Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2174(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0083/2009

Debatten :

PV 24/03/2009 - 3
CRE 24/03/2009 - 3

Stemmingen :

PV 24/03/2009 - 4.18
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0163

Debatten
Dinsdag 24 maart 2009 - Straatsburg Uitgave PB

5. Stemverklaringen
Video van de redevoeringen
PV
  

Mondelinge stemverklaringen

 
  
  

- Verslag-Martens (A6-0079/2009)

 
  
MPphoto
 

  David Sumberg (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik neem hier het woord met betrekking tot het verslag-Martens, omdat de titel "Eén jaar na Lissabon" mij de kans geeft om na te denken over waar we zijn in de Europese Unie, één jaar na Lissabon, Welnu, we bevinden ons in absolute chaos: we zijn niet in staat om te reageren op de economische crisis, er is sprake van een terugkeer naar het protectionisme, met name door de Franse regering, en we moeten nu erkennen dat het Verdrag van Lissabon niet alleen verkeerd maar ook niet effectief is.

We hebben geluisterd, of we zouden hebben moeten luisteren naar de mensen in Ierland, die in hun referendum heel duidelijk lieten blijken dat ze dit verdrag niet wilden. Maar als we toen niet hebben geluisterd, , moeten we dat nu wél doen.. Dit is een verdrag dat ongeliefd, ongewenst en bovenal inffectief is, en dit Parlement zou dit feit moeten erkennen.

 
  
MPphoto
 

  Nirj Deva (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben mij zeer bewust van het feit dat het Verdrag van Lissabon een ramp is voor wat de Europese Unie betreft, zoals mijn collega David Sumberg zojuist zei.

Ik wil mij echter richten op het uitstekende verslag dat Maria Martens heeft geschreven. Daarin wordt gesproken over iets zeer fundamenteels ten aanzien van de manier waarop wij onze hulp verspreiden. Maria Martens heeft aangegeven dat, indien nationale parlementen in de ACS-landen niet gemachtigd zijn om naar de beleidsplannen van het land te kijken en deze op een transparante manier te bespreken, de fondsen die de EU aan de ACS-landen ter beschikking stelt, wel eens verkeerd zouden kunnen worden gebruikt. Het nauwkeurig onderzoeken van de geleverde ontwikkelingshulp geeft de nationale parlemententen in de ACS-landen macht, op dezelfde manier als het Verdrag van Lissabon meer macht aan de nationale parlementen binnen de EU had moeten geven om nauwkeurig tegen het licht te houden wat we hier doen. Het verslag van mevrouw Martens houdt rekening met verantwoordelijkheid en transparantie, en daarom ondersteun ik het.

 
  
MPphoto
 

  Syed Kamall (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het eens met mijn collega die hiervoor sprak, de heer Sumberg, wanneer hij zijn gedachten laat gaan over het Verdrag van Lissabon en over de vraag waar we zijn, één jaar na Lissabon zelf. Maar ik wil me echt richten op één aspect daarvan, namelijk het Partnerschap tussen de EU en Afrika.

Ik denk dat het bij elk partnerschap van belang is dat we weten met wie we een dialoog aangaan: vaak is dit van regering tot regering. Maar als je in veel Afrikaanse landen met de ondernemers praat – de scheppers van de rijkdom – zijn zij degenen die tegen ons zeggen: “help ons om onze regeringen te helpen de markten te openen zodat we toegang hebben tot de goederen en diensten die jullie in het Westen als vanzelfsprekend beschouwen”. Alleen door de ondernemers te helpen kunnen we echt helpen om rijkdom te creëren en het werelddeel uit de armoede te halen. Laten we niet vergeten: het zijn de scheppers van rijkdom die de sleutel vormen tot ontwikkeling en niet noodzakelijkerwijs alleen maar de hulporganisaties.

 
  
MPphoto
 

  Philip Claeys (NI). - Voorzitter, ik heb tegen het verslag Martens gestemd, niet omdat ik van oordeel ben dat dit verslag helemaal onevenwichtig zou zijn. Integendeel, er staan een paar zaken in die zeker en vast correct zijn. Het probleem is dat er in een dergelijk verslag met geen woord wordt gerept over het probleem van de illegale immigratie, wat toch wel een zeer belangrijk probleem is als wij het hebben over problemen met ontwikkelingssamenwerking met Afrika.

Wat ook merkwaardig is, is de oproep in het verslag om ervoor te zorgen dat het systeem van de Europese blauwe kaart een ontmoedigend effect heeft op het wegtrekken van Afrikanen uit sectoren waar zij nodig zijn. Welnu, dit is essentieel in het hele systeem van die blauwe kaart zelf. Het probleem van de blauwe kaart is dat men daar de hersenvlucht organiseert van mensen die eigenlijk broodnodig zijn voor de ontwikkeling van derdewereldlanden. Men haalt die mensen naar hier, waardoor de problemen ginds nog erger zullen worden en er nog meer immigratie naar Europa komt. Dit is essentieel en men zou daar een debat ten gronde over moeten voeren in plaats van er hier in een verslag slechts één passage aan te wijden.

 
  
MPphoto
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). (PL) - (microfoon aanvankelijk niet aangesloten) ... is een breed pakket aan instrumenten dat de landen van Afrika helpt bij hun ontwikkeling. Het pakket is zo veelomvattend omdat alleen een integrale aanpak tot resultaat kan leiden in de veelheid van problemen die zich in Afrika opgestapeld hebben.

Wat heeft dat tot nu opgeleverd? De laatste jaren hebben we gezien dat China grote belangstelling voor Afrika aan de dag legt en hier een grootscheeps investeringsbeleid heeft uitgevoerd. Zulke initiatieven dragen bij aan de ontwikkeling van het continent, maar alleen als Afrikanen, met name de plaatselijke bevolking, grotendeels de verantwoordelijkheid dragen voor het creëren van welvaart en niet de werknemers van de buitenlandse bedrijven die de investeringen doen.

De Europese Unie dankt haar succes aan het geleidelijke slechten van economische barrières. Zij dient de economische ontwikkeling van individuele staten te steunen, een netwerk van bilaterale betrekkingen te ontwikkelen en het aanbod van Afrikaanse producten op de wereldmarkt te helpen vergroten.

 
  
  

- Verslag-Lambsdorff (A6-0132/2009)

 
  
MPphoto
 

  Charles Tannock (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb mij – samen met de delegatie van de Britse Conservatieven – onthouden van stemming over het verslag-Lambsdorff over de prioriteiten van de EU op de 64ste bijeenkomst van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Mijn fractie is een groot voorstander van het werk van de VN, hoewel we accepteren dat het een onvolmaakte organisatie is die hervorming nodig heeft. Echter, in dit verslag werden een aantal kwesties genoemd waar de Britse Conservatieven het absoluut niet mee eens zijn, zoals de rol van het Internationaal Strafhof en het afschaffen van de permanente zetels van het VK en Frankrijk, om te worden vervangen door één permanente zetel voor de Europese Unie. We zijn ook van mening dat de toepassing van de doodstraf voor volwassenen een gewetenskwestie is voor individuele leden, en we hebben hier geen partijstandpunt over. Dus hebben we ons in het geheel onthouden van stemming.

 
  
  

- Verslag-Martens (A6-0079/2009)

 
  
MPphoto
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil een opmerking maken over het verslag van mevrouw Martens.

Allereerst vind ik niet dat het Verdrag van Lissabon een ramp is, en het is onzin om dat te beweren. Zesentwintig van de zevenentwintig lidstaten van de Europese Unie hebben dit verdrag geratificeerd of gaan het ratificeren, met inbegrip van het Britse parlement. Het is jammer dat Britse leden hun eigen parlement niet respecteren in sommige van de opmerkingen die ze hier maken.

De Ieren hebben bepaalde zorgen over enkele kwesties uitgesproken en de Ierse regering en het Parlement zoeken naar verduidelijking van deze kwesties. Als we die kwesties kunnen verduidelijken en wanneer de mensen later dit jaar in een tweede referendum “ja” zullen zeggen, komen ze dan hier met hun kabouterhoedjes en gedragen ze zich dan op dezelfde buitensporige manier als ze bij het eerste referendum deden? Laat de Ierse zaken maar aan de Ieren. We hebben hierbij geen hulp nodig van mensen voor wie het ons 700 jaar gekost heeft om ze uit ons land te krijgen!

Met betrekking tot het Verdrag van Lissabon wil ik nog zeggen dat de bevolking van de Europese Unie 6 procent van de wereldbevolking zal gaan uitmaken binnen de volgende generatie. China en al die landen zullen zeer machtig zijn.

 
  
  

- Verslag-Hutchinson (A6-0085/2009)

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag willen uitleggen waarom ik mij onthouden heb van stemming over het verslag van de heer Hutchinson. Als lid van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU onderschrijf ik de stelling dat ontwikkelingshulp niet altijd doeltreffend is. De hulp is of niet goed gecoördineerd, of vergt onevenredig veel papierwerk. De rapporteur zegt dat de partnerlanden zich lang niet altijd kunnen vinden in de ontwikkelingsstrategie. Eigenlijk is alleen begrotingshulp – en daar ben ik het mee eens – een daadwerkelijk doeltreffend instrument. Maar dan zou die wel voorspelbaarder moeten zijn. Naar mijn mening is het vooral nodig om onze prioriteiten af te stemmen op die van andere verstrekkers van financiële hulp zoals de Verenigde Staten of landen die hun voormalige kolonie ondersteunen. Dan is er nog iets dat de rapporteur onderschat en dat is de invloed van het Chinese investeringsbeleid in de ontwikkelingslanden dat noch de millenniumdoelstellingen, noch andere doelstellingen nastreeft, behalve dan de eigen Chinese handelsbelangen.

 
  
MPphoto
 

  Nirj Deva (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn collega Hutchinson feliciteren met het uitstekende verslag dat hij heeft geschreven over een zeer belangrijk onderwerp. De Commissie en de Europese Unie geven een enorme hoeveelheid geld aan ontwikkelingslanden, waarvan het merendeel naar Afrika gaat. Ongeveer 50 procent van alle Afrikanen leeft nog steeds van minder dan 1 dollar per dag en 75 procent van alle aidsslachtoffers in de hele wereld komt uit Afrika.

Gezien deze ontstellende statistieken is het terecht dat we Afrika moeten steunen, om te voorzien in schoon drinkwater en er voor te zorgen dat de Afrikaanse bevolking zich duurzaam kan ontwikkelen. Maar wanneer we geld geven aan Afrikaanse regeringen, zoals de Commissie nu doet onder de vage noemer van “begrotingssteun”, moeten we er ook op staan dat begrotingssteun die aan Afrikaanse landen wordt gegeven, op zeer grondige wijze wordt onderzocht door hun eigen parlementen en dat de financiële overeenkomsten die tussen de Commissie en de Afrikaanse landen worden gesloten, openbaar en transparant worden in de nationale parlementen van Afrikaanse landen en de ACS-landen. Dit is een zeer belangrijk punt om het geld van Europese belastingbetalers te beschermen.

 
  
  

- Verslag-Badia i Cutchet (A6-0093/2009)

 
  
MPphoto
 

  David Sumberg (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, wij allen in dit Parlement staan positief tegenover de kunst en tegenover het stimuleren van kunst en onderwijs in onze respectieve landen. Ik hoop dat niemand hier iets tegen in zal brengen.

Maar het probleem met dit verslag is dat het opnieuw vraagt om een EU-perspectief, en dat is niet passend. De diversiteit van de Europese Unie bestaat juist uit het feit dat alle verschillende lidstaten verschillende culturen, verschillende histories en verschillende achtergronden hebben, en daarom lijkt het me belangrijk dat kunst en onderwijs op nationaal niveau worden bepaald. Dit is geen gebied waarop de Europese Unie of het Europees Parlement zou moeten interveniëren.

"Laat duizend bloemen bloeien" was geloof ik het mooie motto. Welnu, laat zevenentwintig bloemen – ten minste – bloeien in de Europese Unie, maar laat ze afzonderlijk bloeien. Ik ben van mening dat ze veel beter floreren en veel langer meegaan wanneer we dit doen.

 
  
MPphoto
 

  Hannu Takkula (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw Badia i Cutchet voor haar verslag bedanken.

Na de poëtische toespraak van de heer Sumberg wil ik zeggen dat het zeer belangrijk is dat de bloem van cultuur ook in Europa volledig tot bloei kan komen. Het is van wezenlijk belang dat onderwijs niet alleen gericht is op kennis en examens, maar dat wij ook het belang van de menselijke ontwikkeling inzien. Cultuur, kunst en sport zijn heel belangrijk als wij de hele persoonlijkheid willen ontwikkelen.

In dit verband is het goed om via een proces van open coördinatie de schoolsystemen in de verschillende landen te wijzen op de noodzaak om onderwijs in de hoge kunsten op het lesrooster te houden. Dit moet ook in Europees verband gebeuren, omdat Europa bekend staat om zijn diversiteit, pluralisme, omvangrijke kunsttraditie en cultuur. Het is goed als wij ook de cultuur van andere landen en de grote Europese kunstenaars op verschillende culturele gebieden leren kennen.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, uit het universele karakter van de Europese kunst blijkt de noodzaak om scholen weer hun rol als voornaamste verspreiders van cultuur te laten spelen. Dit is een kans om de toegang tot cultuur te democratiseren. Kunstonderwijs scherpt de zinnen en boort creatief potentieel aan. Het zou een verplicht onderdeel van het onderwijsaanbod in alle ontwikkelingsfasen van de leerling moeten zijn.

Het Europees Jaar van de Kunst en de Innovatie is een uitgelezen kans om de kunst de plaats terug te geven die haar toekomt, ook in het onderwijs, en waardering te wekken voor haar integrerende vermogens. Bescherming van de culturele identiteit van afzonderlijke regio’s en de kans die mobiliteit biedt om daar kennis van te nemen, ook binnen het kader van de culturele educatie, bieden extra gelegenheid tot creatieve ontwikkeling.

Daarom is het ook zo belangrijk om een gemeenschappelijk mobiliteitsnetwerk op te zetten voor Europeanen die actief zijn op artistiek en creatief terrein en dat is voor mij ook de reden om voor het verslag te stemmen, hoewel ik ook bezwaar maak tegen de gehaaste bespreking van dit document en de manier waarop het bijna zonder discussie vastgesteld wordt.

 
  
MPphoto
 

  Avril Doyle (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb alle goede sport altijd als kunst beschouwd. Mag ik, als voorbeeld van kunst in de Europese Unie, wijzen op de overwinning van het All-Ireland-rugbyteam afgelopen zaterdag in het Millennium Stadium in Cardiff, waar we het team uit Wales hebben verslagen in een proeve van sportieve en artistieke excellentie waaraan niemand kan tippen? We hebben ook de Engelsen, de Fransen, de Italianen en de Schotten verslagen. Dit All-Ireland-team heeft de Six Nations gewonnen, de Grand Slam. Sport is kunst, kunst is sport. We moeten deze prachtige prestatie erkennen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. Mevrouw Doyle, als ik geweten had dat u de poedelprijs voor de Italianen te berde zou brengen, had ik u niet laten spreken over dit onderwerp.

 
  
  

- Verslag-Hegyi (A6-0107/2009)

 
  
MPphoto
 

  Dimitar Stoyanov (NI).(BG) Ik neem hier het woord om uit te leggen waarom de delegatie van de Attack-partij tegen dit verslag heeft gestemd.

Dit ligt zeker niet aan de vele positieve punten die hierin aan de orde komen vanuit het perspectief van transparantie van het werk door de instellingen. We zijn duidelijk voorstanders van transparantie in het werk van de instellingen van de Europese Unie, maar we zijn tegen het feit dat deze transparantie uitsluitend kan worden bereikt door het aannemen van het Verdrag van Lissabon en door dit verdrag, dat voor ons al “dood” is, opnieuw op de agenda te plaatsen, met veel van dergelijke nieuwe verslagen die overigens een ander standpunt innemen of over een andere kwestie gaan.

Daarnaast zijn we, vanuit het perspectief van het Verdrag van Lissabon, tegen het aannemen van dit verdrag, omdat het voor Turkije de deur openzet naar het lidmaatschap. Het Turks lidmaatschap van de Europese Unie betekent de economische en demografische dood voor Bulgarije. Daarom hebben wij tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 

  David Sumberg (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, toen ik de titel van dit verslag zag – "Actieve dialoog met de burger over Europa" – dacht ik dat het een grapje was, want hadden we maar een actieve dialoog met de burgers van Europa. Het idee van een dialoog is dat het geen monoloog is: je moet luisteren naar wat de burgers van Europa zeggen. De burgers van Europa in Nederland, Frankrijk en in de Republiek Ierland hebben in verband met het Verdrag van Lissabon heel duidelijk gezegd dat ze dat verdrag niet willen.

Indien dit Parlement en alle Europese instellingen dan ook een dialoog met hun burgers willen aangaan, wat een goed idee is, laten ze dan ondubbelzinnig verklaren dat ze op een dialoog zullen reageren, en dat ze zullen luisteren naar wat de burgers zeggen. Het is een volledige tijdverspilling als dit Parlement zelfs maar debatteert, een verslag maakt of stemt over het idee van een dialoog als het collectief – en dat is de waarheid over dit Parlement – weigert om te erkennen wat er is gezegd en weigert om er op te reageren. Dat is de tekortkoming.

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is een zeer belangrijk verslag. Ik ben het met de rapporteur eens dat we wellicht iets dapperder hadden kunnen zijn en iets meer hadden kunnen besteden.

Als lid uit een land dat over elk verdrag stemt, ben ik mij scherp bewust van de noodzaak van een voortdurende actieve dialoog met burgers. Mijn ervaring is dat steeds meer mensen het geloof en vertrouwen in instellingen verliezen. De EU vertegenwoordigt een enorme instelling en we hebben een grote verantwoordelijkheid om te waarborgen dat een actieve dialoog de kern is van wat wij doen.

Mijn steun gaat in het bijzonder uit naar paragraaf 32 en ik wil de rapporteur bedanken voor het steunen van mijn amendement over het feit dat het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk in 2011 de Europese instellingen een ideale gelegenheid zou bieden om in contact te komen met de burgers.

We hebben de Commissie opgeroepen om passende wetgeving in te dienen om ons voor te bereiden op 2011, en men is hier mee begonnen. We moeten er nu voor zorgen dat we een zinvolle dialoog kunnen voeren met de 100 miljoen vrijwilligers in de EU en er voor zorgen dat hun standpunten en meningen de kern zullen vormen van alle nieuwe plannen, beleid en programma’s en dat een actieve dialoog met burgers een sterke, solide EU garandeert.

 
  
MPphoto
 

  Hannu Takkula (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van de heer Hegyi is uitstekend en nodig. Wij hebben behoefte aan een actieve dialoog tussen de Europese volken en burgers. Wij hebben wederzijds begrip nodig. Wij hebben ook tolerantie nodig, zodat wij bereid zijn te luisteren naar wat verschillende mensen te zeggen hebben. Dat hebben wij ook hier in het Europees Parlement nodig.

Ik vond het zeer betreurenswaardig dat een aantal leden uit protest de zaal verliet toen president Klaus een toespraak hield tijdens het huidige Tsjechische voorzitterschap. Zijn zij niet bereid te luisteren naar de meningen van verschillende burgers, presidenten, instellingen en individuen over Europese zaken in het algemeen?

Wij moeten bereid zijn naar verschillende meningen te luisteren. Wij hebben interactie en dialoog nodig, ook in het maatschappelijk middenveld, zodat de burgers kunnen ervaren dat zij invloed kunnen uitoefenen en niet het beeld hebben dat de Europese Unie slechts een praatclub is van een kleine elite. Ik steun het voorstel dat er in heel Europa meer actieve en tolerante dialoog op alle niveaus moet komen. Dat hebben wij echt nodig.

 
  
MPphoto
 

  Nirj Deva (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, tijdens deze economische crisis is er iets heel vreemds gebeurd op weg naar het forum, zoals men placht te zeggen. De mensen in Europa rekenden er niet op dat de Europese Unie hen van de crisis zou redden. Ze rekenden er op dat hun lidstaten en hun nationale regeringen hen van de crisis zouden redden. De man die beweert de wereld te hebben gered komt hier over een paar uur naar toe, maar afgezien daarvan zijn het de nationale regeringen – in Parijs, Londen, Washington of Rome – waar de burgers van die landen (aan wie ook is verteld dat zij burgers van Europa zijn) op rekenen om hen te redden, niet deze grotere entiteit die EU heet.

Mag ik vragen wat er is gebeurd? Mag ik degenen die maar doordrammen over het feit dat de EU zo’n fantastische machine is, vragen om zich zelf die vraag te stellen? Ik weet het antwoord. Het antwoord is dat er geen Europees volk is, er is geen verband tussen de EU-instellingen en het volk. Mensen rekenen er nog steeds op dat hun nationale regeringen hen zullen redden.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik protesteer nogmaals tegen de manier waarop er met dit document omgegaan wordt. Een groter vertrouwen in de Europese instellingen wekken bij de burgers in de lidstaten betekent niet alleen inzicht verbreiden in de drijfveren en handelingen van die instellingen, waar het vaak aan schort. Het betekent vooral de mensen het gevoel geven dat beslissingen gezamenlijk genomen worden, dat er inspraak is en dat de rechten waarvan de Verdragen spreken niet beknot worden.

Een maatschappelijke discussie tussen alle burgers van Europa, gehouden in alle lidstaten, is de beste manier om de mensen ervan te verzekeren dat het reilen en zeilen van de Europese Unie echt afhangt van de burgers in de landen waaruit de Unie is samengesteld. Het is ook de beste manier om te voorkomen dat het honderdtal mensen dat namens alle Polen betrokken was bij het formuleren van de belangrijkste taken die de EU-instellingen hebben uit te voeren, zich bedrogen voelt. De lijst van eisen dient serieus in overweging genomen te worden. Dit geldt ook voor de teksten die zijn opgesteld door deelnemers aan de discussie in andere landen. Des te verrassender is het dat elke vorm van serieuze discussie over de dialoog met de burger in een gremium als het Europees Parlement afgekapt wordt.

 
  
MPphoto
 

  Martin Callanan (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit verslag gaat over een actieve dialoog met burgers, en de beste vorm van een actieve dialoog met Europese burgers, is de vorm die is gebaseerd op luisteren naar wat ze zeggen in democratische stemmingen. Het is behoorlijk ironisch dat dit Parlement dit verslag hier aanneemt terwijl tegelijkertijd enkele democratische besluiten die in de lidstaten zijn genomen, volledig worden genegeerd. Geen wonder dat de Europese Unie zo weinig populair is in mijn kiesdistrict in Noordoost-Engeland en elders in Europa. Haar idee van democratische dialoog is slechts eenrichtingsverkeer: de EU luistert niet naar wat mensen te zeggen hebben en vertelt hun alleen maar wat ze mogen denken en hoe ze moeten stemmen.

Als ik terugkijk naar de afgelopen tien jaar hebben Frankrijk, Nederland en nu Ierland – twee keer – allemaal er voor gestemd om de rem te zetten op een verdere Europese integratie, en toch heeft de Europese Unie hun standpunten volledig genegeerd.

Hoe kan het streven om alleen maar te luisteren naar door de EU gefinancierde ngo's het standpunt van de stemmer in het volk weerspiegelen? De beste vorm van een dialoog met burgers is om te luisteren naar wat zij zeggen in vrije democratische stemmingen en referenda.

 
  
MPphoto
 

  Syed Kamall (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik denk echt dat er een misvatting is wanneer we het over een actieve dialoog met burgers over Europa hebben, omdat we een dialoog met burgers vaak verwarren met een dialoog met het maatschappelijk middenveld. We verwarren een dialoog met burgers vaak met een dialoog met organisaties die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd door de Commissie. Eigenlijk praten EU-instellingen met organisaties dieworden gefinancierd door de Commissie, dat wil zeggen uiteindelijk met het geld van de belastingbetalers.

En wat doen we dan wanneer we burgers daadwerkelijk het recht geven om hun mening te geven, zoals we hebben gedaan voor de grondwet in Frankrijk en Nederland en voor het Verdrag van Lissabon in Ierland, en ze “nee” zeggen? Dan negeren we het resultaat van de stemming volledig! Wanneer mensen "nee" hebben gezegd, betekent een dialoog niet dat we hen net zo lang moeten laten stemmen totdat wij het gewenste resultaat krijgen. Dat is geen dialoog. Dat is afstand doen van de democratie. Het wordt tijd dat we een echte actieve dialoog met burgers aangaan.

 
  
MPphoto
 

  Jim Allister (NI).(EN) Mijnheer de Voorzitter, na vijf jaar in dit Parlement te hebben gezeten kan weinig in de inhoud van verslagen mij nog verbazen. Maar ik moet toch zeggen dat ik onthutst was door de pure arrogantie in bepaalde aspecten van dit verslag en het opzettelijk beledigen van mensen die de moed hebben niet kruipend en kwispelend hun steun te geven aan het Europese project. Dat in dit verslag wordt gezegd – en het staat er echt – dat lager opgeleide mensen zich waarschijnlijk meer zullen verzetten tegen verdere Europese integratie, is een schaamteloze belediging, die getuigt van een ongelooflijke arrogantie.

