Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Waarschuwing
Dinsdag 11 december 2007 - Straatsburg Uitgave PB

17. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het Vragenuur (B6-0384/2007).

Vanwege het belang van het debat hebben we daar veel tijd aan gegeven, en we hopen dat we dit tijdens het vragenuur kunnen inhalen.

Omdat we aan de late kant zijn, zullen we in eerste instantie proberen om de aanvullende vragen steeds per fractie te behandelen, zodat we vanmiddag meer vragen kunnen behandelen, en zoals altijd roep ik de leden op om naar voren te komen en actiever aan het vragenuur deel te nemen.

Commissaris, het spijt me dat u hebt moeten wachten, maar het was een belangrijk debat, zoals u ongetwijfeld ook zult vinden.

We behandelen een reeks vragen aan de Commissie.

Eerste deel

Vraag nr. 34 van Lambert van Nistelrooij (H-0934/07)

Betreft: Energie - Wereldhandelsorganisatie

Hoewel de regels van de Wereldhandelsorganisatie er niet specifiek voor zijn geschreven, zijn WHO-regels ook van toepassing op energieproducten en -diensten en beschermen ze investeringen in de energiesector. Zo zijn exportrestricties en discriminatie van producten verboden en moet de vrije handel worden gewaarborgd. Er zijn echter wel uitzonderingen als het gaat om maatregelen in het belang van de veiligheid.

Bij energiehandel is het onderscheid tussen productie en diensten echter niet altijd duidelijk.

Welke maatregelen zal de Commissie, in de aanloop van het opnemen van energiebeleid als bevoegdheid van de Europese Unie in het nieuwe Verdrag, nemen om de WHO-regels ook toe te spitsen op energie-investeringen en energiediensten?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. − (DE) Mevrouw de Voorzitter, zoals de geachte afgevaardigde heeft opgemerkt zijn, in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de bepalingen van de Algemene overeenkomst over douanetarieven en handel (GATT) van toepassing op de handel in energieproducten, terwijl de bepalingen van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) van toepassing is op de handel in energiediensten., met inbegrip van rechtstreekse investeringen in zulke diensten. Er is nog geen overeenkomst die zich uitstrekt tot rechtstreekse investeringen in energiegerelateerde activiteiten die de investeerder op eigen rekening in de secundaire sector uitvoert, zoals mijnbouw, raffinage, energieproductie en energiedistributie.

Krachtens artikel 133 van het EG-Verdrag, waarin het gemeenschappelijk handelsbeleid wordt geregeld, heeft de Europese Gemeenschap de expliciete bevoegdheid om wetgeving uit te vaardigen en onderhandelingen te voeren inzake de handel in energieproducten en om onderhandelingen te voeren inzake de handel in energiediensten. Daarnaast is de Commissie gemachtigd om, in het kader van onderhandelingen met niet-EU-landen over vrijhandelsakkoorden, zowel in naam van de Gemeenschap als namens de lidstaten onderhandelingen te voeren over de liberalisering van rechtstreekse investeringen buiten de dienstensector. Dit betekent dat de Commissie reeds centrale vraagstukken in verband met de handel en investeringen in de energiesector kan aanpakken en de Europese belangen op dit gebied in bilaterale en multilaterale WTO-onderhandelingen kan behartigen. En dat is precies wat de Commissie doet.

Het energiebeleid dat in het nieuwe Verdrag wordt omlijnd, concentreert zich op onderwerpen als de zekerheid van de energievoorziening in de Unie en de bevordering van interconnectiviteit tussen energienetwerken, en in dit opzicht vormt het een aanvulling op, maar geen vervanging van, het gemeenschappelijk handelsbeleid in de energiesector.

 
  
MPphoto
 
 

  Lambert van Nistelrooij (PPE-DE).(NL) Voorzitter, meneer Verheugen, er is inderdaad goed nieuws in het kader van het nieuwe Verdrag, maar ook bijvoorbeeld dat we vandaag hier hebben besloten om vier GTI’s te financieren voor drie miljard euro en er komt nog eens drie miljard uit het bedrijfsleven voor schone technologie, voor vliegtuigmotoren, enz.

Aan de andere kant stoort het me nog steeds dat er volop verouderde technologie met negatieve milieueffecten wordt verhandeld, vooral uit de ontwikkelingslanden. Het is een vrij speelveld voor achterhaalde techniek, bijvoorbeeld voor kolencentrales uit de vorige eeuw.

Welke mogelijkheden ziet de commissaris, ziet de Unie, om hiervoor in de sfeer van de WTO toch op zijn minst een basis te leggen, en een en ander een halt toe te roepen?

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE).(DE) Bij de WTO-onderhandelingen is het belangrijk om te onderhandelen over de vraag in welke rubriek bio-ethanol in de toekomst zal worden ingedeeld. Wordt het als landbouwproduct geclassificeerd, of hoort het thuis in de categorie niet-landbouwproducten? Welke toekomstige structuren staan de Commissie voor ogen? Zal zij proberen bio-ethanol in het kader van de landbouwrubriek te bespreken, of moet het meer als een industrieel product worden beschouwd? Bio-ethanol wordt uit gewassen vervaardigd en is eigenlijk een landbouwgrondstof . Aan de andere kant zou bio-ethanol echter ook onder de rubriek “niet-agrarische markttoegang” (NAMA) kunnen vallen. Heeft de Commissie in dezen al een standpunt ontwikkeld, en zo ja, welke lijn gaat zij in de onderhandelingen volgen?

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE).(DE) Commissaris, telkens als er in mijn kieskring discussies ontstaan over de handel in energiebronnen, het energiebeleid, de Europese Commissie en het nieuwe Verdrag, en met name over de WTO, wordt door mijn kiezers steeds weer de vrees geuit dat we niet anders kunnen dan kernenergie te importeren, en dat we wellicht zelfs kerncentrales zullen moeten bouwen als de huidige trend zich doorzet. Kunt u mij alstublieft geruststellen en zeggen dat dit niet zo is, en kunt u dit enigszins motiveren, zodat ik ook mijn kiezers gerust kan stellen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, in sommige gevallen zie ik amper een verband tussen de oorspronkelijke en de aanvullende vraag, maar als u hiermee liberaal omgaat, doe ik dat ook in mijn antwoorden.

In antwoord op de eerste vraag kan ik zeggen dat ik het eens ben met mijnheer van Nistelrooij dat de verkoop van technologie die niet aan de normen inzake energie-efficiëntie en CO2-emissies voldoen, absoluut niet in ons belang is. Commissaris Dimas en ik werken momenteel aan voorstellen voor een mechanisme waarmee we in Europa een CO2-arme economie kunnen bereiken, zowel met betrekking tot het industriebeleid als tot de productie en consumptiepatronen. Ik hoop dat deze werkzaamheden tot normen zullen leiden die we dan ook in de internationale onderhandelingen kunnen meenemen.

U kent de huidige situatie. Er is momenteel geen ruimte om in het WTO-kader over dergelijke aanvullende normen te onderhandelen en ervoor te zorgen dat ze worden ingevoerd. Zoals u weet, is het echter wel onze doelstellingen om op de middellange en lange termijn hoge milieu- en sociale normen via multilaterale overeenkomsten bindend te maken om de concurrentienadelen te voorkomen waaronder onze ondernemingen anders zouden lijden.

Ik wil er ook op wijzen dat we bijzonder veel belang hechten aan een dergelijk multilateraal beleid in te voeren, omdat wij van mening zijn dat de toekomstkansen van het Europese bedrijfsleven vooral in ons vermogen liggen om marktleider te worden op het gebied van milieuvriendelijke, energie-efficiënte en energiebesparende producten.

Wat betreft de vraag van de heer Rübig moet ik toegeven dat ik daarop geen antwoord weet. Aangezien dit onderwerp niet binnen mijn werkterrein valt, mijnheer Rübig, zal ik commissaris Mandelson vragen om u onverwijld een schriftelijk antwoord te doen toekomen. Ik wil over dit punt liever niets verkeerds zeggen. Ik weet dat dit vraagstuk een rol speelt in de context van de vrijhandelsakkoorden, onder meer met Zuid-Afrika, waar wij op het moment over onderhandelen, maar mij is onbekend in welke categorie hierover wordt gediscussieerd. Uiterlijk morgen krijgt u de nodige informatie.

Wat kerncentrales betreft hanteert de Europese Commissie een volstrekt duidelijk beleid, dat tegelijkertijd het beleid van de Europese Unie als geheel is. Elke lidstaat kan volledig onafhankelijk en vrijelijk zijn eigen energiemix bepalen. De lidstaten kan niet worden aanbevolen of opgedragen om al dan niet gebruik te maken van kernenergie, noch poogt de Commissie op enige wijze invloed uit te oefenen. Wij zijn op dit punt volledig neutraal, en dat blijft ook zo. Wij zullen geen aanbevelingen van dergelijke aard doen.

Het zal u evenwel bekend zijn dat het Euratom-Verdrag is geïntegreerd in het EG-Verdrag, wat betekent dat de bevordering van het vreedzaam gebruik van kernenergie wel tot de taken van de Europese Unie behoort. Dat gebeurt zowel in de vorm van onderzoekssteun – projecten op het gebied van kernenergie komen hiervoor zonder meer in aanmerking en ontvangen al sinds tientallen jaren subsidies, dus dat is niets nieuws – als ook via de Europese Investeringsbank, die in sommige gevallen betrokken was bij de financiering van kerncentrales.

Met andere woorden: er is geen EU-beleid dat erop gericht is overal kernenergie in te voeren, noch is er een EU-beleid voor de algemene afschaffing van kernenergie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 35 van Justas Vincas Paleckis (H-0879/07)

Betreft: Model voor duurzame stadsontwikkeling

In de lidstaten van de EU, en in het bijzonder in de landen die zich in de eenentwintigste eeuw bij de EU hebben aangesloten, breiden de steden zich snel en vaak zonder samenhangend beleid uit. De woongebieden raken steeds verder verwijderd van het centrum, waardoor de problemen die verband houden met het vervoer, de verdeling van de middelen en de ontwikkeling van technische netwerken steeds groter worden. De stadsontwikkeling heeft dus een rampzalige invloed op het milieu en zorgt voor een hoger energieverbruik.

In het Groenboek over het stadsmilieu dat de Commissie in 1990 publiceerde, werd het ontwikkelingsmodel van de compacte stad bepleit als zijnde de beste keuze voor het milieu. Op dit moment lijkt het model voor polycentrische stadsontwikkeling eerder de voorkeur te genieten. Wat zijn de aanbevelingen van de EU om duurzame, milieuvriendelijke stadsontwikkeling te stimuleren? Wat zijn de argumenten ten gunste van het ene of het andere ontwikkelingsmodel? Op welke gegevens zijn deze aanbevelingen gebaseerd?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. (EN) De Commissie is sterk voorstander van een duurzame stadsontwikkeling die het milieu volledig respecteert. De Commissie heeft in 2006 een thematische strategie voor het stadsmilieu aangenomen, waarin wordt erkend dat duurzame stadsontwikkeling een belangrijk element voor de kwaliteit van het leven is, maar ook de verschillen tussen burgers in de Europese Unie worden erkend.

