Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2318(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0079/2009

Ingediende teksten :

A6-0079/2009

Debatten :

PV 23/03/2009 - 17
CRE 23/03/2009 - 17

Stemmingen :

PV 24/03/2009 - 4.6
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0151

Debatten
Waarschuwing
Maandag 23 maart 2009 - Straatsburg Uitgave PB

17. Een jaar na Lissabon: het partnerschap EU-Afrika in de praktijk (debat)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0079/2009) van Maria Martens, namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking, over een jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk [2008/2318(INI)].

 
  
MPphoto
 

  Louis Michel, lid van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst zou ik de Commissie ontwikkelingssamenwerking en haar rapporteur, mevrouw Martens, willen bedanken voor dit verslag waarin een eerste balans wordt opgemaakt van het strategisch partnerschap EU-Afrika, een jaar na de Top van Lissabon.

Uiteraard heb ik met bijzondere tevredenheid nota genomen van het grote aantal positieve elementen dat in dit verslag wordt onderstreept en van de vooruitgang die in een jaar tijd is geboekt, hetgeen een betrekkelijk korte periode is voor een dergelijke omvangrijke en, bovenal in politiek opzicht ambitieuze exercitie. Ik zal slechts een voorbeeld geven: wij hebben vanmiddag een bijeenkomst gehad met de ad-hocdelegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met het pan-Afrikaanse parlement en de ad-hoccommissie van het pan-Afrikaanse parlement voor de betrekkingen met het Europees Parlement over de rol van de parlementen bij de tenuitvoerlegging van en de controle op de strategie EU-Afrika.

Dat is op zich een concreet resultaat. Er wordt een nieuwe institutionele structuur tussen de twee continenten ingesteld en ik wil de twee voorzitters feliciteren met het werk dat zij hebben verricht.

In plaats van uit te weiden over de positieve aspecten van het verslag-Martens, wil ik liever ingaan op drie essentiële punten die in het verslag naar voren worden gebracht om het partnerschap tussen de EU en de Afrikaanse Unie te verbeteren. Het eerste punt betreft de rol van de parlementen. Zoals u weet geloof ik sterk in de rol van de parlementen als actoren in het democratische proces, maar ook als controleurs ervan. Het is in deze tweeledige rol dat het Europees Parlement en het pan-Afrikaanse parlement verzocht wordt deel te nemen aan het strategisch partnerschap Afrika-EU.

Ik kan u dan ook verzekeren dat ik volledige steun geef aan de voorstellen die in het gezamenlijke voorstel van het Europees Parlement en het pan-Afrikaanse parlement zijn gedaan en die in het verslag zijn overgenomen. Deze voorstellen betekenen ten eerste volwaardige deelneming van de parlementen aan de gemeenschappelijke deskundigengroepen van de vier thematische partnerschappen waarbij u betrokken bent, ten tweede betrokkenheid bij het opstellen van de jaarlijkse voortgangsverslagen, ten derde deelneming aan de gezamenlijke task force en ten vierde bijwoning door de voorzitters van de Top Afrika-EU.

Een aantal van deze voorstellen heeft overigens al concreet vorm gekregen of krijgt dit binnenkort. Wat het maatschappelijk middenveld en de niet-statelijke actoren betreft, ben ik er meer dan wie ook van overtuigd dat de belangrijkste uitdaging voor 2009 erin bestaat het behalen van tastbare resultaten vóór de in de herfst van 2009 geplande tussentijdse evaluatie te bespoedigen en de ambitie van een op mensen buiten de instellingen gericht partnerschap te verwezenlijken.

In deze context is een belangrijke rol weggelegd voor de niet-statelijke actoren, met het oog op hun betrokkenheid bij de gemeenschappelijke deskundigengroepen voor elk van de acht thematische partnerschappen. Van Europese zijde is er afgelopen voorjaar binnen het maatschappelijk middenveld al een stuurgroep opgericht om toezicht houden op en een bijdrage te leveren aan de tenuitvoerlegging van het partnerschap. Van Afrikaanse zijde is onlangs eveneens een stuurgroep met leden uit het maatschappelijk middenveld opgericht onder het beschermheerschap van de Economische, Sociale en Culturele Raad van de Afrikaanse Unie.

Het Europees en het Afrikaans maatschappelijk middenveld zijn van plan eind april 2009 in een forum bijeen te komen om concrete voorstellen met toezeggingen uit te werken met het oog op de gezamenlijke ministeriële trojka Afrika-EU.

Wat de strategische partnerschappen betreft, en met name het partnerschap op het gebied van bestuur en mensenrechten, verheugt het mij dat het Parlement het begrip "bestuur" opvat op een wijze die mij na aan het hart ligt: een goede uitvoering van de uitvoerende functies en bevoegdheden die publiekrechtelijk zijn toegekend, door een onpartijdige staat die aan de behoeften en aspiraties van zijn burgers kan voldoen.

Vanuit dit oogpunt hebben wij twee jaar geleden dus een tranche ´goed bestuur´ ingesteld van 2,7 miljard euro voor alle ACS-landen samen. Deze aanpak berust op drie principes: dialoog, aansporing tot hervormingen en ownership van deze hervormingen door het partnerland. In het verslag worden echter twijfels en bezorgdheid geuit, met name wat de bestuursprofielen betreft: over hoe ze worden opgesteld, hoe ze worden gebruikt en hun mogelijke negatieve invloed op het African Peer Review Mechanism (APRM).

Ik zou u eraan willen herinneren dat de bestuursprofielen – die alle dimensies van dit bestuur omvatten, te weten de politieke, economische, sociale, institutionele en milieudimensie, enzovoort – slechts als uitgangspunt dienden en geen enkele invloed op de programmering van deze toewijzing hebben gehad.

