Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2004/0203(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0453/2007

Ingediende teksten :

A6-0453/2007

Debatten :

PV 11/12/2007 - 21
CRE 11/12/2007 - 21

Stemmingen :

PV 12/12/2007 - 3.10
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0609

Debatten
Waarschuwing
Dinsdag 11 december 2007 - Straatsburg Uitgave PB

21. Wijziging richtlijn inzake de rechtsbescherming van modellen (debat)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het door de heer Lehne namens de Commissie juridische zaken opgestelde verslag (A6-0453/2007) over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/71/EG inzake de rechtsbescherming van modellen (COM(2004)0582 – C6-0119/2004 – 2004/0203(COD)).

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de Commissie juridische zaken en de rapporteur, de heer Lehne, bedanken voor zijn werk bij het opstellen van dit uitstekende verslag over het voorstel tot wijziging van de modellenrichtlijn. Ik verwelkom het feit dat dit werk de commissie uiteindelijk in staat heeft gesteld om de weg te plaveien voor de liberalisering van de secundaire markt voor vervangingsonderdelen in de hele Gemeenschap.

Op dit moment is de situatie dat er verschillende, elkaar bijtende regelingen voor modelbescherming bestaan en dat tien lidstaten hebben geliberaliseerd en zeventien lidstaten de modelbescherming hebben uitgebreid naar vervangingsonderdelen. Deze situatie is niet helemaal bevredigend voor de interne markt. In de sector motorvoertuigen, de meest betrokken sector, bestaat er een interne markt voor auto’s, maar niet voor de vervangingsonderdelen voor die auto’s. Dit leidt tot prijsverstoringen en belemmeringen voor de handel.

De voorgestelde uitsluiting van modelbescherming in de secundaire markt voor vervangingsonderdelen is de juiste en enige effectieve manier om een echte interne markt op dit gebied te verwezenlijken. De uitgebreide effectbeoordeling van de Commissie, waarin de opties voor de oplossing van dit probleem worden geanalyseerd, toont dit aan.

De cijfers van de Commissie wijzen erop dat consumenten in de lidstaten die modelbescherming hebben op dit moment een premie van zes tot tien procent betalen voor vervangingsonderdelen. Met de liberalisering zullen consumenten direct profiteren van de toegenomen concurrentie en de voltooiing van de interne markt.

De onafhankelijke distributiesector zal een groter assortiment aan onderdelen kunnen aanbieden, waaronder onderdelen van de oorspronkelijke-onderdelenleveranciers, evenals de meestal goedkopere onderdelen van onafhankelijke fabrikanten. Dit zal tot meer keuze en lagere prijzen voor vervangingsonderdelen leiden.

Liberalisering zal ook kansen scheppen voor onafhankelijke fabrikanten van vervangingsonderdelen, vaak kleine of middelgrote ondernemingen, en zal een Europese markt creëren met een voldoende grote schaal om nieuwkomers op de markt een kans te geven. Het fundamentele doel van modelbescherming is stimulering van de concurrentie in het gebruik van vormen door modelinnovatie. Dit kan echter niet worden toegepast op vervangingsonderdelen, die identiek moeten zijn aan de oorspronkelijke onderdelen als ze een doel willen dienen. De consument betaalt voor het model bij het kopen van een nieuwe auto of een ander nieuw product en moet niet worden gedwongen om daar elke keer dat hij of zij een vervangingsonderdeel nodig heeft opnieuw voor te betalen.

Met de voorgestelde reparatieclausule hebben we een eerlijk en correct evenwicht gevonden tussen bescherming van innovatie waar dat passend is en vrije handel en concurrentie waar dat nodig is.

Wat de Europese burgers en bedrijven nu nodig hebben, is één interne markt voor vervangingsonderdelen die voor meer concurrentie zal zorgen. Met deze richtlijn kunnen we de markt de sleutel in handen geven om dit te verwezenlijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Klaus-Heiner Lehne, rapporteur. − (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, we komen vandaag tot het voorlopige einde van een debat dat 17 jaar heeft geduurd. Ik kan mij herinneren, dat we in 1994, toen ik voor het eerst in dit Huis werd gekozen, al met deze problemen aan het worstelen waren. We zijn er toen niet uitgekomen. Alles wat we in de bemiddelingsprocedure wisten te bereiken was de zaak uit te stellen. De Commissie heeft een paar jaar geleden een nieuw voorstel naar voren gebracht, waar we ons ook lang mee bezig hebben gehouden, maar dat nu eindelijk tot een goed einde kan worden gebracht, ten minste in eerste lezing.

De voorstellen die voor ons liggen, behelzen in wezen wat de Commissie naar voren heeft gebracht, namelijk de liberalisering van de markt voor reserveonderdelen, zij het ook met een overgangsperiode van vijf jaar voor de lidstaten waar reserveonderdelen onder de modelbescherming vallen.

Sinds 17 jaar heb ik naar de voors en tegens geluisterd. De meeste argumenten zijn niet overtuigend. Met uw permissie zal ik een paar voorbeelden geven. In de eerste plaats was er het argument dat de consumentenprijzen lager zouden zijn wanneer de reparatieclausule zou worden ingevoerd. Voor deze bewering bestaat geen enkel empirisch bewijs – in tegendeel. Uit vergelijkende gegevens over de prijzen voor reserveonderdelen in Groot-Brittannië, waar de markt geliberaliseerd is, en Duitsland, waar dit niet het geval is, blijkt paradoxaal genoeg dat de prijzen voor vervangingsonderdelen in Groot-Brittannië hoger zijn dan in Duitsland.

Dit is overigens gemakkelijk te verklaren: de voertuigfabrikanten moeten hun ontwerpkosten toch ergens weer terugwinnen. Wanneer ze deze kosten niet uit de verkoop van reserveonderdelen kunnen terugverdienen, dan is het logisch dat ze ze moeten doorberekenen in de prijzen voor nieuwe auto’s, en dus worden auto’s duurder. Ook in dit geval is het de consument, die betaalt.

Hetzelfde geldt voor verzekeringspremies. Via de verzekeringspremies wordt immers een deel van de kosten van de aanschaf van een nieuwe wagen betaald. Wanneer de premies omhoog gaan, wordt de consument er ook weer niet beter op. Uiteindelijk is altijd de consument het kind van de rekening.

Evenmin ben ik werkelijk overtuigd door het argument dat de automobielindustrie de modelbescherming nodig heeft om de concurrenten uit het Verre Oosten het hoofd te bieden die haar markten bedreigen, want u zult zien hoe de industrie als de wiedeweerga andere manieren zal vinden om reserveonderdelen te beschermen: het octrooieren van intelligente motorkappen en buitenspiegels, het beschermen van andere onderdelen door het merkenrecht door er eenvoudig bepaalde logo’s op aan te brengen, het opleggen van garantievoorwaarden of andere praktijken.