Daarom is in de strategie bepaald, na uitgebreide raadplegingen van plaatselijke autoriteiten en de lidstaten, dat oplossingen die zijn toegesneden op de plaatselijk omstandigheden het best kunnen worden bedacht en toegepast door plaatselijke en nationale autoriteiten, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.

Gezien de diversiteit van de stedelijke gebieden beveelt de Commissie niet één specifiek ontwikkelingsmodel aan voor elke stad in Europa. De Commissie is van mening dat het essentieel is om de juiste governance- en planningsinstrumenten te ontwikkelen, maar dat het opleggen van een verplichting om specifieke plannen te ontwerpen, zoals milieubeheerplannen of plannen voor duurzaam stadsvervoer, geen echte toegevoegde waarde heeft.

De Commissie heeft echter richtsnoeren met betrekking tot duurzaam stadsvervoer en geïntegreerde milieubeheerplannen gepubliceerd om de plaatselijke autoriteiten te helpen bij het implementeren van de doelstellingen van de strategie. De richtsnoeren moeten worden gezien als een procesbeschrijving en een geheugensteun voor de belangrijkste elementen die in aanmerking kunnen worden genomen bij het ontwikkelen van geïntegreerde milieubeheerprogramma’s en plannen voor duurzaam stadsvervoer op plaatselijk niveau. Beide documenten zijn gebaseerd op uitgebreide raadplegingen en voorbeelden van goede praktijken die door de steden zelf zijn ontwikkeld.

Er bestaat al wetgeving voor stedelijke gebieden, bijvoorbeeld op het gebied van luchtkwaliteit, waterbeheer, lawaai en afval. Die wetgeving moet beter worden uitgevoerd. De volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wettelijke instrumenten zal leiden tot een aanmerkelijke en belangrijke verbetering van de levenskwaliteit in stedelijke gebieden.

De Commissie herinnert aan de rijkdom aan ideeën over stadsontwikkeling, waardoor de ministers die verantwoordelijk zijn voor stadsontwikkeling consensus hebben kunnen bereiken op basis van het Actieprogramma van Lille, het “Urban Acquis” van Rotterdam, het Akkoord van Bristol, en meer recent het Handvest voor duurzame Europese steden dat op 25 mei 2007 is aangenomen tijdens een informele bijeenkomst van de Raad. In september 2007 heeft de Commissie een Groenboek over stedelijke mobiliteit aangenomen, waarover nu een publieke raadpleging plaatsvindt. In deze documenten, die een gedeelde achtergrond vormen, worden de belangrijkste voorwaarden voor het bereiken van duurzame stadsontwikkeling beschreven. Bovendien stimuleert de Commissie actief de dialoog en de uitwisseling van goede praktijken tussen steden in het kader van de programma’s die worden gefinancierd uit het Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds.

Met betrekking tot de gegevens die beschikbaar zijn over de situatie van de Europese steden, die de basis kunnen vormen voor beleidsbesluiten, heeft de Commissie de Database vergelijking van steden opgericht, die gegevens over de situatie van Europese steden bevat en die op dit moment wordt geactualiseerd. De Commissie heeft onlangs een studie over de toestand van de Europese studies gepubliceerd, waarin de resultaten van de database nader worden geanalyseerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE).(LT) Hartelijk dank, mijnheer de commissaris, voor uw uitvoerige en overtuigende antwoord. Het is heel belangrijk dat de Commissie input levert bij het zoeken naar methoden om kleine en grote steden aan te moedigen om positieve initiatieven te ontwikkelen en deze uit te wisselen. Ik zou u willen vragen welke regio’s volgens u het ideaal, dat natuurlijk onbereikbaar blijft, het dichtst benaderen. Welke lidstaten zijn het verst gevorderd bij de tenuitvoerlegging van de plannen die de Europese Commissie heeft aanbevolen?

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Mijnheer de vicevoorzitter, u heeft mijn aanvullende vraag zojuist al ongeveer beantwoord, maar omdat niets zo duidelijk is als een toelichting in uw moedertaal zou ik het zeer op prijs stellen als u in het Duits zou kunnen herhalen wat u zo-even heeft gezegd, namelijk dat de Commissie zich niet als hoogste instantie voor stadsontwikkeling in alles wil gaan inmengen, vooral niet als het om specifieke modellen voor een bepaalde stad gaat. Als rapporteur voor het groenboek “Een nieuwe stedelijke mobiliteitscultuur” kan ik u verzekeren dat het Parlement uw voornemen om diversiteit te bevorderen zeker zal ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. (EN) Staat u mij toe, mevrouw de Voorzitter, dat ik begin met de tweede vraag, waarbij ik zal oplezen wat ik heb gezegd, waarna ik daar een korte opmerking over zal maken.

Gezien de diversiteit van de stedelijke gebieden beveelt de Commissie niet één specifiek ontwikkelingsmodel aan voor elke stad in Europa. Het subsidiariteitsbeginsel en het diversiteitsbeginsel worden hier duidelijk gerespecteerd. Met andere woorden, mijn eigen woorden: dit betekent dat er geen uniform Europees model wordt opgelegd. Dit is geen uniforme aanpak; dit is een aanpak waarin rekening wordt gehouden met specifieke omstandigheden en de specifieke behoeften, belangen en capaciteiten van de steden, maar alles waarvan ik denk dat nodig is – richtsnoeren, aanbevelingen en de uitwisseling van goede praktijken – is aanwezig.

Wat betreft de eerste vraag is het verleidelijk om een antwoord te geven dat is gebaseerd op mijn eigen ervaringen, en ik kan u zeker vertellen in welke stad ik het liefst zou wonen, maar dat is geen politieke kwestie. De Commissie houdt daar geen score over bij en heeft geen rangschikking van Europese steden die al die elementen combineren.

Helaas ben ik niet in een positie om u een objectief antwoord te geven en het zou niet verstandig zijn om een persoonlijk antwoord te geven ten nadele van alle andere steden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 36 van Karin Riis-Jørgensen (H-0933/07)

Betreft: Netneutraliteit in het hervormingspakket voor de telecommunicatiesector

De afgelopen vijf jaar vond in de Verenigde Staten een zeer levendig debat over netneutraliteit plaats. Daarbij ging het onder meer over de vraag in hoeverre de exploitanten van netwerken de consumenten die gebruik maken van het internet in hun handelen kunnen beperken en sturen. Deze kwestie wordt ook in het hervormingspakket voor de telecommunicatiesector aan de orde gesteld en als oplossing wordt voorgesteld te eisen dat de consument meer doorzichtigheid krijgt over wat hij precies koopt. Doorzichtigheid is echter niet altijd voldoende om de belangen van de consument te beschermen – men denke aan de ingreep bij de roamingtarieven. Een onbelemmerde toegang tot internet bevordert de innovatie – voorbeelden zijn Skype, Joost, Web 2,0, enz.. Als telecommunicatiebedrijven echter het recht hebben een rangorde aan te brengen in de internetbewegingen van de consument en sommige bewegingen zelfs te blokkeren, leidt het hervormingspakket voor de telecommunicatiesector dan volgens de Commissie tot een toereikende bescherming van de consument en bevordering van de innovatie op het internet? En wat is hier de optimale oplossing?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. (EN) De vraag van de geachte afgevaardigde is heel belangrijk voor consumenten, aanbieders van telecomdiensten en leveranciers van inhoud of content, en uiteraard voor alle regelgevers in de telecommunicatiesector. Het gaat om het vinden van evenwicht tussen de wens van internetproviders om in kwalitatief opzicht verschillende internetdiensten aan te bieden teneinde het gebruik van hun netwerken te optimaliseren en de vrijheid van gebruikers om wettelijk toegestane inhoud te verspreiden of daar toegang toe te krijgen zonder dat er bemoeienis plaatsvindt in de vorm van blokkering of het verlagen van de kwaliteit.

De Commissie heeft zich gecommitteerd aan het open houden van het internet, zowel voor dienstverleners die nieuwe, innovatieve diensten willen aanbieden als voor consumenten die toegang willen hebben tot de diensten van hun keuze of die zelf inhoud willen creëren en uploaden.

Het debat over netneutraliteit dat in de Verenigde Staten wordt gevoerd, wordt sterk beïnvloed door het ontbreken van regelgeving die de toegankelijkheid waarborgt in de VS, en in combinatie met de concentratie in het eigendom van netwerken heeft dit gebrek aan regelgeving ten aanzien van de toegankelijkheid geleid tot een grote bezorgdheid onder consumenten en leveranciers van inhoud dat het internet mogelijk op slot zal gaan.

De situatie in Europa is dat we ons in algemene termen in een goede positie bevinden met betrekking tot netneutraliteit en netvrijheden, omdat we in overeenstemming met de telecommunicatiewetgeving doelmatige netwerkregelgeving hebben en Europese consumenten een grotere keuze hebben tussen aanbieders van breedbanddiensten. Het feit dat consumenten meer keuze hebben en er meer concurrentie is, betekent dat als een aanbieder de rechten van gebruikers probeert te beperken, een andere aanbieder die markt kan betreden met een meer open aanbod. Het huidige regelgevende kader van de EU heeft er tot dusverre voor gezorgd dat de telecommunicatiemarkt open is gebleven, dat de aanbiedingen die consumenten krijgen transparant zijn en dat de concurrentie zijn werk doet.

Ik begrijp de vraag van de geachte afgevaardigde, omdat het risico aanwezig is dat het verkeer in de toekomst in toenemende mate zal worden geprioriteerd. In het verleden werd alle informatie, pakketten en bits van gegevens, gelijk behandeld. Maar inmiddels kan er met nieuwe technieken onderscheid gemaakt worden tussen pakketten, om prioriteit te geven aan communicatie met een hoge urgentie of aan gebruikers die een premie hebben betaald voor diensten met een hogere kwaliteit.

Deze technieken zijn legitiem in gevallen waarbij het niveau van de diensten moet worden gegarandeerd om de dienst goed te laten werken. Voice-over- internetdiensten, om een voorbeeld te noemen, hebben een minimaal verbindingsniveau nodig om goed te functioneren, met name als het gaat om noodgevallen of zakelijke gesprekken. Bovendien wordt met prioritering een mechanisme gecreëerd waarmee netwerkexploitanten bij een toename van de vraag worden gestimuleerd om in het upgraden van de bandbreedte te investeren. Dat is de mooie kant van het verhaal. Het probleem is dat dezelfde technieken kunnen worden gebruikt om de kwaliteit van de dienst te verlagen tot een onaanvaardbaar laag niveau. Die discriminatie kan vervolgens leiden tot ondermaatse diensten voor consumenten en andere dienstverleners.

