De Voorzitter. – (EL) Aan de orde is het verslag [2007/2002(ΙΝΙ)] (Α6-0375/2007) van mevrouw Martens, namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking, over de stand van zaken in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Afrika.
Maria Martens, rapporteur. – (NL)Voorzitter, commissaris, gewaardeerde collega’s, aan de orde is het verslag over de stand van zaken in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Afrika. Daarbij gaat het om een gezamenlijke visie van Afrika en Europa op de toekomstige samenwerking ten einde de ontwikkeling in Afrika te bevorderen en de armoede te bestrijden. De strategie moet meer zijn dan alleen het goedpraten van het huidige beleid. Het gaat om een visie, gebaseerd op gedeelde waarden en principes, op wederzijds respect, die gericht is op het welzijn van mensen.
Afrika en Europa hebben een lange gezamenlijke geschiedenis. De verhoudingen zijn echter veranderd: het kan geen eenrichtingsverkeer meer zijn. Het gaat nu om een gelijkwaardig partnerschap om problemen die beide continenten raken, gezamenlijk aan te pakken, zoals veiligheid, handel, migratie en klimaatverandering bijvoorbeeld.
In 2005 heeft de Europese Unie een Europese strategie voor Afrika geschreven. Ik was toen ook rapporteur. In onze ogen schoot deze strategie tekort op twee belangrijke punten. Het was een strategie te veel voor Afrika, maar zonder Afrika, en het Europees Parlement en de civil society waren te weinig betrokken bij de totstandkoming van deze strategie. Ik ben blij dat we nu spreken over een joint EU-Afrika-strategie en dat de betrokkenheid van het Europees Parlement en van de civil society groter is geworden. De samenwerking is veelbelovend voor de toekomst.
Voorzitter, deze strategie moet ons de structuur en de richting geven voor een gezamenlijk optreden in de toekomst. Armoedebestrijding en de millenniumontwikkelingsdoelstellingen moeten daarbij centraal blijven staan. En hoewel de meest recente MOD-cijfers een mate van optimisme toestaan, blijft in sub-Sahara Afrika 41,1 procent van de mensen op 1 dollar per dag leven. Deze situatie kan niet alleen door ontwikkelingshulp verbeterd worden. Ook de economische groei moet bevorderd worden.
De economische partnerschapsovereenkomsten waarover momenteel wordt onderhandeld, kunnen daarvoor een goed instrument zijn, mits - en dat zeg ik er nadrukkelijk bij - duurzame ontwikkeling centraal staat en mits het meer is dan een Europees handelsakkoord. Graag hoor ik van de commissaris de stand van zaken met betrekking tot mogelijk uitstel van de deadline van 1 januari 2008.
Voorzitter, de Afrikaanse regeringen zijn natuurlijk allereerst zelf verantwoordelijk voor de ontwikkeling in hun land. Ze zijn onafhankelijker geworden op politiek en economisch vlak. Afrika is volop in ontwikkeling, niet in het minst door het ontstaan van nieuwe instituties, zoals NEPAD en het African Peer Review Mechanism. Voor financiële en politieke steun is Europa al lang niet meer de enige en exclusieve partner. Andere landen beginnen hun invloed in en op Afrika zeer nadrukkelijk te manifesteren - denk bijvoorbeeld aan China. We kunnen onze relatie met Afrika niet meer voor lief nemen.
Voorzitter, het verslag accentueert drie prioritaire beleidsterreinen: vrede en veiligheid, goed bestuur, economische groei en investeren in mensen. Wat betreft de Europese beleidsterreinen signaleert het verslag het belang van meer coherentie tussen enerzijds ontwikkelingsactiviteiten en anderzijds andere beleidsvelden, zoals handel, landbouw en migratie. Alleen als Europa zijn steun coherenter kan inzetten, beter coördineert en een betere financiële verantwoording heeft, zal het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie beter en efficiënter kunnen zijn.
Vrede en veiligheid zijn een groot probleem in Afrika. Het verslag benadrukt het belang van een geïntegreerde aanpak van conflictsituaties. Daarbij moet onze verantwoordelijkheid om mensen te beschermen en bij te dragen aan preventie en oplossing van conflicten, alsook aan de wederopbouw centraal staan. Vanzelfsprekend zijn goed bestuur, een functionerende rechtsstaat en duurzame democratie voorwaarden voor stabiliteit en ontwikkeling. Capacity building op deze terreinen is van cruciaal belang. Wij steunen de ambities van de Commissie in dezen.
Voorzitter, in december vindt in Lissabon na zeven jaar de tweede EU-Afrika-top plaats. Daar zullen de gemeenschappelijke EU-Afrika-strategie en het actieplan worden vastgesteld. Er staat veel op het spel, en het is in ons aller belang dat deze top een succes wordt. En hoewel de situatie in Zimbabwe buitengewoon zorgelijk is, moeten we wel bedenken dat het gaat om een EU-Afrika-top en niet om een EU-Zimbabwe-top; dat het gaat om een people-centred approach en niet om een president-centred partnership.
Het is goed dat het Europees Parlement en het pan-Afrikaans parlement op de top de gelegenheid krijgen om de parlementaire visie op de gezamenlijke strategie te verwoorden. Afgelopen week zijn de delegaties van het pan-Afrikaans parlement en van ons Parlement bijeengekomen om een gezamenlijke verklaring voor te bereiden. Ik hoop dat onze voorzitters deze op de top kunnen aanbieden aan de regeringsleiders.
Voorzitter, er valt natuurlijk meer over te zeggen, maar mijn tijd is om, zie ik, en daarom laat ik het hierbij, maar niet zonder mijn collega’s en de Europese Commissie te bedanken voor de goede samenwerking.
Manuel Lobo Antunes,fungerend voorzitter van de Raad. −(PT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, rapporteur, Europa, Afrika en de wereld zijn de laatste tien jaar veel veranderd. Europa is nu een blok van 27 lidstaten, waarin af en toe buitengewoon uiteenlopende prioriteiten en benaderingen op het gebied van buitenlands beleid samenkomen. Hoewel het oneerlijk zou zijn om te beweren dat het Afrikaanse continent is verwaarloosd, kunnen we gezien de hoeveelheid openbare ontwikkelingshulp die Europa aan dit continent ter beschikking stelt, wel spreken van een strategisch vacuüm in de verhouding tussen Europa en Afrika. De laatste jaren zijn de negatieve gevolgen van dit vacuüm meer aan de oppervlakte gekomen. De Europese Unie en haar lidstaten zien nu in dat het nodig is om de betrekkingen met Afrika op niveau te brengen, waarbij de tweede Euro-Afrikaanse topconferentie het juiste moment is om deze wens duidelijk uit te spreken.
Er zijn verschillende redenen voor deze nieuwe erkenning van het belang van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Afrika: het wijdverbreide besef dat alle mondiale uitdagingen, zoals vrede en veiligheid of internationale handel, vragen om onderling afgestemde maatregelen van de internationale gemeenschap, wat de opkomst van nieuwe vormen van samenwerking rechtvaardigt; de zoektocht naar oplossingen voor problemen die zowel Europa als Afrika raken, met name de gevolgen van klimaatverandering; het beheer van energiebronnen of migratiestromen; de wens van Afrika om gezamenlijk de gemeenschappelijke problemen aan te pakken en de noodzaak van aanpassing aan specifieke geopolitieke veranderingen in internationaal verband.
Deze nieuwe verhouding tussen de EU en Afrika wordt uiteengezet in de documenten die hopelijk tijdens de top in december zullen worden goedgekeurd: de gezamenlijke EU-Afrika-strategie, het eerste actieplan daarvan en, naar wij hopen, de Verklaring van Lissabon. Deze documenten zijn een afspiegeling van de speciale aard van de verhouding tussen Europa en Afrika. Ze schrijven een benadering voor die enerzijds uitgaat van multilaterale kanalen en anderzijds beoogt om op een meer geïntegreerde wijze om te gaan met de verschillende aspecten van onze verhouding. Deze benadering is wat de EU in dezen uniek maakt in vergelijking met andere internationale partijen. De erkenning van Afrika als een strategische partner op wereldniveau drukt zich ook uit in de wijze waarop zowel de top als de documenten die ter goedkeuring zullen worden voorgelegd, worden voorbereid. Terwijl de in 2005 aangenomen EU-Afrika-strategie een EU-document is dat alleen voor de Unie bindend is, zijn de nieuwe strategie – voor het eerst een gezamenlijke strategie – en het actieplan het resultaat van samenwerking met onze Afrikaanse partners.
De documenten voor de topconferentie zijn van begin tot eind voorbereid door een gezamenlijke groep deskundigen en we hopen dat ze zullen worden goedgekeurd tijdens de vergadering van de ministeriëleTrojka van Afrika en de EU die op 31 oktober zal worden gehouden, als onderdeel van een proces waarbij ook niet-gouvernementele partijen en maatschappelijke organisaties, zowel Afrikaanse als Europese, bij betrokken zijn geweest. De gezamenlijke strategie en het eerste actieplan zijn dus het resultaat van samenwerking. De formulering van deze documenten is dan ook een afspiegeling van en een antwoord op veel van de zorgen en suggesties die zijn opgenomen in het verslag van mevrouw Martens, een verslag dat onmiskenbaar zeer compleet en veelomvattend is.
De partnerschappen tussen de Europese Unie en Afrika die zowel in de gezamenlijke strategie als het ontwerp-actieplan aangeduid worden, moeten thema’s van gemeenschappelijk belang beslaan. De fundamentele criteria moeten zijn dat ze van toegevoegde waarde zijn voor de huidige samenwerking en politieke dialoog en, in onze optiek, dat ze positieve gevolgen hebben voor de alledaagse levens van Europese en Afrikaanse burgers. Daarnaast zullen de partnerschappen die wij opzetten ernaar streven om een evenwicht te bewerkstelligen tussen de verbintenissen die beide partijen zijn aangegaan, hetgeen de unilaterale en op hulp gebaseerde aard van de verhouding tussen de EU en de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) zal veranderen.
De ervaring leert ons ook dat politieke verbintenissen gepaard moeten gaan met uitvoerings- en toezichtsmechanismen om te zorgen dat het niet alleen bij goede bedoelingen blijft. Nu is er de mogelijkheid om tussen de topconferenties door en gelijktijdig met de reguliere vergaderingen tussen de twee commissies en de ministeriële Trojka aanvullende sectorale ministeriële bijeenkomsten te beleggen als dat nodig is. De verhouding tussen de EU en Afrika kan echter alleen daadwerkelijk worden veranderd als het proces ook door verschillende andere partijen op doeltreffende wijze wordt ondersteund.
Met het oog hierop willen we gezamenlijke groepen deskundigen formeren die op informele basis bijdragen aan de implementatie van elk van de partnerschappen. Deze groepen zullen toegankelijk zijn voor een groot aantal belanghebbenden: Europese en Afrikaanse parlementen, lokale overheden, Europese en Afrikaanse maatschappelijke organisaties, Afrikaanse subregionale organisaties, onderzoeksinstituten, gespecialiseerde internationale organisaties en instituten en de particuliere sector. Tegelijkertijd zal de samenwerking en dialoog tussen het pan-Afrikaanse parlement en dit Huis worden uitgebreid en zullen deze instellingen ook functioneren als kanalen voor de implementatie van de gezamenlijke strategie en het actieplan.