Bovendien zijn de uitkomsten en conclusies van deze analyse met de regering van het partnerland besproken tijdens de programmeringsdialoog. Op basis hiervan werd de regering aangemoedigd om zijn eigen hervormingsplan toe te lichten of om dit, zo nodig, aan te vullen of beter uit te werken, en om de relevantie, ambitie en geloofwaardigheid van deze hervormingen aan te tonen op basis van drie beoordelingscriteria, aan de hand waarvan vervolgens de hoogte van de stimuleringstranche voor ieder land kon worden vastgesteld. In deze context is bijzondere aandacht geschonken aan de landen die zich aan het African Peer Review Mechanism hebben verbonden en de beoordelingsprocedure hebben doorlopen, waarmee zij blijk geven van hun wens om op deze weg verder te gaan. Deze exercitie gaf een duidelijk beeld van de sterk uiteenlopende situaties per land, van de respectieve behoeften aan hervorming, evenals van de uiteenlopende capaciteiten om een bestuursplan op te stellen en in te dienen. Daarom was er flexibiliteit en pragmatisme nodig om de stimuleringstranche voor goed bestuur toe te kennen. De Commissie heeft in januari 2009 – voor zover dienstig – een tussentijds verslag gepubliceerd over de procedure inzake de stimuleringstranche, dat zij alle instellingen van de Europese Unie heeft doen toekomen.

 
  
MPphoto
 

  Maria Martens, rapporteur. − Voorzitter, commissaris, gewaardeerde collega's, aan de orde is het verslag "Eén jaar na Lissabon, het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk", dus over de implementatie van de gezamenlijke strategie van de Europese en de Afrikaanse Unie voor de ontwikkeling van Afrika, zoals die is vastgesteld op de Top EU-Afrika in december 2007.

Deze top was een gedenkwaardig moment. Eigenlijk was het voor het eerst dat de Europese Unie en de Afrikaanse Unie op basis van gedeelde waarden en principes en wederzijds respect samen een strategie hebben vastgesteld, dat ze afspraken hebben gemaakt om de millenniumontwikkelingsdoelstellingen samen te realiseren en samen antwoorden te vinden op de grote gemeenschappelijke uitdagingen op het gebied van bijvoorbeeld veiligheid, migratie en klimaat.

Wij kennen allemaal de kritiek in onze landen, waar de mensen zich afvragen of het nog wel zin heeft om geld te blijven investeren in Afrika, met name in deze tijden van economische crisis. Ik wil hier graag nog eens benadrukken hoe belangrijk onze inzet voor de ontwikkeling van Afrika blijft en dat geldt voor beide continenten. Het is zoals commissaris Michel zojuist in een bijeenkomst hierover zei: hoe meer armoede, hoe meer instabiliteit. Ook vanwege de demografische ontwikkeling is het belangrijk. Binnenkort zal Afrika 20 procent van de wereldbevolking vertegenwoordigen en Europa slechts 5. Wij hebben gemeenschappelijke problemen, wij hebben gemeenschappelijke uitdagingen. Bij het ontbreken van kansen voor mensen in Afrika zullen zij die zeker zoeken in Europa. Afrika verdient onze steun en niet alleen daarom.

We spreken vandaag over de implementatie van de afgesproken strategie en we hebben een actieplan. We moeten gezamenlijk blijven optrekken om de strategie en het actieplan te realiseren. Ik ben blij met de resultaten die tot nu toe met betrekking tot de partnerschappen zijn geboekt. In mijn vorige verslagen heb ik steeds de zorg verwoord over het ontbreken van een duidelijke concrete rol voor de parlementen als het gaat om het uitvoeren van een gezamenlijke strategie. In 2007 hebben het pan-Afrikaans parlement en het Europees Parlement een gemeenschappelijke verklaring afgelegd en die geeft eigenlijk kernachtig weer waar het daarbij om gaat. Ik lees het in Engels:

(EN) “Als instellingen die de wil van de verschillende volken vertegenwoordigen, moeten onze parlementen erop toezien dat in hun behoeften wordt voorzien, dat hun zorgen worden gehoord door de beleidsmakers en dat hun wensen doorklinken in het door hun regeringen voorgestelde beleid. Onze parlementen vervullen een cruciale rol doordat zij het debat over de gezamenlijke prioriteiten voor de toekomst van onze continenten vormgeven. Zij vertolken de verschillende stromingen en visies binnen onze maatschappijen en zij vormen derhalve de plek waar het debat moet worden gevoerd en waar verschillende visies met elkaar kunnen worden verzoend en compromissen kunnen worden gesloten.”

Daarom ben ik blij dat we in die bijeenkomst afgesproken hebben hoe de rol van de parlementen zou zijn. En het is ook dankzij collega Michael Gahler, dankzij de collega's van het PAP en allen die erbij betrokken zijn, dat er een akkoord is gekomen over de rol van de parlementen. Het gaat om de deelname aan de deskundigengroep in verband met de acht partnerschappen en de coördinerende task force. De parlementen zullen hun input geven bij de jaarlijkse voortgangsverslagen en de voorzitters van het Europees Parlement en het pan-Afrikaans parlement zullen worden uitgenodigd hun visie te geven tijdens de Afrika-toppen. Dat is een belangrijk gegeven.

Tot slot nog één vraag aan de commissaris. We weten dat binnenkort in de EU-SEDAC in april de discussie over de definities van ODA opnieuw op de agenda staat en dat de Europese Commissie daarbij aanwezig is. Kan de commissaris aangeven wat zijn visie op deze discussie is en wat de inbreng van de Europese Commissie zal zijn?

 
  
MPphoto
 

  Filip Kaczmarek, namens de PPE-DE-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het ontwikkelingsbeleid, een van de belangrijkste beleidsterreinen van de Europese Unie, heeft tot doel mondiale problemen op te lossen. Het was een goede zaak dat de eerste gezamenlijke partnerschapsstrategie voor én met Afrika tot stand is gekomen. Dat was zeker niet toevallig.

Een van de redenen waarom het ontwikkelingsbeleid zo belangrijk is, heeft te maken met het feit dat het is uitgegroeid tot een instrument van een historisch gericht beleid. In deze context bestaat de fundamentele doelstelling van ontwikkelingssamenwerking erin de processen en mechanismen uit het verleden teniet te doen. Jomo Kenyatta, de vader van de Keniaanse onafhankelijkheid, heeft dit op een duidelijke – zij het vereenvoudigde – manier beschreven. Ik weet dat de commissaris dit beroemde citaat goed kent. Kenyatta zei ooit het volgende: "Toen de missionarissen aankwamen, hadden de Afrikanen het land en de missionarissen de Bijbel. Ze leerden ons bidden met gesloten ogen. Toen we onze ogen openden, hadden zij het land en wij de Bijbel."

