Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2624(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B6-0351/2007

Debatten :

PV 25/09/2007 - 5
CRE 25/09/2007 - 5

Stemmingen :

PV 26/09/2007 - 6.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0412

Debatten
Woensdag 26 september 2007 - Straatsburg Uitgave PB

7. Stemverklaringen
PV
  

- Verslag: Paasilinna (A6-0293/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jaroslav Zvěřina (PPE-DE). – (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb het voorstel voor het oprichten van een Europees Technologisch Instituut niet gesteund. Natuurlijk wil ik, net als de meesten van u, dat de Europese Unie zich aanpast en meer uitvindingen en octrooien produceert.

Na het debat over dit voorstel te hebben aangehoord, denk ik echter niet dat de oprichting van nog een instituut een stap in de goede richting is. Onze universiteiten en onderzoeksinstituten krijgen geen extra geld; ze krijgen hooguit een nieuwe instelling om mee te concurreren om onderzoekssubsidies. De stemming van onze eerbiedwaardige instelling heeft evenmin een nieuw orgaan van superwetenschappers opgeleverd. Het instituut zal worden geleid door wetenschappers die de universiteiten waar ze nu werkzaam zijn zullen verlaten. Ik denk daarom dat het beter is als we de beschikbare financiële middelen, als we die kunnen vinden, kanaliseren in de bestaande wetenschappelijke topteams door middel van onderzoekssubsidies.

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE). – (SK) Als we echt de VS, Japan en andere wereldleiders op het gebied van wetenschap en technologie willen inhalen en ervoor willen zorgen dat Europa de toon zet, dan moeten daarvoor de noodzakelijke voorwaarden worden geschapen.

Centra voor toponderzoek moeten kunnen beschikken over alle noodzakelijke voorwaarden en mogelijkheden. Het Europees Technologisch Instituut is een stap in de goede richting. Het is jammer dat dit besluit zo lang is uitgesteld. Ik ben ervan overtuigd dat de problemen op het gebied van de adequate financiering van het ETI naar tevredenheid zullen worden opgelost.

Ik ben ook voorstander van het idee van medefinanciering volgens het principe van het publiek-private partnerschap, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in de onderzoekscentra in de Verenigde Staten. Ik zou willen dat wetenschappers en onderzoekers uit de nieuwe landen ook worden geselecteerd voor en betrokken bij de wetenschappelijke teams, en dat de raad van bestuur onder toezicht staat van het Europees Parlement. De onderzoeksdoelen moeten het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van wetenschap en onderzoek weerspiegelen en alleen onderzoek op embryonale stamcellen zou niet mogen worden gefinancierd door de belastingbetalers van de landen waar dergelijk onderzoek verboden is.

 
  
MPphoto
 
 

  Tomáš Zatloukal (PPE-DE). – (CS) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag iets zeggen met betrekking tot de stemming over de oprichting van het Europees Technologisch Instituut. Ik heb vóór het voorstel gestemd, omdat we voor het eerst een systeem hebben waarin onderzoek, onderwijs en het bedrijfsleven gecombineerd zijn.

Dit is een fundamenteel project op het gebied van Europese innovatie en net als andere, soortgelijke projecten gaat het gepaard met problemen, in dit geval met name financiële problemen. Dat gezegd hebbende, vind ik dat het voorstel om dit Instituut op te richten en het voldoende ruimte te geven om zijn voortbestaan te rechtvaardigen onze steun verdient.

 
  
MPphoto
 
 

  Hannu Takkula (ALDE). – (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil kort iets zeggen met betrekking tot het Europees Technologisch Instituut. Ten eerste wil ik de rapporteur, de heer Paasilinna, bedanken. Hij heeft uitstekend werk verricht. Ik weet dat hij een deskundige is op het gebied van onderwijs en onderzoek en daarmee samenhangende gebieden.

Dit is een zeer ambitieus project, maar ik wil er toch op wijzen dat het, als wij in de Europese Unie nieuwe instituten oprichten, erg belangrijk kan zijn om er voor we dat doen voor te zorgen dat de bestaande instellingen voldoende gefinancierd kunnen worden. Daarom moeten we er ook voor zorgen dat het netwerk van universiteiten dat nu bestaat voldoende steun kan krijgen en daarmee nieuw onderzoek kan produceren.

Bij de stemming heb ik voor de aanbeveling van de heer Paasilinna gestemd, maar ik wil het Parlement vragen er rekening mee te houden dat bestaande onderzoeksgemeenschappen hun financiering moeten kunnen krijgen en dat dit nieuwe instituut niet het voor hen gereserveerde geld mag opsnoepen. Ik vraag u dit te noteren en mee te wegen bij het nemen van een beslissing.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. − (PT) Ik heb vóór het verslag van de heer Paasilinna over het Europees Technologisch Instituut gestemd omdat ik van mening ben dat dit een belangrijke bijdrage zal leveren aan het vergroten van het concurrentievermogen van de Europese economie door de synergie tussen innovatie, onderzoek en onderwijs te versterken.

Ik steun daarom de voorstellen van de rapporteur die erop gericht zijn de bronnen van de financiering van het toekomstige Europees Technologisch Instituut helder te definiëren zodat dit zo snel mogelijk aan de slag kan en zijn missie met succes kan uitvoeren, in tegenstelling tot de doelstellingen die zijn geformuleerd in de Lissabonstrategie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Ons standpunt over de oprichting van het Europees Technologisch Instituut is uiterst kritisch als gevolg van het standpunt van diverse onderzoeksorganisaties. Vorig jaar heeft de League of European Research Universities bijvoorbeeld een onderzoek gepresenteerd waarvan de conclusie luidde dat het plan voor het Europees Technologisch Instituut “een misvatting en gedoemd te mislukken” was. Euroscience, een Europese organisatie van wetenschappers en politiek deskundigen, noemde het “een politiek gemotiveerd idee, dat uitgaat van een verkeerde vooronderstelling”. De wetenschappelijk adviseur van het Verenigd Koninkrijk, Robert May, zei dat “het is gebaseerd op een misverstand” over innovatie.

Dit Instituut wordt virtueel, samengesteld uit wetenschappers van universiteiten in de EU, onderzoekslaboratoria en bedrijven, en zal geen kwalificaties afgeven, in tegenstelling tot wat eerder was voorgesteld. Na druk van verschillende landen die het Instituut wilden herbergen werd dit virtueel, een soort toegangspoort voor het raadplegen van wetenschappelijke gemeenschappen in verschillende gebieden. Het Europees Parlement heeft zojuist verschillende amendementen op het voorstel van de Commissie aangenomen, maar naar onze mening zijn deze onvoldoende om iets wat krom geboren is recht te trekken.

Wat de financiering betreft, is de communautaire begroting een van de opties, inclusief kredieten die bestemd zijn voor onderzoek en die mogelijk een nieuwe manier zijn om de ontwikkelde landen te steunen en zo de ongelijkheden te versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), schriftelijk. (PL) Mijnheer de Voorzitter, het concept van een Europees Technologisch Instituut is veranderd in de loop van het levendige debat over hoe we innovatie binnen de Europese Unie kunnen stimuleren. Aanvankelijk zou het Instituut een Europees equivalent worden van het Massachusetts Institute of Technology, binnen het kader van de Lissabon-agenda. Met andere woorden, het zou deel uitmaken van onze strategie om te concurreren met de Verenigde Staten. In de snel veranderende geglobaliseerde wereld van tegenwoordig denken we nu in de richting van een netwerk van kennis- en innovatiecentra, de zogenoemde KIC’s, gecoördineerd door een centraal orgaan. Dit kwam tot uiting in de scheiding van twee begrotingslijnen in de amendementen die het Europees Parlement heeft ingediend op de ontwerpbegroting voor 2008 (gescheiden financiering voor het netwerk en het coördinerende orgaan). We lijken dichter bij het vinden van een oplossing voor het financieren van deze onderneming te zijn sinds de Europese Commissie heeft voorgesteld de financiële vooruitzichten voor 2007-2013 te herzien, waarbij het bijzonder de limiet voor rubriek 1A zou worden verhoogd, en die van andere rubrieken zou worden verlaagd. Dit bevestigt eens te meer dat dit Parlement zich niet vergiste toen het wees op de buitengewoon weinig budgettaire middelen die waren toegewezen aan de doelstellingen van de Lissabonstrategie.

Ik wil verder Wrocław steunen in zijn aanbod om het Europees Technologisch Instituut te huisvesten. Ik moet er echter op wijzen dat betere financiering van O&O en de oprichting van een nieuw instituut niet genoeg zijn om ervoor te zorgen dat Europa concurrerend en innovatief wordt. Dat zal worden bepaald door de ontwikkeling van een zakencultuur, een bereidheid om risico’s te nemen en praktische banden tussen onderzoeks- en ontwikkelingskringen en particulier ondernemerschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann (PSE), schriftelijk. (DE) Ik vind het besluit aan de idee van een EIT vast te houden een vergissing. De naar voren gebrachte argumenten overtuigen niet omdat ze van verkeerde vooronderstellingen uitgaan.

1. Reeds het oorspronkelijke idee van Commissievoorzitter Barroso dat het EIT een antwoord zou zijn op het Amerikaanse MIT, strookt niet met de realiteit. Het voorstel waarover wij vandaag stemmen, verzwakt het oorspronkelijke nog meer. Het MIT is met veel geld en steun gegroeid, en in Europa doen reeds vele “mini-MIT’s” wereldwijd geavanceerd onderzoek. Het Europese dilemma is de onvoldoende financiële en morele ondersteuning van innovatie en geavanceerd onderzoek.

2. De financiering met de 309 miljoen euro uit de reservebegroting blokkeert andere initiatieven van het Parlement zoals het strategisch belangrijke Galileo-project. Het financieringsvoorstel komt overeen met amper één achtste van het geschatte budget en is zo geen drijfveer voor ernstige extra particuliere initiatieven. BP heeft alleen al in Berkeley in de VS 500 miljoen dollar op het gebied van biobrandstoffen geïnvesteerd.

3. Het EIT zou met ruime eigen financieringsbronnen en schenkingen rechtstreeks aan de reeds bestaande Europese instellingen voor geavanceerd onderzoek een kans hebben. Zo zou de EU naar het voorbeeld van Canada bijvoorbeeld een innovatiefonds kunnen instellen dat wordt gestijfd met de gelden die aan het einde van het jaar op de EU-begroting overblijven.

4. De geplande netwerkstructuur is een virtuele, supranationale instelling zonder belang in het Europese en internationale onderzoekslandschap. Ze is een ongelukkig en bureaucratisch compromis.

Ik heb daarom tegengestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben in principe verheugd over de idee van een Europees Technologie-instituut. Ik heb mij echter bij de stemming over de resolutie onthouden omdat ik denk dat wij de doelstellingen, het beheer en de financiën van het Instituut nog niet op bevredigende wijze hebben geregeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Pierre Pribetich (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vandaag, dinsdag 25 september mijn collega Reino Paasilinna mijn steun gegeven door voor de instelling van het Europees Technologie-instituut (EIT) te stemmen.

Het verslag weerspiegelt het reële voornemen om naar een kennismaatschappij te evolueren. De totstandbrenging, in de Europese Unie, van instrumenten ter bevordering van de integratie van innovatie, onderzoek en onderwijs zal het op termijn mogelijk maken het concurrentievermogen van de Europese economie te stimuleren.

Het EIT zal door een door wetenschappelijk en administratief personeel ondersteund directiecomité worden geleid. Dat comité zal de kennis- en innovatiegemeenschappen of de Knowledge and Innovation Communities (KICs) creëren die de strategische prioriteiten van het EIT in de praktijk moeten brengen.