Hoewel dergelijke ingrijpende veranderingen niet van het ene op het andere moment kunnen plaatsvinden, is nu de tijd gekomen voor verandering in de betrekkingen tussen de twee continenten. We staan voor de uitdaging om deze kans zo goed mogelijk te benutten, middels de implementatie van deze nieuwe strategische visie op de dialoog tussen de EU en Afrika. Met deze doelstelling in het achterhoofd en het vertrouwen en besef dat we doen wat gedaan moet worden, gaan we in december de volgende Euro-Afrikaanse topconferentie in Lissabon in.
Louis Michel,lid van de Commissie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, allereerst wil ik mevrouw Martens feliciteren en bedanken voor haar uitmuntende verslag, waarin verscheidene kwesties worden aangekaart en een aantal bruikbare aanknopingspunten worden aangedragen. Dit verslag is zonder meer een inspirerende bijdrage van het Parlement aan een buitengewoon belangrijk thema en roept op tot een nieuwe benadering van de betrekkingen tussen de EU en Afrika.
Zoals u allen weet, is 2007 een bijzonder jaar voor de toekomst van de betrekkingen tussen Europa en Afrika. Vijf jaar na het verslag over de Top van Lissabon en maar liefst zeven jaar na de eerste Topconferentie Afrika-Europa in Caïro in 2000, lijkt het mij dat het de hoogste tijd is om onze verhouding in een ander daglicht te plaatsen. Afrika is de laatste jaren ingrijpend veranderd en heeft een continentale institutionele architectuur gekregen die in veel opzichten op de onze lijkt. De Afrikaanse Unie moet, als nieuwe instelling, nu worden versterkt en geconsolideerd. Deze instelling heeft ambitieus continentaal beleid ontwikkeld op belangrijke gebieden als sociaal-economische ontwikkeling, vrede en veiligheid en zelfs goed bestuur, en al deze bouwstenen verdienen natuurlijk onze steun en erkenning.
Afrika heeft nu onmiskenbaar een internationale dimensie gekregen. Ik denk hierbij aan de verscheidenheid van zijn betrekkingen met de internationale gemeenschap, zoals ook genoemd door mevrouw Martens, en ook denk ik bijvoorbeeld aan de nieuwe rol die China vervult en de invloed van dat land op investeringsprojecten in Afrika. Natuurlijk denk ik ook aan de mondiale uitdagingen waarmee Afrika, zoals alle spelers in de wereld, te maken heeft, namelijk klimaatverandering, energievoorziening, hervorming van multilaterale instellingen, het risico op pandemieën, emigratie, enzovoort. Het is duidelijk dat Afrika zijn stem moet laten horen, zijn invloed moet laten voelen en, boven alles, zijn rechten moet doen gelden. Want wij hebben immers ook te maken met de mondiale uitdagingen die ik zojuist heb opgenoemd. Allebei staan we voor dezelfde uitdagingen en kwesties en hieruit blijkt eens te meer dat Europa en Afrika van elkaar afhankelijk zijn. We hebben dezelfde bestemming.
Een gezamenlijke strategie van een meer politieke aard kan niet alleen een verschil maken voor Afrika maar ook voor Europa en zelfs voor de hele wereld. De twee continenten moeten daarom dringend een nieuw kader instellen en een nieuwe instrumenten bemachtigen om de dialoog tussen de EU en AU op een veel hoger niveau te brengen. De gezamenlijke Euro-Afrikaanse strategie die we de laatste maanden met onze Afrikaanse partners hebben ontwikkeld, moet voor dit kader zorgen. Dit betekent echter niet dat we ons moeten afwenden van de traditionele solidariteitsverhouding. In plaats daarvan moeten we een kwalitatieve sprong maken die een nieuw tijdperk inluidt voor de betrekkingen tussen de EU en Afrika, een tijdperk dat twee partners met gelijke rechten en gelijke verantwoordelijkheden samenbrengt.
Dit zijn de onderwerpen die zeer goed in het verslag zijn vastgelegd en ik kan alleen maar mijn steun uitspreken voor de belangrijke nieuwe ideeën van het Parlement voor het controleren en ondersteunen van de implementatie van deze strategie en de actieplannen die daaruit zullen voortvloeien. In dat kader beschouw ik de oprichting van een gezamenlijke delegatie van het EP en PAP (pan-Afrikaanse parlement) als onontbeerlijk voor de institutionele architectuur die moet worden gecreëerd. Hieraan zou ik nog de vergaderingen willen toevoegen die regelmatig zullen moeten worden gehouden tussen de voorzitters van beide instellingen, evenals de gezamenlijke organisatie van hoorzittingen en de voorbereiding, ook op gezamenlijke basis, van politieke voortgangsverslagen. Dit alles zal essentieel zijn om de huidige dynamiek van het proces te behouden en het de politieke kracht te geven die het nodig heeft om uit te groeien tot een succes.
We beseffen dat deze benadering ook de oprichting van stevige en stabiele instellingen door de Afrikaanse Unie vereist, lichamen die in staat zijn om met die van ons samen te werken en te communiceren. Natuurlijk houden we dit in ons achterhoofd bij het voortzetten van onze ondersteuning van de Afrikaanse Unie bij het transformeren en verstevigen van haar instellingen. Als vroegtijdige bevestiging van deze verbintenis heb ik het genoegen om aan te kondigen dat voor het eerste actieplan van het pan-Afrikaanse parlement275 000 euro beschikbaar zal worden gesteld uit het institutionele ondersteuningsprogramma, dat op dit moment gefinancierd wordt door het negende Europees Ontwikkelingsfonds. Dit is een van de concrete zaken die mij door Voorzitter Borrell is medegedeeld.
Ik hoop dat deze eerste financiering het pan-Afrikaanse parlement in staat zal stellen om volledig deel te nemen aan het initiatief dat u hebt ondernomen om voorafgaand aan de Top van Lissabon van december een gezamenlijke parlementaire bijeenkomst te organiseren, zodat u de resultaten van uw werk vervolgens tijdens de top aan de staatshoofden kunt voorleggen.
Ik zou willen afronden met iets dat ik al vaker heb gezegd: de betrokkenheid en inzet van de burgerbevolkingen van onze twee continenten en van de gekozen volksvertegenwoordigingen zijn van essentieel belang voor het succes van het proces van dialoog en samenwerking tussen Europa en Afrika. Misschien vergeten we dit soms, maar we hebben het hier over het gemeenschappelijke lot van 1,5 miljoen mensen en zij zijn de belangrijkste partij in het partnerschap dat wij nu oprichten.
Mevrouw Martens, ik ben het volkomen met u eens dat het noodzakelijk is om samen te werken; dit is waarom wij de gedragscode hebben voorgesteld, die moet zorgen voor een betere werkverdeling tussen de verschillende donoren, en daarmee een grotere harmonie. Ik denk dat dit van consistentie getuigt omdat we, zoals u weet, in het tiende Europees Ontwikkelingsfonds een speciaal financieel potje hebben opgenomen voor bestuur, dat duidelijk een zeer belangrijk aspect is van de politieke dialoog die we met onze Afrikaanse partners willen opzetten. Wat betreft de EPO’s (economische partnerschapsovereenkomsten) twijfel ik er niet aan dat ik na uw interventies vragen zal moeten beantwoorden over dit onderwerp. Ik zal mijn antwoord daarom tot dan bewaren, om te voorkomen dat ik nu te veel zeg en daarmee te veel van uw tijd in beslag neem.
Mijn laatste opmerking gaat over iets dat de fungerend voorzitter van de Raad ook al heeft aangegeven: het belang van de Euro-Afrikaanse topconferentie valt niet te ontkennen. Het is nu de juiste tijd om een dergelijk evenement te organiseren want de dynamiek is er, een dynamiek die gunstig is voor de aanpassing van de doelstellingen en in sommige opzichten gunstig voor de aanpassing van de aard van de betrekkingen tussen onze twee continenten. We moeten de traditionele – om niet te zeggen banale – verhouding, dit nogal verouderde partnerschap van ontvanger en donor, of donor en ontvanger, achter ons laten en koers zetten richting een meer politieke associatie van twee partners met gelijke rechten en verantwoordelijkheden. In mijn optiek is dit duidelijk veel belangrijker. Hier laat ik het nu bij en ik ben er zeker van dat ik bij sommige van deze punten zal terugkeren wanneer u de gelegenheid hebt gehad om mij specifiekere vragen te stellen.
Michel Rocard, rapporteur voor advies van de Commissie buitenlandse zaken. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter, commissaris, dames en heren, de Commissie buitenlandse zaken, die ik als rapporteur voor advies vertegenwoordig, staat achter al deze inspanningen. Zij heeft aandacht voor Afrika en steun alles wat er gezegd is. Zij wil alleen weten of we werkelijk tegen de taak opgewassen zijn.
Wat we niet kunnen opschrijven, ook al wordt het gesuggereerd in ons verslag en kan ik het wel zeggen, is dat er rond Afrika veel politiek correcte en verstikkende bekrompenheid bestaat, die eerst uit de weg moet worden geruimd voordat we onze doelstellingen daadwerkelijk kunnen verwezenlijken. Als het gaat om de bevordering van de ontwikkeling van Afrika door het openstellen van onze markten voor zijn producten, moeten we wel onthouden dat ongeveer veertig Afrikaanse landen helemaal niets hebben om uit te voeren. Dit is simpelweg een loze kreet. Geen enkel Afrikaans land is zelfvoorzienend qua voedsel. Ze moeten invoeren om te eten, terwijl de uitvoer vanuit hier en Brazilië de plaatselijke zelfvoorzienende landbouw om zeep helpt. We moeten Afrika helpen zichzelf te beschermen. Dit is de boodschap die we in dit verslag herhalen.
Natuurlijk is corruptie een vernietigende plaag voor Afrika. Dit probleem is echter inherent aan bijzonder arme landen. We moeten daarom met de grote jongens beginnen en ons op hen concentreren. Dat betekent dus de gebruikelijke en welbekende verdachten, zelfs als dat ministers zijn, en degenen aan onze kant die zich schuldig maken aan omkoping. Kleinschalige corruptie zal alleen verdwijnen als de economie zich ontwikkelt. Laten we hen niet beginnen te beschuldigen van precies dezelfde dingen die wij een paar eeuwen geleden deden, want onze uitbreiding en ontwikkeling waren eveneens gebaseerd op corruptie.
