vragen of het controversiële vraagstuk van de export van rundvlees vanuit Brazilië naar de Europese Unie ter sprake werd gebracht, evenals de zorgen over de daaraan gestelde eisen, en of er een gezamenlijke basis is voor een akkoord op de WTO – de Doharonde – tussen de twee partijen? Werd het vraagstuk van het meten met twee maten– de hogere eisen binnen de Europese Unie in vergelijking met die van landen daarbuiten en met name in dit geval, Brazilië – naar voren gebracht als onderdeel van de besprekingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Zoals hier gemeld, was de top een initiatief van het Portugese voorzitterschap; het was de eerste topontmoeting met Brazilië die zal hopelijk leiden tot de ontwikkeling van strategische betrekkingen met dat land.

Dat was een eerste aanzet. Deze was bedoeld om die gebieden en sectoren te onderkennen waarop we nauwere betrekkingen met Brazilië zouden willen aanknopen. Er kwamen economische vraagstukken ter sprake, maar u zult begrijpen dat deze ter sprake kwamen in een meer algemene en strategische context waarbij de aandacht vooral ging naar kwesties op de agenda die binnen de reikwijdte van de besprekingen in het Doha-onderhandelingsproces liggen.

Het is duidelijk dat specifiekere kwesties op een technischer en geschikter niveau dienen te worden behandeld. Intussen werden handelskwesties in het algemeen en zorgen die zowel de EU als Brazilië hebben met betrekking tot deze vraagstukken met grote openheid en openhartigheid besproken waarbij elke partij haar standpunten weergaf en de hoop uitsprak dat het Doha-onderhandelingsproces tot een succesvol einde kan worden gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). (EN) Ik vat dat antwoord op als een “neen” op de vraag van mevrouw McGuinness; dat u geen moeite deed om druk uit te oefenen op de Braziliaanse autoriteiten over de erbarmelijke gezondheidsnormen met betrekking tot hun rundvleesexport en het totale gebrek aan traceerbaarheid met betrekking tot hun kudden vee.

Het zal als een bittere teleurstelling voor de landbouw- en consumentenbelangen in heel Europa komen, dat u toen u de gelegenheid daartoe had, geen druk uit te oefende met betrekking tot dit vraagstuk dat van het allergrootst belang is.

Wanneer wordt de Raad doordrongen van de gezondheidsimplicaties voor de Europese burger en gaat hij druk uitoefenen op Brazilië met het oog op een realistische traceerbaarheid met betrekking tot hun vee?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik denk dat met de start van dit initiatief door het Portugese voorzitterschap alle voorwaarden zijn geschapen voor een open en openhartig debat met Brazilië over al de vraagstukken die onze bilaterale betrekkingen kunnen verstoren, maar ook over al die vraagstukken die deze betrekkingen kunnen ontwikkelen en versterken.

Ik ben ook van oordeel dat over zaken waar de EU en Brazilië verschillende standpunten innemen, de top en het initiatief van het Portugese voorzitterschap een uiterst nuttig instrument is voor het aangaan en uitbreiden van de openhartige discussie die nodig is over vraagstukken waar de standpunten van de twee partijen wellicht niet volledig samenvallen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 12 van Marianne Mikko (H-0542/07)

Betreft: Hulp van de EU aan Estland inzake visserijovereenkomsten met Rusland op het Peipsimeer

De Raad weet ongetwijfeld dat 126 km van de grens tussen de Unie en Rusland langs het Peipsimeer loopt. In bilaterale overeenkomsten tussen Estland en Rusland zijn bepalingen opgenomen over de coördinatie van de bescherming van het gevoelige ecosysteem en de visbestanden in het Peipsimeer. Er is echter steeds meer bewijs dat de visbestanden in gevaar zijn doordat Rusland zich niets van de overeenkomsten aantrekt.

In het bijzonder vist Rusland praktisch het hele jaar op Deense zegen, in plaats van gedurende de overeengekomen zeer beperkte periode. Op de Russische markten is het betrouwbare bewijs te vinden dat de Russische officiële maatregelen ontoereikend zijn voor de bescherming van benedenmaatse vis van verschillende soorten in het Peipsimeer.

Rusland heeft de onderhandelingen voor het najaar 2007 onder verschillende voorwendselen uitgesteld.