De waarheid is dat juist degenen die de moeite hebben genomen de EU-Grondwet of het Verdrag van Lissabon te lezen en zichzelf hierover te informeren, de mensen zijn die er het meest waarschijnlijk tegen zullen stemmen. De mensen die er waarschijnlijk vóór zullen stemmen zijn degenen die – zoals commissarissen – nooit de moeite hebben genomen om de documenten te lezen en stomweg de propaganda slikken. Ik keur de belediging die dit verslag inhoudt dus af.

Zou ik daarnaast, in reactie op de eerste uitbarsting van de heer Mitchell – zijn Iers-republikeinse uitbarsting over hoe ze er 700 jaar over hebben gedaan om van alle Britten op het eiland Ierland af te komen – mogen zeggen dat hij blij moet zijn dat dit niet helemaal is gelukt, aangezien hij toch de hulp van een aantal Britse onderdanen uit Noord-Ierland nodig heeft gehad om de overwinning in het Six Nations-rugbykampioenschap te behalen.

 
  
MPphoto
 

  Neena Gill (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb hier met tegenzin vóór gestemd, niet vanwege de onzin die net aan de andere kant van dit Parlement werd uitgekraamd, maar omdat ik de bezorgdheid van de rapporteur, de heer Hegyi, deel.

Dit verslag is wezenlijk afgezwakt door degenen in dit Parlement die geen actieve dialoog met de Europese burgers willen. Onder actieve dialoog versta ik iets anders dan glanzende brochures, en ik vind echt dat de Commissie op dit terrein gefaald heeft. Zij is er niet in geslaagd om burgers actief te betrekken en contact met hen te maken. Zij is er niet in geslaagd hun beter te doen begrijpen dat met het werk dat op EU-niveau wordt verricht tal van echte problemen worden aangepakt die het dagelijks leven van burgers raken. Ik hoop dat zij naar aanleiding van dit verslag op de zaak zal terugkomen en een aantal vindingrijkere manieren zal bedenken om deze kwestie aan te pakken.

 
  
  

- Verslag-Roszkowski (A6-0042/2009)

 
  
MPphoto
 

  Jim Allister (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik juich dit verslag toe omdat daarin zaken aan de orde komen die besproken moeten worden.

Ik steun vooral het gevoel van de rapporteur dat plattelandsontwikkelingsmaatregelen geen beslag zouden mogen leggen op middelen die bedoeld zijn voor rechtstreekse betalingen aan boeren. Vandaar uit ook ik mijn twijfel over de vraag of de financiering van plattelandsontwikkeling überhaupt aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid dient te worden gekoppeld, aangezien dit er onvermijdelijk toe zal leiden dat de vorige financieringsmethoden aan de boeren ontzegd zullen worden. Als het daarentegen om een inherent onderdeel van de cohesiefondsen zou gaan, zou de mogelijkheid om oneigenlijk gebruik te maken van landbouwfondsen niet bestaan.

Daarom verwelkom ik de verklaring in het verslag die stelt dat de bevolking die in de landbouw werkzaam is het voornaamste doel moet zijn van steunmaatregelen in het kader van het beleid voor plattelandsontwikkeling. Dat evenwicht is in veel programma's voor plattelandsontwikkeling verstoord, en dat geldt ook voor de programma's die betrekking hebben op mijn eigen regio, Noord-Ierland.

 
  
  

- Verslag-Roth-Behrendt (A6-0484/2008)

 
  
MPphoto
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor dit verslag gestemd, en ik juich het toe. Gedurende lange tijd hebben we gedacht dat iets alleen effect heeft als we het inslikken.. Ik denk dat met het werk dat in dit verslag is gedaan duidelijk wordt onderstreept dat alles wat we op onze huid smeren net zo effectief in ons systeem terechtkomt als wanneer we het zouden innemen.

Veel van de ziekten die vooral vrouwen treffen, zoals borstkanker, fibromyalgie, ME etcetera, komen steeds vaker voor. Ik denk dat we nu een stap verder zullen moeten gaan, en er niet alleen voor zorgen dat cosmetica veiliger worden, maar ook beginnen met het verrichten van degelijk onderzoek naar het verband tussen bepaalde bestanddelen van cosmetica en deze ziekten die vooral vrouwen treffen, en tevens proberen veiligere cosmetica te maken, want we willen natuurlijk allemaal cosmetica blijven gebruiken.

 
  
MPphoto
 

  Neena Gill (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik verwelkom dit verslag omdat het testen van cosmetica een zaak is die veel kiezers in mijn regio, de West Midlands, bezighoudt, en ik heb veel brieven over dit onderwerp ontvangen. Ik verwelkom dit verslag en heb er mijn steun aan gegeven omdat het pan-Europese criteria oplegt voor het gebruik van mogelijk schadelijke materialen en criteria oplegt voor claims over het testen van producten die door fabrikanten worden gemaakt, maar er moeten ook soortgelijke criteria komen voor claims met betrekking tot dierproeven. De laatste keer dat we naar dit verslag keken, hebben we het testen op dieren voor wetenschappelijke doeleinden behandeld. Wij beschikken nu over een belangrijk instrument om het bewustzijn van consumenten ten aanzien van de bestanddelen van cosmetica te verhogen, en dit zou nog verder verbeterd worden door het aspect van dierproeven toe te voegen.

 
  
  

- Verslag-Octavia Sârbu (A6-0076/2009)

 
  
MPphoto
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor dit verslag en voor een sterkere controle van biociden gestemd, maar ik wilde van de gelegenheid gebruik maken om erop te wijzen dat wij in Ierland legaal een giftige en verontreinigende stof aan ons water toevoegen – een biocide met de naam fluoride. Ik wil de Commissie gelukwensen met het feit dat ze een raadplegingsproces is gestart waarin zij wetenschappelijke documenten, meningen van het publiek, etc., met betrekking tot de verontreiniging van drinkwater met het giftig bestanddeel fluoride verzamelt en verwelkomt.

 
  
  

- Verslag-Becsey (A6-0121/2009)

 
  
MPphoto
 

  Avril Doyle (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb tegen dit verslag gestemd omdat ik vind dat het voorstel van de Commissie om hogere accijnstarieven op tabaksproducten te heffen erdoor wordt verzwakt. Onderzoeken hebben consequent aangetoond dat de meest effectieve manier om het gedrag van mensen blijvend te beïnvloeden en ze van tabaksconsumptie te weerhouden door middel van belasting is.

Uit Iers onderzoek door het University College Cork is gebleken dat nadat in 2004 een volledig verbod op roken op de werkplek was ingevoerd, het aantal ziekenhuisopnames vanwege hartaanvallen in het volgende jaar met 11 procent was gedaald in de regio. Ierland heeft in de EU ook de hoogste accijnstarieven op tabak, namelijk 4,99 euro per pakje van 20 sigaretten, waarmee de prijs op meer dan 8 euro per pakje komt.

Een gecombineerde aanpak van afschrikwekkende prijsstelling en belastingbeleid, rookverboden, publieke voorlichtingscampagnes en betere toegang tot nicotinevervangingstherapieën voor mensen die willen stoppen met roken, heeft talloze voordelen en brengt verbeteringen van de volksgezondheid met zich mee.

Tsjechië is de enige lidstaat van de EU die de kaderovereenkomst over tabaksbeheersing van de VN nog niet heeft geratificeerd en dat terwijl tabak verantwoordelijk is voor één miljoen doden in de EU. Zou u, als Voorzitter van ons Parlement, het Tsjechisch voorzitterschap van de Raad met klem willen verzoeken deze ernstige tekortkoming goed te maken voordat zijn termijn erop zit?

 
  
  

- Verslag-Martens (A6-0079/2009)

 
  
MPphoto
 

  Richard Corbett (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, het lijkt erop dat veel afgevaardigden die aan de andere kant zitten de procedure van de stemverklaringen over diverse verslagen aangrijpen om in plaats daarvan te praten over de ratificatie van het Verdrag van Lissabon. Daarbij doen ze ongegronde uitspraken dat de bevolking zich tegen het Verdrag van Lissabon zouden hebben uitgesproken en dat wij niet naar ze willen luisteren.

Nog los van het feit dat het aan de lidstaten is – en niet aan ons – om het Verdrag van Lissabon te ratificeren, is deze voorstelling van zaken natuurlijk helemaal onjuist. Eén lidstaat heeft “nee” gezegd, en wij luisteren, en inderdaad, wij moeten ook luisteren. De andere lidstaten hebben aangegeven dat zij bereid zijn te luisteren naar de redenen voor dat 'nee', om er rekening mee te houden en op die grondslag verder te gaan. Maar terwijl de heer Dover niet eens onderscheid aanbrengt tussen het grondwettelijk verdrag en het Verdrag van Lissabon en zegt dat Frankrijk en Nederland dit Verdrag hebben verworpen, vergeet hij voor het gemak te wijzen op die andere landen die het Verdrag in referenda gesteund hebben.

Wij willen niet slechts naar één kant van het verhaal luisteren. Wij willen naar beide kanten luisteren en de kloof overbruggen, een oplossing vinden die acceptabel is voor iedere lidstaat. Zij willen alleen naar de mensen luisteren die tegen hebben gestemd. Juist zij zijn het die niet naar de mensen van Europa luisteren. Zij zijn het die democratische uitkomsten niet aanvaarden, en alleen maar kijken naar de uitkomst die hun het beste uitkomt, in plaats van naar de algehele situatie van alle lidstaten.

 
  
  

- Verslag-Muscardini (A6-0054/2009)

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik steun overweging 5 van dit verslag volledig. Ik ben momenteel in Ierland betrokken bij een dergelijk geval, waarbij een moeder haar thuisland Nigeria met haar twee dochters heeft ontvlucht nadat haar oudste dochter als gevolg van seksuele verminking is overleden. Momenteel dient haar zaak bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en het Hof heeft de Ierse regering schriftelijk verzocht om de zaak te verdedigen of om, zoals zij dat noemen, een minnelijke schikking overeen te komen.

In overweging 5 wordt gesteld dat seksuele verminking van vrouwen een schending van de rechten van de mens inhoudt en dat een toenemend aantal asielaanvragen door ouders worden gerechtvaardigd door het gevaar waaraan zij in eigen land mogelijk zijn blootgesteld doordat ze hebben geweigerd hun kind seksuele verminking te laten ondergaan. Ik hoop dat het Hof voor de Rechten van de Mensen onze verklaring in overweging neemt wanneer het uitspraak doet in deze zaak.

Tot slot ben ik het met de heer Corbett eens dat er hier vandaag veel is gesproken over democratie, maar dat wanneer men de tijd en moeite neemt om het aantal mensen die in alle referenda in Europa over de Grondwet en het Verdrag van Lissabon hebben gestemd bij elkaar op te tellen, blijkt dat meer dan 27 miljoen Europeanen vóór hebben gestemd en 24 miljoen tegen. Dat is democratie in werking.

 
  
MPphoto
 

  Eleonora Lo Curto (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dank u dat u mij het woord geeft. Ik wil zeggen dat ik het volledig eens ben met de aandacht die het Parlement vandaag schenkt aan een zo belangrijk onderwerp als het recht op gezondheid, het recht op de seksuele identiteit, de bescherming van het geestelijke leven en de psychofysieke integriteit van de vrouw, die juist vaak wordt geschonden door deze vrouwonvriendelijke praktijken.

Europa onderscheidt zich door zich in te spannen voor de mensenrechten, zoals we net hebben gehoord van de vorige spreker. Juist door deze volstrekt onaanvaardbare praktijken sterven kinderen en vrouwen. Europa doet er goed aan zich hiervoor in te spannen en zijn grote verantwoordelijkheid te tonen door de wetgeving in dit opzicht te harmoniseren.

 
  
MPphoto
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik had heel graag willen stemmen voor het verslag-Muscardini over seksuele verminking van vrouwen omdat ik al vele jaren voorstander ben van een verbod op deze barbaarse praktijken en ik momenteel ook een gezin steun dat dreigt slachtoffer te worden van deze praktijk als zij terugkeren naar hun land van herkomst.

Echter, zoals gewoonlijk, wordt het lijden van verminkte meisjes en vrouwen door collega's gebruikt om opnieuw de abortusagenda te propageren door het mantra van de “seksuele en reproductieve rechten” in dit verslag te stoppen.

 
  
 

(Nadat een correctie is aangebracht op de door de heer Mitchell uitgebrachte stem op het verslag, waarbij rekening is gehouden met de definitieve verwoording van de tekst, is zijn mondelinge stemverklaring niet langer van toepassing)

 
  
  

- Verslag-Graça Moura (A6-0092/2009)

 
  
MPphoto
 

  Milan Gaľa (PPE-DE). – (SK) Mijnheer de voorzitter, ik wil mijn collega uit de Commissie cultuur en onderwijs, de heer Graça Moura, bedanken voor het opstellen van het verslag, dat tijdens de stemming mijn steun kreeg. Het houdt verband met documenten die we in het Europees Parlement eerder al hebben behandeld. De uitbreiding heeft bijgedragen tot de taalkundige diversiteit van de EU. Vandaag spreken wij 23 talen plus nog eens meer dan zestig dialecten in regio’s of groepen.

Globalisering en emigratie hebben bijgedragen tot het uitgebreide palet van dagelijks door Europeanen gebruikte talen. Taalkundige diversiteit is zonder twijfel een van de meest kenmerkende eigenschappen van de Europese Unie, die het sociale, culturele en beroepsleven van de burgers en de politieke activiteiten van de lidstaten beïnvloedt. Ik vind de mededeling van de Commissie hierover buitengewoon belangrijk. Ik ben het met de rapporteur eens dat de taalkundige diversiteit een enorm concurrentievoordeel voor de EU betekent en dat programma’s voor taalonderwijs en uitwisseling van scholieren en culturele uitwisseling, ondubbelzinnig moeten worden gesteund.

 
  
MPphoto
 

  Michl Ebner (PPE-DE). - (IT) Geachte Voorzitter, dames en heren, ik moet zeggen dat de heer Graça Moura uitstekend werk heeft afgeleverd met zijn verslag. Alleen voor wat betreft het procedurele probleem met dit systeem – die collega Muscardini vandaag ook al heeft ter sprake heeft gebracht – hoop ik dat u gehoor zult geven aan onze verzoeken om in feite niet twee vrijwel identieke verslagen in stemming te brengen en vervolgens eigenlijk de rapporteur te benadelen. Dat is mij namelijk gebeurd in dit geval en ik wilde dat niet.

Juist daarom zou ik de nadruk willen leggen op het uitstekende werk van collega Graça Moura, ook al is vervolgens ook met mijn stem de andere resolutie aangenomen. Mijn stem was geen afwijzing van het verslag Graça Moura, in tegendeel.

 
  
MPphoto
 

  Hannu Takkula (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de heer Graça Moura bedanken voor zijn uitstekende werk. Hij heeft zich met hart en ziel aan deze taalkwesties gewijd en het is volstrekt juist dat taal een grondrecht is. Taal is de kern van iemands identiteit en daarom moeten wij in de Europese Unie meertaligheid koesteren.

Bij de stemming hebben wij echter een alternatieve resolutie verkozen boven het oorspronkelijke verslag. Ik heb zelf deelgenomen aan het opstellen van de alternatieve resolutie en het is misschien goed te vertellen waarom wij een alternatief voor het zeer verdienstelijke werk van de heer Graça Moura zijn gaan opstellen. De reden was dat wij vooral de positie van minderheidstalen wilden waarborgen.

Zoals wordt gezegd, zijn wij in Europa slechts zo sterk als onze zwakste schakel, namelijk de mensen die in onze maatschappij het slechtste af zijn. Daarom moeten wij ervoor zorgen dat minderheidsgroepen, bijvoorbeeld de Samen in mijn land Finland, het recht behouden hun moedertaal te spreken en over basisdiensten in hun eigen taal te beschikken. Wij moeten zorg dragen voor hen, net als voor alle andere inheemse volken. Het is daarom zeer belangrijk dat de Europese Unie zich aan zijn culturele plicht houdt en goed voor alle talen zorgt, met inbegrip van de minderheidstalen.

 
  
MPphoto
 

  Frank Vanhecke (NI). - Voorzitter, hoewel de uiteindelijk goedgekeurde alternatieve resolutie over de meertaligheid in Europa al veel beter was dan de oorspronkelijke tekst die voorlag, heb ik na beraad uiteindelijk toch tegengestemd. In de beide resoluties immers, de goedgekeurde en de oorspronkelijke, wordt opgeroepen tot het promoten van een Europees Agentschap voor taalkundige diversiteit. Nu klinkt dat natuurlijk wel heel mooi en in principe zou ik daarachter staan, maar dan lees ik verder dat bijvoorbeeld niet-Europese immigranten aangemoedigd moeten worden om verder bij ons hun eigen moedertaal te blijven gebruiken, dat het Europees Parlement zelfs oproept om de moedertalen van de buitenlandse minderheden, of van het buitenland afkomstige minderheden in lespakketten op te nemen en dat lidstaten niet enkel het gebruik van de oorspronkelijke talen moeten stimuleren, maar vooral de hoofdtaal van de immigranten moeten stimuleren. Excuus, dit is waanzin. Dit leidt tot het tegendeel van aanpassing en assimilatie. Dit is het tegendeel van wat eigenlijk nodig is in alle Europese landen.

 
  
MPphoto
 

  Philip Claeys (NI). - Voorzitter, ook ik heb het verslag over meertaligheid niet goedgekeurd. Ik ben nochtans een overtuigd voorstander van de promotie van meertaligheid, maar zowel in het oorspronkelijke verslag als in het amendement dat uiteindelijk is goedgekeurd, worden een aantal dingen verkondigd die problematisch zijn als ze in de praktijk zouden worden omgezet. Zo wil men immigranten aanmoedigen om hun oorspronkelijke taal te blijven gebruiken, terwijl dat in veel lidstaten juist een probleem is omdat ze de taal van hun gastland onvoldoende leren met alle gevolgen van dien.

Ook potentieel problematisch is de manier waarmee men in het verslag omgaat met lidstaten waar meer dan één officiële taal is. Men moet natuurlijk wel rekening houden met specifieke situaties, zoals in België bijvoorbeeld, waar elke regio behalve Brussel officieel ééntalig is. In Vlaanderen worden we geconfronteerd met het probleem van een groot aantal Franstalige inwijkelingen die weigeren zich aan te passen aan het Nederlandstalige karakter van Vlaanderen en het is niet aan Europa om zich daarmee te bemoeien en allerlei rechten te beloven die niet bestaan.

 
  
MPphoto
 

  Mario Borghezio (UEN). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik ben het eens met veel bezwaren die in dit verslag zijn geuit tegen het feit dat de Europese Unie mensen aanmoedigt om hun oorspronkelijke taal te blijven onderhouden en ontwikkelen. De totale filosofie van de verslagen verdient echter aandacht en steun. We lopen vandaag de dag immers nog een groter risico met deze terecht aan de orde gestelde problemen, namelijk dat door een officiële erkenning van het geschreven en gesproken Engels, dat ook hier wordt opgelegd, de Europese talen zullen uitsterven. Dat is een ernstig risico dat moet worden aangepakt.

We hoeven de rechten van de lokale talen niet te vergeten. Nationale talen verdwijnen, worden minder gesproken, maar lokale talen verdwijnen op werkelijk schandelijke manier en deze moeten worden verdedigd, zoals we met de federalistische hervorming van ons land proberen voor te stellen en uit te voeren.

Doet de Europese Unie al het nodige om lokale talen te beschermen? We hoorden net mevrouw Lo Curto aan het woord. Het zou echt mooi zijn om haar nog een keer te horen spreken in het prachtige Sardijns, want dat kan ze zeker. Ik zou wel een keer in het Piëmontees willen praten, maar in ons eigen Parlement zijn er in de bibliotheek geen culturele documenten, tijdschriften enzovoort over talen van culturele identiteiten en van lokale talen.

Voordat Europa zich bezighoudt met de bescherming van de talen van immigranten van derde landen door middel van erkenning, kan het zich dus beter bekommeren om onze minderheden en onze lokale talen.

 
  
MPphoto
 

  Eleonora Lo Curto (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijnheer Borghezio, ik ben Siciliaanse, en Sicilië is de bakermat en het land van een grote beschaving en een grootse geschiedenis. Laten we hopen dat het een toekomst kan schrijven die begint met autonomie. Daarom kan ik het alleen maar eens zijn met de noodzaak om meer aandacht te schenken aan de moedertalen die wij steeds meer zouden moeten leren spreken en vooral aan onze kinderen zouden moeten overbrengen.

Ik denk vooral aan de geschiedenis van de emigratie die in Italië maar ook in andere landen heeft plaatsgevonden en die er vandaag toe leidt en dreigt te leiden dat de nieuwe generaties uit Sicilië, maar ook Veneto en Sardinië en al die anderen in Europa die in het verleden dit proces hebben meegemaakt, het Sardijns, Siciliaans of het dialect uit Veneto niet meer kennen en niet meer spreken.

Ik streef ernaar om van dit grote institutionele theater van Europa ook de bakermat te maken van het soort verscheidenheid en autonome identiteiten waarvan we de totstandkoming hopelijk in het toekomstige Europa van de regio’s zullen vieren. Daarom, mijnheer de Voorzitter, roep ik ook zo veel mogelijk mensen op om de aandacht op zich te vestigen door het gebruik van onze talen.

 
  
MPphoto
 

  Avril Doyle (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb om twee redenen niet aan de stemming over dit verslag deelgenomen, ook al ben ik het helemaal eens met de titel: “Meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement”.

Wij hebben hier vandaag kunnen horen dat het verslag ingaat op ”bepaalde binnenlandse geschillen in Spanje”. Ik ben zeer sceptisch wanneer een debat over meertaligheid en de stimulering van talen wordt gebruikt als een soort dekmantel, of indirect middel, of politiek onderhandelingsinstrument, voor allerlei binnenlandse kwesties van al onze lidstaten, en dat lijkt hier en op commissieniveau met betrekking tot een deel van dit debat gebeurd te zijn.

Dit is geen aanval op de rechten van de sprekers van minderheidstalen. Deze krijgen zelfs mijn volledige steun en ik vind zonder meer dat wij de rechten van onze EU-burgers die als eerste taal een minderheidstaal hebben, moeten respecteren. Deze talen moeten een plaats hebben in het Europees Parlement, maar niet noodzakelijkerwijs als officiële werktalen, vooral niet wanneer de betreffende burgers het Engels net zo goed beheersen – zoals in ons geval. Wanneer de bijdragen aan belangrijke debatten in bijvoorbeeld de plenaire vergadering en commissies worden geleverd in een minderheidstaal die vervolgens passief en in meer dan twintig talen vertaald moeten worden, wordt het hele doel van het democratisch debat in gevaar gebracht door het verlies van nuances in de vertaling en misschien zelfs misverstanden. Ons democratisch mandaat hier bestaat eruit om zo veel mogelijk mensen van ons standpunt te overtuigen, en de problemen bij het werven van voldoende aantallen goed gekwalificeerde tolken te werven is een geheel andere zaak. Om deze twee redenen heb ik niet deelgenomen aan de stemming.

 
  
  

- Verslag-Van Nistelrooij (A6-0083/2009)

 
  
MPphoto
 

  Michl Ebner (PPE-DE). - (IT) Geachte Voorzitter, dames en heren, eerst wil ik zeggen dat ik voor het verslag van de heer Van Nistelrooij heb gestemd, maar ik neem deze gelegenheid te baat, voor de weinige, overgebleven toeschouwers, om te zeggen dat als degenen die hier nu zo uitgebreid de Europese Unie en haar werkwijze hebben bekritiseerd, veel objectievere informatie zouden verstrekken, in plaats van door de Europese Unie te trekken voor hun kiesdistrict en kwaad te spreken over de Unie, ze zeker een volledig andere sfeer zouden creëren.

Wat het verslag-Van Nistelrooij betreft, kan ik zeggen dat het cohesiebeleid juist met die opzet is ontstaan, om solidariteit en samenwerking te creëren en vooral in deze crisistijd denk ik dat de Europese regio’s – niet alleen de landen, maar ook de regio’s – moeten samenwerken, hun posities moeten ontwikkelen en hun levensstijl verbeteren. Juist daarom ben ik van mening dat het verslag van Nistelrooij een positieve stem uitermate verdient.

 
  
MPphoto
 

  Rumiana Jeleva (PPE-DE).(BG) Ik heb voor het verslag over territoriale cohesie gestemd, omdat ik er vast van overtuigd ben dat dit concept moet worden ontwikkeld en worden toegepast als horizontaal beginsel dat al het beleid en alle acties van de Gemeenschap ondersteunt.