Dat is waarom we in het hervormingspakket voor de telecommunicatiesector, dat op 13 november 2007 door de Commissie is aangenomen en op dezelfde dag aan het Parlement is gepresenteerd, hebben voorgesteld om nationale regelgevende instanties de bevoegdheid te geven om minimumkwaliteitsniveaus vast te stellen voor netwerktransmissiediensten voor eindgebruikers, gebaseerd op technische normen die zijn vastgesteld op EU-niveau. Bovendien is er een nieuwe eis van kracht geworden in de regelgeving op het gebied van telecommunicatie die inhoudt dat gebruikers van te voren in kennis moeten worden gesteld dat er technieken worden toegepast die tot prioritering kunnen leiden. Dat noemen we de transparantieregel.

Wij als Commissie zijn van mening dat dit een evenwichtige aanpak is, die de concurrentie en de toegang voor gebruikers zal waarborgen zonder daarbij de mogelijkheden van aanbieders van netwerken om met verschillende zakelijke modellen te experimenteren onnodig te beperken.

Daarnaast weet het Parlement dat de Commissie de ontwikkelingen met betrekking tot de netvrijheden nauwlettend volgt. Na de Wereldtop over de informatiemaatschappij van 2006 hebben we een mededeling aan het Parlement gepresenteerd waarin duidelijk werd verklaard dat de Commissie de intentie heeft om de neutraliteit van het internet te monitoren en te bewaken. De architecturale beginselen van een open internet en “end-to-end”-connectiviteit worden ook expliciet genoemd in de conclusies van de Raad vanaf 2005.

Deze zaken worden voortdurend geanalyseerd, gemonitord en besproken met de lidstaten, bijvoorbeeld in de i2010-deskundigengroep op hoog niveau, en met derde landen. Dat is belangrijk, want het internet kent geen grenzen. De Commissie zal blijven hameren op de noodzaak van een open internet en van niet-discriminatoire toegang. Dat is de grondslag voor de filosofie achter de telecommunicatiewetgeving van de EU, die verder zal worden versterkt door ons hervormingsproject, dat in de komende maanden zal worden besproken met het Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Riis-Jørgensen (ALDE). - (EN) Dank u, commissaris. Ik ben erg blij met uw antwoord, dat zeer uitvoerig was en waaruit blijkt dat u belang stelt in deze belangrijke kwestie en ook over de nodige kennis beschikt.

Ik geloof dat u het systeem nauwlettend zult volgen, zoals u hebt beloofd. Ik hoop dat u binnen een jaar verslag aan ons kunt uitbrengen om te zien of de netneutraliteit door de transparantieclausule en het monitoringsysteem dat we hebben geïnstalleerd is gewaarborgd. Ik hoop dat we binnen zes of twaalf maanden op dit onderwerp kunnen terugkomen om te zien of het systeem werkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Malcolm Harbour (PPE-DE). - (EN) Ook ik wil de commissaris bedanken voor haar uitgebreide antwoord. Ik heb vorige week met leden van het Amerikaanse Congres gesproken en hen hetzelfde antwoord gegeven, dus het doet me genoegen dat u dat heeft bevestigd. Zou u echter iets kunnen zeggen over het open houden van de toegang, gezien het feit dat we een nieuw tijdperk betreden van grote investeringen in een volgende generatie netwerken met glasvezelverbindingen naar de huizen, waarvan door sommigen in de sector wordt gezegd dat er te weinig prikkels zijn om erin te investeren? Kunt u tegenover dit Huis bevestigen dat u het beginsel van open toegang zult handhaven, om precies de redenen die u hebt genoemd in uw antwoord op de vraag van mevrouw Riis-Jørgensen?

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE).(DE) Ook ik wil de commissaris gelukwensen met het feit dat zij is uitgeroepen tot “commissaris van het jaar”. Inderdaad staan we op dit gebied voor grote uitdagingen. Aan de ene kant hebben we de openbare omroeporganisaties, die een hele hoop geld krijgen voor hun uitzendingen, zodat zij natuurlijk in staat zijn goede educatieve programma’s te maken. Aan de andere kant ontvangen steeds meer burgers mobiele televisie. Hoe ziet u de ontwikkelingen op dit vlak?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. (EN) In de eerste plaats wil ik de geachte afgevaardigde bedanken voor het feit dat ze me helpt om dit beleid voort te zetten. Dit beleid is gebaseerd op een open netwerk en een open internet, wat altijd de denkrichting, aanpak en doelstelling van Europa is geweest en ook zal blijven.

We moeten ons voorlopig niet te veel zorgen maken, omdat wij ons als gevolg van ons regelgevend kader gelukkig niet in dezelfde moeilijke omstandigheden bevinden als andere delen van de wereld. Dat betekent niet dat we achterover kunnen leunen en niets hoeven te doen, en daarom heb ik gezegd dat we deze situatie zeer nauwlettend zullen volgen. Ik zal verslag uitbrengen aan het Parlement en ik ben er zeker van dat we in de loop van onze gesprekken over het hervormingspakket voor de telecommunicatiesector op deze onderwerpen zullen terugkomen Ik voorzie ook dat alles door de technologische vooruitgang zeer snel zal veranderen, wat misschien betekent dat ik in de komende maanden niet naar u terug hoef te komen.

Met betrekking tot de open toegang tot nieuwe technologie en nieuwe investeringen weet de geachte afgevaardigde heel goed dat de Commissie haar veto heeft uitgesproken over het voorstel van de Duitse regering om een nieuw monopolie op glasvezel te vestigen. Wij denken niet dat monopolies het antwoord zijn als het gaat om open toegang tot internet en om alles waar we in geloven. Dat is ook de reden dat we inzetten op concurrentie. Wij zien concurrentie als een middel om investeringsmogelijkheden te creëren. De lidstaten met de meeste concurrentie, in de zin van open markten, zijn ook de lidstaten die de meeste concurrentie op het gebied van infrastructuur hebben. Concurrentie op het gebied van infrastructuur betekent de beschikbaarheid van inhouddiensten voor de consument en keuzemogelijkheden voor de consument. Dat is precies wat wij willen bereiken.

(DE) Aan het adres van de heer Rübig zou ik het volgende willen zeggen: men weet dat ik mij zeer sterk heb ingezet voor een Europese standaard, zodat we van mobiele televisie met behulp van deze standaard zo snel mogelijk een succes kunnen maken in heel Europa, net zoals we dat met de GSM-standaard hebben gedaan. Ik denk ook aan de inhoud, omdat voor deze kleinere formaten specifieke inhoud moet worden ontwikkeld. Dit biedt ook grote kansen voor onze creatieve industrie, als we erin slagen mobiele televisie zo snel mogelijk op de markt te brengen, dat wil zeggen vóór het grote voetbalevenement van volgend jaar en vóór de Olympische Spelen. Dit is een kans die we als Europeanen niet mogen missen!

 
  
  

Tweede deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 37 van Colm Burke (H-0897/07)

Betreft: Europees Handvest voor kleine ondernemingen

Het Europees Handvest voor kleine ondernemingen kan een centrale rol spelen bij de verbetering van het zakelijke milieu voor kleine bedrijven in de EU.

Kan de Commissie commentaar leveren op de vraag of het handvest nuttig blijkt bij het bijstaan en ondersteunen van kleine bedrijven?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. (EN) Tijdens de zeven jaar van zijn bestaan is het Europees Handvest voor kleine ondernemers een kerndocument in het beleid inzake kleine en middelgrote ondernemingen in Europa geworden. Nadat de vijftien lidstaten dat in het jaar 2000 hadden gedaan, hebben nu 44 landen het Handvest aangenomen als referentiekader, en het wordt inmiddels ook op regionaal niveau gebruikt.

Sinds 2005 is het beleid inzake kleine en middelgrote ondernemingen uitgegroeid tot een cruciaal element van het hernieuwde partnerschap voor groei en werkgelegenheid – de hernieuwde Lissabon-strategie – en is het Handvest in het verslagleggingsproces voor die strategie geïntegreerd. Dit waarborgt dat er op politiek niveau de benodigde prioritaire aandacht voor zal zijn. Dit wordt aangevuld door de jaarlijkse selectie van goede praktijken en de conferenties over het Handvest, waarbij de nodige aandacht wordt besteed aan de implementatie. Zowel de selectie van goede praktijken als de jaarlijkse conferentie zijn nog steeds uiterst succesvol.

Wat de goede praktijken betreft zijn er tot dusverre al 250 voorbeelden van aantoonbaar succesvolle beleidsmaatregelen op het gebied van kleine en middelgrote ondernemingen beschreven. In ongeveer tachtig van deze gevallen hebben lidstaten aangegeven dat ze zich bij het ontwikkelen van hun eigen beleid hebben laten inspireren door maatregelen die andere lidstaten hadden genomen.

Ik zal u een paar voorbeelden geven uit een lange lijst. Het Griekse éénloketsysteem is geïnspireerd op het systeem van Ierland en de presentatie die Ierland heeft gehouden tijdens de conferentie over het Handvest in Dublin in 2004. De Oostenrijkse belastingvrijstelling voor geïnvesteerde winsten is ontwikkeld op basis van een vergelijkbare maatregel in Italië. Denemarken geeft kleine en middelgrote ondernemingen ondersteuning bij het gebruik van elektronische handel op basis van vergelijkbare initiatieven in Ierland, Nederland, Finland, Zweden en Noorwegen. In al die gevallen hebben de lidstaten bevestigd dat het Handvest de inspiratiebron voor de maatregelen was.

De grote belangstelling voor het Handvest blijkt ook uit het almaar groeiende aantal deelnemers aan de jaarlijkse conferenties over het Handvest. De conferentie in Berlijn trok dit jaar 350 deelnemers, het hoogste aantal deelnemers ooit, en het heeft me veel genoegen gedaan dat ik daar aanwezig kon zijn en al die mensen uit meer dan veertig landen kon toespreken. De volgende conferentie over het Handvest zal worden gehouden op 3 en 4 juni 2008 in Bled, Slovenië. De conferentie zal mede worden georganiseerd door het Sloveense voorzitterschap, en ik verwacht een nog hoger aantal deelnemers.

De Commissie ziet dat het Handvest buitengewoon nuttig is bij het aanmoedigen van de lidstaten om het ondernemingsklimaat voor kleine ondernemingen in heel Europa te verbeteren. In het zevende jaar van zijn bestaan blijft het een cruciaal beleidsinstrument. Dus het logische antwoord op uw vraag is “ja”.

 
  
MPphoto
 
 

  Colm Burke (PPE-DE). - (EN) Dank u, commissaris, voor uw uitgebreide antwoord. Waar ik in mijn vraag eigenlijk naartoe wilde – en ik weet dat dit niet uw terrein is – is de hele ontwikkeling van internet- en breedbanddiensten. In heel Europa bedraagt het aansluitingspercentage slechts negentien procent. In mijn eigen land is dat ongeveer zestien procent, en dat heeft gevolgen voor kleine ondernemingen in rurale gebieden, in het bijzonder in de regio waar ik vandaan kom. Ik vlieg naar het Parlement vanaf de meest westelijk gelegen luchthaven van de EU, die van Tralee.

Mijn punt is in essentie dat de vrijwillige organisaties van kleine ondernemingen die ondersteuning geven aan kleine ondernemingen heel goed zijn in het geven van informatie, en ik vraag me af of we niet meer met die organisaties kunnen doen, door ze te helpen bij het beschikbaar maken van informatie aan hun leden.

