Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2664(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

B6-0510/2007

Debatten :

PV 13/12/2007 - 4
CRE 13/12/2007 - 4

Stemmingen :

PV 13/12/2007 - 6.14
CRE 13/12/2007 - 6.14

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0628

Debatten
Donderdag 13 december 2007 - Straatsburg Uitgave PB

4. Textiel (debat)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het debat over:

– de mondelinge vraag aan de Commissieover het aflopen van hetmemorandum van overeenstemming tussen de EU en China inzake de invoer van bepaalde textiel- en kledingproducten, van Pedro Guerreiro, Jacky Hénin, Roberto Musacchio, Marco Rizzo, Ilda Figueiredo en Helmuth Markovnamens de GUE/NGL-Fractie (O-0077/2007 - B6-0388/2007);

– de mondelinge vraag aan de Commissieover textielproducten van Gianluca Susta, Ignasi Guardans Cambó en Johan Van Hecke namens de ALDE-Fractie, Robert Sturdy, Tokia Saïfi, Georgios Papastamkos en Vasco Graça Moura namens de PPE-DE-Fractie, Erika Mann, Glyn Ford, Kader Arif en Elisa Ferreira namens de PSE-Fractie, Cristiana Muscardini en Eugenijus Maldeikis namens de UEN-Fractie, Caroline Lucas en Alain Lipietz namens de Verts/ALE-Fractie (O-0074/2007 - B6-0383/2007).

 
  
MPphoto
 
 

  Patrizia Toia (ALDE), plaatsvervangend auteur. (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik spreek tevens namens mijn collega Gianluca Susta, de eerste ondertekenaar van de vraag, die vandaag afwezig is vanwege belangrijke verplichtingen in Italië. Het Parlement wil zich nogmaals buigen over de complexe situatievan de textielindustrieen vraagt de Commissieom beslissender en gepaster in te grijpen.

De sector biedt werk aan miljoenen mensen in Europaen levert in veel landen aanzienlijke inkomsten op, waardoor Europade op een na grootste exporteur van de wereld is.Textiel levert dus een zeer belangrijke bijdrage aan de Europese export. Naar mijn mening is het onjuist om het als een volgroeide sector te zien, omdat er in veel gevallen ruimte is voor moderniseringdoor middel van technologische innovatieen onderzoek naar nieuwe materialenen omdat het zeer sterke banden heeft met de mode, styling en andere specialisatieswaarin veel Europeselandengrote expertise hebben die wereldwijd wordt erkend.

Natuurlijk vereist dit aanzienlijke steun voor de sector door middel van industriëlebeleidsmaatregelendie ervoor zorgen dat hij de wereldwijde concurrentie goed het hoofd kan bieden. Dit zijn ook voorstellen die zijn gedaan door deGroep op hoog niveaudie is opgericht, en daarom vragen wij de Commissiewelke stappen zij precies heeft genomen met betrekking tot vervolg entenuitvoerlegging. In de onmiddellijke toekomsthebben de dringende problemen betrekking op de maatregelendie moeten worden genomen voor debeslissende datum 1 januari 2008.

Ik zal slechts drie problemen noemen: de noodzaak van zeer nauwkeurige controles:hoe is de Commissievan planhet toezichtsysteem ten uitvoer te leggenom te zorgen voor effectieve bescherming; hoe gaat zij om met het risico van indirecteverplaatsingen enhet daarmee samenhangende probleem van dubbele controle van vergunningen? Het probleem van alle instrumentendie er op papier goed uitzien, is hoe ze in praktijk moeten worden gebracht. Het is bijvoorbeeld de vraag hoe we de echtheid van producten kunnen garanderen,wat inhoudt dat wevervalsing, piraterijenoneerlijke handelspraktijken moeten blijven bestrijden, en we hopen dat de Raad – die hier vandaag niet aanwezig is – de “made in”-verordening zal aannemen, die echt noodzakelijk is en een werkelijke veiligheidsmaatregel zou vormen.

Er is ook het probleem van de consumentenbescherming, onder meer vanuit het perspectief van gezondheid en veiligheid. We moeten daarom dezelfde gezondheids- en veiligheidsnormen hanterenvoor geïmporteerde productenals er gelden voor de fabricage van producten binnen de Europese markt.

Tot slot – en we richten ons nu tot de Commissie – is er het probleem van bereidheid om op te treden. Als er begin 2008 opnieuw een sterke stijging van deinvoer plaatsvindt, als er weer pieken zijn, zoals in het verleden is gebeurd, vragen we om een werkelijke bereidheid om nieuwe instrumentenen mogelijk ook nieuwe maatregelenen veiligheidsclausules te gebruiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Tokia Saïfi (PPE-DE), auteur. (FR)Mijnheer de Voorzitter, commissaris, twee jaar geleden maakte de textielsectorna het schrappen van de quotaeen ware“big bang” door. Om te proberen met de crisis om te gaan, mijnheer de commissaris, stelde u tijdelijkverzachtende maatregelen voordie als doel hadden de invoer van bepaalde Chinese textielproducten te beheersen en beperken. Over enkele dagen bestaan deze veiligheidsmaatregelen niet meeren is de handel in textielonderworpen aan gezamenlijke surveillancevan de Europese Unie en China, die naar ik hoop oplettend enalert zal zijn.

Vandaag houden wij ons bezig met de manier waarop dit systeem van gezamenlijke surveillance zal worden opgezet. Welke garanties hebben we dat dit dubbele controlesysteem adequaaten effectief zal zijn? De textielsector is altijd globalistisch geweest, wat zowel de productieals de consumptie betreft, maar hij heeft een prijs betaald voor deze globalisering.

Globalisering kan echterverwachten gereguleerd worden. Daarvoor moet er de politieke wil zijn om eenconcurrerend kader op te zettenvoor onze Europese textielindustrieën. We moeten werken aan eerlijke enwederzijdse voorwaarden voortoegang tot de markt. We moeten zonder angst gebruik blijven maken van de instrumenten die de EU tot haar beschikking heeft om onze handel te beschermen; want beschermend is niet hetzelfde als protectionistisch. We moeten prioriteit geven aan de strijd tegen vervalsing. Het Europa van morgenzal geen industrie meer hebben als we niet opkomen voor haar intellectueleeigendomsrechten en expertise. Ervoor zorgen dat dezelfde regels worden toegepast door iedereen voor iedereen is de enige manier om een scenario te scheppen dat voor alle partijen gunstig is.

Mijn wens voor 2008, mijnheer Mandelson, is daarom dat we samen de textielsectoreen goede toekomst kunnen geven in een vreedzamer klimaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Kader Arif (PSE), auteur. (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, een aantal weken na het einde van de onderhandelingen over hetmemorandum van overeenstemmingdat beperkingen instelde voor de invoer van Chinese textielproducten, is het essentieel dat het Europees Parlement een sterk standpunt inneemt over de toekomst van de Europese textielsector, waarvan de structuren en organisatiemethodenworden bedreigd door de plotselinge concurrentie met China.

De gezamenlijke resolutiedie wij vandaag voorstellen, vraagt om een duidelijke verbintenis van de Europese Commissieen de lidstatenmet betrekking tot een aantal punten.

Ten eerste moeten bedrijven en werknemers in de sector,die zich gesteld zien voor grote risico’s op het gebied van herstructurering,volledig worden gesteund door adequate socialemaatregelen en door detoewijzing van Europese fondsen voor de ondersteuning van de modernisering van hun productiefaciliteiten.