Dit historisch gerichte beleid is echter niet de enige reden voor het engagement van Europa op het gebied van ontwikkelingsproblemen. Er zijn ook meer pragmatische redenen. Afrika blijft het armste continent ter wereld, maar kent voor het eerst in dertig jaar tijd een periode van economische groei. Ik zou hier overigens aan toe willen voegen dat deze economische groei groter is dan in Europa. Er zijn natuurlijk Afrikaanse landen die er door het toedoen van hun onbekwame regeringen daadwerkelijk in geslaagd zijn hun eigen economieën te verwoesten. Algemeen genomen kunnen we stellen dat Afrika een continent is met een onbenut potentieel. Ik ben verheugd dat de Europese Unie een bijdrage levert om dit potentieel nieuw leven in te blazen en volledig te ontplooien.

Daarom bestaat één van de doelstellingen van de strategie erin de dialoog en samenwerking te doen uitstijgen boven gebieden die specifiek zijn toegespitst op ontwikkeling. De strategie heeft betrekking op een brede waaier van beleidsterreinen, met inbegrip van veiligheid, energie en klimaatverandering. Het is evenwel zorgwekkend dat er op het merendeel van deze gebieden slechts beperkte vooruitgang is geboekt. We moeten ook toegeven dat sommige EU-lidstaten zich niet even sterk hebben ingezet voor het partnerschap met Afrika als andere. Ik ben ervan overtuigd dat het tweede jaar van het partnerschap beter zal zijn en dat we in staat zullen zijn om onze doelstellingen sneller te verwezenlijken.

 
  
MPphoto
 

  Alain Hutchinson, namens de PSE-Fractie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, sinds een jaar prijzen wij ons gelukkig met de opstelling van dit nieuwe proces, met het nieuwe engagement van de Europese Unie en Afrika. Dit zo zijnde wil ik mijn gebruikelijke reserves vandaag even aan de kant zetten, mijnheer de commissaris. Er is nu een jaar voorbij en we kunnen een aantal zaken constateren.

Er is daar gebrek aan van alles en nog wat. Er zijn niet genoeg managers, artsen, docenten en technici. Hier hebben we het over gekozen immigratie maar we hebben nog steeds niet de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat emigranten zich in dienst van hun land kunnen stellen. Daar kunnen de monden niet meer worden gevoed. Hier houden we vast aan de uitvoersubsidies voor onze landbouwproducten en bevorderen we biobrandstoffen, die daar leiden tot enorme monoculturen.

De situatie daar blijft hard achteruithollen. Steeds meer mensen moeten in erbarmelijke omstandigheden leven, er woeden ziekten en er is gebrek aan water. We praten hier veel, doen beloften, discussiëren en stemmen over allerlei resoluties, maar wat gebeurt er concreet voor de Afrikaanse volkeren? Ik denk dat het hoog tijd is om de parlementen van deze landen erbij te betrekken en de volkeren een stem te geven. Ik weet dat u hiervan zelf diep in uw hart ook overtuigd bent. Ik denk dat partnerschappen tussen de Europese Unie en Afrika geen kans van slagen hebben als zij beperkt blijven tot politici en technici. De Afrikaanse volkeren moeten ook een rol krijgen, en dat moeten we via hun parlementen bewerkstelligen.

Ik ben zeer te spreken over de wil die aan de dag wordt gelegd om deze bijzondere relatie op parlementair niveau uit te bouwen, maar ik heb tegelijkertijd mijn twijfels, mijnheer de Voorzitter. Vlak voor dit debat hebben we namelijk een lange discussie gehad met uw collega, mevrouw Ashton, over de economische partnerschapsovereenkomsten. Vreemd genoeg is het vrijwel niet mogelijk om de parlementen van de partnerlanden daarbij te betrekken. We slagen er niet in om een deel van deze vergadering, maar ook de Commissie, ervan te overtuigen dat die parlementen zich eerst moeten uitspreken voordat men ons, het Europees Parlement, om een mening vraagt over kwesties die het leven van de mensen daar rechtstreeks aangaan. Ik hoop dat hierin verandering komt.

Voorts vind ik dat NGO's en Afrikaanse maatschappelijke organisaties veel meer en veel beter bij dit proces moeten worden betrokken. U hebt dit zelf gelukkig ook benadrukt. Ik had het net al over emigranten, dat heeft betrekking op Europa. Ik weet niet wat er in dit verband concreet is ondernomen, maar ik denk dat het betere slagingskansen biedt voor het proces dat u in gang hebt gezet.

 
  
MPphoto
 

  Toomas Savi, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het jaar 2007 was helaas het tweede jaar op rij waarin de bijdragen voor de openbare ontwikkelingshulp in de ontwikkelde wereld zijn gedaald. Ik ben dan ook blij dat de rapporteur er nog eens op heeft gewezen dat wij er bij de lidstaten van de Europese Unie op aan moeten dringen dat zij hun toezeggingen nakomen.

Ik vind dat de lidstaten hun huidige hulp aan de doellanden moeten herzien, aangezien het voortgangsbericht van de millenniumdoelen voor 2008 laat zien dat Afrika bezuiden de Sahara als enige regio sterk achterblijft bij de verwachte vooruitgang. Ik wil graag van deze gelegenheid gebruik maken om de lidstaten ertoe aan te sporen om hun bijdrage aan Afrika bezuiden de Sahara, de minst ontwikkelde regio ter wereld, te verhogen. Ook zijn de doellanden niet altijd even gelukkig met de voorwaarden die aan de EU-hulp worden gesteld. Wij moeten ons blijven inspannen om die landen nauwer bij onze hulpprogramma’s te betrekken.