Het veiligheidsargument is ook niet echt waterdicht, zoals onze effectbeoordeling heeft aangetoond; omdat de veiligheid immers kan worden gewaarborgd door middel van typetests.

Ik haal deze argumenten aan omdat ik geloof dat alle aangevoerde argumenten uiteindelijk niet steekhoudend zijn en geen duidelijke antwoorden hebben gegeven op de wezenlijke vraag.

Goed beschouwd blijven er twee belangrijke argumenten over die ik kan aanvaarden. Het ene argument luidt dat Europa een voorbeeldige bescherming moet bieden aan intellectuele-eigendomsrechten, en ik ben inderdaad van mening dat het voorstel dat we hier zullen aannemen waarschijnlijk een verkeerd signaal aan China en India zal geven en dat wij als Europeanen de taak hebben om de rechten in verband met intellectuele eigendom daadwerkelijk te beschermen.

Ik zal ook meteen met het tegenargument voor de dag komen: We hebben een interne Europese markt en – zoals commissaris McCreevy terecht heeft opgemerkt – een situatie waarin twee derde van de lidstaten hun vervolgmarkten hebben geliberaliseerd en daarom geen modelbescherming voor reserveonderdelen hebben, terwijl de andere lidstaten wel een dergelijke bescherming kennen. Het gaat erom dat de schepping van een interne markt in Europa de schepping van gemeenschappelijke juridische regels met zich meebrengt, en dat het in zulke gevallen niet ongebruikelijk is om het meerderheidsbeginsel te volgen.

Naar mijn mening was er altijd al een compromisoplossing, die ik in de jaren negentig samen met commissaris Monti heb gepropageerd. Dat was het idee van een verplichte licentie. Dit zou hebben betekend dat iedere fabrikant de onderdelen zou hebben kunnen namaken wanneer hij een licentievergoeding aan de eigenaar van de modelrechten zouden hebben betaald.

Overigens hebben we een zeer vergelijkbare regeling op het gebied van de auteursrechten, zodat niemand me kan vertellen dat dit geen mogelijkheid is. Deze regeling zou zowel voor modelbescherming hebben gezorgd alsook een markt hebben gecreëerd. Jammer was er hiervoor geen meerderheid in het Huis, noch in de Raad.

Er bleef ons nog maar één consequentie over, namelijk dat we de markt moeten liberaliseren en een overgangsperiode moeten instellen om de lidstaten te beschermen die tijd nodig hebben om zich aan te passen. Ten slotte was het slechts nog de vraag of we een overgangsperiode van vijf of acht jaar moeten toestaan. Mijn fractie is evenals de Commissie juridische zaken voor vijf jaar; ik heb gehoord dat de sociaaldemocratische fractie voor acht jaar is.

Belangrijk is het volgende: wanneer het Parlement morgen over de vraag stemt of in de tekst een periode van vijf of van acht jaar moet staan, dan geeft het daarmee een signaal aan de Raad dat hij akkoord moet gaan met een overgangsperiode. Ik weet uit gesprekken met het Sloveense voorzitterschap dat zijn voorstellen eerder naar een langere dan naar een kortere overgangsperiode tenderen. Ik wens het Sloveense voorzitterschap in ieder geval veel succes bij zijn inspanningen.

Er is volgens mij nog iets waar we bij de tweede lezing moeten bedenken. Wanneer de Raad werkelijk tot een akkoord komt, dan moeten we de zaak in tweede lezing niet onnodig gecompliceerd maken. Deze kwestie is het niet waard en het is de hoogste tijd dat wij de zaak afronden. Het huidige ontwerp is onze bijdrage daartoe.

 
  
MPphoto
 
 

  Wolf Klinz, rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. – (DE) Commissaris, dames en heren, na een langdurige discussie is de Commissie juridische zaken het eens geworden over een volledige liberalisering van de vervolgmarkt voor zichtbare reserveonderdelen. Zoals we net hebben gehoord, zorgt het in de Commissie juridische zaken bereikte compromis voor een vrije markt na een overgangsperiode van vijf jaren.

Ik juich deze stap van harte toe, hoewel ik persoonlijk van mening ben dat de overgangsperiode eerder te lang dan te kort is. Het is een stap die allang had moeten worden genomen. We hebben net van de heer Lehne te horen gekregen dat dit onderwerp sinds 17 jaar in behandeling is geweest. Tweeënhalf jaar geleden, als rapporteur voor de Commissie economische en monetaire zaken, heb ik om een vroegtijdige liberalisering verzocht. Jammer genoeg heeft de oorspronkelijke rapporteur van de ten principale bevoegde commissie, de Commissie juridische zaken, het proces telkens weer vertraagd. Ik weet niet of hij persoonlijke twijfels over de doelstelling van het project had of dat hij niet tegen de zware druk van de voertuigfabrikanten uit zijn eigen Duitse deelstaat op kon.

Hoe dan ook, het is onzinnig dat we een interne markt voor nieuwe motorvoertuigen hebben, maar niet voor de reserveonderdelen. De liberalisering van de vervolgmarkt zal de mededinging versterken, zal druk naar onderen uitoefenen op de prijzen en de keuze voor de consumenten vergroten. Hierdoor zal de innovatie niet worden belemmerd, maar zouden innovatieve activiteiten juist kunnen worden bevorderd, aangezien de voertuigfabrikanten ernaar zullen streven hun producten dusdanig te ontwerpen dat het voor onafhankelijke fabrikanten moeilijker zal zijn om ze na te maken. Ik ondersteun natuurlijk het recht op intellectuele eigendom en de bescherming daarvan, daar kunt u van op aan. Maar dat recht vormt belemmering voor de liberalisering van de markt. Er is per slot van rekening slechts één geval geweest waarin een autofabrikant een proces tegen een andere producent heeft aangespannen vanwege een schending van ontwerprechten op de primaire markt, ondanks het feit dat er soms zeer frappante overeenkomsten zijn tussen de door verschillende fabrikanten geproduceerde modellen.