Verder moeten we ons inzetten voor de verbetering van hetconcurrentievermogen van de Europese textielsector binnen het meer algemene kader van eensterk en ambitieus Europees industriebeleid. Deze doelstelling kan pas worden gehaald als we woorden omzetten in dadenen als we veel investeren inonderzoek en ontwikkeling.

Bovendien heeft Europa, met het oog op oneerlijke concurrentie van enkele van onzeconcurrenten, die hun concurrentievoordelen baseren op socialeen/ofmilieudumping, effectieve hulpmiddelen nodig om zich te verdedigen. Grotere efficiëntie wordt niet bereikt door gehaaste hervormingen, die de beschermingsmiddelen van de EU zullen verzwakken, maar door transparanteren voorspelbaarder gebruikvan de bestaande instrumenten.

Tot slot moet Europa het Europees-mediterrane partnerschap gebruiken als basis voor een geïntegreerd productiegebied dat optimaal gebruik maakt van de nabijheid van de mediterrane landen om het concurrentievermogen in de internationale textielmarkt te vergroten. De ontwikkeling van demediterrane landenwaarmee we een partnerschap willen aangaanis afhankelijk van ons vermogenom hen krachtige beloften te doenmet betrekking tot beleidsmaatregelen en sectorenvan gemeenschappelijk belang.

 
  
MPphoto
 
 

  Cristiana Muscardini (UEN), auteur. (IT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, een paar dagen voor de beslissende deadline van 31 december 2007, als het quotastelsel voor textielproducten uit China voorgoed wordt afgeschaft, neemt de bezorgdheid binnen de Europese industrie toe.

China is enige tijd geleden toegetreden tot de Wereldhandelsorganisatieen heeft hier op diverse manieren van geprofiteerd, te beginnen met het verbod op de herinvoering van quotavoor zijn textielexporten. Na het aanvaarden van deze voordelen had China iets terug moeten doendoor te voldoen aan de eisen die zijnvastgelegd en geratificeerd door de Wereldhandelsorganisatie. Het lijkt ons niet dat dit is gebeurden dat is slecht voor de internationaleconcurrentie, die nog altijd verre van eerlijk is ennog steeds niet voor iedereen dezelfde regels heeft.

Ik heb het niet over derelatieve socialeenmilieuvoordelendie helaas nog niet binnen een rechtskader vallen in multilateralehandelsbesprekingen en die ooit,en ik hoop heel snel, moeten worden opgenomen in het raamwerk van de handel,zodat die werkelijk eerlijk genoemd kan worden. Ik heb het vandaag over de regelsvolgens welke de krachtige strijd tegen vervalsingen wordt geleverd, de veiligheidsnormen van veel producten,van speelgoed tot geneesmiddelen,en de toegang van onze bedrijven tot markten als China, die niet de enige is waar, niet alleen voor textiel, maar ook voor andere sectoren, nog altijd tarifaire belemmeringen en vooralniet-tarifaire belemmeringen bestaandie het voor de Europese industrieen kleine en middelgrote ondernemingen in de sector zeer moeilijk maken om door te dringen tot de Chinese markt.

Met het oog opdergelijke situaties in de internationalehandel moeten we niet bang zijn om, op voorwaarde dat aan dewettelijke en economischeeisen wordt voldaan, de beschikbarewettige instrumenten te gebruikendie zijn ingesteld door multilaterale internationaleovereenkomstenom de textielindustrie te beschermen en waarborgen, vooral als tegenwicht voor de potentieel negatieve effectenvan het aflopen van de quota. Ik heb het over het functioneren en de effectiviteit van deGroep op hoog niveau inzake surveillance van de textielmarkt, die tot taak heeft toezicht te houden op de werking van de markt in Europadoor middel van het dubbele controlesysteemvoor in- en uitvoervergunningen. Dit is een methodedie indirecte handelsbewegingen zou moeten signalerenen informatie moet leveren overde invoerstromen.

We moeten de moed en de kracht hebben omde veiligheidsmaatregel ten uitvoer te leggen op basis van de regels van de WTO en de quota opnieuw in te voeren, in elk geval tijdelijk, als er ernstige schade optreedt aan onze industrieals gevolg van abnormaleinvoerniveaus. Ik denk dan aan het voortdurend gebruik vanhandelsbeschermingsinstrumenten, zoals antidumpings-en antisubsidieregelsen, meer in het algemeen, aan het te allen tijde openhouden van eenkanaal van vergelijking tussen China en de Europese Unie.

Onze textielindustrie is niet bang voor concurrentie, maar zij moet wel in de positie zijn om deze het hoofd te kunnen bieden. We moeten daarom op twee verschillende fronten handelen. Enerzijds is het belangrijk om het moderniserings- enherstructureringsproces dat de sector concurrerender zal maken aan te moedigen, met socialeschokdempersom mogelijk verzet te kunnen opvangen, en anderzijds moeten we ervoor zorgen dat de sector de strijd kan aangaan op een gelijk werkterrein, waar voor iedereen dezelfde regels gelden.

Mijnheer de Voorzitter, commissaris, daarom nodigen wij de Commissieen de Raad uitomde aanduidingvan de herkomst van productensterker en beslissender van start te laten gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Caroline Lucas (Verts/ALE), auteur. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil benadrukken dat de Groenen zich er terdege van bewust zijn dat de gevolgen van een volledig geliberaliseerde textiel- en kledingmarkt voor producenten in de EU nog altijd een zeer urgente kwestie is, met name voor bepaalde productiezones in de EU waar deze sector sterk geconcentreerd is. Sinds begin 2005 zijn er honderdduizenden banen verloren gegaan, ook al zijn het er minder dan in sommige voorspellingen is genoemd.

De Groenen hebben van meet af aan hun bezorgdheid te kennen gegeven over de gevolgen van concurrentie voor Europese producenten. Ik denk dat we de situatie nauwlettend in de gaten moeten houden en klaar moeten staan om invoerbeperkingen toe te passen als het aanpassingsvermogen van de kledingindustrie in de EU volgend jaar door invoerschommelingen wordt overmand, en om uiteraard middelen voor onderzoek en ontwikkeling naar deze sector door te sluizen.

Wij moeten ons er echter van bewust zijn dat het probleem veel ernstiger is in bepaalde arme landen in het zuiden, zoals Bangladesh en de Filippijnen, die door de Wereldbank en andere donoren zijn gestimuleerd om zwaar te investeren in de export van kledingproducten maar zich nu geconfronteerd zien met dalende exportmogelijkheden, een permanente schuldenlast, geen financiële middelen om deze sector aan te passen, en ellende – vooral voor miljoenen vrouwen die voor bijna niets in nachtdienst werken om met een nog lagere prijs met het goedkoopste aanbod op de markt te kunnen concurreren.

Dit laatstgenoemde perspectief maakt eigenlijk duidelijk dat er in bepaalde sectoren, waarin te veel producenten te veel producten maken, een soort beheersinstrumenten nodig zijn in het belang van de meerderheid. Daarom dring ik er bij mijn collega’s op aan het amendement te steunen dat door de Verts-ALE-Fractie en de PSE-Fractie is ingediend en dat in het Engels als volgt luidt: “Calls on the Commission to evaluate the usefulness of supply-side management tools for the clothing sector, in order to level off global competition and prevent a lowest-common-denominator approach to social and environmental standards.”