De mondiale economische crisis treft ons allemaal, maar wij mogen niet vergeten of eraan voorbijgaan dat de minst ontwikkelde landen op dit moment ook het kwetsbaarst zijn. Bovendien maakt Europa zich, met de economische stagnatie in Afrika, steeds meer zorgen over de immigratiestromen, die de welvaartsstaat ernstig in problemen kunnen brengen. Het is veel verstandiger om de problemen van de mensen in de ontwikkelingslanden aan te pakken voordat zij uitgroeien tot problemen die wij hier in Europa moeten aanpakken.

 
  
MPphoto
 

  Wiesław Stefan Kuc, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, we debatteren vandaag in dit Europees Parlement voor de zoveelste keer over Afrika. We hebben het deze keer niet over oorlog, mensenrechten of steun voor ontwikkelingslanden, maar trachten de balans op te maken van de huidige stand van zaken van het partnerschap tussen Afrika en de Europese Unie. Helaas blijkt dit partnerschap in de praktijk helemaal niet te bestaan.

We hebben inderdaad hooggestemde idealen wat betreft het tot stand brengen van begrip en samenwerking tussen de Afrikaanse Unie, het Parlement van de Afrikaanse Unie en de Commissie van de Afrikaanse Unie. Afrika is echter nog steeds het armste continent op aarde, waar mensen de laagste levensverwachting ter wereld hebben en waar op ongekende schaal ziekte en hongersnood heersen. Voorts is het niveau van het onderwijs en de gezondheidszorg er bijzonder laag, voornamelijk in de arme stadswijken en op het platteland.

De positieve impact van de Afrikaanse Unie op de economische situatie is zo onbeduidend dat het in werkelijkheid slechts om een schijnorganisatie gaat die op geen enkele manier bijdraagt tot het oplossen van alledaagse problemen. Het is een organisatie van politici die hier gebruik van maken om te kunnen deelnemen aan het internationale politieke leven. Afrika is een continent dat rijk is aan natuurlijke hulpbronnen die wereldwijd worden gebruikt. Dit heeft echter geen positieve invloed gehad op de levensomstandigheden van de bevolking en heeft evenmin tot een vermindering van de armoede geleid. Tal van organisaties proberen het probleem van de armoede aan te pakken, maar zonder zichtbaar resultaat. De rapporteur, mevrouw Martens, windt hier geen doekjes om.

We weten echt niet hoe we Afrika kunnen helpen en dit verslag biedt evenmin soelaas. Laten we niet vergeten hoe het vredige Kenia in enkele dagen tijd in een bloedbad is veranderd. Hoe kunnen we verzekeren dat de financiële steun van de verschillende landen naar behoren wordt verdeeld? Dit is een kwestie waarover we enkele maanden geleden een debat hebben gevoerd. We hadden het toen ook over de stappen die door China worden genomen. Misschien heeft China de goede aanpak gevonden? We moeten deze aanpak grondig onderzoeken.

 
  
MPphoto
 

  Luisa Morgantini, namens de GUE/NGL-Fractie. (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, de gezamenlijke strategie EU-Afrika is vooral een grote uitdaging, een uitdaging waarbij we moeten aantonen in staat te zijn onszelf en ons beleid ter discussie te stellen. Er is volgens mij nog behoefte aan een grondige bezinning op de betrekkingen tussen onze twee continenten en de ontwikkelingsstrategieën.

Het is een lang proces en we kunnen niet eisen alle problemen in één keer op te lossen, met name niet nu er ook nog eens grote complicaties zijn. Dit proces zou mijns inziens in eerste instantie behoefte hebben aan de deelname van alle landen en eenieders betrokkenheid, waarbij van onder af aan een partnerschap van gelijken wordt opgebouwd.

De Top van Lissabon is daar niet ten volle in geslaagd, misschien mede vanwege de haast waarmee hij was georganiseerd. Zowel de Europese als de Afrikaanse Unie hebben geen structurele rol willen of kunnen verlenen aan de parlementen en het maatschappelijk middenveld in Afrika en Europa. We zijn nu een jaar verder en, zoals het verslag-Martens met verve zegt, tellen de stemmen van ons Parlement, het pan-Afrikaanse parlement en het maatschappelijk middenveld nog niet volledig mee bij het bepalen van de strategie.

Het is daarom absoluut noodzakelijk dat dit inclusieve proces – ook ter realisering van de millenniumdoelstellingen om armoede en ziekten te overwinnen en landbouw en onderwijs te ontwikkelen – plaatsvindt voor alle thema’s die aan de orde zijn gesteld: van woestijnvorming via klimaatverandering tot aan energie.

Volledig ownership is onmisbaar, evenals een democratisch partnerschap dat open is naar de bevolking toe en zich niet louter afspeelt in kringen van regeringen en commissies. Wij als Europees Parlement hebben onze betrekkingen met het pan-Afrikaanse parlement geïntensiveerd en er bestaat geen twijfel over dat onze stappen vooruit een positieve invloed hebben gehad op de gemeenschappelijke strategie Europese Unie-Afrika.

Maar al in 2007 ontstonden er enkele twijfels over de fondsen. Waar komen de gelden voor het realiseren van deze gemeenschappelijke strategie vandaan? Wat is de toekomst van de ACS en de Overeenkomst van Cotonou? Hoe verhouden we ons tot internationale organisaties als de Wereldbank, het Internationale Monetaire Fonds en de WTO? Laten we samenwerken om die instellingen democratischer te maken.

Welnu, ik geloof dat we de uitdaging met veel energie dienen blijven aan te pakken, want Afrika is een continent dat rijk is aan menselijke en economische hulpbronnen en een echte partner is. Wij hebben het continent de afgelopen jaren leren kennen. Het is fantastisch om te zien hoe rijk Afrika is – commissaris Michel kan dit als kenner van Afrika bevestigen – en dat het niet alleen een continent van dood, verwoesting en oorlog is. Het is evenwel duidelijk dat we ook aan die problemen dienen te werken, zodat er daadwerkelijk sprake kan zijn van vrede en democratie.