De kleine en middelgrote ondernemingen zullen baat hebben bij de liberalisering, doordat nieuwe marktmogelijkheden zullen ontstaan, die de werkgelegenheid in de EU zullen stimuleren en tot een vermindering van de import zullen zorgen. Ten slotte zullen de consumenten voortaan vrij kunnen kiezen tussen verschillende leveranciers. Ik weet zeker dat ze blij zullen zijn met deze mogelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega, rapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. (ES) Mevrouw de Voorzitter, zoals de rapporteur, de heer Lehne, heeft gezegd, is dit een onderwerp waar het Parlement zich zeventien jaar lang mee heeft beziggehouden. Ik heb het voorrecht gehad dat ik dit vanaf het begin heb kunnen volgen, omdat ik de rapporteur van de Commissie juridische zaken was voor de richtlijn voor tekeningen en modellen. Daarna ben ik rapporteur voor advies van de Commissie interne markt geweest en ik heb het onderwerp ook gevolgd als vertegenwoordiger van de socialistische fractie in de Commissie juridische zaken.

Om te beginnen wil ik de heer Lehne feliciteren met zijn evenwichtige standpunt. Ik denk dat hij uitstekend heeft uitgelegd wat de moeilijkheden bij dit onderwerp zijn. Het is geen gemakkelijk onderwerp, het is geen eenvoudig onderwerp; aan de ene kant zijn er juridische complicaties en aan de andere kant zijn er economische repercussies.

Ik ben het met hem eens. Ik herinner me de lange avondlijke discussie met de Raad in het bemiddelingscomité over de definitieve vorm – we dachten toen aan de mogelijkheid om enige vorm van verplichte vergunning in te voeren, wat werd afgewezen –, maar ik denk dat zowel de rapporteur als ik, evenals de heer Klinz, die zojuist ook heeft gesproken, voor bescherming van intellectuele-eigendomsrechten zijn.

Vanuit juridisch oogpunt is het probleem dat zich voordoet bij modellen, en bij tekeningen en modellen in het algemeen, dat de bescherming die we moeten geven aan het product in zijn geheel is. Wat telt is de esthetische waarde van het product in zijn geheel, dat wil zeggen, het ontwerp; in het geval dat ons meestal het sterkst aanspreekt, het ontwerp van de auto.

Onderdelen die als gevolg van een ongeluk of om een andere reden kapotgaan of verloren gaan, moeten worden vervangen, en zoals commissaris McCreevy het heeft gezegd is de normale gang van zaken dat een vervangingsonderdeel identiek is aan het oorspronkelijke onderdeel. Wanneer iemand een onderdeel repareert en het vervangt door een identiek exemplaar, zonder dat de uiterlijke kenmerken van het product veranderen, pleegt hij geen enkele vorm van plagiaat, maar repareert hij een product waaraan hij zich moet aanpassen. Dat is de roemruchte aanpassingsclausule, in het Engels “must-fit, must-match”.

Ik denk dat de formule die de rapporteur voorstelt een goede formule is, maar de rapporteur maakt zich ook zorgen over een ander onderwerp: er is ook nog het economische aspect. Er is op dit moment een aantal landen waar de auto-industrie de extra inkomsten die door de bescherming van intellectuele eigendom worden gegenereerd nodig heeft. Maar, zoals de commissaris heeft gezegd, om een interne markt te verwezenlijken moet het recht in de hele Unie uniform worden gemaakt, en de vraag is hoe we beide zaken met elkaar kunnen verenigen.

De enige manier om dat te doen is door middel van een overgangsperiode. Dat wil zeggen dat de sector de mogelijkheid krijgt om gedurende een lange periode compensatie te zoeken voor die extra inkomsten, die anders zouden voortvloeien uit de intellectuele eigendom van die onderdelen, iets wat nu geen zin heeft omdat we ervan uitgaan dat intellectuele eigendom betrekking heeft op het ontwerp in zijn geheel.

Het gaat om de periode, zoals de heer Lehne heeft gezegd. Sommigen denken aan een periode van vijf jaar – twee plus drie, zouden we kunnen zeggen – en anderen denken dat de periode langer moet zijn, dat de periode acht jaar zou moeten beslaan.

Morgen zullen we zien welke standpunten de verschillende fracties zullen innemen, met inbegrip van de verschillende nationale delegaties en de verschillende individuele afgevaardigden. Ik heb de indruk dat dit een onderwerp is waarover niet zal worden gedebatteerd langs partijpolitieke lijnen, maar eerder op basis van nationale voorkeuren, individuele voorkeuren of voorkeuren voor de bescherming van deze of gene sector.

In elk geval denk ik dat het feit dat we zeventien jaar met de Raad en de Commissie over dit onderwerp hebben gediscussieerd geen slechte zaak is, omdat er in het algemeen de neiging bestaat om naar het wetgevend instrument te grijpen om incidentele problemen op te lossen, en hier zoeken de twee medewetgevers, de Raad en het Parlement, samen met de Commissie, al lange tijd naar een oplossing die evenwichtig is en waarin het recht op bescherming van intellectuele eigendom erkend wordt, waarin de belangen van de autofabrikanten en de belangen van de consumenten worden erkend, en waarin ook – waarom niet – de belangen van de kleine garages of zelfs van de verzekeringsmaatschappijen worden erkend.

Ik denk dat de formule die de rapporteur voorstelt op dit moment de juiste formule is. Zoals ik heb gezegd, moeten we alleen nog bepalen – en dat weten we morgen op grond van het resultaat – hoe lang de overgangsperiode moet duren. Maar ik denk dat het Parlement met deze voorwaarden de Commissie de mogelijkheid biedt om in korte tijd een nieuwe juridische formulering aan te nemen, een juridische formulering die ons de bij geschillen gebruikelijke gang naar het Hof van Justitie zal besparen.

Daarom denk ik dat het Parlement het verslag moet aannemen, zonder dat daarbij de kleine moeilijkheden die bepaalde amendementen kunnen opleveren uit het oog te verliezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi, namens de PPE-DE-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil in de eerste plaats, zoals zo veel collega’s vandaag, wijzen op het belang van intellectuele-eigendomsrechten en de bescherming van modellen in het algemeen. We hebben deze rechten nodig als we concurrerend, dynamisch en innovatief willen blijven en onze samenlevingen verder willen ontwikkelen.

We moeten er echter ook voor zorgen dat onze markten efficiënt functioneren. Het voorstel van de Commissie had niet op een beter moment kunnen komen. Zoals velen hebben benadrukt, hebben we hier al zeventien jaar op gewacht, en we moeten nog vijf jaar wachten. Ik denk dat de overgangsperiode van vijf jaar al lang genoeg is, en de auto-industrie krijgt hiermee zeker de tijd om zich op een behoorlijke wijze aan te passen aan de nieuwe situatie.

Dit is een goed evenwicht tussen intellectuele-eigendomsrechten en de rechten van consumenten. Er zijn in Europa 260 miljoen bezitters van motorvoertuigen, die een goed werkende “vervangingsonderdelen- en reparatieclausule” willen.