Een geheel geliberaliseerde markt in sectoren die worden gekenmerkt door overcapaciteit in de productie brengt iedereen, op een enkeling na, ellende. In dat verband denk ik dat we het voorbeeld van de kledingindustrie moeten gebruiken om aan te dringen op een nieuwe manier van denken over de wijze waarop beleid de markt zou moeten reguleren op een manier die iedereen ten goede komt. De herinvoering van een bepaalde vorm van quota zou in de beoordeling van beheersinstrumenten aan de aanbodzijde overwogen moeten worden.

Een andere mogelijkheid die in de gezamenlijke resolutie wordt genoemd en die uitvoeriger beoordeeld zou moeten worden betreft de instelling van een Euromed-productiezone voor de kleding- en textielindustrie. Deze mogelijkheid duidt niet alleen op verbetering van de ontwikkelingskansen in de zuidelijke landen rondom de Middellandse Zee, maar biedt ook kansen aan Zuid-Europese textiel- en kledingproducenten die van kortere vervoerstijden naar de EU-markten zouden profiteren. Dit is een van de voorbeelden van hoe een Euro-mediterrane economische zone op verstandige wijze beheerd kan worden zonder de gehele mediterrane regio mee te slepen in de totale liberalisering als gevolg van een vrijhandelsovereenkomst. Vanuit het standpunt van mijn fractie, kan dit voorstel beschouwd worden als een mogelijkheid op zich die zou moeten worden gestimuleerd, afzonderlijk van het omstreden project van de Euromed-vrijhandelsovereenkomst voor 2010, dat volgens de duurzaamheidseffectbeoordelingen van het DG Handel van de Commissie een aanzienlijk aantal zeer nadelige sociale en milieugerelateerde gevolgen zou hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), auteur. – (PT) Wijzijn blij dat we dit debat voerenwaaraan mijn fractie veel heeft bijgedragen. We hopendat dit debat zal helpen banen te beschermen, evenals de activiteiten van de textiel- en kledingsector, een strategische sector voor de Europese Unie, die tot nu toe zo weinig bescherming genoot en zo ondergewaardeerd werd.

Met betrekking tot de vragen aan de Commissie hebben wij niets toe te voegen; deze zijn al gesteld. Met betrekking tot de gezamenlijke ontwerpresolutie, die vandaag aangenomen zou moeten worden door het Europees Parlement, willen wij erop wijzen dat deze weliswaar enkele punten bevat die in de praktijk de textiel- en kledingsector in de Europese Unie zouden kunnen beschermen enbevorderen, maar dat we onze bedenkingen hebben bij sommige andere punten.

Om slechts drie voorbeelden te geven: het “Fonds voor aanpassing aan de globalisering”zou niet moeten worden gebruikt als tijdelijke buffertegen de onaanvaardbare socialeen economischekosten van sluitingen en verplaatsingen van ondernemingendie de vernietiging van banen tot gevolg hebben. Dat wil zeggen, we moeten ingrijpen in de oorzaken, niet in de gevolgen. De huidige beleidmaatregelen voor liberalisering moeten worden herroepenen er moeten financiëlemiddelen beschikbaar worden gesteld dieeffectief helpen banen te beschermen, de sector te moderniseren enook de introductie van andere industrieën te bevorderen, waaronder industrieën die verband houden met textiel en kleding, om te zorgen voor industriële diversificatie in regio’s waar deze activiteit momenteel is geconcentreerd.

Het zou niet logisch zijn er bij de Europese Unie op aan te dringenanderen aan te moedigenhun monetaire beleid te herzienals de EU niet eerst het sterke eurobeleiden de invloed daarvan op de export van sommige EU-landen kritisch evalueert. Het is evenmin logisch om op te roepen tot handelsbeschermingsinstrumentenmet betrekking tot China en tegelijkertijd de oprichting van een Europees-mediterrane vrijhandelszone te steunen.

Ik heb in deze toespraak geen tijd om al onze voorstellenmet betrekking tot dekleding- en textielindustrie van de Europese Unie op te sommen. Deze zijn te vinden in onze ontwerpresolutie. We willen echter een paar van de ingediende amendementen op de gezamenlijke resolutie noemen.

Ze zijn bedoeld ter compensatie voor het ontbreken van elke vermeldingvan de ernstige gevolgen van de liberalisering van de textiel- en kledingindustrie op wereldwijd niveau, waarbij talloze ondernemingen zijn gesloten of verplaatst, met name naar Noord-Afrika en Azië, een spoor van werkloosheid en ernstige sociaaleconomische crises achterlatend.Ze benadrukken tevens dat het “surveillancesysteem” met dubbele controlesgeen nut zal hebben, tenzijhet een herhaling van de situatiedie zich in 2005 voordeed voorkomt, en onderstrepen de noodzaak van nieuwe veiligheidsmaatregelenom de werkgelegenheid inen de activiteiten van de textiel- en kledingsector in de EU te kunnen beschermen en bevorderen. De voorstellen benadrukken datsommige landen veiligheidsmaatregelen hebben aangenomen die van toepassing zijntot eind 2008 en dat het daarom moeilijk te begrijpen is waarom de EU dit voorbeeld niet heeft gevolgd.

De voorstellen drukken ook bezorgdheid uit over het voornemen van de Commissieom de handelsbeschermingsinstrumenten te herzien op basis van de belangen van bedrijven die hun productie verplaatsen naar landenwaar de productiekosten lager zijn als gevolg van de lage lonen en maatschappelijke en milieunormen. Ze stellen voor een communautair programma op te stellenvoor de textiel- en kledingsector, en in het bijzonder voor de achtergestelderegio’s die ervan afhankelijk zijn,en voor hulp aan het MKB. Het zijn voorstellen die volhouden dat er een regelgevingskader moet worden ingesteldom bedrijfsverplaatsingen te bestraffen, openbare steun aan bedrijven afhankelijk te maken vanlangetermijnbeloftenmet betrekking tot regionaleontwikkeling en werkgelegenheid, waaronder de eis om de steun terug te betalenals niet aan deze voorwaarden wordt voldaan. Tot slot zijn het voorstellendie vragen om een sterkere rol voorvertegenwoordigers van de werknemers in het bestuur van bedrijven en in fundamentele organisatorischebesluitvorming. Het zijn voorstellen die hopelijk zullen worden gesteund door het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals de leden van dit Parlement weten, zijn de EU en China in 2005 een memorandum van overeenstemming overeengekomen dat voorzag in een overgangsperiode van twee en een half jaar om textielproducenten in de EU wat extra ademruimte te geven na de liberalisering van de wereldhandel in textiel en kleding.

Deze regeling voorzag in een bovengrens aan de jaarlijkse groei bij 10 uitzonderlijk kwetsbare textiel- en kledingproducten. De toepassing van deze bovengrenzenvervalt op 31 december 2007, hoewel het memorandum zelf geldig blijft tot het einde van 2008, en het de sector en overheid aan beide zijden verplicht om samen te werken aan een stabiele overgang naar vrije handel in textiel.

Het is altijd mijn bedoeling geweest om China aan die verantwoordelijkheid te houden. De Commissie is na onderhandeling met China een toezichtsysteem met dubbele controle voor 2008 overeengekomen dat zal gelden voor acht categorieën van textielproducten die bijzonder kwetsbaar zijn.