 
  
MPphoto
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. – Voorzitter, allereerst wil de ik de rapporteur, collega Martens, bedanken voor haar solide verslag. Het is goed dat het Parlement niet alleen de afkondiging van een partnerschap toejuicht, maar ook daadwerkelijk toeziet op de concrete resultaten ervan. Dat is wat Afrika nodig heeft. Aan de basis van een succesvol partnerschap met Afrika staan goed bestuur en mensenrechten. Dat is essentieel in een continent waarin een burgemeester een president afzet of waar een andere president zijn eigen bevolking drogeert op zoek naar heksen. Laat de Raad en de Commissie hier een speerpunt van maken.

Bij goed bestuur denk ik ook aan de rol van het in deze resolutie slechts terloops genoemde China. Ik mis een kritische noot over de soms desastreuze gevolgen van China's aanwezigheid in Afrika. De Unie kan misschien wel lering trekken uit de 2 miljard euro die het China-African Development Fund in Afrika investeert. Het feit dat Peking ook in landen als Zimbabwe investeert, zegt echter genoeg over zijn bijdrage aan duurzame democratie en goed bestuur in dit continent.

Nog even een opmerking aan de rapporteur. In paragraaf 46 heeft ze het over de voedselveiligheid en ook onafhankelijke voedselvoorziening in Afrika. Wat ik ook mis in de resolutie, is een tekst die ingaat op een probleem dat al een aantal jaren bestaat, namelijk dat buitenlandse staten of bedrijven grote arealen landbouwgrond pachten of zelfs kopen, waarbij de oogst naar de buitenlandse investeerder gaat, en dus niet ten goede komt aan de eigen bevolking, die honger lijdt. Dat zijn toch eigenlijk schrijnende situaties! Bovendien leveren die investeringen geen werk op. Het is jammer dat de resolutie aan deze specifieke problematiek, die momenteel ook in de media weer sterk opduikt, geen aandacht besteedt.

 
  
MPphoto
 

  Michael Gahler (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, als voorzitter van de ad hoc-delegatie voor de betrekking met het pan-Afrikaanse parlement heb ik vandaag een aanleiding om vele deelnemers te bedanken. Mijn dank gaat allereerst uit naar Maria Martens die een uitstekend verslag heeft opgesteld over de voortgang van de overeengekomen EU-Afrika-strategie. Vervolgens wil ik graag de betrokken instellingen bedanken. Wij zijn erin geslaagd om in een hexaloog – dus met zes deelnemende partijen –overeenstemming tussen de beide parlementen tot stand te brengen. De beide Commissies hebben hun goedkeuring gegeven, de beide Parlementen sowieso, maar ook de beide Raden zijn akkoord gegaan. Wat de Raad betreft, wil ik met name wijze op zijn juridische dienst die altijd een belangrijke rol speelt bij dit soort zaken, omdat het tot stand brengen van gemeenschappelijke standpunten daar soms strandt. Na de eerste bijeenkomst in Addis Abeba is het vandaag in het kader van een tweede bijeenkomst gelukt om de afspraken over de betrokkenheid van de beide Parlementen ten uitvoer te leggen, respectievelijk definitief overeen te komen.

Ik wil nader ingaan op wat de heer Hutchinson heeft gezegd. Wat is er nu echt aan de hand? Het klopt dat er in Afrika nog veel verschrikkelijke dingen gebeuren! Ik heb echter de indruk, maar misschien is dat toeval, dat Afrika sinds de overeenstemming over de gemeenschappelijke strategie anders op straatsgrepen reageert. Met betrekking tot Mauretanië, Guinea, Guinee-Bissau en Madagascar heeft Afrika het lidmaatschap van die landen opgeschort. Voeger zou Afrika anders hebben gereageerd. Dan zou het gewoon business as usual zijn geweest.

In dit verband zou ik overigens graag zien dat wij als Europese regeringen ook nota van deze feiten namen. Als dit partnerschap op gemeenschappelijke waarden is gebaseerd, moeten de Europeanen ook reageren indien de Afrikanen reageren wanneer er op dat continent iets misgaat. Daarom ben ik ervan overtuigd dat wanneer de Parlementen in de toekomst meer betrokken zijn bij de uitvoering van deze strategie, wij dan ook een toegevoegde waarde voor dat partnerschap zullen hebben.

 
  
MPphoto
 

  Ana Maria Gomes (PSE). - (PT) Ik wil mevrouw Martens feliciteren met haar belangrijke verslag en de fundamentele rol van dit Parlement onderstrepen bij de controle op de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU en het desbetreffende actieplan.

Er zijn enkele belangrijke stappen vooruit gezet bij een aantal van de acht partnerschappen die deel uitmaken van de strategie. Ik noem met name de instelling van gezamenlijke deskundigengroepen en teams voor de uitvoering en het opstarten van de dialoog in het kader van de partnerschappen.

Ik betreur het echter dat aan het eind van het eerste jaar sommige partnerschappen zich nog steeds bevinden in een fase waarin gesleuteld wordt aan werkmethoden en nog geen concrete doelen, tijdsschema’s en begrotingstoewijzingen zijn vastgesteld.

Ik hoop dat het volgende gezamenlijke jaarlijkse voortgangsverslag bij het presenteren van de resultaten en het vermelden van de beschikbare bedragen aanzienlijk specifieker zal zijn dan dit eerste verslag. Waakzaamheid op dit vlak is bijzonder belangrijk teneinde te voldoen aan de verplichtingen die de Europese Unie en de lidstaten zijn aangegaan ten aanzien van de gekozen millenniumontwikkelingsdoelstellingen en ook om ervoor te zorgen dat de mondiale recessie, die ons allen raakt, niet op onevenredige wijze de landen en volkeren van Afrika treft, die immers al een kwetsbaardere uitgangspositie hebben.

Ontwikkeling en democratisch bestuur in Afrika dienen voor ons allen deel uit te maken van de uitweg uit de crisis. In die zin dient er in alle partnerschappen meer voortgang gemaakt te worden, ook de partnerschappen die politiek gevoelig liggen, zoals bestuur en mensenrechten.