Dit voorstel voor een richtlijn en het compromis dat de Commissie juridische zaken heeft gesloten zullen ervoor zorgen dat alle vervangingsonderdelen die aan het eindproduct worden bevestigd bij het maken van het product – dat zijn niet echt traditionele vervangingsonderdelen – op grond van de modellenrichtlijn nog steeds volledige bescherming kunnen genieten.

Ik heb er vertrouwen in dat de richtlijn goed zal zijn voor de Europese consumenten. De bangmakerij door de auto-industrie dat dit vijftigduizend werknemers in de auto-industrie hun baan gaat kosten of tot een verlies van twee miljard euro voor de autofabrikanten zal leiden, is volkomen misplaatst. Ik denk dat dit kansen zal bieden aan een groot aantal kleine en middelgrote ondernemingen in Europa om nieuwe banen voor Europeanen te scheppen.

Dat moeten we afwachten, en wij willen de resultaten na vijf jaar zien en niet pas na acht jaar. Ik hoop dat dit morgen het compromis zal worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, namens de PSE-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, het voorstel voor een richtlijn inzake de rechtsbescherming van industrieel ontwerp heeft betrekking op de liberalisering van de markt voor reserveonderdelen van de automobielindustrie. De schattingen zijn dat het hier binnen de Unie om een markt van 10 miljard euro gaat.

De interne markt van de Gemeenschap is op het ogenblik alleen van toepassing op de verkoop van nieuwe motorvoertuigen, en de meeste lidstaten houden in hun nationale rechtsstelsels vast aan regelgeving waardoor modellen en “must-match”-reserveonderdelen worden beschermd. Dit betekent dat de productie van en de handel in onderdelen als motorkappen, deuren, bumpers en spatborden niet zonder beperkingen is. Verschillende nationale voorschriften die met deze sector verband houden, verstoren de concurrentie.

In landen die volledige modelbescherming toepassen, zoals Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland en Tsjechië, liggen de prijzen tussen de 6 en 10 procent hoger dan gemiddeld. De grote verliezers zijn de Europese consumenten en de KMO’s die graag toegang tot de markt zouden willen hebben en een eerlijke concurrentie zouden willen aangaan met erkende dealers. De tegenstanders van de liberalisering zijn voornamelijk de grote autofabrikanten, die beweren dat onafhankelijke producenten de onderdelen goedkoper zouden gaan verkopen, omdat zij niet de kosten voor ontwerp en ontwikkeling van nieuwe producten hoeven te dragen.

Het voorstel van de Commissie is een verdere stap in richting van een volledige liberalisering van de markt voor motorvoertuigen in Europa. De consumenten hebben baat bij de reparatieclausule. Deze tast het monopolie op de reserveonderdelenmarkt aan en bevordert de mededinging tussen de producenten. Dientengevolge zullen de reserveonderdelen goedkoper worden en van betere kwaliteit zijn. Er moet worden benadrukt dat elf lidstaten van de Europese Unie de reparatieclausule al ten uitvoer hebben gelegd, wat positieve uitwerkingen voor de consumenten heeft. De landen in kwestie worden gekenmerkt door een sterk concurrentievermogen en snelle economische groei. Hiertoe behoren Ierland, het Verenigd Koninkrijk en nieuwe lidstaten als Letland, Hongarije en Polen.

In feite is over het algemeen de verpakking het enige verschil tussen door onafhankelijke producenten geproduceerde onderdelen en onderdelen die het merkteken van het bedrijf dragen. De onafhankelijke producenten zijn verantwoordelijk voor 80 procent van de geproduceerde onderdelen, slechts 20 procent wordt rechtstreeks door de grote bedrijven geproduceerd. De modelbescherming heeft niets van doen met de veiligheid van de onderdelen, omdat het alleen om hun uiterlijk gaat, zoals betrouwbare studies in geheel Europa hebben uitgewezen. Tot slot wil ik zeggen dat een periode van vijf jaar het maximum is waarmee de Europese consumenten akkoord kunnen gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Lambsdorff, namens de ALDE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, de liberalisering van de markt voor zichtbare reserveonderdelen van voertuigen moet om drie redenen worden toegejuicht. De eerste is dat consumenten zullen profiteren van een grotere keuze en concurrentie. De tweede is dat we misschien een daling van de prijzen zullen zien, en dat we zeker kunnen verwachten dat de prijsstelling transparanter wordt, omdat de ontwerpkosten moeten worden doorberekend in de prijs van nieuwe voertuigen en niet in een later stadium kunnen worden terugverdiend middels een monopolie op de markt voor reserveonderdelen.

De derde reden is dat de arbeidsmarkt in de Europese Unie hiervan zal profiteren, omdat Europese onderdelenfabrikanten ook in staat zullen zijn om reserveonderdelen te produceren voor voertuigen die naar de EU worden geïmporteerd. Tot nu toe was dit alleen mogelijk voor fabrikanten buiten Europa. Tijdens de verkiezingscampagne van 2004 heb ik een onderdelenfabriek in de buurt van Gütersloh bezocht. Dit bedrijf zal blij zijn met deze nieuwe regeling.

Ik verheug mij ook over het feit dat belangrijke onderdelen van het voorstel van de Commissie, zoals de reparatieclausule, zijn opgenomen in het door de Commissie juridische zaken goedgekeurde ontwerp. Als schaduwrapporteur van mijn fractie in de Commissie interne markt en consumentenbescherming was ik een pleitbezorger van het vasthouden aan deze clausule. Ik geloof dat het ontwerp ons een stap dichter bij een echte interne markt brengt.

Het voorstel heeft twee grote manco’s, waarop sommige van mijn collega’s al hebben gewezen. Het eerste manco is dat de voormalige rapporteur de opstelling van het verslag heeft vertraagd. De heer Radwan heeft niet als vertegenwoordiger van de Europese bevolking, maar als vertegenwoordiger van de Bayerische Motorenwerke – afgekort BMW – gehandeld. Dit is een nogal onsmakelijk verhaal.

Het tweede manco is dat de overgangsperiode van vijf jaar aan de lange kant is. Vijf jaar voordat de liberalisering in werking treedt – dat is een lange tijd. Mededinging en de voordelige effecten van de liberalisering zullen zich pas later doen gevoelen. Ik heb gehoord dat de Duitse regering in de Raad dwars wil blijven liggen. Dit soort domheid is gif voor de mededinging. Het droevige is dat dit een handelsmerk van de Duitse regering is geworden. Ik hoop dat ze ermee ophouden zich zo op te stellen in de Raad.