Tijdens het debat van vandaag over het cohesiebeleid hebben we voor de volgende programmeringsperiode gevraagd om een aanzienlijke versterking van de directe betrokkenheid van regionale en lokale autoriteiten bij het plannen en uitvoeren van de relevante programma's. Het beleid van de Europese Unie, en meer in het bijzonder het cohesiebeleid, heeft het bestuur van een vaak gecentraliseerd systeem getransformeerd in een steeds geïntegreerder systeem met meerdere lagen.

Daarom ben ik van mening dat lidstaten moeten worden gestimuleerd om een systeem van territoriaal bestuur op te zetten, gebaseerd op een geïntegreerde “bottom-up”-benadering, die ook meer actieve participatie door de civiele samenleving toestaat. Ik roep de lidstaten dringend op om te gaan nadenken over hoe ze het concept van territoriale cohesie beter kunnen consolideren en ondersteunen in hun nationale programma's en beleid.

In deze context ben ik van mening dat de grondbeginselen van gecoördineerde ontwikkeling en het partnerschap tussen steden en platteland met name van belang zijn en strikt in acht moeten worden genomen.

 
  
MPphoto
 

  Marusya Ivanova Lyubcheva (PSE).(BG) Ik heb het verslag over territoriale cohesie gesteund in de wetenschap dat het een beleid is dat uiterst belangrijk is voor elke regio in de Europese Unie.

De middelen uit het cohesiefonds kunnen samen met nationale middelen zelfs de meest achtergestelde regio's transformeren in goed ontwikkelde regio's en hen op het niveau van de ontwikkelde regio's brengen. Dit is van het grootste belang voor mijn land, Bulgarije. Het is eveneens belangrijk dat tijdens de planningsfase alle middelen eerlijk worden verdeeld en dat het cohesiebeginsel wordt toegepast in al het prioriteitsbeleid van de Europese Unie.

Rekening houdend met alle factoren die van invloed zijn op een evenwichtige regionale en sociale ontwikkeling, moeten we de meest geschikte mechanismen vinden waarmee we sommige van de nieuwe lidstaten met een lager ontwikkelingsniveau de kans kunnen geven om de rest in te halen.

Gedurende de planningsfase moeten er duidelijke criteria zijn om te voorkomen dat een land wordt gestraft omdat juist in de planningsfase onvoldoende en ineffectieve toewijzingen worden gedaan, die vervolgens van invloed zijn op de kwaliteit van het bestaan van burgers.

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de heer Van Nistelrooij willen gelukwensen met zijn verslag. Ik wil met name mijn steun uitspreken voor lid 42, waarin wordt opgeroepen tot de invoering van werkelijke partnerschappen tussen alle partijen die betrokken zijn bij regionale en lokale ontwikkeling op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau.

Dit is een voorwaarde voor het bereiken van territoriale cohesie. Herhaaldelijk is aangetoond dat betrokkenheid van lokale ontwikkelingsgroepen en ngo's bij de bevordering van regionale ontwikkeling en territoriale cohesie werkelijke economische en maatschappelijke waarde toevoegt. Gezien het feit dat we er momenteel niet in slagen territoriale cohesie tussen onze regio's te bereiken, is het van cruciaal belang dat we dergelijke partnerschappen invoeren en stimuleren.

 
  
  

- Verslag-Mikolášik (A6-0108/2009)

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag mijn steun uitspreken voor lid 22, waarin – net als in het verslag-Van Nistelrooij – lidstaten worden opgeroepen het partnerschapbeginsel in hun programma's voor de huidige periode te versterken overeenkomstig artikel 11 van de algemene verordening betreffende EFRO, ESF en het Cohesiefonds.

Wij in het Parlement schrijven deze verordeningen, maar het is aan de lidstaten om ze ten uitvoer leggen en het is aan de Commissie om op de tenuitvoerlegging toe te zien. Een recent verslag over de betrokkenheid van ngo’s en andere partijen in de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en controle van de structuurfondsen in de nieuwe lidstaten was genaamd “The illusion of inclusion”, en ik denk dat deze titel boekdelen spreekt. Lidstaten en de commissie nemen hun verantwoordelijkheden niet. Wij in dit Parlement moeten erop blijven aandringen dat zij dat wel doen.

 
  
  

- Verslag-Becsey (A6-0041/2009)

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Ik heb voor de bundel verslagen van de collega’s gestemd waarin zij kritiek uiten op de obstakels die er nog altijd bestaan voor een goede tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid. Ik zou graag in het bijzonder stil willen staan bij het verslag van mevrouw Krehl en nog iets aan het debat van vandaag willen toevoegen door erop wijzen dat de collega's verzuimd hebben in herinnering te brengen dat wij twee weken geleden het recovery package hebben aangenomen, oftewel het door het Tsjechische voorzitterschap met de Commissie uitgewerkte pakket maatregelen. De Commissie heeft mede onder druk van het Europees Parlement heldere en duidelijke voorstellen uitgewerkt ter vereenvoudiging van de administratieve handelingen, met name met het oog op meer flexibiliteit. Hiermee kan eenieder die gelden uit de structuurfondsen ontvangt voortaan met geld schuiven tussen de verschillende programma's onderling en zelfs - en dat is met name van belang voor de nieuwe lidstaten - deze middelen inzetten ter dekking van leningen. Het volgende verslag in deze bundel, het verslag met betrekking tot microkredieten, is uiteraard ook een belangrijk ondersteunend element, alleen betreur ik het dat er tot op heden geen duidelijke regels bestaan voor de harmonisering van de regels voor de gebruikmaking van microkredieten, iets dat zeer welkom zou zijn voor met name kleine ondernemingen en gemeentelijke overheden.

 
  
MPphoto
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, dit verslag, de vermelding van kredietverenigingen en de onderkenning van hun rol in de verlening van microkrediet steun ik in het bijzonder. Als organisaties zonder winstoogmerk spelen kredietverenigingen een unieke rol door microkrediet te verstrekken aan mensen aan wie veel andere financiële instellingen geen krediet zouden verlenen. Ik weet dat kredietverenigingen niet in alle Europese landen sterk zijn, maar in veel landen zijn ze dat wel, met reserves boven de 40 miljard euro. Wereldwijd beschikken kredietverenigingen over reserves van meer dan 1,1 biljoen dollar, en hebben ze meer dan 180 miljoen leden over de hele wereld.

In een tijd dat mensen het vertrouwen in bancaire instellingen aan het verliezen zijn, vormen financiële instellingen zonder winstoogmerk een bruikbaar alternatief en zij hebben onze steun nodig. Zij moeten met name worden opgenomen in het JASMINE-programma, zodat zij als verleners van microfinanciering toegang hebben tot bedrijfsondersteunende diensten zoals begeleiding, trainingen, advisering, financiering en opleidingen, enzovoort.

Tot slot een toelichting op het verslag-Muscardini: voor zo ver ik weet hebben we gestemd over amendement 1 en hebben we deze goedgekeurd, waarbij de term “seksuele en reproductieve rechten” is veranderd in “seksuele en reproductieve gezondheid”. In dat verband weet ik niet zeker of ik het eens ben met mijn Ierse collega's die het eerder over deze kwestie hadden.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Mijnheer Kamall, zoals u ziet, bent u de enige afgevaardigde die nog aanwezig is!

 
  
MPphoto
 

  Syed Kamall (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, laat mij beginnen met u en alle tolken te bedanken voor uw geduld tijdens deze zeer lange reeks stemverklaringen.

Ik denk dat er in het gehele Parlement consensus bestaat over de voordelen van microkrediet: het is een van die onderwerpen waarover links en rechts in dit Parlement het eens kunnen zijn.

Ik wil op dit punt mijn waardering uitspreken over twee organisaties in het bijzonder. Een ervan is Opportunity International, dat wordt geleid door een voormalig bestuurder van een centrale bank van een Afrikaans land en een professionele aanpak van microkrediet toevoegt waaraan het in het verleden wel eens heeft ontbroken. De ander is een organisatie met een geweldige website – www.kiva.org – die mensen in staat stelt om individueel bedragen van slechts 25 dollar te lenen, die echter kunnen oplopen tot grotere microleningen voor ondernemers over de hele wereld, vooral in ontwikkelingslanden, en ze in staat stelt om welvaart en werkgelegenheid in hun eigen plaatselijke gemeenschappen te creëren.

Het enige punt dat ik naar voren wil brengen is dat wij ervoor moeten zorgen dat de kleine, door gemeenschappen opgezette en particuliere microkredietverstrekkers niet door lokale, nationale en Europese overheden worden verdrongen. Dergelijke gevallen heb ik meegemaakt in mijn kiesdistrict in Londen, waar door gemeenschappen opgezette organisaties zijn verdrongen door de lokale overheid.

Over het geheel genomen denk ik dat we het erover eens kunnen zijn dat microkrediet een geweldige manier is om ondernemers in armere landen te helpen.

 
  
  

Schriftelijke stemverklaringen

 
  
  

- Verslag-Costa (A6-0071/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Liberadzki (PSE), schriftelijk. (PL) Ik heb gestemd voor het verslag over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Nepal inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten.

Ik ben het eens met het voorstel van de rapporteur om deze overeenkomst te sluiten.

De amendementen ten aanzien van de aanwijzingsclausule, accijns op vliegtuigbrandstof en prijsstelling lijken mij gerechtvaardigd in het licht van bestaande bilaterale verdragen.

Ik hoop dat wederzijds vertrouwen in de systemen van de andere partij de overeenkomst tot een succes zullen maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem voor het verslag van de heer Costa over de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Nepal inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten.

Ik ben het met de rapporteur eens dat de vervoerstarieven voor passagiers en goederen die de door de Nepalese regering aangewezen luchtvervoerders in rekening brengen voor vervoer dat volledig binnen de Europese Gemeenschap plaatsvindt, onderhevig moeten zijn aan de Europese Gemeenschapswetgeving.

 
  
  

- Verslag-Geringer de Oedenberg (A6-0130/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem voor het verslag van mevrouw Geringer de Oedenberg over landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen.

Ik ben het namelijk eens met het voorstel voor de codificatie van bestaande wetsteksten die door de Commissie zijn gepresenteerd, zoals dit met de technische aanpassingen is aangevuld.

 
  
  

- Verslag-Geringer de Oedenberg (A6-0129/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem voor het verslag van mevrouw Geringer de Oedenberg over de communautaire regeling inzake douanevrijstellingen.

Ik ben het eens met het voorstel voor de codificatie van de bestaande communautaire wetgeving om deze doeltreffend te vereenvoudigen en duidelijk te formuleren.

 
  
  

- Verslag-Pietikäinen (A6-0119/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. (LT) Gezien de toenemende complexiteit van de financiële markten en met name gelet op de financiële crisis is een geoptimaliseerde aanpak bij de verzameling van statistische gegevens geboden. Betrouwbaarheid en actualiteit van de gegevens moeten de hoekstenen van de gewijzigde verordening vormen. Volgens uw rapporteur is het van het grootste belang dat statistische informatie tijdig wordt vergaard. Daarom zouden het Europees Stelsel van Centrale Banken en het Europees statistisch systeem de gegevens, zo nodig, maandelijks moeten verzamelen. Dit zou de kwaliteit en het nut van de statistieken ten goede kunnen komen, vooral bij het toezicht op de sector financiële diensten. Ik ben het eens met het voorstel van de Europese Centrale Bank tot wijziging van de verordening van de Raad inzake het verzamelen van statistische gegevens door het Europees Stelsel van Centrale Banken, want het is erop gericht het verzamelen van deze gegevens doeltreffender te maken. Ook wordt de bestaande verordening aangepast aan de ontwikkelingen op de financiële markten.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik wil mij graag onthouden van stemming over het verslag van mevrouw Pietikäinen over het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank. Ik ben het namelijk slechts gedeeltelijk eens met dit verslag, want ik constateer een aantal kritische punten waardoor ik me niet volledig positief over het verslag kan uitspreken.

 
  
  

- Verslag-Graf Lambsdorff (A6-0132/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (NI), schriftelijk. − Ik heb tegen het verslag Lambsdorf gestemd omdat er niet duidelijk wordt gesteld dat de EU-lidstaten best wegblijven op de MRR indien bepaalde onaanvaardbare passages in het slotdocument van de herzieningsconferentie van Durban gehandhaafd blijven. Er zou duidelijk en eens en voor altijd moeten worden gesteld dat Europa geen lessen in mensenrechten te ontvangen heeft van islamitische theocratieën en andere (semi-)dictaturen.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. − (EN) Hoewel ik het met het grootste deel van het verslag van de heer Lambsdorff over de prioriteiten van de EU op de 64e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties eens ben, heb ik in dit stadium moeite met zijn pleidooi voor één zetel voor de EU in de Veiligheidsraad van de VN. Ik ben voorstander van hervorming van de Veiligheidsraad ter erkenning van de nieuwe mondiale politieke realiteiten – Japan, Duitsland, India en Brazilië zouden kansrijke kandidaten voor lidmaatschap kunnen zijn en het zou een affront zijn om Afrika van vertegenwoordiging uit te sluiten. Maar steun, of geen steun, voor één EU-zetel dient te komen aan het eind van een proces van onderhandeling – ook als de steun beredeneerd is – en niet aan het begin. Op grond daarvan vond ik het gepast om niet aan de stemming over dit verslag deel te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE), schriftelijk. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb niet aan de stemming over dit verslag deelgenomen omdat ik van mening ben dat de VN dringend herziening en hervorming behoeft. Het heeft weinig zin om na te denken over een zetel in de Veiligheidsraad voor de EU wanneer het hele systeem van vertegenwoordiging op de helling staat.

Hoe zit het met name met de vertegenwoordiging van Azië in de Veiligheidsraad? Momenteel wordt dat werelddeel alleen door China vertegenwoordigd, een niet-democratisch land met een vreselijke reputatie op het gebied van de mensenrechten. Waar blijft de oproep voor een zetel voor India, waarvan het bevolkingsaantal dat van China rap nadert en waarvan de politieke, economische en strategische macht zowel van regionaal als mondiaal van groot belang is?

Voordat we nadenken over de stem van de EU in de VN, dienen we eerst na te denken over hoe de huidige VN ten goede veranderd zou kunnen worden. Een passende vertegenwoordiging in de Veiligheidsraad van de grootste democratie ter wereld zou een grote stap in de juiste richting betekenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) Het beginsel “één staat, één stem” is een van de hoekstenen van de VN-samenwerking en moet dat ook blijven. Daarom vinden wij het erg ongelukkig dat het Europees Parlement ernaar streeft de EU in de toekomst één enkele zetel in de Veiligheidsraad te geven. Het is toch vanzelfsprekend: het Zweedse buitenlands beleid is anders dan het Poolse, dat anders is dan het Griekse. Gelijkgezinde landen kunnen daarentegen vanzelfsprekend een blok vormen wanneer zij dat willen.

Het verslag bevat echter veel positieve elementen, met name wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht. Wij vinden deze formuleringen zo belangrijk dat wij gekozen hebben om het verslag te steunen, ondanks zijn tekortkomingen in andere opzichten.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE), schriftelijk. − (EN) EP-leden van de Britse Labour-partij steunen het werk van de Algemene Vergadering van de VN en de positieve rol die zij speelt in vreedzame en positieve internationale samenwerking. Binnen deze resolutie steunen wij in het bijzonder de speciale aandacht voor de verbeterde positieve samenwerking inzake de mensenrechten, positieve hervorming van de VN, nucleaire non-proliferatie en het behalen van resultaten met betrekking tot de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling.

Wij hebben ons van stemming over deze resolutie onthouden. t Hoewel we veel van de punten die erin staan steunen, konden wij namelijk geen steun geven aan de oproep voor één zetel voor de Europese Unie in de VN-Veiligheidsraad die zij bevat. Het Handvest van de Verenigde Naties bevat geen voorziening voor een regionale zetel in de Veiligheidsraad. Europa is geen lidstaat van de VN en volgens het Handvest van de VN kunnen alleen staten lid zijn van de VN.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexandru Nazare (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Het verslag van de heer Lambsdorff levert een belangrijke bijdrage aan de betrokkenheid van de EU bij de VN-hervorming en -aangelegenheden. Ik ben blij dat ik hier mijn steun aan kan geven.

De aanbevelingen in het verslag bevestigen dat de meeste lidstaten van de EU zich zorgen maken over de hoofdproblemen van de wereldpolitiek. Daarin worden ook op overtuigende wijze vraagstukken behandeld die voor Roemenië en de PPE-DE-Fractie van belang zijn.

Zo moeten wij, overeenkomstig de fundamentele waarden van de EU, bijzonder belang toekennen aan het beginsel inzake de verantwoordelijkheid tot bescherming. Mijn partij en de andere leden van de PPE-DE-Fractie beschouwen afgezien daarvan de mensenrechten als een hoeksteen van ons extern optreden en een van de belangrijkste kanalen voor het tot uiting brengen van onze mening op wereldniveau. Het verheugt mij dat in deze aanbevelingen uitgebreid wordt ingegaan op deze zorgen. Teneinde de op deze gebieden gemaakte vooruitgang te consolideren moeten wij ook de veiligheid van de mensen bevorderen, niet alleen in economisch en sociaal opzicht maar ook als het gaat om de ´harde´ veiligheid.

Tot slot nog een laatste, maar daarom niet minder belangrijk punt: de juiste werking van deze organisatie is belangrijk voor al degenen onder ons die een assertief, efficiënt en multilateraal mechanisme willen, dat met zijn activiteiten deze waarden bevordert.

Door in te gaan op deze en andere belangrijke vraagstukken voor de Europese burgers zet het verslag van de heer Lambsdorff een stap vooruit, en daarom heb ik voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Toomas Savi (ALDE), schriftelijk. − (EN) Ik heb gestemd vóór het verslag van Alexander Graf Lambsdorff met een voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad over de prioriteiten van de EU op de 64ste zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. De Europese Unie moet in eendracht handelen om van invloed te kunnen zijn op de besluiten en beloften die tijdens de Algemene Vergadering van VN in september 2009 zullen worden genomen en aangegaan.

Als lid van de Commissie ontwikkelingssamenwerking zou ik het belang willen onderstrepen van het bereiken van voortgang op de weg naar de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. De Europese Unie moet binnen de VN een leidende rol op zich nemen om ervoor te zorgen dat we onze beloften aan de ontwikkelingslanden, die feitelijk het meest te lijden hebben van de huidige economische crisis, nakomen, aangezien onze daden op dit moment helaas achterlopen ten opzichte van onze beloften.

De crisis heeft zonder twijfel bijna alle landen getroffen. Juist in moeilijke tijden zoals deze moeten alle ontwikkelde landen echter gezamenlijk handelen en verder kijken dan alleen het kleingeestig nationaal belang, want het leven van miljoenen mensen hangt letterlijk af van onze daden en van ons toekomstig gedrag.

Als we nu de problemen negeren, kunnen de gevolgen catastrofaal zijn; bovendien hebben we in de toekomst misschien niet eens meer de mogelijkheid ze op te lossen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM), schriftelijk. − (EN) Ik wilde voor dit verslag over de prioriteiten van de EU op de 64ste zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties stemmen, want veel van deze prioriteiten zijn waardevol en moeten worden gesteund en zelfs aangemoedigd. Helaas hebben collega's ook “seksuele en reproductieve rechten” in de lijst van prioriteiten opgenomen, en ik kan en zal nooit instemmen met het doden van medemensen, in dit geval van baby's voordat zij geboren zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Hoewel ik pogingen om met de westerse democratieën binnen de VN tot een gecoördineerd standpunt te komen steun, en al sinds lange tijd pleit voor institutionele hervorming van VN-structuren, kan ik niet accepteren dat de EU namens ons zou optreden. Onder geen beding mogen individuele leden van de VN, en leden van de Veiligheidsraad nog minder, toestaan dat EU zich hun recht om hun eigen visie naar voren te brengen toe-eigent. Ik keur de doelstelling van "een EU-zetel in de Veiligheidsraad" af. Ik heb mij daarom om principiële redenen – maar zonder VN-initiatieven zoals de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling of het concept van het recht om te beschermen af te keuren – van stemming onthouden.

 
  
  

- Verslag-Martens (A6-0079/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. − (EN) Een van de moeilijkste uitdagingen waar de Europese Unie zich tegenover gesteld ziet is die van de illegale of irreguliere immigratie. Ik heb altijd geloofd dat oplossingen alleen kunnen worden voorgesteld als beide zijden elkaar als partners zien. Met het oog op de situatie van migranten die de Middellandse Zee oversteken, zullen Europa en de Noord-Afrikaanse staten (de Maghreb) in eendracht te werk moeten gaan. Malta voert al sinds de jaren zeventig onafgebroken campagne voor deze aanpak, maar de meeste Europese leiders van die tijd ontbrak het aan de nodige vooruitziendheid. Nu we te maken hebben met een uittocht van Bijbelse proporties is Europa plotseling wakker geschud door de werkelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. - (IT) Ik stem voor het verslag van Maria Martens.

Gezien de gezamenlijke strategie die in 2007 is aangenomen en die tot doel had om een meer bilaterale aanpak te bereiken door de EU en Afrika op meer gelijke voet te plaatsen, ben ik het eens met het belang van deze strategie. Deze is erop gericht om de dialoog en samenwerking verder te laten gaan dan “de ontwikkeling”, “Afrika” en “de institutionele aspecten”, met een betere samenwerking tussen de EU en Afrika op het gebied van internationale organen en bij multilaterale onderhandelingen over onderwerpen als mensenrechten en klimaatveranderingen.

Ik ben het ermee eens dat de Europese Unie en Afrika zich moeten inspannen om internationale organisaties als de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldhandelsorganisatie democratischer en representatiever te maken om zo te garanderen dat Afrika een invloed kan uitoefenen die overeenkomt met zijn omvang.

In het verslag worden vier sectoren onderstreept waarvan de resultaten bijzonder belangrijk zijn om de gezamenlijke strategie te laten slagen, zoals vrede en veiligheid, bestuur in de breedste zin van het woord, handelskwesties, de economische en regionale gemeenschappen, kapitaalvlucht en centrale ontwikkelingsonderwerpen, zoals gezondheidszorg en onderwijs.

Verder ben ik het eens met het verzoek om een specifiek financieel instrument voor de uitvoering van de gezamenlijke strategie, dat alle bestaande financieringsmiddelen op heldere, voorspelbare en programmeerbare wijze bundelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (NI), schriftelijk. − Ik heb tegen het verslag Martens gestemd, ook al zitten er heel wat goede en aanvaardbare elementen in en gaat het om een relatief evenwichtig verslag. Maar het is betreurenswaardig dat in een verslag over het EU-Afrikaans partnerschap met geen woord gerept wordt over het voor Europa én Afrika zo prangende probleem van de illegale immigratie, die voor een hersenvlucht uit Afrika zorgt en zoveel sociale problemen in Europa veroorzaakt. Bovendien getuigt dit verslag van enige naïviteit wanneer het oproept ervoor te zorgen dat de Europese blauwe kaart geen Afrikanen wegtrekt uit sectoren waar die nodig zijn. Over hoe zoiets concreet moet verlopen, rept de rapporteur met geen woord.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb gestemd voor het verslag-Martens over “Eén jaar na Lissabon: het partnerschap van de EU en Afrika in de praktijk”, daar het opnieuw wijst op de noodzaak de banden tussen de Europese Unie en Afrika aan te halen, met name in deze tijden van mondiale economische instabiliteit.

Ik zou willen onderstrepen dat het houden van de Top EU-Afrika in 2007 in Lissabon vooral te danken was aan het werk van het Portugees voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie. Er valt evenwel nog een lange weg te gaan teneinde de toen geformuleerde gezamenlijke strategie verder te ontwikkelen, met name op het vlak van vrede, veiligheid, bestuur, mensenrechten, regionale integratie, gezondheid en onderwijs.

De Europese Unie dient een specifiek financieel instrument voor het realiseren van de strategie te creëren, evenals een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) De rapporteur schetst een in wezen correct beeld van de vele uitdagingen voor Afrika. Zij heeft ongetwijfeld ook gelijk wanneer zij het belang beschrijft dat internationale inspanningen en internationale samenwerking zouden kunnen hebben voor het aanpakken van armoede, het gebrek aan gezondheidsvoorzieningen en de gevolgen van de wereldwijde economische recessie.

De rapporteur voert echter uitvoerig propaganda om aan het Europees Parlement een grotere rol toe te kennen in de betrekkingen tussen Afrika en de EU. Er wordt bijvoorbeeld zonder objectieve argumenten voorgesteld om de voorzitter van het Europees Parlement deel te laten nemen aan de vergaderingen tussen vertegenwoordigers van Afrikaanse regeringen en de Europese Commissie en/of de Raad. De rapporteur wil ook dat het Europees Parlement een grotere verantwoordelijkheid krijgt voor de structuur en de werking van het Europees Ontwikkelingsfonds. Zo’n ontwikkeling zou volgens ons uiterst ongelukkig zijn. Daarom hebben wij tegen het verslag als geheel gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Ik steun dit verslag, waarin gekeken wordt naar de effectiviteit van het partnerschap tussen de EU en Afrika. Het verslag wijst erop dat er slechts zeer weinig nieuwe fondsen beschikbaar zijn gesteld voor de uitvoering van de gezamenlijke strategie en roept op tot de oprichting van een specifiek financieel instrument waarin alle bestaande financieringsmiddelen op heldere, voorspelbare en programmeerbare wijze zouden zijn gecentraliseerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem tegen het verslag van mevrouw Martens over het partnerschap van de EU en Afrika.