Het is essentieel de rol van het Europees Parlement in dit proces te versterken door het officieel toezichthoudende taken toe te kennen en te betrekken bij de werkzaamheden voor de tenuitvoerlegging van de strategie. Het is tevens van wezenlijk belang representatieve vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld uit zowel Europa als Afrika bij dit proces te betrekken, in het bijzonder nationale parlementen, NGO’s en media.

 
  
MPphoto
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou drie kwesties onder de aandacht willen brengen in het kader van dit debat. Allereerst heeft het Europees Parlement in december 2007 een nieuwe strategie EU-Afrika aangenomen, die tot doel had gelijkheid tussen de twee partijen te bewerkstelligen. Het terugdringen van de armoede in de Afrikaanse landen was de centrale doelstelling van deze strategie. Het afgelopen jaar is er op dit gebied echter nauwelijks vooruitgang geboekt.

Ten tweede zou de aanhoudende financiële en economische crisis helaas in een verslechtering van de situatie van de Afrikaanse landen kunnen resulteren. De wereldwijd toonaangevende financiële instellingen voorspellen weinig goeds voor 2009. Volgens schattingen van het IMF zal het mondiale bbp met 1 procent dalen, terwijl de Wereldbank uitgaat van een terugval met 2 procent. De Wereldhandelsorganisatie voorspelt zelfs een vermindering van de waarde van de wereldhandel met maar liefst 9 procent. Dit zou de sterkste daling zijn in vijftig jaar tijd. Volgens het IMF zal de crisis waarmee de meest ontwikkelde landen worden geconfronteerd, zich in een volgende fase naar de ontwikkelingslanden uitbreiden, dus ook naar de Afrikaanse landen. De toenemende werkloosheid en armoede zouden tot sociale onlusten en in bepaalde gevallen zelfs tot oorlog kunnen leiden.

Met het oog op deze crisis en de gevolgen ervan, die ook de komende jaren nog voelbaar zullen zijn, hoop ik dat de samenwerkingsstrategie EU-Afrika op een verstandige manier zal worden herzien, teneinde dit soort sociale onlusten en misschien zelfs gewapende conflicten als gevolg van de wereldwijde economische crisis te voorkomen.

 
  
MPphoto
 

  Juan Fraile Cantón (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, in december 2007 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie in Lissabon de gezamenlijke strategie Afrika-EU en het eerste actieplan voor de implementatie ervan goedgekeurd.

Er zijn drie feiten die aan deze strategie ten grondslag liggen. Het eerste feit is dat op het Afrikaanse continent vredesprocessen en geleidelijke consolidering van democratische stelsels samengaan met aanhoudende conflicten zoals in Darfur, met hoge indexcijfers voor armoede en met prangende kwesties als de massale toestroom van illegale immigranten.

Het tweede feit is dat Afrika ten zuiden van de Sahara de armste regio op aarde is. De bevolking heeft een lage levensverwachting, een laag onderwijs- en alfabetiseringsniveau en een sterke demografische ontwikkeling. Driehonderd miljoen mensen leven van minder dan één euro per dag.

Het derde feit is dat Afrika het werelddeel van de grote pandemieën is, de plaats waar meer dan tweederde van de met AIDS geïnfecteerde mensen woont en waar 90 procent van de mensen sterft als gevolg van malaria.

We hebben dit jaar weinig vooruitgang geboekt bij de doelstellingen die we zelf hebben vastgesteld. Aangezien het actieplan de periode tot 2010 bestrijkt, moeten we onmiddellijk actie ondernemen op twee belangrijke gebieden. Ten eerste moeten we samenwerken op het vlak van democratisch bestuur, versterking van de instellingen en versterking van de rol van het maatschappelijk middenveld, met speciale aandacht voor het genderbeleid. Ten tweede moeten we samenwerken om in de sociale basisbehoeften te kunnen voorzien, tegen hongersnood te strijden en ontwikkelingsprogramma’s op gang te brengen op het gebied van onderwijs, gezondheid en toegang tot basisvoorzieningen als water.

 
  
MPphoto
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het partnerschap waarover we vandaag debatteren, biedt een antwoord op de behoeften van Afrika, aangezien het steun verleent aan het democratiseringsproces en de bescherming van de mensenrechten in de Afrikaanse landen en tegelijkertijd garant staat voor een sterk bilateraal engagement in de strijd tegen klimaatverandering en op het gebied van energiezekerheid.

Wegens onze toenemende onderlinge afhankelijkheid in de wereld en onze gedeelde verantwoordelijkheid is vandaag ook de inzet van mogelijk zwakkere partners onontbeerlijk. Laten we de strijd tegen klimaatverandering als voorbeeld nemen. Hoewel Afrika het minst bijdraagt tot de vervuiling van onze atmosfeer, wordt net dit continent het zwaarst getroffen door de gevolgen ervan. Daarom dienen we de Afrikaanse landen te betrekken bij de strijd tegen klimaatverandering, in eerste instantie door ze ertoe aan te zetten om zoveel mogelijk gebruik te maken van de hernieuwbare energiebronnen waarover deze landen beschikken.

Bepaalde landen trachten hun invloedssfeer naar de Afrikaanse landen uit te breiden. Dit mag in geen geval gebeuren. Afrika heeft geen behoefte aan controle, maar aan onze hulp en steun. Tegelijkertijd dienen we Afrika als een gelijkwaardige partner te behandelen en niet alleen als een ontvanger van financiële steun. Een goede verstandhouding tussen gelijke partners is van doorslaggevend belang voor de totstandkoming van een sterker engagement.

 
  
MPphoto
 

  Louis Michel, lid van de Commissie. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de verschillende sprekers.

Ik ben blij dat de eerste resultaten gunstig zijn ontvangen, maar het is duidelijk dat dit nog niet voldoende is. Het partnerschap heeft pas een jaar geleden het licht gezien. In 2009 zal het op volle toeren draaien.

Ik neem de essentie van de verschillende uiteenzettingen mee en de gestelde vragen komen geheel overeen met mijn eigen overtuigingen. Het is duidelijk dat er geen ontwikkeling mogelijk is zonder ownership, zoals de heer Hutchinson en mevrouw Morgantini stelden. De rol van de nationale parlementen en die van het maatschappelijk middenveld leggen eveneens een groot gewicht in de schaal.