Al met al hebben we een compromis waarmee we kunnen leven en dat we moeten aannemen. Ik kan alleen de woorden van de heer Lehne nog eens herhalen, waarbij ik hem tot slot voor al zijn werk wil danken: we moeten deze zaak tot een goed einde brengen en iedere vertraging in de tweede lezing vermijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Marcin Libicki, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, het onderwerp van het debat van vandaag is de liberalisering van de markt voor reserveonderdelen. Het gaat erom, andere producenten dan de automobielfabrikanten zelf in staat te stellen deze onderdelen produceren. Het verslag van de heer Lehne is ongetwijfeld een stap in de goede richting. Ik wil mijn steun betuigen voor de conclusies van het verslag, zowel mijn persoonlijke, alsook die van de fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten.

Als voorstander van een vrije economie besef ik – en dat doen wij geloof ik allen – dat er twee essentiële voorwaarden voor een gezonde en doeltreffende vrije economie zijn. Aan de ene kant de vrijheid om een reeks van producten te produceren en te verkopen, en aan de andere kant de bescherming van de intellectuele eigendom van de oorspronkelijke producent, dat wil zeggen de bescherming van diens auteursrechten.

Volledige economische vrijheid kan namelijk niet doeltreffend zijn indien we de eigendom van de persoon die het oorspronkelijke idee had, niet respecteren. In wezen heeft deze persoon het morele recht op het product dat hij als eerste heeft ontworpen en bezeten. Aan de andere kant kan er ook geen economische vrijheid zijn wanneer auteursrechten tot een marktmonopolie leiden en de economische vrijheid beperken.

Ik ben ervan overtuigd dat er in deze sector, namelijk in de sector voor reserveonderdelen, in landen waar tot op heden auteursrechtbeperkingen van de oorspronkelijke producenten van kracht zijn, de facto sprake is van economische beperking. De productprijzen liggen er hoger, en de eigenaar van de intellectuele eigendom, namelijk de autofabrikant, oefent een monopolie uit. Wanneer we een evenwicht willen bereiken tussen aan de ene kant de wetgeving van de vrije markt, en het recht op intellectuele eigendom aan de andere kant, moeten we toch de intellectuele-eigendomsrechten in zekere mate beknotten.

Ik geloof dat dit verslag een stap in deze richting is. Daarom ondersteun ik het en spreek ik mijn complimenten uit aan het adres van de heer Lehne, de rapporteur. Daarbij baseer ik mij op het economisch liberalisme, het systeem dat de meest effectieve, de meest efficiënte en de kwalitatief beste productie oplevert, vooropgesteld dat men zich aan bepaalde richtsnoeren houdt.

 
  
MPphoto
 
 

  Eva Lichtenberger, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik ben geen oude rot die zich al sinds 17 jaar met deze zaak bezighoudt, maar ik ben desalniettemin verheugd dat dit door de Commissie juridische zaken voorbereide compromis – waarvoor wij de rapporteur dank verschuldigd zijn – ons eindelijk in staat zal stellen om een nieuwe fase te bereiken.

De betekenis van de reparatieclausule voor de consument kan moeilijk worden overschat. En bovendien is het van cruciale betekenis of de consument in sommige lidstaten verder overgeleverd is aan het monopolistisch beleid van grote fabrikanten of niet. Per slot van rekening schijnt het zo te zijn dat sommige ondernemingen de prijzenslag bij de verkoop van nieuwe auto’s door middel van hoge prijzen voor reserveonderdelen compenseren, wat zij rechtvaardigen door naar de modelbescherming te verwijzen. Deze mogelijkheid wilden veel lobbyisten die bij ons aan de deur klopten zich niet laten ontnemen. Maar wie beweert dat dit monopolie nodig is om de automobielindustrie te redden, heeft de economie in al zijn complexiteit niet begrepen. De automobielindustrie klaagt over de maatregelen voor klimaatbescherming die zij moet omzetten, en zij klaagt eveneens over ontoereikende modelbescherming. Ik geloof echter dat de innovatieve segmenten van deze industrie niet klagen, maar innovatief zijn. Het gaat hier per slot van rekening alleen om modelbescherming en niet om octrooibescherming. We moeten deze dingen eindelijk beter uit elkaar houden.

Het veiligheidsargument dat door de grote fabrikanten werd aangevoerd, werd uiteindelijk door de effectbeoordeling weerlegd, en we moeten ook registreren dat de Europese consumentenbeschermers zich positief over het voorliggende compromis hebben geuit. Nu poogt men de overgangsperiode voor landen die op het moment een hoog beschermingsniveau hebben, tot 8 jaar te verlengen. Ik zeg u: vijf jaar zijn meer dan genoeg. Ik wil niet dat er nog aan het compromispakket wordt getornd. Wij Groenen zullen dit compromis ondersteunen, en ik acht het zeer belangrijk en wenselijk, dat het gehele Huis dit ook doet.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Strož, namens de GUE/NGL-Fractie. – (CS) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, staat u mij toe te zeggen dat ik het in het geheel niet eens ben met het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/71/EG inzake de rechtsbescherming van modellen. Mijn afkeuring betreft het gehele voorstel, en niet slechts een paar kleinere problemen met het voorstel van de Commissie. Het voorstel is erop gericht om de concurrentieproblemen in de autoindustrie aan te pakken middels een ongekende besnoeiing van de rechtsbescherming die reserveonderdelen op grond van industriële ontwerprechten genieten. Een dergelijke aanpak druist niet alleen regelrecht tegen de strategie van Lissabon in, maar ook tegen de algemeen aanvaarde en vaak gepropageerde ontwikkeling op weg naar een betere bescherming en handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten. Het is onloochenbaar dat er geen redenen zijn, noch van economische of juridische aard noch in verband met de werkgelegenheid, om de rechten van de houders van de modelrechten te beperken.

Ik wil er ook op wijzen dat iedere economie baat heeft bij een monopolie op grond van juridische modelbescherming, omdat dit voor een sterkere groei zorgt. Bovendien moet er rekening worden gehouden met het beginsel dat intellectuele-eigendomsrechten, waaronder ook het modelrecht valt, slechts in buitengewone omstandigheden in het belang van het algemeen kunnen worden beperkt, wat hier onmiskenbaar niet van toepassing is. De negatieve gevolgen van deze richtlijn zullen zich, indien zij wordt aangenomen, in de Europese automobielindustrie zeer sterk doen gevoelen. Er zijn veel argumenten voor aan te voeren dat de door de Commissie voorgestelde liberalisering van de vervolgmarkt voor reserveonderdelen juist nadelig zou zijn voor de consument doordat gevaarlijke onderdelen van mindere kwaliteit op de markt zouden worden gebracht. Indien de zogenaamde onafhankelijke producenten standaardonderdelen van hoge kwaliteit zouden produceren, waarvoor geavanceerde technologieën nodig zouden zijn, dan zou deze productie voor hun economisch gezien niet aanlokkelijk zijn.