Dit houdt in dat China voor alle uitvoer een uitvoervergunning zal afgeven, en dat parallel daaraan de vergunningsbureaus in de lidstaten van de EU een invoervergunning zullen afgeven. Het is een vertrouwd systeem, en fabrikanten, importeurs en detailhandelaren hebben het allen toegejuicht. De waarde ligt in het feit dat het ons gelegenheid geeft de invoerpatronen van textiel in de gaten te houden, en omdat voor in te voeren goederen een vergunning moet worden afgegeven voordat zij vanuit China verscheept worden, hebben we de mogelijkheid om ontwikkelingen van te voren te zien aankomen.

Ik zal de eerste zijn om te erkennen dat de textiel- en kledingsector een langdurige periode van structurele veranderingen doormaakt. Deze periode begon al lang voordat de quota werden ontmanteld. Succesvolle Europese bedrijvengaan geen rechtstreekse confrontatie aan met de massaproducenten maar investeren in plaats daarvan in technologie en in kwaliteit. Wij zijn nog altijd – en het kan nooit kwaad dit te zeggen – de op een na grootste textielexporteur ter wereld. Wij hebben meer mode- en kwaliteitsmerken dan de hele wereld bij elkaar. Het is een bewijs van het vertrouwen en de flexibiliteit van de Europese textielproducenten dat ze niet tot verdere uitbreiding van de quota hebben opgeroepen. Zij hebben aangevoerd dat hun concurrentievermogen eerder afhangt van effectieve maatregelen tegen vervalsing en van markttoegang tot China.

Het spreekt voor zich dat ik voornemens ben het volle gewicht van ons handelsbeleid in te zetten om deze twee problemen op te lossen. Wat betreft de markttoegang: wij zullen streven naar nieuwe toegangsmogelijkheden voor textielgoederen in de Doha-ronde en in al onze nieuwe vrijhandelsovereenkomsten. Wij hebben als onderdeel van de strategie voor hernieuwde markttoegang ook een specifieke werkgroep voor textiel opgericht. Europa is in een goede positie en gereed om enorme nieuwe consumptiegoederenmarkten in de opkomende economieën te exploiteren en wij zullen zeker niet stomweg achterover gaan leunen en hopen dat deze ontwikkelingen in ons voordeel uitpakken.

Vervalsing is zo mogelijk een nog groter probleem. De bescherming van handelsmerken en ontwerprechten is absoluut van cruciaal belang voor de textielsector en ik breng deze onderwerpen in iedere ontmoeting die ik met de Chinezen heb ter sprake.

Wij hebben enig nuttig coöperatief werk verricht met de Chinese douanedienst, met organisatoren van handelsbeurzen, en met het Chinees octrooibureau. Maar over het geheel genomen blijft China een gigantisch probleem voor houders van intellectuele eigendomsrechten. De ene dag worden de markten voor vervalste goederen ontruimd, maar de volgende dag sluipen de handelaren alweer terug. Zoals ik in het verleden al heb gezegd sluiten we het idee om de Wereldhandelsorganisatie in te schakelen als de situatie niet verbetert niet uit. Mevrouw Toia noemde het “Made in”-voorstel om de textielsector te helpen. Ik heb dat voorstel gedaan, ik heb het aan de Commissie voorgelegd, de Commissie heeft het goedgekeurd, maar het is helaas niet goedgekeurd door de meerderheid van de lidstaten. Met het oog hierop kan ik niet verder op het voorstel aandringen en niet meer doen dan ik tot nu toe heb gedaan.

Afgelopen maand, tijdens de EU-China-top in Beijing, heb ik mijn uiterste best gedaan om een aantal openhartige boodschappen over te brengen, en die gelden net zo goed voor de textielsector als waarvoor dan ook. De handelsrelatie tussen EU en China is in de laatste twee decennia ingrijpend veranderd. Aan beide zijden is hier enorm van geprofiteerd maar het evenwicht is ernstig verstoord. Terwijl China onze invoermarkten domineert, leggen onze bedrijven het in China af als gevolg van vervalsing en markttoegangsbarrières, waarbij dagelijks 55 miljoen euro aan gemiste zakelijke kansen verloren gaat. Het feit dat ons handelstekort zich in een spiraal bevindt is een weerslag van deze twee zaken.

Het ligt niet aan een gebrek aan concurrentievermogen van Europese producenten. Wij hebben een overschot in goederenhandel met de rest van de wereld en als we de kans kregen vrij te concurreren, zouden we het tegen iedereen kunnen opnemen. Dit is in China niet het geval. Er is geen sprake van gelijke concurrentievoorwaarden; ze zijn zelfs ernstig in ons nadeel. Wij hebben te maken met handels- en investeringsbeperkingen, welig tierende vervalsingspraktijken, en regelgevingsbarrières in praktisch iedere sector. Zes jaar nadat China lid werd van de Wereldhandelsorganisatie komt het zijn verplichtingen in dat kader nog altijd te vaak niet na.

Ik zie de problemen op het gebied van textiel als typerend voor de algemenere problemen waar we in China mee te maken hebben. Wij zijn China’s grootste klant voor kleding en textiel. Wij hebben het comparatieve voordeel van China op het vlak van arbeids- en productiekosten gerespecteerd. Wij concentreren ons op onze eigen comparatieve voordelen. Wij zijn aan het opklimmen in de waardeketen van wat we produceren. Wij verwachten dezelfde gelijke kansen en eerlijke behandeling te ontvangen op de Chinese markt zoals Chinese producenten die op onze markt krijgen.

Op de recente top leek de premier van China, Wen Jiabao, nota te nemen van onze ernstige bezorgdheid en die te begrijpen, en hij bood aan om met de EU een strategisch mechanisme op hoog niveau in het leven te roepen dat erop gericht zou zijn ons handelstekort met China weer in evenwicht te brengen.

Ik juich dit toe, zij het met één duidelijk voorbehoud: wij hebben geen behoefte aan nog een dialoog of nog een routekaart, maar aan actie – in het veld, op de markten, in de gerechtshoven, daar waar het er voor de Europese exporteurs om gaat. En niet alleen actie van de zijde van het Ministerie van Handel, maar over de gehele linie, van de regelgevingsinstanties en de ministeries die in alle onderdelen van de Chinese economie de markttoegang beperken en de wetshandhaving belemmeren. De openheid van Europa’s eigen markten voor China zal niet politiek houdbaar zijn als deze actie niet plaatsvindt.

Ik heb het hier over textiel en kledingproducten, maar tevens over sectoren waarin Europa uitvoerbelangen heeft. De definitieve test van China’s oprechtheid zal bestaan uit de praktische bewerkstelliging van echte veranderingen door het nieuwe handelstekortmechanisme op hoog niveau, waarvan het ontwerp en de lancering aan mij en mijn handelscollega zijn toevertrouwd. Ik hoop dat hun oprechtheid de onze evenaart voor wat betreft de wens om de problemen die voor ons liggen op te lossen zonder onze toevlucht te moeten zoeken in onnodige confrontatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Sturdy, namens de PPE-DE-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de commissaris graag zeggen dat ik bijna sprakeloos ben en dat gebeurt niet snel. Gefeliciteerd! Ik denk dat dit precies was wat het Parlement wilde horen en ik hoop zeker dat hij de punten die hij hier vandaag naar voren bracht in zijn onderhandelingen met China zal doorzetten. Dit is bemoedigend, en het schijnt mij toe dat hij de situatie volledig begrijpt en overziet. Hij zal niet van me verwacht hebben dat ik dit zeg, maar ik doe het omdat ik vind dat hij precies heeft gedaan wat gewenst is.