Ik ben het namelijk niet eens met de gekozen benadering die vaak niet geschikt blijkt om de behoeften van Afrika, zowel van de instellingen als de privésector, te lenigen. Het zou bovendien beter zijn als ook Afrika meer inspanningen zou leveren om daadwerkelijk brede lagen van het maatschappelijke middenveld bij de tenuitvoerlegging van de partnerschapsakkoorden te betrekken.

De partnerschapsstrategie die tot nu toe in praktijk is gebracht, heeft slechts bescheiden resultaten opgeleverd en voldoet zo niet aan de verwachtingen en doelstellingen die hieraan verbonden waren, en omdat het eerste actieplan tot 2010 loopt, denk ik dat het niet mogelijk zal zijn om deze doelstellingen te behalen. Daarom herhaal ik dat ik tegen het verslag stem.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Goed bestuur is cruciaal voor economische vooruitgang en welzijn in Afrika en dient de eerste prioriteit te zijn. Het is jammer dat dit verslag hier zo weinig aandacht aan besteedt en erop ingaat in bewoordingen die blijk geven van buitensporige gevoeligheid jegens Afrikaanse regimes. Nergens wordt melding gemaakt van het feit dat de meeste Afrikaanse regeringen het regime van Mugabe in Zimbabwe, met alle verwoesting die dit regime de bevolking van Zimbabwe heeft aangedaan, stilzwijgend of openlijk hebben gesteund. Tevens zouden we niet moeten proberen om het model van de institutionele structuur van de EU aan andere continenten op te leggen, zonder goed na te denken over de toepasselijkheid van zo'n structuur voor Europa, en laat staan voor Afrika.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI), schriftelijk. − Het blijft merkwaardig dat wij in deze instelling mordicus vasthouden aan de Lissabon-illusie. Of eigenlijk is dat niet zo merkwaardig, want het is een perfecte illustratie van de wijze waarop het officiële Europa omspringt met wettelijkheid, oppositierechten en respect voor vrije keuzes van onze burgers.

Lissabon is immers juridisch dood sinds de volksraadpleging in Ierland. Waarom kunnen we dat niet gewoon respecteren?

Ten gronde vraag ik mij af of wij per se nu opnieuw 55 miljoen euro moeten investeren om de instellingen van de Afrikaanse Unie te steunen. Die instellingen hebben nauwelijks een kritisch woord voor de bloedige dictaturen die er deel van uitmaken. Ik stel mij ook de vraag hoe de terechte opmerking over de blauwe kaart als gevreesd instrument van een verdere hersenvlucht naar Europa te rijmen valt met de elders ingenomen standpunten. En in heel dit verslag wordt met geen woord gerept over de problematiek van de illegale immigratie. Misschien zouden we die 55 miljoen daar beter kunnen inzetten.

 
  
  

- Verslag-Hutchinson (A6-0085/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Ik stem voor het verslag van Alain Hutchinson en ik sta volledig achter het verzoek aan de Commissie om steun te blijven verlenen aan de gezondheids- en onderwijssector, met name de primaire gezondheidszorg en het lager onderwijs en aan de in deze sectoren bereikte resultaten, als ook om de voorspelbaarheid van de begrotingssteun via de tenuitvoerlegging van MDG-contracten te verbeteren.

Verder ben ik het eens met de noodzaak om de beginselen die uit dergelijke contracten voortvloeien te kunnen uitbreiden naar meer landen, aangezien het hoofddoel van het MDG-contract is om de doeltreffendheid van de steun te helpen verbeteren en de behaalde vooruitgang bij het realiseren van de MDG’s te helpen versnellen voor de landen die dat het meest nodig hebben.

Ik ben van mening dat het van fundamenteel belang is dat de Commissie haar begrotingssteun afhankelijk maakt van de behaalde resultaten op het gebied van goed bestuur en transparantie, maar ook van de verdediging en eerbiediging van de mensenrechten, vooral die van de armste en meest uitgesloten bevolkingsgroepen, zoals mensen met een handicap, minderheden, vrouwen en kinderen, en dat zij erop toeziet dat de begrotingssteun niet wordt uitgegeven in andere sectoren dan de welke zijn bepaald in het MDG-contract.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd, dat gericht is op de totstandkoming van contracten voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling tussen de EU en bepaalde landen. Ik steun de financiële transparantie die in het verslag wordt aanbevolen en de stabiliteit die ontstaat dankzij contractuele steun aan partnerlanden waarmee begrotingen beter van te voren kunnen worden gepland.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik wil mij onthouden van stemming over het verslag van de heer Hutchinson over de MDG-contracten. Ik ben het namelijk slechts met enkele onderdelen hieruit eens en daarom kan ik de tekst in kwestie niet volledig goedkeuren.

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM), schriftelijk. − (EN) De EU moet zich volledig achter de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling scharen, maar ik heb tegen dit verslag over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling gestemd omdat collega's in het verslag opnieuw voor 'seksuele en reproductieve rechten' hebben gepleit. Kinderen een kans geven in het leven is een belangrijke millenniumdoelstelling.

 
  
  

- Verslag-Badia i Cutchet (A6-0093/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Göran Färm, Anna Hedh, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. − (SV) Wij sociaaldemocraten zijn van mening dat het belangrijk is in de EU zowel kunst als cultuur te bevorderen. Wij zouden daarom op dit gebied graag een intensievere uitwisseling van ervaringen en samenwerking tussen de lidstaten zien. Dat is met name belangrijk om het voor leerlingen uit het kunstonderwijs gemakkelijker te maken om in een andere lidstaat te studeren.

Wij vinden echter niet dat de inhoud van de kunstopleidingen in de lidstaten op EU-niveau moet worden bepaald. Dergelijke beslissingen moeten door de lidstaten zelf worden genomen. Daarom hebben wij besloten om tegen het verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik stem voor.

“Elk kind is een kunstenaar. De moeilijkheid is er een te blijven als volwassene”. Met deze woorden beschreef Pablo Picasso de moeilijkheden van het kunstonderwijs. Hoewel het tegenwoordig een verplicht vak is in veel schoolsystemen, wordt kunst nog steeds onderwezen volgens onderwijsmodellen die van lidstaat tot lidstaat aanzienlijk verschillen.

De ontwikkeling van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën heeft een economie gestimuleerd die gebaseerd is op kennis. Daardoor is er een grote rol weggelegd voor intellectueel vermogen en creativiteit. In deze context heeft het kunstonderwijs een belangrijke rol om de identiteit te bewaren en intercultureel en interreligieus begrip te bevorderen.

Kunstonderwijs is bovendien het instrument waarmee de menselijke middelen kunnen worden ontwikkeld die nodig zijn om de rijkdom van het culturele erfgoed van een land te kunnen benutten. Daarbij komt nog de toenemende noodzaak van concurrentie in verschillende sectoren, op grond waarvan diverse schoolsystemen tegenwoordig een hoofdrol geven aan de ontwikkeling van creativiteit door middel van onderwijsprogramma’s die gebaseerd zijn op geschikte pedagogische methoden en de leerlingen een belangrijk potentieel kunnen geven bij hun latere toetreding tot de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. (LT) Het opstellen van een gezamenlijke ontwerpresolutie over het coördineren van het kunstonderwijs op Europees niveau is belangrijk.

Voor het vinden van werk in de kunstsector zijn vaardigheden, kennis en materiaalbeheersing nodig die in nauw verband staan met de wetenschappelijke en technologische vooruitgang. In de loop van de geschiedenis hebben de kunsten altijd gebruikgemaakt van de meest geavanceerde technologieën van hun tijd, en veel kunsttheorieën zijn beïnvloed door wetenschappelijke overwegingen. Op zijn beurt heeft de praktische ervaring in bepaalde kunstdisciplines ook tot technische vooruitgang geleid en daarmee bijgedragen aan het vergroten van de kennis van de wereld en de transformatie van die wereld door de mensheid. Hoewel het proces van artistieke creatie niet kan worden gereduceerd tot de strikte toepassing van wetenschappelijke of technologische kennis, kunnen technologieën, zonder dat ze met dat oogmerk zijn ontwikkeld, wel van nut zijn voor de kunst, zoals kunst ook technologisch onderzoek en technologische ontwikkeling in gang kan zetten, die weer andere toepassingen kunnen opleveren dan alleen kunstzinnige. Kortom, het kunstonderwijs leidt tot nauwere en vruchtbaardere relaties tussen onderwijs, cultuur, ICT en de kunsten in de eenentwintigste eeuw.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicodim Bulzesc (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat ik het ermee eens ben dat er een evenwicht moet bestaan tussen studie van de theorie en inwijding in de praktijk. Dit geldt ook voor kunststudie.

Mevrouw Badia i Cutchet dringt er in haar verslag op aan dat het kunstgeschiedenisonderwijs ook ontmoetingen met kunstenaars en bezoeken aan cultuurplaatsen moet omvatten om de studenten nieuwsgierig te maken en tot nadenken aan te zetten. Ik hoop dat de Europese regeringen en de Europese Commissie de aanbevelingen in dit verslag zullen overnemen en dat wij spoedig verbeteringen zullen zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Hélène Descamps (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Het initiatiefverslag dat vandaag aan ons is voorgelegd en waar ik volledig achter sta, steunt op het idee dat kunstzinnige en culturele vorming, waar ook de beeldende vorming onder valt, een fundamenteel onderdeel is van het onderwijssysteem. Dit onderwijs draagt bij aan de emancipatie van het individu en aan democratisering van de toegang tot de cultuur. In dit licht roept de resolutie, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, op het gebied van kunst- en cultuureducatie op tot het verbeteren van de mobiliteit van zowel docenten als studenten, erkenning van kwalificaties op Europees niveau, en samenwerking tussen de lidstaten.

Tevens wordt in de resolutie de noodzaak onderstreept om de opleiding van docenten en anderen (artiesten en beroepsbeoefenaren) op een hoger niveau te brengen, teneinde kunst en cultuur in alle vormen van onderwijs op te nemen en daarbij verzekerd te zijn van een hoog pedagogisch niveau. In het verslag wordt eveneens zeer terecht gewezen op de noodzaak gebruik te maken van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën om te komen tot modern en hoogwaardig onderwijs dat goed aansluit bij de jongeren. Hierbij wordt gewezen op Europeana, de Europese digitale bibliotheek, die in dit verband een werkelijke toegevoegde waarde heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (NI), schriftelijk. − Waarmee bemoeit dit Parlement zich toch allemaal? In paragraaf één van dit verslag lees ik bijvoorbeeld dat kunstonderwijs een verplicht onderdeel van de onderwijsprogramma's op alle schoolniveaus moet vormen om de toegang tot de cultuur te democratiseren. Wat een onzin en wat een bemoeizucht. Laat de lidstaten zelf bepalen hoe ze hun onderwijsprogramma's invullen. De voorbije honderd jaar hebben ze dat naar behoren gedaan. Ook de volgende eeuw kunnen ze dat blijven doen zonder de betutteling van de Europese Unie of het Europees Parlement nodig te hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) Wij van Junilistan zijn van mening dat cultuuraangelegenheden onder de politieke bevoegdheid van de lidstaten moeten vallen. Dit verslag maakt geen deel uit van de wetgevingsprocedure en is niets anders dan een mening van de federalistische meerderheid in het Europees Parlement dat de EU zich nog meer met cultuur moet bemoeien.

Wij hebben daarom tegen het verslag als geheel gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN), schriftelijk. - (PL) Het is waar dat overal in Europa kunstonderwijs gegeven wordt. Het is ook waar dat de Europese maatschappij in snel tempo verandert, net als de informatie- en communicatietechnologie. De delen van Europa groeien naar elkaar toe en culturele vorming kan een even grote bijdrage aan dit proces leveren als bijvoorbeeld de interne markt.

Dit is te realiseren door het aanleren van kunstzinnige vaardigheden in alle stadia van het onderwijs, door het verdiepen van theoretische en praktische kennis omtrent de diversiteit van Europa en haar vele culturen. Dit is een uitgestrekt kennisterrein, dat nog steeds in omvang toeneemt. Het feit dat kunst per land verschillend onderwezen wordt, maakt het echter onmogelijk een kunstenaar op te leiden wiens kennis en artistieke vermogens in een andere lidstaat erkend en toegepast worden.

Daarmee zijn we aangekomen bij de vraag van beleidsafstemming en het verslag van mevrouw Badia i Cutchet doet daarvoor een interessante suggestie - de opencoördinatiemethode, of, in praktische termen, de methode waarbij lidstaten van elkaar leren en waarbij ze die lidstaten navolgen die voor een bepaald probleem de beste oplossing gevonden hebben. Dat betekent wel dat deze oplossing bijna geheel in handen van de lidstaten is.

Deze benadering is flexibel en maakt een gecoördineerde aanpak van gecompliceerde vraagstukken en een snelle reactie op nieuwe uitdagingen mogelijk. Kunstzinnige vorming is een ingewikkeld proces, waarin de creativiteit moet worden gestimuleerd door een bijzonder en individueel contact tussen docent en student, inzicht in de zich continu verder ontwikkelende Europese cultuur en kennis van expressiemiddelen moeten worden verworven en er dient uitzicht geboden te worden op een onbelemmerde ontwikkeling als beroepskunstenaar. Een rationele en constructieve bezinning op het kunstonderwijs is een investering in de toekomst en in het Europa van eenheid in verscheidenheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik keur het verslag van mevrouw Badia i Cutchet over het kunstonderwijs in Europa goed.

Ik ben van mening dat cultuur momenteel, in onze steeds heterogenere maatschappijen, uiterst belangrijk is als middel om de identiteit te bewaren en tegelijkertijd het samenleven tussen verschillende volkeren en culturen te verbeteren.

Ik ben het eens met het feit dat kunst een cultuuruiting is die zowel de culturele rijkdom van een land als de gehele maatschappij helpt te ontwikkelen. Bovendien kan kunst bijdragen aan het onderzoek en de vooruitgang op technologisch gebied en ze wordt hier ook door beïnvloed.

Gelet op het belang van de kunstdisciplines kan ik dus instemmen met een coördinatie op Europees niveau aangaande het kunstonderwijs op school.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. − (SV) Het is onder andere belangrijk dat kunstenaars van het vrije verkeer gebruik kunnen maken, dat mogelijkheden voor niet-commerciële kunst worden bevorderd, dat verder werk wordt gemaakt van de ontwikkeling van de Europese digitale bibliotheek om het kunsterfgoed te bewaren. Paragraaf 9 over de aard en de duur van het kunstonderwijs interpreteer ik als een wens om ook het kunstonderwijs in het Bolognaproces op te nemen en onder dat voorbehoud kan ik voor het verslag stemmen.

 
  
  

- Verslag-Hegyi (A6-0107/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (NI), schriftelijk. − Ik heb tegen dit verslag gestemd wegens de stuitende hypocrisie waarvan de tekst blijk geeft. De EU weigert rekening te houden met de referenda in Frankrijk en Nederland over de Europese Grondwet en in Ierland over het verdrag van Lissabon, maar het verslag klaagt dat niet aan, integendeel. Op een bijzonder betuttelende en beledigende manier wordt in paragraaf 5 bijvoorbeeld gesteld dat de neen-stem bij vrouwen toe te schrijven is aan een geringe belangstelling voor Europa.

Ook de verwijzingen naar het zogenaamde 'plan D' van de Commissie is totaal misplaatst, omdat dit 'plan B' in de meeste lidstaten neerkwam op een dialoog onder gelijkgezinden en men uitdrukkelijk geen rekening wilde houden met kritische stemmen. Dit verslag had dergelijke wantoestanden moeten aanklagen in plaats van ze stilzwijgend goed te keuren.

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (NI), schriftelijk. − Ik heb met volle overtuiging tegen dit zeer federalistisch en arrogant verslag gestemd. Wat een arrogantie te beweren zoals in overweging B dat het een bevolking is die Europa onvoldoende begrijpt die tegen de Europese Grondwet heeft gestemd. Dit is manifest onwaar. Net die burgers die maar al te goed beseffen dat de EU de laatste soevereiniteit van de lidstaten wil ondergraven, hebben tegen de Europese Grondwet gestemd. Wat een arrogantie te beweren dat de integratie alleen aanslaat bij het goed opgeleide deel van de samenleving. Maar de rapporteur is duidelijk. Zij die "verkeerd" denken moeten gecriminaliseerd worden of voor dommeriken versleten worden. En dan maar spreken over een actieve dialoog met de burger.

 
  
MPphoto
 
 

  Brigitte Douay (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb het verslag van de heer Hegyi inzake de actieve dialoog met de burger over Europa gesteund. Een dergelijke dialoog is essentieel en dit verslag legt grote nadruk op het belang van acties op lokaal niveau. Door concrete acties in de nabije omgeving van de burgers, door eenvoudigweg met hen in gesprek te gaan over Europa, kunnen zij werkelijk een beter beeld krijgen van hetgeen de Europese Unie voor hun dagelijks leven betekent.

In de aanloop naar de verkiezingen in juni is het van essentieel belang deze dialoog te intensiveren, met name in de plattelandsgebieden en gericht op de groepen die het meest sceptisch tegenover Europa staan, zoals jongeren en vrouwen. De recente interinstitutionele politieke verklaring “Communiceren over Europa in partnerschap”, ondertekend door het Europees Parlement, de Europese Raad en de Europese Commissie, wijst in dezelfde richting. We mogen ons verheugen in het belang dat de instellingen aan deze dialoog hechten en de inspanningen die zij zich getroosten om ervoor te zorgen dat de burgers zich betrokken voelen bij de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben tegen dit verslag gestemd, aangezien we de druk die nog steeds wordt uitgeoefend om het ratificatieproces van het Verdrag van Lissabon af te ronden, ondanks de uitslag van het referendum in Ierland, ontoelaatbaar achten. Als de regels van het geldende Verdrag gewoon waren nageleefd en de soevereine besluiten van het Ierse volk geëerbiedigd, had men moeten afzien van het Verdrag van Lissabon. Hier is meer in het geding dan een antidemocratische houding. Het is trouwens onaanvaardbaar dat het Europees Parlement spreekt van “het verder toenemen van de transparantie van de EU en de betrokkenheid van de burgers bij de besluitvormingsprocessen”, terwijl de meerderheid van de leden zich uitgesproken heeft tegen het houden van referenda in hun lidstaten over het Verdrag van Lissabon, juist omdat ze bang zijn voor de mening van de meerderheid van hun landgenoten.

Het valt eveneens te betreuren dat ze geen begrip hebben voor de meningen van al degenen die tegen zijn en zich misleid achten door deze kapitalistische integratie, die de ongelijkheid vergroot en armoede en werkloosheid laat toenemen in tegenstelling tot de gedane beloften.

Zelfs enkele positieve punten in het verslag verschijnen in een context die er meer op gericht is om via propagandacampagnes de publieke opinie en de burgers te misleiden dan daadwerkelijk te zorgen voor democratische participatie en wijziging van het beleid teneinde een antwoord te geven op de gerechtvaardigde verlangens van de werknemers en de bevolking in het algemeen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) U bent echt onverbeterlijk. Als de Europese burgers steeds sceptischer tegenover de Europese Unie staan, is dat volgens u te wijten aan een gebrek aan voorlichting, aan onwetendheid, of zelfs aan domheid.

Ik denk dat het tegendeel waar is. Er is een groep die profiteert van de open grenzen voor personen, goederen, kapitaal, enzovoorts. En daarnaast is er de overgrote meerderheid die er de nadelen van ondervindt: de werkloosheid, de bestaansonzekerheid, de vermindering van de koopkracht, de onzekerheid, het identiteitsverlies, en die weet wie hier verantwoordelijk voor is.

Uw Europa is een technocratie die wordt geregeerd door een handvol ongecontroleerde en oncontroleerbare oligarchieën: de 27 commissarissen en enkele leden van de directie van de Europese Centrale Bank. Een technocratie die aandachtig luistert naar de duizenden lobbyisten die haar beïnvloeden, maar die volkomen doof is voor de verwerping ervan door de burgers wanneer zij via een referendum om hun mening worden gevraagd. Een systeem waarvan het beleid de huidige financiële, economische en sociale crisis heeft veroorzaakt en verergerd en dat nationale beschermende maatregelen of reddingsacties in de weg staat.

Ik hoop dan ook net als u dat de Europese burgers in juni massaal naar de stembus zullen gaan en dat ze deze verkiezingen zullen gebruiken als een referendum. Om een duidelijk nee te laten horen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) Dit verslag maakt geen deel uit van de wetgevingsprocedure en is niets meer dan een mening van de federalistische meerderheid in het Europees Parlement. In het voorstel worden argumenten aangevoerd voor de voltooiing van het ratificatieproces van het Verdrag van Lissabon.

Wij zijn echter van mening dat het Verdrag van Lissabon twee keer is afgewezen, het meest recent toen de bevolking van Ierland in 2008 tegen het verdrag van Lissabon stemde, maar zelfs nog daarvoor, toen de kiezers in Frankrijk en Nederland in 2005 tegen in principe hetzelfde voorstel stemden. Wanneer zal de federalistische meerderheid in het Europees Parlement inzien dat de ambitie om een Verenigde Staten van Europa tot stand te brengen geen steun van de kiezers krijgt?

In overweging B van het ontwerpverslag staat zelfs het volgende: “… overwegende dat een bevolking die het beleid van de Europese Unie en de Verdragen onvoldoende begrijpt met grotere waarschijnlijkheid hiertegen is”. Hieruit blijkt de nonchalance, de arrogantie en de onwetendheid van de federalisten jegens kiezers met andere politieke waarden dan die welke heersen in het centralistische Europees Parlement.

Daarom hebben wij tegen het voorstel gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Adrian Manole (PPE-DE), schriftelijk. (RO) De communicatie met en informatie van burgers mag niet meer enkel berusten op ineffectieve recepten en voorstellen. Het maatschappelijk middenveld moet betrokken worden bij vraagstukken als goed bestuur en democratisering, mensenrechten, ontwikkeling en bestrijding van sociale uitsluiting, milieubescherming en duurzame ontwikkeling.

Gezien de wereldwijde financiële crisis en de steeds hogere schulden van consumenten moet er een actieve dialoog ontstaan met de Europese burgers. Dit betekent dat de Europese instellingen en het maatschappelijk middenveld inspanningen moeten ondernemen om de consumenten beter voor te lichten over financiële vraagstukken, en met name over hun rechten en plichten, en dat ze goede praktijken op het gebied van sparen en lenen moeten verspreiden.

Verder moeten de lidstaten meer menselijke en financiële hulpbronnen beschikbaar stellen van het netwerk van Europese consumentencentra teneinde te kunnen zorgen voor bewustmaking en de toepassing van consumentenrechten in de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Met de recente spaarlampendwang, waarvan bovenal de producenten zullen profiteren, geeft men eens te meer aan hoezeer men van de burger vervreemd is. Hoe kunnen de volkeren van Europa zich met een Europese Unie verbonden voelen waarin referenda - als ze al gehouden worden - in herhaling gaan tot ze een passende uitkomst opleveren? Hoe moeten bijvoorbeeld Oostenrijkse burgers zich met een EU identificeren, die hen onder een lawine van transitverkeer bedelft, hen voor democratische verkiezingen bestraft met sancties en voor wie ze hun neutraliteit en bankgeheim op moeten geven?

De EU is om economische redenen opgericht en dat is nog altijd te merken. De Unie is geen project van de burgers, maar van een wereldvreemd Europees establishment dat zich door de mantra van liberalisering en het vrije kapitaalverkeer laat leiden. Zolang daar geen herbezinning plaatsvindt en het gebrek aan transparantie en democratie blijft bestaan, kunnen we de ene intentieverklaring na de andere uitgeven, maar duurt de vervreemding van de burger voort en neemt de frustratie over de EU nog verder toe. Om die redenen heb ik mij bij het verslag in kwestie van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN), schriftelijk. - (PL) Dialoog met de burger is van groot belang. Het is een ingewikkelde zaak, maar wel iets waar regeringen bedreven in horen te zijn. Het is de kern van hun werk: dialoog laten uitmonden in een compromis. In dit licht komt de achtergrond van het onderhavige verslag op mij paradoxaal voor. Het roept ons op het ratificatieproces van het Verdrag van Lissabon zo snel mogelijk af te sluiten, omdat dat een belangrijk grondslag voor de Europese dialoog is. Het verslag beweert dat het Verdrag de transparantie zal vergroten en de burger in de besluitvorming zal betrekken. Het zou de suggestie kunnen wekken dat degenen die niet van het Verdrag houden, genegeerd worden en dat hun stem dus niet gehoord wordt. Dat maakt het dan toch moeilijk om van dialoog en compromis te spreken.