Wij betreuren het gebrek aan financiële middelen, dat dit veelbelovende initiatief op termijn dreigt te fnuiken.

Iedereen moet zich bewust zijn van de absolute noodzaak de Europese Unie te voorzien van gemeenschappelijke projecten die haar ontwikkeling in het kader van de Lissabon-strategie verzekeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) De Europese Unie staat nu werkelijk op een tweesprong als het gaat om zijn concurrentievermogen ten opzichte van de rest van de wereld. Ondanks de vele aantrekkingsfactoren die we hebben, van historisch en cultureel tot economisch en toeristisch, kunnen we niet ontsnappen aan de grote uitdagingen van de wereldwijde concurrentie met de nieuwe opkomende Aziatische economieën. Het is de vraag in hoeverre wij in staat zijn een aantrekkelijke omgeving voor kennis en innovatie te blijven.

Ik denk dat de stemming over het Europees Technologisch Instituut een belangrijke stap vormde voor de vorming van een kader van Europese acties om onze economie te helpen groeien en ontwikkelen, op basis van de driehoek van innovatie, onderzoek en onderwijs. Ik vind dat lage lonen en goedkope arbeid niet de manieren moeten zijn om de EU aantrekkelijk te maken voor investeerders en de groei van onze bedrijven. De toekomst wordt gevormd door bedrijven die begrijpen dat ze moeten investeren in een goed opgeleide bevolking, door interactie tussen de maatschappij enerzijds en industrie en bedrijven anderzijds te stimuleren om hoogwaardige en zeer innovatieve reacties te ontwikkelen op de dynamische en veeleisende behoeften van de markten.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) De Europese Commissie heeft voorgesteld een Europees Technologie-Instituut (EIT) op te richten, dat een nieuw voorbeeld moet worden op het gebied van hoger onderwijs, onderzoek en innovatie. Deze ambitie botst met de moeilijke kwestie van de financiering, waarop geen enkel bevredigend en duurzaam antwoord werd gevonden. Dat is uiterst verontrustend omdat het de geloofwaardigheid van het EIT aantast nog voor het is opgericht.

De idee dat het EIT een EIT-label aflevert, kan beantwoorden aan het zichtbaarheidsprobleem waaronder het Europese onderzoek gebukt gaat, en een echte erkenning opleveren voor projecten waarvan de uitmuntendheid en de kwaliteit zo zullen worden erkend. Het lijkt mij dat deze soepele en aan de Europese diversiteit aangepaste formule een gezonde concurrentie tussen universiteiten en onderzoeksprojecten zal stimuleren.

Een tweede vereiste is naar mijn gevoel de associatie van de particuliere sector met het EIT. De rol van de overheden dient zich te beperken tot de aansporing en de structurering van de instrumenten. De particuliere sector dient voor de financiering, de organisatie en de werking van het EIT in te staan. Ik ben van mening dat het EIT in geen geval een zoveelste agentschap van de EU mag worden.

Ondanks dit voorbehoud heb ik het verslag gesteund om het EIT een kans te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Glenis Willmott (PSE), schriftelijk. (EN) De Labour-leden van onze fractie hebben ervoor gekozen zich te onthouden bij de stemming over het geamendeerde voorstel en de wetgevingsresolutie voor het verslag over het Europese Technologie-Instituut. Wij zijn voorstander van de algemene doelstellingen van het voorstel en meer aandacht voor innovatie, maar het geld van de EU en de lidstaten zou beter aan bestaande universiteiten en EU-kaderprogramma’s voor onderzoek worden besteed. Wij geloven dat de administratieve structuur van het EIT zo weinig bureaucratisch als mogelijk en daarom kleiner dan de voorgestelde 21 benoemde leden dient te zijn. Er is ook nog steeds grote bezorgdheid over de particuliere en openbare financiering van het EIT. Omdat het voorstel van de Commissie voor de financiering van het EIT de heropening van de financiële vooruitzichten inhoudt, kunnen wij het verslag niet ondersteunen.

 
  
  

- Report: Duff (A6-0267/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (ITS). – (NL) Voorzitter, ik wil even uitleggen waarom ik tegen het verslag Duff gestemd heb, alhoewel het verslag Duff eigenlijk geen omstreden verslag als zodanig is. Ik ben namelijk gekant tegen de Europese federale filosofie die aan het verslag hoe dan ook ten grondslag ligt.

Samengevat, ik kant mij tegen een Europese federale staat en bijgevolg kant ik mij ook automatisch tegen een Europees burgerschap waarvan dit actief en passief kiesrecht voor EU-burgers in lidstaten die niet de hunne zijn, integraal deel uitmaakt. Ik vind dat de Unie een gemeenschap van nationale democratieën moet blijven waarbij actief en passief stemrecht voor welke verkiezingen dan ook moet blijven voorbehouden aan burgers van de betreffende staten. Het is eigenlijk tekenend voor de evolutie van de Europese Unie dat het Europees burgerschap stelselmatig wordt bevestigd en uitgebreid, onder andere door het nu verbindend maken van het Handvest van de grondrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Rogalski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, we hebben vandaag gestemd over het verslag van de heer Duff inzake de uitoefening van het recht om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen voor het Europees Parlement voor burgers van de Unie die in een lidstaat wonen waarvan zij geen staatsburger zijn, en wij hebben dit verslag aangenomen.

Ik kan dit verslag niet steunen, want in tegenstelling tot wat de rapporteurs naar mijn mening voor ogen hadden, zal deze methode van stemmen en zich verkiesbaar stellen voor het Europees Parlement de betrekkingen tussen de landen niet verbeteren, vooral niet als ze een grens delen. Gedurende vele jaren hebben landen met grote nationale minderheden normen ontwikkeld om conflicten met een nationalistisch karakter te vermijden.

De aangenomen verkiezingsmethode kan dergelijke conflicten weer doen oplaaien, wat haaks staat op de gedachte van vreedzame co-existentie tussen de naties van Europa. Dit komt doordat het mogelijk wordt voor personen om zich verkiesbaar te stellen en te stemmen terwijl ze geen burgers van een bepaalde staat zijn. Er zal ongetwijfeld misbruik worden gemaakt van dit systeem, bijvoorbeeld door een fictieve verblijfplaats op te geven om het aantal stemmen van een bepaald land te verminderen en invloed uit te oefenen op de uitslag van de verkiezingen. De betreffende informatie controleren is moeilijk en duur.

Daarnaast zal de verkiezingsmethode separatistische bewegingen versterken, en dat is echt niet wat we in het huidige Europa willen. Ik betreur het dat we om nogal onduidelijke redenen van bovenaf onze wil opleggen aan de lidstaten op dit gebied en ons daarmee bemoeien met de nationale verkiezingsprocedures.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Hannan (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, van alle beweringen van voorstanders van de Europese Grondwet is de meest lichtzinnige misschien wel dat het EU-burgerschap het nationale burgerschap niet schaadt. De uit nationaliteit voortvloeiende rechten zijn stuk voor stuk uitgehold. Ik heb het over het recht op verblijf, het recht de eigen vertegenwoordigers te kiezen en steeds meer ook het recht welzijn te eisen.

Elke neutrale waarnemer zou besluiten dat het EU-burgerschap voor onze burgers de voornaamste juridische status wordt, terwijl hun nationale burgerschap tot een minder belangrijke, bijna folkloristische categorie behoort.

Ik aanvaard dat dit is wat de meerderheid in dit Parlement wil bereiken. Wees daar dan eerlijk over! Wij willen geen onzin meer horen over de status van Brits onderdaan van mijn kiezers, die niet zou worden beïnvloed.

 
  
MPphoto
 
 

  Ignasi Guardans Cambó (ALDE), schriftelijk. − (ES) Ik ben van mening dat de aanneming van dit verslag een ernstige vergissing en uiterst onverantwoordelijk is, dus ik stem ertegen.

Bovenal moeten we onthouden dat er geen Europees kiesstelsel bestaat. De zaken zouden anders liggen als dat op een zeker punt zou worden ingesteld (en dat zou ik steunen). Tot die tijd moeten de Europese verkiezingen overeenstemmen met de kiesstelsels in elke lidstaat. Het verslag Duff stelt voor duale of meervoudige kandidaatstellingen in de verkiezingen voor het Europees Parlement af te schaffen. Dezelfde kandidaat kan zich in een aantal staten verkiesbaar stellen en na de verkiezingen bepalen welke zetels hij of zij wil houden.

Naast de onvermijdelijke ingewikkelde regelingen die hiervoor nodig zouden zijn, is het duidelijk kiezersbedrog en voegt het niets toe aan de eerbiedwaardigheid van het Parlement dat we willen vormen.

Bovendien schrapt het voorstel waarover we vandaag hebben gestemd de verplichte erkenning van gerechtelijke uitspraken (zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk) met betrekking tot de bevoegdheid om zich kandidaat te stellen, waardoor iemand die zich op gezag van de rechter niet verkiesbaar mag stellen in het land waarvan hij of zij staatsburger is, zich in een andere staat kandidaat kan stellen. Dit is in strijd met de Europese praktijken op het gebied van justitie en binnenlandse zaken en we kunnen ons gemakkelijk voorstellen wat voor beschamende situaties het zou kunnen opleveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Maria Iacob-Ridzi (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Als gevolg van het logge systeem van informatie-uitwisseling tussen de lidstaten, weten in de praktijk maar weinig burgers hoe ze gebruik kunnen maken van het recht dat ze op grond van het Verdrag hebben om te stemmen voor het Europees Parlement als ze in een ander Europees land wonen. De stem van deze mensen moet worden gehoord en ze moeten toegang krijgen tot het politieke leven van het land waarin zij wonen; daarom ben ik een voorstander van de vervanging van het huidige stelsel door de eis van een verklaring onder ede.

Voor inwoners die zich kandidaat willen stellen voor de Europese verkiezingen is de verplichting om een nationale verklaring aan te vragen niet evenredig met de algemene doelstelling van de Europese richtlijn 93/109. In de praktijk is het verkrijgen van een dergelijke verklaring van de instellingen van het land waarvan men staatsburger is erg moeilijk en tijdrovend. Deze verplichting maakt in feite het door het Verdrag verleende recht ongedaan.

Een toekomstig voorstel van de Europese Commissie zou ook de kwestie van de oprichting van politieke partijen van niet-staatsburgers moeten aanpakken. De kieswetten van de lidstaten mogen geen onderscheid maken tussen nationale partijen die bestaan uit staatsburgers van het betreffende land en andere partijen. Politieke vertegenwoordiging in de Europese verkiezingen is een zeer belangrijke zaak voor landen waarvan een groot deel van de bevolking in een andere lidstaat van de Europese Unie woont, zoals Roemenië.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (ITS), schriftelijk. – (FR) Als de Europese burgers in hun eigen land niet massaal gaan stemmen en het opkomstpercentage bij de Europese verkiezingen niet aan de ambities van de eurocraten beantwoordt, is dat niet omdat de toepassing van het actief en passief stemrecht in het kader van de Europese verkiezingen door de verplichte uistwisseling van informatie tussen de lidstaten te ingewikkeld wordt gemaakt.

De reden is eenvoudig dat uw bureaucratie en haar beleid hun in het beste geval nutteloos of onbegrijpelijk en in het slechtste geval nadelig lijkt, en omdat veel burgers die niet in hun land van oorsprong verblijven, verkiezen aan de verkiezing van afgevaardigden van hun eigen land deel te nemen.

Het verslag maakt van deze schijnbare technische vereenvoudiging gebruik om een poging te wagen meervoudige kandidaturen toe te laten. Het gaat dan om de voordracht van één en dezelfde kandidaat in verschillende landen. Dit zou in het Gemeenschapsrecht een buitensporig voordeel voor buitenlandse ingezetenen opleveren. Het is ook een poging de wetten van de lidstaten over onverkiesbaarheid te omzeilen. Dat is volslagen onaanvaardbaar.