Ten slotte kan een dictatuur zelfs met de hulp van handel en buitenlandse hulp geen democratie worden. Zij kan wel overgaan in verlicht despotisme. Het stoppen van martelingen en ontvoeringen, het garanderen van de vrijheid van meningsuiting en het veiligstellen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en haar greep op de politie moeten allemaal als belangrijker worden ingeschaald dan pluralistische verkiezingen die alleen maar worden georganiseerd om het westen te behagen, terwijl er voortdurend mensen worden ontvoerd en journalisten en verkiezingskandidaten worden vermoord. De voorwaarden die wij opleggen, moeten rekening houden met deze factoren. Over dit onderwerp moet nog veel gesproken worden.
Filip Kaczmarek, namens de PPE-DE-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, mevrouw Martens heeft een uitstekend verslag opgesteld dat door de Commissie ontwikkelingssamenwerking unaniem goedgekeurd is. Het is voor het eerst dat Afrika en Europa langzamerhand als partnerschap beginnen te functioneren en een gezamenlijke benadering vaststellen voor de ontplooiing van democratie, ontwikkelingshulp en bevordering van vrede en veiligheid op het gehele Afrikaanse continent. Ik deel de door vertegenwoordigers van de Raad en Commissie uitgesproken hoop dat dit verslag een goede inspiratiebron zal blijken in de aanloop naar de Euro-Afrikaanse topconferentie in Lissabon. Veel van de bepalingen in dit verslag, en meer in het bijzonder de implementatie hiervan, zullen van cruciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de betrekkingen tussen Europa en Afrika. Het zal moeilijk zijn om vooruitgang te boeken in onze wederzijdse betrekkingen zonder de consistentie van verschillende beleidssectoren van de Unie te verbeteren, zoals het beleid inzake handel, ontwikkeling, milieubescherming, landbouw en migratie.
Het is ook belangrijk om de besluiten en verbintenissen uit het verleden na te komen. In 2005 bepaalde de Raad van de Europese Unie dat er ten minste vijftig procent meer middelen voor ontwikkelingshulp aan Afrikaanse landen zou worden toegewezen. In mijn eigen land, Polen, is de ontwikkelingshulp de laatste jaren aanzienlijk toegenomen. Het probleem is dat vorig jaar slechts 1,4 procent van alle Poolse ontwikkelingshulp aan sub-Sahara Afrika is toegewezen. Het feit dat bepaalde lidstaten hebben getreuzeld bij het bekrachtigen van de herziene Overeenkomst van Cotonou en de interne overeenkomst inzake het tiende Europees Ontwikkelingsfonds, is eveneens zorgwekkend. Zoals het er nu voorstaat, heeft slechts de helft van de lidstaten van de Unie de Partnerschapsovereenkomst met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) die op 1 januari 2008 in werking moet treden, bekrachtigd.
Als volledige bekrachtiging uitblijft, zal het erg moeilijk zijn om de Afrikaanse programma’s voort te zetten en zullen de plannen voor ondersteuning van Afrika op de tekentafel blijven liggen. Ik doe daarom een beroep op de Parlementsleden om bij hun nationale parlementen en regeringen aan te dringen op bekrachtiging van de herziene Cotonou-Overeenkomst.
Alain Hutchinson, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter, commissaris, de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement heeft altijd het beginsel gehuldigd dat mensen die te maken krijgen met de directe gevolgen van ontwikkelingsstrategieën, recht hebben op inspraak op dit gebied, om ervoor te zorgen dat er echt rekening wordt gehouden met hun prioriteiten.
In dit verslag hebben we derhalve vanzelfsprekend benadrukt dat nationale parlementen en maatschappelijke organisaties betrokken moeten worden bij de nieuwe Euro-Afrikaanse strategie. Deze betrokkenheid ontbreekt grotendeels in de voorbereidingen die op dit moment worden getroffen voor deze nieuwe strategie, die de invoering van een nieuwe vorm van strategisch partnerschap beoogt. Dit moet dringend rechtgezet worden. In dit opzicht zijn wij erg verheugd over het initiatief van het Portugese voorzitterschap om delegatie van de Europese en pan-Afrikaanse parlementen uit te nodigen voor de topconferentie in Lissabon in december. Laten we hopen dat dit niet alleen een symbolisch gebaar is.
We hebben er ook herhaaldelijk op gewezen – en mevrouw Martens heeft dit zojuist ook genoemd – dat de verschillende Europese beleidssectoren daadwerkelijke samenhang moeten vertonen. Dit houdt in dat wanneer wij maatregelen nemen als onderdeel van ons beleid inzake handel, landbouw, visserij of immigratie, wij bijzondere aandacht moeten besteden aan de mogelijke gevolgen voor de ontwikkeling van landen van het zuiden en van Afrika in het bijzonder.
We hebben ook in herinnering geroepen dat de Europese Unie heeft beloofd al het mogelijke te doen om de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling te verwezenlijken en armoede uit te roeien. Met dit in ons achterhoofd staan wij erop dat de nieuwe Euro-Afrikaanse strategie een duidelijke verbintenisverklaring bevat, alsmede een uiteenzetting van de concrete maatregelen die nodig zijn om te zorgen dat de verbintenissen jegens Afrika worden nagekomen.
Ons standpunt inzake de economische partnerschapsovereenkomsten is zeer helder: wij zijn geenszins, dat wil zeggen noch ideologisch nog op andere gronden, tegen de ondertekening van overeenkomsten waarin de voorwaarden worden vastgelegd voor een partnerschap dat zowel de Europeanen als de bevolking van de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) ten goede zou komen. Wij zullen ons echter wel met hand en tand verzetten tegen overeenkomsten die, eenmaal ondertekend, de bevolking van met name Afrika in een positie brengt die nadeliger is dan die waarin zij zich nu bevindt. Dat is het doel van de amendementen die wij hebben ingediend.
Ten slotte zou ik erop willen wijzen dat we nog steeds niet op de hoogte zijn van de precieze tekst die tijdens de volgende Top van Lissabon ter tafel zal komen. U hebt ons verteld dat het document in kwestie op dit moment opgesteld wordt. Wij zullen derhalve scherp in het oog houden hoe de aanbevelingen die wij in dit verslag hebben gedaan, worden meegenomen bij de opstelling van dit document en behouden ons natuurlijk het recht voor om op gepaste wijze te reageren zodra wij de tekst onder ogen krijgen.
Johan Van Hecke, namens de ALDE-Fractie. – (NL)Voorzitter, collega’s, het verslag van Maria Martens bevat een aantal interessante aanbevelingen, ook al moet ik bekennen dat mijn fractie het enigszins moeilijk heeft met de ietwat negatieve ondertoon en het gebrek aan een coherente duidelijke toekomstvisie in het verslag.
Zeven jaar na de eerste top in Cairo probeert het Portugese voorzitterschap samen met de Commissie een nieuwe EU-Afrika-strategie uit te tekenen in een - denk ik toch - eerlijke poging om zich te ontdoen van het oude model van geven en nemen. Het is van het grootste belang dat die top er komt. Niet alleen vanuit een negatieve motivatie, niet alleen vanuit een verkrampte reactie op de groeiende invloed van China.
Integendeel, het groeiende besef aan beide kanten dat Europa en Afrika niet langer elkaars exclusieve preferentiële partners zijn, houdt een unieke mogelijkheid in om een totaal nieuwe, veel evenwichtiger relatie uit te werken. Op het eerste gezicht lijkt het water tussen Europa en Afrika niet al te diep. Alhoewel, voor Afrika moet elk nieuw partnerschap essentieel weg van de traditionele hulpafhankelijkheid en de cultuur van liefdadigheid en conditionaliteit. Er wordt steeds luider gepleit voor meer industrialisatie, voor meer ontwikkeling van de privé-sector en voor meer investeringen in de kenniseconomie.
Verder groeit het bewustzijn gelukkig in Afrika dat men in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor het oplossen van de eigen problemen. Europa moet nu duidelijk maken hoe het deze beloftevolle ontwikkelingen wil ondersteunen zonder in de val te lopen van paternalisme, bemoeizucht en inmenging. Ieder toekomstig partnerschap tussen de EU en Afrika zal onvermijdelijk gebaseerd moeten zijn op het principe van wederzijdse aansprakelijkheid. In die zin zou een onvoorwaardelijke opheffing van de landbouwexportsubsidies meer dan welke geste ook de geloofwaardigheid van de EU bij de Afrikaanse vrienden enorm kunnen versterken.
Brian Crowley, namens de UEN-Fractie. – (EN) Voorzitter, ik wil de fungerend Voorzitter en de commissaris bedanken voor hun bijdrage, maar ook in het bijzonder onze rapporteur, mevrouw Martens, voor haar werk ten aanzien van dit onderwerp, want in werkelijkheid hebben we te maken met een nieuw partnerschap, een nieuwe samenwerking tussen de Europese Unie en Afrika. Ik complimenteer de Raad met de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van de EU-Afrikatop in december en ik spreek de hoop uit dat de top niet zal afhangen van de vraag of één bepaalde persoon al dan niet deelneemt aan die top.
In de betrekkingen tussen Europa en Afrika staat te veel op het spel en dat mag niet afhangen van de aanwezigheid dan wel afwezigheid van Robert Mugabe. De acties van Robert Mugabe zijn ons allen welbekend en we hebben er allemaal kritiek op. We steunen allemaal de rechten van de democratische instellingen en de democratische bewegingen in Zimbabwe en we doen allemaal een oproep deze rechten te verdedigen, maar dat mag de ontwikkeling en het werk dat nodig is en doorgang moet hebben tussen de Europese Unie en Afrika als geheel niet in de weg staan.
De kwesties die spelen ten aanzien van goed bestuur, ontwikkelingshulp en in het bijzonder de vrije handel zijn van vitaal belang voor de toekomstige ontwikkelingen in Afrika. Wat ontwikkelingshulp betreft is de Europese Unie de grootste hulpgever ter wereld. Ierland, mijn eigen land, staat op de zesde plaats in de wereld als het gaat om het bedrag aan ontwikkelingshulp per hoofd van de bevolking. Maar het moet niet een vorm van geven zijn waar we iets voor terug verwachten. Waar het om moet gaan, is dat we mensen de vrijheid geven om zichzelf te bevrijden, problemen aan te pakken, en aan onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur te werken, zodat ze in de toekomst niet langer afhankelijk zullen zijn van hulp.
Er leven vragen ten aanzien van de betrokkenheid van China, omdat China niet hetzelfde belang hecht aan goed bestuur, corruptiebestrijding, openheid en transparantie als Europa. We moeten de invloed die China in die ontwikkelingslanden heeft, goed in de gaten houden. Voorzitter, bedankt voor deze spreektijd.
Marie-Hélène Aubert, namens de Verts/ALE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, ondanks uitgesproken intenties kunnen we niet echt zeggen dat er nieuwe elementen zijn toegevoegd aan de discussies van de laatste maanden over het partnerschap tussen de Europese Unie en Afrika. Natuurlijk moeten vrede en de rechtsstaat absolute prioriteiten zijn; de EU speelt in dit opzicht een steeds grotere rol en dat kunnen we alleen maar toejuichen. We moeten bijvoorbeeld ook zorgen dat de ondersteuning bij de organisatie van verkiezingen echt nauwkeurig en goed gecontroleerd verloopt zodat de betrokken gemeenschappen de praktische voordelen van de democratie voor hun alledaagse levens gaan inzien.