Ik betreur overigens dat we de institutionele mechanismen waarmee de verantwoordelijkheid van dit Parlement voor het ontwikkelingsbeleid is geregeld, niet uitgebreid hebben kunnen hervormen. Ik herinner me dat u hebt gevraagd de landenstrategieën niet alleen hier, maar ook in de nationale parlementen van de partnerlanden te bespreken. De Europese Raad heeft hier niet mee ingestemd en daarom heb ik de landenstrategiedocumenten doorgestuurd naar de Paritaire Parlementaire Vergadering. Via dat kanaal hebt u deze doorgegeven aan de verschillende Europese parlementen. Dat heeft echter niet geleid tot enige vorm van institutionele regel, wat in mijn ogen wel het geval moet zijn. Dat zal echt een van mijn absolute prioriteiten blijven, want we zouden een enorme sprong voorwaarts maken als het Europees Ontwikkelingsfonds in de begroting werd opgenomen. Zolang het geen deel uitmaakt van de begroting, zullen we altijd slechte redenen kunnen aanvoeren om het Europees Parlement niet de rol toe te bedelen die deze instelling toekomt, en komt de commissaris voor ontwikkelingssamenwerking soms terecht in een situatie van onmacht. Het zou veel eenvoudiger zijn als ik hier in het Parlement kon discussiëren over prioriteiten, programma's en projecten. Zo zou ik vorderingen maken. Helaas is dat nog niet het geval. Ik hoop dat het wel zo ver zal komen.

Ik wil ook niet voorbijgaan aan overwegingen die me niet juist lijken. Ik wil erop wijzen dat we vorig jaar op Europees niveau de bijdrage van de Commissie en de lidstaten hebben uitgegeven, en dat ieder 46 miljard euro heeft afgedragen. Nu liggen we 1,7 miljard achter op het programma, of op de beoogde doelstelling. Daar ben ik niet blij mee en ik denk dat we daarvoor in het vervolg moeten strijden. Het Europees Parlement moet deze boodschap echt uitdragen en druk uitoefenen. We moeten de lidstaten er op politiek niveau met man en macht toe aansporen om hun beloften van 2005 na te komen. Dat heeft veel voeten in de aarde. Net als u weet ik nog hoe we alle zeilen hebben moeten bijzetten voor het miljard voor de voedselfaciliteit. Het was een hele klus, maar we hebben uiteindelijke goede voorwaarden weten te bereiken. We hebben er nog een miljard bij gekregen, dat we wel over drie in plaats van twee jaar hebben moeten spreiden, en gelukkig vorderen de projecten en verloopt de tenuitvoerlegging positief. Ik ben het er dus geheel mee eens.

(EN) Wij zijn niet van plan DAC-kwesties opnieuw aan de orde te stellen. Er wordt nog gesproken over enkele marginale aanpassingen, zoals bijvoorbeeld vredesmissies.

(FR) Het is niet de bedoeling dit debat te heropenen. Ik moet bovendien zeggen dat ik daar zeer voorzichtig mee ben. Ik voel er niet veel voor om dit debat opnieuw te openen, want als we dat doen, zult u zien dat zelfs een aantal van onze lidstaten hieraan zal deelnemen en zal proberen van alles en nog wat in deze begroting op te nemen.

Mijnheer Kuc, ik deel de mening niet dat we onze idealen hebben verloren. Ik geloof namelijk niet dat dat zo is. U hoeft maar naar de stemmen in dit Parlement te luisteren om vast te stellen dat we nog steeds op de bres staan voor de ontwikkelingslanden. Het is niet waar dat we geen bijdrage leveren aan de oplossing. Er kan uiteraard niet van ons worden verwacht dat we alles oplossen, maar ik durf me niet voor te stellen hoe het arme deel van de wereld eruit zou zien zonder Europese hulp.

Het is niet toereikend, daar ben ik het mee eens, maar het vertegenwoordigt 57 procent van de hulp wereldwijd. Helaas denk ik dat we hierover nu niet kunnen discussiëren. Wel is er een ander aspect, namelijk de vraag of de Europese hulp van onze lidstaten of van de Commissie nog steeds haar doel bereikt en nog steeds doeltreffend is, en of we de juiste aanpak volgen. In dit debat wil ik het graag hebben over het al dan niet invoeren van begrotingssteun en conditionaliteiten, want net als u ben ik geen voorstander van dergelijke voorwaarden.

Toch moeten we weten wat we willen. Als we willen dat een regering stappen zet in de richting van het maatschappelijk middenveld of haar bevolking, of in een aantal gevallen het parlement, en hun een stem in het kapittel geeft, moeten we wel accepteren dat daaraan voorwaarden worden verbonden. Het is immers niet altijd voldoende om tegen een regering te zeggen: "We willen graag dat u dit doet", hoogdravende pleidooien te houden of gewoon vriendelijke suggesties te doen. De kwestie rond conditionaliteiten is wel belangrijk. Overigens houd ik niet van de term conditionaliteit; ik heb het liever over criteria. Wanneer u het bijvoorbeeld hebt over een profiel, denk ik dat het vrij normaal is dat we dit opstellen. Dit profiel is niet gebruikt om de als aansporing bedoelde gelden vast te stellen. Het is toch een vrij normale zaak dat er een analyse wordt gemaakt van de bestuursprofielen van ieder land als we van plan zijn 25 of zelfs 30 procent van een aanvullend stimulerend pakket toe te kennen. Deze discussies zijn niet gesloten. Ik wil deze nu niet afronden, maar ik hoop er op een gegeven moment wel een punt achter te kunnen zetten.

Ik blijf niet stilstaan bij alle overwegingen met betrekking tot China. Uiteraard vind ik dat een goede discussie. Natuurlijk hebben ontwikkelingslanden het recht om de samenwerkingsverbanden die zij willen aangaan, met elkaar te laten wedijveren. Afrika is geen exclusief grondgebied meer van Europa en dat is een goede zaak. Dat acht ik van belang.