Ik zou slechts heel kort één ding, of misschien twee of drie dingen, willen zeggen. Gisteren heb ik in dit Parlement een van de beste toespraken gehoord die ik ooit een staatshoofd heb horen geven, en dat staatshoofd was de koning van Jordanië. Een van de zaken die hij noemde was de situatie rond Euromed, welke van bijzondere relevantie is voor de textielsector en natuurlijk van groot belang voor de stabiliteit van de gehele Euro-mediterrane regio. Misschien zou de commissaris zijn commentaar daar aan toe willen voegen, want de onderhandelingen over die kwestie komen eraan. Ik denk dat het bijzonder belangrijk is, vooral omdat we aan de ene kant Turkije hebben en aan de andere Marokko. Alle betrokkenen zouden aanzienlijke gevolgen ondervinden van onze betrekkingen met China.

Ten tweede, als iemand die niet gelooft in handelsbeschermingsinstrumenten maar eerder in een vrije markt, maar dan wel een die vrij en eerlijk is en waar gelijke concurrentievoorwaarden gelden, ben ik blij te horen dat hij dezelfde lijn volgt.

Ten derde, wat gaat er precies gebeuren als de dubbele controle van de Commissie is afgelopen – ik meen dat de commissaris zei dat dit aan het eind van 2008 het geval zal zijn – wanneer we bedenken dat de Verenigde Staten zojuist zeer strenge invoervoorwaarden hebben ingesteld? Zal dit betekenen dat er nog meer producten op de Europese markt komen dan nu al het geval is?

Tot slot, mijnheer de commissaris, wil ik van deze gelegenheid gebruik maken om uzelf, Renate en de rest van uw team een vrolijk kerstfeest en een voorspoedig nieuwjaar te wensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Harald Ettl, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, wat zal het jaar 2008 brengen voor de textielindustrie in de Europese Unie? Zeker niets goeds. China heeft zich ontwikkeld tot de meestagressieve textielgrootmacht van de wereld en alleen al in 2006 werd 50 tot 60 procentvan de hoogwaardige technologieop textielgebied gekocht voor China in de sector ringspin-, weef- en texturiseringsmachines. De capaciteit staat nu startklaar.

Europesedetaillisten en fabrikanten bestellen niet meer, maar wachten op betere aanbiedingen van China. Verdere faillissementen dreigen. De Europese focus ophandel zal nog grotere problemen voor ons creëren in andere sectoren, niet alleen in textiel.

De hoeveelheid producten die we krijgen aangeboden zal natuurlijk toenemen. De verscheidenheid van textielsoorten zal echter afnemen. Als we het onderwerp nog enige betekenis willen geven, moet verdere herstructurering van de industrie in de Europese Unieworden gesteund eneffectiever wordeningekleed in sociaal opzicht. Slechts een klein aantal nicheproducentenzal blijven bestaan.

Deze ontwikkeling heeft echter nog een andere dimensie. In China zijn de werkomstandigheden en lonen voorarbeiders in de textiel-, kleding-en leerindustrie nog steedsvreselijk slecht. Europesedetaillisten en investeerders dringen daarnaast de prijzen in China omlaag. Naast alle concurrentievoordelen in China wordt overleven moeilijker gemaakt door de sterke Europese steundie wordt gegeven aan de overgebleven Europese textielindustrie. Snel geld verdienen gaat altijd ten koste van de kleinste spelers.

Als vakbondsman zou ik verwachten datde sporteconomiedie de Olympische Spelen organiseert in China zou laten zien hoe de situatie daar is voor vrouwelijke werknemers. Vandaag de dag sterven er al 350 tot 400 mensen per dag in de Chinese textielfabrieken. Dagelijks raken zo’n 100 mensenverminkt aan hun handen. Negen van de tien Chinese fabrikanten overtreden de internationalearbeidsnormen en zelfs de arbeidsnormen die in de Chinese wetgeving zijn vastgelegd!

Maar onze detailhandel doet goede zaken. Als vakbondsman en als vicevoorzitter van deInternational Textile, Garment and Leather Workers’ Federationwil ik u zeggen dat het te laat is, maar het is nog niet te laat om sociale maatregelen te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ignasi Guardans Cambó, namens de ALDE-Fractie.(ES) Mijnheer de Voorzitter, volgens mij komen alle toespraken die we hier horen op hetzelfde neer. Er zijn de afgelopen tijd erg weinig debatten geweestwaarin we mensen van verschillende zijden van dit Huisdie verschillende politieke richtingen vertegenwoordigendezelfde taal hebben horen spreken, met precies dezelfde doelstelling.

Wij steunen vrije handel, zonder twijfel, en we steunen het als een heel helderbeginsel. Het gaat dus niet om het opwerpen van barrières: het gaat erom dat we garanderen dat de spelregels voor iedereen hetzelfde zijnen dat we inzien dat de oneerlijke concurrentie van China, door de toegang tot de markt te beperken endoor uiterst ernstige, permanenteen stelselmatigeschendingen van intellectueleen industriëleeigendomsrechten, of het ontbreken van controles op importen, of de verschillen in de wisselkoers, die natuurlijk niet alleen van invloed zijn op de textielsectormaar op heel veel andere delen van onzehandelsbetrekkingen, en andere maatregelen die China neemt,de industrie in een uiterst ernstige enzeergevoelige situatie brengt. De industrieblijft bestaan en blijft zichzelf verdedigenom te overleven en vraagt niet om bescherming, zoalscommissaris Mandelson terecht zei in zijn toespraak, waar ik hem van harte mee feliciteer. Zij vraagt niet om barrières, zijn vraagt om gelijke spelregels voor iedereenen zij wil de kans krijgen om op gelijke voet te handelen.

Maar de situatiezal vanaf het eind van het jaar volledig anders zijnen de Commissiekan dat niet zomaar voor kennisgeving aannemenalsof het een meteorologisch verschijnsel is.Zij heeft een groot aantal wapens en hulpmiddelen, zoals importcontroles, tot haar beschikking om ervoor te zorgen dat de spelregels inderdaad hetzelfde zijn, en zij kan gebruikmaken van de verdedigingsmechanismendie zij tot haar beschikking heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki, namens de UEN-Fractie. – (PL)Mijnheer de Voorzitter, commissaris Mandelsonwil als een Britsegentlemangaan schaken,maar zijn tegenstander, de Chinese partner, wil eigenlijk een heel ander spel spelenmet compleet andere regels.

Natuurlijk kunnen we het hier hebben over toezicht, over controles op de importuit China, maar laten we ook rekening houden met het verschijnselwederuitvoer, waarbij China bepaalde producten naar bijvoorbeeld Afrikaanse landen stuurt,waarna deze artikelen bij ons aankomen als Afrikaanse producten, hoewel het eigenlijk producten zijndie zijn gemaakt in Chinese fabrieken in die landenof die in werkelijkheid in China zijn gemaakt.

Ik wil iets benadrukken waarover hier te weinig is gezegd: de kwestie van de kunstmatige verlagingvan de waarde van de Chinese valuta. Die vergemakkelijkt uiteraard de export naar Europa. Dat is een ernstige bedreiging.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. – (NL)Voorzitter, een opmerking vooraf: ik wil commissaris Mandelson hartelijk danken voor zijn heldere betoog. Ik had er al uitvoerig kennis van genomen in de Europese pers.