Wat is de Raad voornemens te doen om de lidstaat Estland te steunen in wat eigenlijk onderhandelingen tussen de EU en Rusland zijn over quota’s en het quotabeheer in de toekomst?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) In antwoord op de vraag van de geachte afgevaardigde over onderhandelingen tussen de EU en Rusland over quota en het beheer daarvan in de toekomst, wil de Raad benadrukken dat, hoewel het gemeenschappelijk visserijbeleid specifiek de instandhouding, beheer en exploitatie van levende aquatische hulpbronnen bestrijkt, Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid definieert „levende aquatische hulpbronnen” als “beschikbare en toegankelijke levende mariene aquatische soorten, met inbegrip van anadrome en katadrome soorten tijdens hun mariene levensduur”;

Voorts parafeerden de Europese Gemeenschappen de regering van de Russische federatie op 28 juli 2006 een bilaterale overeenkomst over samenwerking op het gebied van de visserij en de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen in de Oostzee. Die overeenkomst zal in de nabije toekomst worden getekend en van kracht worden zodra de Russische federatie haar binnenlandse procedures voor ondertekening heeft doorlopen.

De reikwijdte van deze overeenkomst betreft de wateren van de Oostzee en zijn zee-engten, maar niet de binnenwateren. In weerwil van het geografische gebied waarop de overeenkomst van toepassing is, bepaalt artikel 13 dat partijen kunnen overeenkomen dat de samenwerking inzake beheer van anadrome en katadrome soorten wordt uitgebreid met uitzondering van soorten die hun gehele levenscyclus in de binnenwateren doorbrengen.

Op basis van het Gemeenschapsrecht kan de Raad dus alleen aanbevelen dat de geachte afgevaardigde haar vraag aan de Europese Commissie stelt, zodat de zaak aan de orde komt in de context van de bilaterale overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Russische Federatie zodra die overeenkomst van kracht wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Mikko (PSE). - (ET) Maar het antwoord voor zover het betrekking heeft op het Peipsimeer bevredigt mij niet geheel: qua afmetingen is dit het op twee na grootste meer in de Europese Unie en het enige meer waar sprake is van industrieel visserijbedrijf. Het is geen meer binnen Estland, maar een grensmeer bij een derde land, namelijk Rusland. Wat betreft de prudente exploitatie van visbestanden is Estland, een lidstaat van de Europese Unie, gehouden alles te doen wat in zijn vermogen ligt om visbestanden in het Peipsimeer in stand te houden. Datzelfde kan echter niet van Rusland worden gezegd.

Dientengevolge wil ik niettemin van de fungerend voorzitter horen hoe de Raad zich voorstelt Rusland te beïnvloeden om de visbestanden in het Peipsimeer in stand te houden zoals Estland dat aan het doen is? Welke specifieke eigen verantwoordelijkheid stelt u zich vandaag hier ten doel als voorzitter van de Europese Unie? U noemde de Commissie, maar het antwoord dat u gaf, had meer betrekking op de zeeën. Het Peipsimeer is een grensmeer met een zeer specifieke situatie: het is geen binnen de eigen grenzen gelegen water.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) De geachte afgevaardigde blijft bij haar vraag en ik moet helaas zeggen dat ik ook bij mijn antwoord blijf. Ik beveel aan, zoals ik aan het eind van laatste toespraak deed, dat de geachte afgevaardigde haar vraag aan de Europese Commissie richt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 13 van Brian Crowley (H-0547/07)

Betreft: Betrekkingen tussen de EU en Bosnië

Kan de Raad een verklaring afleggen met een actuele beoordeling van de huidige politieke betrekkingen tussen de EU en Bosnië?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) De politieke situatie in Bosnië-Herzegovina verkeert in een zeer gevoelige fase.

De uitspraak van het Internationaal Hof van Justitie in de zaak die Bosnië-Herzegovina eind februari aanspande tegen Servië en Montenegro inzake de toepassing van het Verdrag inzake genocide bracht de tegenstellingen aan het licht die in enige mate lijken te zijn getemperd na de zitting van de Raad van ministers op 9 februari.

De EU deelde de Bosnische autoriteiten haar vrees mee voor verslechtering van het politieke klimaat in het land, de terugkeer naar nationalistische retoriek en een gebrek aan politieke wil om een overeenkomst te sluiten het hervormingsproces in gevaar zouden brengen. Bosnië-Herzegovina dient effectief te opereren als een op zichzelf staand economisch en administratief gebied om vooruitgang voor zijn burgers en vooruitgang op de weg naar EU-lidmaatschap te verzekeren.

Wat betreft de betrekkingen met de EU en het stabilisatie- en associatieproces, de technische besprekingen over de Stabilisatie- en associatieovereenkomst werden afgesloten in december. Alle lidstaten hebben op 3 mei hun volledige steun aan het resultaat van de technische onderhandelingen over die overeenkomst gegeven. De afronding van de besprekingen over de Stabilisatie- en associatieovereenkomst wordt opgehouden door gebrek aan concrete vooruitgang op het gebied van politiehervorming.