De notie van “gemeenschappelijke Europese kennis” voortkomend uit het bestuderen van de geschiedenis van Europa en de Europese eenwording, is ook omstreden. Deze kennis zou verspreid moeten worden via een programma dat op communautair niveau vastgesteld, maar door de lidstaten op vrijwillige basis uitgevoerd wordt met begrotingsgeld van de Gemeenschap. Een historisch compromis, kortom, dat als instrument gaat dienen voor de vorming van gemeenschappelijke Europese waarden. Naar mijn mening hoeven we niet zo ver te gaan. ‘Historisch compromis’ is op z’n zachts gezegd een nogal vage term en het is nog maar de vraag of er überhaupt behoefte aan zo’n compromis is. Daarnaast moet het instrumentaliseren van geschiedenis wel verzet oproepen, al gebeurt het ook met de beste bedoelingen. De sleutel tot een effectieve dialoog ligt in het heden, dat ons trouwens al voor genoeg problemen stelt. Er is behoefte aan een goed gesprek! Met andere woorden: ”ja” tegen een dialoog, ”nee” tegen het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik wil mij graag onthouden van stemming over het verslag van de heer Hegyi over een actieve dialoog met de burger over Europa.

Hoewel ik het namelijk gedeeltelijk met de voorgestelde tekst eens ben, stem ik niet in met diverse punten die volgens mij belangrijk zijn. Daarom kan ik niet voor het verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE), schriftelijk. - (PL) De discussie over de vraag van een dialoog tussen de Europese Unie en haar burgers is buitengewoon noodzakelijk. Het beeld dat de burger van Europa heeft, zijn oordeel over het functioneren van de Gemeenschap is cruciaal. Mensen aanvaarden dat wat ze kennen, maar alles wat achter hun kennishorizon ligt, vervult hen met zorg. Het voorbeeld van het Ierse referendum en van de Nederlandse de Franse referenda die daar aan voorafgingen leren ons dat de mening van de burgers ons niet onverschillig mag laten. Besluiten horen niet achter gesloten deuren genomen te worden, los van de maatschappij. Nihil novi - niets nieuws zonder algemene instemming.

We moeten tot de armere en lager opgeleide burger weten door te dringen. We moeten heel helder en precies overbrengen aan het publiek wat er aan ons optreden ten grondslag ligt, welke doelen we nastreven en vooral welke vruchten de burgers daarvan plukken. Ware integratie is niet mogelijk zolang onze kiezers het optreden van de Europese Unie niet volledig onderschrijven.

Onderzoek heeft uitgewezen dat slechts iets meer dan 50 procent van de Europese burgers tevreden is over het EU-lidmaatschap van hun land. Natuurlijk verschilt dit percentage van land tot land, maar het zou een groot succes zijn als het naar 80 procent zou stijgen.

De verplichting om de Europese Unie dichter bij de burger te brengen rust niet alleen op het geheel van Europese instellingen, maar ook op ons parlementsleden zelf. Elk jaar organiseer ik honderden bijeenkomsten met jongeren, boeren of zakenlieden. Laten we onze burgers bijbrengen hoe ze de kansen kunnen aangrijpen die de EU hun biedt. De verkiezingen van juni zijn een eerste graadmeter van het succes waarmee we ons van die taak gekweten hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Søren Bo Søndergaard (GUE/NGL), schriftelijk. − (EN) Het verslag-Hegyi over bevordering van een dialoog met EU-burgers is gebaseerd op de aanname dat de sceptische houding van mensen ten opzichte van de EU veroorzaakt wordt door het feit dat het ze aan adequate kennis ontbreekt. In het verslag worden verschillende maatregelen voorgesteld zoals onderwijs, Euronews en de oprichting van een museum over de geschiedenis van de EU. Aangezien de maatregelen meer weg hebben van propaganda dan van dialoog, ben ik ertegen. In een echte dialoog worden de meningen van burgers als waardevol beschouwd.

 
  
MPphoto
 
 

  Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. − (EN) Het verslag-Hegyi over bevordering van een dialoog met EU-burgers is gebaseerd op de aanname dat de sceptische houding van mensen ten opzichte van de EU veroorzaakt wordt door het feit dat het ze aan adequate kennis ontbreekt. In het verslag worden verschillende maatregelen voorgesteld zoals onderwijs, Euronews en de oprichting van een museum over de geschiedenis van de EU. Aangezien de maatregelen meer weg hebben van propaganda dan van dialoog, ben ik ertegen. In een echte dialoog worden de meningen van burgers als waardevol beschouwd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. – (PL) De rapporteur stelt in zijn verslag dat de actieve dialoog met de burger over Europa niet goed ontwikkeld is. Helaas heeft hij gelijk. Voorlichting over de Europese Unie bereikt meestal slechts de goed opgeleide en welgestelde burger, hetgeen leidt tot scepsis en antipathie bij de overige burgers in Europa. Daarom is het voor de verdere ontwikkeling van de Europese Gemeenschap van cruciaal belang dat de ingezetenen van de Europese Unie Europese kennis bijgebracht wordt.

De rapporteur poogt manieren te vinden om een breder publiek te bereiken om aldus te kunnen zorgen voor een vergroting van kennis van de EU-burger inzake de Europese Unie. Hij baseert zijn benadering op de volgende pragmatische alsook buitengewoon populaire methodes voor het bereiken van een zo breed mogelijk publiek: invoering van één jaar onderricht op scholen over de EU sinds 1945, de oprichting van een informatiekanaal op televisie naar het voorbeeld van het Amerikaanse CNN en tot slot het opzetten van goed voor jonge mensen toegankelijke internetsites.

Ik onderschrijf het belang van een informatiecampagne over de EU ter vergroting van de geïnformeerdheid van de samenleving over dit onderwerp en beschouw de ideeën van de rapporteur hoe dit alles vorm te geven als buitengewoon geslaagd.

 
  
  

- Verslag-Cornillet (A6-0081/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Arlette Carlotti (PSE), schriftelijk. – (FR) De Paritaire Parlementaire Vergadering is een orgaan waar men, zowel in de politieke dialoog als bij het voorkomen en oplossen van conflicten, niet omheen kan.

Op het gebied van politieke crisissituaties hebben de “urgentiedebatten” geleid tot een diepgaande, constructieve en open dialoog over de situatie in Kenia, Zimbabwe en Mauretanië.

De PPV heeft in 2008 een constructieve, vaak gedurfde, positie ingenomen ten aanzien van de grote 'horizontale' Noord-Zuid-vraagstukken, zoals voedselzekerheid, doeltreffendheid van overheidssteun of kinderarbeid.

Bij de implementatie van het Europese Ontwikkelingsfonds (EOF) heeft de PPV de hand weten te leggen op strategische documenten en haar economische commissie heeft een begin gemaakt met de controle hiervan.De agenda van de PPV werd echter vooral gedomineerd door één politieke prioriteit, die van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO). De PPV heeft met de “regionale vergaderingen” een grote troef in handen. Deze hebben beslist een toegevoegde waarde voor het controleren van de EPO's.

Deze toegevoegde waarde moet nu worden erkend en gehonoreerd. De PPV moet de spil zijn in het parlementaire controlemechanisme over de onderhandelingen en de uitvoering van de overeenkomsten.

Ik wil tot slot medevoorzitter, mevrouw Glenys Kinnock bedanken voor haar inzet. Zij heeft de PPV gevormd tot een uniek hulpmiddel voor de Noord-Zuid-dialoog en een kans voor een eerlijke, duurzame en solidaire ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem tegen het verslag van de heer Cornillet over de werkzaamheden van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in 2008.

Ik ben namelijk van mening dat de werkzaamheden in het kader van de werkvergaderingen die tot nu toe zijn gehouden, niet altijd bevredigend waren, zodat over enkele belangrijke onderwerpen geen enkele resolutie is aangenomen.

Bovendien hebben de onderhandelingen van de Vergadering er in sommige gevallen toe geleid dat partnerschapsakkoorden zijn gesloten die noch voor de Europese Unie, noch voor de tegenpartijen goede resultaten hebben opgeleverd. Daarom stem ik tegen het voorgestelde verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI), schriftelijk. − Ik heb mij zopas onthouden bij de stemming over de werkzaamheden van de gemengde parlementaire vergadering van Europa met de ACP-landen, maar achteraf gezien had ik eigenlijk beter tegen gestemd. In de jaren dat ik in dit parlement rondloop en werk, heb ik hoe langer hoe meer de indruk gekregen dat die ACP-toestanden vooral dienen als excuus voor leuke trips rondom de wereld, in alle richtingen trouwens. Laat ons eerlijk zijn: welke zoden zijn hier ooit al eens aan de dijk gezet?

Misschien moeten wij trouwens maar al die gemengde parlementaire toestanden eens gaan evalueren. Best leuk, dat wel. Aangenaam om iets van de wereld te zien op kosten van Jan Publiek, dat ook. Maar of al dat belastinggeld ook iets nuttig heeft voortgebracht, behalve voor de hotel- en vliegtuigsector, dat durf ik ten stelligste betwijfelen.

 
  
  

- Verslag-Krehl (A6-0095/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. − (EN) De structuurfondsen behoren tot de belangrijkste instrumenten van de Europese Unie. Een van de moeilijkst te begrijpen kwesties is de wijze waarop men toegang krijgt tot deze fondsen voor regionaal beleid. In de titel van het verslag komt dan ook het woord 'obstakels' voor die in zeven punten kunnen worden samengevat:

- buitensporige bureaucratie;

- te veel ingewikkelde regelgeving;

- veelvuldige wijzigingen door sommige lidstaten van de subsidiabiliteitscriteria en van de vereiste documenten;

- gebrek aan transparantie in besluitvormingsprocessen en cofinancieringsregelingen;

- vertragingen bij de betalingen; langzame en moeizame centraal beheerde administratie in sommige lidstaten;

- ontoereikende gedecentraliseerde administratieve capaciteit;

- verschillende regionale administratiemodellen in de lidstaten, waardoor geen vergelijkbare gegevens voorhanden zijn en uitwisseling van optimale praktijken niet mogelijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Brigitte Douay (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb gestemd voor het verslag van Constanze Krehl over beproefde methoden op het gebied van regionaal beleid, omdat dit verslag een innovatieve definitie van deze beproefde methoden biedt, voorbeelden geeft van geslaagde praktijksituaties, en zeer concrete aanbevelingen doet voor alle interventiegebieden van de Europese Unie.

Ik heb de aandacht van de rapporteur met name gevestigd op een betere toegankelijkheid van stedelijke voorzieningen en vervoer voor personen met een beperkte mobiliteit, en op het vergroten van de mogelijkheden om privéleven, gezin en werk goed te combineren, met name voor vrouwen.

Wij hopen dat de spelers in de regionale politiek steun en inspiratie zullen halen uit deze uitgebreide lijst van aanbevelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag van mevrouw Krehl gestemd, daar het de “best practices” op verschillende gebieden onderstreept, met inbegrip van de terreinen milieu en duurzame energie. Dat is het geval met de Socorridos-waterkrachtcentrale in de autonome regio Madeira, die erkend is in het RegioStars-initiatief.

Het verslag-Krehl erkent ook dat er grote moeilijkheden zijn bij de voorbereiding van steunaanvragen, te weten:

- weinig inzichtelijke regelgeving;

- onduidelijke regels voor cofinanciering;

- weinig gelegenheid voor uitwisseling van ervaringen, en

- weinig mogelijkheden voor interregionale samenwerking en regionale structuren die niet erg geschikt zijn voor deze samenwerking.

Daarom is het van belang de indicatoren te versterken en te verbeteren en zo de communautaire knowhow op dit vlak te vergroten, voornamelijk wat betreft:

- eerbiediging van het beginsel van gelijke kansen en waarborging van het partnerschapsbeginsel en het beginsel van innovatiekracht;

- strikte organisatie van de projecten, efficiënt gebruik van middelen en duidelijkheid over de duur ervan;

- grotere mate van overdraagbaarheid van de opgedane kennis, in de zin dat de kennis ook in andere regio’s van de Europese Unie kan worden toegepast.

Al deze aspecten krijgen in het verslag-Krehl erkenning.

 
  
MPphoto
 
 

  Iosif Matula (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Ik heb voor het verslag over beproefde methoden op het gebied van regionaal beleid gestemd, daar mijns inziens alleen met voldoende, transparante en tijdige informatie kan worden gezorgd voor de verspreiding van belangrijke inlichtingen over de structuurfondsen en het Cohesiefonds.

Het doel van het cohesiebeleid kan nooit helemaal verwezenlijkt worden zolang er nog obstakels zijn, zoals bureaucratie en administratieve rompslomp. Deze weerhouden potentiële begunstigden ervan om een beroep te doen op de structuurfondsen van de Europese Unie. Obstakels die tot nu toe problemen hebben veroorzaakt, zijn bijvoorbeeld niet te doorgronden documentatie, steeds weer andere subsidiabiliteitscriteria en korte termijnen voor het indienen van dossiers.

De beste resultaten worden bereikt met actieve informatie-uitwisseling, evenals met de oprichting van een communautaire gegevensbank met succesverhalen over uitgevoerde projecten. Samenwerking binnen en tussen regio´s en de verzameling en uitwisseling van beproefde methoden op het gebied van regionaal beleid zullen het vermogen om Europese middelen op te nemen kunnen verbeteren.

Een in alle officiële EU-talen vertaald Europees portaal kan een belangrijke bijdrage leveren aan adequate en transparante verspreiding van informatie over Europese fondsen en aan de uitwisseling van beproefde methoden binnen het cohesiebeleid in de regio´s van de onlangs toegetreden lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem tegen het verslag van mevrouw Krehl over beproefde methoden op het gebied van regionaal beleid en obstakels voor de deelname aan de structuurfondsen.

Ik ben er namelijk van overtuigd dat de voorstellen die in dit verslag worden gedaan niet de werking kunnen verbeteren van het regionale beleid, dat zo belangrijk is om de onevenwichtige ontwikkeling binnen de Europese Unie tegen te gaan en dat sterke financiële steun krijgt.

Ik ben vooral van mening dat de uitwisseling van goede praktijken niet kan helpen om de structurele middelen efficiënter te gebruiken en niet in staat is om werkelijk bij te dragen aan de ontwikkeling van innovatieve projecten.

 
  
  

- Verslag-Roszkowski (A6-0042/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Göran Färm, Anna Hedh, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. − (SV) Wij hebben voor het verslag van de heer Roszkowski gestemd, omdat wij het eens zijn met de algemene doelen van plattelandsontwikkeling en diversifiëring van de beroepsactiviteiten ter bevordering van het lokale ontwikkelingspotentieel. Het verslag bevat echter paragrafen waar wij het niet eens mee zijn, vanuit feitelijk oogpunt en wegens de manier waarop ze zijn geformuleerd. Wij zijn het er bijvoorbeeld niet mee eens dat de financiering in het kader van de tweede pijler van het landbouwbeleid aanzienlijk is verminderd. En ook al is het om belangrijke redenen van milieu en regionaal beleid, toch vinden wij niet dat een productievorm “tot elke prijs” behouden moet blijven met behulp van steun. Wij vinden ook dat er formuleringen zijn die de plattelandsbevolking het recht op eigen keuzes ontnemen. Wij hebben echter gekozen om al die paragrafen te interpreteren als ongelukkige formuleringen van goede voornemens, zoals de strijd tegen de woestijnvorming.

 
  
MPphoto
 
 

  Iosif Matula (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Ik heb gestemd voor het verslag over de complementariteit en de coördinatie van het cohesiebeleid met maatregelen voor plattelandsontwikkeling. Dit beleid is mijns inziens namelijk een belangrijke pijler voor de nationale ontwikkeling, gezien het bijzonder landbouwpotentieel van Roemenië.

Mijns inziens is het belangrijk dat het beleid voor plattelandsontwikkeling zich richt op het verminderen van de economische verschillen tussen stads- en plattelandsgebieden. Daarvoor is het noodzakelijk de specifieke mogelijkheden van elk gebied te identificeren en de ontwikkeling van de desbetreffende activiteiten aan te moedigen.

Het beleid voor plattelandsontwikkeling mag geen strategieën omvatten die tot resultaat hebben dat de door de plattelandsbevolking verrichte landbouwactiviteiten worden vertraagd of stopgezet. Veeleer moet daarmee de diversificatie van deze activiteiten worden bevorderd door de aanbieding van lokaal geteelde biologische producten en de productie van traditionele levensmiddelen en dranken mogelijk te maken.

Het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling staat los van de structuurfondsen. Met de oprichting ervan wil men ervoor zorgen dat de Europese middelen op doelmatigere wijze worden gebruikt in de plattelandsgebieden. Als begunstigd land hebben wij het voordeel dat wij toegang hebben tot een grotere reeks van financiële mogelijkheden voor plattelandsontwikkeling. Daardoor zullen wij in staat zijn om ons doel met betrekking tot de modernisering van de sociale structuren te bereiken en tegelijkertijd de territoriale cohesie tussen plattelands- en stadsgebieden te verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) De afgelopen jaren hebben landelijke gebieden niet alleen te lijden gehad van een aanhoudende leegloop naar de steden, ook aan hun infrastructuur wordt keer op keer afbreuk gedaan (politieposten, winkels, openbaar vervoer enzovoort). Hierdoor verliezen ze gestaag hun aantrekkelijkheid en wordt de teloorgang van complete streken bespoedigd. Mocht de liberalisering van het postwezen in een golf van postkantoorsluitingen resulteren, dan zouden grote gebieden helemaal niet meer bediend worden.

We hoeven ons er niet over te verbazen dat de leegloop van het platteland en de verdwijning van het boerenbedrijf de komende jaren nog in omvang toe zullen nemen. Het averechtse EU-stimuleringsbeleid, waar bij herhaling alleen de groten van profiteren, en de jarenlange verwaarlozing van het platteland beginnen hun tol te eisen. Nog altijd ontbreekt het aan een samenhangende visie. Zonder een dergelijke visie zijn afzonderlijke maatregelen gedoemd te mislukken en daarom heb ik ook tegen het Verslag-Roszkowski gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem tegen het verslag van de heer Roszkowski over de complementariteit en de coördinatie van het cohesiebeleid met maatregelen voor plattelandsontwikkeling.

Ik betwijfel met name of ondersteuning van niet-agrarische activiteiten in plattelandsgemeenschappen de effectiefste manier is om de territoriale cohesie te vergroten. Dit zal, denk ik, eerder ten koste gaan van de rechtstreekse betalingen aan landbouwers, met als gevolg een ernstige sociaaleconomische onbalans in de plattelandsgebieden.

 
  
  

- Verslag-Roth-Behrendt (A6-0484/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. – (PL) De invoering van dergelijke strenge bepalingen voor een aantal in cosmetica gebruikte stoffen druist in tegen de belangen van een groot aantal Poolse bedrijven. De Poolse cosmetica-industrie bestaat voornamelijk uit middelgrote en kleine bedrijven die zich voor een groot aantal cosmeticaproducten niet de ingewikkelde tests veroorloven kunnen die uitgevoerd dienen te worden alvorens er vervangende stoffen gebruikt mogen worden. De bestanddelen die door deze verordening uitgebannen worden, betreffen om te beginnen slechts vijf procent van alle cosmeticaproducten. Bovendien zou de cosmetica-industrie ze in veilige concentraties gebruiken kunnen. Helaas zijn de door Poolse afgevaardigden ingediende amendementen niet goedgekeurd. Daarom heb ik niet voor het verslag van mevrouw Roth-Behrendt gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. (LT) Ik ben erg ingenomen met de keuze van een verordening als rechtsvorm van de herschikking in plaats van de van kracht zijnde richtlijn. Zo worden juridische onzekerheden en gebrek aan samenhang weggenomen en wordt voorzien in definities en uitvoeringsmaatregelen. De andere hoofddoelstelling is de veiligheid van cosmetische producten te vergroten. Omdat de huidige richtlijn inzake cosmetische producten geen duidelijke voorschriften voor een veiligheidsbeoordeling bevat, stelt de Commissie ter zake thans minimumnormen vast.

 
  
MPphoto
 
 

  Hanne Dahl (IND/DEM), schriftelijk. − (DA) Wij stemmen noodgedwongen voor de nieuwe cosmeticaverordening, ondanks het feit dat die de mogelijkheid biedt van een uitzondering op het verbod van de kankerverwekkende CMR-stoffen. Gelukkig beperkt het Parlement deze mogelijkheid door te eisen dat binnen een goedkeuringssysteem de algemene blootstelling aan CMR-stoffen via alle routes en uit alle bronnen wordt gecontroleerd. Als de verordening wordt aangenomen, wil dat zeggen dat we in Denemarken geen stoffen kunnen verbieden waarvan we weten dat ze kankerverwekkend, hormoonverstorend of allergeen zijn, aangezien een verbod zou worden gezien als een barrière voor het vrije verkeer van goederen, waarvan de wet nu juist de veiligheid moet garanderen.

Daar staat echter tegenover dat het Parlement de regulering van nanodeeltjes invoert en aldus het voorzorgsbeginsel toepast. Voortaan moet eerst bewezen worden dat nanodeeltjes niet schadelijk zijn, voordat ze mogen worden toegepast, in plaats van dat men moet bewijzen dat ze schadelijk zijn, voordat men ze kan reguleren, wat in de praktijk het geldende beginsel is binnen de communautaire wetgeving.

Met de verordening worden tevens strengere eisen voor uitvoerige productbeschrijvingen ingevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb gestemd voor het verslag van mevrouw Roth-Behrendt over de verordening betreffende cosmetische producten (herschikking), omdat ik het van essentieel belang acht de veiligheid van cosmetische producten te versterken teneinde de bescherming van de gezondheid van de consument te verzekeren via minimumvereisten waaraan voldaan moet zijn voordat het product op de markt wordt gebracht.

Ik betreur het evenwel dat niet voor alle producten de vermelding van de minimale houdbaarheid verplicht is gesteld, met inbegrip van producten met een houdbaarheid van meer dan 30 maanden (artikel 15). Het is belangrijk erop te wijzen dat de beloofde verbeteringen bij het gebruik van cosmetische producten na het verstrijken van de houdbaarheidsdatum uitblijven, ofschoon er in dat geval geen gezondheidsproblemen ontstaan voor de consument.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) In dit verslag stemt het Europees Parlement in grote lijnen in met het standpunt van de Europese Commissie, die heeft besloten Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving van de lidstaten inzake cosmetische producten te herschikken. De richtlijn is sinds de goedkeuring in 1976 55 keer gewijzigd, maar is nu te complex en te weinig van deze tijd en biedt niet meer de noodzakelijke rechtszekerheid op een terrein dat voortdurend in ontwikkeling is. Met deze herschikking beoogt de Commissie het probleem van de rechtsonzekerheid op te lossen en het gebrek aan samenhang te corrigeren via een reeks definities en uitvoeringsmaatregelen. Om moeilijkheden bij de omzetting te voorkomen heeft de Commissie de rechtsvorm van de wetstekst gewijzigd van richtlijn in verordening.

Een ander doel is veiliger cosmetische producten. De huidige richtlijn betreffende cosmetische producten kent geen nauwkeurige regeling ten aanzien van de vereisten voor de veiligheidsbeoordeling. In het onderhavige voorstel legt de Commissie “minimumvereisten” vast op dit gebied. De rapporteur heeft de veiligheidsaspecten aangescherpt door toe te zien op de bescherming en de gezondheid van de consument. Ons lijkt dat correct.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Over het algemeen keur ik het verslag-Roth-Behrendt en het met de Raad bereikte compromis goed. Toch betreur ik een tekortkoming in het verslag, die ik schadelijk acht voor de bescherming van de consument.

De huidige richtlijn en het voorstel voor een verordening bepalen dat alleen cosmetische producten met een kortere minimale houdbaarheidsdatum dan 30 maanden deze datum dienen te vermelden. Om economische redenen wordt dan vaak een langere termijn dan 30 maanden vermeld. Zo garanderen de fabrikanten de afzet van hun totale productie door geen houdbaarheidsdatum aan te geven. Ofschoon het gebruik van cosmetische producten na het verstrijken van de houdbaarheidsdatum gewoonlijk geen gezondheidsproblemen oplevert voor de consument, zorgen dergelijke producten niet meer voor de verbeteringen waar de consument op hoopt.

Helaas waren de juridische diensten van het Parlement en de Commissie volgens mij ten onrechte van mening dat deze bepaling bij een herschikkingsprocedure niet kon worden gewijzigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE), schriftelijk. (FI) Ik wil zeggen dat ik zeer tevreden ben met wat wij vandaag hebben bereikt met betrekking tot de verordening betreffende cosmetische producten. De cosmeticamarkt zit vol met valse beloften en quasiwetenschappelijke prietpraat, waarbij alleen de verbale kwaliteiten van de reclamemaker de maatstaf zijn bij het testen van de effectiviteit van het product. Nu worden de spelregels aangescherpt en dat is goed. Krachtens de nieuwe verordening mogen in reclame voor producten alleen beweringen worden gedaan die zijn gebaseerd op kenmerken die de producten werkelijk bezitten. Er moet dus een bewijs zijn van hun effectiviteit. De rapporteur vroeg de Commissie een actieplan betreffende claims op te stellen en een lijst vast te stellen van criteria voor deze claims.