Dan mijn bijdrage: in dit debat staat de toekomst van de textielsector in Europa centraal in het licht van de economische opkomst van China. Keer op keer blijkt de Unie niet in staat om op adequate wijze op de ontwikkeling van China in te spelen. De oorzaak hiervan is het onvermogen van de Unie een eenduidig handelsbeleid te ontwikkelen. De Europese Unie is verdeeld in een noordelijk en een zuidelijk kamp, of het nu quota voor textielproducten betreft of de hervorming van de handelsdefensie-instrumenten.

Het is daarom hoog tijd dat de lidstaten verder leren zien dan hun eigen belangen alleen. Een eerste stap daarvoor is de erkenning door het noordelijke kamp dat de bescherming van de eigen industrie tegen piraterij en illegale staatssteun geen protectionisme is, en dat voor die bescherming een adequaat instrumentarium nodig is. Het zuidelijke kamp moet inzien dat de opkomst van China consequenties heeft.

De Unie mag zich niet langer laten verrassen, zoals in 2005 gebeurd is na afloop van het Multivezelakkoord. De industrieën in Europa moeten tijdig op zoek gaan naar nichemarkten. De mogelijkheden voor herintroductie van quota zijn immers beperkt tot het einde van 2008.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI).- (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, nu het memorandum van overeenstemming tussen de EU en China binnenkort afloopt, lijkt het mij dat de kwesties die aan de orde zijn gesteldduidelijk uiting geven aan de terechte bezorgdheidvan de industrieen de mensen die in de sector werkzaam zijn met betrekking tot het effect, in het verleden en het heden, van de invoer – of liever gezegd massale invasie – van Chinese producten in de lidstaten van de EU.

Ik heb er diverse malen op gewezen – en ik was niet de enige – dat echte concurrentie en echt concurrentievermogen voor onze producten in de interne markt, meer dan in de externe markt, niet alleen of niet zo zeer wordt gegarandeerd door een systeem van quota, maar hoofdzakelijk door het verdedigen van de sector tegen oneerlijke concurrentie. Dergelijke concurrentie is oneerlijk omdat zij is gebaseerdop veel lagere kosten en productievoorwaarden. De toegevoegde waarde van Chinese productietegen die kosten is buiten proportie, doordat de bekende productiefactorenniet overeenkomen met die in onsveel beschaafdere continent.

Hoe kunnen we denken dat we kunnen concurreren metproductie waar de kosten oneindig veel lager zijnmaar waar, zelfs als het gaat om vergelijkbarekwaliteit, de producten nu nagenoeg gelijk zijnaan veel Europese producten? Ik denk echt dat er maar één ding is wat we kunnen doen, het enige waarmee we wat van dezogenoemde fair tradeen duurzame concurrentie kunnen herstellen: eensysteem van toezicht op Chinese importenwaarin naar mijn mening moet worden gecontroleerd of de productieomstandighedenniet al te zeer afwijken van die die we van onze industrie verlangen. We kunnen misschien niet eisen dat de arbeidskosten hetzelfde zijn,maar we kunnen wel eisen dat de producten gegarandeerd niet zijn gemaakt met behulp van kinderarbeiden niet in schandelijke of aanslavernij grenzende omstandigheden, en dat ze zijn gemaakt zonder enorme schade toe te brengen aan het milieu, naast de nu nog onvoldoende gecontroleerdemilieuveiligheid, consumentenveiligheid engegarandeerde kwaliteit.

Er moet ook een ander beleid worden toegepast op Europese industrieëndie verhuizen naar buiten de EU en zich bezighouden met oneerlijke concurrentieten aanzien van industrieëndie wel blijven produceren binnen de EU, misschien door middel van belastingmaatregelendie het voordeel ten opzichte van niet verhuisde bedrijven wegnemenom een nieuw evenwicht te creëren.

Tot slotmoeten ook de distributieomstandigheden in Europanauwer in de gaten worden gehouden, met het oog op wat in elk geval in Italië gebeurt, waar groothandel wordt afgespiegeld als detailhandel.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE).- (EL) Mijnheer de Voorzitter, er wordt – zelfs nu – een beroep gedaan op ons, als Europese Unie, om onze strategievoor de belangrijk sector van textiel en kleding te herzien.

Een Europese totaalstrategie kan als volgt worden geschetst: ten eerste zorgen voor betere toegang van Europese producten totbuitenlandse marktendoor een zo groot mogelijke wereldwijde convergentie van douanerechten op lage niveausen het wegnemen van douanebarrières.

Ten tweede effectieve toepassingvan de oorsprongsregels op de invoer bewerkstelligen.

Ten derde aanzienlijke steun geven, door middel van hetFonds voor aanpassing aan de globalisering, aan kleine en middelgrote ondernemingendie nadeel ondervinden van de liberalisering. Ik denk dat het ook nuttig zou zijn om een communautair programma op te zettenom de sector te steunen, in het bijzonder in deprobleemgebieden van de Unie.

Ten vierde ervoor zorgen dat er een effectieve manier komt om piraterij en vervalsing te bestrijden, gezien het feit dat meer dan 50 procent van de geregistreerde gevallen daarvan betrekking heeft op de textiel- enkledingsector.

Ten vijfde het behouden en versterken van dehandelsbeschermende instrumenten, die absoluut essentieel zijn voor de bestrijding van illegale praktijkendie de concurrentie schaden.

Ten zesde garanderen dat producten die worden ingevoerd in de Europese Unieaan dezelfde regels voor veiligheid en consumentenbescherming moeten voldoen.

Met betrekking tot China uiten we onze bezorgdheid over de toepassing van hetsysteem van dubbele controlein plaats van de uitbreiding vande quota naar de tien productcategorieën. In elk geval vragen we de Commissie – we vragen u, commissaris Mandelson – het systeem rigoureus en effectief toe te passen. Ik wil I tevens herinneren aan het “ultimum remedium”van de veiligheidsmaatregelen die de Europese Uniegerechtigd is te gebruiken.

Tot slot, mijnheer de Voorzitter, wil ik zeggen dat liberalisering van het wereldhandelsstelselniet betekent dat oneerlijke concurrentie, illegalehandelstactieken of, uiteindelijk, verstoring van het economischeen sociale model getolereerd moet worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Joan Calabuig Rull (PSE).- (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u, commissaris, feliciteren met uw standvastigheid en met de overeenstemming die in oktober is bereikt met China met betrekking tot het stelsel van dubbele controlevan textielexportennaar de Europese Unie.

Gezien de opheffing van het quotasysteem, die dit jaar zal plaatsvinden, zalde overeenkomst helpen – dat zou althans moeten –om te garanderen dat de overgang naar een vrije markt in de loop van 2008 correct gebeurt. Dat is essentieel voor Europesefabrieken, die toch al met enorme uitdagingen te maken hebben gehad, zoals andere sprekers al hebben gezegd. De industrieen de autoriteiten zullen moeten samenwerkenom de ontwikkeling van handelspatronen met China nauwlettend te kunnen volgenen te voorkomen dat de situatievan 2005 zich herhaalt.

We betreuren het echter dat de categorieënwaarvoor de overeenkomst vanjuni 2005 goldslechts acht van de tien producten omvattenwaarvoor tot 31 december van dit jaar beperkingen gelden, en op dat punt zou ik u willen vragen te verduidelijken wat de strategie van de Commissie wordtvoor het toezicht op de twee categorieën productendie zijn uitgesloten van het overeengekomenstelsel van dubbele controle, te weten katoenen stoffen entafel- en keukenlinnen.