 
  
MPphoto
 
 

  Malcolm Harbour (PPE-DE). - (EN) Dank u, mijnheer Verheugen, voor uw zeer bemoedigende antwoord. Ik wil twee aanvullende vragen stellen over hoe we dit initiatief kunnen uitbouwen en nog succesvoller kunnen maken. De eerste vraag is hoe u het Handvest denkt in te passen in uw ideeën voor een zogeheten “Small Business Act”, wat ik een belangrijke en opwindende nieuwe ontwikkeling vind. Ten tweede, als we dit onderwerp aan de Lissabon-agenda koppelen, bent u het met mij eens dat een van de grootste vragen is hoe we eraan kunnen bijdragen dat kleine ondernemingen snel kunnen groeien, met name kleine ondernemingen die goed ideeën hebben maar moeilijk aan kapitaal kunnen komen, zodat ze hun groei kunnen versnellen en werkgelegenheid kunnen creëren? Is er binnen het Handvest-programma ruimte voor een “mini-Handvest” voor snel groeiende ondernemingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. (EN) Met betrekking tot de eerste vraag wil ik bevestigen dat alle organisaties van kleine en middelgrote ondernemingen volledig bij dit initiatief zijn betrokken, en we hebben een project afgerond waarmee een netwerk wordt opgericht dat overal in de Europese Unie ondersteuning aan kleine ondernemingen zal geven. Een van de belangrijkste aspecten van het werk van dat netwerk zal juist het gebruik van ICT in bredere zin zijn.

We hebben duidelijk vastgesteld wat een van de redenen is voor het feit dat Europese kleine en middelgrote ondernemingen minder dynamisch zijn dan bijvoorbeeld Amerikaanse kleine en middelgrote ondernemingen, en dat is dat Amerikaanse kleine en middelgrote ondernemingen sneller groeien, meer winst maken, meer innovatief zijn en gemiddeld meer werknemers in dienst hebben. Een van de oorzaken hiervan – en dit blijkt duidelijk uit de analyse – is dat er in de Verenigde Staten veel sneller gebruik wordt gemaakt van nieuwe ICT-toepassingen. Met name wordt in de Verenigde Staten de modernste beschikbare technologie gebruikt. In Europa zijn we al blij als de eigenaar van een klein familiebedrijf überhaupt online is! Dat is een feit. Europese kleine ondernemingen zijn over het algemeen heel kleine micro-ondernemingen met minder dan tien werknemers, en zijn normaal gesproken niet op groei gericht, maar op het garanderen van het gezinsinkomen. Dat is de reden waarom die ondernemingen bestaan. Daarom is het erg moeilijk om die ondernemingen ervan te overtuigen dat ze moeten moderniseren, dat ze marktspelers moeten zijn en dat ze moeten groeien.

Ik deel uw opvattingen volledig en ik kan alleen zeggen dat we al vele, vele initiatieven hebben genomen om deze ondernemingen te steunen – waarvan enkele overigens samen met de betrokken sectoren, die er natuurlijk belang bij hebben om hun producten te verkopen. Daarom combineren we beide, en de initiatieven zijn niet alleen gericht op kleine en middelgrote ondernemingen. Het probleem van het gebrekkige ICT-gebruik door kleine en middelgrote ondernemingen moet worden gezien in samenhang met het probleem dat er in rurale gebieden vaak geen netwerk en geen infrastructuur is. De Commissie is ook op dit gebied actief. Dit maakt zeker ook deel uit van het Handvest-proces en het zal ook deel uitmaken van het verslagleggingssysteem.

Wat betreft de tweede vraag weet de heer Harbour dat ik zijn vragen altijd met plezier beantwoord, maar deze vraag over de Small Business Act komt iets te vroeg. Het Handvest is een proces, zoals u weet, en het zou verstandig zijn om ons te concentreren op wat het nu is – een netwerk voor samenwerking op het gebied van nieuwe ideeën en goed praktijken. Ik wil niet te veel instrumenten creëren, maar het is duidelijk dat we bij de voorbereiding van de Small Business Act alle bestaande instrumenten tegen het licht moeten houden om te kijken of ze geschikt zijn of niet en om te besluiten of we ze in deze context kunnen verbeteren of niet.

In principe moet ik zeggen dat ik blij ben dat overal in Europa nu aanvaard wordt dat kleine en middelgrote ondernemingen echt het grootste potentieel voor innovatie, groei en het scheppen van werkgelegenheid hebben. Alle initiatieven die we voorbereiden zullen eraan bijdragen dat kleine en middelgrote ondernemingen dat potentieel ten volle zullen kunnen benutten en aanboren.

We weten al een paar jaar wat de fundamentele problemen zijn en u weet ongetwijfeld welke dat zijn: het probleem van onvoldoende innovatieve capaciteit; het probleem van geen toegang hebben tot financiële instrumenten, met name tot risicokapitaal; het probleem van de overdracht van een onderneming – een belangrijk aspect dat in sommige lidstaten ernstig wordt onderschat. We raken in Europa elk jaar honderdduizenden ondernemingen kwijt die gemakkelijk zouden kunnen doorgaan als de overdracht van de ene generatie naar de volgende generatie beter zou worden georganiseerd. De belastingomgeving voor kleine en middelgrote ondernemingen is ook belangrijk, en mijn favoriete onderwerp – de overdaad aan regels – is voor kleine en middelgrote ondernemingen veel belangrijker dan voor grote bedrijven.

Grote bedrijven kunnen goed leven met veel en moeilijke regels. Ze hebben juridische afdelingen en die doen dat. Overigens ben ik er ook van overtuigd dat grote bedrijven de interne markt veel minder hard nodig hebben dan kleinere bedrijven. Grotere bedrijven zouden gebruik maken van hun vestigingsrecht en zouden overal zitten. De hele filosofie achter de interne markt moet in mijn opvatting gericht zijn op de kleine en middelgrote ondernemingen, en helaas moet ik u vertellen dat slechts acht procent van de Europese ondernemingen grensoverschrijdend zaken doet.

Als je dat analyseert, zie je dat het potentieel van de Europese interne markt in hoge mate onderbenut wordt, als slechts acht procent van onze ondernemingen – meestal de grotere – meedoet. Daarom is er nog veel werk te doen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 38 van Jim Higgins (H-0899/07)

Betreft: Lawaaioverlast motorvoertuigen

Kan de Commissie een overzicht geven van de regelgeving en de richtsnoeren die momenteel gelden voor de aanpak van door motorvoertuigen veroorzaakte geluidsoverlast, indien van toepassing met name het aantal vastgestelde dBa, en kan zij mededelen of zij verdere maatregelen overweegt om ervoor te zorgen dat de door motorvoertuigen veroorzaakte lawaaioverlast wordt beperkt?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. (EN) De hoogte van de lawaai-emissies van vierwielige motorvoertuigen – auto’s, bestelwagens, vrachtwagens, bussen – wordt geregeld in UNECE-regeling 51 en de daarmee overeenstemmende Richtlijn 70/157/EEG, waarin geluidsmetingen en grenswaarden zijn neergelegd.

De grenswaarden zijn in het verleden verschillende malen verlaagd, voor het laatst in 1995. Het maximaal toegestane geluidsniveau ligt op dit moment op 74 dBA voor personenauto’s en 80 dBA voor zware vrachtwagens. Voor dieselmotoren met directe injectie, terreinwagens en sportwagens ligt het niveau hoger.

Deze laatste verlaging heeft niet het beoogde effect gehad en uit latere studies is gebleken dat de meetmethode het werkelijke rijgedrag niet meer weerspiegelde.

Daarom werd besloten dat het in de eerste plaats nodig was, alvorens de niveaus opnieuw te verlagen, om een nieuwe meetcyclus te ontwikkelen en de rijomstandigheden bij de geluidsmetingen meer in overeenstemming te brengen met het werkelijke rijgedrag.

Die nieuwe meetcyclus is inmiddels ontwikkeld. Het bestaande meetprotocol zal worden vervangen door een betere meetmethode waarbij de geluidsniveaus die zware voertuigen met normaal rijgedrag in het stadsverkeer genereren zullen worden gereproduceerd.

Met de nieuwe meetprocedure zullen de bestaande hogere toegestane niveaus voor bepaalde voertuigen of technologieën naar verwachting worden afgeschaft.

Voordat deze nieuwe methode kan worden gebruikt voor typegoedkeuringsdoeleinden moeten er eerst, op basis van een effectbeoordeling, nieuwe grenswaarden voor deze methoden worden vastgesteld. Om representatieve gegevens te verkrijgen om die waarden te kunnen vaststellen en een deugdelijke effectbeoordeling te kunnen uitvoeren, zijn fabrikanten van voertuigen verplicht om gedurende een periode van twee jaar zowel de oude als de nieuwe meetmethode te gebruiken.

De oude methode zal verplicht blijven voor het verkrijgen van typegoedkeuring, en de nieuwe methode zal tot 2009 worden gebruikt voor controledoeleinden. Zodra de gegevensverzameling is voltooid, zal de Commissie met voorstellen komen voor nieuwe wetgeving met herziene grenswaarden.

Ook de ontwikkeling van een nieuwe meetmethode voor motorfietsen is bijna voltooid. De discussies in de UNECE concentreren zich nu op extra wegcontroles die tijdens de typegoedkeuring moeten worden uitgevoerd om geluidswaarden te krijgen die kunnen worden vergeleken met de niveaus die tijdens gewone wegcontroles worden gemeten, zodat motorfietsen waarmee is geknoeid of die slecht zijn onderhouden kunnen worden gedetecteerd.

De verwachting is dat het werk zal worden afgerond in 2008. De Commissie zal vervolgens voorstellen om de desbetreffende UNECE-regeling met de herziene grenswaarden aan te houden.

Daarnaast heeft de Commissie onlangs een raadpleging gehouden over een pakket maatregelen over banden, met inbegrip van een verlaging van de bestaande geluidsniveaus voor banden. Het voorstel is om het toegestane geluidsniveau voor banden van personenauto’s met ongeveer 4 dBA en die voor zware banden met 6 dBA te verlagen: dat zijn aanzienlijke verlagingen. De nieuwe grenswaarden voor nieuwe bandentypen zullen naar verwachting van kracht worden rond 2012.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Higgins (PPE-DE). - (EN) Dank u, commissaris, voor uw uitgebreide antwoord. Het feit dat u aangeeft dat er een nieuwe testbaan beschikbaar is en dat er nieuwe grenswaarden zullen worden vastgesteld wordt door mij zeker verwelkomd.

Ik kom hierop vanuit een Iers perspectief. De afgelopen jaren hebben we in Ierland het verschijnsel gezien dat wij “jongensracers” noemen, jongens die oude auto’s ombouwen en daarmee op elk uur van de dag en de nacht de weg op gaan en een groot probleem veroorzaken in de vorm van geluidsemissies die klinken alsof er een straalvliegtuig opstijgt, waardoor ze veel overlast veroorzaken in met name stedelijke gebieden.