De onlangs benoemde hoge vertegenwoordiger/speciale vertegenwoordiger van de EU, Miroslav Lajčak, die begin juli in functie trad, stelt als zijn eerste en directe prioriteiten, overeenkomstig de zorgen van stuurgroep van de Vredesimplementatieraad en van de Raad van de Europese Unie, het scheppen van een constructief politiek klimaat en de reorganisatie van de politie. In die context is de hoge vertegenwoordiger/speciale vertegenwoordiger van de EU ervan overtuigd dat vooruitgang tegen het eind van deze maand kan worden bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN). - (EN) Ik bedank de fungerend voorzitter voor zijn antwoord. In plaats van op elk afzonderlijk onderwerp in te gaan, concentreer ik mij op de vraag van de politiehervorming, omdat dit momenteel de grootste urgentie heeft. Zijn er al voorstellen van de Raad over de vorming van een groep facilitatoren om het mogelijk te maken dat verschillende tradities in Bosnië-Herzegovina worden samengebracht op een gemeenschappelijk niveau of tot een gemeenschappelijke gedragscode voor de wijze waarop de politiemacht behoort te functioneren? Het bestaat al op het gebied van grensbewaking, maar niet voor wat betreft de politie.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Dank voor uw vraag, suggestie en opvatting. We wachten natuurlijk met grote belangstelling op de voorstellen die de nieuwe speciale vertegenwoordiger over deze kwestie van de hervorming van de politie in Bosnië-Herzegovina zal presenteren bij het hoofdstuk politiële samenwerking. Uiteraard zal de Raad een voorstel in overweging nemen indien zij wordt gedaan in de vorm van een onderwerp dat door de speciale vertegenwoordiger bij de Raad te berde wordt gebracht en van een oplossing of voorstel van de hoge vertegenwoordiger, die direct bij deze zaak betrokken is en die, zoals u terecht opmerkte, de basis vormt voor de stabiliteit van Bosnië-Herzegovina.

We zijn van mening dat iedere suggestie, ieder middel of voorstel dat werkelijk bijdraagt aan de uiteindelijke en fundamentele doelstelling inzake stabiliteit en vooruitgang in Bosnië-Herzegovina dient te worden overwogen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vragen 14, 15 en 16 zijn ingetrokken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aangezien de auteur niet aanwezig is komt vraag 17 te vervallen.

Vraag 18 van Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (H-0559/07)

Betreft: De Europese Rekenkamer

Door het Verdrag van Maastricht van 1992 werd het institutionele kader van de EU aanzienlijk gewijzigd doordat hierin de Europese Rekenkamer werd opgenomen (artikel 7 van het Verdrag). Door van de Rekenkamer een van haar fundamentele instellingen te maken toonde de Unie aan hoeveel belang zij hechtte aan doorzichtigheid en aan de behoefte haar werkzaamheden te verbeteren.

Ook met het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa(1) werd het institutionele raamwerk weer gewijzigd omdat de Rekenkamer buiten dit kader kwam te vallen en een plaats kreeg bij de “overige instellingen en adviesorganen van de Unie” in titel IV, hoofdstuk II van het Verdrag.

Bij de lopende werkzaamheden aan een nieuw verdrag zijn er geen plannen voor een wijziging van het “institutionele kader”, wat leidt tot een verminderde status van de externe auditor van de Europese instellingen. Kan de Raad, overwegende dat de Unie op een betere manier rekenschap aan haar burgers moet afleggen, een toelichting geven op zijn besluit de Rekenkamer een lagere status te geven?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Op deze vraag komt waarschijnlijk in deze vergadering het snelste antwoord, omdat het feitelijk niet tot de bevoegdheid van de Raad behoort het werk te becommentariëren van de Intergouvernementele conferentie voor de hervorming van de verdragen, die zoals we weten op 23 juli 2007 begon

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE).(PL) Mijnheer de Voorzitter, het komt mij werkelijk voor dat dit heel sterk een kwestie is die de Raad aan de orde dient te stellen, vooral aangezien we momenteel spreken over een nieuw verdrag dat wordt opgesteld om de nieuwe Europese Unie radicaal te veranderen. Het plaatsen van de Rekenkamer in de sector “ overige instellingen en adviesorganen” is in de ogen van burgers een duidelijke degradatie van deze instelling.

De controlerende functie van de Rekenkamer is niet alleen gebaseerd op het toezicht houden op de uitgaven en het controleren of onze gemeenschappelijke gelden, de publieke fondsen van de Europese Unie, correct worden verdeeld; de Rekenkamer bewaakt ook de begrotingsdiscipline in de hele Europese Unie, waaronder de Raad, het Parlement en de Europese Commissie. De aanbevelingen en oordelen van de Rekenkamer helpen ons allemaal in ons werk. De sterke positie van de Rekenkamer dient voor alle burgers van de EU helder en duidelijk te zijn, aangezien deze instelling ook het vertrouwen van burgers in de EU als geheel bevestigt.