Het lijdt echter geen twijfel dat we naast deze overeenkomstop andere gebieden actief moeten blijvenom te garanderen dat de Europese industrieonder eerlijke en wederkerige omstandigheden kan concurreren, bijvoorbeeld door verdere stappen te nemen op het gebied van oorsprongsaanduiding – hoewel op dat gebied de problemen bestaan die u hebt aangehaald – ofdoor werkomstandigheden en socialeenmilieuvoorwaarden te bevorderenbij de onderhandelingen over handelsovereenkomsten.

Alleinstellingen en bedrijven moeten zich richten opO&Oen daarbij gebruikmaken van het grote aantal mogelijkhedendat het zevende kaderprogramma biedt, en we moeten inspelen op de veranderingen entegelijkertijd rekening houden met de effectenvanherstructurering door sociale maatregelen aan te nemen die nodig zijn om werknemers te ondersteunen.

Tot slot wil ik zeggen dat ik blij ben met de overeenstemming die is bereiktter gelegenheid van detiende Europees-Chinesetop die u noemde, waardoor een werkgroep op hoog niveau in het leven zal worden geroepenom belangrijke problemen aan te pakken,zoalshet tekort op de handelsbalans, de moeilijke toegang tot de Chinese markt ende intellectueleeigendomsrechten.

Dit is een nieuwe stap in de goede richtingals het gaat om het verbeteren van onze betrekkingen met China en het bevorderen van een gunstig klimaatvoor beide partijen.

 
  
MPphoto
 
 

  Johan Van Hecke (ALDE).(NL)Voorzitter, collega’s, heeft de Europese textielindustrie nog een toekomst? Het antwoord ligt in belangrijke mate bij de Europese Commissie. Vorige maand heeft commissaris Mandelson in Beijing de gebrekkige productveiligheid, de enorme toevloed van namaakproducten en de dumping van Chinese exportgoederen scherp aan de kaak gesteld. Volkomen terecht heeft hij gedreigd met een klacht bij de WTO. Dagelijks importeert Europa voor een half miljard goederen uit China, en acht op de tien onderschepte namaakproducten zijn van dat land afkomstig.

Maar naast namaak kreunt de Europese textielsector vandaag ook onder de lage dollarkoers. De zwakke dollar hypothekeert niet alleen onze export, maar geeft landen die de dollar als valutamunt blijven gebruiken, een artificieel voordeel. Toevallig situeren die landen zich vooral in Azië, en, minder toevallig, houdt China vast aan de dollar. Voor de textielsector, waar gewerkt wordt met grote volumes en lage winstmarges, is dit onhoudbaar.

Onze industrie kan en mag niet het slachtoffer worden van een sterke Europese munt. Vandaar de noodzaak om meer en meer de euro te gebruiken in onze handelsrelaties. Dat was, dacht ik, toch een van de redenen waarom we vijf jaar geleden onze gemeenschappelijke munt hebben ingevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Vasco Graça Moura (PPE-DE).(PT)De consequentie van globalisering binnen het Europese gebied is dat productiebedrijven de verliezers zijn enbedrijven die technologie exporteren de winnaars. Dat wordt allemaal erg duidelijk weerspiegeld in de interne cohesie. In het geval van de textielindustrieis het feit dat de sector hoofdzakelijk bestaat uit kleine en middelgrote ondernemingeneen nadeel op de markt die 6 procent van de totale wereldhandel vertegenwoordigten een geschatte omzet heeft van 566miljard euro. Daarnaast hebben veel producerende regio’s te lijden onder de gevolgenvan economischeherstructurering, waardoor het moeilijk is duurzaamheid te bereiken in de sector.

De Europese productiewordt gedwongen te concurreren met die van landendie kunstmatig de waarde van hun valuta verlagen, de regels voor milieubescherming niet respecterenof de kosten van milieubescherming niet dragen, die regelmatig de intellectueleeigendomsrechten schenden of, nog ernstiger, op maatschappelijk en werkgelegenheidsgebiedniet alleen veel lagere loonkosten hebben,maar ook minder strikte maatregelen voor werknemersbescherming hanteren dan Europa. Het is daarom dringend nodigom ervoor te zorgen dat de WTO-regels worden nageleefden dat de Commissietoezicht kan houden op de invoeren niet toestaat dat de in de praktijk bij China geconstateerde excessenop het gebied van de textielimport worden versluierd, zoals in het verleden is gebeurd.

De Commissiemoet alle maatregelen nemen die nodig zijn om de belangen van de Europese Unie te beschermen, waaronder zo nodig het opleggen van quotaaan China, mogelijk tot eind 2008, binnen het rechtskader van de WTO, en zij moet ook aandringen op volledige naleving van de regelsvan eerlijk spel. Europese producentenworden te weinig gestimuleerd tot onderzoek en ontwikkelingen tot het verbeteren van de vaardigheden van hun werknemers, ze hebben onvoldoende toegang tot externe marktenen beschikken niet over effectieve middelen om vervalsing te voorkomen. Intellectueel eigendom is de basisvan de toegevoegde waarde van de sector en moet op alle mogelijke manieren worden verdedigdom productie met een hoge toegevoegde waarde aan te moedigen. Tot slot, mijnheer de Voorzitter, commissaris, mag de consumentenveiligheid niet worden vergeten. Het is de taak van de Commissieom te voorkomen dat productendie schadelijk kunnen zijn voor onze gezinnenin de huizen van Europese burgers terechtkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Arnaoutakis (PSE).- (EL) Mijnheer de Voorzitter, in Europa, en vooral in Griekenland, bestaat de textielsector hoofdzakelijk uit kleine en middelgrote ondernemingen. Veel van deze ondernemingen ontwikkelen zich in de regio. Wijals Europese Uniehebben de plicht de levensvatbaarheid van de sector binnen onze grenzen te waarborgenen bescherming van onze bedrijven tegenoneerlijke concurrentie en illegalehandel te garanderen.

De Europese textielsector moet concurrerender worden op internationaal niveau. We moeten maatregelen voor de modernisering van onze ondernemingen, innovatie, onderzoek en ontwikkeling steunen. Natuurlijk moeten we serieus rekening houden met het feit datop 1 januari 2008 de overgangsperiode voor quota op de invoer van textielproductenuit China afloopt. In de bredere context en in het belang van de Europese consumentenzullen we echter ook zorg moeten dragen voor de handhaving van bindende regels over “made in…”-vermeldingenop textielproductenen de effectieve toepassing van het toezichtsysteemvoor invoer uit derde landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Laperrouze (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, toen ik in juli 2005 deze kamer toesprak over hetzelfde onderwerp, heb ik gezegd dat de lessen die we zouden leren uit de textielcrisis ons uiteindelijk zouden helpenandere sectoren van de Europese economie in stand te houden en te ontwikkelen. Ik denk dat we wel wat vooruitgang hebben geboekt, maar niet veel. We vragen nog steeds om meer onderzoek en ontwikkelingen verzoeken de Commissieervoor te zorgen dat de intellectueleauteursrechten worden gerespecteerd. Dit zijn beslissende factoren, maar ze zijn niet genoeg. Ik krijg het idee dat de WTO en haar regelsgeen groeifactor zijn voor de handel en economische ontwikkeling,maar juist een remmende werking hebben. Handel is uiteraard een bron van groei, maar daarvoor moet het wel in twee richtingen werken. De textielkwestie werpt in feite twee fundamentele problemen op: het ontbreken van een Europees industriebeleiden de kwestie van het Europees belang.