Ik verwelkom het feit dat er, zoals u hebt gezegd, twee regelingen zijn: UNECE-regeling 51 en Richtlijn 70/157/EEG. Maar het probleem met UNECE-regeling 51, zoals ik dat zie, is dat deze alleen van toepassing is op nieuwe auto’s. Ik denk dat er een meer gespecificeerde regeling moet komen, gelet op het antwoord van commissaris Dimas: er moet een regeling komen die bepaalt dat er niet mag worden geknoeid met auto’s en dat er regelmatige metingen moeten plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE).(DE) Commissaris, in het geval van wegvoertuigen mogen de emissies niet boven een vastgesteld plafond uitkomen. In het geval van het spoorwegvervoer is het plafond gebaseerd op gemiddelde lawaainiveaus, wat betekent dat in de buurt van spoorlijnen extreem hoge geluidsniveaus kunnen heersen omdat het gemiddelde geluidsniveau de toegestane grenswaarde niet overschrijdt. Is de Commissie voornemens om hiervoor soortgelijke maatregelen vast te stellen als de maatregelen die van toepassing zijn op motorvoertuigen, teneinde in de toekomst de overlast voor de omgeving te verminderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Margarita Starkevičiūtė (ALDE).(LT) Ik wil erop wijzen dat we het weliswaar vaak over de specifieke vereisten hebben, maar dat de tenuitvoerlegging daarvan te weinig aan bod komt. Wat vervuiling betreft zou ik de aandacht van de commissaris willen vestigen op het feit dat het mechanisme voor de controle op al die vereisten erg gefragmenteerd is. Naar mijn mening dient de Commissie met een voorstel te komen (dat zij wellicht al aan het voorbereiden is) met het oog op de harmonisatie van de procedure voor de toepassing van vervuilingscriteria en de beoordeling van vervuiling, aangezien kleine landen zoals Litouwen zich voor een groot probleem gesteld zien omdat zij niet over de nodige bestuurscapaciteiten en de middelen voor de tenuitvoerlegging van alle vereisten beschikken.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. − (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, wat de eerste vraag betreft lijdt het geen twijfel dat aanpassingen van voertuigen die te hoge geluidsemissies tot gevolg hebben, verboden zijn. Dergelijke aanpassingen kunnen zelf een strafbaar zijn. Vanzelfsprekend zijn de lidstaten ervoor verantwoordelijk om er via normale verkeerscontroles op toe te zien dat dergelijke verkeersovertreders – dat zijn het namelijk – in de kraag worden gevat. Ik zie geen enkele mogelijkheid om er op Europees niveau voor te zorgen dat de lidstaten meer doen om zulke onmiskenbaar illegale praktijken aan banden te leggen.

Het houden van autoraces op de openbare weg is natuurlijk in elk Europees land verboden. Iemand die zo’n race organiseert, kan zich op geen enkele Europese wet beroepen. Deze kwestie valt daarom volledig onder de bevoegdheid van de lidstaten, die over de nodige instrumenten beschikken om dergelijke strafbare feiten te voorkomen.

Wat de geluidsemissies van het spoorwegvervoer betreft beperkt zich mijn verantwoordelijkheid tot actieve geluidspreventie, dat wil zeggen tot de vraag: wat kunnen we aan de rijtuigen veranderen opdat zij minder lawaai produceren? Ik ben niet rechtstreeks verantwoordelijk voor de geluidspreventie waar u het over heeft. Ik ben echter zonder meer bereid om deze kwestie met de bevoegde commissaris te bespreken, en ik kan u verzekeren dat u zo spoedig mogelijk een antwoord zult krijgen op de vraag of de Commissie plannen op dit gebied heeft.

Maar ik ben het absoluut met u eens, het is een erg belangrijk onderwerp. Onze inspanningen ten behoeve van geluidspreventie mogen niet uitsluitend op het wegverkeer zijn gericht. Moderne spoorwegtechnologie kan zeer ernstige lawaaioverlast met zich meebrengen. Uit Duitsland weet ik dat geluidshinder een erg belangrijke factor is bij de ontwikkeling van de moderne Transrapid-technologie. We zullen deze kwestie bestuderen, en u krijgt nog een concreet antwoord.

De derde vraag ging over controlemechanismen. Hier kan ik alleen maar zeggen dat onze relevante wetgeving niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. De regels zijn duidelijk, de grenswaarden zijn duidelijk, en de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving ligt bij de lidstaten. De Commissie beschikt niet over controle-instrumenten waarmee zij zich er in individuele gevallen van kan vergewissen of de Europese wetgeving in de lidstaten ook werkelijk wordt toegepast.

Het subsidiariteitsbeginsel is een feit. Ik zie niet in welk opzicht we het Europees recht zouden moeten wijzigen om ervoor te zorgen dat het ook overal correct wordt toegepast. Voor alle lidstaten gelden dezelfde regels. Ze hebben duidelijke richtlijnen waarin is bepaald hoe dat moet gebeuren. Ik kan dus in dit geval, waar het om Litouwen gaat, alleen maar zeggen dat de collega’s in dit land, in de parlementen en in de regering, er voor verantwoordelijk zijn dat dit soort problemen zich niet voordoet.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Dank u, commissaris Verheugen, voor uw tijd.

Vraag nr. 40 van Giovanna Corda (H-0871/07)

Betreft: Liberalisering van de energiemarkt in het belang van de consumenten

Een recent onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie over de gevolgen van de liberalisering van de Europese gas- en elektriciteitsmarkt voor de consumenten alsmede de zeer sterke prijsverhogingen die onlangs zijn waargenomen of aangekondigd, heeft aangetoond dat veel lidstaten nog niet klaar waren voor de uitdaging die de liberalisering van deze markt met zich mee zou brengen.

Zou de Commissie in deze omstandigheden kunnen aangeven hoe zij voornemens is te reageren op de enorme verhogingen van de energieprijzen ten nadele van de afnemers die nu juist het meest van deze liberalisering hadden moeten profiteren? Zullen de consumenten worden geraadpleegd en worden betrokken bij de organen die door de Commissie en de Europese en nationale regelgevende instanties zijn ingesteld teneinde de huidige problemen op te lossen? Zo ja, op welke wijze?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) De Commissie volgt de recente prijsontwikkelingen in de lidstaten nauwlettend. De Commissie is van mening dat deze prijsstijgingen niet goed zijn te verklaren door naar één factor te kijken, maar dat ze moeten worden gezien in de bredere context van een groeiende mondiale vraag naar olie en gas. Maar toenemende investeringsactiviteiten – en in het bijzonder de overschakeling op een meer duurzame energieproductie – spelen zeker ook een rol. Bovendien lagen de prijzen bij het openstellen van de markt in verschillende lidstaten op een zeer laag niveau. Hierdoor werden op de middellange en lange termijn niet de juiste signalen afgegeven voor de broodnodige investeringen, en daarvoor betalen we nu de prijs.

Wat betreft de vraag of die prijsstijgingen ook aan het uitoefenen van marktmacht kunnen worden toegeschreven: de Commissie heeft dit bestudeerd en kwam tot de conclusie dat de elektriciteitsprijzen in bepaalde lidstaten hoger waren dan je zou verwachten in markten waar volledige concurrentie heerst. In verband hiermee hebben de Commissie, de Raad en de mededingingsautoriteiten de regelgevende instanties de bevoegdheid gegeven om concurrentievervalsend gedrag op te sporen en passende actie te ondernemen.

De Commissie doet zelf ook onderzoek naar vermeend concurrentievervalsend gedrag van bepaalde exploitanten en heeft in de loop van dit jaar vijf antitrustprocedures aangespannen. De Commissie is zich ook zeer bewust van de structurele problemen in deze sector. Daarom bevat het derde energiepakket breed opgezette voorstellen om die structurele problemen op te lossen, in het bijzonder door het opsplitsen van het eigendom van exploitanten van transmissiesystemen.

De Commissie is altijd van mening geweest dat de consumenten het meest moeten profiteren van liberalisering. De voorstellen van de Commissie voor het derde energiepakket bevatten daarom een aantal maatregelen die de rol en de rechten van consumenten zullen versterken. In het bijzonder wordt in het pakket voorgesteld om consumenten het recht te geven om op elk moment van aanbieder te veranderen, evenals het recht op vrije toegang tot de gegevens over hun consumptie. Door het bewustzijn en de rechten van de consumenten ten aanzien van hun energieconsumptie te vergroten creëert de Commissie de instrumenten voor een goed functionerende kleinhandelsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Giovanna Corda (PSE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, ik ben blij om te horen dat u er ervoor wilt zorgen dat de consumenten het meest van de liberalisering van de gas- en elektriciteitsmarkt profiteren, door in deze sector meer restrictieve maatregelen te treffen, wat hopelijk effect zal hebben op de prijzen voor de EU-burgers, die natuurlijk naar beneden moeten. Ik kan u een voorbeeld noemen: in België werd een prijsstijging van 20 procent aangekondigd, wat simpelweg onaanvaardbaar is voor de laagste inkomensgroepen. Als humanist kan ik deze situatie niet accepteren.

Kunt u mij, mevrouw de commissaris, bovendien verzekeren dat de consumenten daadwerkelijk in alle fasen zullen worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van de liberalisering door hen een plaats te geven in de verschillende adviescommissies en door hen te betrekken bij de nieuwe geschillenregeling?

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, ik wil een vraag stellen over het kleinhandelsforum van consumenten waarvan u gezegd hebt dat u het zou stimuleren.

Wanneer denkt u dit forum op te richten? Wie zullen er allemaal kunnen deelnemen aan het forum, zodat het echt ten goede zal komen aan de consumenten? Hoe gaat het werk van het forum er inhoudelijk uitzien, gelet op alles wat u zojuist heeft gezegd?

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT) Duitsland zijn de elektriciteitsprijzen onlangs met 10 procent gestegen. Als reden daarvoor wordt genoemd dat elektriciteit voor comfort zorgt en daarom ook een hoop kost. Zal het derde energiepakket effect hebben op de regelgevers? Is het mogelijk om invloed uit te oefenen op prijsverhogingen in gevallen waarin deze niet zijn gemotiveerd? Zou het niet zinvol zijn om bepaalde beperkingen aan prijsverhogingen te stellen wanneer er geen reden is om overwinsten te maken?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Ik zal beginnen met de derde vraag.

Er zijn zaken die door de markt kunnen worden geregeld, door de macht van consumenten, maar er zijn ook zaken die structureel moeten worden veranderd. Bijzonder aan de energiemarkt is dat de marginale krachtcentrale de prijs bepaalt. Het is heel duidelijk dat we volledige transparantie in de markt moeten hebben, en daarom wordt in het derde energiepakket voorgesteld om de transmissieactiviteiten te splitsen van de leverantieactiviteiten. Anders zullen we nooit te weten komen of we een redelijke prijs betalen.