Voor ons is burgerschap onlosmakelijk verbonden met nationaliteit, en de - in het bijzonder electorale - rechten die daaruit voortvloeien kunnen alleen in het nationale kader worden uitgeoefend. Als een Europees burger wil deelnemen aan het democratische leven van zijn land van ontvangst, is er altijd de mogelijkheid van naturalisatie.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben ingenomen met dit verslag, dat de druk op verkiezingsautoriteiten en personen met betrekking tot het stemrecht bij Europese verkiezingen zou moeten verlichten. Ik steun de afschaffing van het huidige systeem voor informatie-uitwisseling en de handhaving van de individuele verklaring slechts één keer te stemmen of kandidaat te zijn.

 
  
  

- Voorstel voor een verordening van de Raad – Braaklegging voor het jaar 2008

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, afschaffing van de braaklegging is ongetwijfeld de goede weg. De vraag naar levens- en voedermiddelen en duurzame grondstoffen blijft stijgen. Het is daarom beslist nodig deze gronden te bebouwen. Voor de boeren was de braaklegging een ongewenste, maar noodzakelijke maatregel. Boeren willen produceren! Ik hoop dat deze afschaffing niet slechts voor één of twee jaar, maar algemeen zal zijn. Ze biedt de landbouw de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan de grootste doelstellingen van de EU met het oog op minder CO2-uitstoot.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) We zijn het er niet alleen mee eens dat de bebouwing van braakliggende grond moet worden toegestaan voor agrarische doeleinden in 2008, we zijn zelfs van mening dat de afwijking langer zou moeten duren. We hebben daarom een voorstel ingediend voor 2009 en 2010 en er is afgesproken 2009 toe te voegen. Daardoor kunnen boeren beter plannen met betrekking tot de situatie van uitzonderlijk hoge prijzen op de graanmarkt.

Deze maatregel is echter geen oplossing voor de fundamentele kwestie van de noodzaak om de productie en voorraad van elke lidstaat en de werkgelegenheid in plattelandsgebieden te vergroten.

We moeten ook aandacht vragen voor de graantekorten op de Europese markt en voor de negatieve effecten van speculeren op biobrandstoffen, zoals bepaald door de Raad, in termen van zowel aanbod als prijs.

We wijzen nogmaals op de noodzaak van een diepgaande evaluatie van het GLB (gemeenschappelijk landbouwbeleid) om rekening te houden met de bodemkenmerken en biodiversiteit in elk land, om de wisseling van gewassen aan te passen en om de boeren voldoende inkomsten te garanderen zonder de belangen van de consumenten in gevaar te brengen als het gaat om gezond en hoogwaardig voedsel.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Had u gedacht dat wij na tientallen jaren waarin het gemeenschappelijk landbouwbeleid van al het kwade, zoals een te hoge kostprijs en de productie van voornamelijk onverkoopbare melk- en graanoverschotten werd beschuldigd, vandaag zouden ontdekken dat wij ons productiepotentieel op die gebieden niet meer mogen beperken?

Ik ben verheugd over de spoedige reactie van de commissaris op de snelle stijging van de prijzen, die onze landbouwers eindelijk belonen, om een einde maken aan de braaklegging en onze landbouwers aan te sporen meer granen te produceren om de heersende druk op de markt te doen dalen.

Ze dient ook spoedig de melkquota te verhogen en de toeslagen in geval van overstijging van deze quota op nationaal niveau af te schaffen. Bovendien hoop ik dat dit een les zal zijn voor de Commissie, die ook het wijnproductiepotentieel met 200.000 hectaren wil beperken, zonder rekening te houden met de mogelijke uitvoer door Europese wijnbouwers, naar opkomende markten zoals China en India.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Gelet op de veranderende marktomstandigheden begrijp en ondersteun ik het voorstel van de Commissie om voor 2008 volledig af te zien van verplichte braaklegging. Verwacht wordt dat de afschaffing van braaklegging de opbrengst met minstens tien miljoen ton graan zal doen stijgen. Dat zou de druk op de stijgende graanprijzen moeten verminderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez (ITS), schriftelijk. – (FR) Sedert 1992 vertelt de Commissie in Brussel ons dat er graanoverschotten zijn. We hebben het dan nog niet eens over melk en andere gevulde koelkamers. Het was dus nodig het Europese land braak te leggen en niet te produceren. Het zuidelijk halfrond en de VS eisten van de WTO het monopolie op tarwe en olieplanten.

Moeten wij eraan herinneren dat, in het kader van de Urugay-ronde met het Blair House-akkoord van 1992, de Europese Commissie ermee heeft ingestemd onze met olieplanten bebouwde oppervlakte tot 5 miljoen hectaren te beperken?

Wat moest gebeuren, is gebeurd. Landbouw is van klimatologisch toeval afhankelijk. In de Bijbel vertelt Jozef het al aan de farao. De droogte in Australië, de daling van de opbrengst in Oekraïne en de voortdurend stijgende vraag in China, India en Afrika doen de prijzen van graan en maïs snel stijgen.

Na onze landbouwers vanaf 1993 geld te hebben gegeven om niet meer te produceren, na zelfs de steun van de productie te hebben losgekoppeld en miljoenen vruchtbare hectaren braak te hebben gelegd terwijl een derde van de mensheid honger lijdt, ontdekt de Commissie in Brussel nu het tekort aan granen en de uitputting van de voorraden. Nu komen wij op de braaklegging terug.

Met wijn zal hetzelfde gebeuren. Voor boter en vlees is het reeds zover. Verspilling en vrijwillige productiebeperking zwaaien de plak.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Simpson (PSE), schriftelijk. – (EN) Eén van de grote mysteries voor de bevolking van de Europese Unie is hoe wij een systeem kunnen bedenken dat landbouwers betaalt om land ongebruikt te laten. Ik begrijp dat bepaalde achtenswaardige instellingen zoals de RSPB in het VK dit systeem benutten om hun uitstekende werk te financieren, maar het kan toch niet dat we goed land onbenut laten en landbouwers betalen om dat zo te houden.

Daarom ondersteun ik de afschaffing van verplichte braaklegging. Wij moeten echter ook garanderen dat onze landbouwers en anderen worden aangemoedigd om land in goede staat te houden en productief te maken door hen uit andere bronnen te helpen.

Als wij het GLB echt grondig willen hervormen, is de afschaffing van de braakleggingstoeslagen een prioriteit. Daarom ondersteun ik de voorstellen van de Commissie.

 
  
  

- Ontwerpresolutie (B6-0351/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil dat de leden notie nemen van hoe ik heb gestemd.

Het belangrijkste is dat wij kinderen moeten en zullen beschermen. Wij moeten standvastig zijn wat betreft chemicaliën en verontreinigende stoffen die hun functioneren en ontwikkeling kunnen aantasten. Ondernemingen moeten ter verantwoording worden geroepen.

Wij mogen daar echter niet stoppen. We moeten ernstig nagaan onder welk soort druk ondernemingen staan. Bedrijven in China moeten het hoofd bieden aan druk vanwege de Chinese regering. De spelregels in China verschillen sterk van die in de rest van de wereld. Als een onderneming daar actief wil zijn, moet ze het grootste deel van haar besluitvorming en operatieprocedures aan de regering overleveren.

China voorziet in stimuli die de verticale operaties van de productie controleren. De door Mattel gebruikte machines om die 21 miljoen stuks speelgoed te produceren zijn in China vervaardigd en zijn in Chinese handen. De gietvormen voor het plastic van al dat speelgoed zijn Chinees eigendom. De reden is dat China onderdelen subsidieert indien ze in China blijven. Van dit systeem afstappen doet de kosten met twintig procent toenemen.

China controleert ondernemingen dus veel sterker dan wij ons realiseren. Wij dienen uit de veiligheid van speelgoed lering te trekken. Wij mogen dit en de Chinese praktijken op het gebied van mensenrechten en milieu niet langer dulden.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb de Europese Commissie herhaaldelijk verzocht wetgeving door te drukken die vereist dat op alle ingevoerde producten het land van oorsprong wordt vermeld. Dit is van zeer groot belang, aangezien werd vastgesteld dat in 2006 zeventien procent van alle ontdekte onveilige producten, waaronder speelgoed, van onbekende herkomst was en 58 procent uit een derde land kwam.

Hoewel 48 procent van de ontdekte onveilige producten afkomstig was uit China, mogen wij er niet van uitgaan dat het probleem alleen bij tekortkomingen van de kwaliteitscontroles van de Chinese producenten ligt. Aangetoond werd bijvoorbeeld dat van de 21 miljoen stuks speelgoed die in de voorbije drie maand werden teruggeroepen door de Amerikaanse Mattel Company (die haar producten in Europa ook onder de merknaam Fisher-Price op de markt brengt), 18 miljoen wegens ontwerpfouten van Mattel, en dus niet wegens productiefouten werden teruggeroepen.

Het is al langer duidelijk dat strengere straffen nodig zijn voor producenten en invoerders om te garanderen dat ze hun verantwoordelijkheid tegenover de consumenten, in dit geval weerloze kinderen, ernstig opnemen. Sommige lidstaten blijven zich echter verzetten tegen verandering op aandringen van invoerders en ondernemingen die hun productie uitbesteden.

 
  
MPphoto
 
 

  Brigitte Douay (PSE), schriftelijk. – (FR) De mondialisering van de handel en het gebrek aan transparantie van en informatie over de herkomst van in de Europese Unie verkochte producten doet het risiso toenemen dat mensen gevaarlijke, gebrekkige of nagemaakte voorwerpen kopen.

De gezamenlijke resolutie over de veiligheid van producten, in het bijzonder speelgoed, waarvoor ik woensdag heb gestemd, werd door bijna alle fracties goedgekeurd. Ze is een voorbeeld van meer inzet van de Europese Unie, en in het bijzonder het Europees Parlement, voor de bescherming van de consument.

Door aan te dringen op eisen op het gebied van veiligheid, betrouwbaarheid van het Gemeenschapsmerk, bestrijding van namaak en traceerbaarheid moet deze resolutie het mogelijk maken de consumenten, en in het bijzonder kinderen, beter te beschermen.

De eis van een betere samenwerking met de betrokken derde landen mag echter de verantwoordelijkheid niet verhullen van de opdrachtgevende ondernemingen die de plicht hebben te waken over de naleving van het productdossier overeenkomstig de vereisten met betrekking tot gezondheid en veiligheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. − (PT) Ik heb vóór de ontwerpresolutie over “gevaarlijk speelgoed dat is gemaakt in China” gestemd, omdat ik vind dat het essentieel is om alle noodzakelijke wetgevings- en bestuurshandelingen te verrichten om ervoor te zorgen dat consumentenartikelen die binnen de EU op de markt worden gebracht niet alleen volledig voldoen aan de bestaande EU-normen, maar ook de gezondheid en veiligheid van de consument niet in gevaar brengen. Ik ben daarom van mening dat Richtlijn 88/378/EG inzake de veiligheid van speelgoed zo snel mogelijk moet worden herzien en dat er efficiënte en effectieve eisen voor productveiligheid in moeten worden opgenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Het garanderen van de veiligheid van producten, in het bijzonder de veiligheid van speelgoed, is een prioriteit voor de bescherming van de volksgezondheid en dan vooral de gezondheid van kinderen.

De noodzakelijke tests en kwaliteitscontrole van producten vormen een essentieel mechanisme om deze doelstelling te bereiken. Bedrijven en bevoegde nationale openbare instanties zouden deze controle en certificering als voorzorgsmaatregel moeten uitvoeren.