Het buitensporig karakter van de voorgestelde richtlijn kan worden verduidelijkt aan de hand van het vreemde en onbegrijpelijke advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, waarin zij aan de ene kant het voorstel volledig ondersteunt, in naam van de zaligmakende liberalisering van de interne vervolgmarkt; terwijl zij aan de andere kant zegt: “De afschaffing van de bescherming van modellen staat haaks op internationaal erkende beginselen van bescherming van de intellectuele eigendom en zou een gevaarlijk precedent vormen voor de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten in andere sectoren, dit op een moment dat de Europese Unie, met name in het kader van de Wereldhandelsorganisatie, heeft aangedrongen op de acceptatie door derde landen van een stelsel van bescherming van de intellectuele eigendomsrechten dat een eind zou maken aan namaak en vervalsing”. Hiermee is alles gezegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Christoph Konrad (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, deze herziening van de modellenrichtlijn draait om de vraag of de rechtsbescherming die modellen van autocarrosserieën genieten wel of niet moet worden uitgebreid tot zichtbare “must-match”-reserveonderdelen, zoals buitenspiegels en koplampen.

Het gevolg van een uitbreiding – naar mijn mening een al te sterke uitbreiding – van de modelbescherming zou zijn dat autofabrikanten een monopolie zou worden verleend op een markt met een geschatte waarde van 13 miljard euro. Op grond van de modelbescherming voor reserveonderdelen zou ongeveer 25 procent van de markt voor reserveonderdelen buiten de werkingssfeer van de verordening over de groepsvrijstellling voor motorvoertuigen vallen.

De door de Europese Commissie voorgestelde reparatieclausule zou ervoor zorgen dat de verordening over de groepsvrijstellling voor motorvoertuigen, de grondwet voor de automobielsector, op de gehele markt voor reserveonderdelen en reparaties van toepassing zou zijn, wat op het moment alleen in België, Ierland, Italië, Spanje en het Verenigd Koninkrijk het geval is.

De door de PPE-DE-Fractie voorgestelde overgangsperiode van vijf jaar voor de inwerkingtreding van de richtlijn is gepast en naar mijn mening meer dan voldoende. Ik wil echter waarschuwen voor verdere vertragingen, ook voor door de Raad veroorzaakte vertragingen, omdat de consumenten, terwijl deze langdurige debatten hier in dit Huis en tussen de lidstaten plaatsvonden, nu al sinds geruime tijd hebben moeten wachten op lagere reparatierekeningen en goedkopere verzekeringspremies.

Bovendien mogen we het niet aan het Europees Hof van Justitie overlaten de onvermijdelijke gevolgen van verdere dadeloosheid te bepalen, maar moeten we zelf creatief zijn in onze rol als wetgever. Op basis van de normen die we morgen vastleggen, zou ook de Raad zich moeten inspannen voor een besluit.

 
  
MPphoto
 
 

  Leopold Józef Rutowicz (UEN).(PL) Mevrouw de Voorzitter, de rechtsbescherming van industriële ontwerpen is erop gericht de vruchten van het productontwerp te beschermen, maar mag er niet toe dienen de mededinging te beperken en mag evenmin tot ongerechtvaardigd hoge prijzen leiden. De invoering van de reparatieclausule zorgt voor een eerlijk evenwicht tussen de rechtsbescherming van intellectuele eigendom en de behoefte aan concurrentievrijheid. De clausule beschermt ook de 260 miljoen Europese chauffeurs tegen een monopolie wanneer zij “must-match”-onderdelen voor de reparatie van hun auto kopen.

Ik ondersteun de amendementen 1, 2, 3, 5 en 8. Ik ben tegen de amendementen 6, 7 en 9. Deze wijzigingen komen de interne markt, KMO’s en de consumenten ten goede. Ik zou graag de heer Lehne voor al zijn werk willen danken en voor de compromissen die hij heeft weten te bereiken met betrekking tot de wijziging van de richtlijn inzake modelbescherming.

 
  
MPphoto
 
 

  Malcolm Harbour (PPE-DE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik denk dat dit een historische dag is, omdat we eindelijk dit netelige probleem en deze anomalie in de interne markt gaan aanpakken. Ik denk dat we kort moeten recapituleren hoe we tot dit punt zijn gekomen.

Voordat ik lid van dit Parlement werd, was ik betrokken bij de kwestie die voor deze discrepanties in de markt heeft gezorgd. Intellectuele eigendom en de onschendbaarheid daarvan zijn hier eigenlijk niet aan de orde. Het gaat hier om een veel fundamenteler punt. Intellectuele eigendom is tenslotte een recht dat aan producenten wordt verleend, maar het is een recht dat ze niet mogen misbruiken om de concurrentie te verstoren. In een aantal landen, in het bijzonder in het Verenigd Koninkrijk, waar deze beweging is begonnen, was het indertijd voor de Britse monopoliecommissie heel duidelijk dat de autofabrikanten misbruik maakten van dat monopolie, en daarom werd dat afgeschaft. Niet dat dit op enigerlei wijze iets afdoet aan het belang van bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, maar ik wil dit simpelweg heel duidelijk zeggen tegen enkele collega’s die dat punt naar voren hebben gebracht.

In de tweede plaats wil ik de collega’s wijzen op een belangrijke maatregel die de Commissie interne markt en consumentenbescherming een paar maanden geleden heeft ingebracht – en waarbij ik het voorrecht had om rapporteur te zijn – met betrekking tot de typegoedkeuring voor motorvoertuigen. Voor het eerst hebben we nu een regeling waarin onafhankelijk vervaardigde onderdelen die een cruciaal onderdeel van de veiligheids- en milieusystemen van voertuigen vormen onafhankelijk moeten worden getest, waarbij dezelfde normen gelden als voor de eigen onderdelen van de fabrikant. Dat nieuwe voorstel ontkracht in de praktijk volledig het argument over veiligheid dat ik de heer Strož weer hoorde herhalen. Dat is weg: dit Parlement heeft ervoor gezorgd dat dat er niet meer is.

