Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2178(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0485/2008

Ingediende teksten :

A6-0485/2008

Debatten :

PV 12/01/2009 - 22
CRE 12/01/2009 - 22

Stemmingen :

PV 13/01/2009 - 6.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0009

Debatten
Maandag 12 januari 2009 - Straatsburg Uitgave PB

22. Het GVB en de ecosysteembenadering van het visserijbeheer (korte presentatie)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0485/2008) van Pedro Guerreiro, namens de Commissie visserij, over het GVB en de ecosysteembenadering van het visserijbeheer [2008/2178(INI)].

 
  
MPphoto
 

  Pedro Guerreiro, rapporteur. (PT) Deze mededeling van de Commissie maakt vanwege de uiteenlopende kwesties die het aan de orde stelt deel uit van het debat over een mogelijke hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid, die uiterlijk in 2012 moet zijn afgerond.

In dit verslag, dat door de Visserijcommissie van het EP is goedgekeurd, stelt een reeks aspecten aan de orde die we in het kader van dit debat belangrijk achten.

De visserij is een activiteit die van fundamenteel belang is om de voedselvoorziening en het voortbestaan van de mens te waarborgen, wat ook de voornaamste doelstelling van ieder visserijbeleid dient te zijn.

In dit verband moeten we het belang onderstrepen van de visserij in de wateren van de exclusieve economische zone (EEZ) van de verschillende lidstaten om hun soevereiniteit en onafhankelijkheid te bewaren, met name op het vlak van de voedselvoorziening.

Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) moet de modernisering en de duurzame ontwikkeling van de visserijsector bevorderen, de sociaaleconomische levensvatbaarheid van de sector en de duurzaamheid van de bestanden verzekeren en garanties bieden voor de voorziening van de bevolking van vis, soevereiniteit en voedselzekerheid, het behoud van de arbeidsplaatsen en verbetering van de levensomstandigheden van de vissers.

Met het oog op zijn eigen doeleinden mag visserijbeleid niet ondergeschikt zijn aan andere communautaire beleidsterreinen.

Kortom, visserijbeleid is geen beleid voor de oceanen of het mariene milieu en kan dat ook niet zijn..

De visserij is een activiteit waarbij zichzelf vernieuwende hulpbronnen worden geëxploiteerd en heeft daarom in de eerste plaats tot taak om de totale visserijinspanning binnen de perken te houden met het oog op de verwezenlijking van de doelstelling van maximale duurzame opbrengst.

Het visserijbeleid dient gebaseerd te zijn op het beginsel van onderlinge afhankelijkheid tussen enerzijds het welzijn van de visserijgemeenschappen en anderzijds de duurzaamheid van de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken, waarbij de specifieke kenmerken en het belang van de kleine kustvisserij en de ambachtelijke visserij moeten worden erkend.

De toepassing van een ecosysteembenadering van het beheer van de zeeën vergt noodzakelijkerwijs een multidisciplinaire en intersectorale aanpak van verschillende maatregelen die veel verder reiken dan de beleidsmaatregelen op visserijgebied en daar om zo te zeggen boven staan en van invloed zijn op de mariene ecosystemen.

In plaats van veronderstellingen te formuleren op basis van vooroordelen dient het voorstel voor de ecosysteemanalyse van de evaluatie van de visbestanden gebaseerd te zijn op getoetste wetenschappelijke gegevens.

Anderzijds moet worden erkend dat er belangrijke verschillen bestaan tussen de diverse mariene gebieden en hun respectieve visbestanden, en ook tussen de verschillende vloten en het gebruikte vistuig en de gevolgen daarvan voor de ecosystemen. Daarom moeten gediversifieerde, specifieke en aan de omstandigheden aangepaste beheersmaatregelen worden ontwikkeld en, waar nodig, worden voorzien in steun voor de vissers om de sociaaleconomische gevolgen van voornoemde maatregelen te compenseren.

Teneinde de duurzaamheid van de bestanden, de visserijactiviteit en de desbetreffende plaatselijke gemeenschappen te verzekeren achten wij het noodzakelijk dat de lidstaten hun soevereiniteit uitoefenen over de twaalf mijl territoriale zee en dat de EEZ van de ultraperifere regio’s wordt beschouwd als zone met exclusief toegangsrecht.

In dit verband zijn de voorstellen om de toegang tot de visbestanden te regelen door middel van een stelsel van individuele, overdraagbare quota een reden tot bezorgdheid, aangezien zij gevolgen hebben voor de concentratie van de visserijactiviteit en de individuele toe-eigening van visserijrechten.

Bovendien zij onderstreept dat het ongepast en onverantwoord is een beleid te voeren dat de willekeurige sloop van vissersvaartuigen bevordert, zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende vloten, de visbestanden, de consumptiebehoeften van de lidstaten en de sociaaleconomische gevolgen van een dergelijke maatregel.

Tot slot, zou ik willen onderstrepen dat de sterke inkomensdaling in de visserijsector het gevolg is van de beperkingen die de visserijactiviteit zijn opgelegd maar vooral van de stagnatie/daling van de prijzen bij de eerste verkoop en de stijging van de productiekosten (diesel en benzine).