Wat de andere maatregelen betreft, zou ik zeggen dat de voorstellen van de Europese Unie al met al redelijk typisch zijn, ergens tussen de bevordering van goed bestuur en de bevordering van vrije handel in, en met de nadruk op economische ontwikkeling en de verlening van gezondheidszorg. Maar terwijl er kwesties zijn die om oplossing schreeuwen, gaan de Euro-Afrikaanse strategieën naar onze mening echter voorbij aan twee belangrijke problemen. In de eerste plaats is daar voedselveiligheid, die in het licht moet worden gezien van de stijgende prijzen van basisvoedingsmiddelen, met name granen, en de toename van biobrandstoffen, alsmede de noodzaak om de landbouw te beschermen en te ontwikkelen, ook al heeft het volgende Europees Ontwikkelingsfonds – zoals de meeste Afrikaanse regeringen – slechts een klein percentage van zijn begroting toegewezen aan deze doelstelling. Zelfs de Wereldbank heeft onlangs benadrukt dat het een en ander op dit gebied moet worden heroverwogen, en dat betekent wel iets. De kwestie van voedselvoorziening is nu absoluut cruciaal geworden, evenals de toekomst van kleine boeren die maar al te vaak worden genegeerd door het ontwikkelingshulpbeleid.
Het tweede belangrijke aspect is dat Afrika, zoals u weet, een enorme voorraad natuurlijke hulpbronnen herbergt waarvan de Afrikaanse bevolking jammer genoeg niet kan profiteren, ook al is de prijs van deze basisproducten enorm gestegen. Alle economische grootmachten, naast opkomende landen zoals China, proberen de hand te leggen op deze bronnen die steeds schaarser worden. Deze moderne goudkoorts, deze honger naar grondstoffen, heeft nu buitengewoon schadelijke gevolgen voor maatschappij en milieu en blijft oorlogen en corruptie aanwakkeren.
In de tussentijd spreekt de Europese Unie op theoretische en zelfs verheven toon, terwijl zij zich net zo goed schuldig maakt aan het uitbuiten van Afrika’s natuurlijke hulpbronnen. Hoe kunnen we de toegang tot deze bronnen nu rationaliseren, beheren en delen zodat de betrokken gemeenschappen er echt profijt van kunnen trekken zonder dat hun omgeving wordt verwoest? Dit is een vraag van groot belang die door de Euro-Afrikaanse strategie serieuzer moet worden genomen, omdat wij er sowieso mee geconfronteerd zullen worden gezien de snelheid waarmee de gebeurtenissen in deze sector zich voltrekken.
Luisa Morgantini, namens de GUE/NGL-Fractie. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik ben mevrouw Martens dankbaar, met name voor de samenwerking in de commissie, haar opmerkzaamheid en ook voor de uiteenlopende meningen die naar voren kwamen, oftewel onze meningsverschillen; maar ik denk dat het resultaat, op een paar punten na, zeer veelbetekenend is.
De betrekkingen tussen de EU en Afrika hebben een lange weg afgelegd sinds de verklaring van Caïro van 2000. Er is veel veranderd in Afrika, een continent dat gekenmerkt wordt door verscheidenheid en dat verwoest is door oorlogen. Er is vooruitgang geboekt door de oprichting van de Afrikaanse Unie, het beleid van eenheid in verscheidenheid.
Het pan-Afrikaanse parlement heeft de lijfspreuk “one Africa, one voice” aangenomen. Maatschappelijke bewegingen zijn actief en roepen op tot wat de heer Öger zojuist beschreef. Ze zijn actief en organiseren zich in netwerken, en ze waren zeer opvallend aanwezig bij het World Social Forum in Nairobi. Ook de opstelling van een gezamenlijk Afrikaans en Europees partnerschapsbeleid in plaats van een Europees beleid inzake Afrika betekent een echte vooruitgang.
De vergaderingen tussen het pan-Afrikaanse parlement en het Europees Parlement, en hun aanwezigheid bij de Top van Lissabon, brengen in de praktijk wat we in het document aangaven nog te missen, namelijk de rol van dit Huis. We eisen niet alleen een rol maar ook een praktische invulling hiervan en ik denk dat de hulp van Louis Michel uitermate belangrijk is geweest, naast natuurlijk de hulp van het Portugese voorzitterschap. Desalniettemin is het duidelijk op welke punten onze meningen uiteenlopen.
De verschillende onderdelen van de strategie zijn belangrijk, maar nu moeten we ze uitdrukken in samenhangend beleid, en dan heb ik het over wapenverkoop en -handel. We moeten daarom verder gaan op de ingeslagen weg, in de wetenschap dat deze met hindernissen bezaaid is.
Kathy Sinnott, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Voorzitter, onderwijs is de brug van armoede naar hoop. Het is een instrument voor het dagelijks leven in onze moderne samenleving. Het is een bolwerk tegen armoede en een bouwsteen voor ontwikkeling. Zo beschreef Kofi Annan de strategie in de Millenniumdoelstellingen, die overeenkomen met de doelstellingen van de EU-strategie voor Afrika. Hierin worden onderwijs en handel naast elkaar gezet, als sleutels tot de ontwikkeling van het continent.
Desondanks gaat de EU zich aansluiten bij rijke naties als de VS, Australië, Canada en Nieuw-Zeeland om geschoolde mensen systematisch uit Afrika en Azië te exporteren.
Commissaris Frattini heeft vorige maand aangekondigd dat Europa de komende 20 jaar 20 miljoen geschoolde arbeiders uit deze continenten gaat importeren, om te zorgen dat Europa “de migranten krijgt die de economie nodig heeft”, middels het blauwe kaart systeem, vergelijkbaar met de Amerikaanse Green Card. Een constante aanvoer van geschoolde arbeiders om de gaten op te vullen die ontstaan door de vergrijzing zal zeker voordelen hebben voor ons, maar een dergelijke braindrain zal een desastreus effect hebben op de arme en onderontwikkelde landen van Afrika.
Europa ontdoet de armen van Afrika ook van hun meest waardevolle bezit. Kinderen zijn de toekomst van ons land, maar de ontwikkelingsgelden van de EU worden gewoonlijk verbonden aan programma’s voor bevolkingspolitiek, die erop gericht zijn toekomstige Afrikanen te elimineren.
In het EU-Groenboek over demografie staat duidelijk dat er, zonder bevolkingsgroei, geen economische groei mogelijk is. Afrika is momenteel het enige continent ter wereld waar het geboortecijfer hoger is dan het sterftecijfer. Als we ons aan onze Millenniumdoelstellingen houden en onze beloftes nakomen, wordt Afrika in deze eeuw een wereldleider.
Koenraad Dillen, namens de ITS-Fractie. – (NL)Voorzitter, niemand ontkent dat dit verslag op een omstandige manier de vele problemen van het Afrikaanse continent, alsook de verschillende uitdagingen voor het partnerschap tussen de Europese Unie en Afrika beschrijft. Maar hoewel ik de expertise van de verslaggeefster op het vlak van ontwikkelingsbeleid ten zeerste waardeer, vind ik toch dat dit verslag de fundamentele oorzaak van Afrika’s problemen niet voldoende benoemt en ook geen antwoord geeft op sommige zeer fundamentele uitdagingen.
Zo mag het dan wel niet politiek correct zijn om het te zeggen, toch is het zo. In tegenstelling tot wat dit verslag beweert, delen Afrika en de Europese Unie vandaag de dag níet dezelfde zienswijze op meer democratie, goed bestuur en rechten van de mens. De grote oorzaak van de armoede, van de honger, van de onveiligheid en van de sociaal-economische problemen die het continent plagen - en die terecht in dit verslag worden opgesomd - zijn juist de zeer slechte en corrupte regimes die geen moeite doen om goed bestuur, democratie en mensenrechten te eerbiedigen.
Niemand betwist bijvoorbeeld nog dat Mugabe een crimineel is die zijn land ten gronde richt en zijn eigen bevolking terroriseert. Maar wat zeggen de landen van de ontwikkelingsgemeenschap van zuidelijk Afrika? Dat de verkiezingen correct zijn verlopen en dat de westerse landen zich maar moeten bemoeien met hun eigen zaken. Sta mij toe te twijfelen aan de beloften van diezelfde leiders aangaande goed bestuur.
In dit verslag wordt tevens terecht ingegaan op vrede en veiligheid. In Afrika met zijn talloze ondemocratische regimes belopen de uitgaven voor wapens nog altijd veel meer dan de massale ontwikkelingshulp die er naartoe gaat, stelt Oxfam. Alle problemen komen dus vaak terug tot eenzelfde oorzaak.
Ten slotte moet ik zeggen dat ik niet akkoord kan gaan met de paragraaf over immigratie. Want wie denkt dat het concept van circulaire migratie de brain drain uit Afrika en de immigratiedruk op Europa een halt kan toeroepen maakt zich, vrees ik, grote illusies wat dit betreft.
Michael Gahler (PPE-DE). – (DE)Mevrouw de Voorzitter, ik wil onze rapporteur bedanken voor haar goede en veelomvattende verslag. Over de algemene beginselen bestaat er hier in het Huis een brede consensus. De Euro-Afrikaanse topconferentie in Lissabon van december kan niet snel genoeg beginnen. Ik ben verheugd over het feit dat we een gezamenlijke strategie zullen overeenkomen.
Het standpunt van het Europees Parlement over de speciale kwestie van de heer Mugabe is al jarenlang bekend. Dit heerschap moet echter geen struikelblok worden voor een nieuw hoofdstuk in de betrekkingen tussen Europa en Afrika. Ik denk dat er genoeg Europese regeringsleiders zijn die een duidelijke en ondubbelzinnige boodschap hebben voor dit heerschap. Hij moet daarom aanwezig zijn om deze boodschap te ontvangen.
Als voorzitter van de delegatie voor de betrekkingen met het pan-Afrikaanse parlement wil ik enkele specifieke parlementaire wensen uitspreken voor de toekomstige samenwerking die we vorige week in Midrand overeen zijn gekomen. De Afrikaanse parlementen zijn over het algemeen verwaarloosd. Op papier spelen ze een belangrijke constitutionele rol maar ze worden over het algemeen niet erg serieus genomen door hun regeringen en evenmin door donoren. Met de juiste middelen en middels effectieve en uitgebreide capaciteitsopbouw voor leden en medewerkers van de parlementaire administratie, commissies en fracties, zullen deze parlementen echter de potentie hebben om hun daadwerkelijke rol als politieke controleur van de uitvoerende macht te vervullen. De onweerstaanbaarheid van dit scenario is er ook in gelegen dat er op deze manier controlelichamen met democratische legitimiteit op plaatselijk niveau ontstaan, wier kritiek bij problemen eerder zal worden aanvaard dan die van buitenlandse donoren.