Het voorstel was bedoeld om de bestaande wetgeving te vereenvoudigen. Momenteel zijn er ruim 3 500 bladzijden nationale wetgeving over dit onderwerp en die worden gecomprimeerd tot één tekst. Op die manier is het mogelijk overal in de Europese Unie een hoogwaardige bescherming van de volksgezondheid en een goede werking van de interne markt te waarborgen. Vooral op het gebied van cosmetica is verouderde wetgeving een gevaar voor de gezondheid en de rechtszekerheid. Deze beginselen zijn een logisch vervolg op het werk dat werd begonnen bij de REACH-verordening betreffende chemicaliën.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE), schriftelijk. – (SK) Als rapporteur namens de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-Democraten) en Europese Democraten, heb ik meegewerkt aan het opstellen van het wetgevingspakket inzake het in de handel brengen van producten, dat in februari 2008 door het Parlement werd aangenomen. Ik werkte aan het verslag over een ontwerpbesluit betreffende een gemeenschappelijk kader voor het in de handel brengen van producten en in mijn amendementen deed ik vooral voorstellen voor het verruimen van de verantwoordelijkheid van importeurs, het verminderen van de administratieve last voor kleine en middelgrote ondernemingen, het toepassen van de nieuwe aanpak als het basiskader voor het in de handel brengen van producten en het flexibeler tot stand brengen en toepassen van Europese normen.

Dat productpakket is de basisvoorwaarde geworden voor een herziening van andere sectorale richtlijnen, met name de nu aangenomen richtlijn over speelgoed, de verordening betreffende cosmetische producten en de verordening inzake bouwproducten.

De verordening betreffende cosmetische producten is gebaseerd op het basisbeginsel van het wetgevingspakket inzake het in de handel brengen van producten. Het is enerzijds de verantwoordelijkheid van de producenten om ervoor te zorgen dat hun producten aan de geldende Europese regels voldoen, en anderzijds is het de verantwoordelijkheid van de lidstaten om te zorgen voor gepast toezicht op de EU-markt.

Ik heb gestemd voor het verslag van mevrouw Roth-Behrendt over het voorstel voor een verordening betreffende cosmetische producten, ter vervanging van de huidige, onpraktisch geworden en verouderde richtlijn. De cosmeticasector heeft in de voorbije jaren een nooit eerder geziene expansie gekend en de huidige wetgeving biedt niet langer de noodzakelijke rechtszekerheid.

Ik ben ingenomen met de nieuwe wetgeving, die zal bijdragen tot een betere consumentenbescherming en bescherming tegen cosmeticaproducten die schadelijk zijn voor de gezondheid, zal verzekeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem voor het verslag van mevrouw Roth-Behrendt over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende cosmetische producten.

Ik sluit mij er volledig bij aan dat er duidelijke specifieke controle-instrumenten dienen te worden opgezet om het veiligheidsaspect van cosmetische producten te versterken, teneinde de bescherming van de gezondheid van alle consumenten te waarborgen. Ook ben ik het met de rapporteur eens dat - ter versterking van het controlemechanisme - een onafhankelijke organisatie moet worden belast met de claims inzake cosmetische producten, waarvoor een onafhankelijke beoordeling noodzakelijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Flaviu Călin Rus (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Ik heb gestemd voor de ontwerpwetgevingsresolutie van het Europees Parlement met betrekking tot het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende cosmetische producten (herschikking). Ik ben namelijk van mening dat elk op de markt gebracht product moet beantwoorden aan kwaliteitsnormen en aan een minimumveiligheidsnorm. Een op veiligere cosmetische producten gerichte verordening zal de consumenten kunnen beschermen en hun gezondheid kunnen waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (NI), schriftelijk. – (FR) Sinds de introductie van nanomaterialen in cosmetische producten enerzijds, en vanwege het feit dat de cosmetische sector behoort tot de industriële activiteiten die het vaakste slachtoffer worden van namaak anderzijds, zijn duidelijke controlemechanismen van groot belang; vooral voor het identificeren van cosmetische producten die nagemaakt zijn en die derhalve niet aan de wettelijke vereisten voldoen.

Bepaalde producten vereisen bijzondere aandacht. Het gaat hierbij vooral om cosmetische producten voor gebruik rond de ogen, op de slijmvliezen, op een beschadigde huid, bij kinderen of bij personen met een verminderd immuunsysteem. Het is duidelijk dat het accent vooral moet worden gelegd op het bepalen van de lokale toxiciteit, de irritatie van de huid en de ogen, de sensibilisatie van de huid en, in geval van absorptie van UV-straling, van de fototoxiciteit. De strijd tegen vervalsing door middel van controles is van essentieel belang, zowel uit het oogpunt van volksgezondheid en milieueffecten, als uit het oogpunt van mededinging. Daarom steunen wij dit verslag. Er mogen echter geen nieuwe tests worden uitgevoerd op voltooide producten indien duidelijk is dat de ingrediënten ervan aan de norm voldoen.

 
  
  

- Verslag-Sârbu (A6-0076/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) In dit verslag stemt het Europees Parlement, met een aantal kleine amendementen, in met het verzoek van de Europese Commissie om Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden te wijzigen. De Commissie acht die wijziging nodig, aangezien een evaluatie van de toepassing ervan heeft aangetoond dat de periode van tien jaar (tot 14 mei 2010) voor de beoordeling van in biociden gebruikte werkzame stoffen, met het oog op de opneming ervan in de positieve communautaire lijst, niet zal volstaan. Bijgevolg zou de overgangsperiode, waarin de nationale voorschriften van toepassing blijven op de markt voor biociden, aflopen nog voordat de positieve communautaire lijst is opgesteld. In de praktijk betekent dit dat belangrijke producten, zoals ontsmettingsmiddelen gebruikt in ziekenhuizen, vanaf 15 mei 2010 uit de handel zouden moeten worden genomen.

Om dit ongewenste gevolg te voorkomen, stelt de Commissie een verlening van de overgangsperiode voor met drie jaar, tot 14 mei 2013. De Commissie voorziet eveneens in de mogelijkheid om via de comitologieprocedure deze periode verder te verlengen, indien drie jaar niet blijken te volstaan. Daar de rapporteur het echter onwenselijk acht dat deze mogelijkheid wordt aangegrepen om de procedure eindeloos te vertragen, stelt zij grenzen aan de termijnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Ik keur het verslag-Sârbu en het Commissievoorstel, een technische aanpassing van de bestaande wetgeving, goed.

In de huidige richtlijn is een overgangsperiode (2000-2010) bepaald, waarin de nationale voorschriften van toepassing blijven op de markt voor biociden. Er is tevens een tienjarenprogramma voor de beoordeling van in biociden gebruikte werkzame stoffen, met het oog op de opneming ervan in een door de Commissie op te stellen positieve lijst.

Daar de voortgang die tot op dit moment bereikt is met het programma voor de herziening van de richtlijn het onmogelijk maakt het proces, zoals voorzien, in 2010 af te sluiten, is het noodzakelijk enkele wijzigingen aan te brengen in de vorm van overgangsperiodes voor de dossiers die de grootste vertraging hebben opgelopen. In dat licht is dit aanpassingsvoorstel volledig terecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (PSE), schriftelijk. (RO) Dit voorstel van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden was noodzakelijk geworden toen uit de beoordeling van de uitvoering ervan bleek dat de periode van tien jaar voor de beoordeling van in biociden gebruikte werkzame stoffen met het oog op de opneming ervan in de positieve communautaire lijst, die zou verstrijken op 14 mei 2010, niet lang genoeg zou zijn. De overgangsperiode gedurende de welke de markt van biociden onderworpen zal blijven aan nationale regelgeving, zou bijgevolg verstrijken zonder dat een positieve communautaire lijst is opgesteld. In de praktijk zou dit betekenen dat een aantal belangrijke producten, zoals in ziekenhuizen gebruikte ontsmettingsmiddelen, met ingang van 15 mei 2010 van de markt gehaald zou moeten worden.

Ik heb voor dit verslag gestemd, omdat een verlenging van de huidige overgangsperiode de mogelijkheid zal bieden om in biociden gebruikte werkzame stoffen te beoordelen. Daarmee zullen tevens de lidstaten voldoende tijd krijgen om de bepalingen om te zetten, deze producten te registreren en van vergunningen te voorzien, en zal de industrie tijd krijgen om zich voor te bereiden en volledige dossiers in te dienen. Bovendien zal deze verlenging het mogelijk maken het beginsel van het voorkomen van afvalproductie (stoffen die niet zijn beoordeeld, worden afvalproducten) toe te passen en het illegaal op de markt brengen van biociden helpen voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem voor het verslag van mevrouw Sârbu over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG betreffende het op de markt brengen van biociden in verband met de verlenging van bepaalde termijnen.

Gezien het delicate en bewerkelijke proces van de toetsing van de werkzame stoffen in biociden kan ik mij vinden in het voorstel van de rapporteur om de overgangsperiode met vier in plaats van drie jaar te verlengen, teneinde de industrie voldoende tijd te geven om haar plichten na te komen.

 
  
  

- Verslag-Becsey (A6-0121/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (NI), schriftelijk. − Bewust van de noodzaak om mensen en vooral de jeugd in onze samenleving het roken te ontraden, heb ik mij onthouden bij dit verslag. De EU wil sigaretten en tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten en cigarillo's duurder maken, maar de vraag is of de hypocriete weg van duurdere taksen de aangewezen weg is. De tabaksindustrie stelt ook heel wat mensen tewerk binnen onze lidstaten en in tijden van crisis zou eerst grondig onderzoek moeten worden uitgevoerd naar de impact van dergelijke maatregelen op de werkgelegenheid.

Ware het niet beter via voorlichting in plaats van belastingen de mensen van het roken af te brengen?

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) In zijn verslag doet de heer Becsey een voorstel voor een verdergaande harmonisatie en een verhoging van de accijns op tabak en verschuilt hij zich achter gezondheidsdoelstellingen om zijn voorstel te rechtvaardigen. In werkelijkheid is de doelstelling een doorzichtige Europese sigarettenmarkt, een 'opengebroken' markt met een uniforme belastingheffing waarin de mededinging vrij spel heeft.

Waar gaat dit over? Of het is de volksgezondheid die voorop staat, of het is de markt. Voor sommige producten mag de marktwerking niet voorop staan. Sommige staten, zoals Frankrijk en België, zijn door de Commissie aangeklaagd omdat ze een drempel- of minimumverkoopprijs hebben ingevoerd. Het is niet voor niets dat de tabakshandel zo aan banden wordt gelegd, op nationaal niveau (vergunningverplichting voor de distributie) en op internationaal niveau (invoerbeperkingen) en dat er voor dit specifieke geval nog echte grenscontroles bestaan, ook al worden deze belemmerd door de Europese regelgeving.

Dit verslag is verontrustend voor de toekomst van de Franse tabaksverkopers, die een uiterst belangrijke rol spelen in het behoud van buurtwinkels en het leveren van bepaalde openbare diensten op het platteland, en die bij een eerdere accijnsverhoging ernstig in gevaar kwamen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik stem voor het verslag van de heer Becsey voor een hogere belasting op tabaksproducten.

Ik ben een warm voorstander van de stapsgewijze verhoging van de accijns op sigaretten en andere tabakswaren vanaf 2014. Ook het actualiseren van de begripsbepalingen voor een aantal tabakswaren lijkt mij een absolute noodzaak voor een betere bescherming van de volksgezondheid.

Ik span mij al jaren bijzonder in voor de bescherming van niet-rokers en ik denk dat er met dit verslag opnieuw een stap in de goede richting gedaan wordt. Daarvoor spreekt de inschatting van de Commissie dat de tabaksconsumptie dankzij dit voorstel de komende vijf jaar rond 10 procent zal afnemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag Becsey gestemd omdat een excessieve verhoging van de accijnzen op tabaksproducten, zoals de Commissie voorstelt, vooral in deze tijd van ernstige crisis, desastreus zou zijn voor de werkgelegenheid in deze sector binnen Europa. De ervaring leert ons dat het verhogen van de prijzen geen doeltreffend middel is in de strijd tegen het roken.

Derhalve stemt het mij eveneens tevreden dat het minimale belastingtarief voor shag niet is gelijkgetrokken met dat van sigaretten. Shag heeft een belangrijke bufferfunctie bij het voorkomen van een toename van smokkel op het Europese grondgebied. In Duitsland heeft een onderzoek aangetoond dat in sommige deelstaten meer dan één op de twee sigaretten afkomstig is van smokkel. Om dit fenomeen niet nog eens te versterken, is het noodzakelijk dat rooktabak van fijne snede als vervanging kan dienen voor de sigaret.

Ik betreur het dat bepaalde, zeer oordeelkundige amendementen met slechts een kleine meerderheid zijn verworpen.

Ik hoop dat onze boodschap desondanks overkomt bij de Raad van ministers, die zich hierover unaniem moet uitspreken.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Hoewel ik het eens ben met belasting op tabak en een minimumbelasting voor heel Europa, heb ik mij van stemming onthouden vanwege het mogelijk schadelijk gevolg voor de Britse belasting op tabak. De regering geniet de vrijheid om de belasting op tabak te verhogen, hetgeen mensen kan stimuleren om minder te roken of ermee te stoppen, wat onze gezondheid ten goede komt en de druk op de National Health Service vermindert. Dit verslag zou de mogelijkheid van de regering om belasting te heffen op tabak aantasten en beperken, en daarom heb ik mij van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik stem tegen het verslag van de heer Becsey over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijnen 92/79/EEG, 92/80/EEG en 95/59/EG wat betreft de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikanten.

Ik kan mij niet vinden in bovengenoemd voorstel omdat het mijns inziens het voorstel van de Commissie kan verzwakken. Hierdoor zou de verwezenlijking van de doelstelling om het tabaksgebruik vóór 2014 met tien procent te helpen terugdringen, in gevaar komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. − (SV) Het Commissievoorstel heeft ten doel de accijnzen op tabak in de EU te harmoniseren om de aanzienlijke grensoverschrijdende aankopen van tabak, die de volksgezondheidsdoelstellingen van de lidstaten dreigt te ondermijnen, te beteugelen. Het voorstel dat door de rapporteur namens de Commissie economische en monetaire zaken is voorgelegd, is veel zwakker dan de oorspronkelijke Commissietekst. Als verantwoordelijke namens de ALDE-Fractie heb ik mijn uiterste best gedaan om het verslag te verbeteren. De kwestie van de accijnzen op tabak is erg moeilijk op te lossen wegens de erg verschillende accijnstarieven en verschillende standpunten betreffende de schadelijke gevolgen van tabak in de EU. De verschillende fracties waren erg verdeeld, ook mijn fractie. Ondanks mijn inspanningen, was ik uiteindelijk van mening dat het voorstel van het Parlement niet ver genoeg ging. Ik heb daarom besloten om mij bij de eindstemming over de nieuwe accijnzen op tabak te onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (PSE), schriftelijk. − (EN) De afvaardiging van de Britse Labour-partij in het Europees Parlement is het ermee eens dat te lage belastingniveaus grensoverschrijdende arbitrage in de hand werken en leiden tot ongecontroleerde doorverkoop van tabaksartikelen zonder vergunning. Minimumniveaus van belastingtarieven zijn daarom een zeer nuttig instrument om de wijzigingen te bewerkstelligen die nodig te zijn om verandering in deze situatie te brengen. Sommige Europese landen zullen op gerechtvaardigde wetenschappelijke en maatschappelijke gronden wellicht verder willen gaan dan deze minimumniveaus, en ook dat is juist.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. − Ik waardeer de inspanningen van de rapporteur om tot een verslag te komen maar ik kan het niet steunen. Ik ben absoluut overtuigd van het nut van het verhogen van accijnzen op tabak in de strijd tegen tabaksgebruik. Dat de gezondheidsoverwegingen in deze voor mij belangrijker zijn dan economische overwegingen stricto sensu wens ik hierbij te onderlijnen. Ik betreur ook dat de rapporteur de voorstellen van de Europese Commissie afzwakt. Om deze redenen heb ik dus tegen het verslag van collega Becsey gestemd.

 
  
  

- Verslag-Muscardini (A6-0054/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Ik stem voor het verslag.

Door de immigratie naar het oude continent in de afgelopen dertig jaar heeft een barbaars en illegaal, overwegend Afrikaans gebruik geruisloos zijn intrede gedaan in Europa.

De gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie liegen er niet om: vrouwelijke genitale verminking (VGV) is wijdverspreid in 28 landen van Afrika, in het Midden-Oosten en in enkele Aziatische landen. 100 à 140 miljoen vrouwen en meisjes in de wereld hebben deze praktijk ondergaan en elk jaar lopen er vier miljoen het risico deze te moeten ondergaan. VGV vormt een devaluatie van het Europese integratieproces en een minachting van de gendergelijkheid.

Het Europees Parlement, dat zich al jaren hard maakt voor de fundamentele rechten van alle burgers, heeft in 2001 al een resolutie over dit onderwerp aangenomen. Er moet nu echter nog een stap vooruit worden gezet door ook steun te verlenen aan het Daphne III-programma, waarmee tot nu toe veertien projecten met betrekking tot VGV zijn gefinancierd, en door prioriteiten te stellen voor preventie en uitbanning van VGV in Europa. Een van de gebieden waarop de strijd tegen VGV moet worden geïntensiveerd is de preventie van de toepassing van dergelijke praktijken op meisjes, en met het oog daarop is het van doorslaggevend belang dat actie wordt ondernomen om de minderjarigen op te sporen die risico lopen op VGV, en dat samen met de gezinnen door middel van psychologische ondersteuning aan preventie wordt gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Callanan (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Men kan zich moeilijk iets afschuwelijker en primitiever voorstellen dan seksuele verminking van vrouwen. Helaas heeft deze barbaarse praktijk ook in de EU de kop opgestoken als gevolg van de gestage immigratiestroom uit landen waar zij regelmatig wordt toegepast.

Het verslag-Muscardini beschrijft terecht onze afschuw van deze wreedheid in ons midden en stelt manieren voor om ervoor te zorgen dat onze waarden van gelijkheid en vrijheid worden vertaald in concrete actie tegen seksuele verminking van vrouwen. In weerwil van de toewijding van de Europese Unie aan multiculturalisme, moeten we er zeker van zijn dat de niet-aflatende stroom van politieke correctheid die van EU-wetgeving uitgaat niet ten koste gaat van onze vastbeslotenheid om deze walgelijke praktijk uit te roeien.

Er zijn natuurlijk beperkingen met betrekking tot wat we kunnen doen om seksuele verminking van vrouwen in derde landen te voorkomen. Wij moeten bereid zijn handel- en steunrelaties te koppelen aan verbeteringen op het vlak van de mensenrechten, en in het bijzonder aan het verbieden van deze weerzinwekkende misdaad tegen vrouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. − (SV) Wij hebben vandaag gestemd voor het initiatiefverslag (A6-0054/2009) van mevrouw Muscardini over de strijd tegen seksuele verminking van vrouwen in de EU. Het verslag stelt een uiterst ernstig probleem aan de orde en wijst onomwonden op de noodzaak van maatregelen om het probleem aan te pakken. Het verslag bevat ook diverse voorstellen over de manier waarop dat moet gebeuren. Wij zijn er daarom mee ingenomen dat de lidstaten samenwerken om dit probleem aan te pakken.

Wij willen echter onderstrepen dat het als preventieve maatregel periodiek controleren door artsen van meisjes en vrouwen die wegens het gevaar van seksuele verminking asiel krijgen in de EU, een kwestie is waarover de respectieve lidstaat met inachtneming van de rechten van het betrokken individu moet beslissen.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE), schriftelijk. − (EN) Ik steun dit verslag, dat het ernstige probleem van seksuele verminking van vrouwen aan de orde stelt. Seksuele verminking van vrouwen is gedurende de laatste dertig jaar als gevolg van migratie vaker voor gaan komen in Europa. Seksuele verminking van vrouwen veroorzaakt niet alleen zeer ernstige en onherstelbare schade aan de lichamelijke en geestelijke gezondheid van vrouwen en meisjes, soms zelfs met de dood als gevolg, ook betreft het een schending van de grondrechten die zijn vastgelegd in internationale verdragen, een schending van verboden volgens het strafrecht van de lidstaten, en een inbreuk op de beginselen die zijn vastgelegd in Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Volgens schattingen zijn ongeveer 500 000 vrouwen in Europa slachtoffer geworden van seksuele verminking, en ondergaan ieder jaar 180 000 vrouwelijke immigranten in Europa seksuele verminking of lopen ze gevaar dit te ondergaan.

Het verslag roept de Commissie en lidstaten op om samen te werken teneinde de bestaande wetgeving te harmoniseren. Het doel hiervan is om ons te concentreren op preventie door het verbeteren van de integratie van immigrantengezinnen en het bewustzijn te verhogen door stimulering van voorlichtingscampagnes en het starten van dialoogfora over traditionele praktijken. Uit het verslag spreekt krachtige steun voor strafrechtelijke vervolging van ieder persoon die seksuele verminking uitvoert en ook voor het bieden van geneeskundige en juridische steun aan slachtoffers en het beschermen van degenen die gevaar lopen slachtoffer te worden, inclusief het verlenen van asiel in bepaalde gevallen.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een praktijk die volgens Amnesty International het leven van 130 miljoen vrouwen beïnvloedt voor wie, om culturele, religieuze of andere niet-medische redenen, besnijdenis een “gewaardeerde” sociale praktijk is waaraan zij worden onderworpen. Uit onderzoek blijkt dat de praktijk blijft bestaan wegens de overtuiging dat besnijdenis de vrouwelijke seksualiteit doet afnemen en zodoende de “huwbaarheid” waarborgt, en dat het op religieuze gronden is toegestaan. Het is bekend dat VGV sterk uiteenlopende directe complicaties en complicaties op de lange termijn veroorzaakt, en soms zelfs het overlijden van vrouwen die aan de praktijk worden onderworpen. Deze praktijk is vooral onder onze aandacht gekomen door de globalisering en mobiliteit van mensen en is onlosmakelijk verbonden geraakt met het immigratie- en asielbeleid.

Wanneer mensen vrezen voor vervolging, hebben zij het recht om een grens over te steken om daar beschutting en bescherming te vragen. VGV speelt momenteel een centrale rol bij een debat over asielkwesties, waarin Michael Aondoakaa, de Nigeriaanse minister van Justitie, onlangs heeft aangeboden te getuigen tegen families die asiel aanvragen op basis van de dreiging van VGV in Nigeria, waar deze praktijk officieel verboden is. Onofficieel weet ik echter dat deze praktijk nog steeds wijdverbreid is, zelfs in Nigeria.

In Ierland wordt VGV gezien als een uitdrukking van gendergebaseerd geweld. Daarom steun ik het verslag van mevrouw Muscardini.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek en Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. − (SV) Vandaag hebben we een standpunt ingenomen ten aanzien van het initiatiefverslag over de strijd tegen seksuele verminking van vrouwen. Wij hebben gekozen om de onder andere door onze fractie ingediende alternatieve resolutie die uiteindelijk ook een meerderheid achter zich kreeg, niet te steunen. De reden is dat wij het oorspronkelijke verslag beter vonden. De alternatieve resolutie bevatte een formulering die eist dat vrouwen die wegens het gevaar van genitale verminking asiel krijgen, periodiek door een arts worden gecontroleerd. Die formulering heeft ten doel te verhinderen dat seksuele verminking van vrouwen plaatsvindt in de EU. Wij zijn echter van mening dat die maatregel een schending van de persoonlijke levenssfeer is, veel te ver gaat en jonge vrouwen in risicovolle situaties op onaanvaardbare wijze belast. Een bezoek aan de arts moet vrijwillig gebeuren. Daarom hebben wij besloten om de alternatieve resolutie niet te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb voor de ontwerpresolutie van het Europees Parlement over de strijd tegen seksuele verminking van vrouwen in de EU gestemd. Vrouwelijke genitale verminking (VGV) brengt niet alleen zeer ernstige en onherstelbare schade toe aan de geestelijke en lichamelijke gezondheid van vrouwen maar is ook een schendding van de fundamentele rechten van de mens. Gezien de onherstelbare schade die VGV aanricht, dient de samenleving VGV als een zeer ernstig misdrijf te beschouwen, dat op ferme wijze bestreden dient te worden.