Indien u van oordeel bent dat dit geen kwestie is voor de Raad, wil ik graag weten voor wie het een kwestie is, omdat de taakopdracht van de Raad – en de aard van de werkzaamheden die momenteel wordt uitgevoerd – ook de kwestie van de juiste positionering van de Rekenkamer inhoudt. Naar mijn mening is de juiste plaats die waar de belangrijkste instellingen van de EU worden aangetroffen (ik spreek nu over het ontwerp van het nieuwe verdrag waarmee we ons momenteel bezighouden).

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Uiteraard nam ik nota van uw bezwaren en commentaren, maar ik ben hier als vertegenwoordiger van de Raad. De Raad als zodanig is niet gemachtigd commentaar te leveren op het onderwerp van de intergouvernementele conferentie waarop de lidstaten rond de tafel zitten en bepaalde items bespreken juist in hun hoedanigheid als lidstaten, dat wil zeggen als onafhankelijke, soevereine staten die volledig onafhankelijk als lidstaten handelen. De Raad heeft daarom niet de bevoegdheid om op dat onderwerp commentaar te leveren. De intergouvernementele conferentie heeft echter haar eigen organen, haar eigen structuren en voorzitterschap, en zij zal uiteraard als u dat wilt nota nemen van elke suggestie, kritiek en elk advies dat u wilt geven over het bespoedigen van het werk binnen de intergouvernementele conferentie. Maar, zoals ik al heb gezegd, de Raad van de Europese Unie is als zodanig niet gerechtigd commentaar te leveren op het werk van de intergouvernementele conferentie met het oog op de onpartijdige aard van die conferentie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aangezien de auteurs niet aanwezig zijn komen de vragen 19 en 20 te vervallen

Vraag 21 van Marian Harkin (H-0566/07)

Betreft: Scheiding tussen Schengen-lidstaten en niet-Schengen-lidstaten

Kan de Raad, rekening houdend met de uitspraken van zowel de Ierse minister-president Bertie Ahern als van de Britse premier Gordon Brown, die stelden dat beide landen een einde moeten maken aan de scheiding tussen Schengen-lidstaten en niet-Schengen-lidstaten, en in het licht van de prioriteiten van het Portugese Voorzitterschap met betrekking tot Schengen, aangeven hoe hij van plan is de grenscontroles verder te openen en de samenwerking tussen Schengen-lidstaten en niet-Schengen-lidstaten te bevorderen vóór het eind van het Voorzitterschap?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Op zijn bijeenkomst op 12 en 13 juni 2007 vroeg de Raad aan het Portugese voorzitterschap vast te houden aan het tijdschema voor de evaluatiebezoeken met betrekking tot het Schengeninformatiesysteem. Dit met het oog op de in november 2007 voorziene goedkeuring van de in artikel 3, lid 2, genoemde besluiten van de Toetredingsakte van 2003 ten aanzien van die lidstaten die in 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden en die tot eind december 2007 de gelegenheid hebben gekregen om een eind te maken aan de grenscontroles aan de binnengrenzen en de zeegrenzen, en tot uiterlijk maart 2008 voor de luchtgrenzen, zodra aan alle voorwaarden zou zijn voldaan. Met betrekking tot Ierland en het Verenigd Koninkrijk bepaalt artikel 4 van het tweede protocol van het Verdrag van Amsterdam dat het Schengenacquis betrekt binnen het bereik van de Europese Unie, dat Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, die niet gehouden zijn aan het Schengenacquis, op elk tijdstip kunnen verzoeken deel te nemen aan enkele of alle bepalingen van dit acquis. Deze lidstaten hebben tot op heden niet gevraagd de bepalingen van het Schengenacquis toe te passen betreffende de afschaffing van de personencontrole aan de binnengrenzen. Aangezien Ierland en het Verenigd Koninkrijk een dergelijk verzoek niet hebben gedaan, kan het voorzitterschap van de Raad weinig met betrekking tot deze kwestie doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Harkin (ALDE). (EN) Dank u voor uw antwoord. Er zijn verklaringen afgelegd door Gordon Brown, de Britse premier, en Bertie Ahern, de Ierse premier, dat beide landen een eind moesten maken aan de demarcatie tussen Schengen en niet-Schengen. In uw antwoord zegt u echter dat er geen formeel verzoek van een van die landen is ontvangen. Is er een informeel verzoek geweest of is er vanuit het Verenigd Koninkrijk of Ierland een stap gezet met betrekking tot dit vraagstuk en kunt u, indien mogelijk, voor mij schetsen hoe het mogelijk is om het Schengen acquis gedeeltelijk in plaats van geheel toe te passen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik kan naar aanleiding van deze vraag niets toevoegen aan mijn eerste antwoord van zo-even. Natuurlijk bevat het Schengenakkoord eigen bepalingen en artikelen over de toepassing en het toepassingsbereik van het akkoord, en die moeten we respecteren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 22 van Proinsias De Rossa (H-0568/07)

Betreft: Oprichting van een Subcommissie mensenrechten EU-Israël

In november 2005 heeft de Subcommissie EU-Israël inzake politieke dialoog en samenwerking een Werkgroep mensenrechten EU-Israël opgericht.