Ik dring er daarom bij de Commissie op aan om gerichte parlementaire capaciteitsopbouw in haar landenprogramma’s op te nemen, zodat de Afrikaanse politiek over een paar jaar veel beter zal beantwoorden aan de behoeften van het publiek, mede dankzij de betrokkenheid van de nationale parlementen.
Alessandro Battilocchio (PSE). – (IT)Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil mevrouw Martens complimenteren met haar werk en mijn erkentelijkheid uitspreken voor de politieke bereidheid van de EU en de Afrikaanse Unie om een gezamenlijke strategie op te stellen waarin talrijke onderwerpen worden verenigd die voor beide gemeenschappen van belang zijn: van veiligheid tot het milieu, van migratie tot ontwikkeling en de bevordering van mensenrechten en democratie.
Om te zorgen dat deze strategie werkelijk doeltreffend is, moet de EU nu beginnen met het bouwen aan dit partnerschap, met de gepaste betrokkenheid van maatschappelijke organisaties en plaatselijke parlementen. De EU moet tastbare en effectieve maatregelen bevorderen voor de veiligstelling van mensenrechten, de vrijheid van meningsuiting en vergadering en het democratisch beginsel, zodat de economische en maatschappelijke ontwikkeling op het Afrikaanse continent echt duurzaam kan zijn en kan doordringen tot alle lagen van de Afrikaanse maatschappij.
Daarnaast ben ik het met mijn collega’s eens dat de EU zich uit alle macht moet inzetten voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, de bestrijding van AIDS – die de beroepsbevolking uitroeit – en de ontwikkeling van Europees beleid dat daadwerkelijk overeenkomt met de geest van ontwikkelingssamenwerking, met name op het gebied van internationale handel.
Danutė Budreikaitė (ALDE). – (LT)Ik wil mevrouw Martens feliciteren met haar verslag over de stand van zaken in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Afrika en met de voorgestelde maatregelen om deze betrekkingen te verbeteren.
Het is betreurenswaardig dat Afrika nog steeds het armste continent ter wereld is. Ondanks de internationale steun van de EU en andere landen is het armoedeniveau niet gedaald; het is zelfs gestegen. De millenniumdoelstellingen moeten nog steeds verwezenlijkt worden.
Dit gebeurt in Afrika, het continent met de meeste natuurlijke hulpbronnen ter wereld. De belangrijkste reden hiervoor is dat grondstoffen tegen de laagste prijzen worden uitgevoerd, terwijl er een hoge prijs wordt betaald voor eindproducten. Deze situatie kan worden omgekeerd door de ontplooiing van de verwerkende industrie en kleine en middelgrote ondernemingen, de invoering van nieuwe werkplekken en de bevordering van regionale samenwerking.
Het lijdt geen twijfel dat onderwijs een van de belangrijkste factoren voor de ontwikkeling van de onafhankelijke economie van Afrika is, zoals aangegeven in het verslag en voortdurend onderstreept door het Europees Parlement.
Met betrekking tot de toekomst van Afrika zou ik de militaire conflicten willen noemen die al jaren woeden in bepaalde gebieden, zoals Sudan. Enerzijds brengt deze situatie onzekerheid met zich mee voor zowel plaatselijke als buitenlandse investeerders, anderzijds maken sommige landen misbruik van de conflicten om de productie van grondstoffen tegen gunstige voorwaarden te verhogen.
De EU en de internationale gemeenschap zouden meer moeten doen aan de oplossing van militaire conflicten in Afrika. Dit zou de doeltreffendheid van de implementatie van het ontwikkelingssamenwerkingsprogramma vergroten.
Helmuth Markov (GUE/NGL). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, een zeer belangrijk onderdeel van Afrikaans ontwikkelingsbeleid is handel, en handel kan, mits correct gebruikt, helpen om armoede terug te dringen en de gezondheidszorg in Afrika te verbeteren. Handel kan helpen het onderwijs te verbeteren en analfabetisme uit te roeien. Alleen het soort handel dat de Commissie voor ogen heeft, kan dat niet.
Ik ben erg verheugd dat de Commissie – hetzij door een overwinning van het gezond verstand, hetzij door de inmiddels zware druk van de Afrikaanse landen – sinds afgelopen maandag een andere benadering van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) heeft aangenomen. Hierdoor zijn er geen onzinnige eisen voor wederkerigheid op het gebied van marktliberalisering meer en wordt er niet meer aangedrongen op de opneming van de Singapore-kwesties. Nu is er overeengekomen dat afzonderlijke thema’s weggelaten zullen worden zodat de besprekingen zich kunnen concentreren op goederen en andere kwesties later aan bod kunnen komen.
Als we de Doha-ontwikkelingsronde op dezelfde manier benaderen, kunnen we daar misschien ook enige vorderingen maken, want dit is waarop het herhaaldelijk is stukgelopen. De WHO en de Doha-ontwikkelingsronde zijn immers gestrand omdat de Commissie altijd vasthoudt aan dezelfde boodschap. Zij zegt: “Je moet begrijpen dat we alleen willen wat het beste voor jou is en als je dat niet inziet, kunnen we geen overeenkomst sluiten.”
Uit het verslag van het Parlement – dat in dit geval veel slimmer was dan de Commissie – dat in 2006 door mijn collega de heer Sturdy is opgesteld, blijkt gelukkig dat commissaris Mandelson allang de eisen had kunnen inwilligen waarvoor hij nu alsnog het hoofd moet buigen, en dan hadden we het misschien allemaal niet zo ver laten komen.
U bent zelf tijdens een commissievergadering voor ons verschenen en toen hebben we u er zeer nadrukkelijk naar gevraagd. En wat was uw antwoord? U zei dat commissaris Mandelson het geweldig deed! Feit is dat de Raad hier ook een verantwoordelijkheid heeft, aangezien deze aan het eind van het proces zijn steun moet verlenen aan de partnerschapsovereenkomsten. De Raad zou zich ook af en toe eens in de onderhandelingen kunnen mengen in plaats van simpelweg te zeggen: “We laten de commissaris zijn gang gaan tot hij eindelijk eens met iets komt.” Nee, u hebt een verantwoordelijkheid en als het om de EPO’s gaat, hebt u deze verantwoordelijkheid naar mijn mening niet genomen, tenminste niet als ik afga op uw verklaringen aan onze commissie.
VOORZITTER: LUISA MORGANTINI Ondervoorzitter
Robert Sturdy (PPE-DE).-(EN) Voorzitter, tot mijn verrassing ben ik het volledig eens met een collega van de andere kant van het Huis.
Ik wil mevrouw Martens complimenteren met haar verslag. Er zijn vanmiddag veel uitstekende dingen gezegd in deze Kamer, maar als het om Afrika gaat zijn we in gebreke gebleven. We zijn in het verleden in gebreke gebleven ten opzichte van Afrika en ik hoop, net als de rapporteur over EPO’s (economische partnerschapsovereenkomsten), dat deze Europese Unie Afrika niet opnieuw in de steek zal laten.
Gisteren heeft de Commissie een bericht gepubliceerd over EPO’s, waarin eindelijk werd toegegeven dat het onmogelijk is de onderhandelingen voor het eind van 2007 af te ronden, zoals eerder gepland was en zoals ik in mijn verslag gemeld heb. Maar de Commissie blijft erop aandringen dat de landen in Afrika, de Caraïben en de Stille Zuidzee (ACS-landen) toezeggen dat ze in 2008 de EPO’s zullen ondertekenen en dat sommige landen in de regio EPO’s moeten ondertekenen en andere niet. Is dat niet een ongelofelijke farce?
Er zijn nog te veel onduidelijkheden en onzekerheden in deze besprekingen en de tijd dringt. Het bericht is bewust vaag gehouden en hoewel ik begrijp waarom, baart me dit ook zorgen: ik onderteken nooit iets dat ik niet begrijp, maar dat is nou precies wat we Afrika vragen te doen.
Bovendien zouden deze nieuwe voorstellen, om binnen regio’s subregionale overeenkomsten af te sluiten met Afrikaanse landen die bereid zijn te tekenen, er een spaghetti-achtig rommeltje van maken, met verschillende overeenkomsten in landen die elkaars nabuur zijn.
Het idee dat andere landen en ACS-regio’s zich later zullen aansluiten, zou betekenen dat ze een overeenkomst ondertekenen waarover ze niet mee onderhandeld hebben. Hoe kan dat een goed idee zijn? Ging het bij de EPO’s niet om regionale integratie?
Dus wie richt zich nou op implementatie, het monitoren van systemen en het doen van effectstudies, terwijl de onderhandelende partijen nog worstelen om tot een overeenkomst over deze kleinere pakketten te komen? ACS-landen zouden niet de keuze opgelegd moeten krijgen tussen handelsovereenkomsten die schadelijk kunnen zijn voor hun lokale/regionale markten of barrières die hun exportmarkten aantasten. Er moet toch een keuze gemaakt worden en beleidswijzigingen van de Commissie op het allerlaatste moment dragen er niet aan bij, het vertrouwen van degenen die zijn afgehaakt te herstellen.
Josep Borrell Fontelles (PSE).-(ES) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, minister, dit debat moet ons verder helpen op weg naar Lissabon en de top, en we moeten het Portugese voorzitterschap bedanken dat het aandacht heeft geschonken aan de betrekkingen tussen Europa en Afrika. We hopen dat dit alles de Europeanen eindelijk zal helpen om in te zien dat hun lot onherroepelijk verbonden is aan dat van Afrika, dat de ontwikkeling van Afrika een voorwaarde is voor onze eigen welvaart en dat we de migratiestromen niet kunnen beheersen of de continuïteit van onze energievoorziening niet kunnen veiligstellen zonder een sterk partnerschap met Afrika.
Het moet duidelijk zijn dat het er niet om gaat arme mensen te helpen, maar onszelf. Ook moeten we goed beseffen dat de Afrikanen soms met maar weinig vertrouwen naar onze verklaringen luisteren en ze als retorisch beschouwen, omdat we het koloniale verleden niet achter ons kunnen laten voordat dit door iedereen gewenste partnerschap tussen gelijken, dat we al wel hebben aangekondigd maar dat nog lang geen werkelijkheid is, daadwerkelijk een feit is.
Het moderniseren van Afrika is een enorme klus. De Afrikanen hebben in dit opzicht een grote verantwoordelijkheid, maar wij ook. Zonder ons – zonder onze hulp, zonder onze samenwerking – zullen zij de situatie zoals beschreven in het verslag Martens nooit te boven kom, want naast handel hebben ze ook steun en gelijke verhoudingen nodig om hun verleden, waarvoor wij natuurlijk medeverantwoordelijk zijn, achter zich te laten.
Olle Schmidt (ALDE).-(SV) Dank u, mevrouw de Voorzitter. In december zal voor het eerst in jaren een topconferentie plaatsvinden tussen de Afrikaanse Unie en de EU. Het is een belangrijke bijeenkomst voor de EU, die een grote verantwoordelijkheid heeft voor ondersteuning van de economische en democratische ontwikkeling van Afrika. Het Portugese voorzitterschap valt te prijzen voor dit initiatief. De EU moet actiever worden op het Afrikaanse continent.