Ten tweede, als je de voorwaarden voor marktconcurrentie schept, is de trend in werkelijkheid dat de prijzen niet omhoog of omlaag gaan of dat de prijzen minder omhoog gaan dan in een markt waarin geen concurrentie bestaat, want anders zouden bedrijven met een semimonopolie de prijs kunnen dicteren. Dat betekent dat deze twee zaken in de handen van de regeringen liggen.

Met betrekking tot consumentenmacht hebben we een handvest van de consumentenrechten aangenomen, waarin alle informatie over de rechten van consumenten wordt gegeven, op basis van alle bestaande wetgeving. We hebben deze rechten nog verder versterkt.

Wat betreft het consumentenforum zullen we de consumentenorganisaties die goed zijn vertegenwoordigd in de lidstaten en de overkoepelende organisatie zeker uitnodigen. De grootste steun voor onze maatregelen om een echte Europese energiemarkt met concurrentie te creëren komt absoluut van de verschillende consumentenorganisaties.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Bij ontstentenis van de vraagsteller komt vraag nr. 41 te vervallen.

Vraag nr. 42 van Bernd Posselt (H-0892/07)

Betreft: Energiesamenwerking in Zuid-Oost-Europa

Welke maatregelen heeft de Commissie genomen om de afhankelijkheid van energie van haar Zuid-Oost-Europese lidstaten of kandidaat-lidstaten, en van de Balkanlanden met een Thessaloniki-perspectief op Russische energieleveranties te verminderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) De Commissie heeft veel aandacht voor de zekerheid van de energievoorziening in Zuid-Oost-Europa. Dit was één van de belangrijkste doelstellingen achter de oprichting van een Energiegemeenschap, op basis van de EU-wetgeving, voor de interne markten voor gas en elektriciteit, en met name achter de bepalingen over een zekere energievoorziening en solidariteit.

Zuid-Oost-Europa ligt op een kruispunt van verschillende belangrijke energieroutes. Verschillende landen in de regio produceren gas. Ik wil Kroatië en Roemenië noemen. Nieuwe terminals voor vloeibaar aardgas aan de Adriatische kust en de nieuwe gas- en elektriciteitsinterconnectoren zijn recentelijk in gebruik genomen of bevinden zich in een vergevorderde fase van ontwikkeling.

Voor bepaalde landen geldt echter dat ze voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van één leverancier van aardgas voor de industriële sector, voor verwarmingsdoeleinden en ook voor de opwekking van elektriciteit.

In het kader van het Verdrag tot oprichting van een energiegemeenschap, met de steun van financiële instrumenten van de EU en de internationale financiële instellingen, bevordert de Commissie de ontwikkeling van een geïntegreerde markt in de regio, verankerd in de interne markt van de EU.

Maar dit betekent dat de ontwikkeling van de handel in gas en elektriciteit in de regio, de ontwikkeling van nieuwe interconnectie- en elektriciteitsopwekkingsprojecten en het in het leven roepen van een stabiel regelgevend kader de zekerheid van de energievoorziening aanzienlijk zal vergroten.

Bovendien zullen nieuwe gasvondsten het mogelijk maken dat er een gassector wordt ontwikkeld in landen waar die nog niet bestaat. Er is ook een duidelijke focus op energie-efficiëntie. Om de energieveiligheid te vergroten steunt de Commissie het beleid van diversificatie van leveranciers en transportroutes. De Commissie steunt in het bijzonder het Nabucco-project, andere gasprojecten en de aanleg van terminals voor vloeibaar aardgas in de regio, evenals goed gefundeerde olieprojecten die zijn gericht op verwezenlijking van de doelstelling van diversificatie.

De Commissie is daarnaast van mening dat Rusland ook in de toekomst een belangrijke energiebron voor Zuid-Oost-Europa zal blijven, maar samen met andere bronnen uit het Middellandse Zeebekken en de regio rond de Kaspische Zee.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE).(DE) Om te beginnen wil ik u hartelijk danken voor uw uitstekende en uitvoerige antwoord. Ik heb slechts twee korte aanvullende vragen. Ten eerste: is er sprake van specifieke samenwerking met de twee kandidaat-lidstaten in de regio, te weten Kroatië en Macedonië? Ten tweede: in Kosovo bestaat er een groot probleem met betrekking tot de onafhankelijke energievoorziening. Is het niet mogelijk om speciale steun te verlenen voor wind- en waterkracht in het buurland Albanië? Juist in Kosovo en Albanië, maar ook in Macedonië, bestaat er namelijk een aanzienlijk potentieel voor de opwekking van energie door waterkracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT) Twee weken geleden waren er berichten dat Italië en Rusland in het Zuiden een nieuwe gaspijpleiding gaan bouwen. Met deze South Stream-pijpleiding wordt het Nabucco-project gedupliceerd. Vladimir Poetin heeft gezegd dat hij de Commissie dankbaar is dat zij dit project heeft goedgekeurd. Ik zou u willen vragen hierop commentaar te leveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Kroatië is een van de landen waarmee toetredingsonderhandelingen worden gevoerd en is het verst gevorderd als het gaat om het aanvaarden van het Gemeenschapsacquis, terwijl het tegelijk deelneemt aan alle activiteiten van de Energiegemeenschap. Omdat Kroatië verder gevorderd is bij het overnemen van het acquis, is dat land ook meer geïntegreerd in de energiemarkt van de EU en heeft het de leiding over enkele projecten.

Macedonië is lid van de Energiegemeenschap en maakt eveneens vorderingen met de invoering van het acquis. Macedonië is door deze vorderingen een leider in de regio.

Met betrekking tot Kosovo werken we samen met UNMIG en we steunen alle activiteiten daar. Ik weet dat er altijd bepaalde moeilijkheden zijn met betalingen en de elektriciteitsvoorziening, maar tot op heden hebben we daar steeds een oplossing voor weten te vinden en hebben de mensen de energie gekregen die ze nodig hebben.

Ik heb de pijpleiding South Stream tussen Italië en Rusland nooit gezien als een vervanging voor Nabucco. Nabucco vordert goed, zoals is gerapporteerd aan de Raad. Ik heb ook de eerste kennisgevingen van de regelgevende instanties over het punt van de toegang voor derde partijen ontvangen, en Nabucco is op zoek naar nieuwe leveranciers – Azerbeidzjan, Turkmenistan, Egypte en te zijner tijd Iran.

De kwestie-South Stream is heel duidelijk. Het gaat hier om de aanvoer van Russisch gas. Op dit moment bevindt het project zich in de fase dat er een haalbaarheidsstudie wordt uitgevoerd door ENI en Gazprom. We moeten afwachten hoe het project zich verder zal ontwikkelen. Door dit project zal de Europese Unie een nieuwe aanvoerroute krijgen en zal de zekerheid van de aanvoer worden vergroot, omdat meer pijpleidingen naar de EU tot een grotere zekerheid van de energievoorziening leiden. Maar het is geen vervanging voor Nabucco.

Wat betreft de lofuiting van president Poetin, daar heb ik niet speciaal iets over te zeggen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. −

Vraag nr. 43 van Mairead McGuinness (H-0895/07)

Betreft: Integratie van Ierland in de energiemarkt van de EU

Een continue energievoorziening in Ierland wordt steeds belangrijker voor consumenten, bedrijven en beleidsmakers. Daarom is volledige interconnectie met de Europese energiemarkt noodzakelijk. Om dit doel te bereiken moet de nodige infrastructuur worden aangelegd om een continue energievoorziening tegen redelijke prijzen te waarborgen.

In Ierland bevindt EIRGRID zich momenteel in de raadplegingsfase in verband met het Meath Cavan Power Project en de Cavan - Tyrone Interconnector die beide gedeeltelijk worden gefinancierd door het initiatief TEN-E van de EU. De EU zal waarschijnlijk aan de aanleg ervan bijdragen. Ter plaatse bestaat bezorgdheid over de omvang van deze voorgestelde projecten, met name gezien de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van degenen die in de onmiddellijke nabijheid van de elektriciteitsleidingen wonen. Kan de Commissie een standpunt innemen met betrekking tot dit bijzondere aspect van het probleem?

Aangezien de elektriciteitsleidingen 58 km lang zijn, valt bovendien veel te zeggen voor ondergrondse aanleg. Kan de Commissie haar standpunt uiteenzetten met betrekking tot dit aspect van het project en van andere soortgelijke projecten in de EU? Kan de Commissie aangeven wat de beste praktijken zijn en waarmee rekening moet worden gehouden bij de besluitvorming over boven- of ondergrondse aanleg van dergelijke elektriciteitsleidingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) De Commissie heeft geen bevoegdheid op het gebied van de wijze waarop elektriciteitsleidingen worden aangelegd. Die bevoegdheid ligt uitsluitend bij de nationale autoriteiten op grond van de van toepassing zijnde milieuwetgeving van de EU.

In de aanbeveling van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden wordt een kader van basisrestricties en referentieniveaus vastgesteld, maar de lidstaten zijn verantwoordelijk voor uitvoering van de maatregelen.

Wat betreft de mogelijke gezondheidseffecten van blootstelling aan elektromagnetische velden heeft het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico’s onlangs een advies aangenomen waarin de stand van de wetenschappelijke kennis op dit gebied wordt beoordeeld.

Bovengrondse elektriciteitsleidingen zijn vaak de meest kostenefficiënte oplossing voor transmissie over afstanden van langer dan vijftig kilometer. Ondergrondse kabels hebben zich als technologie ook bewezen, maar worden tot dusverre meer gebruikt voor transmissie over korte of middellange afstanden, en dit is met de huidige stand van zaken duurder.

Bij de bouw van bovengrondse elektriciteitsleidingen met een voltage van 220 kW of meer en een lengte van meer dan vijftien kilometer is het maken van een milieueffectbeoordeling verplicht. Bovendien zijn op elk project of plan voor de aanleg van bovengrondse elektriciteitsleidingen waarvan de kans bestaat dat ze een aanmerkelijk negatief effect op Natura 2000-gebieden hebben, de procedurele garanties van artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van toepassing.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Higgins (PPE-DE). - (EN) Kan de commissaris mij vertellen of er enig definitief wetenschappelijk bewijs is met betrekking tot de vraag of elektromagnetische velden een gevaar voor de volksgezondheid vormen? Ik weet dat de lidstaten, zoals hij heeft gezegd, uiteindelijk bevoegd zijn als het gaat om hun interconnectoren en kabels en dergelijke.

Ten tweede, is de commissaris het ermee eens, ondanks het feit dat er verzet is van de kant van de sector, dat het de voorkeur heeft, gelet op de visuele effecten, de volksgezondheid en het milieu, dat deze kabels ondergronds worden aangelegd?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Ik zal mijn antwoord beginnen met ondergrondse bekabeling. Deze technologie is tot dusverre nog maar in een beperkt aantal gevallen toegepast, zoals bij de luchthaven van Madrid.

In principe bestaat er geen beperking voor de lengte van de bekabeling zelf. Het probleem is gelegen in de kosten. Die kosten zijn normaal gesproken drie tot vijf keer hoger dan die van bovengrondse leidingen, en juist omdat er twee opties zijn wordt deze technologie tot op heden niet gebruikt, behalve in gevallen waar het aanleggen van bovengrondse leidingen niet mogelijk blijkt.