Aangezien de wetgeving alle veiligheidsregels definieert waaraan producten vanzelfsprekend moeten voldoen, is het de taak van de bedrijven die deze producten ontwerpen, produceren en op de markt brengen om hun verantwoordelijkheden te nemen.

De eerste reactie op onveilige producten of producten die schadelijk zijn voor de gezondheid, in het bijzonder speelgoed, die worden geïmporteerd uit derde landen, is proberen iemand anders de schuld te geven. Zo meldde de Financial Times zelfs dat Mattel formeel zijn excuses had aangeboden aan de Chinese regering en het Chinese volk. Er moet worden benadrukt dat veel geïmporteerde producten worden gemaakt in derde landen, maar eigendom zijn van grote multinationals in de EU, die uit winstbejag hun productie naar elders hebben verplaatst.

Bovendien wordt door de discussie over slechte kwaliteit toe te spitsen op geïmporteerde producten de aandacht afgeleid van het feit dat veel producten die in de EU worden gemaakt ook niet aan de geldende normen voldoen.

 
  
MPphoto
 
 

  Malcolm Harbour, Andreas Schwab, Marianne Thyssen en Corien Wortmann-Kool (PPE-DE), schriftelijk. (EN) De vandaag met een grote meerderheid goedgekeurde resolutie van het Parlement is terecht geconcentreerd op de dringende kwesties met betrekking tot het garanderen van productveiligheid in het kader van de bestaande EU-richtlijnen.

De PPE-DE-Fractie heeft er steeds op aangedrongen dat de resolutie gericht moest zijn op praktische voorstellen die de veiligheid van de consument onverwijld zouden verbeteren.

Wij hebben bovendien de beoordeling voorgesteld van een gemeenschappelijk Europees veiligheidsmerk dat door verstrekkers van verbruiksartikelen op vrijwillige basis kan worden toegepast. Het verheugd ons dat het Parlement dit voorstel heeft ondersteund.

Wij zullen zeer veel belang stellen in de toekomstige Speelgoedrichtlijn en zullen de door de Commissie voorgestelde hervormingen met een open geest onderzoeken. Wij zijn van mening dat de poging om in deze resolutie zeer gedetailleerde en specifieke vereisten op te nemen voor deze toekomstige richtlijn geheel overbodig was. Wij hebben daarom tegen deze voorgestelde toevoegingen gestemd. Dit doet echter op geen enkele manier afbreuk aan onze belangstelling en bezorgdheid voor een doeltreffende en werkbare richtlijn als wij het voorstel van de Commissie in 2008 ontvangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (ITS), schriftelijk. (FR) De resolutie van het Parlement bevat weinig voorstellen om een einde te maken aan de invoer van gevaarlijke producten, waarvan de helft uit China komt. Ze concentreert zich op speelgoed, zonder melding te maken van kleding met giftige verf, gevaarlijke geneesmiddelen, voedingsmiddelen met niet voor menselijke consumptie geschikte bestanddelen, elektrische apparaten die vuur vatten, tandpasta’s op basis van antivries enzovoort. De lijst is te lang. De resolutie stelt zich tevreden met maatregeltjes gericht op samenwerking of veiligheidskeuring en wijst op de verantwoordelijkheid van de lidstaten in plaats van op die van China en op die van de Europese in plaats van op die van de andere ondernemingen.

In het onderhavige geval is dat onvoldoende. Het is tijd om voorbeeldsancties te treffen tegen een land dat sedert zijn toetreding tot de WTO twijfelachtige handelspraktijken blijft opstapelen, of het nu gaat om dumping, namaak of dwangarbeid. Het is juist dat de weinige instrumenten ter verdediging van de handel waarover de Unie beschikt, onder de bevoegdheid vallen van de heer Mandelson, die terecht met de vinger wordt gewezen vanwege zijn passiviteit in deze materie.

Als wij deze tekst uiteindelijk goedkeuren, is dat omdat ondanks alles enkele onbeduidende maatregelen beter zijn dan helemaal geen. Het is tenminste een reactie.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben verheugd over het overweldigende aantal stemmen ten gunste van deze resolutie. Wij hebben de producenten en China een duidelijke boodschap gezonden dat wij niet zullen aanvaarden dat voor kinderspeelgoed niet de hoogste veiligheidsnormen worden gegarandeerd. China is gewaarschuwd dat het zijn toezicht op goederen en detectiemethoden dient te verbeteren om de toestroom van onveilige producten op de Europese markt drastisch te beperken.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez (ITS), schriftelijk. – (FR) De kinderen van Vietnam, Afrika en elders worden het slachtoffer van mijnen. Onze Europese kinderen stikken, raken vergiftigd en ontwikkelen allergieën door Barbiepoppen en speelgoed.

De filmwereld trok reeds aan de alarmbel met de film "Le père Noël est une ordure". Het is aan ons, afgevaardigen, om te reageren, in het kader van het voorzorgprincipe en om de demografische toekomst van ons reeds door gevaarlijke spelletjes van vrij rondlopende volwassenen op de proef gestelde continent te vrijwaren.

Het is tijd. In het verleden zijn reeds zovele aangezichten, gaaf als een beeldhouwwerk van Brancusi, verwoest door babypoppen uit celluloid die bij het minste vlammetje vuur vatten. Speelgoed doodt, en de kinderen van Darfour weten niet hoeveel geluk zij hebben dat ze geen etentje kunnen spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tokia Saïfi (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Na de massale terugroeping, door de Amerikaanse producent Mattel, van gevaarlijk Chinees speelgoed maakt de Europese Commissie een stand van zaken op van haar wetgeving met betrekking tot productveiligheid van in het bijzonder ingevoerd speelgoed. Met RAPEX en CE-markering is de Europese regelgeving zeker solide, maar ze dient te worden verstrekt.

Het Europees Parlement gaat dus verder en ijvert in het kader van zijn resolutie over de veiligheid van speelgoed voor de invoering van een gemeenschappelijk kader voor het in de handel brengen van producten en toezicht op de markten. Het herstel van het vertrouwen van de consument en de bescherming van de gezondheid van onze kinderen is naar mijn mening een wezenlijke voorwaarde. Daarom heb ik vandaag in samenhang met de REACH-regelgeving voor een strikt kader voor chemische stoffen in onze consumptiegoederen voor een onvoorwaardelijk verbod op alle toxische stoffen bij de vervaardiging van speelgoed gestemd.

Door de amendementen 8 een 6 te ondersteunen heb ik mij geschaard achter een totaal verbod op gevaarlijke ftalaten in speelgoed dat in de mond kan worden gestopt. Chemische veiligheid van speelgoed is niet alleen een reglementaire, maar ook een gezondheidsvoorwaarde en is voor de veiligheid van onze kinderen dus van levensbelang!

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE), schriftelijk. (DE) De resolutie van vandaag onderstreept de noodzakelijkheid en dringendheid van de herziening van de speelgoedrichtlijn. CWR-stoffen – dus kankerverwekkende, mutagene en teratogene stoffen – moeten in de nieuwe speelgoedrichtlijn worden verboden. Commissaris Verheugen stemde daar gisteren in het debat mee in. Voorts zullen wij aan de misleiding door de CE-markering een einde moeten maken. Europese consumenten zien in die markering een aanwijzing van de herkomst van het product of een veiligheidswaarmerk. De CE-markering betekent echter geen van beide.

 
  
  

- Verslag: Saryusz-Wolski (A6-0312/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE). – (SK) Energiezekerheid en energie vormen de as waaromheen zowel het binnenlands als het buitenlands beleid van elke unie draait en zijn een essentiële factor voor het handhaven van de welvaart en, in het geval van een gevaarlijk lage beschikbaarheid, een kwestie van overleven.

We moeten onmiddellijk actie ondernemen om onszelf te bevrijden van onze afhankelijkheid van Rusland voor grondstoffen, die zou kunnen uitgroeien tot een politieke afhankelijkheid. Ik vind het alarmerend dat we toestaan dat energie wordt gebruikt als een middel om politieke druk uit te oefenen op landen van doorvoer en bestemming. Ik steun de ontwikkeling van de Zwarte Zee-Dimensie, samenwerking met de landen van de zuidelijke Kaukasus en intensivering van onze betrokkenheid bij Noorwegen, de landen van de Maghreb en Mashreq en het Europees-Mediterrane Partnerschap. De voorspelbaarheid van de energiemarkt moet worden gewaarborgd door middel van overeenkomsten met China, India en Brazilië en we moeten een partnerschap aangaan met de regering van de VS.

Zwart-wit denkende milieuactivisten moet zich voor eens en voor altijd realiseren dat het verbranden van “eco”-brandstoffen en biomassa de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer enorm verhoogt en dat een redelijk, bepalend aandeel kernenergie noodzakelijk is. De invloed van de fanatieke Groenen, die er zelfs in geslaagd zijn een verbod op kernenergie in de grondwet van een lidstaat opgenomen te krijgen – iets wat [niet] zeker invloed zal hebben op de economie van dat land en zelfs die van zijn buurlanden – heeft tragikomische afmetingen aangenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE). – (FI) Mijnheer de Voorzitter, energiezekerheid is een van de cruciale factoren in de Europese veiligheid in het algemeen. Het verslag van de heer Saryusz-Wolski speelt in op deze uitdaging voor de toekomst van Europa.

Het probleem van de EU is dat haar niveau van zelfvoorzienendheid op het gebied van energie terugloopt. De EU importeert al de helft van haar energiebehoefte uit het buitenland en in 2025 zal zij voor naar schatting ruim zeventig procent afhankelijk zijn van importen. Om met dit probleem om te gaan hebben we een krachtige gezamenlijke stem, een nieuw soort energiediplomatie en, om dit uit te voeren, een speciale Hoge Vertegenwoordiger van de EU voor buitenlands energiebeleid nodig.

Buitenlandse energiebeleid meer een taak van de Unie maken mag echter niet betekenen dat we de soevereiniteit van de lidstaten in het kiezen van hun middelen en structuur voor energieproductie verzwakken. Ik wil de rapporteur hier in het bijzonder voor bedanken. Het verslag laat ruimte voor onafhankelijke besluitvorming van de lidstaten over hun structuren voor energielevering.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek (ALDE), schriftelijk. (EN) Transparantie, wederkerigheid en de rechtstaat zijn hoekstenen van het Europese energiebeleid en dus ook van ons buitenlands beleid. Dit is echter niet de tijd om nieuwe instellingen op te richten. Ik ben daarom gekant tegen de instelling van het nieuwe ambt van een hoge functionaris voor het buitenlandse energiebeleid, dat ook de invloed van het Europees Parlement op het buitenlands energiebeleid in gevaar brengt.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb gestemd voor dit verslag dat de instelling van een gemeenschappelijk buitenlands energiebeleid beoogt.

De aangereikte oplossingen moeten internationaal zijn, en de Europese Unie moet een hoofdrol spelen. Energie is vandaag een echt internationaal onderhandelingswapen geworden.

Sedert de gascrisis tussen Rusland en Oekraïne in januari 2006 is de Europese Unie zich bewust geworden van haar kwetsbaarheid op het gebied van energievoorziening. Met het oog op een buitenlands energiebeleid stelt het verslag in het bijzonder voor een ambt in te stellen van een hoge functionaris voor het buitenlands energiebeleid om de activiteiten van de EU op dat gebied te coördineren. Deze hoge functionaris voor het buitenlands beleid op het gebied van energie zal verschillende petten ophebben, aangezien hij onder de bevoegdheid valt van de nieuwe hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (GBVB) en een vicevoorzitter van de Europese Commissie.