Waar ik mij, in tegenstelling to Brian Cowley, zorgen over maak, is dat de dictator van Zimbabwe, Robert Mugabe, waarschijnlijk bij de top aanwezig zal zijn. Het is de Europese Unie onwaardig aan dezelfde onderhandelingstafel te zitten als Mugabe. Zijn wanbestuur en corruptie leggen het hele land lam. Politieke tegenstanders worden geïntimideerd en in de gevangenis gegooid, er is geen vrijheid van meningsuiting, er zijn voedseltekorten in een land dat ooit de graanschuur van Afrika was en honderdduizenden mensen zijn dakloos. De economie valt uiteen, de inflatie is meer dan 7000 procent, de gemiddelde leeftijd is de laagste ter wereld en 25 procent van de bevolking is besmet met HIV. Mevrouw de Voorzitter, commissaris, Manuel Lobo Antunes, een van de manieren om onze afkeer van het dictatoriale regime te tonen is door zijn aanwezigheid bij de top niet te aanvaarden. Er moet een einde komen aan de gruwelijke heerschappij van Mugabe. Dictators verstaan alleen duidelijke taal. Dank u.
Eija-Riitta Korhola (PPE-DE).-(FI) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, ik wil de rapporteur, mevrouw Martens, bedanken voor dit belangrijke verslag. Enerzijds wijst het de Commissie er duidelijk op dat de parlementaire dimensie dit keer een rol moet spelen bij de opstelling van de gezamenlijke Euro-Afrikaanse strategie. Het feit dat de Commissie bij het opstellen van de EU-strategie voor Afrika in 2005 niet alleen haar tegenhanger maar ook het Parlement negeerde, was helaas geen uitzondering. Anderzijds valt het verslag te prijzen voor het opwerpen van een aantal belangrijke inhoudelijke vragen en voor het aankaarten van de kwestie van de te kiezen strategie.
Ten eerste blijkt duidelijk uit het verleden dat de uitoefening van universele mensenrechten vraagt om universele bescherming. Het is derhalve onontbeerlijk dat er bij het stellen van de prioriteiten van vrede en veiligheid in de EU-strategie voor Afrika wordt uitgegaan van een zienswijze waarin de beschermingsverantwoordelijkheid wordt erkend en gestimuleerd. Wij hebben een beschermingsverantwoordelijkheid en daar moet binnen de EU ook over gesproken worden.
Ten tweede moet klimaatverandering, zoals op prima wijze benadrukt in het verslag, een topprioriteit zijn in de strategie. Samen met energie zal water, dat wil zeggen de kwaliteit en hoeveelheid ervan, een ernstig politiek probleem worden, met Afrika als zijn allereerste slachtoffer. Desalniettemin wil ik iedereen eraan herinneren dat de ernstigste milieuproblemen van Afrika op dit moment erosie en overbegrazing zijn. De klimaatverandering maakt alles natuurlijk nog erger. Er zijn aanpassings- en ondersteuningsmaatregelen nodig. Daarnaast is Afrika voor de EU op internationaal gebied een natuurlijke partner in de strijd tegen klimaatverandering.
Ten derde wil ik het belang benadrukken van kleine bedrijven en plaatselijk ondernemerschap als voorwaarde voor duurzame en daadwerkelijke economische ontwikkeling in Afrika. We moeten zorgen dat de maatregelen die we nemen dit ondersteunen. Alleen de plaatselijke bevolking zelf kan Afrika uit het slop halen.
Ana Maria Gomes (PSE). – (PT)Ik moet mevrouw Martens feliciteren met dit belangrijke verslag, dat komt op het moment dat de EU haar betrekkingen met Afrika aan het herbepalen is, wat vooral veroorzaakt wordt door de opkomst van China als speler op dat continent. De verhouding tussen de EU en Afrika kan echter alleen maar beter worden als de tweeledige benadering uitgaande van ontwikkeling en veiligheid samenhangend is, met name met betrekking tot mensenrechten, democratie en goed bestuur.
Gezien het belang van de gezamenlijke strategie en het bijbehorende actieplan dat tijdens de Euro-Afrikaanse topconferentie moet worden goedgekeurd, wil ik het Portugees voorzitterschap vragen om het Europees Parlement goed op de hoogte te houden van de vorderingen van de onderhandelingen over deze documenten en hun inhoud. Zo kan erop worden toegezien dat de maatregelen die door de gezamenlijke strategie en het actieplan worden voorgeschreven vervolgens ook echt werkelijkheid worden, met de ondersteuning van het Europees Parlement en gecontroleerd door de verschillende toepasselijke financiële instrumenten.
Hier in dit Huis hopen we dat de gezamenlijke strategie en het actieplan een afspiegeling zullen zijn van de verbintenissen van de Europese Unie, met toekenning van gepaste prioriteit aan armoedebestrijding en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, met name de toegang tot basisgezondheidszorg en primair onderwijs. We willen dat er gezamenlijke maatregelen in worden opgenomen voor toezicht op de handel in lichte en handwapens, de werkelijke massavernietigingswapens in Afrika, evenals maatregelen voor de versterking van de positie van vrouwen en maatschappelijke organisaties, die het in zich hebben om Afrika de verandering, vrede en ontwikkeling te brengen waar het zo naar smacht.
Zuzana Roithová (PPE-DE). – (CS) Europa hield er door haar koloniaal beleid uit het verleden altijd een slecht geweten over Afrika op na. Vandaag de dag proberen we de ontwikkelingslanden te helpen toegang te krijgen tot de geglobaliseerde wereld. Daarom is de aandacht met betrekking tot deze landen verschoven naar mondiale uitdagingen. Naast ziekte, uithongering en drinkwatertekorten gaat het derhalve om veiligheid, handel, migratie, de uittocht van gestudeerden en klimaatverandering.
Naast liefdadigheid is het onze taak om erop toe te zien dat de Afrikaanse instellingen verantwoordelijke beslissingen nemen die gebaseerd zijn op democratische beginselen. Met het oog hierop beschouw ik de ontwikkelingsstrategie van commissaris Mandelson als gevaarlijk omdat deze zich uitsluitend concentreert op de handelsbetrekkingen in het Stille Oceaangebied.
Dames en heren, we moeten erop aandringen dat de Commissie de capaciteitsopbouw op het gebied van de mensenrechtenagenda opschroeft. Als dat niet gebeurt, heeft de democratie in Afrika, of waar ter wereld dan ook, geen schijn van kans. Het baart mij zorgen dat de ideologie van het voormalig communistisch blok zo diep geworteld is in Afrika. Eveneens zorgwekkend is de toenemende invloed van het totalitaire Chinese marktmodel, dat Afrikaanse grondstoffen binnenhaalt en de Afrikaanse bevolking werk afhandig maakt.
Ik wil de rapporteur, mevrouw Martens, feliciteren met de uitgebreide en evenwichtige omschrijving van de nieuwe strategie in haar uitstekende verslag. We moeten echter oog hebben voor het bijbehorende financiële kader en de resultaten van de toepasselijke indicatoren leren lezen.
Het lijkt mij daarnaast dat de Commissie het belang van samenwerking van de EU met haar naaste buur, Afrika, niet voldoende duidelijk maakt aan de Europese burgers. Ik hoop dat er, mede op basis van dit verslag, tijdens de Top van Lissabon in december een nieuw concept van betrekkingen verankerd in de mensenrechtenagenda zal worden aangenomen.
Ik zou willen afsluiten door te zeggen dat de top van wezenlijk belang zal zijn voor een verschuiving in de betrekkingen tussen de EU en Afrika en dat ik de intentie van Tsjechië en het VK om deze pan-Afrikaanse top te verhinderen vanwege de aanwezigheid van de dictator van Zimbabwe daarom afkeur. Dit gezegd zijnde, moet zijn aanwezigheid onvoorwaardelijk worden tegengewerkt en veroordeeld.
Thijs Berman (PSE). – (NL)Voorzitter, de verhouding tussen de Europese Unie en de Afrikaanse landen staat onder onaanvaardbaar zware spanning door de onderhandelingen met de ACS-landen over de economische partnerschapsovereenkomsten. Als die onderhandelingen mislukken, dan eindigt Cotonou voor een aantal landen vanaf 1 januari in een zwart gat, omdat onze handelsrelatie dan het veel minder gunstige general system of preferences zijn.
Het zou echter een schande zijn als de arme landen op die manier gestraft zouden worden, omdat ze vinden dat de EU en de ACS-landen geen gelijkwaardige partners zijn op dit moment. Geef arme landen het recht op marktbescherming van sectoren die zwak zijn en zouden omvallen in de storm van de open handel. Deze onderhandelingen staan in schril contrast met de goede principes en doelstellingen in het verslag van Maria Martens. Die doelstellingen deel ik.
We hebben als socialisten er wel aan willen toevoegen dat de handel en het landbouwbeleid van de EU het ontwikkelingsbeleid niet in de weg mogen staan. Coherentie, en het beleid moet zich vanzelfsprekend ook nog steeds richten op emancipatie en op vrouwenrechten. Het is aan de Europese Commissie om er concreet beleid van te maken. Daarop zal de Commissie ontwikkelingssamenwerking scherp toezien.
Zbigniew Zaleski (PPE-DE). – (PL) Ondanks de miljarden euro’s die aan Afrika zijn toegewezen, wordt de armoede op dat continent steeds erger, zoals aangegeven in het gedegen verslag van mevrouw Martens. Ik heb niet gesproken met de heer Antunes, de vertegenwoordiger van het Portugese voorzitterschap, of met de heer Van Hecke, maar ik wil benadrukken dat samenwerking met plaatselijke Afrikaanse entiteiten een absolute voorwaarde is voor de doeltreffendheid van financiële steun.
De economie moet geholpen worden bij het invoeren van technologie, het aanwakkeren van de ondernemingsgeest, het aanmoedigen van de betrokkenheid van burgers en de ondersteuning van particulier initiatief. Missionarissen houden zich bijvoorbeeld met dergelijke activiteiten bezig hoewel zij niet over fondsen beschikken, terwijl de Unie hier ondanks haar aanzienlijke financiële middelen niet bij betrokken is. Een van de belangrijkste uitdagingen is onderwijs, oftewel investering in menselijk kapitaal, dat grote voordelen met zich meebrengt. Afrika is echter ook bepaalde verbintenissen aangegaan, zoals het beëindigen van de wapeninvoer en het invoeren van bepaalde wettelijke voorschriften, met name op het gebied van het eigendomsrecht, wat essentieel is voor de ontwikkeling van de economie. Ik zou willen afsluiten door te zeggen dat de rol van regeringen is om hun burgers te dienen, niet om te zelf te profiteren van onze steun zoals gesymboliseerd door de luxueuze auto’s waarin vertegenwoordigers van Afrikaanse overheden rijden.