Is de Raad voornemens de Werkgroep mensenrechten EU-Israël op te waarderen tot een subcommissie inzake mensenrechten die regelmatiger bijeenkomt dan de werkgroep (die tot februari 2007 slechts tweemaal bijeenkwam) en geregeld en systematisch overleg pleegt met het maatschappelijk middenveld in Israël, de bezette Palestijnse gebieden en de EU om de mensenrechtensituatie in Israël en de bezette gebieden te beoordelen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad (PT). – De Werkgroep mensenrechten EU-Israël, die op 21 november 2005 is ingesteld op de bijeenkomst van het subcommissie inzake politieke dialoog en samenwerking EU-Israël, is het platform dat zowel de mogelijkheid schept van een reguliere, systematische en grondige analyse als van bespreking door beide partijen van vraagstukken inzake mensenrechten zoals de geachte afgevaardigde en de Raad zelf wensen.

Mensenrechten vormen bovendien voortdurend een thema op alle niveaus van het huidige politieke contact tussen de EU en Israël. Het maatschappelijk middenveld, zoals genoemd in de vraag van de geachte afgevaardigde, levert al een bijdrage aan dergelijke uitwisselingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE). (EN) In alle eerlijkheid, dat is een nietszeggend antwoord. Ik vroeg of de werkgroep, die sinds 2005 slechts twee keer bijeenkwam, zou worden opgewaardeerd tot een subcommissie voor mensenrechten.

Na veertig jaar bezetting van de Palestijnse gebieden is er duidelijk sprake van herhaaldelijke inbreuken op de Palestijnse mensenrechten als gevolg van de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden.

Ik vraag de Raad om zijn standpunt ten aanzien van opwaardering van de werkgroep voor mensenrechten, die geregeld bijeen zou komen en enige druk op de Israëlische autoriteiten zou uitoefenen om te voldoen aan de normen voor mensenrechten, waaraan alle beschaafde maatschappijen en democratieën naar onze verwachting aan voldoen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik wil de geachte afgevaardigde nogmaals zeggen dat eerbiediging en bescherming van mensenrechten voortdurend thema’s vormen in de dialoog tussen de EU en derde landen.

Dit is een van de zorgen van Raad en een voortdurende en constante zorg van de opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad, en dat geldt ook voor het Portugese voorzitterschap. Portugal heeft in het bijzonder vanwege zijn eigen historie aandacht voor de mensenrechten. Gisteren nog had ik hier de gelegenheid enkele afgevaardigden van het Europees Parlement erop te wijzen dat wij bijzonder gevoelig zijn voor alles wat betrekking heeft op democratie, rechtsstaat en mensenrechten, aangezien wijzelf in Portugal tot 1974 een dictatuur kenden. Deze onderwerpen liggen ons bijzonder na aan het hart en spelen daarom een hoofdrol in onze dialoog met derde landen waaronder Israël; we zullen deze punten altijd opnemen in de reguliere dialoog die we met de Israëlische autoriteiten voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 23 van Johan Van Hecke (H-0572/07)

Betreft: Situatie in Zimbabwe

De politieke en economische situatie in Zimbabwe zou “levensbedreigende proporties”

hebben aangenomen. De politie arresteerde meer dan 1.300 winkeliers en bedrijfsleiders die weigerden de prijs van hun producten te halveren, zoals de regering van president Mugabe heeft opgedragen. De prijshalveringen leidden tot paniekinkopen bij de grote winkelketens. Eerste levensbehoeften als suiker, bakolie en brood zijn alleen op de zwarte markt nog verkrijgbaar. Benzinestations staan droog. Volgens ooggetuigen hebben aanhangers van de regeringspartij veel winkels geplunderd. De inflatie, de hoogste ter wereld, is het gevolg van het onophoudelijk drukken van geld, waarmee de regering ambtenaren, agenten en soldaten betaalt. Volgens de oppositiepartij MDC probeert de regering zich te verzekeren van de stem van de armen, negen maanden voor de presidentsverkiezingen. Vertegenwoordigers van regeringspartij Zanu-PF zouden een verzoek van de Zuid-Afrikaanse president Mbeki om naar Pretoria te komen, hebben afgewezen.