Naar schatting zijn in Europa ongeveer 500 000 vrouwen het slachtoffer geworden van dit misdrijf. Daarom is het essentieel dat de Europese Commissie en de lidstaten samenwerken om de bestaande wetgeving te harmoniseren, zodat VGV in de Europese Unie wordt voorkomen en uitgebannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) Seksuele verminking van vrouwen is een wreed en onmenselijk gebruik en hoort niet thuis in een moderne samenleving. Omdat onze partij, Junilistan, de EU niet alleen als een vorm van samenwerking ten gunste van sterkere groei en meer handel ziet, maar ook als een forum voor de handhaving van gemeenschappelijke fundamentele menselijke waarden, hebben wij besloten om voor het verslag te stemmen.

Wij kanten ons echter volledig tegen verscheidene verregaande passages over het strafrecht van de lidstaten. Wetgeving die ten doel heeft het functioneren van de samenleving in stand te houden, moet uitgaan van en worden vastgesteld door de nationale verkozen parlementen, en niet door het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. − (SV) Ik heb vandaag gestemd tegen het initiatiefverslag (A6-0054/2009) van mevrouw Muscardini over de strijd tegen de seksuele verminking van vrouwen in de EU. In dit verslag wordt een zeer ernstig probleem behandeld en wordt duidelijk de noodzaak beschreven van maatregelen om het probleem aan te pakken. Ik ben ingenomen met samenwerking tussen de lidstaten op dat gebied.

Toch heb ik besloten om tegen te stemmen omdat ik van mening ben dat elke vorm van gezondheidszorg vrijwillig zou moeten zijn. Ik ben ertegen dat een arts bij wijze van preventieve maatregel meisjes en vrouwen controleert, die wegens het gevaar van genetische verminking asiel hebben gekregen. Die controles maken volgens mij namelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en zijn discriminerend.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik stem voor het verslag van mevrouw Muscardini over een strenger optreden tegen genitale verminking. Meer dan een half miljoen vrouwen hebben nog altijd te lijden van een gruwelijk ritueel dat voor eens en voor altijd verboden en strafrechtelijk vervolgd hoort te worden. De maatregelen en besluiten uit het verleden dienen gebundeld en uitgebreid te worden. Er moeten brede strategieën en actieplannen opgesteld worden om vrouwen te kunnen beschermen tegen het archaïsche gebruik dat besnijdenis is.

De Commissie moet blijven proberen de afschaffing van genitale verminking als clausule op te nemen in verdragen met derde landen en het uitvoeren van de besnijdenis dient in alle lidstaten van de EU strafrechtelijk vervolgd te kunnen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. − (IT) Ik stem voor het verslag van mevrouw Muscardini over de strijd tegen seksuele verminking van vrouwen in de EU.

Ik beschouw dergelijke praktijken als gruwelijke schendingen van het recht van de mens op persoonlijke integriteit. Ik sluit mij daarom bij de rapporteur aan dat er een goede strategie ten uitvoer moet worden gelegd om de VGV-praktijk te voorkomen en uit te bannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (NI), schriftelijk. – (FR) Het spreekt vanzelf dat wij onze steun geven aan dit moedige verslag dat zich keert tegen praktijken uit een andere tijd, praktijken die door de immigratie meer en meer voorkomen binnen Europa.

Gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, maar ook op het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van en geweld tegen vrouwen, is het niet langer toelaatbaar dat dergelijke praktijken nog steeds in Europa en in de rest van de wereld voorkomen.

Volgens de gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie zijn wereldwijd 100 tot 140 miljoen vrouwen en meisjes slachtoffer van genitale verminking en lopen elk jaar 2 tot 3 miljoen vrouwen het risico slachtoffer van deze sterk invaliderende praktijken te worden.

We moeten niet vergeten dat dergelijke praktijken voortvloeien uit sociale structuren die zijn gebaseerd op de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen en op de onevenwichtigheid van macht, gezag en controle door sociale en familiale druk, en dat dit leidt tot een schending van de fundamentele rechten en tot ernstige en onomkeerbare verminking.

We moeten deze praktijken zonder enig voorbehoud veroordelen en bestraffen. De allochtone bevolkingsgroepen moeten zich aan onze wetgeving houden en aan onze eerbiediging van de integriteit van de persoon. Zij mogen dergelijke barbaarse en onacceptabele praktijken niet importeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Søren Bo Søndergaard (GUE/NGL), schriftelijk. − (EN) Vrouwelijke genitale verminking is een praktijk die door de lidstaten moet worden veroordeeld. Het vormt een schending van de grondrechten van de vrouw, met name het recht op fysieke integriteit plus seksuele en reproductieve rechten. Er zijn echter aspecten van het verslag van mevrouw Muscardini die ik niet volledig steun, zoals de passages waarin wordt getwijfeld aan de geloofwaardigheid van ouders die asiel aanvragen op grond van het feit dat zij geweigerd hebben in te stemmen met de vrouwelijke genitale verminking van hun kind. Ik zie niet in waarom wij extra argwanend moeten zijn ten opzichte van mensen die om deze specifieke reden asiel aanvragen. Een andere formulering in het verslag die ik niet steun, is die waarin regelmatige medische onderzoeken worden voorgesteld voor vrouwen en meisjes aan wie asiel wordt verleend wegens de dreiging van vrouwelijke genitale verminking in hun thuisland. Ik zie dit als een discriminerende praktijk jegens deze vrouwen en meisjes. Als aan iemand asiel wordt verleend in een lidstaat, moet deze persoon dezelfde rechten en verplichtingen hebben als andere burgers in dat land.

 
  
MPphoto
 
 

  Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. − (EN) Vrouwelijke genitale verminking is een praktijk die door de lidstaten moet worden veroordeeld. Het vormt een schending van de grondrechten van de vrouw, met name het recht op fysieke integriteit plus van seksuele en reproductieve rechten.

Er zijn echter aspecten van het verslag van mevrouw Muscardini die ik niet volledig steun, zoals de passages waarin wordt getwijfeld aan de geloofwaardigheid van ouders die asiel aanvragen op grond van het feit dat zij geweigerd hebben in te stemmen met de vrouwelijke genitale verminking van hun kind. Ik zie niet in waarom wij extra argwanend moeten zijn ten opzichte van mensen die om deze specifieke reden asiel aanvragen.

Een andere formulering in het verslag die ik niet steun, is die waarin regelmatige medische onderzoeken worden voorgesteld voor vrouwen en meisjes aan wie asiel wordt verleend wegens de dreiging van vrouwelijke genitale verminking in hun thuisland. Ik zie dit als een discriminerende praktijk jegens deze vrouwen en meisjes. Als aan iemand asiel wordt verleend in een lidstaat, moet deze persoon dezelfde rechten en verplichtingen hebben als andere burgers in dat land.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI), schriftelijk. − Ik heb het verslag Muscardini - of liever de globale amenderingstekst - goedgekeurd omdat geen zinnig mens natuurlijk niet vol afschuw kennis neemt van de gruwelijke seksuele verminkingen waarvan vrouwen en meisjes het slachtoffer worden in - met compleet gebrek aan respect gezegd - achterlijke culturen en godsdiensten.

Ik betreur wel dat men ook hier weer de gebruikelijke codewoorden over de “reproductieve rechten” binnensluist hoewel ze hier eigenlijk niet thuishoren en vermoedelijk enkel dienen moeten om de politiek correcte linkerzijde mee te krijgen. Wat recht op abortus te maken heeft met de strijd tegen barbaarse verminkingen blijft mij een raadsel.

We hadden beter van de gelegenheid gebruik gemaakt om ons af te vragen of bijvoorbeeld de islam wel die basiswaarde van gelijkwaardigheid van man en vrouw voldoende respecteert. En indien neen, of er dan nog wel plaats voor die islam in ons Europa is.

 
  
MPphoto
 
 

  Anders Wijkman (PPE-DE), schriftelijk. − (SV) Het oorspronkelijke initiatiefverslag over genitale verminking van vrouwen was erg goed, maar de herziene versie die het in de stemming haalde, bevat een formulering waarmee de rapporteur regelmatige controles door artsen wil invoeren voor vrouwen die wegens het gevaar van genitale verminking asiel in de EU krijgen. Het doel zou het voorkomen van genitale verminking in de ontvangende EU-lidstaat zijn. Ik ben van mening dat verplichte controles door artsen een enorme inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zijn. Een bezoek aan een arts moet vrijwillig gebeuren. Dwang uitoefenen is in deze context absoluut onaanvaardbaar. Daarom heb ik tegen de herziene versie gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. – (SK) Ik heb mij bijzonder ingespannen om te verzekeren dat de door mij voorgezeten commissie haar werkzaamheden in de aanloop naar de stemming over de resolutie zou kunnen voltooien. Dit onderwerp is zonder twijfel belangrijk.

Genitale verminking van vrouwen brengt zware en onherstelbare schade toe aan de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de eraan onderworpen vrouwen en meisjes, misbruikt hen als mens en is een aanslag op hun integriteit. In sommige gevallen zijn de gevolgen dodelijk.

In het verslag verzoekt het Europees Parlement aan de lidstaten om een preventieve strategie van sociale maatregelen ter bescherming van minderjarigen op te zetten, zonder daarbij de migrantengemeenschap te stigmatiseren, met behulp van overheidsprogramma's en sociale diensten die erop gericht zijn om deze praktijken te voorkomen en om slachtoffers die genitale verminking hebben ondergaan, te helpen. Het Parlement verzoekt de lidstaten de dreiging of het risico van vrouwelijke genitale verminking van een minderjarige te beschouwen als een grond voor de overheid om op te treden, zoals voorzien in de voorschriften inzake kinderbescherming.

De lidstaten zouden handleidingen en richtsnoeren op moeten stellen voor gezondheidswerkers, opvoeders en maatschappelijk werkers, met de bedoeling vaders en moeders op respectvolle wijze en indien nodig met de hulp van tolken voor te lichten over de enorme risico's die vrouwelijke genitale verminking inhoudt.

Het verslag vraagt ook steun voor seksuele en reproductieve rechten. Dit concept is nooit door de Wereldgezondheidsorganisatie of in instrumenten van het acquis communautaire gedefinieerd. Daarom wordt het door sommige groepen als argument voor abortus misbruikt.

Het spijt me, maar om die reden heb ik mij onthouden.

 
  
  

- Verslag-Graça Moura (A6-0092/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Ik heb mij meermaals uitgesproken vóór kwesties die verband houden met meertaligheid en dus denk ik dat mijn standpunt vrij duidelijk is.

De taalkundige en culturele diversiteit van de Europese Unie betekent een enorm concurrentievoordeel. Het is volgens mij van cruciaal belang dat de programma's voor taalonderwijs en uitwisseling van scholieren en culturele uitwisseling, zowel binnen als buiten de Europese Unie, ondubbelzinnig worden gesteund, zoals ik heb gedaan door middel van mijn steun aan het Erasmus Mundus-programma. Meertaligheid is essentieel voor een effectieve communicatie en vormt een instrument om het begrip tussen mensen en daarmee de acceptatie van verscheidenheid en minderheden te vergemakkelijken.

De taalkundige diversiteit beïnvloedt het dagelijks leven van de burgers in de Europese Unie in belangrijke mate als gevolg van de reikwijdte van de media, de groeiende mobiliteit, migratie en de voortschrijdende mondialisering. Het verwerven van verschillende taalvaardigheden wordt beschouwd als zijnde van het grootste belang voor alle EU-burgers, zodat zij ten volle kunnen profiteren van de economische, sociale en culturele voordelen van vrij verkeer binnen de Unie en in de betrekkingen tussen de Unie en derde landen. Taal is in feite een fundamentele factor van sociale insluiting.

De taalkundige diversiteit van Europa is derhalve een belangrijk cultureel bezit en het zou verkeerd zijn als de Europese Unie zich zou beperken tot één enkele hoofdtaal.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. – (PL) De meertaligheid van de Europese Unie is een grote troef in contacten met derde landen. Het kan ons een significant concurrentievoordeel opleveren en daarom dienen onderwijs- en taaluitwisselingsprogramma’s ondersteund te worden, met dien verstande dat die ondersteuning niet louter en alleen geboden dient te worden in de grotere stedelijke gebieden waar de toegang tot dit soort zaken sowieso al makkelijker is, maar ook elders.

Bij de invoering van een dergelijk beleid mogen we verder niet vergeten dat de Europeanen, hoe verenigd zij ook zijn mogen, eerst en vooral burgers zijn van hun eigen land. Er dient nauwlettend op te worden toegezien dat zij zich identificeren kunnen met hun eigen taal. Ook in het verslag van de heer Moura werd van dit punt gewag gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Callanan (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Elk jaar geeft de Europese Unie enorme hoeveelheden belastinggeld uit in naam van de meertaligheid. Voor een organisatie die ernaar streeft de verschillen tussen landen en mensen weg te nemen, hecht de EU erg veel belang aan linguïstisch nationalisme. Een voorbeeld hiervan is de concessie aan Ierse nationalisten om Gaelic een van de officiële talen van de EU te maken.

De kosten en bureaucratie die het misplaatste beleid van meertaligheid met zich meebrengt, zullen alleen maar verder toenemen naarmate de EU verder wordt uitgebreid. Mijn kiezers maken zich terecht zorgen over wat zij beschouwen als het willekeurige gebruik van gemeenschapsgeld om te voldoen aan een beleid dat weinig ander praktisch nut heeft dan een puur politiek lokkertje.

Ondanks het feit dat Engels de algemene omgangstaal is geworden in het Europees Parlement, zou ik er terughoudend tegenover staan om het ook tot de enige werktaal te maken. Gezien het enthousiasme voor harmonisatie van de EU, ben ik van mening dat een algemene omgangstaal een natuurlijke stap is op weg naar een federale superstaat. Daarom denk ik dat we een handvol werktalen zouden moeten hebben. Als de VN het redt met zes talen voor circa 200 lidstaten, weet ik zeker dat de EU het aantal werktalen ook kan beperken.

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (NI), schriftelijk. − Ik heb tegen dit verslag gestemd wegens het onrechtmatig gebruik dat in Vlaanderen door sommige minderheden zou kunnen gemaakt worden van de bepalingen die het bevat. Natuurlijk is het positief de taalkundige diversiteit van met name de jeugd binnen de EU op alle mogelijke manieren te bevorderen, maar een dergelijke politiek mag niet ten koste gaan van het wettelijk respect voor de streektaal. Ik denk bijvoorbeeld aan het Nederlands in de provincie Vlaams-Brabant in Vlaanderen. Een Europees agentschap voor taalkundige diversiteit zou al snel een middel voor de Franstalige minderheid kunnen worden om de plicht tot het gebruik van het Nederlands in Vlaanderen te omzeilen. Het verleden heeft genoeg uitgewezen hoe weinig begrip "Europa" heeft van specifieke situaties in de lidstaten. Het is aan immigranten en minderheden om de taal van de streek waar ze komen wonen, te leren en te gebruiken. Dàt getuigt van taaldiversiteit, niet het omgekeerde.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb tegen de ontwerpresolutie gestemd die een alternatief vormt voor het verslag van de heer Graça Moura “Meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement”. Ik acht de resolutie namelijk in strijd met een aantal principes die het Europees Parlement heeft verdedigd. Zo schrapt de resolutie het voorrecht van ouders de officiële taal te kiezen waarin hun kinderen worden onderwezen, in landen of regio’s met meer dan één officiële taal of met regionale talen.

Aan de andere kant vermeldt de alternatieve resolutie slechts de noodzaak speciale aandacht te besteden aan leerlingen die geen onderwijs kunnen genieten in hun moedertaal. Dat betekent het onderwaarderen van het basisprincipe dat het belang van het leren van de moedertaal in het onderwijs in het algemeen en bij het leren van andere talen centraal stelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) In het algemeen is dit een zeer positief document, waarvan we de uitgangspunten en conclusies onderschrijven. Het centrale probleem is de toepasbaarheid, aangezien er vanwege de politieke ontwikkeling die de Europese Unie heeft doorgemaakt veel gedaan moet worden om vanuit de huidige situatie de toestand te bereiken die het document nodig acht.

Bij een aantal zaken die het document aansnijdt, zoals de hegemonie van sommige Europese talen ten koste van andere, is de uitgangspositie zonder meer negatief. We willen in dit verband waarschuwen voor een taalkundig/cultureel isolement waar bepaalde nationale beleidsvormen een aantal volkeren in de Europese ruimte in terecht hebben gebracht, met discriminatie als gevolg. Hier zijn de culturele erfenis van de Europese volkeren en het op adequate wijze doorgeven van die erfenis aan toekomstige generaties in het geding.

We onderstrepen voorts het opwaarderen van de rol van docenten, vertalers en tolken als beroepsbeoefenaren, wier werk essentieel is voor het onderwijs en de verspreiding van en het onderlinge begrip tussen de in de EU gesproken talen.

Daarom betreuren we de goedkeuring van het alternatieve voorstel, want dat betekent een verarming van een aantal aspecten in het verslag-Graça Moura. Dan denken we met name aan de bescherming van de moedertaal en het voorrecht van ouders om de officiële taal te kiezen waarin hun kind onderwezen wordt in landen of regio’s met meer dan één officiële taal of met regionale talen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) Wij van Junilistan zijn van mening dat cultuur onder de politieke bevoegdheid van de lidstaten moet vallen.

Het verslag maakt geen deel uit van de wetgevingsprocedure en is niet meer dan een mening van de federalistische meerderheid in het Europees Parlement dat de EU zich meer met cultuur moet bemoeien.


Zoals steeds wil de Commissie cultuur en onderwijs van het Europees Parlement nieuwe dure programma’s en agentschappen op EU-niveau doordrukken. Wij van Junilistan denken niet dat een meerjarig programma of een Europees agentschap voor taalkundige diversiteit of het leren van talen op EU-niveau enig verschil zal maken voor de ongeveer 500 miljoen inwoners van de EU, behalve dat het een extra last wordt die de belastingbetalers moeten torsen.

Wij denken evenmin dat de plannen van de Commissie voor informatie- en sensibiliseringscampagnes over de voordelen van het leren van talen in de realiteit iets zullen opleveren. Het zijn de lidstaten die in hun onderwijsbeleid de eigen burgers moeten motiveren om talen te leren. Dat is geen kwestie voor de EU.

Daarom hebben wij tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Adrian Manole (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Europa leeft in een geglobaliseerde wereld, met verhoogde mobiliteit en migratie, maar ook met regionale regeneratie en een sterkere rol voor grensregio´s. Daarom moet veeltaligheid oplossingen bieden voor de Europese burgers en samenleving.

Ik wil de rapporteur gelukwensen met dit verslag en hoop dat de door ons ingediende amendementen wederzijds respect zal garanderen voor talen, inclusief de door nationale minderheden of door onze migranten gesproken talen. Ons erfgoed van levende talen is namelijk een schat, een hulpbron die op juiste waarde moet worden geschat.

De taal is voor eenieder onder ons de meest directe uiting van onze cultuur. Daarom ontdekken wij door talen te leren andere culturen, waarden, principes en houdingen. Wij kunnen in Europa onze gemeenschappelijke waarden ontdekken. Deze openheid voor dialoog is een essentieel onderdeel van ons Europees burgerschap en daarom zijn talen een fundamenteel element daarvan.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) De EU mag dan miljoenen uitgeven aan taalverwervings- en uitwisselingsprogramma’s ter bevordering van de meertaligheid en op haar eigen homepage het wezenlijke belang onderstrepen dat veeltaligheid voor grotere transparantie, legitimiteit en doelmatigheid van de Unie heeft, maar zelf handelt zij hier niet naar. Het internetoptreden van het huidige Raadsvoorzitterschap houdt er bijvoorbeeld geen rekening mee dat Duits met een aandeel van niet minder dan 18 procent de meest gesproken moedertaal binnen de EU is en door 14 procent van de EU-burgers als vreemde taal gesproken wordt.

Dat is een gemiste kans om de kloof met de burger te dichten, want bij een consequent gebruik van de drie werktalen Duits, Engels en Frans zou men een groot deel van de bevolking bereiken. Aangezien de rapporteur kennelijk tot een vergelijkbaar inzicht is gekomen, heb ik voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE), schriftelijk. – (SK) Dit verslag heeft nogmaals aangetoond dat artikel 45, lid 2 aanzienlijke tekortkomingen vertoont. Het nieuwe, op het amendement en het aanvullende voorstel gebaseerde verslag zal het mogelijk maken om het oorspronkelijke verslag zoals goedgekeurd in de commissie ten principale te wijzigen. De indieners van het voorstel nemen het verslag over en voegen nieuwe paragrafen toe waarin de rapporteur niets te zeggen heeft. Bijgevolg zal een verslag dat in de vorm van een goedgekeurd alternatief in de commissie is goedgekeurd, door een nieuwe tekst worden vervangen. Ik vind deze procedure erg oneerlijk jegens de rapporteur. Ik hoop dat het Parlement deze procedure in de nabije toekomst opnieuw onder de loep zal nemen en een eerlijkere oplossing zal aannemen.

Ik vond het verslag van de heer Graça Moura erg evenwichtig en derhalve heb ik niet voor het alternatieve voorstel van de PSE-Fractie, de ALDE-Fractie en de Verts/ALE-Fractie gestemd. Omdat dit alternatieve voorstel werd goedgekeurd, werd het oorspronkelijke verslag niet in stemming gebracht. Ik ben het met de rapporteur eens dat de taalkundige en culturele diversiteit het dagelijks leven van de burgers in belangrijke mate beïnvloedt. Zij is een enorm voordeel voor de EU en daarom moeten we programma’s voor taalonderwijs, uitwisseling van scholieren en culturele uitwisseling steunen binnen een kader dat verder reikt dan de EU.

Programma’s voor de uitwisseling van taalleerkrachten op alle onderwijsniveaus gericht op het leren onderwijzen van diverse vakken in een vreemde taal, helpen leerkrachten op te leiden die hun taalkundige expertise vervolgens aan leerlingen en studenten in hun thuisland door kunnen geven. Ik zou de lidstaten willen oproepen om consequent aandacht te besteden aan de opleiding van leraren in vreemde talen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat zij financieel voldoende worden beloond.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN) , schriftelijk. – (PL) De meertaligheid en de waarborging daarvan is een van de grootste uitdagingen van de Gemeenschap. De effecten van het meertaligheidsbeleid zijn verstrekkend en volstrekt helder, maar een foutieve toepassing van dit beleid kan tot jammerlijke gevolgen leiden.

Een van de grote troeven van Europa ligt in zijn multiculturaliteit, die mede tot uitdrukking komt in de meertaligheid. Het is bovendien een gemeenschappelijke plicht gebaseerd op specifieke behoeften alsook op de moeilijkheid van het omvormen van multiculturaliteit tot een duidelijke bron van kracht die de Gemeenschap verenigt en eveneens buiten de EU-grenzen voelbaar zal zijn en Europa zijn rechtmatige plaats in de wereld zal verschaffen. Er staat dus veel op het spel. Een slecht meertaligheidsbeleid bestaat uit het bevoordelen van een of meer talen en het veroordelen van de overige tot een plaats in de marge het publieke leven. De Europese Unie heeft middels haar wetgeving en instellingen buitengewoon goede kaarten in handen voor het voeren van een gedegen talenbeleid. Dat maakt haar verantwoordelijkheid er des te groter op.

Het verslag van de heer Graça Moura leidt niet tot oplossing van alle problemen met betrekking tot het recht van de verschillende Europese talen om naast elkaar te bestaan en de daaruit voortvloeiende privileges. Naast de officiële talen worden er in Europa nog een enorm aantal andere talen gesproken die in meer of mindere mate bedreigd worden met uitsterven. Een goed meertalenbeleid beschermt deze talen. Het verslag richt zich echter meer op het leren van de officiële talen dan op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de idee van meertaligheid. Er is hier een fijnzinnig beleid nodig van evolutieve aard en ik denk dat elk verslag in deze richting onze volmondige steun verdient.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Meertaligheid is een zeer belangrijke zaak in Europees verband. Daarom heb ik zelf aan verscheidene initiatieven meegedaan die tot doel hadden meertaligheid te bevorderen en het volledig respecteren ervan te garanderen. Het Europa waar ik in geloof is ook het Europa van de taalkundige verscheidenheid. Om die redenen herken ik mijzelf in het oorspronkelijke verslag van de heer Graça Moura. Net als de rapporteur kan ik evenwel niet accepteren dat het op zich correcte idee van eerbiediging van de taalkundige verscheidenheid en de individuele vrijheid en de vrijheid van families kan of moet worden gebruikt als wapen in de strijd voor extreme nationalistische betogen. Dat is en moet niet de aard zijn van de discussie waar het hier om gaat.

Bevordering van meertaligheid is en moet gebaseerd zijn op eerbiediging van de diversiteit in Europa, in het onderhavige geval de taalkundige en culturele verscheidenheid. Dit is echter de ruimte noch de plaats voor andere vormen van strijd, met name niet als ze leiden tot het verwerpen van subsidiariteit en vrijheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. - (IT) Ik stem voor het verslag van de heer Graça Moura over meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement.