Dus we hebben de twee belangrijkste kwesties geregeld, en ik denk dat het tijd wordt dat we een besluit nemen. Het doet me genoegen dat de autofabrikanten uiteindelijk het feit hebben geaccepteerd dat je een markt niet kunt herreguleren. Collega’s, u weet dat we een markt niet kunnen herreguleren. Dit is een buitengewone anomalie. Het heeft al zo lang kunnen voortduren. Dit is iets dat we willen doen om de interne markt te voltooien. Ik denk dat we al heel genereus zijn met de overgangsperiode van vijf jaar. Ik hoop dat de Raad dat zal accepteren. En dan kunnen we de zaak laten rusten en ons gaan bezighouden met waar het werkelijk om gaat, en dat is hoe we in de toekomst een bloeiende auto-industrie kunnen hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Paul Gauzès (PPE-DE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, na een aantal amendementen heeft de Commissie juridische zaken het voorstel voor een richtlijn inzake de rechtsbescherming van modellen goedgekeurd.

Ik betreur het dat de goedgekeurde tekst op korte termijn voorziet in de afschaffing van de modelbescherming voor zichtbare carrosserie-onderdelen. Indien dit besluit wordt gehandhaafd, zal dit negatieve gevolgen hebben voor de autofabrikanten in de EU, zonder dat het werkelijk voordeel voor de consumenten oplevert. De EU herinnert ons met grote regelmaat aan de doorslaggevende rol van de bescherming van intellectuele eigendom voor het concurrentievermogen van ondernemingen. Sinds vele jaren hebben de instellingen en de lidstaten er alles aan gedaan om de regels van de Gemeenschap inzake intellectuele-eigendomsrechten op de interne markt te versterken.

Het huidige voorstel is volledig in tegenspraak met dit beleid en zal aanzienlijke schade berokkenen aan de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten door de Gemeenschap. De bescherming mag niet worden opgegeven voor reserveonderdelen van auto’s, noch voor vele andere complexe producten die het resultaat zijn van artistieke creativiteit en grote investeringssommen.

In weerwil van hetgeen wordt beweerd, maar nooit wordt gestaafd, zal de afschaffing van de bescherming voor autoreserveonderdelen geen voordelen voor de consument opleveren. De eindgebruiker zal niet kunnen profiteren van een betere prijs-kwaliteits verhouding. Zelfs uit een door de Europese Commissie in opdracht gegeven studie blijkt dat de volledige liberalisering van de markt voor autoreserveonderdelen niet noodzakelijkerwijs prijsvoordeel oplevert voor de consument. Dit heeft te maken met het aantal tussenhandelaren tussen de leveranciers van reserveonderdelen en de eindgebruiker. De afschaffing van de bescherming zou feitelijk alleen voordelen opleveren voor economische exploitanten die niet gedwongen zijn om de ontwerpkosten te dekken en die, in tegenstelling tot de fabrikanten, die aan hun imago moeten denken, zich minder zorgen maken over de verwachtingen van de kopers aan het product. Het voorstel van de Commissie zou er daarom toe kunnen leiden dat onderdelen van slechtere kwaliteit op de markt worden gebracht, of zou ten minste namaak kunnen aanmoedigen.

Om al deze redenen betreur ik het door de Commissie ingenomen standpunt. Ik zal blijven vasthouden aan de amendementen die ik samen met vijftig van mijn medeleden in de plenaire vergadering heb ingediend en waarin wij ons uitspreken voor een overgangsperiode van acht jaar voor de bescherming van ontwerpen en modellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE).(NL) Voorzitter, commissaris, collega’s, de discussie over de modellenbescherming van zichtbare vervangingsonderdelen is inderdaad zowat een hele generatie parlementsleden aan de gang. Al zeventien jaar wordt erover gediscussieerd, maar tot dusver zijn we er niet in geslaagd om voor deze belangrijke economische wetgeving een sluitende afspraak te maken en de wetgevingen van de lidstaten voldoende op elkaar af te stemmen.

We zijn nu drie jaar na de lancering van het actuele Commissievoorstel en eindelijk gaan we morgen in eerste lezing stemmen. Het verslag van collega Lehne wijst ons hierbij de juiste weg. Het brengt respect op voor de intellectuele eigendom van het design van het samengestelde voorwerp in zijn geheel en het geeft ons tegelijk ruimte voor een goede werking van de interne markt voor vervangingsonderdelen.

De huidige fragmentatie van de interne markt is niet langer verdedigbaar. Aan de producent van de onderdelen - de onafhankelijke producent bedoel ik dan - ontneemt ze de kans op de schaalvoordelen van de interne markt. Aan de onafhankelijke herstellers ontneemt ze de mogelijkheid een leverancier te kiezen, en aan de consument ontneemt ze de kans of het voordeel van de neerwaartse druk op de prijs die normalerwijze uitgaat van een goed werkende mededinging.

En nu we met de nieuwe richtlijn - Malcolm Harbour wees er daarnet ook op, de nieuwe richtlijn inzake de typegoedkeuring van voertuigen - ook het laatste obstakel, dat van de veiligheid, hebben weggenomen, is het tijd de knoop door te hakken en definitief een keuze te maken. Voor mij hoeft zelfs die overgangsregeling van vijf jaar niet meer, maar vermits ook ik gedurende al die jaren - toch al zestien van de zeventien jaar discussie - geleerd heb dat de politiek de kunst is van het haalbare, kan ik met die vijf jaar, met dat compromis, leven.

Langer uitstel, Voorzitter, is echt niet aanvaardbaar. Laat ons hier kiezen voor de interne markt. Dit is een aspect van de interne markt waarmee we heel duidelijk kunnen aantonen dat het ook in het voordeel van de consument is. Laat ons een keuze maken voor de consument.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Toubon (PPE-DE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, het voorstel van de Commissie heeft ten doel ook andere ondernemingen dan de fabrikanten toe te staan om reserveonderdelen te produceren, waarbij de Commissie ervan uitgaat dat hierdoor de prijs van onderdelen en verzekeringen zal dalen. Dit is de naïeve voorstelling van zaken die de commissaris Interne markt en diensten hier heeft gepresenteerd.

Er is absoluut geen bewijs dat dit voorstel werkelijk voordeel oplevert voor de consumenten. In de landen die de bescherming al hebben afgeschaft, is geen duidelijke vooruitgang te bespeuren. De eigen studies van de Commissie bevestigen dit, zoals onze rapporteur Klaus-Heiner Lehne ons zojuist heeft verteld. De afschaffing van de intellectuele eigendom met betrekking tot ontwerp en modellen in vele takken van industrie, niet alleen in de automobielindustrie, is volledig in strijd met de economische en commerciële strategie van de EU. Hierdoor wordt de deur open gezet voor namaak, en wordt gevaarlijke concurrenten als China en India de kans gegeven om zich onstuimig op de productie van dit soort onderdelen te storten. Dit is volledig in strijd met de strategie van Lissabon, die intellectuele eigendom tot een wapen wil maken voor mededinging en innovatie. We zouden onze concurrenten ongetwijfeld een verkeerd signaal sturen met deze strategie, die in het kader van de mondialisering tegen de belangen van de EU zou ingaan.