Marie-Arlette Carlotti (PSE) . – (FR)Mevrouw de Voorzitter, het huidige Afrika heeft twee gezichten: enerzijds dat van extreme armoede en menselijke tragedie, zoals in Darfur en Somalië, en dan is er nog dat andere gezicht dat te vaak genegeerd wordt, dat van een continent dat ondanks alles vernieuwingen doorvoert, dat steeds democratischer wordt, ook al gaat dat nog te langzaam, en dat beetje bij beetje weer op weg gaat naar groei.
De nieuwe Euro-Afrikaanse strategie moet dan ook rekening houden met deze tweeledige realiteit en dit nog broze proces ondersteunen middels een echt politiek partnerschap dat gebaseerd is op eenheid, want het is met heel Afrika, met de Afrikaanse Unie als woordvoerder, dat we contacten onderhouden, op gelijkheid, met een agenda die samen is opgesteld en niet is opgelegd door het noorden, en op nederigheid, want Europa is niet de enige partner van Afrika. De EU moet het proces ook ondersteunen door de ontwikkelingsdoelstellingen voor ontwikkeling als een routekaart te gebruiken, door zich aan haar beloften te houden, de financiële verbintenissen van de EU en de lidstaten na te komen en, ten slotte, de rol van de Afrikaanse parlementen te erkennen. Het verslag Martens is feitelijk de boodschap die we vandaag naar de Commissie en de Raad sturen, en in december zullen we in Lissabon zijn om te zien of deze boodschap daadwerkelijk is aangekomen.
Luís Queiró (PPE-DE). – (PT)Mevrouw de Voorzitter, zoals aangegeven in het verslag van mevrouw Martens waar ik het grotendeels mee eens ben, is de potentie van de huidige EU-strategie voor Afrika beperkt doordat deze niet tot stand is gekomen in partnerschap met de Afrikaanse bevolking. Deze vergissing moet en zal worden rechtgezet in de volgende EU-strategie, die de rol van de Afrikaanse Unie moet versterken en gebaseerd moet zijn op partnerschap en gelijkheid. De kwesties waar aandacht aan moet worden besteed, zijn onder andere vrede, het probleem van ontheemde personen en de bestrijding van ernstige zieken als AIDS en malaria.
Ontwikkeling moet ons doel zijn en handel een van de middelen. Daarom moeten we kleine en middelgrote ondernemingen ondersteunen en eerlijke internationale handel bevorderen. Onze strategie zal echter alleen succesvol zijn als we op het hele continent de democratie en de mensenrechten kunnen helpen versterken.
Bij de herziening en hernieuwing van de EU-strategie voor Afrika moet er rekening worden gehouden met de nieuwe plaatselijke en mondiale omstandigheden. Het feit dat we vandaag de dag in bespreking zijn met de Afrikaanse Unie is op zichzelf al van betekenis. Aan de andere kant houdt de algehele toename in het verbruik van zowel olie als voedsel de noodzaak in om de mondiale productiecapaciteit te verhogen en in dat opzicht is Afrika een continent dat rijk is aan olie en gas, maar dat ook een enorm onbenut landbouwpotentieel heeft.
Ten slotte is er nog de kwestie van de topconferentie. Het is niet nodig een topconferentie te houden om een strategie voor Afrika te bepalen. Aangezien het Portugese voorzitterschap echter gekozen heeft voor deze koers, zou het een vergissing zijn om deze niet tot het eind te volgen, omdat we dan de kans missen om het leven van Afrikanen positief te beïnvloeden. Mevrouw de Voorzitter, er mag niet louter worden gesproken over de kwijtschelding van schulden, omdat grotere rijkdom in de wereld kan en moet leiden tot grotere rijkdom in Afrika. De gehele bevolking moet van deze rijkdom profiteren, niet alleen de elite.
Zoals al is gezegd, mag internationale samenwerking geen probleem blijven voor Afrika. Daarom moeten we deze samenwerking verbeteren om te zorgen voor onderwijs, bevordering van de gezondheid, democratisering en ontwikkeling.
Luis Yañez-Barnuevo García (PSE). – (ES)Mevrouw de Voorzitter, ik wil de rapporteur feliciteren en zeggen dat ik het eens ben met de heer Michel als het gaat om de opzet van een nieuw soort partnerschap en de betrekkingen tussen Europa en Afrika. Ik wil ook de heer Lobo Antunes feliciteren met de organisatie van de Euro-Afrikaanse topconferentie door het Portugese voorzitterschap.
Terwijl deze nieuwe verhouding wordt opgebouwd, blijft officiële ontwikkelingshulp ook de komende jaren echter een zeer bruikbaar instrument in de betrekkingen tussen Europa en Afrika, waarbij het niet alleen gaat om Europa als geheel maar ook om de afzonderlijke lidstaten.
We zouden gezonde concurrentie tussen de lidstaten op het gebied van verbetering van de kwantiteit en kwaliteit van ontwikkelingshulp moeten bevorderen. Mijn land, Spanje, heeft zijn steun gedurende deze parlementaire termijn verdriedubbeld en zijn bijdragen in vergelijking met de vorige regering verhoogd van 200 miljoen euro in 2004 tot een verwachte 850 miljoen euro in 2008. Spanje is nu de op een na grootste donor van ter wereld en heeft van alle landen die lid zijn van de Commissie ontwikkelingshulp zijn bijdrage in die periode het meest verhoogd.
Manuel Lobo Antunes,fungerend voorzitter van de Raad. −(PT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, allereerst moet ik u bedanken voor uw commentaren, suggesties en zelfs voor uw kritiek op de voorstellen van het voorzitterschap inzake de betrekkingen tussen de EU en Afrika. Ik heb vanzelfsprekend nota genomen van al deze suggesties, opmerkingen en kritiek.
Ik wil zeer duidelijk stellen dat onze voorstellen inzake een nieuwe verhouding met Afrika in mijn optiek op twee punten vernieuwend zijn, of twee punten bevatten waarvan we tenminste hopen dat ze vernieuwend zijn of zullen blijken. Ten eerste willen we een oprecht partnerschap met onze Afrikaanse partners opzetten; deze oprechtheid moet ook tot uitdrukking komen in het eigenaarschap.
Zoals ik al gezegd heb, is de strategie die wij ontwikkelen voor Afrika geen unilaterale strategie. Het is een gezamenlijke strategie, oftewel een strategie die gezamenlijk wordt opgesteld, geanalyseerd en besproken, zodat het uiteindelijke voorgestelde resultaat echt voldoet aan wat onze Afrikaanse vrienden hopen en van ons verwachten en natuurlijk ook aan wat wij, in positieve zin, van onze Afrikaanse partners hopen terug te krijgen.
Anderzijds willen wij het aantal betrokkenen bij deze strategie vergroten, zodat het niet zoals altijd alleen regeringen zijn die erbij betrokken zijn. Naast regeringen willen we andere openbare instellingen, de reeds genoemde parlementen en ook een groot aantal maatschappelijke organisaties en hun vertegenwoordigers en uitvoerders erbij betrekken. Het tweede aspect dat naar mijn mening zeer belangrijk is, is dat we de gezamenlijke agenda van de Europese Unie en Afrika willen actualiseren. We willen dat deze aan de nieuwe mondiale uitdagingen beantwoordt, rekening houdt met de ingrijpende veranderingen die in de wereld plaatsvinden en, met name, Afrika de kans biedt om zich volledig te integreren in de nieuwe wereldorde.
Dat is waarom we met Afrika in bespreking en debat zullen gaan over nieuwe en actuele kwesties als de energiekwestie, de klimaatveranderingskwestie en kwesties omtrent migratie, mobiliteit en werkgelegenheid, natuurlijk zonder de kwesties uit het oog te verliezen die van wezenlijk belang blijven voor ons traditionele partnerschap, zoals vrede, veiligheid, democratisch bestuur en mensenrechten, evenals kwesties inzake de wetenschap en de informatiemaatschappij.
Ik denk dat deze agenda veelomvattend, ambitieus en, zoals ik al heb aangegeven, zeer actueel is. We moeten onze gezamenlijke agenda met Afrika actualiseren omdat deze aan de huidige behoeften moet voldoen. Ik wil ook zeggen dat het Portugese voorzitterschap en Portugal nooit hebben geschroomd om dictators in Afrika of waar ook ter wereld bij naam te noemen en ze te veroordelen en dat we dit waar nodig zullen blijven doen.
Ten slotte moet ik ook mijn dank uitspreken voor de samenwerking met de Commissie bij alle voorbereidingen voor de tweede Euro-Afrikaanse topconferentie. De Commissie en de commissarissen die bevoegd zijn voor handel, buitenlands beleid en humanitaire steun, hebben zich uit alle macht ingezet om ons van kwalitatief hoogstaande ondersteuning te voorzien en we zijn er zeker van dat we met zijn allen streven naar het gemeenschappelijke doel om een verschil te maken in Afrika en voor Afrika.
Louis Michel,lid van de Commissie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik zou willen beginnen met de Raad te bedanken voor de uitgebreide beantwoording van de vragen die uit de interventies naar voren kwamen, en daarnaast mijn steun uit te spreken voor de punten die gemaakt zijn.
Veel van de kwesties die zijn besproken, houden mij ook bezig. De Commissie zet zich in voor meer samenhang in haar beleid voor overzeese gebieden en in dezen zal de dialoog tussen Europa en Afrika ons in staat te stellen om gaandeweg enkele van de tegenstrijdigheden weg te werken, met inbegrip van die waar de heer Rocard al op wees. Het is duidelijk dat we af en toe tegenstrijdig beleid hanteren; denkt u bijvoorbeeld aan de subsidies voor landbouw. Dit is een tegenstrijdigheid. Helaas moet hier een keuze worden gemaakt uit uiteenlopende belangen en zit er soms niets anders op dan dat te aanvaarden. Ik zie wel dat Europa waarschijnlijk de enige internationale partij is die zichzelf voortdurend corrigeert en in ieder geval onmiskenbaar probeert de goede kant op te gaan.
Een tweede kwestie die is besproken, is die van Zimbabwe. Ik wil deze kwestie niet opnieuw bespreken. Mevrouw Martens heeft beter geantwoord dan ik ooit had gekund. Het gaat hier om een Euro-Afrikaanse topconferentie, niet een Euro-Zimbabwaanse. Dat is één. Ten tweede ben ik mij zeer bewust van de oproepen om de heer Mugabe uit te sluiten van deelname. Ik zou ook een dergelijke oproep kunnen doen, maar dat zou niets uithalen. De beslissing om de heer Mugabe uit te nodigen, hangt niet van ons af. Het spijt me, maar wij kunnen niet instaan voor onze Afrikaanse partners. Als commissaris voor ontwikkeling en humanitaire hulp, met een bijzondere verantwoordelijkheid voor de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en voor de politieke betrekkingen en de dialoog met Afrika, moet ik u tot mijn spijt vertellen dat wij niet het gezag hebben om tegen onze Afrikaanse partners te zeggen: “Jullie mogen iedereen uitnodigen behalve hem.” Hopelijk ga ik niet te ver als ik zeg dat als we iedereen zouden toetsen aan dictators, of aan degenen die we als zodanig zouden kunnen beschouwen, we met meer mensen problemen zouden hebben dan alleen de heer Mugabe. En sta mij toe om hier nog iets anders over te zeggen: dit is de realiteit.