Ik ben verheugd over deze vooruitgang, die het in het bijzonder mogelijk zal maken de nadruk te leggen op de dialoog met de producerende landen – bijvoorbeeld het Euro-mediterraan partnerschap – en de consument. De EU zal zo in staat zijn haar belangen op het gebied van de veiligstelling van de energievoorziening in de onderhandelingen met externe partners te verdedigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Energie is momenteel een centrale strategische kwestie.

De verschillende EU-landen streven er vanwege hun sterke energieafhankelijkheid naar de exploitatie van bestaande energiebronnen te domineren, vandaar het voorstel om een energiecomponent in het leven te roepen binnen het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Als dit voorstel wordt aangenomen, vormt het ook een manier om de tegenstellingen tussen de belangrijkste machten weg te nemen.

Hiervoor zou de EU haar “markt”, haar “mededinging” en haar uitbreiding bekend moeten maken aan andere landen binnen het raamwerk van de zogenoemde “energiegemeenschappen”, het “Verdrag inzake het Energiehandvest” – dat zorgt voor “veiligheid van investering” en een “recht op schadevergoeding in het geval van onteigening en/of nationalisatie” garandeert – of de opname van een “energiezekerheidsclausule” in commerciële overeenkomsten. Dit kan allemaal onder controle worden gehouden, vandaar de angst voor de oprichting van een “gasversie van de OPEC”.

De meerderheid van het Parlement verdedigt ook “de oprichting van een partnerschap voor energiezekerheid met de VS” en, natuurlijk, een “kritische en constructieve dialoog” met de landen van de zuidelijke Kaukasus, de Kaspische regio en Centraal-Azië, “die het belang van de EU bij het diversifiëren van haar olie- en gasaanvoer in evenwicht brengt met de doelstelling van het bereiken van politieke hervormingen in deze landen”. Meer woorden van wie? Irak, Afghanistan, Afrika ...?

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), schriftelijk. (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Unie is een grootverbruiker van energie en is afhankelijk van externe energiebronnen. Deze worden gekenmerkt door onzekerheid en mogelijke destabilisatie. In het specifieke geval van Rusland en de landen van het GOS die rijk zijn aan natuurlijke hulpbronnen, is er nog een factor die bijdraagt aan de onzekerheid, namelijk de neiging om energie als wapen voor politieke doeleinden te gebruiken, zoals we al hebben gezien. Dit had de Europese Unie ertoe moeten bewegen eensgezind te mobiliseren en schouder aan schouder te staan in crisissituaties. Een dergelijke reactie heeft zich echter zeer langzaam ontwikkeld, als gevolg van verschillende nationale belangen van landen die minder snel het slachtoffer zullen worden van energiechantage dan de voormalige communistische landen.

Het verslag van de heer Saryusz-Wolski is een stap in de goede richting. Het vormt een oproep om de relatie tussen de EU en Rusland te baseren op wederzijds vertrouwen en respect voor de beginselen die zijn vastgelegd in het Energiehandvest.

De context van het huidige debat wordt gedefinieerd door de parallelle inspanningen van de Europese Commissie om de energiemarkt van de Unie te liberaliseren, met Gazprom op de achtergrond. Dit leidt tot meer druk op de tenuitvoerlegging van het beginsel van het scheiden van productie en distributie. De landen die liever niet liberaliseren zijn dezelfde die de neiging hebben hun toevlucht te nemen tot bilaterale energiecontracten met Rusland en samen te werken met Russische staatsbedrijven als het gaat om kapitaal. Het is geen toeval dat de overblijfselen van de openbare energiemonopolies van continentaal Europa hierbij betrokken zijn. Het gevolg is een vertraging van de gewenste vrije keuze van energieleveranciers en van de ontwikkeling van een communautair beleid dat is gebaseerd op solidariteit voor deze strategisch belangrijke sector.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Het is duidelijk dat de Europese Unie haar benadering van externe energiebronnen veel beter dient te coördineren dan nu het geval is. Ik zie echter geen meerwaarde in het voorstel voor een hoge functionaris voor het buitenlands energiebeleid. Daaruit zou slechts verwarring met de huidige rol van de heer Solana ontstaan. Daarom heb ik tegen dit voorstel gestemd. Ik heb echter wel gestemd voor de verwijzing naar de ontvlechting van energieproductie en energietransmissie en -verdeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) Het verslag staat een gemeenschappelijk Europees buitenlands energiebeleid voor. Hoewel er op dit ogenblik voor zulk beleid zelfs geen rechtsbasis is, wil het verslag ermee doorzetten, al kan het zelfs nog niet in het nieuw hervormingsverdrag worden opgenomen. In plaats van het probleem van dure en vervuilende energie op te lossen, wil het verslag de EU tot een machtige, wereldwijde speler maken. Zulke expansieve geopolitieke aanpak van de EU zou wereldwijd tot nog meer spanning en conflicten leiden. Een sterke anti-Russische toon is een rode draad in de tekst. Het bevat bijna elk idee dat de normale ontwikkeling van betrekkingen tussen Rusland en EU-lidstaten kan bemoeilijken. Critici hebben het daarom over een vleugje koude oorlog. Door de opname van een zogenaamde “clausule inzake de veiligstelling van de energievoorziening” zal de EU in alle overeenkomsten met producerende en transitlanden haar belangen ver buiten haar grenzen afbakenen. We zijn bezorgd over de instelling van een buitenlands energiebeleid van de EU dat gegrondvest zou zijn op geopolitieke druk, tegen een achtergrond van militaire bedreiging. Het verslag roept op tot een nauw partnerschap met de VS met betrekking tot energieveiligheid, in de wetenschap dat de VS oorlog voert in Irak om goedkope energiebronnen veilig te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) Gezien het groeiende belang van energie voor de moderne samenleving enerzijds en de groeiende internationale onderlinge afhankelijkheid die inmiddels ook gewoon is anderzijds, is het onmogelijk het energiebeleid uit te sluiten van de externe dimensie van het beleid van de EU, of dat nu op het niveau van de lidstaten is of met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands beleid.

Ik ben het daarom eens met de resolutie als die stelt dat “de lidstaten weliswaar hun soevereine recht moeten behouden om strategische keuzes te maken met betrekking tot de energiemix, hun energiebronnen te exploiteren en besluiten te nemen over de voorzieningsstructuren, maar dat het daarnaast noodzakelijk is concrete en in de Verdragen op te nemen bepalingen uit te werken die leiden tot de instelling van een gemeenschappelijk Europees extern energiebeleid, dat de continuïteit van de voorziening, doorvoer en investeringen in verband met de energievoorzieningszekerheid omvat alsmede de bevordering van energie-efficiëntie en energiebesparing evenals schone en hernieuwbare energiebronnen, met name in betrekkingen tot landen waarvan de energieconsumptie in snel tempo toeneemt”. Wat het idee van een hoge functionaris voor extern energiebeleid betreft, ben ik echter van mening dat dit aspect moet worden toegevoegd aan het werk van de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, aangezien ik van mening ben dat een specifiekere benadering niet zinnig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. (PL) Ik heb vóór de aanneming van het verslag van de heer Saryusz-Wolski over een gemeenschappelijk Europees extern beleid voor energie gestemd.

Op grond van het actieplan voor het energiebeleid dat de Raad in maart 2007 heeft aangenomen, moeten we alles doen wat in onze macht ligt om een gemeenschappelijk Europees extern beleid voor energie voor de Europese Unie te ontwikkelen, dat is voorzien van de instrumenten die nodig zijn voor een effectieve werking. Ik wil aandacht vragen voor de noodzaak van solidariteit en samenwerking tussen de lidstaten, de diversificatie van energiebronnen en voortdurende ontwikkeling en betere samenwerking op dit gebied.

Ik ben het ermee eens dat het nodig is een besluit te nemen over een gedetailleerde routekaart, waarin de verschillende stadia van de invoering van een dergelijk beleid zijn beschreven. De Commissie zou haar voorstellen met betrekking hiertoe zo spoedig mogelijk moeten presenteren. Het is ook belangrijk dat de lidstaten met elkaar en met de Europese Commissie overleggen over kwesties met betrekking tot strategische beslissingen over contracten met derde partijen op dit gebied. Het voorstel om een hoge functionaris voor extern energiebeleid te benoemen is zeer gepast en verdient het nader bekeken te worden. Deze persoon zou verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van alle beleidslijnen met betrekking tot alle externe aspecten van de energiezekerheid. Een dergelijke functie zou moeten helpen de belangen van de EU-lidstaten beter te beschermen tijdens onderhandelingen met buitenlandse partners.

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE), schriftelijk. (EN) De Britse conservatieven erkennen dat de 27 lidstaten meer solidariteit aan de dag dienen te leggen met betrekking tot het buitenlands energiebeleid, aangezien alle lidstaten in de komende jaren steeds afhankelijker zullen worden van ingevoerde olie uit derde landen. Deze landen zouden anders de afhankelijker en kwetsbaarder staten kunnen benadelen, tot schade van de gehele Unie.

Dit betekent echter niet dat wij een gemeenschappelijk energiebeleid steunen. In het bijzonder ondersteunen wij niet dat de EU van individuele lidstaten de energiemix, meer bepaald de verhouding tussen fossiele en duurzame brandstoffen, mag bepalen.

Algemeen ondersteunen de conservatieven de doelstellingen van dit verslag. Wij verwerpen echter de behoefte aan één enkel, krachtig, coördinerend figuur om deze kwestie aan de orde te stellen. Wij zien ook niet in waarom daartoe in de verslagen een nieuwe rechtsbasis moet worden gecreëerd.

Pogingen om nieuwe EU-bevoegdheden toe te voegen in plaats van de bestaande goed te benutten, zijn onnodig. De conservatieven geloven ook niet in meer EU-institutionalisering, maar in een marktgerichte benadering.

 
  
MPphoto
 
 

  Glenis Willmott (PSE), schriftelijk. (EN) De Labour-leden van onze fractie ondersteunen deze resolutie grotendeels, in het bijzonder de voorrang die wordt gegeven aan de ondersteuning van hernieuwbare energiebronnen, de bevordering van energie als één van de hoekstenen van het Europees nabuurschapsbeleid en de oproep voor meer voorzorgsmaatregelen tegen vervuiling.

We onthielden ons bij de stemming over punt 12 omdat werd afgestapt van het Grondwettelijk Verdrag, waardoor het voorgestelde punt irrelevant is geworden. Wij onthielden ons bij de stemming over amendement 2 en paragraaf 13 omdat wij van mening zijn dat de positie van een nieuwe hoge functionaris voor energiebeleid tot onnodige verwarring kan leiden.

Wij stemden voor paragraaf 62 met de verwijzing naar de ontvlechting van de energieproductie, omdat wij consistent willen zijn met een eerder ingenomen standpunt dat ontvlechting van de eigendom bij de transmissie het efficiëntste middel is om investeringen, eerlijke toegang tot het netwerk en transparantie van de markt te bevorderen.

 
  
  

- Verslag: Gruber (A6-0322/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE). – (SK) Ik heb vóór het verslag van mevrouw Gruber gestemd.

Ik ben blij met de opstelling van een algemene kaderrichtlijn en de richtlijn inzake de voorwaarden voor binnenkomst voor hoogopgeleide werknemers, de richtlijn inzake de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf voor seizoenarbeiders en de richtlijn inzake de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf voor betaalde stagiairs.