Het is inderdaad gepast om vragen te stellen bij de kwaliteit van het ontwikkelingsbeleid tussen China en Afrika. We mogen hun niet verwijten overeenkomsten te sluiten, maar we mogen ons wel een aantal zaken afvragen. Zo is me al een paar maanden geleden gemeld dat er Chinese contracten lopen in de Democratische Republiek Congo. Ik zeg niet dat dit slechte contracten zijn; ik zeg alleen dat er een aantal vragen moet worden beantwoord. Overigens zijn we bezig hierop een antwoord te geven, met name wat betreft de kwestie van de staatsgarantie, waarbij het gaat om een overeenkomst die is gesloten met een particuliere onderneming. Wij houden ons ook bezig met het percentage leningen ten opzichte van giften, met het feit dat hiervoor geen aanbesteding is uitgeschreven en het feit dat het bedrag in kwestie vrijwel even hoog is als de schuld die het land bij het IMF heeft uitstaan. Op al deze vragen moet een antwoord komen, maar niet door dit soort relatie aan te klagen. Afrikaanse landen hebben het recht om ook partnerschapsovereenkomsten af te sluiten met Chinezen, daar kom ik niet op terug.

Mevrouw Morgantini, ik denk dat u een aantal zaken hebt aangehaald waarop de heer Hutchinson reeds had gewezen. Het probleem blijft altijd de ware partnerschapsrelatie tussen de ontwikkelingslanden en ons. Ik denk dat Lissabon een grote stap voorwaarts is, omdat de beginselen en een nieuwe filosofie van partners met gelijke rechten en plichten ten minste in de teksten zijn verankerd.

Maar we zijn er natuurlijk nog niet en dat is een van de punten die verband houden met ownership en waar mogelijk met begrotingssteun. Dat houdt verband met ownership door het maatschappelijk middenveld en het parlementair debat. Ik denk dat u gelijk hebt en dat we daaraan zeker moeten werken.

U hebt nog een vraag gesteld die mij echt bezighoudt en die naar mijn oordeel een fundamenteel onderwerp van discussie is. "Hoe kunnen we zorgen voor meer harmonisering, mensen beter laten samenwerken, het werk beter verdelen en hoe kunnen de verschillende partners het mondiale ontwikkelingsbeleid beter ondersteunen? Wat is de rol van de Wereldbank, de WTO, het IMF, de Commissie en alle grote donoren?"

Zoals u tijdens een andere vergadering hebt gesteld, is er op dit moment sprake van overlapping en dubbelwerk. Er is zelfs concurrentie, en die is niet altijd nuttig. Ik kan u zeggen dat de afgelopen twee jaar enorme vooruitgang is geboekt, met name met de Wereldbank. Ik ben redelijk optimistisch over de weg die de Wereldbank inslaat en over haar boodschap, strategie en nieuwe filosofie. Er is dus ruimte voor een andere vorm van samenwerking tussen de verschillende partners. U hebt de vinger gelegd op een essentieel punt dat nadere uitwerking verdient.

Natuurlijk is goed bestuur een belangrijk element. Daarvoor was het pakket inzake bestuur opgenomen.

Mevrouw Gomez had het over een belangrijke kwestie: de gevolgen van de financiële crisis op de sociaaleconomische situatie van ontwikkelingslanden. Vrijwel alle deskundigen zijn het er momenteel over eens dat de groei minimaal 2 procent lager zal uitvallen, wat betekent dat er 50 miljoen armen bij zullen komen. Daar moeten we ons wel van bewust zijn.

Wat ons betreft, zal ik al blij zijn als de lidstaten hun beloften van 2005 nakomen. Ik verzeker u dat wij samen echt alles in het werk moeten stellen om de lidstaten hiertoe te dwingen.

Ten tweede werk ik momenteel aan een mededeling die verder reikt dan openbare ontwikkelingshulp. Dat is het beloofde pakket van april. Het is de bedoeling een reeks sectorale begrotingen van de Commissie in te zetten voor ontwikkelingsbeleid. Er tekent zich echt een aantal interessante mogelijkheden af. Voor dit pakket werk ik ook samen met de Europese Investeringsbank, met name met het oog op de infrastructuren voor bijstand, zodat deze sneller kunnen worden ontwikkeld en snel effect kunnen sorteren. In april zal ik deze mededeling op tafel leggen. De rol van het maatschappelijk middenveld en nationale parlementen houd ik daarbij voor zeer belangrijk.

Daarmee zal ik afronden. De heer Hutchinson heeft ooit eens voorgesteld een aantal experimenten te houden met leden van het Europees Parlement en misschien met nationale parlementen van onze lidstaten, al was het maar om op bepaalde plaatsen waar dat mogelijk is een debat te houden over de landenstrategiedocumenten. Ik heb dit in drie verschillende landen kunnen doen en het heeft heel goed uitgepakt. Het werkte echter goed omdat we in deze drie landen de steun hadden van de regering, want als de regering er niet achter staat, wordt het een heidens karwei. Ik denk dan ook dat u gelijk hebt. Het mobiliseren van parlementen is zeker een van de prioriteiten, en u kunt ervan op aan dat ik daarvoor mijn uiterste best zal doen.

 
  
MPphoto
 

  Maria Martens, rapporteur. − Voorzitter, ik heb hier eigenlijk niet zo heel veel meer aan toe te voegen. Dit is het eerste debat over de implementatie van de strategie. De kop is eraf, maar we staan nog maar aan het begin. Er is nog buitengewoon veel te doen. Afrika is nog steeds het armste continent. De collega's hebben al aangegeven waar onze zorgen en waar de uitdagingen liggen, of het nu gaat om vrede en veiligheid, om economische groei, om goed bestuur, om capaciteitsopbouw, dan wel om de rol van de parlementen en het maatschappelijk middenveld. De commissaris heeft daarover het nodige gezegd.

Ik bedank hier de collega's voor de goede samenwerking, ik bedank de commissaris en de collega's het pan-Afrikaans parlement. Wij blijven dit proces volgen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt dinsdag 24 maart 2009 plaats.

 
Laatst bijgewerkt op: 22 november 2009Juridische mededeling