 
  
MPphoto
 

  Androulla Vassiliou, Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie is blij met het gepresenteerde verslag en de steun die we krijgen voor onze perspectieven met betrekking tot de ecosysteembenadering.

Een van de belangrijkste boodschappen die de Commissie met haar mededeling afgeeft is dat, hoewel de visserij afhankelijk is van gezonde mariene ecosystemen, het visserijbeheer de rol van algehele oceaanbeheerder niet alleen op zich kan nemen. Gezonde mariene ecosystemen kunnen alleen worden gewaarborgd met een beleid dat betrekking heeft op alle sectoren die van invloed zijn op deze ecosystemen.

Daarom ziet de Commissie het maritieme beleid, en met name de milieupijler ervan, de Richtlijn mariene strategie, als onmisbaar voor de implementatie van een ecosysteembenadering. Met deze benadering krijgt de visindustrie de garantie dat alle menselijke invloed op mariene ecosystemen, dus niet alleen de visserij, op evenredige en coherente wijze wordt aangepakt. Dit is ook het algehele streven van het verslag en op dit punt waarderen wij de overeenkomst.

Ik benadruk hierbij dat dit niet betekent dat het ene beleid ondergeschikt is aan het andere, dat wij, door te kiezen voor deze benadering, een hiërarchie creëren tussen bijvoorbeeld de Richtlijn mariene strategie en het gemeenschappelijke visserijbeleid.

De Richtlijn mariene strategie ondersteunt het gemeenschappelijke visserijbeleid doordat hiermee het benodigde integrerende instrument wordt geboden om visbestanden in de toekomst te waarborgen. Bovendien zal het gemeenschappelijke visserijbeleid bijdragen aan de Richtlijn mariene strategie doordat hiermee de benodigde beheermaatregelen in het leven worden geroepen ter ondersteuning van de doelstellingen voor gezonde mariene ecosystemen.

Zoals in het verslag wordt vermeld, zijn het bevredigen van de voedingsbehoeften, het waarborgen van de visserij en de visserijgemeenschappen, en het verzekeren van de duurzaamheid van de mariene ecosystemen geen onverzoenlijke doelstellingen. Integendeel: op lange termijn bestaat er juist een synergie tussen deze doelstellingen.

In het verslag worden vele vragen behandeld met betrekking tot de specifieke instrumenten die in de toekomst moeten worden gebruikt. Dit zijn belangrijke en relevante vragen die aan bod zullen komen tijdens het debat over de hervorming van het gemeenschappelijke visserijbeleid. Daarom zal ik hier geen specifiek commentaar geven op deze vragen.

Ik wijs er echter wel op dat er mogelijk enkele punten bestaan waarop wij het niet met elkaar eens zijn. Er wordt aangegeven dat vissers die getroffen worden door de beheerplannen en maatregelen ter bescherming van de ecosystemen, in aanmerking moeten komen voor subsidiëring of compensatie. Wij denken niet dat directe subsidies een stap voorwaarts zijn, maar dat de oplossing ligt in het helpen van de sector om economisch veerkrachtiger te worden en het helpen van kustgemeenschappen om te diversifiëren naar andere economische activiteiten.

Ook wordt aangegeven dat herbevolking uit aquacultuur een mogelijk instrument is om wilde visbestanden aan te vullen. Hoewel dit in enkele zeer specifieke gevallen mogelijk een optie is, denken wij dat dit in het algemeen niet de juiste koers is. Visbestanden moeten worden herbevolkt door een correct beheer van de menselijke invloed op de mariene ecosystemen, waaronder de invloed van zowel de visserij als andere sectoren.

In de context van het debat over en de ontwikkeling van de hervorming van het gemeenschappelijke visserijbeleid zullen wij terugkeren naar een gedetailleerder debat over de instrumenten voor visserijbeheer, te beginnen met de publicatie van een groenboek in april. Tot die tijd wil ik het Parlement bedanken voor de steun aan onze benadering zoals deze in dit verslag tot uitdrukking komt.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

De stemming vindt dinsdag om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Daciana Octavia Sârbu (PSE), schriftelijk. (RO) De visbestanden in de Europese wateren nemen nog altijd af, zowel door overbevissing en het gebruik van ongeschikt vistuig, als door de invloed van andere sectoren, met name het toerisme, op de mariene ecosystemen. Wetenschappelijk onderzoek naar de factoren die deze systemen beïnvloeden (waaronder ook de factor klimaatverandering) stelt ons in staat te bepalen in welke richting het visserijwezen zich dient te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat maatregelen worden genomen om de snelle, aanhoudende uitputting van de visbestanden tot staan te brengen.

Aangezien de visserij een essentieel aandeel in onze voedselvoorziening heeft, is het van het grootste belang haar een duurzame grondslag te geven, zeker in een tijd van afnemende mariene biodiversiteit. Daarom dienen sociale, economische en ecologische aspecten meegewogen te worden bij alle initiatieven voor een duurzame ontwikkeling van de kuststreken in de Europese Unie.

 
Laatst bijgewerkt op: 15 april 2009Juridische mededeling