Het is overduidelijk dat de Europese Unie precieze regels moet opstellen en actief moet regelen wie er in de EU mag werken. We weten allemaal dat Europa nu al een “demografische winter” doormaakt en dringend behoefte heeft aan mankracht uit derde landen. Het is echter van het grootste belang dat we alleen geschoolde arbeidskrachten toelaten en ik stel voor dat we beroepen selecteren waaraan een tekort bestaat op de arbeidsmarkt van Europa. We moeten consistent zijn op dit gebied, anders overspoelen we willens en wetens de Europese Unie met ongeschoolde arbeiders en krijgen we te maken met de problemen die voortkomen uit de passieve levensstijl van werkloze immigranten, die misdaden gaan plegen en zich bezighouden met illegale handel en de grijze economie buiten de wet en vaak betrokken zijn bij drugs- en mensenhandel. Ze creëren getto’s en komen vaak terecht bij terroristische groeperingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor het verslag gestemd, omdat in het Parlement duidelijk is gezegd dat de lidstaten bevoegd blijven om te bepalen welke en hoeveel arbeidsmigranten ze op hun grondgebied toelaten. Als de blue card er werkelijk komt, moet gegarandeerd zijn dat ze een controle-instrument voor legaal in de EU verblijvende, hooggekwalificeerde arbeidskrachten is en het verblijf – niet de vestiging – in de gehele Europese Unie mogelijk maakt.

Aan de heer Frattini – die er nu jammer genoeg niet meer is – stel ik vanuit de Europese Volkspartij voor de blue card van een bijkomend nationaal kenmerk – zoals de vlag – te voorzien, zodat duidelijk zichtbaar is welke lidstaat de werk- en verblijfsvergunning heeft afgeleverd.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonio Masip Hidalgo (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn collega’s Lilli Gruber en Javier Moreno feliciteren. Als tijdelijk gehandicapte heb ik gebruik moeten maken van een hulpcontract voor een immigrant en begreep ik beter, als dat mogelijk is, wat de heer Lobo Antunes vandaag zei over de noodzaak van solidariteit en humaniteit, hoewel ik ook de uitleg van de heer Frattini over volledig respect voor de rechtsorde begrijp.

In mijn tijden van afzondering heb ik vaak gedacht dat Don Quichot, het beroemde personage, de grootste literaire figuur aller tijden, niet bestaan zou hebben zonder Sancho, en vandaag de dag zou Sancho ongetwijfeld een emigrant zijn geweest die hem te hulp kwam.

Daarom moeten we te allen tijde respect hebben voor de rechtsorde en voor mensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (ITS). – (NL) Voorzitter, ik heb het verslag Gruber over het beleidsplan legale migratie uiteraard niet goedgekeurd om twee voorname redenen. In de eerste plaats denk ik niet dat het verstandig om nu nog meer dan sowieso reeds het geval is, een braindrain uit de armere landen in de richting van Europa te stimuleren. Ik denk dat niemand daarbij gebaat is, en zeker niet de armere landen.

In de tweede plaats blijf ik versteld staan van de naïviteit waarmee in dit Parlement immigratie wordt beschouwd als een soort oplossing voor het onmiskenbare demografische probleem van Europa. Er wordt trouwens met geen woord gerept over de enorme kostprijs van immigratie voor de ontvangende landen, noch over het feit dat we meer dan ooit moeten waken over het behoud van onze Europese cultuur, van onze waarden van onze normen die steeds zwaarder onder druk komen te staan door het massaal aantal immigranten uit andere culturen. Dat heeft naast alle andere problemen ook een economische kostprijs. Vandaag zijn in onze Europese hoofdstad Brussel reeds zo’n 53 procent van de inwoners van wat men niet-Belgische origine noemt; tegen 2050 dreigt dat 75 procent te worden. We hebben geen nieuwe massale immigratie nodig, maar exact het omgekeerde.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (ITS). – (NL) Voorzitter, in het verslag Gruber volgt dit Parlement eens te meer de eenzijdige kwantitatieve economische benadering van het immigratieprobleem. Ik verwerp met klem de stelling dat enkel een nieuwe immigratiegolf de waarborg is voor de economische toekomst van Europa en wil erop wijzen dat immigratie over veel meer gaat dan alleen maar cijfers en tabellen. De voorstellen in dit verslag zullen de reeds bestaande ernstige integratieproblemen alleen maar verergeren. Men moet het inderdaad gelezen hebben om het te geloven. Terwijl een deel van de immigrantenbevolking niet wil deelnemen aan het arbeidsproces en zich niet wil omscholen, wil men zowaar een informatie- en beheercentrum voor migratie in Mali opzetten. Het is ontegensprekelijk zo dat vele zogenaamde tijdelijke werknemers na afloop van hun vergunning in de illegaliteit duiken en dat is nu al het geval. De ervaringen, bijvoorbeeld in Zwitserland, tonen duidelijk aan dat ook de familieleden van seizoenarbeiders illegaal blijven binnenkomen.

Last but not least is het zo dat meer legale immigratie van hooggeschoolden ontegensprekelijk zal leiden tot een verdere braindrain uit de ontwikkelingslanden met alle gevolgen vandien.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfredo Antoniozzi (PPE-DE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb vóór het verslag Gruber gestemd omdat het zo veel kwesties behandelde die door de PPE-DE-Fractie en mijzelf aan de orde zijn gesteld. Toch ben ik van mening dat integratie, hoewel ik besef dat het belangrijk is, met goedkeuring van onze burgers moet gebeuren. Daarom moet er naast integratie strenge, beslissende wetshandhaving zijn. Lidstaten moeten bijvoorbeeld de regel handhaven die bepaalt dat immigranten na drie maanden moeten worden teruggestuurd als ze niet kunnen aantonen dat ze hun gezin kunnen onderhouden. In sommige landen gebeurt dit niet en als het niet gebeurt, zal de ontevredenheid van de burgers elk Europees initiatief voor integratie zinloos maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Ondanks dat het belangrijke punten over migratiekwesties bevat die wij al lange tijd verdedigen, keurt het verslag niet alleen het huidige beleid en de huidige richtlijnen van de EU niet af – die criminaliserend en repressief zijn tegenover migranten – maar vormt het er zelfs een nieuw aspect van.

Om een specifiek voorbeeld te geven: het verslag neemt het concept over dat er verschillende “categorieën” migranten bestaan – zoals de “hoogstopgeleiden”, “seizoenarbeiders” en anderen – en dat deze moeten worden beheerd volgens de arbeidsbehoeften van de verschillende EU-landen, in het bijzonder door het in het leven roepen van een blue card. Wat een onmenselijke kijk op migratie en migranten.

Bovendien spreekt het verslag zich uit voor de instelling van een gemeenschappelijk migratiebeleid, wat wij zien als ontoereikend en onrealistisch, gezien de resultaten van andere “gemeenschappelijke” beleidslijnen en de uiteenlopende situaties in de lidstaten. We benadrukken nogmaals dat migratiebeleid de verantwoordelijkheid van elk land en zijn democratische instellingen is.

Zoals we hebben gezegd, is een gemeenschappelijk beleid niet nodig, maar het is wel nodig dat er een ander beleid komt, in een kader van samenwerking tussen de lidstaten, dat de rechten van migranten bevordert, in het bijzonder door middel van de ratificatie van het Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinnen van de Verenigde Naties.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (ITS), schriftelijk. – (FR) Aangezien “de situatie van de arbeidsmarkten in de Europese Unie gekenmerkt wordt door een vraag naar legale immigratie” beweert mevrouw Grüber, zoals de heer Sarkozy in Frankrijk, een economische rechtvaardiging te geven aan het immigratiebeleid in onze landen. De overgrote meerderheid van de arbeidskrachten uit onderontwikkelde landen is echter niet geschikt voor de beroepen waaraan onze economieën behoefte hebben. Bovendien moeten wij er niet aan herinneren dat legale immigratie niet om werknemers, maar om bevolking gaat.

Dit beleid haalt elk jaar bijna twee miljoen immigranten naar Europa en lijkt op een kolonisatie van Europa. In 2050 zal de bevolking van buiten Europa, die nu al 40 miljoen mensen telt, verdrievoudigd zijn. Met de toetreding van Turkije zal het Europa van Brussel dus 220 miljoen voornamelijk islamitische Aziaten en Afrikanen.

Deze kolonisatie vormt een dodelijke bedreiging voor de christelijke en humanistische waarden van onze beschaving. Om het legitieme recht op zelfbeschikking en zelfbehoud van de Europese volkeren te beschermen, dienen onze grenzen te worden hersteld, moeten de migratiestromen worden omgekeerd en dient een grootschalig gezins- en geboortebeleid te worden gevoerd. Alleen een nieuw en Europees Europa van soevereine naties kan onze rechten op culturele en historische zelfverdediging garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Het feit dat ongeveer 18,5 miljoen burgers van derde landen in de EU leven, toont duidelijk dat Europa behoefte heeft aan een samenhangend immigratiebeleid. Wij moeten de bezorgdheid en angst van onze burgers met betrekking voor de immigratie wegnemen en hun duidelijk maken dat geregelde en zinvolle immigratie in Europa op bepaalde gebieden noodzakelijk is. Ik deel echter niet de in het bijzonder door de conservatieven naar voren gebrachte geloofsovertuiging dat de kwestie van de demografische ontwikkeling met de kwestie van de handhaving van het Europese sociale model moet samengaan. Wij moeten het veeleer hebben over de vraag in welke mate de buitengewoon gestegen toegevoegde waarde in de Europese economie, die onafhankelijk van de demografische ontwikkeling moet worden gezien, een solidaire bijdrage aan het Europese sociale model kan leveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Kartika Tamara Liotard (GUE/NGL), schriftelijk. (NL) Ik heb mij bij deze stemming over amendement 8 onthouden, aangezien ik weliswaar onderken dat het probleem van een braindrain uit ontwikkelingslanden naar Europa zeer groot is, maar ik de motivatie van de ITS-Fractie om dit amendement in te dienen wantrouw. Het moet erover gaan dat voorkomen wordt dat hoogopgeleiden massaal hun eigen land verlaten, en daarmee economische schade veroorzaken, maar zeker niet dat immigratie naar Europa per definitie moet worden tegengegaan.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben verheugd over dit verslag, dat erop gericht is het leven voor legale migranten eenvoudiger te maken. Ondanks hun status worden legale migranten vaak opzettelijk of onopzettelijk gediscrimineerd. De rapporteur roept op tot een aantal maatregelen voor legale migranten waaronder betere arbeidsrechten, transfer van pensioen- en socialezekerheidsrechten, erkenning van kwalificaties en meervoudige visa voor langere duur, die ik allemaal ondersteun.

 
  
MPphoto
 
 

  Mary Lou McDonald, Søren Bo Søndergaard en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. Onze stem vandaag weerspiegelt ons streven naar een doeltreffende, menselijke en op rechten gebaseerde benadering van immigratie in Europa. Immigranten van elk type moeten gelijkelijk en in overeenstemming met de hoogste normen met betrekking tot mensenrechten en fatsoen worden behandeld.