Dames en heren, dit voorstel is achterhaald. Het is ingegeven door een ideologische houding die in 2007 gevaarlijk kan worden, omdat we ons nu in een beslissende strijd met nieuwe economische giganten bevinden waarin het om het voortbestaan van onze industrie gaat. Dit is eigenlijk niet de tijd om ons van onze wapens te ontdoen. Commissaris Mandelson gaat naar Peking om de Chinezen te dwingen de intellectuele eigendom te respecteren, terwijl we deze hier nu zelf ondermijnen. Dit voorstel moet gewoonweg als onrealistisch en onverantwoordelijk worden verworpen. Nu we eenmaal over dit thema debatteren, moeten we tonen dat we goede wetgevers zijn. Daarom zullen we op zijn minst onze ondersteuning aan het compromis van de rapporteur geven en het Parlement ertoe oproepen om voor het door 53 leden ondertekende amendement te stemmen dat in een overgangsperiode van 8 jaren voorziet.

 
  
MPphoto
 
 

  Christian Foldberg Rovsing (PPE-DE). - (DA) Mevrouw de Voorzitter, we hebben meegemaakt hoe de liberalisering van de oude monopolies in Europa in de handel en de industrie voor stimulerende concurrentie heeft gezorgd, met als gevolg betere producten en lagere prijzen voor consumenten. De markt voor autovervangingsonderdelen vormt hierop geen uitzondering. De autofabrikanten genieten sinds vele jaren een stevig monopolie op het gebied van vervangingsonderdelen; dit is een wezenlijke factor bij het ontwerp van een nieuw automodel. In de praktijk spreken we hier over ongeveer 20 procent van alle verkochte reserveonderdelen op de zeer grote EU-markt. De totale jaarlijkse omzet ligt overeenkomstig de ramingen van de Commissie rond de 42 miljard euro. Krachtens een bijna 10 jaar geleden aangenomen EU-richtlijn hebben de lidstaten nog steeds de mogelijkheid om deze monopolies in stand te houden die de automobielindustrie op exorbitante wijze beschermen.

Het voorstel van de Commissie, dat voor de broodnodige liberalisering van deze markt zal zorgen, heeft op zijn minst drie grote voordelen. Ten eerste zal de industrie worden gestimuleerd om in de productie van vervangingsonderdelen te investeren, wat normaal gezien grote hoeveelheden aan vast kapitaal vereist. Op het ogenblik zijn zulke prikkels niet te vinden, omdat grote delen van de markt van de EU in handen zijn van monopolies en daarom gesloten zijn voor de niet-originele reserveonderdelen van de vervolgmarkt. Ten tweede zullen de consumenten kunnen profiteren van dalende prijzen voor autoreserveonderdelen, omdat er meer mededinging tussen de fabrikanten zal zijn. Ten derde en tot slot zal de volledige tenuitvoerlegging van de reparatieclausule naar verwachting tot lagere premies voor autoverzekeringen leiden. De markt voor vervangingsonderdelen waarop modelbescherming van toepassing is, berust voor een belangrijk deel op schadeclaims die door verzekeringspolissen worden gedekt.

Ik moet nog eens wijzen op de opmerkingen van de heer Harbour over veiligheidsaspecten in verband met de productie van cruciale vervangingsonderdelen door alle fabrikanten. De heer Lehne verdient veel lof voor het werk dat hij heeft verricht in verband met dit verslag, dat ik volledig ondersteun.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil alle afgevaardigden die hebben bijgedragen aan dit debat bedanken. Ik heb zorgvuldig geluisterd, niet alleen naar deze discussie, maar ook naar ander commentaar dat al enige tijd op dit voorstel wordt gegeven. Ter afsluiting van dit debat wil ik enkele belangrijke punten benadrukken.

De huidige situatie, met een gemende regeling voor de bescherming van modellen, zorgt voor marktverstoringen, wat slecht is voor de interne markt, slecht is voor bedrijven en slecht is voor consumenten. De volledige liberalisering van de secundaire markt voor vervangingsonderdelen belooft in veel opzichten netto voordelen op te leveren. Het zal tot meer concurrentie leiden en kleine en middelgrote bedrijven zullen toegang tot de markt krijgen en daaraan kunnen deelnemen. De consumenten zullen profiteren van een grotere keuze en lagere prijzen. Behalve tot rechtszekerheid zal het ook tot vereenvoudiging van het dagelijkse leven van overheden, rechtbanken, bedrijven – met name kleine en middelgrote bedrijven – en consumenten leiden. En tot slot is de voorgestelde reparatieclausule afgeleid van en volledig in overeenstemming met de beginselen van de bescherming van intellectuele eigendom.

Ik vraag het Europees Parlement daarom om steun en ik herhaal wat veel sprekers hier hebben gezegd – maar in het bijzonder wat de heer Lehne en de heer Harbour hebben gezegd –, namelijk dat het Europees Parlement een krachtig signaal zal uitzenden ten gunste van een oplossing die de Gemeenschap zo dringend nodig heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

De stemming vindt op woensdag, 12 december 2007, plaats.

Schriftelijke verklaring (Artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. (PL) Mevrouw de Voorzitter, om te beginnen zou ik de heer Lehne, de rapporteur, zeer hartelijk willen danken voor zijn werk aan dit document.

Ik ben van mening dat we het verslag dat vandaag voor ons ligt moeten steunen, omdat de zogenaamde reparatieclausule voor een evenwichtige verhouding tussen de rechtsbescherming van intellectuele eigendom en vrije mededinging en consumentenbescherming zorgt. Deze clausule dient ertoe te voorkomen dat er ongewettigde monopolies ontstaan, en de invoering van deze clausule betekent een stap voorwaarts in de richting van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt.

Ik ben het met mijn medelid eens dat het in de huidige mondiale context het beste is om een situatie te voorkomen die nadelig voor de interne markt van de Europese Unie zou zijn. Op grond van de bestaande richtlijn is er in de verschillende lidstaten sprake van uiteenlopende juridische praktijken. Uit studies is gebleken dat in landen die in hun wetgeving hebben vastgehouden aan de modelbescherming voor vervangingsonderdelen, de vervangingsonderdelen tussen de 6,4 en de 10,3 procent meer kosten dan in de landen waar de markt is geliberaliseerd.

Tot slot zou ik erop willen wijzen dat de desbetreffende markt in Polen volledig is geliberaliseerd.

 
Laatst bijgewerkt op: 11 november 2008Juridische mededeling