In een aantal gemeenten wordt nu het gebruik van ondergrondse kabels overwogen, wat een doorbraak zou betekenen. Maar dat zal wel leiden tot hogere kosten voor de consument.

Met betrekking tot het wetenschappelijk bewijs ten aanzien van de blootstelling aan elektromagnetische velden is er een algemene beperking, zijn er de aanbevelingen van de Raad van 12 juli 1999 die ik heb genoemd, en is er het kader van basisrestricties en referentieniveaus. Als ik kijk naar het wetenschappelijk bewijs voor eventuele gezondheidsschade, zie ik geen noodzaak om verder te gaan dan die veiligheidsaanbevelingen van 1999.

Het komt erop neer dat bovengrondse leidingen nog steeds een reële optie zijn, en ik denk dat een keuze tussen bovengrondse leidingen of kabels afhankelijk moet zijn van de situatie, gezien het feit dat bekabeling ook niet zonder problemen is. Wel moet er worden gekeken of er een Natura 2000-gebied bij betrokken is en of er milieueffecten zijn. Tegelijkertijd bestaat er een keuze tussen technologieën, en bedrijven zijn zich daarvan bewust.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Commissaris Piebalgs blijft bij ons, maar zal nu vragen beantwoorden namens commissaris Dimas.

Vraag nr. 53 van Georgios Papastamkos (H-0875/07)

Betreft: EU-financiering voor Europese milieu-NGO’s

Het maatschappelijk middenveld (NGO’s) speelt een uitermate belangrijke rol in het Europees eenwordingsproces en bij de ontwikkeling van nieuwe vormen van bestuur. Bestaat er een communautair actieprogramma voor steun aan Europese milieu-NGO’s en zo ja, welk? Aan welke NGO’s en welke activiteiten gericht op het verder ontwikkelen en toepassen van het Europese milieubeleid en de Europese milieuwetgeving is tot nu toe steun toegekend? Wat zijn de steunbedragen per NGO? Hoe zit het met de geografische verspreiding van de toegekende steun? Welke Griekse NGO’s hebben in het verleden of ontvangen nu nog, zelfstandig of in internationaal kader, steun met middelen van het desbetreffende programma? Welke zijn de selectie-, toezichts- en beoordelingscriteria (benchmarks)?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) De financiering van Europese milieu-NGO’s door de Commissie geschiedt door middel van een programma dat bestaat sinds 1997. De wettelijke basis van het huidige programma is de LIFE+-verordening.

Het doel is om Europese NGO’s meer te betrekken bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het milieubeleid van de EU.

Er is in de loop van het programma een groot aantal zeer verschillende NGO’s gefinancierd. Op de website van het directoraat-generaal Milieu staat een lijst van de organisaties die subsidie hebben ontvangen, inclusief de toegekende bedragen. De tijd staat me niet toe om ze allemaal op te lezen, maar de lijst zal de geachte afgevaardigde worden toegestuurd.

Het programma kent geen geografische differentiatie, omdat het is gericht op Europese en niet op nationale organisaties. Om in aanmerking te komen moeten organisaties activiteiten in ten minste drie EU-lidstaten ontplooien. Slechts één van de organisaties die steeds subsidie hebben ontvangen, het Mediterranean Information Office for Environment, Culture and Sustainable Development, is in Griekenland gevestigd. Veel NGO’s hebben Griekse lidorganisaties, zoals het European Environmental Bureau, EUROPARC en International Friends of Nature.

Subsidies worden toegekend na een jaarlijkse oproep tot het indienen van voorstellen. De aanvragen worden beoordeeld op basis van gunningscriteria en de NGO’s die het beste potentieel hebben om bij te dragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de prioriteiten van het milieubeleid van de EU worden geselecteerd.

De Commissie zorgt voor monitoring en evaluatie op basis van rapporten van de begunstigde organisaties en een grondige audit. In dit proces wordt beoordeeld in welke mate de organisatie haar werkprogrammma heeft uitgevoerd en heeft bijgedragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het EU-beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, ik wens commissaris Dimas, die de Europese Unie op de conferentie van Bali vertegenwoordigt, heel veel succes. Toch zou ik graag willen zien dat er iets nader wordt ingegaan op de verschillende vragen die ik heb gesteld. Mijn vragen waren namelijk specifiek, terwijl ik een antwoord in algemene termen heb gekregen. Het zou mooi zijn als mijnheer Piebalgs zich ervoor zou inzetten dat de Commissie mij de gevraagde informatie over die specifieke punten verstrekt. Ik behoor tot diegenen die de mening zijn toegedaan dat non-gouvernementele organisaties een vorm van Europese governance vertegenwoordigen, zij het een informele. Zij spelen een extreem belangrijke rol, en die rol – en dat is de reden voor mijn vraag – moet meer voor het voetlicht worden gebracht. Ik wacht dus op de informatie, niet in naam van de transparantie, maar vanwege de democratische verantwoordingsplicht waaraan de Commissie onderhevig is.

Tot slot wil ik commissaris Piebalgs verzoeken de officiële, door de Europese Unie geaccepteerde benaming te gebruiken als hij naar derde landen verwijst.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE).(DE) Commissaris, ik wil u over dit onderwerp een vraag stellen die mij al geruime tijd bezighoudt. Ik ben zelf lid van een paar van die organisaties. De laatste tijd vraag ik me echter steeds meer af: hoe democratisch zijn deze organisaties eigenlijk en controleert de Commissie wel of deze NGO’s democratische organisaties zijn met interne verkiezingen, of organisaties die door een niet-transparante commandostructuur zijn gekenmerkt en die geen rekenschap verschuldigd zijn aan leden of andere instanties, zodat het ook kan gebeuren dat bepaalde gelden op plekken terechtkomen waarvan men niet zou vermoeden dat ze daar terechtkomen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) De wettelijke basis is heel duidelijk: dat is de LIFE+-verordening. We evalueren organisaties op basis van deze verordening. Dat betekent dat we speciale criteria hebben waarmee de aanvragen worden beoordeeld, maar we evalueren niet de interne structuur en de interne organisatie van de NGO’s.

Met betrekking tot de vraag over transparantie kan ik zeggen dat we transparantie zonder meer steunen. We zullen schriftelijke antwoorden geven op alle vragen die u hebt gesteld, samen met de lijst die ik u in mijn antwoord heb beloofd. Ik denk dat het belangrijk is dat het publiek de situatie kan monitoren omdat het natuurlijk belastinggeld is dat aan NGO’s wordt gegeven, en het proces moet volledig transparant zijn. De Commissie doet alles wat in haar mogelijkheden ligt om te waarborgen dat dit proces transparant verloopt en dat er verantwoording wordt afgelegd, in overeenstemming met de LIFE+-verordening.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 54 van Claude Moraes (H-0878/07)

Betreft: Afvalcriminaliteit/bescherming van het milieu door middel van het strafrecht

In februari van 2007 heeft de Commissie een richtlijn (COD/2007/0022) voorgesteld waarin de lidstaten worden verplicht ernstige misdrijven tegen het milieu als misdaad te behandelen en minimumsancties voor milieumisdaden zoals afvalcriminaliteit vast te leggen. Dit is een positieve maatregel. Zoals het Milieuagentschap van de Britse regering al heeft opgemerkt wordt een belangrijk probleem in de strijd tegen milieucriminaliteit gevormd door de te lage boetes, die onvoldoende stimulans bieden met het oog op de naleving van de milieuregelgeving.

Gezien de hindernissen die moeten worden overwonnen bij de omzetting van de richtlijn in de lidstaten, welke stappen overweegt de Commissie om afvalcriminaliteit in Europa te bestrijden?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Een correcte toepassing van de afvalwetgeving door de lidstaten en het voorkomen van illegale activiteiten met afval behoren tot de topprioriteiten van de Commissie. De ontwerprichtlijn over milieucriminaliteit zal ervoor zorgen dat overal in de Europese Unie op ernstige milieudelicten effectieve strafrechtelijke sancties van toepassing zullen worden. De ontwerprichtlijn omvat alle ernstige afvaldelicten, waaronder het illegaal behandelen, vervoeren, uitvoeren en invoeren van afval.

De ontwerprichtlijn tegen milieucriminaliteit is echter niet de enige actie die de Commissie onderneemt om afvalcriminaliteit te voorkomen. De Commissie neemt een aantal specifieke acties op gebieden waar afvalcriminaliteit een ernstig probleem voor lidstaten is. Dit heeft met name betrekking op illegale stortingen en illegaal vervoer van afval, waarop belangrijke EU-wetgeving van toepassing is.

De Commissie neemt vroegtijdige maatregelen om negatieve milieu- en gezondheidseffecten als gevolg van illegale activiteiten met afval te voorkomen. Waar het risico hoog is, worden bewustmakingsevenementen over afvalstortingen en -vervoer georganiseerd. Vorig jaar hebben er zestien van dergelijke evenementen plaatsgevonden en voor dit jaar staan tien evenementen gepland. Ook worden er regelmatig multilaterale bijeenkomsten met nationale autoriteiten en belanghebbende partijen gehouden om een slechte uitvoering van de EU-afvalwetgeving aan te pakken.

Er worden voortdurend richtsnoeren ontwikkeld met betrekking tot essentiële EU-afvalwetgeving, zoals over het vervoer van afval of gericht op specifiek, problematisch afval als elektrische en elektronische apparatuur en lichte voertuigen. Meer aandacht voor die richtsnoeren zal ertoe leiden dat de EU-wetgeving uniform en correct wordt toegepast in de hele Europese Unie.

Het is van het allergrootste belang dat we weten wat er in de lidstaten gebeurt en dat we nagaan of de EU-wetgeving in de praktijk wordt nageleefd. De Commissie werkt nauw samen met het IMPEL-netwerk, bijvoorbeeld op het gebied van handhavingsacties bij afvaltransporten en op het gebied van inspecties en monitoring van afvalstortingen.

Wanneer lidstaten de EU-afvalwetgeving systematisch niet naleven, onderneemt de Commissie steeds wettelijke actie, met inbegrip van de effectieve dreiging met boetes op grond van het EG-Verdrag. Zo kreeg Griekenland in 2003 een boete van twintigduizend euro per dag voor het toestaan van illegale stortingen op Kreta. Momenteel worden er door de Commissie inbreukprocedures gestart naar aanleiding van een groot aantal illegale stortingen in een groot aantal lidstaten.

De Commissie moedigt de lidstaten ook aan om gebruik te maken van financieringsmogelijkheden op EU-niveau en om ervoor te zorgen dat de uitgaven voor afvalprogramma’s in het kader van de verschillende instrumenten bijdragen aan een betere uitvoering van de afvalwetgeving.

De verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen vormt de basis voor samenwerking tussen lidstaten om illegale afvaltransporten te voorkomen. We onderzoeken op dit moment of het nodig is om verdere actie te ondernemen om de handhaving van de EU-afvalwetgeving te versterken, met inbegrip van wettelijk bindende regels voor inspecties van afvaltransporten. Mogelijk kunnen er specifieke criteria worden opgesteld om te waarborgen dat de kwaliteit en de frequentie van de inspecties voldoende zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Claude Moraes (PSE). - (EN) Dank u, commissaris, voor uw uitgebreide antwoord.