Bovendien moet het voor de Europese lidstaten een algemeen principe zijn immigranten op te nemen op basis van de behoeften van die immigranten, naast de behoeften van de economieën van de Europese landen. Europees immigratiebeleid mag niet bijdragen aan het verlies van onmisbare vaardigheden, aan de hersenvlucht in ontwikkelingslanden. De lidstaten en de Commissie mogen geen beleid voeren dan ontwikkeling ondermijnt.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer en Esko Seppänen (GUE/NGL), schriftelijk. − Wij hebben voor amendement 8 gestemd. In het algemeen zijn onze opvattingen ver verwijderd van de fractie die het heeft ingediend, in het bijzonder met betrekking tot vluchtelingen, immigranten en etnische of religieuze minderheden. De ITS-Fractie tracht de toegang te blokkeren van vluchtelingen die in gevaar zijn. Wij daarentegen willen die slachtoffers van onderdrukking, rampen en armoede helpen. Wij begrijpen dus zeer goed dat de meerderheid in onze fractie ITS-amendementen met betrekking tot migratie niet wenst te steunen. Anders dan in het geval van vluchtelingen en traditionele immigratievormen veroorzaken de EU-lidstaten met de voorgestelde aantrekking van hoogopgeleide werknemers problemen in hun landen van oorsprong. Hoogopgeleide mensen in landen zoals India, Zuid-Afrika of Brazilië zijn daar met het oog op de vereiste ontwikkeling hoogstnodig. Wij zien nu dat zulke problemen zelfs ontstaan in de nieuwste EU-lidstaten, Roemenië en Bulgarije, die hun medische en technische mensen in sneltempo aan rijkere landen verliezen. Bevoorrechte landen en bedrijven stelen daar hersenen. Omdat wij deze hersenvlucht niet willen ondersteunen, stemmen wij voor dit amendement.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL), schriftelijk. (DE) Het verslag-Gruber ziet immigratie deels alleen met het oog op het nut van de migrantenarbeiders voor het kapitaal. Zo onderstreept het verslag hoe belangrijk het is “stabiele wettelijke arbeidsbetrekkingen tussen bedrijven en werknemers te bewerkstelligen om zodoende de productiviteit en de concurrentiepositie van de EU te verbeteren” en “verzoekt de Commissie daarom de mogelijke effecten van circulaire migratie in dit verband te bestuderen”.

Terwijl de repressieve maatregelen tegen migranten en asielzoekers geen enkele tegenstand krijgen, moet elke maatregel ter vergroting van de aantrekkelijkheid van de Unie voor hooggekwalificeerde werknemers worden ondersteund om aan de behoefte van de arbeidsmarkt van de EU te voldoen, de welvaart van Europa te garanderen en de Lissabon-doelstellingen te verwezenlijken.

Terwijl “de risico’s van “brain drain” dienen te worden voorkomen, wacht migranten die Fort Europa alleen illegaal kunnen binnenkomen de “repatriëring”. Bij de goedkeuring van het “beleidsplan legale migratie” moet het in het bijzonder gaan om toelatingsprocedures “die het mogelijk maken om onmiddellijk in te spelen op schommelingen van de vraag op de arbeidsmarkt”.

Immigratie kan niet aan de hand van het criterium van het nut voor het EU-kapitaal worden geregeld. In plaats van om immigratie voor EU-bedrijven moet het om grond- en mensenrechten voor migranten en asielzoekers gaan. Ik keur af dat mensen aan de hand van nutscriteria worden beoordeeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) Het debat over migratie richt zich te vaak op problemen met illegale migratiestromen, waardoor legale migratie, die een belangrijke bijdrage levert aan onze economie en onze culturele verrijking, vaak over het hoofd wordt gezien.

In deze context zijn wij het eens met twee fundamentele concepten: een duidelijk en effectief beleid inzake legale migratie is een van de sleutels tot het oplossen van het probleem van illegale immigratie en een ruimhartig welkom op basis van gemeenschappelijke beginselen die integratie en aanpassing van de nieuwkomers bevorderen is essentieel. Het is echter ook noodzakelijk om te erkennen dat migratiestromen, migrantengemeenschappen en ontvangende landen verschillende tradities, gewoonten en herinneringen hebben en dat deze verschillen niet genegeerd mogen worden.

Een andere kwestie in dit debat is gekwalificeerde migratie. Het idee van een blue card die binnenkomst en verkeer mogelijk maakt zou interessant kunnen zijn, maar het lijkt ons te complex. In elk geval moet de aantrekkingsfactor het centrale punt zijn, in het bijzonder op academisch niveau. Het is daarom essentieel om onderwijsinstellingen bewust te maken van de noodzaak om studenten uit andere delen van de wereld aan te trekken. Uiteraard steun ik deze doelstelling.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. − (SV) De Zweedse Groenen steunen en wensen een liberaal immigratiebeleid. Er staan veel goede dingen in het verslag die deze doelstelling nastreven. Ik ben echter van mening dat een kaderrichtlijn op dit gebied de mogelijkheden voor mensen om te migreren zal verminderen in plaats van vermeerderen. Daarnaast brengt het voorstel het risico met zich mee dat de hersenemigratie verergert die de ontwikkelingslanden treft en die op cynische wijze wordt uitgebuit door de EU voor haar eigen ontwikkeling. Ik onthoud mij daarom van stemming bij de eindstemming.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Het is een gevaarlijke misvatting dat demografische veranderingen in onze binnenlandse bevolking grootschalige immigratie vereist van mensen uit andere, vaak vijandige culturen en maatschappijen, met alle gevolgen van dien voor onze nationale cohesie en identiteit, voor de volledige integratie van onze eigen immigrantenbevolking, voor onze openbare diensten en voor volksgezondheid en veiligheid.

Ik ben gekant tegen de overdracht van bevoegheden of verantwoordelijkheid van nationale autoriteiten naar de EU met betrekking tot onze nationale grenscontroles en immigratie- en asielbeleid. Ik heb daarom tegen dit verslag gestemd.

 
  
  

- Verslag: Moreno Sánchez (A6-0323/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor dit verslag gestemd, omdat het Europees Parlement hier tot een veelomvattend concept ter bestrijding van mensensmokkel en illegale immigratie heeft besloten. Als Europees Parlement hebben wij ook duidelijk gemaakt dat “illegaal” ook “niet legaal” betekent en daarom navenant te bestraffen is. Ik vind het bijzonder belangrijk dat duidelijk werd gemaakt dat er geen verdeling aan de hand van quota van illegalen over alle lidstaten zal komen en dat massaregularisaties – zoals die in de voorbije jaren hebben plaatsgevonden – niet meer toelaatbaar zijn. Zo is er geen aanzuigeffect en kan onrechtstreeks ook de mensenhandel worden bestreden.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (ITS). – (NL) Voorzitter, het verslag over de beleidsprioriteiten van de strijd tegen de illegale immigratie dat wij zojuist hebben goedgekeurd is zeker niet het slechtste verslag dat hier ooit is gepasseerd en bevat zelfs enkele zeer interessante aanbevelingen, maar ik vind toch dat het verslag nalaat om op een duidelijke wijze man en paard te noemen en daarom heb ik het zelf niet goedgekeurd.

Het immigratieprobleem in Europa dreigt het probleem van de komende eeuw te worden, is misschien vandaag reeds het probleem van de komende eeuw en de illegale immigratie is daar een belangrijk onderdeel van. Dus hadden we eigenlijk een veel kordater standpunt mogen verwachten, in het bijzonder tegen de opeenvolgende regularisatiegolven in de verschillende Europese landen. Die hebben immers een aanzuigeffect dat uiteindelijk over de hele Unie, over alle lidstaten uitdeint.

Eigenlijk is het eenvoudig en hadden we het moeten durven formuleren. Illegale immigratie kan niet worden getolereerd. Illegale immigranten moeten worden opgespoord en op een kordate en humane wijze teruggestuurd naar de landen van herkomst. Wie dat niet durft te zeggen en dus zeker niet durft uit te voeren, zal enorme problemen veroorzaken die uiteindelijk onze welvaart en onze beschaving duur zullen komen te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (ITS). – (NL) Mijnheer de Voorzitter, wie het verslag Moreno Sánchez doorneemt, denkt automatisch aan het spreekwoord: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Zoals mijn collega Vanhecke reeds zei, alhoewel enkele voorstellen in het verslag zeker een stap in de goede richting betekenen, neemt het Parlement in het algemeen nog steeds een halfslachtige houding aan, hetgeen geen goede zaak is voor een efficiënt en kordaat Europees beleid ter bestrijding van de illegale immigratie. Zo laat het Parlement bijvoorbeeld na om duidelijk te stellen dat de regulariseringen die in tal van Europese landen zijn doorgevoerd juist een van de belangrijkste, om niet te zeggen de belangrijkste oorzaak zijn van de illegale immigratie omwille van het aanzuigeffect dat ze creëren in de herkomstlanden.

Illegalen mogen niet geregulariseerd worden, maar ze moeten actief worden opgespoord en op een kordate maar humane wijze worden uitgewezen. In tegenstelling tot hetgeen dit Parlement insinueert heeft de ondubbelzinnige verkondiging van deze politieke boodschap dan ook niets te maken met zogenaamde vreemdelingenhaat. Naast een kordaat uitwijzingsbeleid, een sluitende controle aan de buitengrenzen, en terugnameovereenkomsten zouden ook opvangcentra in de regio van herkomst soelaas moeten bieden, maar ook dit wordt door dit Parlement afgewezen. Ik heb dan ook tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Göran Färm, Anna Hedh en Inger Segelström (PSE), schriftelijk. − (SV) Wij van de Sociaaldemocraten willen een humaan immigratie- en vluchtelingenbeleid in de EU, dat is gebaseerd op solidariteit, dat probeert de grensoverschrijdende mobiliteit op verantwoorde wijze te vergroten en dat bescherming garandeert aan iedereen die dat nodig heeft. We willen echter geen permanente door de EU gefinancierde grenscontrolemacht. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het bewaken van hun eigen grenzen. De inzet van communautaire eenheden zou uitsluitend moeten plaatsvinden als onderzoek uitwijst dat dit nodig is. We hebben er daarom voor gekozen ons te onthouden van stemming over paragraaf 37.

Met betrekking tot paragraaf 18 over een herziening van het basisbeginsel van de verordening Dublin II zijn wij van mening dat een bespreking van het beginsel gerechtvaardigd is, maar dat deze zou moeten worden gevoerd in een bredere context en als onderdeel van een bespreking van het gemeenschappelijk immigratie- en vluchtelingenbeleid als geheel.

 
  
MPphoto
 
 

  Gérard Deprez (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik ondersteun dit uitstekende verslag volledig en wil er drie opmerkingen aan toevoegen.

Eén: wij moeten af van de illusie dat een actief beleid met betrekking tot legale immigratie aan de illegale immigratie naar onze landen een einde zal maken. Een actief beleid te aanzien van legale immigratie vloeit per definitie voort uit onze eigen behoeften. Illegale immigratie beantwoordt aan de behoeften van diegenen – en zo zijn er op dit ogenblik tientallen miljoenen, in het bijzonder in Afrika – die naar hier willen komen om te ontsnappen aan oorlog, vervolging, ellende of gewoon aan de afwezigheid van toekomstperspectieven voor henzelf of hun kinderen.

Twee: de controle van de buitengrenzen van de EU en de bestrijding van illegale immigratienetwerken zullen zich jammer genoeg gedurende nog vele jaren opdringen als één van onze politieke prioriteiten, omdat in werkelijkheid de industrie van de ellende in criminele handen is gevallen. De strijd tegen de illegale immigratie is dus niet “tegen” de illegalen: ze is een onderdeel van de strijd tegen de georganiseerde misdaad, die wij samen moeten winnen.

Derde en laatste opmerking: wij moeten uiteraard tegelijkertijd en ononderbroken de ellende bestrijden. Daarvoor is medeontwikkeling in Afrika onontbeerlijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Gaubert (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik ben verheugd over de goedkeuring van dit verslag, dat een evenwichtig en realistisch beeld geeft van immigratie en dat, geheel naar wens van de rapporteur, tot een brede consensus heeft geleid.

Het verslag komt stipt op tijd als wij naar de actualiteit kijken en zien dat de lidstaten trachten hun wetgeving aan te passen om de migratiestromen beter aan te pakken.

In werkelijkheid weten wij allen dat de kwestie migratie het beherend vermogen van de lidstaten overstijgt. Zoals in het verslag terecht wordt opgemerkt, moet er dus een algemene en samenhangende aanpak op Europees niveau komen.