Wat is het standpunt van de Raad? Zal hij aan de regering vragen haar verantwoordelijkheid in deze crisis duidelijker te aanvaarden?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) De Raad houdt nadrukkelijk de kritieke politieke en economische situatie in Zimbabwe in het oog. Hij besprak deze kwestie in zijn bijeenkomst op 23 april 2007 en kreeg verdere informatie over het probleem in zijn bijeenkomst op 22 juli, dus nog zeer kortgeleden.

De strategie van de Raad is de algemeen bekend sinds de eerste beperkende maatregelen werden uitgevaardigd. In 2003 besloot de Raad beperkende maatregelen uit te vaardigen tegen de leiders van Zimbabwe en verklaarde bij die gelegenheid dat zolang de mensenrechten werden geschonden de Raad het noodzakelijk zou achten beperkende maatregelen te handhaven tegen de regering van Zimbabwe en tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor dergelijke schendingen, en voor inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en het recht van vereniging en vreedzame vergadering. De Raad verklaarde voorts dat dergelijke maatregelen alleen zouden worden ingetrokken wanneer er voorwaarden werden geschapen die de eerbiediging van mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat garanderen.

In reactie op de recente geweldsdaden en de schending van mensenrechten besloot de Raad op 23 april de lijst van personen die niet voor een visum in aanmerking komen, uit te breiden. Sinds de uitvaardiging van de beperkende maatregelen heeft de Raad getracht de multilaterale instellingen in Afrika te betrekken.. De Raad heeft sinds de uitvaardiging van de maatregelen systematisch de kwestie Zimbabwe op de agenda gezet van alle ministeriële bijeenkomsten die met de SADC (Southern Africa Development Community - gemeenschap voor de ontwikkeling van Zuidelijk Afrika) werden georganiseerd. De EU heeft de kwestie Zimbabwe ook bij de VN-commissie voor mensenrechten aan de orde gesteld.

De Raad prees in het bijzonder het initiatief van de SADC en het mandaat aan president Mbeki om een dialoog op gang te brengen tussen de oppositie en de regering evenals de benoeming van de heer Kikwete als voorzitter van de SADC. De Raad hoopt spoedig de eerste resultaten van deze Afrikaanse initiatieven te zien; zo nodig zal hij zijn standpunt dienovereenkomstig herzien.

 
  
MPphoto
 
 

  Johan Van Hecke (ALDE).(NL) Voorzitter, de situatie in Zimbabwe is stilaan uitzichtloos en dat is een eufemisme. De internationale gemeenschap, waaronder ook de EU, kijkt jammer genoeg machteloos toe.

Ik had aan de Raad een korte bijkomende vraag willen stellen, want op 8 en 9 december organiseert het Portugees voorzitterschap in Lissabon een topontmoeting tussen Afrika en de Europese Unie. De voorbije jaren was dat niet mogelijk omdat men het niet eens geraakte over de vraag of men al dan niet Mugabe zou uitnodigen. Mijn vraag is heel concreet en ik verwacht ook een concreet antwoord: is het voorzitterschap van plan om in december in Lissabon president Mugabe uit te nodigen? En ten tweede, op welke manier hoopt men de situatie in Zimbabwe daar ter sprake te brengen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Zoals ik zei, de EU houdt de situatie in Zimbabwe nauwlettend in het oog en heeft de maatregelen getroffen die zij als meest geschikt in dat opzicht acht. Op zijn beurt heeft de Europese Raad in de conclusies van zijn bijeenkomsten altijd duidelijk gemaakt dat het voor de Europese Unie van strategisch belang is om een mondiale, veelomvattende en gedetailleerde dialoog met Afrika als geheel te voeren.

Het mandaat dat we van de Europese Raad hebben gekregen, dat een weerspiegeling is van de belangstelling voor en de betrokkenheid bij deze mondiale dialoog die we met de Afrikaanse landen moeten voeren, omdat we veel te bespreken hebben, maar ook om samen te werken met Afrika. Met dat doel en die intentie heeft het Portugese voorzitterschap besloten de tweede top EU-Afrika in december in Lissabon te houden. We zijn ervan overtuigd dat die top in ons belang en dat van de andere lidstaten is, in het belang van de EU en ook in dat van Afrika.

Met Afrika dienen we te spreken over immigratie, de economie, handel, energie, het klimaat en natuurlijk ook over de mensenrechten en goed bestuur. Dit zijn onderwerpen die we al hebben besproken en die ook werden besproken op de eerste top in 2000 in Caïro onder het eerste voorzitterschap van Portugal.