Wat van belang is, is dat deze topconferentie gehouden wordt en dat we tijdens deze topconferentie over zaken kunnen spreken en de kwestie van mensenrechten in Zimbabwe kunnen aankaarten. Dat is wat mij nuttig en belangrijk lijkt, en ik heb er geen moeite mee dat te zeggen. De top moet dus doorgaan. We hebben lang genoeg gewacht. Er is al een top Afrika-China geweest. Sterker nog, er wordt een top Afrika-Japan voorbereid en wij zullen erbij zijn als deze plaatsvindt, al weet ik niet precies wanneer dat is.
Ik wil ook mededelen dat we de hulp van Zuid-Afrika hebben ingeroepen. Als er één Afrikaans land is dat zich sterk heeft ingezet voor het naar ieders tevredenheid oplossen van deze kwestie is het Zuid-Afrika. Bovendien is dit land op dit moment hoogstwaarschijnlijk bezig met het tot stand brengen, aanmoedigen en opstelling van een belangrijke overeenkomst tussen de meerderheid en de oppositie in Zimbabwe, die in maart 2008 zou moeten uitmonden in open en eerlijke verkiezingen. Deze besprekingen zijn nog aan de gang, maar het laatste gesprek dat ik had met president Mbeki heeft mij in ieder geval echte hoop op een succesvolle afloop gegeven. Laten we Zuid-Afrika dus niet bekritiseren, want het doet wat het kan en dat doet het niet verkeerd.
Met betrekking tot het gedeelte van de begroting dat word toegewezen aan landbouw wil ik er eenvoudigweg op wijzen dat tussen het negende en het tiende Europees Ontwikkelingsfonds het bedrag voor deze sector van 663 miljoen euro naar 1,1 miljard euro is verhoogd. Het is een feit dat ondanks de toename van de middelen tussen het negende en het tiende EOF het reële percentage is gedaald, maar als het om de werkelijke bedragen gaat, is de toename niet onaanzienlijk. Daarnaast moet ik melden dat ik zeer opgetogen was toen ik de voorzitter van de Wereldbank een aantal dagen geleden tijdens een bijeenkomst in Washington waar ik aanwezig was, hoorde aankondigen dat er veel meer aandacht zal worden besteed aan de ontwikkeling van de landbouw, en de kwesties die zojuist werden aangekaart houden mij derhalve eveneens bezig.
Als het gaat om de rol van maatschappelijke organisaties en de parlementen, met inbegrip van het pan-Afrikaanse parlement, kan ik de benadering van dit verslag alleen maar van harte toejuichen.
Zoals beloofd wil ik nog even terugkomen op de economische partnerschapsovereenkomsten of EPO’s. Ik zal het kort houden want de mij toegewezen tijd is erg beperkt. U zult op de hoogte zijn van mijn standpunt inzake deze overeenkomsten. Ze zijn een cruciale voorwaarde voor de integratie van Afrika in de wereldgemeenschap. Zoals Azië heeft aangetoond, is steun niet het doorslaggevende factor voor vooruitgang, maar economische ontwikkeling en integratie in de wereldmarkt. Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat de EPO’s de ACS-landen de gelegenheid bieden om geleidelijk in de internationale handelsgemeenschap te integreren door eerst hun regionale markten op te bouwen. Tegelijkertijd wil ik erop wijzen dat 1 januari 2008 niet een plotselinge en drastische marktliberalisering zal inluiden. Dus wat betekent deze datum dan wel? In feite zullen vanaf deze datum de markten geleidelijk geopend worden, waarbij de overgangsperioden per markt afhankelijk zullen zijn van het product in kwestie, met de ondersteuning van regionale fondsen die financiële steun zullen bieden en ook zullen helpen om het probleem van netto fiscale verliezen door de liberalisering te verzachten. Natuurlijk is er op dit terrein geen tekort aan interessante voorstellen.
Bovendien zullen we ook in staat zijn op een hele reeks terreinen zeer aanzienlijke middelen in te zetten, zodat er optimale voorwaarden kunnen worden geschapen voor het stapsgewijs doorvoeren van dit liberaliseringsproces en het nuttig, positief en productief maken van deze geleidelijke opening van de markten. Ik kan de zorgen die sommigen van u hebben uitgesproken goed begrijpen. Wat betreft de oproep om de termijn voor de sluiting van de economische partnerovereenkomsten te verlengen, moet ik u echter zeggen dat ik hier het nut niet van inzie. De WHO zal ons geen uitzondering verlenen voor de ACS-landen – ook al doet iedereen alsof ze dat misschien wel zullen doen – omdat ons huidige stelstel nadelig is voor andere ontwikkelingslanden die om eenzelfde behandeling als de voormalige koloniën vragen.
Het enige alternatief is derhalve het gebruik van het stelsel van algemene preferenties. De minst ontwikkelde landen (MOL) zullen toegang hebben tot alles behalve wapens, maar voor de niet-MOL – en ik wil er gewoon even op wijzen dit er 36 zijn – zou dit een verlaging van hun huidige toegangsniveau betekenen. Met de EPO’s kunnen we onze traditionele partners de preferentiële toegang blijven garanderen, maar wat nog belangrijker is, is dat de EPO’s ons zullen helpen het proces van regionale economische integratie te ondersteunen. Ik ben van mening dat hier het werkelijke potentieel van handel om bij te dragen aan economische ontwikkeling in schuilt.
We zijn ons natuurlijk bewust van de problemen die dit zal opleveren voor onze partners, we merken op dat ze zich terughoudend opstellen en, het moet gezegd worden, we begrijpen hun gegronde angsten. Juist daarom hebben we eerst voorgesteld om stappenplannen overeen te komen die in de eerste plaats het handelsprobleem zullen oplossen middels de opening van markten op een wederkerige basis die overeenkomt met de WHO-regels. Zoals ik altijd al heb gezegd, zal elk aanbod inzake markttoegang van onze ACS-partners altijd gebaseerd zijn op de beginselen van asymmetrie. Onthoudt u dat wij onze markten volledig openen, we ons zo flexibel mogelijk willen opstellen en alle beschikbare speelruimte zullen gebruiken om de ontwikkelingskwesties te incorporeren, met name de noodzaak van bescherming van de algehele landbouwproductie en opkomende industrieën.
Op dit moment werken we aan deze kwestie. De echte uitdaging is om te voorkomen dat niet-MOL op 1 januari in een rampzalige handelssituatie belanden. Het is duidelijk dat er voor deze landen enorme commerciële belangen op het spel staan. Als we het markttoegangsvraagstuk op 1 januari nog altijd niet hebben opgelost, zullen deze landen natuurlijk weer in het stelsel van algemene preferenties terechtkomen, wat betekent dat ze weer aan de zijlijn zouden staan en dan zouden ze zich echt in een rampzalige positie bevinden. Zelfs voor de sluiting van tijdelijke overeenkomsten moeten we dus al opschieten. Dat is eigenlijk alles voor wat betreft de EPO’s.
Ten slotte wil ik nog zeggen dat ik het volkomen eens ben met de opvattingen die de heer Borrell zo duidelijk heeft verwoord. De komende topconferentie en de Euro-Afrikaanse strategie staan helemaal in het teken van het doorvoeren van een fundamentele wijziging van de aard van de betrekkingen tussen Europa en Afrika. Laten we daarom proberen – en hier leen ik zijn omschrijving – om een sterk partnerschap op te zetten tussen twee partijen die elkaar respecteren en rechten en verantwoordelijkheden jegens elkaar hebben, en wat we nu hebben – ik zou het niet banaal willen noemen, het is ernstiger dan dat – deze gedateerde, verouderde en contraproductieve verhouding, deze vaak vernederende relatie van donor en ontvanger, achter ons te laten.
De Voorzitter. − Het debat is gesloten.
De stemming vindt morgen om 11.30 uur plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Pedro Guerreiro (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) De Euro-Afrikaanse topconferentie moet een kentering betekenen in het beleid van de EU inzake de eerbiediging van de soevereiniteit en het recht op ontwikkeling van de Afrikaanse landen en bevolking, door de aanmoediging van een eerlijkere, vreedzamere en menselijkere wereld met een hoger niveau van solidariteit.
Dit vereist onder andere:
- onmiddellijke solidariteitsmaatregelen om aan de absolute basisbehoeften van miljoenen mensen te voldoen;
- eerbieding van de nationale soevereiniteit en onafhankelijkheid, niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van de landen en een vreedzame oplossing voor internationale conflicten;
- demilitarisering van internationale betrekkingen en een geleidelijke vermindering van bewapening en militaire uitgaven;
- eerlijke internationale economische betrekkingen en verwerping van de opgelegde besluiten van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie en de “economische partnerschapsovereenkomsten” inzake de handelsliberalisering;
- kwijtschelding van buitenlandse schulden, die al ruimschoots zijn afbetaald;
- gepast samenwerkingsbeleid en actieve en wederzijdse ondersteuning van ontwikkeling;
- garantie van de rechten van immigranten.
Deze verhouding moet niet langer gebaseerd zijn op neokoloniale ambities of paternalistische opvattingen die gericht zijn op het goed maken van het terrein dat verloren ging toen de Afrikaanse volkeren hun nationale onafhankelijkheid bemachtigden – na in de tweede helft van de twintigste eeuw veroverd te zijn – en de aanmoediging van inmenging, de militaire aanwezigheid van de grootmachten van de EU en de controle over en exploitatie van natuurlijke hulpbronnen door multinationals.
Tokia Saïfi (PPE-DE),schriftelijk. – (FR) Als we het belang van het verslag van het Parlement over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Afrika in het kader van naderende Euro-Afrikaanse topconferentie in december willen aangeven, moeten we dat met name zoeken in zijn reële benadering.
Het verslag roept op tot een echt partnerschap tussen de EU en Afrika, een democratisch en reëel partnerschap dat gebaseerd is op doeltreffende en gecoördineerde steun, maar ook op handel.
Ik wil met name mijn steun uitspreken voor de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO’s) omdat, zoals in het verslag wordt benadrukt, internationale handel als een instrument voor ontwikkeling moet worden beschouwd. Armoede kan alleen blijvend worden teruggedrongen middels eerlijke en duurzame economische groei die goed gecontroleerd wordt, groei die het resultaat is van commerciële activiteiten die worden gestimuleerd door markttoegang.
Vrije handel is geen doel op zich, maar moet in dienst staan van de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen); dat is waarom de betrokkenheid van de ACS-landengroep geleidelijk en asymmetrisch tot stand moet komen, zodat er rekening kan worden gehouden met de plaatselijke kernmerken.
We kunnen onszelf niet tevreden stellen door alleen maar selectieve steun te bieden, want dan lossen we geen problemen op maar schuiven we ze eenvoudigweg tot het einde der dagen voor ons uit.
Afrika is niet alleen een podium voor humanitaire hulp, het moet ook een rol toebedeeld krijgen in zijn eigen ontwikkeling, met de Europese Unie als partner.