In de tekst worden verschillende prioriteiten vermeld: bestrijding van de mensenhandel, inachtneming van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bij het nemen van maatregelen tegen illegale immigratie, versterking van de samenwerking met derde landen, de nodige vastberadenheid bij de bestrijding van illegale tewerkstelling en de noodzakelijkheid van een verantwoordelijk terugkeerbeleid.

Om die redenen heb ik deze tekst bij de eindstemming in de plenaire vergadering goedgekeurd.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Dit verslag bevat weliswaar enkele punten waarmee wij het eens zijn, maar het hanteert ook de repressieve veiligheidsgerichte kijk op “illegale immigratie”.

Hoewel dit voor bepaalde aspecten minder geldt, spreekt het verslag zich uit voor de ontwikkeling van de voornaamste pijlers van de huidige richtlijnen en besluiten van de EU inzake immigratie, waaronder: het zogenoemde ‘Europees terugkeerbeleid’ of, met andere woorden, repatriëring; de activiteit van Frontex als het gaat om grenspatrouille en -controle; de zogenoemde ‘tijdelijke ontvangstcentra’; de ontwikkeling van biometrische hulpmiddelen, of de zogenoemde ‘overnameovereenkomsten’. Het verslag stelt ook voor ‘Europese patrouilles’, een ‘Europees toezichtsysteem’ aan de zeegrenzen en zelfs een systeem voor ‘automatische controle van personen die het grondgebied van de Unie binnenkomen of verlaten’ op te zetten.

Met andere woorden, het verslag streeft naar een versterking van het veiligheidsgerichte beleid van de EU waarin “illegale immigratie” wordt gecriminaliseerd, door het om te vormen tot een gemeenschappelijk Europees beleid dat repressief is, onheilspellende informatiesystemen gebruikt en maatregelen en infrastructuur bevat voor het vastzetten en uitwijzen van immigranten. Dit verwerpen wij hartgrondig.

Het was de toepassing van een repressief beleid als dit dat ertoe heeft geleid dat de autoriteiten van een lidstaat zeven Tunesische vissers hebben vervolgd voor het redden van 44 mensen op zee, ondanks het feit dat ze hebben gehandeld in overeenstemming met het internationaal zeerecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (ITS), schriftelijk. – (FR) De officiële cijfers bevestigen dat Europa door illegale immigratie wordt overspoeld. Het blijkt totaal niet bij machte zijn buitengrenzen te beheersen. Uit het jaarverslag over de activiteiten in 2006 van Eurodac, het biometrische systeem dat op Europese schaal voor asielzoekers wordt gebruikt, blijkt dat het aantal mensen dat de grenzen van de Unie illegaal is overgestoken, tegenover 2005 met 64 procent is gestegen.

In het verslag van de heer Moreno Sánchez worden vele manieren overwogen om dit exponentieel toenemende verschijnsel een halt toe te roepen. Ze zijn allemaal even nutteloos of contraproductief.

Hoe kunnen wij bijvoorbeeld aannemen dat de bevordering van de legale immigratie, in het bijzonder via de Europese blue card, een echte Europese werkvergunning voor immigranten, de illegale immigratie zal doen afnemen? Dat is onzin. Als wij de deuren openen voor sommigen, openen wij ze voor iedereen.

Waartoe kan de instelling van een biometrische gegevensbank in de bestrijding van illegale immigratie dienen? Waarom voorzien in meer personeel en meer middelen voor het Europees agentschap voor de buitengrenzen, Frontex, als de interne noch de externe grenzen door de lidstaten op doeltreffende wijze worden beschermd?

Eens te meer leggen de Europese instellingen de vinger op een probleem, maar tonen ze zich onder invloed van hun immigrationistische en mondialistische ideologie onbekwaam het op te lossen.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), schriftelijk. (PL) Mijnheer de Voorzitter, immigratie, zowel legaal als illegaal, is erkend als een van de grootste uitdagingen waarvoor de Europese Unie zich gesteld ziet. Nog afgezien van de procedurele en juridische kwesties, wordt het tragische menselijke aspect van dit verschijnsel steeds duidelijker. Ik heb centra voor Afrikaanse vluchtelingen bezocht in Malta en de zaken besproken met de diensten die patrouilleren op de Middellandse Zee en met de verantwoordelijke functionarissen. Terwijl ik daar was, verspreidde zich het nieuws over het tragische lot van het Tsjetsjeense gezin in de regio Bieszczady, dat het universele karakter van dit verschijnsel nog eens bekrachtigde. Doordat ik afkomstig ben uit een land dat eeuwenlang een bron was van politieke en economische emigratie, word ik onvermijdelijk geraakt door de tragedie van vluchtelingen voor wie de Unie het beloofde land is.

Vanuit dat perspectief bekijk ik de twee verslagen waarop het debat in het Europees Parlement is gebaseerd. Deze documenten bieden een overzicht van de omvang van het probleem van immigratie en van de huidige stand van zaken van het beleid van de Gemeenschap op dat gebied. Ik ben het eens met de vooronderstelling dat Europa als gevolg van zijn demografische ligging gecontroleerde kanalen van immigratie nodig heeft die het tekort aan arbeidskrachten kunnen compenseren en ook de omvang van de ondergrondse economie en de daarmee verband houdende problemen kunnen terugdringen.

Al deze kwesties zijn erkend door Frontex, het gespecialiseerde agentschap van de Unie. De voorgestelde oplossingen, namelijk het zogenoemde “delen van de last” zijn een serieuze overweging waard.

De komst van een communautair immigratiebeleid met een solide rechtsbasis en financiële basis laat al veel te lang op zich wachten. Beter laat dan nooit!

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb gestemd voor het verslag over de politieke prioriteiten in het kader van de bestrijding van illegale immigratie van burgers van derde landen en ik wil beklemtonen dat het beheer van de migratiestromen naar Europa, in het bijzonder vanuit derde landen, voor het Europese beleid één van de grootste uitdagingen is.

In de 21ste eeuw is het bestaan van mensenhandel totaal onaanvaardbaar. Wij moeten een oplossing vinden om deze plaag en de persoonlijke drama’s die ze met zich meebrengt, uit te roeien. Daartoe is het van wezenlijk belang het probleem van illegale immigratie op Europese schaal aan te pakken. Elke opening voor illegale immigratie in een lidstaat zet immers alle andere lidstaten onder druk.

De instelling van een beleid met betrekking tot legale immigratie dient ook de bestrijding van illegale immigratie te omvatten. Die twee zijn immers nauw met elkaar verbonden.

Wat in dit verslag ontbreekt, zijn concrete voorstellen die het mogelijk maken een oplossing uit te werken om de massale illegale immigratie een halt toe te roepen en de mensensmokkelaars te ontmoedigen. In Italië bijvoorbeeld heeft de invoering van quota voor economische immigratie de illegale immigratie naar dat land niet doen afnemen. De aankondiging van jaarquota heeft integendeel een toename uitgelokt van het aantal illegale immigranten, die bereid zijn hun leven te wagen om het grondgebied van de Europese Unie binnen te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben verheugd over dit verslag, dat in wezen oproept tot een krachtig beleid ter bestrijding van illegale immigratie op basis van solidariteit tussen de lidstaten en samenwerking met derde landen met volledige inachtneming van de grondrechten van personen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) Ondanks miljoenen steun zijn landen van oorsprong niet tot samenwerking bereid. Illegale immigranten terugnemen zou eindelijk een plicht moeten worden! Ook de EU is echter zeer nalatig als ze niet voldoende middelen voor de beveiliging van de buitengrenzen beschikbaar stelt en opgepakte illegalen niet tot hun repatriëring in opvangcentra onderbrengt om te voorkomen dat ze onderduiken. Ik zwijg nog over een agentschap ter bescherming van de grenzen dat in het hoogseizoen voor migratie een pauze inlast!

Daarenboven heeft Brussel het potentiële gevaar van islamitische immigranten veronachtzaamd. Als de EU niet gauw ontwaakt, aan de toestroom van radicale moslims een einde maakt en een naturalisatie- en immigratiestop voor burgers van islamitische landen instelt, zullen wij niet alleen in voortdurende angst voor terreuraanslagen moeten leven, maar ook spoedig vreemdelingen in eigen land zijn.

Voorliggend verslag gaat veel te weinig op deze problematiek in. Daarom moet ik het, ondanks de goede punten, jammer genoeg afwijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) Effectieve politieke interventie op het gebied van illegale immigratie moet zich richten op twee aspecten van het probleem, op de herkomst en op de bestemming: met andere woorden, zoals wordt gesteld in de aangenomen resolutie, “het aanspreken van vervoerders […] van de landen van herkomst op hun verantwoordelijkheid [en] de versterking van de strafrechtelijke mogelijkheden om op te treden tegen smokkelnetwerken, illegale arbeid en mensenhandel” zijn essentiële elementen. Zonder daadkracht op deze gebieden is de reactie onvoldoende, ook al heeft deze reactie ook andere aspecten, zoals ontwikkelingssamenwerking en maatregelen op het gebied van legale migratie.

En, zoals is gesteld in het verslag over the Europese maritieme strategie, elk immigratiebeleid dat effectief wil zijn binnen de Europese Unie “vereist” bovendien, zoals gesteld in deze resolutie, “dat de lidstaten de volgende principes naleven: solidariteit, gedeelde verantwoordelijkheid, wederzijds vertrouwen en transparantie”. Daar zijn wij het volledig mee eens.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. − (SV) Ik stem tegen het verslag in de eindstemming omdat ik tegen FRONTEX en een EU-grenspolitie ben, waarvoor verantwoordingsplicht moeilijk te waarborgen is. Het verslag is enthousiast over dure en ineffectieve biometrische gegevens in paspoorten en visa, die bovendien een bedreiging vormen voor de persoonlijke integriteit. De EU maakt op cynische wijze misbruik van de moeilijke situatie van vluchtelingen om de macht te krijgen over onze grenzen.

 
  
  

- Verslagen: Gruber (A6-0322/2007), Moreno Sánchez (A6-0323/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bradbourn (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Britse conservatieven hebben tegen de verslagen over migratie gestemd omdat migratie louter een kwestie voor de lidstaten en voor intergouvernementele samenwerking is. Verwijzingen naar het ontwerp van hervormingsverdrag en de uitbreiding van de stemming met gekwalificeerde meerderheid zijn een verkeerde manier om de problemen van de EU aan te pakken. Een universele aanpak van immigratie werkt niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE), schriftelijk. (EN) Door te eisen dat echtgenoten van buiten de EU van EU-burgers in een andere lidstaat moeten hebben gewoond alvorens ze in Ierland mogen verblijven, treedt de regering volgens mij de richtlijn van 2004 met voeten. Bovendien is het uitkiezen van echtgenoten van niet-Ierse EU-burgers voor de uitvaardiging van uitwijzingsbevelen in strijd met EU-wetgeving die discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt.

Ik wil de Commissie eraan herinneren dat ze het Europees Parlement in 2006 heeft ingelicht dat de richtlijn van 2004 over het verblijf door de lidstaten dient te worden opgevat in overeenstemming met de arresten van het Europees Hof van Justitie van juli 2002 (zaak C/459/99 (MRAX)) en april 2005 (zaak C/157/03). Deze arresten bepaalden dat het recht op toegang en verblijf in de Gemeenschap van een burger van een derde land die een gezinslid is van een EU-burger uit die relatie voortvloeit, en niet van de legaliteit van hun eerdere verblijf in de Gemeenschap of van de voorlegging van een verblijfsvergunning of een andere door een andere lidstaat verleende vergunning afhankelijk is. Ierlands acties zijn duidelijk met deze arresten in tegenspraak. De Commissie is daarom verplicht krachtens de Verdragen actie tegen de Ierse regering te ondernemen.

 
Laatst bijgewerkt op: 20 september 2008Juridische mededeling