Het is een doel dat we voor ons voorzitterschap hebben gesteld en het is een doel waaraan we voornemens zijn te blijven werken in nauwe samenwerking met onze partners zowel binnen de EU als ook in Afrika.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 24 van Danutė Budreikaitė (H-0575/07)

Betreft: Noordelijke aardgasleiding

Tijdens het Duitse EU-voorzitterschap verklaarde een vertegenwoordiger dat “Nord Stream” een project van een privé-onderneming is, waarop de EU geen invloed heeft.

Op 15 juli 2007 verklaarde de Duitse minister van buitenlandse zaken Frank-Walter Steinmeier in een interview op de Litouwse televisie dat “Nord Stream” noch een Duits noch een Russisch project is, maar wel een trans-Europees project, en dat de EU zich tegen het project zou verzetten als de energiepolitieke en ecologische belangen van Litouwen worden geschonden.

Wat is het standpunt van het Portugese voorzitterschap in deze zaak? Is “Nord Stream” een privé-project of een EU-project? Welke plaats zal het in het toekomstige gemeenschappelijke energiebeleid van de EU innemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Met betrekking tot de punten die de geachte afgevaardigde aan de orde stelde en de eerste vraag wil de Raad erop wijzen dat hij geen commentaar geeft op berichten in de media.

Ten tweede, in antwoord op de tweede vraag herinnert de Raad de geachte afgevaardigde eraan dat het “Nord Stream”-project een privé-project is dat door “Nord Stream AG” in samenwerkingsverband wordt uitgevoerd. Zoals de Raad meldde in zijn antwoord op de mondeling vraag H-0121/07 van Nils Lundgren over de Russisch-Duitse gaspijplijn in de Oostzee, was de aanleg van een pijplijn tussen Rusland en Duitsland door de Oostzee verklaard tot een project van Europees belang bij besluit nr. 1364/2006 van het Europees Parlement en van de Raad. Voor meer uitleg van die verklaring verwijst de Raad de geachte afgevaardigde naar het antwoord op die vraag.

Ten aanzien van de derde vraag wil de Raad erop wijzen dat de aanleg van een nieuwe gaspijplijn in het noorden van Europa langs die weg in overeenstemming is met de doelstelling van het energiebeleid van de Europese Unie ter verbetering van een verzekerde aanvoer naar de Gemeenschap. Een effectieve spreiding van energiebronnen en transportroutes werd in het actieprogramma van de Gemeenschap van de Europese Raad van maart 2007 genoemd als een van de middelen tot verbetering van een verzekerde aanvoer. Het Gemeenschapsacquis zal, waar nodig, altijd in zijn totaliteit worden toegepast, met inbegrip van Gemeenschapswetgeving inzake milieu, op die delen van de gaspijplijn die binnen het gebied van de EU-lidstaten worden aangelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT) Ik vind het lastig te begrijpen of het gaat om een privé-project of een EU-project. De gaspijplijn wordt aangelegd door de Oostzee en het zijn niet slechts twee, maar verscheidene landen die in de buurt ervan liggen. Er is een groot gevaar dat wapens die op de zeebodem liggen, naar boven worden gehaald. Het project is nog niet eens van de grond gekomen en toch hebben Rusland en Duitsland al de route veranderd, omdat er dicht bij Denemarken, Finland, Estland en Zweden een grote verzameling wapens uit de Tweede Wereldoorlog werd ontdekt. Kan het een privé-project zijn als het niet slecht een probleem van energieaanvoer schept – dat wil zeggen een gasaanvoerprobleem – voor de nabijgelegen landen maar ook een ecologisch probleem in de Oostzee?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Op deze vraag heb ik niet veel toe te voegen aan datgene wat ik in eerste antwoord heb gezegd, dat wil zeggen dat ik in het bijzonder onze belofte herhaal dat het Gemeenschapsacquis altijd in zijn totaliteit zal worden toegepast indien noodzakelijk en altijd wanneer er milieukwesties aan de orde zijn. Daarom hoop ik dat onze verklaring een antwoord geeft op de bezorgdheid die de geachte afgevaardigde tot uiting heeft gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 25 van Luisa Morgantini (H-0576/07)

Betreft: Mordechai Vanunu veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf

Mordechai Vanunu, al sinds meer dan twintig jaar pacifist en voormalig atoomtechnicus, werd op 2 juli door de rechtbank van Jeruzalem tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld omdat hij volgens de Israëlische autoriteiten een administratieve beschikking heeft overtreden die zijn spreek- en bewegingsvrijheid beperkt.