Met betrekking tot het Europees belang verwelkom ik met enige tevredenheidde mededeling van de Commissiemet de titel “Het Europees belang: Slagen in een tijd van mondialisatie”, die begin oktober is gepubliceerd, waarin staat dat we behoefte hebben aan: “basisregels die niet botsen met ons vermogenom onze belangen te beschermen enonze hoge productnormen op het gebied vangezondheid, veiligheid, het milieu enconsumentenbescherming te waarborgen”. We zullen niet toestaan dat derde landen die in de Europese Unie actief willen zijnde regels die gelden voor de interne markt naar eigen inzicht toepassen.

Commissaris, laten we als eerste deze beginselen toepassen op de textielindustrie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ivo Belet (PPE-DE).(NL)Voorzitter, commissaris, bedankt voor uw duidelijke tussenkomst. Ik heb toch twee bemerkingen die ik u zou willen meegeven. De textielindustrie is niet alleen belangrijk voor Zuid-Europa, ook een land als België heeft nog een heel florissante textielindustrie, die vandaag nog altijd goed is voor 25.000 banen.

Als de quota voor de tien afgewerkte producten, commissaris, op 1 januari verdwijnen, dan dreigt dat niet alleen andermaal zware gevolgen te hebben voor de betrokken sectoren, maar ook voor de bedrijven stroomopwaarts. Neem de sector van de jeansbroeken bijvoorbeeld. Als die wordt overspoeld door Chinese producten, al dan niet tegen dumpingprijzen, dan worden ook de producenten van de jeansstoffen en van de garens rechtstreeks getroffen. De effecten zijn uiteraard dus veel breder vertakt dan op het eerste gezicht lijkt.

Een tweede bemerking, commissaris, in het zogenaamde monitoringsysteem is voorlopig alleen sprake van monitoring van de volumes van de geïmporteerde producten. Het zou veel efficiënter zijn om óók te controleren op basis van de prijzen, en wel a priori, ik bedoel op het ogenblik dat de vergunningen worden afgeleverd. Alleen zó is een echt proactieve en preventieve aanpak mogelijk.

En overigens zouden we, meneer Mandelson, ook graag van u vernemen wanneer de Commissie tot actie zal overgaan. Dat is nu een beetje confuus en mistig. Met andere woorden, vanaf welke groei van de import uit China, enerzijds, en vanaf welke prijsdaling van de geïmporteerde producten uit China, anderzijds, zult u daadwerkelijk tot actie overgaan? Het lijkt ons, commissaris, niet meer dan logisch dat we ook daarover vooraf duidelijkheid krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, over het algemeen kan ik mij bij de meeste gevoelens die tijdens dit debat geuit zijn aansluiten. Echter, de visie van de heer Belder dat wij geen gemeenschappelijk handelsbeleid hebben in de EU en dat de lidstaten dermate verdeeld zijn dat we niet in staat zijn een beleid na te streven op het vlak van, bijvoorbeeld, textiel, moet ik terstond verwerpen.

Onze ervaringen op het gebied van textiel tonen overduidelijk aan dat wij wel degelijk over een gemeenschappelijk handelsbeleid beschikken, door middel waarvan wij erin zijn geslaagd lidstaten met verschillende zwaartepunten en verschillende oriëntaties bij elkaar te brengen, hun standpunten samen te smeden en een gemeenschappelijk handelsbeleid voor textiel voort te brengen dat consequent is nagestreefd. Er zijn wellicht meningsverschillen over het gebruik van handelsbeschermingsinstrumenten, maar middels de evaluatie en voorgenomen hervorming wil ik onder de lidstaten een nieuwe consensus en solidariteit opbouwen ten aanzien van het gebruik van deze handelsbeschermingsinstrumenten, en dan met name voor wat betreft een uitgebreider gebruik ervan door KMO’s, waarvoor ik voorstellen wil indienen.

Er zijn een aantal specifieke punten naar voren gebracht, bijvoorbeeld over het toezichtsysteem met dubbele controle dat in 2008 in werking zal zijn. De Commissie zal de textielinvoer uit China zo dicht mogelijk op het moment dat deze plaatsvindt, controleren. Deze controle omvat onder meer het toezichtsysteem met dubbele controle en elk ander middel van toezicht waarover de Commissie beschikt, zoals de controle van het DG TAXUD, waarmee handelsgegevens op basis van daadwerkelijke handel worden geleverd. In geval van een plotselinge piek in de invoer van Chinees textiel, staat de Commissie klaar om alle instrumenten die tot haar beschikking staan te gebruiken als de situatie dit vereist.

Ik wil echter benadrukken dat de regeling van 2005 eenmalig en definitief van karakter was en de Commissie is niet van plan voorstellen te doen tot uitbreiding van de overeengekomen niveaus. Zij is dus niet tegen meer handel, en er kan een toename worden verwacht. Als deze toename echter van een dusdanige omvang zal zijn dat maatregelen gerechtvaardigd zijn, dan zullen deze worden gebaseerd op bestaande eisen en criteria. Wij vertrouwen op China’s medeverantwoordelijkheid voor een soepel verloop van deze overgang. China is zich er goed van bewust dat een herhaling van de gebeurtenissen van 2005 niet in zijn belang is. Wij vertrouwen ook op het gevoel van eigenbelang van de economische exploitanten om een herhaling van 2005 te voorkomen. Textiel zal nu tot dezelfde categorie gaan behoren als ieder ander product, en daarom zijn de gebruikelijke instrumenten – waaronder ook handelsbeschermingsinstrumenten – van toepassing, met inachtneming van de gebruikelijke normen.

De kwestie van EU-steun voor de textielsector is ook aan de orde gesteld. Daar wil ik twee dingen over zeggen. Op EU-niveau heeft de Commissie uit hoofde van het zesde kaderprogramma 70 miljoen euro voor onderzoek en ontwikkeling beschikbaar gesteld aan projecten in de textiel- en kledingsector, terwijl er twee voorstellen voor innovatieprojecten financiering hebben gekregen in het kader van het Europe INNOVA-initiatief.

Wat betreft het globaliseringsfonds: dit is net zo toegankelijk voor de textielsector als voor andere sectoren. Tot dusverre zijn er acht officiële aanvragen ingediend voor een bijdrage uit het globaliseringsfonds, waarvan er vier betrekking hebben op de textielbranche. Van deze aanvragen uit de textielbranche is er nog niet een goedgekeurd door de begrotingsautoriteit. Momenteel worden zij nog beoordeeld door de diensten van de Commissie.

Ik wil het tot slot hebben over de Euro-mediterrane kwestie die door de heer Sturdy aan de orde is gesteld. De Commissie heeft een officiële Euro-mediterrane dialoog over de toekomst van de textiel- en kledingsector opgezet om zo gemeenschappelijke strategieën te formuleren voor verbetering van het concurrentievermogen van de industrie in de Euro-mediterrane regio. Het doel van deze dialoog is om Euro-mediterrane landen en kandidaat-lidstaten bijeen te brengen en naar gezamenlijke oplossingen te zoeken om hun concurrentievermogen te vergroten. Ik kijk met belangstelling uit naar eventuele voorstellen die uit deze dialoog zullen voortvloeien.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Ik heb zesontwerpresoluties(1)overeenkomstig artikel 108, lid 5 van het Reglement ontvangen.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt vandaag om 11.30 uur plaats.

 
  

(1) Zie notulen.

Laatst bijgewerkt op: 11 november 2008Juridische mededeling