Als universitair docent kan ik mij met name helemaal vinden in het voorstel om de programma's voor taalonderwijs en uitwisseling van scholieren en culturele uitwisseling te steunen, zoals de bekende mobiliteitsprogramma's voor jongeren. Deze projecten van het DG Onderwijs en cultuur van de Commissie stellen scholieren in staat hun opleidingsbagage aanzienlijk te vergroten en leveren dus een bijdrage aan de ontwikkeling van de EU tot een kennismaatschappij.

 
  
MPphoto
 
 

  Flaviu Călin Rus (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Ik heb gestemd voor de ontwerpresolutie van het Europees Parlement over “Meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement” (2008/2225(INI)). Ik geloof namelijk dat culturele en taalkundige diversiteit binnen de Europese Unie een schat is waarmee een waarachtige bijdrage kan worden geleverd aan “meer eenheid, meer diversiteit”. Ik ben tevens kan mening dat schooluitwisselingen en culturele uitwisselingen, evenals programma´s voor vreemdetalenonderwijs in landen binnen en buiten de EU veel goeds bewerkstelligen en ondersteund moeten worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Meertaligheid is ongetwijfeld een van de grootste troeven van het verenigd Europa. Het leren van een taal zou mensen moeten helpen hun beroepsprofiel te verhogen, een betere baan te vinden of nieuwe intermenselijke contacten op te doen. Volgens jaarlijks door taalkundigen uitgevoerde onderzoeken zijn meertalige mensen capabeler, beschikken zij over meer verbeeldingskracht en denken zij meer out of the box dan eentalige mensen. Bovendien zijn zij creatiever en hebben zij een breder blikveld. En dan heb ik het nog niet eens over de voor de hand liggende voordelen van communicatie met een groot aantal verschillende mensen die veelal een totaal andere manier van denken hebben als gevolg van andere culturen en andere persoonlijke karakters.

Uit deze voordelen van meertaligheid blijkt dat we allemaal prioriteit moeten geven aan het leren van vreemde talen. Daarom is het zo belangrijk dat elke burger van de Gemeenschap gelijke toegang heeft tot taalonderwijs. Daarom ben ik zo’n voorstander van alle Commissieactiviteiten ter inventarisering en beoordeling van het taalonderwijs, de taalonderwijsmethodes alsook taalonderwijsprogramma’s. Ik denk dat dit alles gericht is op toekomstige harmonisering van het onderricht in vreemde talen in de Europese Unie, leidend tot een grotere taalvaardigheid en op die manier tot meer hoogopgeleide EU-burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. − (EN) Meertaligheid is een fantastische eigenschap van het Europees Parlement. Als het enige Parlement ter wereld waar gelijktijdig vertaling in 23 verschillende talen plaatsvindt, moeten we er alles aan doen om dit unieke aspect van ons werk te behouden. Alle EU-burgers moeten in hun eigen taal kunnen lezen over het werk van de instellingen van de EU, en de lidstaten moeten al het mogelijke doen om alle EU-burgers de mogelijkheid te bieden andere EU-talen te spreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. – (PL) Ik ben een fervent voorstander van de meertaligheid van de Europese Unie. Het unieke Europese culturele pluralisme komt bij uitstek tot uitdrukking in de Europese meertaligheid. Er dient voortdurend gewerkt worden aan de taalvaardigheid van de burgers van een verenigd Europa. Meertaligheid is een essentieel element van de Europese integratie doordat dankzij meertaligheid de EU-burger vrij bepalen kan waar hij of zij wonen en werken wil. Tegelijkertijd dient gewezen te worden op het belang van de moedertaal als middel tot toegang tot passend onderwijs en de verwerving van beroepskwalificaties.

We dienen speciale aandacht te besteden aan de continue behoefte aan de vergroting van de kennis en kunde van het taalonderwijzend personeel en de toepassing van nieuwe leermethodes. De rapporteur wijst met name op het belang van de ondersteuning van burgers die zich op eigen kracht een vreemde taal eigen willen maken, waarbij er tegelijkertijd op gewezen wordt dat het belangrijk is dat ook oudere mensen vreemde talen leren. Ik denk net als de rapporteur dat het van cruciaal belang is dat burgers te allen tijde kunnen rekenen op ondersteuning bij het leren van nieuwe talen en dat er specifieke aandacht dient uit te gaan naar achtergestelde burgers. Ik denk dat het leren van vreemde talen de discriminatie zal helpen tegengaan en bij zal dragen aan de integratie van de landen van een verenigd Europa.

Ik sluit mij volledig aan bij de wensen van het Parlement met betrekking tot de meertaligheid van Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. – (SK) De resolutie over meertaligheid is een troef voor Europa en een belangrijke stap in de richting van een opgeleid Europa, want in het verslag wordt aangedrongen op erkenning van gelijkheid tussen de officiële talen van de Europese Unie bij alle openbare activiteiten. Ik ben er vast van overtuigd dat de taalkundige diversiteit van Europa een belangrijke culturele troef is. Het zou verkeerd zijn de EU te beperken tot slechts één taal.

De resolutie wijst erop dat het belang van meertaligheid niet ophoudt bij economische of sociale aspecten, maar dat ook aandacht moet worden besteed aan culturele en wetenschappelijke output en het bevorderen van deze output, alsmede aan het belang van vertaling, zowel literair als technisch, voor de duurzame ontwikkeling van de Europese Unie.

Talen spelen last but not least een belangrijke rol in het vormen en versterken van identiteit.

Meertaligheid raakt veel gebieden. Zij heeft een enorme invloed in het leven van Europese burgers. De lidstaten wordt verzocht meertaligheid niet alleen in het onderwijs maar in alle toekomstige beleidsterreinen te integreren.

Ik stel op prijs dat de resolutie ambtenaren die tijdens hun werk in contact komen met burgers van andere lidstaten aanmoedigt om een tweede taal van de Europese Unie te leren.

De rol van de Europese instellingen is doorslaggevend om de naleving van de beginselen van taalkundige gelijkheid te verzekeren, in de betrekkingen tussen lidstaten en in individuele Europese instellingen, alsmede in de betrekkingen tussen EU-burgers en nationale instellingen, organen van de Unie en internationale instemmingen.

Ik heb voor deze resolutie gestemd, ik wil de rapporteur feliciteren en ik ben er trots op het eerste Slowaakse lid te zijn geweest dat via een schriftelijke verklaring een discussie over meertaligheid binnen een institutioneel kader tot stand heeft gebracht.

 
  
  

- Verslag-Van Nistelrooij (A6-0083/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag van de heer Van Nistelrooij gestemd, daar territoriale cohesie belangrijk is om ervoor te zorgen dat de Europese Unie het pad van duurzame en solidaire ontwikkeling blijft volgen en steeds beter in slaat zal zijn van cohesie en verscheidenheid op territoriaal vlak een toegevoegde waarde te maken.

Het groenboek is een belangrijke stap om de territoriale cohesie en de gedeelde bevoegdheden van de Unie te verdiepen. Voorts vormt het groenboek een stimulans voor een breed debat over dit thema door de Europese instellingen, nationale en regionale overheden, economische en sociale partners en overige belanghebbenden bij het Europees project en territoriale ontwikkeling.

Ik onderstreep als de meest positieve aspecten de waarde die toegekend wordt aan het potentieel en de verscheidenheid van het Europees territorium en de drie richtsnoeren voor een evenwichtiger en harmonieuzere ontwikkeling van elke regio: vermindering van de negatieve effecten van verschillen in bevolkingsdichtheid, verbinding van gebieden om afstanden te overbruggen en samenwerking teneinde scheidslijnen te overwinnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb de heer Van Nistelrooij gefeliciteerd met zijn verslag en, in het bijzonder, met zijn bereidheid verschillende amendementen die erop zijn ingediend over te nemen.

Dat voorstel heeft mijn volledige steun gekregen!

Op de eerste plaats omdat het verslag een verband legt tussen het debat over territoriale cohesie en het debat over het toekomstig cohesiebeleid van de Europese Unie door te stellen dat de hervorming van dit beleid de conclusies van het debat over territoriale cohesie moet behelzen.

Ik ben het eens met de beoordeling door de rapporteur van het Groenboek, deel zijn analyse van het concept territoriale cohesie en onderschrijf zijn aanbevelingen met het oog op de toekomst van territoriale cohesie, met name wat betreft:

- de definitie van territoriale cohesie;

- de publicatie van een witboek over territoriale cohesie;

- de versterking van het doel van Europese territoriale samenwerking;

- de integratie van territoriale cohesie in de toekomstige definitie van alle communautaire beleidsvormen;

- de vastlegging van aanvullende kwaliteitsindicatoren;

- de beoordeling van de territoriale effecten van communautair sectoraal beleid en het voorstel voor middelen om synergie te creëren tussen territoriaal en sectoraal beleid;

- het ontwerpen van een overkoepelende Europese strategie voor regio’s met specifieke geografische kenmerken;

- het opzetten van een veelomvattend systeem voor geleidelijke overgangssteun aan de zogenaamde “overgangsregio’s”; en

- het creëren van territoriaal bestuur op verschillende niveaus.

Daarom heb ik voorgestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. − (SV) De rapporteur schrijft in zijn verslag dat het cohesiebeleid een van de meest succesvolle investeringen van de EU is. Dat is een opmerkelijke conclusie, vooral omdat de Europese Rekenkamer nog in november 2008 vaststelde dat elf procent van de in 2007 in het kader van het cohesiebeleid van de EU goedgekeurde 42 miljard euro nooit uitbetaald had mogen worden.

De rapporteur lijkt zich hier terdege van bewust, en in paragraaf 17 worden de deelnemers aan het debat over territoriale cohesie aangemoedigd verwijzingen naar mogelijke budgettaire of financiële implicaties van het voorgestelde beleid te vermijden. Met andere woorden: de doofpot in.

Het cohesiebeleid van de EU is een foute beslissing. Vanuit een sociaaleconomisch perspectief, waarin rekening houden met het geld van de belastingbetalers een must is, is dit niets anders dan een totaal fiasco. Wij van Junilistan hebben vanzelfsprekend tegen het verslag als geheel gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wat is de betekenis van de verwerping door het Europees Parlement van onze voorstellen betreffende een resolutie over de toekomst van het cohesiebeleid van de EU? In onze voorstellen werden de volgende zaken benadrukt:

- het primair hoofddoel van het structuurbeleid moet de bevordering van reële convergentie zijn. Die convergentie dient een instrument te zijn voor herverdeling ten gunste van de minder ontwikkelde landen en regio’s van de Europese Unie;

- territoriale cohesie mag van de vermindering van de achterstand van de meest benadeelde regio’s geen secundair doel maken.

- tegenover nieuwe prioriteiten dienen nieuwe financiële middelen van de Gemeenschap te staan. Dat geldt des te meer nu de huidige communautaire financiële middelen ontoereikend zijn als antwoord op de behoeften in verband met reële convergentie;

- de communautaire begroting dient verhoogd te worden ter bevordering van de economische en sociale cohesie in de Europese Unie;

- beheer van het territorium en ruimtelijke ordening vallen onder de bevoegdheid van de lidstaten;

- er dienen maatregelen genomen te worden om het zogenaamde “statistisch effect” te elimineren;

- het “concurrentievermogen” mag geen surrogaat zijn voor convergentie van lidstaten en regio’s die te kampen hebben met een achterstand in sociaaleconomische ontwikkeling. Daarom mogen het cohesiebeleid en de daarvoor uitgetrokken financiële middelen niet ondergeschikt worden gemaakt aan de door de “Lissabonstrategie” bepleite concurrentie en liberalisering.

Een mogelijk antwoord kan zijn dat men tenminste inziet dat het verkondigde “cohesiebeleid” daadwerkelijk in gevaar verkeert ...

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Het concept van territoriale cohesie wordt nu erkend als een belangrijke doelstelling van de Unie, naast sociale en economische cohesie.

Territoriale cohesie draait in wezen om het realiseren van een evenwichtige ontwikkeling binnen de EU en in deze context zou het een centrale doelstelling moeten vormen voor al het gemeenschappelijke beleid. Dit verslag benadrukt het feit dat territoriale cohesie met name relevant zal zijn voor geografisch benadeelde gebieden zoals bergregio's en eilanden.

De commissie moet nu een wetgevend pakket opstellen waarin concrete bepalingen en beleidsacties met betrekking tot territoriale cohesie worden geschetst, om deze cohesie ook daadwerkelijk te realiseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het debat over territoriale cohesie is veel meer dan een begrotingsdebat of een debat over communautair beleid; het is een debat over de leidende beginselen voor één van de fundamentele en stichtende uitgangspunten van het begrip “Europa” zoals wij dat zien. De herziening van het cohesiebeleid en de zoektocht naar de meest adequate oplossingen voor het cohesiebeleid in het uitgebreide Europa van de 27 – dat nu een economische crisis doormaakt – verdienen onze instemming en applaus. Dat betekent echter geen instemming en applaus voor de hele inhoud van het genoemde groenboek.

De drie centrale richtsnoeren van deze herziening zijn in het licht van de gehanteerde criteria, waar wij waardering voor hebben, correct: negatieve effecten verminderen van de verschillen in bevolkingsdichtheid; gebieden met elkaar verbinden om afstanden te overbruggen en samenwerken om scheidslijnen te overwinnen. Maar juist om wat hier op het spel staat, mag dat niet leiden tot het koppelen van de hoogte van de structuursteun aan het aantal inwoners. Integendeel zelfs. Het concept territoriale cohesie moet juist gestoeld zijn op het idee een gebied waar mensen wegtrekken weer aantrekkelijk en levensvatbaar te maken. Dat is één van onze doelstellingen waar we zonder meer naar moeten blijven streven.

Het concept cohesie is in de kern van de zaak een idee geënt op solidariteit waar we allemaal aan gebonden zijn en dat uiteindelijk voor iedereen voordeel oplevert.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. (IT) Ik stem tegen het verslag van de heer van Nistelrooij over het Groenboek inzake territoriale cohesie en de stand van de discussie over de toekomstige hervorming van het cohesiebeleid.

De reden hiervoor is dat ik een andere opvatting heb van territoriale cohesie, waardoor ik de overwegingen van de rapporteur dus niet kan onderschrijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. − Ik ben het met de rapporteur eens dat we het principe van territoriale cohesie duidelijker moeten definiëren.

 
  
  

- Verslag-Vlasák (A6-0031/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Filip Kaczmarek (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Ik heb gestemd voor het verslag van de heer Vlasák over de stedelijke dimensie van het cohesiebeleid in de nieuwe programmeringsperiode. Ik woon in Poznań, de hoofdstad van de regio Wielkopolska. Ik zie bijna dagelijks de positieve effecten van de ontwikkeling van de stad op die van de regio als geheel. Ik zou zelfs zo ver durven te gaan om te zeggen dat de langverwachte synergie tussen stedelijke en regionale ontwikkeling eindelijk bewaarheid wordt.

Stedelijke ontwikkeling heeft niets te maken met lokale centralisatiepolitiek. Mensen die tegen de ontwikkeling van grote steden zijn, hebben vaak geen weet van het belang van deze steden voor de regio’s waarin zij gelegen zijn. Gezien de specifieke aard van sommige door de grote stedelijke centra vervulde functies kunnen deze niet verplaatst worden naar plattelandsgebieden. Er rust dus een specifieke verantwoordelijkheid op de schouders van stedelijk bestuurders. Al datgene waarmee zij te maken hebben op het gebied van planning, ruimtelijke ordening, sociale dialoog, cultuur en onderwijs, alsook op het gebied van het scheppen van duurzame hoogwaardige werkgelegenheid, is uitermate complex van aard. Voor een aantal van deze taken is er nauwe samenwerking nodig met lokale overheden op andere niveaus.

Het is tevens van belang dat de stedelijke dimensie van het cohesiebeleid niet concurreert met plattelandsontwikkeling, maar deze juist aanvult. Zowel landelijke als stedelijke gebieden kunnen en moeten zich verder ontwikkelen. Beide processen genieten de steun van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. − (IT) Ik stem tegen het verslag van de heer Vlasák over de stedelijke dimensie van het cohesiebeleid in de nieuwe programmeringsperiode.

Hoewel ik het belang van duurzame stedelijke ontwikkeling erken, denk ik dat deze moeilijk tot stand kan worden gebracht zonder een gemeenschappelijke definitie van “stedelijke gebieden”.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Simpson (PSE), schriftelijk. − (EN) Ik steun dit verslag en wil graag van deze gelegenheid gebruikmaken om het standpunt te benadrukken dat het cohesiebeleid op geïntegreerde wijze moet worden benaderd.

Deze integratie moet echter een instrument zijn om voordelen te bieden en niet een maatregel die beperkend kan werken. Dit is een aspect waarop zorgvuldig toezicht moet worden gehouden.

Stedelijke cohesie is van wezenlijk belang om duurzame economische en sociale vooruitgang te kunnen bieden. In dat opzicht wil ik graag de rol van transport en de beschikbaarheid van een moderne infrastructuur voor transport benadrukken als zijnde onmisbaar voor het cohesiebeleid in stedelijke gebieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. − (EN) De stedelijke dimensie van het cohesiebeleid dient een hogere prioriteit te krijgen.

 
  
  

- Verslag-Mikolášik (A6-0108/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. (IT) Ik stem tegen het verslag van de heer Mikolášik over de uitvoering van de structuurfondsverordening 2007-2013: de resultaten van de onderhandelingen betreffende de nationale cohesiestrategieën en operationele programma's.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. − (EN) Het is noodzakelijk om de tenuitvoerlegging van structuurfondsverordering 2007-2013 nauwkeurig te volgen teneinde een correct gebruik van belastinggeld te waarborgen en ons in staat te stellen een correcte evaluatie uit te voeren voor programma's na 2013.

 
  
  

- Verslag-Becsey (A6-0041/2009)

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. – (PL) Kleine ondernemingen spelen een belangrijke rol bij de schepping van werkgelegenheid in Europa en we zouden het hun makkelijker moeten maken om te kunnen functioneren. Ik zou graag willen benadrukken dat ik alle initiatieven ter ondersteuning van het kleinbedrijf in de EU alsook van mensen die een zelfstandig beroep willen uitoefenen, van harte ondersteun.

Ik heb voor het verslag van de heer Becsey gestemd omdat daarin een positief oordeel wordt geveld over het initiatief tot verstrekking van microkredieten in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Šarūnas Birutis (ALDE), schriftelijk. (LT) Een succesvol Europees initiatief voor microkrediet zou een wezenlijke bijdrage kunnen leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de herziene strategie van Lissabon voor werkgelegenheid en groei en de totstandbrenging van een vernieuwende, creatieve en dynamische Europese economie. Kleine ondernemingen vormen een essentiële bron voor groei, werkgelegenheid, ondernemersvaardigheden, vernieuwing en samenhang in de EU. Microkrediet kan met name een van de vier prioriteiten van de strategie van Lissabon ondersteunen: het ontsluiten van het ondernemingspotentieel, door personen (opnieuw) te helpen zich sociaal en economisch te integreren, door middel van zelfstandige beroepsactiviteiten. De strategie van Lissabon kan enkel als een succes worden beschouwd indien het werkgelegenheidspeil aanzienlijk wordt verhoogd. Het resultaat van een Europees initiatief op het vlak van microkrediet moet modern zijn en in de eerste plaats gericht zijn op de doelgroepen die tot op heden onvoldoende aandacht kregen.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Het succes van microkredieten bij de vermindering van de armoede in ontwikkelingslanden, met name in Zuid-Azië en Latijns-Amerika, is nog niet doorgebroken in de Europese Unie. Desalniettemin is er ook hier een grote behoefte aan microkredieten, met name onder mensen die geen lening kunnen krijgen van de traditionele banken. De verstrekking van microkredieten is een ander soort bankieren. Microkredieten worden niet louter en alleen op financiële gronden verstrekt, niet louter en alleen met een winstoogmerk, maar tevens ter vergroting van de sociale cohesie. Met microkredieten wordt namelijk gepoogd om mensen die zich in ongunstige omstandigheden bevinden en die graag een micro-onderneming willen opstarten, te integreren.

Een succesvol Europees initiatief ter ontwikkeling van microkredieten zou mede kunnen bijdragen tot bewerkstelliging van de doelstellingen van de hernieuwde Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid, alsook tot een Europese economie die innovatiever, creatiever en dynamischer is. Microkredieten zouden met name middels hun nadruk op ondersteuning van de integratie of herhaaldelijke sociale en economische integratie van mensen door middel van het uitoefenen van een zelfstandig beroep, een bijdrage kunnen leveren aan het vrijmaken van het verborgen economisch potentieel.

Daarom steun ik de resolutie van de rapporteur die ons vraagt om doeltreffende institutionele, juridische en commerciële kaders te creëren op nationaal niveau om aldus te zorgen voor gunstigere voorwaarden voor de ontwikkeling van microkredieten, alsook om een geharmoniseerd Europees kader in het leven te roepen voor niet-bancaire instellingen voor microfinanciering.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Liberadzki (PSE) , schriftelijk. – (PL) Ik heb voor het verslag met aanbevelingen aan de Commissie over een Europees initiatief voor de ontwikkeling van microkrediet ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid gestemd. Ik ben het eens met de rapporteur dat kleine ondernemingen een essentiële bron zijn van groei, werkgelegenheid, ondernemerschap, innovatie en cohesie in de EU.

Er dient met name gewezen te worden op het feit dat microkredieten veelal niet louter en alleen op economische gronden toegekend worden en niet uitsluitend met een winstoogmerk, maar dat ze tevens gericht zijn op bevordering van de sociale cohesie. Met deze kredieten wordt namelijk specifiek getracht achtergestelde mensen in onze samenleving te integreren of te herintegreren.

Ik ben dus voorstander van goedkeuring van het verslag. Gezien het feit dat microkredieten kunnen bijdragen tot vrijmaking van het ondernemingspotentieel door mensen te helpen een zelfstandig beroep uit te oefenen, ben ik van mening dat deze methode ook toegepast dient te worden in de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Jamila Madeira (PSE), schriftelijk. (PT) Dit verslag is van cruciaal belang in het kader van de werkzaamheden van de EU in verband met het cohesie- en het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid.

Deze benadering heeft ook brede steun gekregen in de schriftelijk verklaring P6_TA(2008)0199, die het Europees Parlement op 8 mei 2008 heeft goedgekeurd. Ik had de eer er een van de eerste ondertekenaars van te zijn.

Daarom stem ik voor dit verslag, want elke investering en verdieping in verband met deze materie is cruciaal en urgent, met name in de huidige economische en financiële crisis. Concrete en snelle actie om het beleid geloofwaardiger en samenhangender te maken is wat wij nu verwachten van de Europese Commissie en de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Tot dusver werd het succes van microkredietstelsels bij het verminderen van de armoede in ontwikkelingslanden niet vertaald naar de EU-context. Ik steun dit verslag, want als een Europees initiatief voor microkrediet succesvol blijkt te zijn, kan dit een wezenlijke bijdrage leveren aan het bereiken van de doelstellingen van de herziene strategie van Lissabon, aangezien kleine ondernemingen een essentiële bron voor groei, werkgelegenheid, ondernemersvaardigheden, vernieuwing en samenhang in de EU vormen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexandru Nazare (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Er staan momenteel discussies op de agenda over maatregelen voor het opnieuw op gang brengen van kredietverstrekkende activiteiten. In de huidige economische situatie en met name in landen die momenteel onderhandelen over leningen van internationale financiële instellingen, zoals Roemenië, is het van vitaal belang dat de banken weer hun hoofdfunctie gaan vervullen en de bevolking krediet verstrekken.

Mijns inziens heeft de heer Becsey een innovatief verslag geschreven. Daarmee wordt immers het thema opnieuw aan de orde gesteld, zij het dan vanuit een nieuwe invalshoek, omdat buiten de bankensector naar oplossingen voor de huidige financiële impasse wordt gezocht.

Het verslag gaat over microkredieten en is gericht op benadeelde groepen van de samenleving, zoals minderheden, Roma of bewoners van plattelandsgebieden, die vaak beschikken over een onbenut potentieel. Als zij een klein bedrijf willen oprichten kunnen zij dat echter niet, omdat zij niet in aanmerking komen voor leningen van kredietinstellingen. Deze mensen hebben daarom nauwelijks enige keuzemogelijkheid.

Daarom komt het voorstel van de heer Becsey als geroepen. Hij dringt aan op de oprichting van een communautair fonds voor de bevordering van microkredieten voor mensen en bedrijven die geen rechtstreekse toegang hebben tot leningen van banken en op betere informatie over deze financieringsinstrumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Ik onthoud mij van stemming over het verslag van de heer Becsey over een Europees initiatief voor de ontwikkeling van microkrediet ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid.

Ik kan mij weliswaar vinden in sommige punten in het verslag, maar andere verwerp ik resoluut. Ik kan de ingediende tekst dus niet ten volle steunen en vandaar mijn stemonthouding.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. − (EN) Microkredietregelingen kunnen ervoor zorgen dat veel van de armste mensen ter wereld uit totale armoede worden verlost, met name vrouwen. De EU-instellingen en lidstaten moeten meer doen om dergelijke regelingen te steunen.

 
Laatst bijgewerkt op: 7 juli 2009Juridische mededeling