Mordechai Vanunu werd in Rome ontvoerd en naar Israël overgebracht waar hij gevangen werd gezet en van hoogverraad beschuldigd, omdat hij met de Sunday Times over de nucleaire bewapening van Israël had gesproken. Hij werd achter gesloten deuren berecht en tot 18 jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan hij 11 jaar in volledig isolement heeft doorgebracht. In 2004 kwam hij uit de gevangenis, maar krachtens bovengenoemde beschikking bleef hij onderworpen aan ingrijpende vrijheidsbeperkingen (zo is het hem verboden contact te hebben met burgers van andere landen die geen Israëliër zijn, in de buurt te komen van ambassades en consulaten, een mobiele telefoon te hebben, Internet te gebruiken, en de staat Israël te verlaten).

Welke stappen denkt de Raad in deze zaak bij de Israëlische autoriteiten te ondernemen naar aanleiding van dergelijke schending van fundamentele rechten als de spreek- en bewegingsvrijheid?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Zoals u kunt zien aan onze antwoorden op de vragen H-0577/04, H-0302/05, P-1687/05 en E-3413/05 volgt de Raad met belangstelling de zaak van Mordechai Vanunu, in het bijzonder zijn situatie na zijn vrijlating in 2004, die de geachte afgevaardigde in haar vraag noemt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag 26 van Richard Howitt (H-0578/07)

Betreft: Vooruitgang inzake de uitzendkrachtenrichtlijn

Wat zijn de resultaten van het eerste overleg georganiseerd door het Portugese Voorzitterschap met als doel een akkoord te bereiken over het ontwerp voor een richtlijn betreffende de arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten (COM(2002)0701)?

Verwacht de fungerend voorzitter een stemming in de Raad te houden over het geamendeerde voorstel voor een richtlijn tijdens het huidige Voorzitterschap, en welk tijdsschema heeft hij vastgelegd voor informele en formele onderhandelingen hierover?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik wil u vertellen dat als resultaat van voorafgaand overleg van de lidstaten het Portugese voorzitterschap heeft besloten de beraadslagingen te heropenen over het voorstel voor een richtlijn inzake uitzendkrachten, die het beschouwt als belangrijk aspect in het debat over flexizekerheid.

Aangezien dit dossier sinds 2004 niet meer door Raad onder de loep is genomen, is het van belang de huidige situatie te bekijken en na te denken over de mogelijke te volgen koers. Het voorzitterschap zal op korte termijn daartoe maatregelen treffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE). (EN) Ik dank de fungerend voorzitter voor zijn hartelijke woorden. Flexizekerheid is een goed uitgangspunt, zoals we in dit Parlement en Europese instellingen plegen te zeggen. Veel mensen zeggen echter dat ze veel zien van flexibiliteit, maar dat ze zich afvragen waar de zekerheid is. De richtlijn inzake tijdelijk werk blijft een echte toetsing van de vraag of dat zekerheidsaspect er komt. Ik vraag me af wat de fungerend voorzitter binnen de Europese Raad van ministers ziet als huidige obstakels, die voorkomen dat er vooruitgang wordt geboekt. Ondanks de goede diensten van het voorzitterschap: hoeveel vertrouwen heeft hij erin dat de Raad inderdaad overeenstemming tijdens het voorzitterschap van onze Portugese collega’s zal bereiken?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. – (PT) Ik dank de geachte afgevaardigde voor zijn vraag. Zoals ik heb aangegeven, is dit een dossier waaraan het Portugese voorzitterschap verder wil werken en daarop vooruitgang boeken. We hebben altijd gezegd dat het succes van een voorzitterschap in de eerste plaats afhangt van het voorzitterschap zelf, maar dat er ook betrokkenheid, samenwerking en de wil van alle lidstaten om vooruitgang te boeken, nodig is. Dit is een zaak die we bij wijze van spreken mogelijk niet naar een veilige haven kunnen brengen zonder dat alle lidstaten aan onze kant staan.

We zouden tevreden zijn als we tijdens het Portugese voorzitterschap ten minste aanzienlijke voortgang kunnen boeken, ook als we geen volledige overeenstemming bereiken. We zullen eraan werken in de hoop, zoals ik al zei, dat onze partners in staat zullen zijn onze suggesties en voorstellen te accepteren en ook kiezen voor een realistische benadering voor deze kwestie, omdat we weten dat dit een complex debat en een complex vraagstuk is, zoals de geschiedenis van deze richtlijn toont.

Wat flexizekerheid betreft, kan ik u zeggen dat voor Portugal en voor dit Portugese voorzitterschap flexizekerheid flexibiliteit inhoudt, maar ook zekerheid en voor ons gaan deze twee samen. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.00 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: MECHTILD ROTHE
Ondervoorzitter

 
Laatst bijgewerkt op: 2 december 2008Juridische mededeling