Ik heb onlangs het Environment Agency, het milieubureau van het Verenigd Koninkrijk, geraadpleegd over deze richtlijn. Terwijl we de prioriteitstelling door de Commissie allemaal verwelkomen, kreeg ik van het milieubureau van mijn eigen land te horen dat ze vrezen dat de straffen en de mogelijke boetes in de lidstaten veel te laag zullen uitvallen om een echte prikkel te vormen om de regels na te leven wanneer er geen handhavingsacties plaatsvinden. Dat zou resulteren in het op grote schaal illegaal dumpen van afval.

Hebt u hier een opvatting over, overwegende dat ook het Environment Agency en andere nationale bureaus deze voorstellen zeer verwelkomen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Wat betreft de boetes die aan de lidstaten worden opgelegd wil ik opmerken dat de boete per dag is, en over een heel jaar gezien is dat substantieel. Naar mijn mening moeten we de inbreukprocedures starten als een lidstaat de wetgeving niet handhaaft, zoals we dat nu doen, en is het aan het Hof om de hoogte van de boetes te bepalen.

Bedrijven krijgen ook boetes opgelegd wanneer ze de nationale wetgeving overtreden. Dus het is aan de lidstaten zelf om de boetes die ze opleggen te verhogen, want de Commissie is van mening dat ze doet wat nodig is en geen boetes kan opleggen voor het niet krachtig genoeg ten uitvoer leggen van de EU-wetgeving. Dat moet gebeuren via het Hof, in overeenstemming met de wettelijke structuur van de Europese Unie.

Als het systeem van boetes moet worden versterkt, zullen we dat advies zeker opvolgen, want boetes moeten zodanig hoog zijn dat ze voorkomen dat de wet wordt overtreden, en het moet niet zo zijn dat bedrijven hun schouders ophalen over die boetes of de kosten doorberekenen aan de consumenten. Maar ik denk dat op dit gebied iedereen dezelfde doelstelling heeft, en daarom denk ik dat de hoogte van de boetes vandaag niet het punt is.

Het punt is dat de wetgeving niet krachtig genoeg ten uitvoer wordt gelegd en dat de frequentie van de inspecties te laag is. Daarom moet de Commissie aanvullende stappen nemen om de lidstaten over te halen om op een krachtigere manier actie te ondernemen tegen afvalcriminaliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Commissaris, u heeft er terecht op gewezen dat de handhaving van wettelijke voorschriften minstens even belangrijk is als het uitvaardigen van die voorschriften. Er is één geval dat door u nog niet is genoemd, namelijk een situatie waarin het zich ontdoen van bepaald afval in de ene lidstaat strafbaar wordt gesteld en dit afval vervolgens naar een andere lidstaat wordt overgebracht. In een dergelijk geval maken waarschijnlijk beide lidstaten inbreuk op het Verdrag. Is er reeds aandacht besteed aan dit mogelijke probleem?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) We hebben wetgeving over het vervoer van afval, dus er is een gemeenschappelijk basis, en daarnaast hebben we samenwerking in strafzaken, omdat dit om meer gaat dan alleen om afval. Er vinden ontwikkelingen plaats, en op grond van de huidige wetgeving kunnen bedrijven die illegaal afval vervoeren strafrechtelijk worden vervolgd. Ik denk niet dat we problemen hebben vanwege een gebrek aan goede wetgeving, maar eerder omdat die wetgeving niet ten uitvoer wordt gelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 55 van Dimitrios Papadimoulis (H-0880/07)

Betreft: Afvalverwerkingsinstallaties in Griekenland

Kan de Commissie mededelen in hoeveel en welke regio’s in Griekenland er zich problemen voordoen in verband met de aanwezigheid en de werking van afvalverwerkingsinstallaties? In welke regio’s is er nood aan intensievere afvalverwerking dan secundaire behandeling? Hebben de Griekse autoriteiten de lijst van kwetsbare regio’s opnieuw onderzocht en hebben zij andere wateren vastgesteld die als kwetsbaar moeten worden gekenmerkt? Welke zijn dit?

Is er volgens de Commissie sprake van een duidelijke daling van het aantal agglomeraties dat afvalwater loost in kwetsbare regio’s en bijgevolg van een betere naleving van de bepalingen van Richtlijn 91/271/EEG ? Zijn er tegen Griekenland procedures wegens schending ingeleid en voor welke gevallen? Heeft Griekenland de nodige maatregelen getroffen om zich te schikken naar arrest C-119/02 van het Hof van Justitie betreffende de regio Thriasio Pedio?

Hoeveel middelen zijn opgenomen uit het Cohesiefonds, het operationeel programma voor het milieu en de regionale operationele programma’s voor afvalverwerkingsinstallaties in Griekenland?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Het controleren van de naleving van de vereisten van Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater is een ingewikkelde taak, omdat daarbij gegevens over duizenden agglomeraties in de hele Europese Unie moeten worden geëvalueerd. De diensten van de Commissie verzamelen en analyseren alle beschikbare informatie en bestuderen nauwgezet de gegevens in de nationale uitvoeringsverslagen.

Wanneer daaruit blijkt dat lidstaten de verplichtingen die ze op grond van de richtlijn hebben niet nakomen, start de Commissie inbreukprocedures in overeenstemming met artikel 226 van het EG-Verdrag.

Gelet op de duizenden agglomeraties die moeten worden gecontroleerd, heeft de Commissie gekozen voor een horizontale benadering. Dus in plaats van willekeurig individuele inbreukprocedures te starten voor elke agglomeratie, heeft de Commissie meer algemene procedures gestart waarin de situatie per lidstaat en per kernverplichting aan de orde worden gesteld. Griekenland is een van de lidstaten die nog steeds aanzienlijke problemen hebben bij het correct uitvoeren van de richtlijn.

Wat betreft agglomeraties van meer dan tienduizend inwoners heeft Griekenland 36 kwetsbare gebieden aangewezen. Van de achttien agglomeraties die in die gebieden uitlopen voldoen er veertien aan de eisen van de richtlijn. De Commissie is echter van mening dat tien andere waterlichamen ook als kwetsbaar gebied hadden moeten worden aangewezen. Er loopt op dit moment een inbreukprocedure waarin een met redenen omkleed advies is uitgebracht. De Griekse autoriteiten betwisten de noodzaak om deze gebieden als kwetsbaar te bestempelen. De beoordeling van de toegestuurde informatie is nog niet afgerond, en indien nodig zal de Commissie niet aarzelen om de zaak voor het Hof van Justitie te brengen.

Met betrekking tot de specifieke kwestie van de agglomeratie van Thriasio Pedio heeft het Hof van Justitie in zijn arrest van 24 juni 2004 verklaard dat Griekenland niet de noodzakelijke maatregelen heeft genomen om een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater aan te leggen en het stedelijk afvalwater van deze regio aan de juiste behandeling te onderwerpen. De Commissie is daarom in overeenstemming met artikel 228 van het Verdrag een inbreukprocedure gestart.

De Griekse autoriteiten hebben ingestemd met de bouw van de benodigde infrastructuur, die wordt medegefinancierd uit het Cohesiefonds. Volgens de beschikbare informatie zal het project tegen eind 2009 operationeel worden.

Wat betreft agglomeraties van meer dan vijftienduizend inwoners of het equivalent daarvan, voldoen 52 van de 75 agglomeraties aan de normen die in de richtlijn zijn neergelegd met betrekking tot opvangsystemen voor stedelijk afvalwater en secundaire behandeling.

Tegen de agglomeraties die niet voldoen aan de normen is de Commissie een inbreukprocedure gestart. In zijn arrest van 25 oktober 2007 heeft het Hof van Justitie verklaard dat 23 agglomeraties nog steeds niet hebben voldaan aan de vereisten van de richtlijn. De Commissie heeft de Griekse autoriteiten gevraagd om informatie over de maatregelen die zij denken te nemen om het arrest na te leven.

Met betrekking tot het punt over de verlaging van de omvang van de agglomeraties controleert de Commissie de beschikbare informatie en neemt zij actie tegen inconsistenties in het kader van de lopende inbreukprocedure.

Benadrukt moet worden dat Griekenland beschikbare Europese middelen gebruikt om aan de regels te voldoen. Met betrekking tot het Cohesiefonds heeft Griekenland momenteel 41 projecten lopen. De absorptiegraad is 49 procent. Het gaat hierbij heel vaak om gecombineerde projecten, waarbij niet alleen infrastructuur voor afvalwater en regenwater wordt aangelegd, maar ook voor watervoorziening.

Het operationeel programma “Milieu” van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) is medefinancier van negen afvalwaterprojecten. Deze projecten hebben betrekking op de bouw en/of modernisering van afvalwaterverwerkingsinstallaties en rioolstelsels. De absorptiegraad is 19 procent.

Wat betreft de regionale operationele programma’s van het EFRO moet de vraag naar de absorptiegraad voor de afvalwatersector worden gesteld aan de bevoegde regionale autoriteiten.

In tegenstelling tot bij het operationeel programma “Milieu” zijn lidstaten niet verplicht om de Commissie te informeren over de voortgang van elk individueel project.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL). - (EL) Mevrouw de Voorzitter! Commissaris, in uw antwoord heeft u gezegd dat tientallen grote steden in Griekenland verstoken zijn van een behoorlijke waterzuivering vanwege het feit dat de bouw van biologische zuiveringsinstallaties nog niet is afgerond, hoewel de meeste gecofinancierd zijn met Gemeenschapsmiddelen. Ik vraag u: kunt u mij een lijst van de steden geven waarop de door u genoemde cijfers betrekking hebben? En ten tweede: wat zegt de Commissie over het feit dat deze problemen jaren na de tenuitvoerlegging van de Europese wetgeving nog steeds bestaan? Bent u van plan deze zaak voor te leggen aan het Europees Hof van Justitie? Zo ja, wanneer?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) In een paar gevallen zetten we de inbreukprocedures voort. We zullen alle informatie die we kunnen verstrekken ook daadwerkelijk verstrekken. In een aantal gevallen, die ik heb genoemd, kunnen we u informeren over de voortgang in het kader van het operationeel programma “Milieu”. We kunnen u echter niet informeren over elk project, omdat deze informatie alleen in de lidstaten beschikbaar is. Dus u zult de informatie krijgen waarover wij beschikken. Zoals ik nadrukkelijk in mijn antwoord heb gezegd, nemen we krachtige actie om de naleving van het nieuwe acquis op dit gebied te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − De vragen 67 en 83 zijn niet toelaatbaar.

De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Ik wil de commissaris bedanken voor zijn komst en onze tolken voor het langer doorwerken.

Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 20.10 uur onderbroken en om 21.05 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: RODI KRATSA-TSAGAROPOULOU
Ondervoorzitter

 
Laatst bijgewerkt op: 11 november 2008Juridische mededeling